Toelichting
Tekst van het document
Verantwoording Ad 1 en 2. Personendichtheid en omvang risico Zoals aangegeven, is als gevolg van de ontwikkeling nabij het plangebied, ten aanzien van de rijksweg A15, een stijging van het groepsrisico te zien. Het groepsrisico nabij het plangebied is in de huidige situatie berekend op 0,001 x de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie stijgt dit naar 0,334 x de
48
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard oriëntatiewaarde. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Ten aanzien van de spoorlijn 202O.2/ 202P.2 is een stijging van het groepsrisico te zien nabij het plangebied. Het groepsrisico is in de huidige situatie berekend op 0,011 x de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie stijgt dit naar 0,165 x de oriëntatiewaarde. Voor de spoorlijn is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Hierdoor is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Ad 3. Maatregelen aan de bron Bij de bron zijn niet direct maatregelen te treffen door de ontwikkelaar van het plan. Ad 4. Ruimtelijke maatregelen Het aanbrengen van een afscherming is binnen het voorgestelde plan niet wenselijk wegens het voornemen om het terrein zichtbaar te maken vanaf de rijksweg. Wel is het plan dusdanig aangepast ten opzichte van eerdere plannen, en is het kantoorgebouw op een grotere afstand van de Rijksweg gesitueerd. Functies waar weinig tot geen mensen aanwezig zijn, zijn meer richting de Rijksweg geplaatst, zoals een opslaggebouw. Binnen het plangebied kan met de invulling rekening gehouden worden met de vluchtroutes. Van belang is om daarbij te zorgen voor een vluchtroute van de risicobron af.
Op basis van de huidige plannen is dit goed mogelijk. Ad 5. Voorbereiden, bestrijden en beperken van de omvang Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet vindt voornamelijk plaats bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Het plangebied is vanuit meerdere zijden voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Er is voorzien in een calamiteitenroute waarmee zowel in noordelijke al zuidelijke richting toegang tot het perceel aanwezig is. Een en ander is op onderstaande afbeelding weergegeven. De hulpdiensten bevinden zich op een afstand van maximaal 3 kilometer afstand van het plangebied.
Toelichting (ontwerp)
49
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Ad 6. Zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Binnen het plangebied zullen geen, en/of minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Minder zelfredzame personen kunnen vluchten onder begeleiding. Het snel vluchten van de verschillende risicobronnen af is, voor de binnen het plangebied aanwezige personen, goed mogelijk. De vluchtroutes lopen zowel in oost-west richting als in de noord-zuid richting. Door het bosperceel is een calamiteitenroute die eventueel ook als vluchtroute kan worden gebruikt. Ook in oostelijke richting is er een vluchtroute in zowel een oostelijke, als zuidelijke en noordelijke richting. Opgemerkt wordt ook dat het plangebied omringd zal zijn door een aarden wal, waarmee eveneens sprake is van een afschermende werking. Ad 7. Alternatieven Alternatieve wijzen van inrichting van het plangebied leiden niet tot een relevante verandering van het groepsrisico, ten opzichte van het nu beoogde plan. Het groepsrisico ter plaatse van het plangebied, ten gevolge van de transportroutes, is in de huidige situatie relatief laag en zal in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Daarbij is reeds opgemerkt dat het beoogde nieuwe kantoorgebouw reeds verder van de Rijksweg af geprojecteerd is als gevolg van een herindeling op het perceel en het beperken van het risico. Ad 8.
mogelijkheden en maatregelen Goede voorlichting en bouw conform het Bouwbesluit. Ad 9. Voorschriften Niet van toepassing. 4.8.3
Waterstof
Op het terrein wil GMB een waterstofafvulinstallatie voor eigen gebruik (geen openbaar tankstation) realiseren. Het gebruik en de opslag van waterstof als motorbrandstof brengt, net als bijvoorbeeld LPG, risico's voor de omgeving met zich mee op het gebied van externe veiligheid. De risico's en effecten ten aanzien van waterstofafvulinstallaties zijn in kaart gebracht door het RIVM in
50
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2016. Op basis van deze gegevens is het mogelijk om via een kwalitatieve beschouwing, de globale risico's en effecten in kaart te brengen van de eventueel beoogde waterstofafvulinstallatie. Tauw heeft de risico's en effecten van de waterstofafvulinstallatie kwalitatief uitgewerkt in het kader van het beoogde nieuwe bestemmingsplan voor de Bonegraaf-Oost te Dodewaard. De rapportage is als Bijlage 16 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Het exploiteren van een waterstoftankstation kan risico’s voor dergelijke (beperkt) kwetsbare objecten teweeg brengen in het kader van externe veiligheid. In het onderzoek van Tauw zijn op basis van de RIVM-memo de PR 10-6 contouren en maximale effectafstanden bepaald voor een eventuele realisatie van een waterstoftankstation te Dodewaard. Aangezien de exacte locaties van de verschillende installatieonderdelen nog niet vaststaan, zijn de veiligheidsafstanden ingemeten vanaf de grenzen van de beoogde productie/ opslaglocatie zoals weergeven in onderstaande figuur.
Beoogde situatie plangebied
De maximale effectafstanden zijn vervolgens gevisualiseerd op twee luchtfoto's van de beoogde planlocatie. Hierbij zijn de gebouwen en installatie ingetekend, blauw zijn de bedrijfsgebouwen en rood zijn de risicobronnen. De PR 10-6 contouren van de maatgevende scenario's van het type 1 (rood) en 2
Toelichting (ontwerp)
51
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard (blauw) installaties zijn in onderstaande figuur weergegeven.
PR 10-6 contouren van maatgevende scenario's (rood installatie type 1, blauw installatie type 2)
Plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6) Zoals te zien valt een gedeelte van de PR 10-6 contouren dat zich buiten de inrichtingsgrenzen bevindt, over een stuk agrarisch landbouwgrond heen. Hier zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gesitueerd en vormt derhalve geen risico op het gebied van externe veiligheid, in het kader van het Bevi. Bij een verschuiving van het opslagpunt in westelijke of zuidelijke richting komt de contour over het eigen kantoor heen te liggen. Ondanks dat het eigen kantoor niet relevant is, zijn juist daar de meeste mensen aanwezig. Ook verschuiving in zuidelijke richting is geen optie in verband met de gewenste bedrijfsvoering, waarbij zowel de vrachtwagen parkeerplaatsen, als het opslagpunt zo ver mogelijk van de woonbebouwing geplaatst zijn. Binnen de inrichtingsgrenzen overlapt de PR 10-6 enkel met de loods en het magazijn, wanneer wordt uitgegaan van de beoogde indeling. Vanuit het Bevi worden de loods en het magazijn niet aangewezen als beperkt kwetsbaar object. Ook de afleverzuil zal mogelijk een PR 10-6 contour geven, maar naar verwachting wel kleiner dan die van het opslagpunt. De exacte afleverzuil is nog niet bekend, maar een eventuele contour blijft daarbij binnen de eigen inrichting.
Verwacht wordt dat de werkelijke contouren niet verder buiten de inrichtingsgrenzen zullen reiken maar wel (gedeeltelijk) over de diverse gebouwen binnen de inrichting, in dit geval het kantoor en werkplaats, heen zullen liggen. In het kader van het nieuwe bestemmingsplan zal hiermee voldaan worden aan het Bevi.
52
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Maximale effectafstanden maatgevende scenario's (oranje installatie type 1, groen installatie type 2)
Effectafstanden Zoals te zien allen de maximale effectafstanden van zowel installatie type 1 en 2 deels binnen en buiten de inrichtingsgrenzen van het bedrijventerrein. Binnen de inrichtingsgrenzen overlapt het enkel met de loods en het magazijn. Ook de afleverzuil zal een effectafstand geven, maar naar verwachting wel kleiner dan het opslagpunt. Hierbij zullen de maximale effectafstanden waarschijnlijk ook over het kantoor en de werkplaats liggen. Er is geen wettelijke grenswaarde ten aanzien van deze maximale effectafstanden, en daarmee vormen deze contouren geen belemmering voor het beoogde nieuwe bestemmingsplan. 4.8.4
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
4.9
Waterhuishouding
4.9.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd
Toelichting (ontwerp)
53
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodemen oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. UitgangspuntenWaterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed.
Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit : De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag.
Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen. Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor de komende jaren is omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe (GRP) 2019 - 2023.
In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid
54
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan Omdat de opgave in het watersysteem door uitvoering van maatregelen de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is, is het eerder op zichzelf staande waterplan in het GRP geïntegreerd opgenomen. De bekostiging van het gemeentelijke deel van de wateropgave is opgenomen in de kostendekking GRP. Belangrijke aanleiding voor het losknippen van de watertaak uit het GRP in een apart plan was de destijds grote opgave op het gebied van waterberging, het benodigde specialisme en de genoemde gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een gemeentelijk waterspecialist begeleid de uitvoering van de watertaken. Op dit moment zijn veel van de gestelde doelen bereikt of verkeren in een afrondende fase. De nog uit te voeren waterbergingsopgave is kleiner en duidelijk. Het waterplan maakt daarom weer geïntegreerd onderdeel uit van het GRP 2019 - 2023. Gemeente en Waterschap streven voor stedelijk gebied naar een robuust watersysteem waardoor overstroming alleen optreedt bij extreme situaties. Dit betekent dat er watersysteemmaatregelen moeten worden getroffen.
Dit kan door extra ruimte voor oppervlaktewater in het bestaande watersysteem te creëren of door het realiseren van extra waterpartijen. Om de doelstellingen van het rijk (2050) te halen moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen die nu gerealiseerd worden klimaatbestendig en water robuust zijn. Als ze dat niet zijn komt de rekening voor aanpassingen bij toekomstige inwoners of de gemeente voor herinrichting van de openbare ruimte. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar worden afgestemd en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Klimaatbestendig inrichten heeft niet enkel betrekking op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar betreft ook de (herinrichting van) bestaande openbare ruimte. Een klimaatbestendig oppervlaktewatersysteem betekent een robuust watersysteem van belang dat zowel extreme droge als natte situaties aan kan (regenwater-, droogte- en hittebestendig). In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over wateroverlast en watertekort. In het NBW zijn werknormen opgenomen ten aanzien van het noodzakelijke beschermingsniveau. Om nu en in de toekomst aan deze beschermingsniveaus te voldoen is de realisatie van aanvullende waterberging noodzakelijk.
Deze opgave wordt bepaald aan de hand van modelleringen (hydrologische berekening van het oppervlaktewatersysteem). 4.9.2
Doorwerking plangebied
Ten behoeve van de ontwikkeling is er door buro ontwerp & omgeving een eerste waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd. De analyse is als Bijlage 17 bij dit bestemmingsplan gevoegd. In deze paragraaf is met name de wijze waarop de noodzakelijke waterberging als gevolg van de toename verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Voor overige technische en beleidsmatige uitgangspunten wordt verwezen naar de rapportage.
Watertoets/Wateroverleg In bestemmingsplannen moet worden aangetoond dat de waterhuishouding ter plaatse niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Om de gevolgen in kaart te brengen, dient het instrument de Watertoets worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de Watertoets, geeft het waterschap, in samenwerking met de gemeente, advies en uitgangspunten met betrekking op de waterhuishouding. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Voor dit plan is op 11 oktober 2021 de digitale watertoets doorlopen. Uit de toets blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Verder is op dinsdag 14 december 2021 gesproken met gemeente en een vertegenwoordiger van het
Toelichting (ontwerp)
55
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard Waterschap over de bijgevoegde waterhuishoudkundige analyse. Onderwerp van gesprek was de noodzakelijke waterberging die moet plaatsvinden als gevolg van de toename van verhard oppervlak in het plangebied. Eveneens zijn de eerste oplossingsrichtingen hiertoe besproken met het Waterschap. Waterberging Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak in de nieuwe situatie met circa 4 hectare toenemen. Op basis van de toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied is een doorvertaling gemaakt naar de bergingsopgave. In onderstaande tabel is de bergingsopgave nader uiteen gezet.
De meest voor de hand liggende manier om de totale bergingsopgave (2.062 m3) te realiseren is het aanleggen van (nieuw) oppervlaktewater. Binnen het gebied zijn in het ontwerp een wadi, verbreding van watergangen en de aanleg van oppervlaktewater aan de noordoostkant van het plangebied voorzien. Hierbij wordt uitgegaan van berging bij een maximale peilstijging van 30 cm in het oppervlaktewater. In onderstaande tabel is de wijze van berging uiteengezet, daaronder is de wijze van waterberging in kaart gebracht. Het gearceerde deel betreft het planologisch reeds bestaande bedrijfsperceel.
De bergingsopgave als gevolg van de toename van verhard oppervlak bedraagt 2.062 m3. Met de voorgestelde maatregelen ontstaat ruimte voor de berging van 2.295 m3. Daarmee kan het nieuwe watersysteem voldoen water bergen.
56
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.9.3
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Toelichting (ontwerp)
57
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.10
Ecologie
4.10.1 Regelgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). 4.10.1.1
Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c.
sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de
58
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.10.1.2
Gebiedsbescherming
Natura2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Door middel van een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.10.2 Doorwerking in bestemmingsplan 4.10.2.1
Soortenbescherming
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door NLadviseurs in juni 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als Bijlage 18 bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de volgende soorten. Grondgebonden soorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van een aantal grondgebonden zoogdieren van de lijst met Nationaal beschermde soorten (Andere soorten, artikel 3.10). Dit betreft bunzing, eekhoorn, egel, haas, hermelijn maar ook andere marterachtige. In tegenstelling met wat in de quickscan is aangegeven, is er geen algemene vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer van de Provincie Gelderland. Om die reden is nader onderzoek noodzakelijk. Vogels Aan de westelijke rand van de houtopstand (ongeveer in het midden) is een nestboom met een horst van op het eerste oog naar verwachting een buizerd aanwezig. Op basis van het veldbezoek kon niet worden bepaald of dit nest momenteel in gebruik is of recent in gebruik is geweest. Verder is in het noordelijk deel een aantal rijk met klimop begroeide bomen aanwezig. Bij één boom is dit dusdanig fors, dat niet kan worden uitgesloten dat deze boom in gebruik is als nestboom door een roofvogel met een jaarrond beschermd nest.
Om die reden is nader onderzoek nodig naar roofvogels. Vleermuizen
Toelichting (ontwerp)
59
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Uit de (directe) omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. In het plangebied zelf zijn geen gebouwen aanwezig die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Bomen in het plangebied zijn geïnspecteerd op potentieel geschikte verblijfplaatsen in de vorm van holtes, rottingsgaten, spleten en loshangende schors. In een aantal bomen zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen aangetroffen. Op basis van het bronnenonderzoek en het verkennend veldbezoek kan niet worden uitgesloten dat vleermuizen gebruik maken van de aanwezige potentieel geschikte verblijfplaatsen in enkele bomen. Hoewel niet aannemelijk gezien de ligging van de houtopstand in het landschap, is het tevens op voorhand ook niet uit te sluiten dat vleermuizen de randen van de houtopstand gebruiken als (essentiële) vliegroute en/of foerageergebied. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van en functies voor vleermuizen is dan ook noodzakelijk. Vissen Er zijn waarnemingen bekend van grote modderkruiper binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied. Dit betreft waarnemingen van grote modderkruiper in het gebied ten noorden van De de Bonegraaf gelegen tussen de Linge en de A15.
Hoewel de watergangen in het plangebied niet de kenmerken hebben van het meest optimale leefgebied voor deze soort, valt gezien de plaatselijk soms dichte water- en moerasbegroeiing in combinatie met de aanwezige baggerlaag niet uit te sluiten dat grote modderkuiper aanwezig kan zijn in deze wateren. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van en de functies voor grote modderkruiper van de watergangen in het plangebied is noodzakelijk.
Nader onderzoek natuur Door Buro Ontwerp & Omgeving is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het nader ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan natuur-toets die NLadviseurs op 4 juni 2019 in het projectgebied heeft uitgevoerd. Het nader onderzoek is als Bijlage 19 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de quickscan kwam naar voren dat de projectlocatie geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, als vliegroute en foerageergebied van vleermuizen, als rust- en verblijfplaats voor de eekhoorn, bunzing, wezel en hermelijn, als nestlocatie voor roofvogels en als leefgebied van de grote modderkruiper. Er is daarom nader onderzoek gedaan om vast te stellen of er verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Gezien de eigenschappen van het projectgebied is ter aanvulling op de voorgenoemde soorten ook nader onderzoek uitgevoerd naar de steenmarter, boommarter en ransuil. Op basis van het nader onderzoek is een activiteitenplan in combinatie met een ontheffingsvraag noodzakelijk voor de soorten vleermuizen (bomen en holtes), steenmarter, buizerd en sperwer. Een en ander samengevat in onderstaand schema.
60
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Overzicht conclusie nader onderzoek ecologie
Ten behoeve van de genoemde soorten is een activiteitenplan opgesteld. Dit activiteitenplan omvat naast de soorten waarvoor ontheffing moet worden aangevraagd ook meer algemenere soorten waarvoor in de planvorming ruimte is gemaakt. Ten behoeve van de wettelijk beschermde soorten zijn ontheffingen aangevraagd. Voor wat betreft de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt ervan uitgegaan dat de ontheffingen voor vaststelling van het bestemmingsplan zijn verleend. 4.10.2.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied is gesitueerd op een afstand van circa 1,5 kilometer van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Effecten in de zin van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied of significant verstorende effecten op de soorten waarvoor dit Natura 2000-gebied is aangewezen, zijn gezien de afstand in combinatie met de aard van de voorgenomen plannen niet aan de orde. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet is dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (voorheen EHS, Ecologische Hoofdstructuur). Er is geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Negatieve effecten zijn derhalve niet aan de orde. De afstand tot de begrensde terreinen is minimaal 1,5 kilometer, met tussenliggende stedelijke bebouwing. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Natuurnetwerk Nederland is met de voorgenomen ontwikkelingen dan ook geen sprake.
Toelichting (ontwerp)
61
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.10.2.3
Kapmelding Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming kent geen vergunning wel een meldplicht en een herplantingsplicht. Voor het kappen van bomen geldt de verplichting een kapmelding te doen. Verder geldt een zogeheten herbeplantingsplicht, waarbij de te kappen bomen in een verhouding 1 op 1 moeten worden herplant. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Van Voorthuizen in oktober 2021 een boom effect analyse uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als Bijlage 20 bij de toelichting opgenomen. Het bestaande bosperceel is opgedeeld in vijf vakken. De indeling van deze vakken is in de navolgende afbeelding weergegeven.
Indeling vakken bosperceel
De bomen in vak 1, 4 en 5 zijn in een redelijk tot goede conditie. Het toekomstperspectief van deze bomen ligt dan ook tussen de 10 en 15 jaar. De ontwikkeling ziet er dan ook op toe dat deze bomen blijven bestaan en onderdeel worden van het bedrijventerrein. De bomen in vak 2 en 3 zijn matig tot slecht. Het toekomstperspectief van deze bomen ligt dan ook rond de 5 jaar. Hierom is ervoor gekozen deze bomen te kappen en hiervoor gedeeltelijk nieuwe bomen terug te laten komen in het plangebied. In vak 2 zullen parkeerplaatsen in het groen worden gerealiseerd. De landschappelijke lijn in vak 3 zal worden behouden en worden versterkt. De watergang wordt duidelijk zichtbaar gemaakt en er worden nieuwe bomen aangeplant. GMB streeft daarbij naar een duurzame instandhouding van het bosperceel. Omvorming van een monotoon bomenbestand maakt hier ook onderdeel van uit. Ook in de rest van het plangebied zullen bomen worden aangeplant om zo aan de
62
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard herbeplantingsplicht te voldoen. Hiertoe wordt een beplantingsplan opgesteld. 4.10.2.4
Stikstof
Het is niet op voorhand uit te sluiten of er sprake is van een significante toename van stikstof-depositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Door Tauw Milieu is in juni 2022 een AERIUS-berekening uitgevoerd, die is bijgevoegd als Bijlage 21. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven. Fase aanleg De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is per 1 juli 2021 in werking getreden. Als gevolg daarvan is de aanlegfase (alle tijdelijke bouw- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld van natuurvergunningsplicht voor het aspect stikstofdepositie. Wanneer het bestemmingplan tot uitvoering wordt gebracht – de projectfase – en het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, dan wordt voor dit onderdeel van het plan verwezen naar het feit dat de wetgever de effecten van stikstofdepositie in de bouw-/aanlegfase daarmee reeds heeft beschouwd, waardoor de noodzaak tot toetsing van stikstofdepositie in de bouw-/aanlegfase afwezig is. Fase gebruik AERIUS Calculator berekent voor de beoogde situatie een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,12 mol/ha/jaar. In het onderzoek zijn zowel de beoogde situatie als de referentiesituatie meegenomen.
Ten opzichte van de referentiesituatie (interne saldering) is er in de beoogde situatie op geen enkel relevant hexagoon sprake van een toename in stikstofdepositie. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De depositie die optreedt wordt volledig te niet gedaan door de interne saldering. De nieuwe situatie leidt zelfs tot minder depositie dan in huidige situatie. Dit betekent dat in het kader van de Wnb door het toekomstig bedrijventerrein er geen negatief effect optreedt ten aanzien van stikstof. Op dit aspect geldt dus geen verplichting tot een vergunning Wnb. 4.10.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt na verlening van de noodzakelijke ontheffingen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.11
Archeologie & cultuurhistorie
4.11.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.
Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het Toelichting (ontwerp)
63
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.11.2 Doorwerking in bestemmingsplan 4.11.2.1
Archeologie
Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Archeologische Beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe, zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 14 april 2016. In deze beleidskaart zijn twee verschillende verwachtingswaarden aan het plangebied toegekend. Om de mogelijk aanwezige waarden te beschermen heeft de gemeente Neder-Betuwe een parapluplan 'Archeologie' opgesteld. In dit parapluplan zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden voorzien van de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1, 2 en 3”. In deze bestemmingen is bepaald dat voor bodem verstorende werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige waarden een vergunning verplicht is. Voor de verschillende verwachtingswaarden gelden criteria voor wanneer een vergunning verplicht is en archeologisch onderzoek verricht moet worden. Achtereenvolgens gelden verwachtingswaarden:
de
onderstaande
dubbelbestemmingen
voor
de
verschillende
Bestemming
Verwachtingswaarde
Verplichting onderzoek voor ingrepen vanaf:
Waarde - Archeologie 1
Bekende archeologische waarden/vindplaatsen
30 cm -mv
100 m2
Waarde - Archeologie 2
Hoge archeologische trefkans
30 cm -mv
1.000 m2
Waarde - Archeologie 3
Gematigde archeologische trefkans 30 cm -mv
10.000 m2
Volgens de Archeologische Beleidskaart 2016 heeft binnen het plangebied heeft het overgrote deel de archeologische waarde 'Waarde 4 - lage archeologische trefkans'. Een kleine strook in het noorden van het plangebied heeft de archeologische waarde 'Waarde 2 - hoge archeologische trefkans'. Op navolgende afbeelding is het plangebied met een rood gestreept kader weergegeven.
64
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Archeologische beleidskaart gemeente Neder-Betuwe
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Hamaland Advies in november 2021 een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 22. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven. Bureauonderzoek Gezien de lagere landschappelijke ligging van het plangebied in een rivierkomvlakte, wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten tot en met de Nieuwe tijd klein geacht. Rondom het plangebied komen hoger gelegen stroomgordelafzettingen voor. In de directe omgeving van het plangebied zijn aanwijzingen voor resten uit (voornamelijk) het Neolithicum tot en met de Bronstijd, maar voor zover herleidbaar zijn deze resten afkomstig van de hierboven genoemde hoger gelegen stroomgordels. Booronderzoek in de directe nabijheid van het plangebied heeft aangetoond dat er tot minimaal 2,0 m-mv sprake is van komafzettingen zonder aanwijzingen voor menselijk handelen in het verleden. Voor het plangebied zal de mate van intactheid van de bodem bepaald moeten worden door middel van verkennend bodemonderzoek. In overleg met de regioarcheoloog van de ODR is bepaald dat alleen de zone met hoge archeologische verwachting (oranje zone op de gemeentelijke archeologische beleidskaart) in het noordoosten van het plangebied met boringen onderzocht hoeft te worden.
Booronderzoek Uit het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw grotendeels overeen komt met de verwachting uit het bureauonderzoek. In het plangebied werden komafzettingen van de Formatie van Echteld verwacht. Uit het booronderzoek blijkt dat in de diepere ondergrond naast komafzettingen (rest)geulafzettingen aanwezig zijn die niet geschikt waren voor menselijke bewoning. De in het bureauonderzoek opgestelde middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode van de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd, kan worden bijgesteld naar laag. De lage archeologische verwachting voor de overige perioden is wel bevestigd met het onderzoek. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen archeologische vindplaatsen verloren gaan is nihil. De gemeente Neder-Betwue heeft het advies overgenomen.
Toelichting (ontwerp)
65
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.11.2.2
Cultuurhistorie
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe (grootschalige) ontwikkelingen binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke- en Rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast valt het plangebied niet binnen het beschermd dorpsgezicht. Bij de inpassing van bedrijvigheid heeft het onderliggende landschap, waarvan het bosperceel, watergangen en de noord zuid oriëntatie de belangrijkste zijn een belangrijke rol gespeeld. Op die manier hebben cultuurhistorische landschapswaarden een plek gekregen in de planvorming. De ontwikkeling heft dan ook geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. 4.11.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.12
Leidingen
4.12.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.12.2 Doorwerking in bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan bevinden zich geen planologisch relevante riool(pers)leidingen. Hiermee is nader onderzoek naar leidingen niet noodzakelijk. Wel bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied gasleiding van Liander , maar de druk in die leiding (8 bar) is niet hoog genoeg om EV-relevant te zijn (vanaf 16 bar). De leiding wordt in de Klic-melding dus wel genoemd als hogedrukleiding, maar is dat volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dus niet. Uiteraard moet hier bij graafwerkzaamheden en dergelijke wel terdege rekening mee gehouden worden. Zeker gezien aan de noordzijde waterberging is voorzien. De leiding zal dan ook ingepast worden.
Ter plaatse van de leiding is de agrarische bestemming gehandhaafd en is aan weerszijden een onderhoudsstrook opgenomen in de bestemming. 4.12.3 Conclusie Het aspect 'leidingen' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.13
Explosieven
4.13.1 Regelgeving Uit het rapport 'Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe' (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente Neder-Betuwe verdacht is op het voorkomen van artillerie-, mortier- en raketbeschietingen.
66
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.13.2 Doorwerking in bestemmingsplan Op basis van de explosievenkaart is nagegaan of een detectieonderzoek ter plaatse moet worden uitgevoerd. Het plangebied is aangeduid als een gebied waar een verhoogde kans is op het aantreffen van explosieven. Om een beeld te verkrijgen van de mogelijke verdachte objecten in de bodem heeft ECG een detectieonderzoek uitgevoerd. De globale resultaten hiervan zijn onderstaand opgenomen, de rapportage is als Bijlage 23 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Detectie Voor het onderhavig project is op 23 augustus een totale oppervlakte van circa 5 hectare middels non-realtime detectie ingemeten. De meetgegevens zijn geïnterpreteerd op het zoekdoel. Een gebied met een totale oppervlakte van circa 47.900 m2 was te interpreteren. Uit de detectie zijn 800 significante objecten verdeeld over 2 deelgebieden naar voren gekomen welke voldoen aan het zoekdoel. Een oppervlakte van circa 3.810 m2 was door de aanwezigheid van detectie verstorende elementen niet te interpreteren. De verstoringen werden o.a. veroorzaakt door o.a.: hekwerken, afrastering, containers, een reclamebord en kabels en leidingen. Een oppervlakte van circa 5.480 m2 was door de aanwezigheid van detectie belemmerende elementen niet te detecteren. De belemmeringen bestaan uit o.a.: een privéterrein, water op het veld, begroeide oevers van watergangen en een slecht GPS signaal door bomen.
Projectplan opsporingswerkzaamheden Voor afgaand van de bouwwerkzaamheden zullen de objecten benaderd moeten worden. Hiertoe is door ECG een projectplan opgesteld waarin de wijze waarop deze werkzaamheden worden uitgevoerd is opgenomen. ECG heeft dit projectplan opgesteld om de processen die nodig zijn voor een veilige, deskundige en juiste uitvoering van het project te identificeren en te plannen. In het projectplan is aandacht besteed aan de navolgende onderwerpen: Verantwoordelijkheden (inclusief vaststelling en goedkeuring projectplan); Samenwerking , identificatie en communicatie met verschillende disciplines; Planning; Documentatie en registraties. Het benaderen van de objecten moet plaats vinden voordat de bouwwerkzaamheden in het plangebied worden uitgevoerd. 4.13.3 Conclusie Het aspect 'explosieven' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.14
Spuitzonering
4.14.1 Algemeen Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Woningen en bijbehorende tuinen worden als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de teler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de (bedrijfs)woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand en hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten, hoger en intensiever dan bij bespuitingen in de lage bomenteelt.
Toelichting (ontwerp)
67
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.14.2 Doorwerking in bestemmingsplan In het bestemmingsplan worden geen gevoelige functies in de vorm van wonen mogelijk gemaakt. Wel wordt voorzien in gebouwen waarbinnen mensen langere tijd verblijven, zoals kantoorgebouw en een werkplaats. Om die reden moeten ook deze gebouwen als gevoelig worden beschouwd. Ten oosten van het plangebied vindt laanboom teelt plaats, het betreft een perceel van Huverba. Het perceel bevindt zich op meer dan 50 meter van het kantoorgebouw en de werkplaats, namelijk circa 80 meter. De eerste 50 meter van het perceel worden tevens bestemd tot spuitzone. Hier is gekozen voor de gebiedsaanduiding Milieuzone - spuitzone, waarmee er geen driftgevoelige functies (zoals kantoren, werkplaatsen, terrassen, etc.) zijn toegestaan. Binnen deze zone mogen dus geen functies worden gerealiseerd waardoor mensen langere tijd zullen verblijven. Hiermee is de spuitzone van 50 meter en daarmee de rechten van de kweker planologisch gewaarborgd in het bestemmingsplan. Daarnaast bevindt zich aan de rand van het plangebied een opgaande wal met beplanting met daarachter overdekte opslag in opslagloodsen. Deze opslagloodsen worden voorzien van groene daken, waarmee de beplanting op de wal overloopt op de daken. In totaal is er een afstand van 22 meter tussen de wand van de opslagloodsen en de grens van de boomkwerkerij.
In dit gebied is langdurig menselijk verblijf niet aannemelijk. Om de gezondheidsrisico's inzichtelijk te krijgen, is door SPA ingenieurs aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de spuitzone binnen de planologisch bestemde milieuzone spuitzone. Dit onderzoek is als Bijlage 24 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Locatie specifiek onderzoek De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Door veranderende wetgeving rond gewasbeschermingsmiddelen is het toegestane middelengebruik beperkt. Naar functie kunnen de volgende middelen worden onderscheiden: Fungiciden (bestrijding schimmels); Insecticiden (bestrijding insecten); Herbiciden (onkruidbestrijding). Per middel verschilt het gehalte aan werkzame stof en daardoor ook de toedieningshoeveelheid per hectare. Het Ctgb biedt een database14 waarin alle soorten gewasbeschermingsmiddelen zijn opgenomen, inclusief de wettelijke gebruiksvoorschriften.
Aangezien het een teler vrij staat alle voor betreffende teelt/gewas toegelaten middelen te gebruiken, is het minder zinvol te kijken naar uitsluitend het huidige specifiek gebruik. Gebruikelijk is het om een worstcase benadering aan te houden die uitgaat van de, qua toxiciteit, meest risicovolle werkzame stof die toegelaten is. De in dit onderzoek onderzochte middelen worden voor boomteelt als maatgevend en representatief beschouwd. De risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift, zijn in beeld gebracht op basis van opwaartse bespuitingen. Daarmee wordt recht gedaan aan de voor de praktijk en planologisch maatgevende situatie. Resultaten Op basis van de resultaten blijkt dat op een afstand van 5 meter er voor één middel niet voldaan wordt aan de gezondheidskundige norm van 100%. Om die reden is onderzocht wat de blootstelling op een grotere afstand dan 5 meter is. In onderstaande tabel zijn de resultaten op een afstand van 10 meter gepresenteerd met toepassing van de vermenigvuldigingsfactor. Op basis van de tabel blijkt dat, met inachtneming van de vermenigvuldigingsfactor, op een afstand van 10 meter voldaan wordt aan de gezondheidskundige norm van 100%.
68
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Werkelijke afstand De beoogde invulling van het plangebied is zo ingevuld dat er op 50 meter van het agrarisch perceel geen functies zijn waarbinnen langdurig menselijk verblijf aannemelijk is. De functies waarbinnen mensen verblijven (kantoor en werkplaats), bevinden zich aan de westzijde van het terrein van GMB. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de spuitzone van het naastgelegen agrarisch perceel wel onderzocht. Uit dit onderzoek volgt een spuitzone van 10 meter. Aan deze zone kan, ook met een andere invulling van de oostelijke gebouwen, voldaan worden. Tussen de oostelijke gebouwen en het agrarisch perceel bevindt zich namelijk een watergang met bijbehorende beschermingszones. Binnen dit gebied met een breedte van 10 meter is langdurig menselijk verblijf niet aannemelijk. Aanvullend is er tot aan de situering van de oostelijke gebouwen, een zone van 11,90 meter dat beoogd is als talud. Ook binnen deze zone is langdurig menselijk verblijf niet aannemelijk. Met andere woorden: mocht het oostelijk gebouw wel worden ingevuld met een functie waarbinnen langdurig menselijk verblijf aannemelijk is, dan kan er met een afstand van 21,90 meter alsnog voldaan worden aan de spuitzone van 10 meter.
Op basis van het onderzoek is de realisatie van het bedrijventerrein op de beoogde locatie mogelijk in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende agrarische percelen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemer niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Toelichting (ontwerp)
69
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.14.3 Conclusie Het aspect 'spuitzonering' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
70
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planaspecten
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Inleidende regels
5.2.1
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels
Toelichting (ontwerp)
71
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2
Bestemmingen
Het bestemmingsplan kent 3 enkelbestemmingen en 3 dubbelbestemmingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de bestemmingen.
Artikel 3 Bedrijventerrein In het kader van de uniformiteit en het bevorderen van de raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen binnen de gemeente Neder-Betuwe, is voor alle bedrijventerrein gekozen voor één uniforme bestemming. De juridische regeling voor het bedrijventerrein wordt toegelicht aan de hand van de kopjes Gebruik en Bouwen. Gebruik Toegelaten categorieën bedrijvigheid Uitgangspunt voor voorliggend bestemmingsplan is dat bedrijven uit de categorieën 2 tot en met 3.2 zijn toegestaan. De categorie-indeling en de beschrijving van de bijbehorende bedrijfsactiviteiten is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de regels is opgenomen. Uitzonderingen op de hoofdregel is de locatie aan de zuidkant van deelgebied 1.k. Deze locatie is specifiek aangeduid. Op deze locatie mogen bedrijfsactiviteiten uit de categorieën 2 tot en met maximaal categorie 3.1 plaatsvinden. Wel is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een hogere categorie toe te staan, mits door middel van onderzoek kan worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Detailhandel In de bestemmingsregeling is opgenomen dat detailhandel niet is toegestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in goederen die ter plaatse van het bedrijf vervaardigd, bewerkt of hersteld worden.