Toelichting
Tekst van het document
Hierbij wordt de planologisch reeds bestaande bedrijfskavel niet meegenomen.
Toelichting (ontwerp)
27
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Netto oppervlakte bedrijventerrein
Verkeersgeneratie Goudappel heeft in haar notitie van 13 juli 2022 de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van de verkeersgeneratiekencijfers uit CROW-publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren'). De notitie is als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
28
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard Type werkmilieus
Voor de locatie is een gemengd terrein mogelijk. De overige werkmilieus passen niet bij deze locatie. Het bedrijventerrein heeft een omvang van totaal 5,187 netto hectare. De verkeersgeneratie is weergegeven in onderstaande tabel.
Verkeersgeneratie de Bonegraaf
De verkeersgeneratie voor de Bonegraaf betreft 820 motorvoertuigbewegingen per dag. Het plangebied wordt ontsloten via Dalwagen en Einsteinstraat op de Bonegraafseweg. Ter plaatste van de kruising wordt voorzien in een gewijzigde kruispuntsituatie, waardoor de doorstroom en verkeersveiligheid verder wordt verbeterd. De ontsluitingsweg Bonegraafseweg is ingericht voor de ontsluiting van het gehele bedrijventerrein Dodewaard en een deel van de woonkern van Dodewaard. Op circa 1 km wordt de Bonegraafseweg ontsloten via de A15. De Bonegraafseweg kan de verkeersgeneratie eenvoudig verwerken. 4.2.2
Parkeren
4.2.2.1 Regelgeving Op 30 mei 2013 heeft de gemeenteraad de beleidsnota Nota Parkeernormen vastgesteld. Deze nota beoogt het vastleggen van de parkeernormen in de gemeente Neder-Betuwe en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Aan de hand van de parkeernormen kan de parkeerbehoefte van toekomstige ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen berekend worden. Het parkeerbeleid heeft tot doel de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Neder-Betuwe te waarborgen. Op 29 november 2014 zijn de Woningwet en het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waardoor parkeernormen voortaan in bestemmingsplannen dienen te worden verankerd. Het opnemen van een verwijzing naar de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening is niet langer mogelijk. Voorgenoemde regeling is van kracht verklaard voor bestemmingsplannen die na 29 november 2014 in werking treden. 4.2.2.2 Doorwerking in bestemmingsplan Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe het aspect 'parkeren' ten aanzien van bouwen en gebruik geregeld. Dit bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' met de daarin opgenomen parkeerregeling is van kracht voor het plangebied. Eveneens is het parkeerbeleid in de regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. In artikel 3.1.2 onder f1 is de parkeernormering verankerd in de planregels.
Hiermee kunnen concrete aanvragen om omgevingsvergunning rechtstreeks getoetst worden aan de normen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen. In de notitie van Goudappel van 13 juli 2022 (Bijlage 6) is ook de specifieke parkeerbehoefte bepaald. Onderstaand is de globale indeling van het terrein opgenomen met daarbij de maximale bouwmogelijkheden per perceel. Hierbij is het planologisch bestaande perceel eveneens meegenomen omdat deze nu nog niet is ingevuld en deze uiteindelijk ook een parkeervraag genereert.
Toelichting (ontwerp)
29
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Globale indeling bedrijventerrein
Deelgebied 1 In het schetsplan zijn circa 100 tot 120 parkeerplaatsen opgenomen. Deze zijn verdeeld over parkeervoorzieningen, gesitueerd achter een groenvoorziening. Voor het gehele deelgebied heeft Goudappel Coffeng de globale parkeerbehoefte bepaald. GWW Pauw Dodewaard Het bedrijf vestigt zich aan de noordzijde van het bedrijventerrein. Bij het bedrijf vindt voornamelijk opslag van goederen en stalling van materieel plaats. Het bedrijf is expliciet aangeduid op de verbeelding als bouwbedrijf. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is globaal uitgaan van de maximale bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen (2.845 m2). Hierbij wordt uitgegaan, gezien het type bedrijf, dat sprake is van bedrijfsgebouwen met één bouwlaag (loodsen). Het bedrijf kan worden getypeerd als arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf) met een
30
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Het totaal benodigde parkeerplaatsen bedraagt 37. Burgland Bouw Het bedrijf vestigt zich aan de zuidoostzijde van het bedrijventerrein. Bij het bedrijf vindt voornamelijk opslag van goederen en stalling van materieel plaats. Het bedrijf is expliciet aangeduid op de verbeelding als bouwbedrijf. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is globaal uitgaan van de maximale bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen (2.577 m2). Hierbij wordt uitgegaan, gezien het type bedrijf, dat sprake is van bedrijfsgebouwen met één bouwlaag (loodsen). Het bedrijf kan worden getypeerd als arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf) met een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Het totaal benodigde parkeerplaatsen bedraagt 34. Overige bedrijfsbebouwing Voor de overige bedrijfspercelen is nog onbekend welke type bedrijf zich zal vestigen, en om die reden kan geen specifieke parkeernorm worden gehanteerd. Het totale oppervlak, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden op de percelen, bedraagt circa 5.127 m2. Gezien de omvang en het gebrek aan kennis over de specifiek te vestigen bedrijven gaan we uit van maatwerk voor het bepalen van de globale parkeervraag. Op basis van 60 personen per m2 bvo, bedraagt het l werknemers circa 85.
De parkeerbehoefte is ingeschat op basis van de vervoerswijzekeuzeverdeling uit het onderzoek Onderweg Nederland (ODIN) van CBS. Hieruit blijkt dat 60% van de werknemers in Neder-Betuwe per auto naar het werk gaat. Voor wat betreft de parkeerbehoefte is er daarmee een parkeervraag van circa 52 parkeerplaatsen. Totaal Ten behoeve van de invulling van deelgebied 1 bedraagt de parkeerbehoefte circa 123 (37 + 34 + 52) parkeerplaatsen. In de planvorming wordt voorzien in circa 100 tot 120 parkeerplaatsen in centrale parkeervoorzieningen. Daarnaast is er binnen de bouwvlakken zelf ruimte om parkeerplaatsen te realiseren. Hiermee kan ruimschoots aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan. Deelgebied 2 en 3 In het schetsplan zijn ruim 150 parkeerplaatsen opgenomen. Dit is op gebaseerd op de huidige situatie en de parkeerbehoefte van GMB. Voor het bedrijfsterrein van GMB wordt uitgegaan van circa 3.000 m2 bvo kantoor. Voor het overige valt het terrein onder arbeidsextensief/bezoekers extensief, groter of gelijk aan 5.300 m2. Dit houdt in dat volgens de gemeentelijke parkeernota voor het overige maatwerk van toepassing is. Op basis van de normen uit de 'Parkeernota 2017' is het aantal parkeerplaatsen in het deelgebied berekend. Kantoorgebouw Voor kantoren geldt, per 100 m2 bvo, een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen.
Op basis hiervan zijn er voor het kantoor (3.000 m2 bvo * 2,8 per 100 m2 bvo =) 84 parkeerplaatsen noodzakelijk. Overige bedrijfsvoering Voor het overige deel geldt dat er maatwerk van toepassing is. Het overgrote deel van het bedrijventerrein betreft buitenopslag, dan wel opslag in opslag loodsen. Eveneens is er sprake van een werkplaats. Het aantal aanwezige personen op binnen dit deel van het bedrijf is minimaal. Het totaal oppervlak aan opslagloodsen en werkplaats bedraagt circa 5.300 m2 bvo groot. Goudappel schat het aantal m2 bvo op 60 per persoon, hetgeen circa 88 werknemers bedraagt. De parkeerbehoefte is ingeschat op basis van de vervoerswijzekeuzeverdeling uit het onderzoek Onderweg Nederland (ODIN) van CBS. Hieruit blijkt dat 60% van de werknemers in Neder-Betuwe per auto naar het werk gaat. Voor wat betreft de parkeerbehoefte is er daarmee een parkeervraag van 53 parkeerplaatsen. Totaal Ten behoeve van de invulling van deelgebied 2 en 3 zijn circa 137 parkeerplaatsen noodzakelijk. In de planvorming wordt voorzien in ruim 150 parkeerplaatsen, waarmee ruimschoots aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan.
Toelichting (ontwerp)
31
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.2.3
Conclusie
In de paragraaf is de globale parkeerbehoefte op het te ontwikkelen bedrijventerrein weergegeven. Uiteraard zal bij de daadwerkelijke vestiging van de nu nog niet bekende bedrijven de daadwerkelijke parkeerbehoefte blijken. Om die reden is in de planregels expliciet een koppeling met de gemeentelijke parkeernota gemaakt. Hiermee vindt de daadwerkelijke toepassing aan de norm plaats bij de vergunningverlening. Op dat moment zal moeten worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect verkeer & parkeren geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3
Bodem
4.3.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.3.2
Doorwerking in bestemmingsplan
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor deelgebied 1 en deelgebied 2 en 3 zijn aparte onderzoeken uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportages zijn als Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9 en bij de toelichting opgenomen.
Deelgebied 1 (Bijlage 7) Voorafgaand aan het veldwerk is het maaiveld ter plaatse van de dam geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Ter plaatse van de dam zijn twee inspectiegaten gegraven, waarbij het uitkomende materiaal (per inspectiegat) is gezeefd en afzonderlijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij is in de bodemlaag van een stukje asbestverdacht materiaal waargenomen. Het overige maaiveld is indicatief geïnspecteerd. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de overige gronden zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is zintuiglijk waargenomen dat de bovengrond ter plaatse van het weiland plaatselijk baksteen (brokken en sporen) bevat. Ook zijn in de bovengrond van twee gaten ter plaatse van het dammetje brokken baksteen en brokken puin waargenomen in de bovengrond. Verder zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat de klei uit de zintuiglijk schone bovengrond van het noordelijk terreindeel licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt en nikkel bevat. De klei uit de ondergrond van het
32
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard noordelijk terreindeel bevat een licht verhoogd gehalte nikkel. In de klei met sporen baksteen zijn licht verhoogd gehalten cadmium gemeten. In de overige onderzochte grond zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. Het grondwater uit alle peilbuizen bevat licht verhoogde concentraties barium. Deze concentraties barium zijn van nature verhoogd aanwezig. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit valt bijna alle grond in de bodemkwaliteitsklasse AW (overal toepasbaar). Alleen de bovengrond ter plaatse van het dammetje valt in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Ten aanzien van de onderzoekslocatie wordt de hypothese ‘onverdachte locatie’ op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek voor het agrarisch perceel niet geheel bevestigd. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor de dammetjes dient op basis van de resultaten bevestigd te worden. Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat, met uitzondering van het aangetoonde asbest ter plaatse van het dammetje, er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling van deelgebied 1 . Ten aanzien van het dammetje is nader onderzoek noodzakelijk.
Nader onderzoek dam deelgebied 1 (Bijlage 8) Buro Ontwerp & Omgeving heeft nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een toegangsdam welke gesitueerd is ter plaatse van deelgebied 1 van het toekomstige bedrijventerrein de Bonegraaf-Oost te Dodewaard. De aanleiding tot het nader onderzoek betreft de tijdens recent uitgevoerd verkennend asbest in bodemonderzoek (verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem aangetoonde asbestverontreiniging. Het nader onderzoek is als Bijlage 8 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit het uitgevoerde nader onderzoek blijkt dat in de bovengrond van twee sleuven asbestgehalten van respectievelijk circa 96 en 91 mg/kg ds gewogen aanwezig zijn. De gehalten worden veroorzaakt door het aanwezige plaatmateriaal (>20 mm). In de fijne fractie (<20 mm) is geen asbest aangetoond. Ter plaatse van de overige vier sleuven is eveneens geen asbest in de fijne fractie aangetoond. Uit het onderzoek naar PFAS blijkt dat de grond geen verhoogde gehalten PFAS bevat ten opzichte van de waarden uit het Handelingskader. In het zand met matig zandcement en resten baksteen uit sleuf SL401 zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond.
Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de interventiewaarde van 100 mg/kg ds gewogen aan asbest ter plaatse van het dammetje niet wordt overschreden. Er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest. Gezien de historie van het terrein (dammetje in agrarisch gebied) wordt er vanuit gegaan dat de verontreiniging voor 1993 is ontstaan. Formeel is er geen saneringsnoodzaak. Wanneer grondwerkzaamheden ter plaatse van de dam worden uitgevoerd worden wordt, gezien het heterogeen voorkomen van asbest en de hoge gehalten welke de interventiewaarde benaderen, aanbevolen de werkzaamheden onder asbestcondities uit te voeren.
Deelgebied 2, bosperceel vernietigingsplek NGE en gemeente opslag (Bijlage 9) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is zintuiglijk waargenomen dat in de bovengrond plaatselijk resten/sporen baksteen aanwezig zijn. Plaatselijk bevat de ondergrond resten tot een matige hoeveelheid baksteen. Op indicatieve wijze zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten PAK zijn gemeten, plaatselijk is tevens een licht verhoogd gehalte nikkel aangetoond. In het matig baksteenhoudende zand uit de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten lood, zink en PAK gemeten. In de klei met resten baksteen uit de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. Het mengmonster van de zintuiglijk schone ondergrond bevat een licht verhoogd gehalte nikkel. In de
Toelichting (ontwerp)
33
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard bovengrond zijn geen van de onderzochte parameters uit het explosievenpakket verhoogd gemeten ten opzichte van de detectiegrens. In de bovengrond zijn eveneens geen verhoogde gehalten PFAS ten opzichte van de achtergrondwaarde uit het Handelingskader aangetoond. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie barium. Deze concentratie barium is van nature verhoogd aanwezig. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit valt de klei uit bovengrond en het matig baksteenhoudende zand uit de ondergrond in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Het zintuiglijk schone zand uit de bovengrond valt in de bodemkwaliteitsklasse AW (overal toepasbaar) en het zand met sporen baksteen uit de bovengrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. De klei uit de ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse AW. Ten aanzien van de onderzoekslocatie wordt de hypothese ‘verdachte locatie’ op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek bevestigd.
Deelgebied 2, bosperceel, bos incl. dammetjes (Bijlage 9) Dammetje noord en zuid Voorafgaand aan het veldwerk is het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het uitgegraven materiaal ter plaatse van de dammetjes is per inspectiegat gezeefd (20 mm) en afzonderlijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in de fractie >20 mm. Ook hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van twee van de dammetjes op het westelijk deel van deze locatie bevindt zich een in 2017 geopend wandelpad dat uit puingranulaat bestaat. Ter plaatse beide dammetjes is één gat door het wandelpad gegraven. Ter plaatse van de noordelijke dam zijn in de bovengrond naast het pad (klei) bijmengingen met sporen baksteen en sporen puin waargenomen. Ter plaatse van de zuidelijke dam bevinden zich in de zandlaag onder het wandelpad sporen puin. De bovengrond naast het zuidelijk deel van het wandelpad bestaat uit zand met een bijmenging van puingranulaat (sterk) en baksteen (brokken). De bodemlaag hieronder betreft klei met sporen baksteen. Verder zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
Het samengestelde mengmonster van de klei met sporen baksteen en sporen puin uit de bovengrond van het noordelijke dammetje bevat geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de bodemlaag onder het puinpad ter plaatse van het zuidelijke dammetje (zand met sporen puin) zijn licht verhoogde gehalten lood, zink, minerale olie en PAK aangetoond. De bovengrond (zand met een sterke bijmenging van puin en brokken baksteen) van het zuidelijke dammetje bevat licht verhoogde gehalten nikkel, lood, zink, minerale olie en PAK. In de ondergrond van dit zuidelijke dammetje (klei met sporen baksteen) zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. In de grond met puinbijmengingen ter plaatse van de beide dammetjes is geen asbest in de fractie <20 mm aangetoond. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit valt het zand ter plaatse van het zuidelijke dammetje in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. De overige grond uit de dammetjes valt in de bodemkwaliteitsklasse AW (overal toepasbaar). Ten aanzien van de dammetjes wordt de hypothese ‘verdachte locatie’ qua chemische parameters bevestigd, en dient deze voor asbest verworpen te worden.
Dammetje toegang gemeentewerf Voorafgaand aan het veldwerk is het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het uitgegraven materiaal ter plaatse van de dammetjes is per inspectiegat gezeefd (20 mm) en afzonderlijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in de fractie >20 mm. Ook hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is zintuiglijk waargenomen dat ter plaatse van de dam, onder de stelconplaten een laag repac aanwezig is waarin plaatselijk een matige bijmenging met asfalt
34
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard aanwezig is. In de bodem ten noorden van de dam zijn tot 1 m.mv bijmengingen met baksteen, beton, aardewerk, plastic, en/of asfalt (allen resten) waargenomen. In de (zandige) bovengrond zijn licht verhoogde gehalten lood, zink, PCB en PAK gemeten, de (kleiige) ondergrond bevat licht verhoogde gehalten lood en PAK. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit vallen beide bodemlagen in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. In zowel het puin als de grond met bijmengingen is geen asbest in de fractie <20 mm aangetoond. Ten aanzien van de toegangsdam naar de gemeentewerf dam wordt de hypothese ‘verdachte locatie’ qua chemische parameters bevestigd en dient deze voor asbest verworpen te worden.
Deelgebied 2 Bos Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is zintuiglijk waargenomen dat in de bovengrond plaatselijk sporen baksteen aanwezig zijn. De bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m.mv bevat plaatselijk een matige hoeveelheid baksteen. Op indicatieve wijze zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Hierbij wordt opgemerkt dat door de aanwezige (dichte) begroeiing een deugdelijke inspectie van het maaiveld niet mogelijk was. In de bovengrond zijn verder overwegend licht verhoogde gehalten PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. De bovengrond bevat een verhoogde gehalten PFOS (som) ten opzichte van de achtergrondwaarde uit het Handelingskader. Daarnaast is vastgesteld dat er 3 spots matig tot sterk met PAK verontreinigde bovengrond aanwezig zijn. De spots zijn voldoende afgeperkt, de omvang van de sterk verontreinigde grond betreft respectievelijk 9 m3, 23 m3 en 18 m3. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en het veldwerk is er geen duidelijke bron aan te wijzen voor de verontreinigingen. Gezien het perceel sinds de jaren ’50 beplant is met bomen wordt er vanuit gegaan dat de verontreinigingen voor 1987 zijn ontstaan. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties barium. Deze concentraties barium zijn van nature verhoogd aanwezig.
Daarnaast is in het grondwater plaatselijk een licht verhoogde concentratie molybdeen gemeten. De sterk met PAK verontreinigde grond komt niet voor hergebruik in aanmerking en de matig met PAK verontreinigde grond valt in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit valt de bovengrond van het noordelijk deel van het bosperceel in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. De overige bovengrond en de ondergrond valt op basis van de standaard parameters in de bodemkwaliteitsklasse AW (overal toepasbaar). In de bovengrond is echter een verhoogd gehalte PFOS (som) gemeten waardoor deze grond in de bodemkwaliteitsklasse Wonen valt. Ten behoeve van de sanering van de drie genoemde spots dient een BUS-melding te worden opgesteld. Bij de uitvoering van de werkzaamheden binnen het plangebied zullen de verontreinigde spots worden afgegraven en afgevoerd. Werkzaamheden in de ter plaatse aanwezige sterk en matig verontreinigde grond zijn niet toegestaan zonder toestemming van het bevoegd gezag (Gemeente Neder-Betuwe). Hiervoor dient een Plan van Aanpak opgesteld te worden welke ter goedkeuring aan de gemeente dient te worden voorgelegd.
Deelgebied 2 Waterbodem (Bijlage 9) In alle onderzochte watergangen is slib waargenomen. Onder het slib bevindt zich sterk siltige, zwak humeuze klei. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de waterbodem op indicatieve wijze geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tevens zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke verontreiniging van de waterbodem. Uit het onderzoek blijkt dat het onderzochte slib bij toepassing op landbodem en bij toepassing in oppervlaktewater voldoet aan de achtergrondwaarde. Het slib is eveneens verspreidbaar op het aangrenzend perceel.
Toelichting (ontwerp)
35
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Deelgebied 3 Op het agrarische perceel is voorafgaand aan het veldwerk het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het uitgegraven materiaal ter plaatse van de dammetjes zijn ook geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van de noordelijk dam zijn in het gat waarvan de bovengrond uit zand bestaat sporen baksteen en plaatselijk sporen puin waargenomen. Ter plaatse van de zuidelijke dam bestaat de bovengrond uit zand met sporen baksteen en plaatselijk sporen puin. Verder zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van het agrarisch perceel in zowel de bovengrond als in de ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten nikkel zijn aangetoond. In het zand met sporen baksteen in de bovengrond van het noordelijke dammetje zijn licht verhoogd gehalten cadmium en nikkel gemeten en de bovengrond met sporen puin en/of sporen baksteen van het zuidelijke dammetje bevat alleen een licht verhoogd gehalte nikkel De grond met baksteen en puin uit het zuidelijke dammetje bevat geen asbest in de fractie <20 mm. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten PFAS ten opzichte van de achtergrondwaarde uit het Tijdelijk handelingskader gemeten.
Het grondwater uit alle peilbuizen bevat licht verhoogde gehalten barium. De concentraties barium zijn van nature verhoogd aanwezig. Daarnaast zijn in het grondwater uit twee peilbuizen licht verhoogde concentraties xylenen aangetoond. Tijdens het vooronderzoek zijn geen bronnen naar voren gekomen welke de licht verhoogde concentraties xylenen kunnen hebben veroorzaakt. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit valt alle grond in de bodemkwaliteitsklasse AW (overal toepasbaar). Ten aanzien van de onderzoekslocatie wordt de hypothese ‘onverdachte locatie’ op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek voor het agrarisch perceel niet geheel bevestigd. De hypothese ‘verdachte locatie’ wordt qua chemische parameters bevestigd en dient voor asbest verworpen te worden. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (deelgebied 3) geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in
36
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie: waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. 4.4.2
(Spoor)wegverkeerslawaai
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als Bijlage 10 bij de toelichting opgenomen. Een bedrijf (en een kantoor) is op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidsgevoelig object. Hierdoor is er geen wettelijke basis voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar aanleiding van geluid uit de omgeving, zoals wegen en spoorlijnen. Bij een kantoor is het wel wenselijk dat er enige vorm van rust aanwezig is. Daarom is het kader van een prettig werkklimaat in het kantoor, akoestisch onderzoek uitgevoerd om het geluidsniveau op de gevel van het kantoor te bepalen. Cumulatieve geluidsbelasting De nieuwe kantoren op het bedrijventerrein liggen nabij snelweg A15 en de spoorlijnen. De optellingen van de geluidsbelastingen van de verschillende geluidbronnen resulteert in de cumulatieve geluidsbelasting. Bij de berekening van de cumulatieve geluidsbronnen zijn alle relevante geluidsbronnen [A15 en spoorlijnen] gebruikt. De cumulatieve geluidsbelastingen zijn berekend volgens het RMG 2012, bijlage I, hoofdstuk 2: ‘Rekenmethode cumulatieve geluidsbelasting’. De cumulatieve geluidsbelasting berekend op basis van het wegverkeerspectrum, wanneer het wegverkeerslawaai maatgevend t.o.v. railverkeerslawaai is.
Uit de berekeningen blijkt dat het wegverkeersspectrum bij alle waarneempunten maatgevend is. De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) in de dagperiode en de minimaal benodigde gevelwering per gevel zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
4.4.3
Industrielawaai
4.4.3.1 Regelgeving Rondom een bedrijventerrein waar ‘grote’ lawaaimakers zijn toegestaan, ligt een geluidszone. De grootte van de geluidszone is vastgelegd in het zonebeheersplan van het gezoneerde bedrijventerrein en in het bestemmingsplan rondom het gezoneerde bedrijventerrein. Een bedrijf (en een kantoor) is op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidsgevoelig object. Bij
Toelichting (ontwerp)
37
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard een kantoor is het wel wenselijk dat er enige vorm van rust aanwezig is. Daarom is het kader van een prettig werkklimaat de aanwezige geluidszone beschouwd. Geluidszone In de omgeving van de kantoren op het bedrijventerrein ligt het gezoneerde bedrijventerrein de Bonegraaf. Een klein deel van de zone ligt over deelgebied 1 van de uitbreiding van het bedrijventerrein. In de onderstaande figuur is de ligging van de zone (rode lijn) over deelgebied 1 weergegeven. Voor de twee bedrijfspanden binnen de zone van het gezoneerde bedrijventerrein is naar de geluidsbelasting afkomstig van het gezoneerde bedrijventerrein de Bonegraaf gekeken.
Geluidcontour gezoneerd bedrijventerrein
Met een * zijn de (ondergeschikte) kantoren in de bovenstaande figuur gemarkeerd. Uit de bovenstaande figuur blijkt dat geen van de kantoren ligt binnen de zone van het gezoneerde bedrijventerrein de Bonegraaf. 4.4.4
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
38
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.5.2
Doorwerking in bestemmingsplan
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in oktober 2021 een milieuzoneringsonderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van de realisatie van de bedrijfswerkzaamheden van GMB op het bedrijventerrein de Bonegraaf-Oost. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Hieronder worden kort de conclusies van het onderzoek behandeld.
Rondom het plangebied liggen diverse woningen. Ten zuiden van het nieuwe bedrijventerrein liggen aan de Brederode woningen. Op het bestaande bedrijventerrein de Bonegraaf liggen ook bedrijfswoningen. Voor de realisatie van het nieuwe deel van het bedrijventerrein moet bij de omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ten gevolge van de uitbreiding van het bedrijventerrein (fase 1, 2 en 3). Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar woningen in een rustige woonwijk en woningen in een gemengd gebied. Onderstaand zijn de verschillende zoneringsafstanden per categorie opgenomen. In voorliggende situatie is sprake van een gemengd gebied, als gevolg van de aanwezigheid van woningen, sportvereniging, ligging Rijksweg A15, Betuweroute en kwekerij. De afstandsnorm zou daarmee met één afstandstap mogen worden verkleind, mits onderbouwd kan worden dat een goed
Toelichting (ontwerp)
39
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard woon- en leefklimaat voor omliggende woningen kan worden gewaarborgd.
Deelgebied 1 Voor deelgebied 1 is nog geen specifieke indeling bekend. Het is nog niet bekend welke bedrijven hier exact gaan vestigen. Op dit bedrijventerrein mogen bedrijven met een maximale milieucategorie 3.2 zich vestigen. Rondom het bedrijventerrein liggen diverse woningen. Het gebied kan met de ligging van snelweg, Betuweroute, bedrijventerrein, sportpark en agrarische bedrijven getypeerd worden als een gemengd gebied. Omdat de exacte indeling van het plangebied nog niet bekend is, wordt gebruik gemaakt van contouren om de richtafstanden weer te geven. In de onderstaande figuur zijn deze contouren van de richtafstanden weergegeven. Tevens zijn de gebieden waar de verschillende bedrijfscategorieën mogelijk zijn gemarkeerd. Het betreft de afstanden ten opzichte van gemengd gebied.
40
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Richtafstanden de Bonegraaf (l t.o.v. Gemengd gebied)
Binnen 100 meter van deelgebied 1 liggen woningen aan de Brederode en de burgerwoningen aan de Dalwagen. Hierdoor wordt er niet voldaan aan de richtafstanden van 100 meter voor de bedrijfscategorie 3.2 uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'. Voor het deel van deelgebied 1 dat binnen 100 meter van de woningen aan de Brederode en de Dalwagen ligt, wordt de bedrijfscategorie beperkt tot 3.1, zodat bij de omliggende woningen wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009'. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand en zijn geen aanvullende maatregelen ter beperking van akoestiek noodzakelijk. In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om ook activiteiten in de milieucategorie 3.2 toe te staan, mits uit onderzoek blijkt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden gegarandeerd. Dit mogelijk door middel van het treffen van geluidwerende voorzieningen, zoals opgenomen in de memo met akoestische berekeningen, die als Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan is gevoegden het profiel die als Bijlage 8 bij de regels is gevoegd.
Deelgebied 2 en 3 Voor deelgebied 2 en 3 is de indeling van het plangebied meer concreet. Op deze locatie wil het bedrijf
Toelichting (ontwerp)
41
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard (GMB) de volgende activiteiten realiseren: Kantoor; Werkplaats; Parkeerplaats auto's; Opslag (binnen en buiten) van materieel zoals kranen, shovels, etc.; Wasplaats. Het bedrijf GMB is een water en wegenbouwbedrijf. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' worden geen richtafstanden van een water- en wegenbouwbedrijf genoemd. De activiteiten van een water- en wegenbouwbedrijf komen globaal overeen met een bouwbedrijf. Bij beide bedrijven vinden de werkzaamheden grotendeels plaats op de locatie. Op het bedrijfsterrein vinden vooral opslag en onderhoud van materieel plaats. Uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' blijkt dat de bedrijfscategorie 3.2 bedraagt voor een bouwbedrijf met het bedrijfsoppervlak van GMB. In de figuur uit de vorige paragraaf zijn deze contouren van de richtafstanden weergegeven. Het betreft de afstanden ten opzichte van gemengd gebied. Zoals aangegeven betreft GMB een categorie 3.2 bedrijfsactiviteit. Daarbij kan niet aan de richtafstand van 100 meter worden voldaan. Gezien de typering van de omgeving als gemengd gebied, kan worden volstaan met een afstandsnorm van 50 meter.
Hiervoor is echter nader akoestisch onderzoek noodzakelijk om te bezien of een goed woon- en leefklimaat voor omliggende woningen kan worden gewaarborgd en daarbij, welke mogelijke maatregelen in het overdrachtsgebied moeten worden voorzien.
Onderzoek industrielawaai Voor de vestiging van het bedrijf GMB met een milieucategorie 3.2 is het noodzakelijk dat door middel van onderzoek kan worden aangetoond dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden gegarandeerd. Dit door middel van het treffen van geluidwerende voorzieningen. Om die reden is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het bepalen van de te verwachten geluidemissie van het bedrijventerrein in relatie tot het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Het rapport is als Bijlage 13 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de berekeningen blijkt, dat na oprichting van een geluidwerende voorziening in de vorm van een geluidsscherm met een hoogte van 5 meter, zoals opgenomen in figuur 4 en bijlage 4 van het rapport de etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting die wordt veroorzaakt door het verkeer op de ontsluitingsweg van het plan bij de woningen maximaal 47 dB(A) bedraagt. Dit is lager dan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Met andere woorden bij de betreffende woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De realisatie van de geluidwerende voorziening is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting in artikel 3.4.2 waarmee de realisatie van de voorziening gekoppeld is aan de realisatie van het bedrijventerrein.
Indien de voorziening niet wordt opgericht en duurzaam wordt onderhouden is met de vestiging van het bedrijf sprake van een strijdigheid met het bestemmingsplan. 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
42
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden.
Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.6.2
Doorwerking in bestemmingsplan
Niet in betekende mate tool Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.2 (verkeer en parkeren) leidt de voorgenomen ontwikkeling tot 820 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Onderzoek luchtkwaliteit Door SPA WNP Ingenieurs, rapport 12 april 2022, is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd voor de beoogde realisatie van het bedrijventerrein de Bonegraaf-Oost in Dodewaard. Het rapport is als Bijlage 14 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Conform de ‘Regeling niet in betekenende mate (NIBM)’ draagt een project niet in betekenende mate bij aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) in de buitenlucht als het project maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de heersende concentratie. Dit betekent dat voor zowel stikstofdioxide als fijnstof feitelijk een toename van 1,2 µg/m³ op de jaargemiddelde concentratie toelaatbaar wordt geacht.
Op basis van de invoergegevens en de ingevoerde receptorpunten ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen blijkt dat op alle receptorpunten de bijdrage van het project aan de jaargemiddelde concentraties minder dan 3% van de grenswaarde (i.c. 1,2 ìg/m3) bedraagt, voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. De emissies vanwege het project zijn daarmee niet in betekende mate (NIBM). Een verdere toetsing aan de grenswaarden daarom kan achterwege blijven. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat
Toelichting (ontwerp)
43
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. 4.6.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.7
Geur
4.7.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
max. 3 ouE/m³
max. 2 ouE/m³
andere diercategorieën
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
max. 14 ouE/m³
max. 8 ouE/m³
andere diercategorieën
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald;
44
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden.
Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde. 4.7.2
Doorwerking in bestemmingsplan
Een bedrijventerrein kan worden aangemerkt als geurgevoelig object. Rondom het plangebied ligt één veehouderij. De veehouderij aan de Kerkstraat 25 te Dodewaard ligt op een afstand van circa 290 meter tot het plangebied. De afstand is daarmee voldoende groot. De ontwikkeling binnen het plangebied bevindt zich op een afstand die voldoet aan de afstandseis die is bepaald in de Wgv en het initiatief zorgt niet voor een (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van veehouderijen in de omgeving. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Regelgeving
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Toelichting (ontwerp)
45
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.8.2
Doorwerking in bestemmingsplan
Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein met daarin verschillende functies (kantoor, opslag, parkeren).
Uitsnede risicokaart
Vanwege de verschillende risicobronnen rondom het plangebied is er door SPA WNP in november 2021
46
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 15. De conclusies van het onderzoek worden hieronder kort besproken.
Risico's door inrichtingen Bij de inventarisatie van de risicobronnen, die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van de EV-signaleringskaart van het Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Uit de gegevens blijkt dat activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, in het kader van dit onderzoek, niet relevant zijn. Dit vanwege de ruime afstand tussen deze bedrijven en het plangebied. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontouren van de inrichtingen reiken niet over de voorziene kwetsbare, en beperkt kwetsbare objecten, binnen het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt, om die reden, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van de, bij de inrichtingen behorende, risicobronnen. Om die reden hoeft het groepsrisico niet nader beschouwd te worden en vormt het geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Buisleidingen Uit de EV-signaleringskaart is gebleken dat zich in de omgeving van het plangebied een relevante buisleiding bevindt. De buisleiding is echter op voldoende afstand gelegen waardoor verdere analyse niet van toepassing is.
De leiding heeft de volgende kenmerken: Naam leiding
Uitwendige diameter
Werkdruk
100% letaliteitsgrens
Afstand t.o.v. plangebied
N-574-12
114 mm
40,00 bar
30 m
>400 m
Plaatsgebonden- en groepsrisico Het aspect externe veiligheid, als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen, vormt geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied.
Toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan De Bonegraaf-Oost te Dodewaard
Risico's door vervoer over weg, water of spoor Aan de hand van de EV-signaleringskaart en de regeling Basisnet is gebleken dat in de omgeving van het plangebied: over de rijksweg A15 gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit; over het spoor 202P.2/ 202O.2 (Meteren aansluiting - Ressen = Bemmel) gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit; over de lokale wegen in de directe omgeving van het plangebied géén noemenswaardig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Uitsnede risicokaart ter plaatse van het plangebied
Het plangebied is gelegen op circa 50 meter en ligt daarmee binnen de 200 meter zone van de rijksweg A15, afrit 34 (Echteld) – knooppunt Valburg. Om die reden dient het groepsrisico nader beschouwd te worden. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes is in beginsel een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig. Het plangebied ligt daarnaast op circa 90 meter van de spoorlijn, en ligt daarmee binnen de 200 meter zone. Om die reden dient het groepsrisico nader beschouwd te worden. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes is in beginsel een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen de 10-6 contouren van de transportroutes. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee géén belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Groepsrisico Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico ter plaatse van het plangebied toeneemt, ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor, toe. Ter plaatse van het plangebied blijft het groepsrisico na planrealisatie echter onder de oriëntatiewaarde. Omdat er sprake is van een toename van het groepsrisico, bestaat de verplichting om dit groepsrisico te verantwoorden. Onderstaand is een nadere verantwoording opgenomen.