CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-bestemmingsplan - Toelichting en regels

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen20.655 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

25

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Figuur 11: Zonering van het gebied van intensiever (rood) naar extensiever gebruik (groen) De doelgroep bestaat uit de inwoners van IJzendoorn en gemeente Neder-Betuwe. Bovenlokale aantrekkingskracht op recreanten is ongewenst. De beelden 'rust' en 'natuur' zijn zeker van toepassing op de Beweeg & Beleefroute en daarmee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de doelstellingen van de visie. Voor meer inzicht in de recreatieve route wordt verwezen naar navolgende afbeelding:

Figuur 12: Visualisatie Beweeg & Beleefroute

3.3.3

Klimaatnota 2021 - 2025

De gemeenteraad heeft op 11 februari 2021 de Klimaatnota 2021 - 2025 vastgesteld. Net als de vorige Klimaatnota 2018 - 2023 legt ook deze Klimaatnota de beleidsdoelstellingen vast omtrent energiebesparing, energietransitie en klimaatadaptatie, geeft hij bovendien een stand van zaken weer en geeft de nota aan hoe het doel bereikt gaat worden.

26

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Wat energiebesparing betreft, is de constatering dat bedrijven door de aantrekkende economie steeds meer elektriciteit verbruiken. De gemeente is daarom in 2018 via de Omgevingsdienst Rivierenland gestart met energiecontroles en adviesgesprekken en zal daarmee doorgaan. Hetzelfde geldt voor de vouchersregeling van de provincie die door de gemeente wordt uitgevoerd. Hiermee kunnen ondernemers een subsidie krijgen voor een haalbaarheidsonderzoek naar energiebesparende activiteiten of voor opwekken van energie. Ten aanzien van de energietransitie is voor het jaar 2025 als nieuw tussendoel 40% hernieuwbare energie opgenomen. Dit komt neer op 986 Terajoule (TJ). Om dit doel te bereiken zijn - in aanvulling op de 20 ha voor zonneparken en 1 gebied voor windenergie uit de eerdere Klimaatnota - nieuwe zoekgebieden voor zon- en windenergie aangewezen. De Klimaatnota geeft daarnaast ruimtelijke criteria waaraan zonne- en windparken moeten voldoen. Als belangrijke voorwaarde wordt ook de betrokkenheid van inwoners en bedrijven genoemd. Daarbij gaat het zowel om proces- als financiële participatie. Een belangrijk onderwerp is ook klimaatadaptatie; het voorsorteren op extremere weersomstandigheden, omdat het klimaat verandert. In de Klimaatnota is het beleid ten aanzien van de belangrijkste aspecten wateroverlast, droogte, hitte en het risico op overstromingen beschreven.

In 2020 heeft de gemeente een menukaart/voorbeeldenregister ontwikkeld om het vraagstuk omtrent klimaatadaptatie in een vroegtijdig stadium te betrekken bij alle (her)ontwikkelingen in de leefomgeving. Dit voorbeeldenregister combineert in vooraf geselecteerde beelden de gemeentelijke visie op het gebied van uitstraling, duurzame inrichting, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Planspecifiek De plannen voor Willemspolder, fase 1 kunnen een bijdrage leveren aan de opgaven op het gebied van energietransitie en klimaatadaptatie. Zoals in subparagrafen 2.2.1 en 3.2.2 al aangegeven kent fase 1 hoofd- en nevengeulen voor een betere doorstroming bij hoogwater. Fase 1 genereert in de voorliggende plannen circa 1 cm waterstandsdaling bij hoogwater. Het volledige waterstand verlagend effect (circa 15 cm) kan in de volgende fase alsnog geactiveerd worden door het aanpassen van de Nieuweweg en realisatie van de volledige hoogwatergeul. Daarmee zijn de plannen voor fase 1 toekomstbestendig en klimaatadaptief. Met de duurzame energieopwekking (circa 6,0 ha zon op water) draagt de ontwikkeling bij aan de gemeentelijke doelstelling voor hernieuwbare energie. De locatie voor het zonnepark is in de Klimaatnota niet direct aangewezen als zoekgebied voor 'zon op land'.

Echter in de Klimaatnota is aangegeven dat 'zon op water' in principe overal is toegestaan, met dien verstande dat:  ten hoogste 50% van het wateroppervlakte mag worden bedekt met zonnepanelen;  de panelen zo plat mogelijk om het water liggen;  ecologische meerwaarde wordt gerealiseerd. Het zonnepark voldoet aan bovenstaande voorwaarden.

3.4

Conclusie

Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

27

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad heeft op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vastgesteld. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen:  Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is.  Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. 4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan De afvoer van bouwgrondstoffen is nagenoeg geheel gericht op scheepvaartlogistiek. Een uitzondering geldt voor de transport van bouwgrondstoffen ten behoeve van het direct aangrenzende project Dijkversterking Neder-Betuwe in de gemeente Neder-Betuwe en voor de afvoer van klei via de Waardweg naar de in de Willemspolder gelegen steenfabriek Schipperswaard (Prins Willemsweg 1, Echteld). Het plan heeft een beperkte aantrekkende werking op het verkeer en zal geen merkbare veranderingen voor het heersende verkeersbeeld opleveren.

Afgezien van bovengenoemde en incidentele verkeersbewegingen (personeel, onderhoud) zijn er geen verkeersbewegingen via de openbare weg. Zie ook subparagraaf 2.2.2. De recreatieve bestemming is gericht op de bewoners van IJzendoorn en de gemeente Neder-Betuwe. Er worden geen voorzieningen ingericht die een bovenlokale aantrekkingskracht hebben.

4.1.2

Parkeren

4.1.2.1 Regelgeving Op 11 mei 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsnota Nota Parkeernormen vastgesteld. Deze nota beoogt het vastleggen van de parkeernormen in de gemeente Neder-Betuwe en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Aan de hand van de parkeernormen kan de parkeerbehoefte van toekomstige ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen berekend worden. Het parkeerbeleid heeft tot doel de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Neder-Betuwe te waarborgen.

4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan Het plan voorziet in ruim voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers (circa 20 plaatsen). De parkeerplaats is gelegen aan de toegangsweg naar het kantoor van de initiatiefnemer (globaal tegenover het Dorpshuis IJzendoorn en de Isandraschool). Het parkeerterrein doet in de dagperiode dienst voor bezoekers van Willemspolder fase 1 die hier kunnen parkeren en te voet of met de fiets hun weg door het gebied vervolgen. Het voornemen is tevens een aantal laadpunten aan te brengen voor elektrische auto's en fietsen. In de avondperiode kan de parkeerplaats dienst doen als extra parkeerterrein voor het Dorpshuis in IJzendoorn om parkeeroverlast in het dorp bij evenementen te voorkomen.

28

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd en een (water)bodemkwaliteitskaart opgesteld. Verwezen wordt naar paragraaf 5.1 van het MER en bijlagen 1 en 2 bij het MER. Op basis van het milieukundig bodemonderzoek zijn geen ernstige verontreinigingen in het plangebied aangetroffen. Dat wil zeggen dat het gebiedseigen materiaal herbruikbaar is bij de herinrichting van het gebied. Doordat er concreet zicht is op legale toepassing van al het her te gebruiken bodemmateriaal binnen het gebied zijn er geen effecten op de grondstromen(balans), de verwerkingskosten en/of het eindbeeld van het gebied. In de aanvulling op het MER is op advies van de Commissie m.e.r. de toetsing van de analyseresultaten nader toegelicht en op een aantal onderdelen aangevuld. Zie par. 2.7 en bijlagen 7, 8 en 9 van de aanvulling bij het MER. Vervolgens is wederom op advies van de Commissie m.e.r. in het addendum bij het MER aandacht besteed aan de vraag of de vrijkomende grond (zoals bij het graven van de haven of de PFAS houdende bovenlaag in het gebied) daadwerkelijk gebruikt kan worden bij de herinrichting en wat de aanpak is ingeval van niet toepasbare grond en waterbodem. De conclusie is dat alle PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie kan worden hergebruikt binnen het project.

Hierin is reeds voorzien in de uitvoeringsmethode van het project. Daarom zijn er geen effecten op de grondbalans, de inzet van materieel en daarvan afgeleide berekeningen, zoals stikstof en luchtkwaliteit.

4.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

29

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.

Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

4.3.2

Industrielawaai

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in het MER de geluideffecten van de toekomstige activiteiten in het gebied in samenhang onderzocht. Zie paragraaf 5.5.1 van het MER en bijlage 13 bij het MER en paragraaf 2.6 en bijlage 3 van de aanvulling op het MER. Voor de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten van Willemspolder, fase 1 is een separaat geluidsonderzoek (LBP Sight, 30 september 2021) uitgevoerd. Dit onderzoek maakt deel uit van de aanvraag omgevingsvergunning (Wabo, milieu) voor de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten van Willemspolder, fase 1 en is tevens als Bijlage 52 bij de toelichting van dit plan gevoegd. De tijdelijke geluidseffecten van het plan worden veroorzaakt door de bouwgrondstoffenwinning en de gebiedsinrichting (uitvoeringsfase). Door toepassing van maatregelen in het voorkeursalternatief wordt geen hogere geluidbelasting dan de grenswaarde van 45 dB(A) berekend bij de meest nabij gelegen (maatgevende) woningen. Eén van deze maatregelen is een groene grondwal met bomen rondom het bedrijfsterrein Binnenwaard. Mede hierdoor wordt aan de grenswaarde voldaan en bovendien gaat het terrein zo op in het landschap.

De blijvende geluidseffecten van het plan, die worden veroorzaakt door de bedrijfsbestemming (duurzaam bouwgrondstoffencentrum), zijn nader beschreven in de (onderbouwing behorend bij de) aanvraag voor de tijdelijke omgevingsvergunning.

30

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Omdat het niet mogelijk is om in een omgevingsvergunning een geluidzone op te nemen is in dit bestemmingsplan een geluidszone voor de bedrijfsbestemming opgenomen (geluidzone – industrie). De geluidzone wordt door de gemeente beheerd. Wijzigingen in de variabelen (sluiting bedrijven, oprichting nieuwe bedrijven, verwerking vergunningen, nieuwe omliggende geluidsgevoelige objecten en dergelijke) kunnen op deze manier gecontroleerd worden op overschrijding van de geluidszone.

4.3.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Bedrijven en Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Daarbij wordt ondermeer gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorendegewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt geen bedrijf als zodanig mogelijk, maar wel ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten. Om te bezien of deze activiteiten milieuhinder opleveren voor milieugevoelige functies in de omgeving is onderzoek gedaan naar de aspecten geluid, laagfrequent geluid en trillingen.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

31

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Geluid In het geluidsonderzoek voor de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten van Willemspolder, fase 1 (Bijlage 52) zijn de onderdelen geluid, laagfrequent geluid en trillingen tijdens de uitvoeringsfase inzichtelijk gemaakt. De uitvoeringswerkzaamheden vinden alleen plaats in de dagperiode (07.00 uur - 19.00 uur). De enige activiteit in de avond- en nachtperiode is een schip dat na 19.00 uur of voor 07.00 uur het plangebied in-of uitvaart. Uit de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAR, LT blijkt dat dat gedurende de dagperiode de richtwaarde van 40 dB(A) voor woningen in het landelijk gebied wordt overschreden. Op geen enkel punt wordt de richtwaarde van 45 dB(A) geldend voor woningen in een rustige woonwijk overschreden. Advies toetsingskader geluid voor de dagperiode De woningen Waalbandijk 10 en Spijkerstraat 1 liggen in het landelijk gebied, maar zijn wel woningen bij agrarische bedrijven. De woning Zondagstraatje 1 en Keizerstraat 4 liggen eveneens in het landelijk gebied, hier geldt in principe een richtwaarde van 40 dB(A). Bij de woonboten liggend in een gemengd gebied aan de overzijde van de Waal kan voldaan worden aan de richtwaarde van 45 dB(A). Een grenswaarde van de 45 dB(A) is redelijkerwijs verdedigbaar vanwege de getroffen mitigerende maatregelen en de ‘dubbele tijdelijkheid’ van de inrichting.

Met dubbele tijdigheid wordt bedoeld dat de werkzaamheden niet langer dan 10 jaar duren en dat binnen deze termijn de geluidbelasting bij een individuele woning varieert in verband met het voortschrijdend karakter van de ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten binnen het plangebied. Geluid in de avond- en nachtperiode Gedurende de avond- en nachtperiode, wanneer mogelijk een schip de plas in- of uitvaart wordt de worden geen hogere langtijdgemiddeld niveaus berekend dan 22 dB(A) gedurende de avondperiode en 19 dB(A) gedurende de nachtperiode. Aan de richtwaarde voor het landelijk gebied van 35 dB(A) gedurende de avondperiode en 30 dB(A) gedurende de nachtperiode kan ruimschoots worden voldaan. Maximale geluidniveaus Aan de grenswaarden voor het maximale geluidniveaus LAmax = 70/65/60 dB(A) (dag/avond/nacht) kan ruimschoots worden voldaan. Deze maximale geluidniveaus worden gedurende de dagperiode veroorzaakt door het materieel dat wordt ingezet en gedurende de avond- en nachtperiode door aanof afmerende schepen. De schepen meren af bij de verwerkingsinstallatie Yvonne of bij een ponton in de plas. Er hoeft in de avond- en nachtperiode voor deze schepen dus geen gebruikgemaakt te worden van ankers en ankerkettingen. Daardoor wordt hinderlijk geluid voorkomen.

Geluid vanwege verkeersbewegingen De vrachtwagens rijdend uit het concessiegebied over de Waardweg richting de westelijk gelegen steenfabriek Schipperswaard veroorzaken bij de woningen geen hoge geluidniveaus. Bij woningen kan ruimschoots voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) zoals opgenomen in de circulaire Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting. De schepen varend vanaf de vaargeul van de rivier De Waal van en naar het concessiegebied veroorzaken bij de woningen en woonboten geen hogere equivalente geluidniveaus LAeq dan 22 dB(A) gedurende de dagperiode 16 dB(A) gedurende de avondperiode en 13 dB(A) gedurende de nachtperiode. Voor de naar en van de inrichting varende schepen is geen toetsingskader voorhanden dat specifiek toeziet op indirecte hinder veroorzaakt door scheepvaartverkeer. In de praktijk van vergunningverlening wordt veelal aangesloten bij de systematiek van de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’. Aan de in deze circulaire opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) kan ruimschoots worden voldaan. Trillingen Gelet op de afstand van rijdend grondverzetmaterieel tot woningen van minimaal 70 meter hoeft niet voor trillinghinder worden gevreesd. De drijvende zuiger en drijvende verwerkinstallatie veroorzaken geen trillingen in de bodem.

Meerder onderzoeken verricht door deskundigenbureaus hebben dit aangetoond bij vergelijkbare projecten.

32

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Laagfrequent geluid Weliswaar is vanwege de activiteiten nauwelijks laag frequentie geluid te verwachten, maar de toegepaste installaties zijn wel mogelijke bronnen van laagfrequent geluid. Op basis van de afstand van de drijvende verwerkingsinstallatie Yvonne tot aan de woningen op meer dan 300 meter en op basis van recente metingen in een vergelijkbare situatie mag worden verwacht dat geen hinder zal optreden vanwege laagfrequent geluid en dat in de woningen aan de Vercammencurve 3-10% voldaan kan worden.

4.4.3

Conclusie

Het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering ' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.5.2

Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

33

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

In subsubparagraaf 5.5.3.1 van het MER en Bijlage 14 bij het MER zijn de effecten op de luchtkwaliteit vanwege Stikstofdioxide en fijnstof in beeld gebracht. De emissies aan stikstofdioxide en fijn stof zijn gering. Op de omliggende toetsingspunten wordt geen relevante bijdrage op verslechtering van de luchtkwaliteit berekend. Ook uit de (aanvullende) berekeningen voor luchtkwaliteit blijkt dat er geen sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen als alle bronnen tegelijkertijd actief zijn (worst case benadering). Zie paragraaf 2.5 van de aanvulling bij het MER en bijlage 4. Het plan voldoet aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM).

4.5.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

34

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 m). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015 - 2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.

de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de referentiesituatie vormt het transport van gevaarlijke stoffen via de scheepvaart op de Waal een risico voor wat betreft de externe veiligheid. In de dijkzone is een hoofdtransportleiding van Gasunie aanwezig waar een extern veiligheidsrisico van uitgaat. De aftakking van deze leiding naar de voormalige steenfabriek loopt door de landtongen tussen de plassen. Deze leiding is buiten gebruik gesteld, waardoor het externe veiligheidsrisico is vervallen. Beiden leidingen (actief en inactief) zijn als dubbelbestemming in de regels opgenomen en als zodanig op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangeduid.

4.6.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

35

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.7

Waterhuishouding

4.7.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2018) en de Keur voor waterkeringen en wateren; 4.7.2

Doorwerking plangebied

Rijkswaterstaat is de waterkwaliteitsbeheerder in de uiterwaard. Voor de ontwikkeling van het plangebied wordt tevens een Watervergunning verleend waarin Rijkswaterstaat de rivierkundige effecten van de ingreep regelt en Waterschap Rivierenland de effecten op de waterkering. De effecten van het plan op het vlak van rivierkunde, grondwater en waterkering worden aanvaardbaar geacht. De rivierkundige effecten zijn beschreven in subparagraaf 5.2.1. en bijlage 4 van het MER. De grondwatereffecten zijn beschreven in subparagraaf 5.2.2. en bijlage 5 van het MER. De effecten op de waterkering zijn beschreven in subparagraaf 5.3.2 en bijlage 6 van het MER. Door het verleggen van de zomerkade in het plangebied vindt 'ontpoldering' plaats. Er is geen sprake meer van agrarisch gebruik binnen de zomerkade. Waterschap Rivierenland is daardoor niet meer verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Overleg Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Waterschap Rivierenland In het kader van vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan Rijkswaterstaat Oost-Nederland en het Waterschap Rivierenland. Van Rijkswaterstaat Oost-Nederland is geen reactie ontvangen.

Op basis van de vooroverlegreactie van Waterschap Rivierenland (tevens wateradvies) blijkt dat er overeenstemming bestaat over de ingrepen van het plan Willemspolder, fase 1 en de mitigatie van water gerelateerde effecten. Nadere uitwerking vindt plaats in het kader van de te verlenen watervergunning.

4.7.3

Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8

Ecologie

4.8.1

Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

4.8.1.1 Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

36

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd.

Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a.

er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.

Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

37

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.8.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

4.8.2.1 Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in subparagraaf 5.5.3 en Bijlage 9 van het MER. In de tijdelijke situatie verdwijnt een vaste verblijfplaats van de Bever, een nestlocatie van de Buizerd en paarverblijven van de Ruige Dwergvleermuis. Hiervoor is in het kader van soortbescherming een ontheffing nodig van de Wet Natuurbescherming. Door gefaseerd te werken (van oost naar west) blijft er voldoende leefgebied voor de Bever, Buizerd en Ruige dwergvleermuis bestaan. Ook zal er gedurende de realisatiefase weer jong ooibos voor deze soorten ontstaan dat als leefgebied kan dienen. Negatieve effecten op beschermde soorten worden daardoor gemitigeerd. Deze werkwijze wordt nader uitgewerkt in een mitigatieplan bij de ontheffingsaanvraag Wet Natuurbescherming. Voor de bestaande soorten in het gebied is er een tijdelijk negatief effect. Pionier soorten (zoals Oeverzwaluw en Kleine plevier) kunnen tijdelijk profiteren in deze fase. Daardoor zou het effect op beschermde soorten in het algemeen ook als neutraal kunnen worden beschouwd.

Wat betreft de mitigerende maatregelen voor de wulp wordt verwezen naar paragraaf 2.4 van de aanvulling bij het MER waarin het tijdspad wordt beschreven waarin wordt aangetoond dat er gedurende het gehele project voldoende leefgebied voor deze soort beschikbaar blijft. Het plan heeft in de eindsituatie een groot positief effect op de soortenrijkdom door omvorming van het agrarisch areaal naar natuur en toevoeging van circa 74 ha waardevolle natuurbeheertypen. Met name de stromende geul, het vochtig soortenrijk grasland, hardhoutooibos en de dynamische oeverwal dragen daar aan bij (zie bijlage 9 van het MER).

4.8.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en is deels gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk (GNN).

38

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

De effecten op het Natura 2000-gebied (passende beoordeling) en het NNN zijn beschreven in subparagrafen 5.3.1 en 5.3.2 en in bijlage 7 en 8 van het MER. Er is geen sprake van significante effecten op het Natura 2000-gebied. In de aanvulling op het MER is de bijdrage aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied in kaart gebracht op basis van juiste en volledige uitgangspunten en de meest actuele versie van AERIUS (par. 2.3 en bijlage 5). De effecten van de voorgenomen maatregelen in de tijdelijke en de permanente situatie leiden volgens de berekeningen niet tot negatieve effecten door stikstofdepositie. In haar toetsingsadvies van 21 september 2021 geeft de Commissie m.e.r. echter aan dat de gehanteerde referentiesituatie de stikstofemissie overschat (nu ervan uitgegaan is dat alleen dierlijke mest is gebruikt bij het bemesten van de weilanden) en dat de effecten van stikstof mogelijk zijn onderschat (nu niet de volledige route van vrachtwagens met klei naar de steenfabriek Schipperswaard is meegenomen in het model). Vervolgens is een nieuwe stikstofberekening uitgevoerd waarin het netto-effect is bepaald (verschilberekening beoogd minus referentie). Zie hiertoe het addendum bij de aanvulling op het MER, inclusief de bijlagen. Op alle berekende Natura 2000-gebieden, met uitzondering van vier hexagonen binnen Rijntakken, bedraagt het netto-effect = 0,00 mol/ha/jaar.

Op de betreffende vier hexagonen, en daar om heen, komt thans geen stikstofgevoelig habitattype voor. De totale depositie in de beoogde situatie staat de beoogde ontwikkeling van droog hardhoutooibos in de omgeving van de bouwgrondstoffen-hub niet in de weg. Uitgaande van de rekenresultaten is er geen significant negatief effect voor Natura 2000-gebieden te verwachten: er is vanwege intern salderen geen sprake van vergunningplicht en daarmee is er sprake van een inpasbare beoogde situatie in het kader van de Wnb. Op basis van de beoogde situaties zoals opgenomen in bijlage I tot en met IIV blijkt dat de referentiesituatie met afstand de grootste impact heeft, tot 216,04 mol N/ha/jaar. De beoogde situatie heeft een veel kleinere impact tot maximaal 71,11 mol N/ha/jaar. Wanneer de ontgrondingsactiviteiten voorbij zijn en er sprake is van een eindsituatie waarbij alleen de bouwgrondstoffen-hub in bedrijf is, daalt de depositie nog enigszins. Op 2 februari 2022 is nogmaals op basis van de meest actuele versie van AERIUS (2021) een stikstofberekening gemaakt. Zie Bijlage 53. Uit deze stikstofberekening volgt dat, mede vanwege veranderingen in de emissiefactoren voor met name de vrachtwagens (intern transport), op alle berekende Natura 2000-gebieden, dus ook op de vier hexagonen binnen Rijntakken, het netto-effect = 0,00 mol/ha/jaar.

Uitgaande van de rekenresultaten is er geen significant negatief effect voor Natura 2000-gebieden te verwachten: er is vanwege intern salderen geen sprake van vergunningplicht en daarmee is er sprake van een inpasbare beoogde situatie in het kader van de Wnb. Op basis van de beoogde situaties zoals opgenomen in bijlage I tot en met IIV blijkt dat de referentiesituatie met afstand de grootste impact heeft, tot 215,99 mol N/ha/jaar. De beoogde situatie heeft een veel kleinere impact tot maximaal 9,80 mol N/ha/jaar. Wanneer de ontgrondingsactiviteiten voorbij zijn en er sprake is van een eindsituatie waarbij alleen de bouwgrondstoffen-hub in bedrijf is, daalt de depositie nog enigszins. Het plan heeft in de eindsituatie een groot positief effect op de soortenrijkdom door omvorming van het agrarisch areaal naar natuur en toevoeging van circa 74 ha waardevolle natuurbeheertypen. Door deze omzetting én het beheer van de gronden als natuurgebied, wordt de ecologische samenhang van de natuur in het GNN en de GO per saldo substantieel versterkt. Het verlies aan GNN (0,8 ha) door ontgronding ter plaatse van de twee in rood aangeduide gebieden op de kaart, die als Bijlage 2 bij de regels is gevoegd, wordt gecompenseerd op basis van het compensatieplan GNN, Willemspolder fase 1 (Bijlage 3 bij de Regels). Verder wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van deze toelichting.

4.8.3

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

39

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.9

Archeologie & cultuurhistorie

4.9.1

Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

4.9.2.1 Archeologie Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Voor verschillende delen van het plangebied gelden verwachtingswaarden. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in nieuwe bodemingrepen. In subparagraaf 5.4.2 en bijlage 12 van het MER wordt de invloed van het plan op archeologische waarden in beeld gebracht op basis van een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek. Daarbij is gebleken dat vrijwel het gehele plangebied kon worden vrijgegeven en de beoogde ingrepen in gebieden met hoge verwachtingswaarde (voormalige rentenierswoning nabij Koepelweg) zeer beperkt zijn. Inmiddels is in de omgeving van de voormalige rentenierswoning een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVOP). De rapportage van het onderzoek is inmiddels door het bevoegd gezag beoordeeld. De resultaten, conclusies en het advies tot vrijgave kunnen namens gemeente Neder-Betuwe worden overgenomen. Hierdoor bestaat er geen verdere verplichting ten aanzien van archeologie dan alleen het opleveren van het definitieve eindrapport. Bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten geldt vanzelfsprekend de meldingsplicht bij de Minister van OCW, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort.

40

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.9.2.2 Cultuurhistorie In subparagraaf 5.4.1 en bijlage 11 van het MER wordt invloed van het plan op cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. Hierbij zijn de keuzes in het landschapsplan gemotiveerd aan de hand van de meest bepalende thema's geomorfologie, cultuurhistorie, landschap, hoogwaterveiligheid en natuur. Het leidend ontwerpprincipe is om vanuit het bestaande robuuste schaalbegrip van het landschap een toekomstbestendige Willemspolder te realiseren. Door de historische stroomgeulen en strangresten zoveel mogelijk volgen en de historische locaties van kasteel IJzendoorn en de redoute (verschansing / uitkijkpost) herkenbaar in het landschap te maken wordt de cultuurhistorie van het plangebied weer beleefbaar. Uit de gemeentelijke inventarisatie van bouwkunst, stedenbouw, landschappen en landschapselementen in het kader van het in ontwikkeling zijnde erfgoedbeleid, blijkt dat het terrein van de voormalige steenfabriek is aangewezen als 'industrie en nijverheid' met een hoge waardering. Dit terrein blijft in de plannen gehandhaafd.

Figuur 13: uitsnede gecombineerde gemeentelijke verwachtingskaart cultuurhistorie Ook de Waardweg is voorzien van een hoge waardering. Het oostelijk deel van deze weg blijft gehandhaafd, maar het westelijk deel van deze weg komt te vervallen, evenals de Koepelweg. Een gedeelte van de Waardweg wordt alleen toegankelijk voor niet gemotoriseerd verkeer. Op dit moment is dit echter nog geen vastgesteld beleid. In 2021 zal de gemeenteraad hier naar verwachting een besluit over nemen. 4.9.3

Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Leidingen

4.10.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

41

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Binnen het plangebied zijn gasleidingen van Gasunie aanwezig. Het betreft een leiding waarop beperkt beheer wordt toegepast en een in gebruik zijnde gasleiding plus ondergrondse afsluiter. Er is contact tussen de initiatiefnemer en Gasunie over de gasleidingen die in het plangebied liggen. Het gewenste plan heeft geen invloed op de in gebruik zijnde leiding plus ondergrondse afsluiter. Deze gasleiding wordt aangeduid op de verbeelding en als dubbelbestemming opgenomen in de regels. Er is een principe afspraak over de buiten gebruik zijnde leiding waarop beperkt beheer (BB) wordt toegepast (N-574-1, bruine tracé). Initiatiefnemer heeft geen bezwaar tegen uitstel van de conservering van deze leiding door Gasunie. De verwachting is dat de leiding kan worden verwijderd. Recent heeft Gasunie de exacte ligging van het leidingtracé N-574-1 in kaart gebracht. Op basis van deze informatie nemen Gasunie en initiatiefnemer een besluit om de leiding al dan niet te verwijderen. Zolang er geen duidelijkheid is over het definitief verwijderen van deze gasleiding wordt ook deze gasleiding aangeduid op de verbeelding en als dubbelbestemming opgenomen in de regels.

4.11

Explosieven

Uit het rapport 'Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe' (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente Neder-Betuwe verdacht is op het voorkomen van artillerie-, mortier- en raketbeschietingen, waaronder dus ook het voorliggende plangebied. De mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) in het plangebied is in beeld gebracht door middel van een detectieonderzoek. Binnen een beperkt deel van het plangebied is benadering van de aangetroffen verstoringen in de bodem nodig en zal eventueel tot ruiming van explosieven worden overgegaan. Bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem wordt hiermee in het kader van de arbowetgeving rekening gehouden. Voorafgaande (of in samenhang met) aan de graafwerkzaamheden in het plangebied zullen de verdachte gebieden eerst worden vrijgeven op de verdenking van NGE. Dit vrijgeven zal plaatsvinden in het kader van de graafwerkzaamheden in het gebied.

42

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

bestemmingsplan "Willemspolder, fase 1" (ontwerp)

43

bestemmingsplan Willemspolder, fase 1

Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2

Bestemmingen

Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de verschillende bestemmingen zoals weergegeven in Hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels' in de regels bij het bestemmingsplan. Artikel 3 Natuur Een groot gedeelte van het plangebied wordt omgevormd naar de bestemming Natuur. Het ondiep water heeft een duidelijke natuurfunctie. Daarom is ook hieraan de bestemming Natuur toegekend. Binnen deze bestemming is extensief dagrecreatief medegebruik mogelijk. Daartoe maakt de bestemming ook de noodzakelijke recreatieve voorzieningen mogelijk, zoals: voet-, fiets- en ruiterpaden en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn ook parkeervoorzieningen mogelijk. Ten behoeve van de realisatie van het plan zijn voorzieningen ten behoeve van de winning van bouwgrondstoffen en de inrichting van het gebied conform het landschapsplan mogelijk gemaakt. Daaronder vallen ook nutsvoorzieningen (o.a. aansluiting voor het elektrisch winnen en klasseren) en een tijdelijk gronddepot om gedurende de realisatiefase (max. 10 jaar) tijdelijk grondstromen op te slaan die weer bij de herinrichting worden toegepast. Verder is er ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recreatieve bedrijvigheid' dagrecreatie mogelijk. Binnen de bestemming Natuur zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met maximum bouwhoogtes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595292/1