Ontwerp-bestemmingsplan - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
31
Uitsnede wensbeeld wegcategorisering met aanduiding randweg (groene onderbroken lijn), bron: Verkeer- en vervoersplan
3.4.4
Conclusie gemeentelijk beleid
Met dit kleinschalige plan wordt aangesloten op het gemeentelijke beleid van de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid.
3.5
Conclusie
Het voorliggende plan sluit aan op het relevante rijks- provinciale en gemeentelijke beleid. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met het beleid op deze niveaus.
32
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Algemeen
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r..
In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij, als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden, direct sprake is van een m.e.r.-plicht. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.
4.1.2
Toetsing
Onderhavig plan betreft de realisatie van een weg met 2 rijstroken. Deze activiteit wordt niet genoemd in bijlage C of D van het besluit m.e.r.. Dit betekent dat er voor het voorliggende plan geen sprake is van een m.e.r.- (beoordelings)plicht.
4.1.3
Conclusie
Voor het voorliggende plan is geen sprake van een m.e.r.- (beoordelings)plicht.
4.2
Verkeer en parkeren
4.2.1
Verkeer
De toekomstige verkeersintensiteiten en snelheden op de randweg verschillen per wegvak. In onderstaande afbeelding en tabel zijn de intensiteiten en snelheden weergegeven, zoals volgen uit het verkeersmodel dat voor de randweg is opgesteld. Tussen de aansluiting op de Tielsestraat en de Hamsestraat (wegvak 1 en 2) krijgt de randweg een snelheidsregime van 60 km/uur. Wegvak 6 (de aansluiting op de kern Opheusden) krijgt een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor het overige deel wordt de maximale snelheid 50 km/uur.
Afbeelding Randweg opgedeeld in wegvakken
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
33
Weg(vak)
Etmaalintensiteit 2030 [mvt/etm]
Snelheid
1
6266
60 km/uur
2
5964
60 km/uur
3
4056
50 km/uur
4
3139
50 km/uur
5
3115
50 km/uur
6 (aftakking richting sportvelden)
3542
30 km/uur
Tabel Wegvakken en gegevens
De realisatie van de randweg zorgt voor minder verkeer door de kern Opheusden en langs de Parallelweg. De weg zorgt hierdoor voor een toename van de verkeersveiligheid (zie paragraaf 2.2.2).
4.2.2
Parkeren
Met het voorliggende plan wordt de realisatie van een randweg bij Opheusden mogelijk gemaakt. De realisatie van een weg heeft geen gevolgen voor de parkeerbehoefte.
4.3
Bodem
4.3.1
Algemeen
Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.
4.3.2
Toetsing
Ter plaatse van het plangebied is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd4. Uit het historisch onderzoek volgen de volgende conclusies:
uit het historische kaartmateriaal blijkt dat op de locatie bomen- en plantenteelt en fruitteeltgebied (boomgaarden) aanwezig zijn geweest. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van overige bodembedreigende activiteiten ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg;
uit het historische kaartmateriaal blijkt dat op de locatie enkele sloten zijn gedempt;
op de locatie is eerder bodemonderzoek uitgevoerd, hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen in zowel grond, grondwater en waterbodem. Er zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen/aangetoond;
ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen (bijv. dakbedekking/wandbekleding);
ter plaatse van het toekomstig tracé van de Randweg zullen een aantal woningen, bedrijfsgebouwen en overige opstallen gesloopt worden;
vanwege de nabijheid van de spoorlijn, is het gebied (in principe) verdacht op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Voorafgaand dient hierover met de gemeente te worden overlegd. Vooralsnog wordt ervanuit gegaan dat geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Op basis van de beschikbare informatie is voor de onderzoekslocatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een (water)bodemverontreiniging. Voor asbest wordt vooralsnog uitgegaan van een onverdachte locatie.
34
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
4.3.3
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk in de vorm van verkennend (water)bodemonderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en de resultaten worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1
Algemeen
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.
De Wgh heeft tot doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidsniveaus. In de Wgh zijn hiervoor twee soorten grenswaarden opgenomen:
Voorkeursgrenswaarde : Deze waarde garandeert een vrij goede woon- en leefsituatie binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorwegen, enz.);
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: Deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor een hogere waarde kan worden aangevraagd.
De grenswaarden zijn onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer), de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buiten-stedelijk gebied) en het type geluidsgevoelige bebouwing. In de onderstaande tabel zijn voor woningen de voorkeursgrenswaarden en de meest voorkomende hoogste toelaatbare geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Bgh voor railverkeer weergegeven.
Wegverkeer
Railverkeer
48 dB (art. 82)
55 dB (art. 4.9 lid 1)
63 dB (art. 83 lid 2)
68 dB (art. 4.10)
48 dB (art. 82)
55 dB (art. 4.9 lid 1)
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting
53 dB (art. 83 lid 1)
68 dB (art. 4.10)
Hoogste toelaatbare geluidsbelasting bij een agrarische bedrijfswoning
58 dB (art. 83 lid 4)
n.v.t.
Stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde Hoogste toelaatbare geluidsbelasting Buiten-stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde
De breedte van de zones waarbinnen akoestisch onderzoek noodzakelijk is, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buiten-stedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de volgende tabel.
Aantal rijstroken
Zones langs wegen Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 meter
250 meter
3 of 4 rijstroken
350 meter
400 meter
5 of meer rijstroken
350 meter
600 meter
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
35
4.4.2
Onderzoek
Een weg is geen geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Toetsing aan de Wgh is daarom niet van toepassing.
Wel moet in het kader van dit bestemmingsplan worden onderzocht of de nieuwe ontsluiting akoestisch gezien inpasbaar is vanwege de ligging ten opzichte van hindergevoelige functies, zoals woningen. Hiertoe is een akoestisch onderzoek5 uitgevoerd. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.
als gevolg van de Randweg met het SMA NL8G+ wegdek wordt op 19 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden, de hoogste geluidsbelasting bedraagt 51 dB;
als gevolg van de Randweg met ZOAB dubbele deklagen fijn wordt op 8 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden, de hoogste geluidsbelasting bedraagt 50 dB. In verband met civiele eisen is voor SMA NL8G+ gekozen;
op geen van de woningen in het onderzoeksgebied is er sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.
overdrachtsmaatregelen zijn om verkeerskundige, financiële en landschappelijke redenen niet acceptabel;
de binnenwaarde van 33 dB dient te worden geborgd;
er dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het bestemmingsplan verkregen te zijn.
Het ontwerpbesluit hogere geluidsgrenswaarden (zie bijlage 5) ligt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage.
4.4.3
Conclusie
Het voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB is in het voorliggende plan geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Het aspect geluid vormt, met het verlenen van hogere waarden en/of het treffen van maatregelen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Algemeen
Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
NSL en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 µg/m3. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuinen akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
36
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Besluit gevoelige bestemmingen Op 1 december 2008 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Dit besluit beperkt de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Gevoelige bestemmingen zijn daarom scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. In het besluit zijn onderzoekszones vastgelegd waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is indien hier gevoelige bestemmingen worden toegevoegd.
Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal.
4.5.2
Toetsing
Met het voorliggende plan wordt de realisatie van een nieuwe weg tussen Kesteren en Opheusden mogelijk gemaakt. Bij een verandering aan het wegennetwerk dient toetsing plaats te vinden aan hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. In het geval van de realisatie van een nieuwe weg wordt een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt door de mogelijke toename van verkeersbewegingen over de weg en de hierop aansluitende verkeersaders. In een onderzoek luchtkwaliteit6 is onderzocht of de luchtkwaliteit door de aanleg van de randweg zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden.
Alle relevante bronnen die aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied zijn in de berekening, dan wel in de achtergrondconcentratie meegenomen. De luchtkwaliteit wordt bepaald door de emissiebijdrage van de transportbewegingen en de lokale achtergrondconcentraties. Voor de bijdrage van het verkeer aan de luchtkwaliteit zijn de emissies van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bepalend. Geconcludeerd wordt dat door de aanleg van de Randweg de luchtkwaliteit niet zal leiden tot een overschrijding of de nadering van een overschrijding van de grenswaarden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.
4.5.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1
Algemeen
Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1.
Past de nieuwe functie in de omgeving?
2.
Laat de omgeving de nieuwe functie toe?
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Een milieucategorie is een classificatie van de belasting die een (bedrijfs)activiteit kan leggen op het milieu. De classificatie is ontworpen door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
37
Richtafstand
Milieucategorie
10 m
1
30 m
2
50 m
3.1
100 m
3.2
200 m
4.1
300 m
4.2
De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging.
4.6.2
Toetsing
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden om het aantal gevoelige functies ten opzichte van huidige juridisch-planologische te vergroten. Een weg is immers geen milieugevoelige functie en zorgt er dan ook niet voor dat omliggende bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast. In dit kader kan een nadere beoordeling voor dit aspect achterwege blijven.
4.6.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Algemeen
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen verschillende bronnen. Dit zijn stationaire bronnen (bijv. een chemische fabriek of een LPG-tankstation), mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen) en relevante buisleidingen (bijv. hoge druk aardgasleidingen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans om slachtoffer te worden op een bepaalde plaats (plaatsgebonden risico) en de kans op een groot ongeval met meerdere slachtoffers binnen een groot invloedsgebied (groepsrisico). Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.
38
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
In het Bevi, Bevb en het Bevt wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen (Bevi), hogedrukaardgasleidingen (Bevb) en transportrouten (Bevt - Basisnet) wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.
4.7.2
Toetsing
Onderzoek externe veiligheid Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een randweg bij Opheusden. Vanuit het oogpunt externe veiligheid kan de geplande weg zelf worden aangemerkt tot een potentiele risicobron, wanneer deze zal worden gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De nabijheid van de snelweg A15 en de Provinciale weg N233 die beiden als transportroute voor gevaarlijke stoffen dienen maakt een dergelijk scenario aannemelijk. Alhoewel met deze bestemmingsplanprocedure het nieuwe wegvak niet wordt aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen en eveneens geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, waarmee het uitvoeren van een groepsrisicoberekening evenals het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico niet zijn vereist, is het in het kader van de bestemmingsplanprocedure en met oog op een goede ruimtelijke ordening wenselijk de beoogde ontwikkeling vanuit het aspect externe veiligheid nader te onderzoeken. In een onderzoek externe veiligheid7 is daarom ingegaan op het effect dat de realisatie van dit plan heeft voor (zeer/beperkt) kwetsbare objecten en gebouwen in de nabijheid van het te realiseren wegtraject.
Uit het onderzoek is gebleken dat het wegtraject geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen heeft gekregen, dat het geen plaatsgebonden risico kent en dat het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde is.
Ingevolge artikel 8 eerste lid Bevt kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven, wanneer het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Deze voorwaarde is uit het onderzoek als voldaan gebleken. In het onderzoek is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
Het onderzoek is uitgevoerd om vanuit een worst-case benadering wel de mogelijke effecten van transporten met gevaarlijke stoffen in beeld te brengen. In de praktijk zal echter sprake zijn van een marginaal aantal transporten. Een advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid kan volledigheidshalve worden ingewonnen, maar is niet vereist.
Buisleiding Het plangebied kruist ten zuiden van de Linge de buisleiding N-574-10 die conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is aangewezen als transportroute voor aardgas. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een wegvak mogelijk gemaakt, daarmee geldt geen aanleg, bouw of vestiging van een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten. Eveneens geldt het aanleggen van het wegvak niet als aanleg, bouw of vestiging van een risicoverhogend object. Er is derhalve vanuit het Bevb geen verplichting tot rekening houden met het plaatsgebonden risico en verantwoording van het groepsrisico. Blijkens de risicokaart betreft het een ondergrondse buisleiding met de bovenkant van de buisleiding liggend op 95 cm, daarmee geldt dat het nieuw aan te leggen wegvak ter plaatse niet onder maaiveld mag worden gerealiseerd. Tevens dient bij de (graaf)werkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de buisleiding en dienen vooraf in overleg met de leidingbeheerder afspraken te worden gemaakt over de beperking van mogelijke buisleidingincidenten.
Vanuit het hart van de leiding gemeten is aan weerszijden van de leiding een belemmeringenstrook van 4 meter aanwezig, waarin nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht en vergunning voor werkzaamheden dient te worden verkregen.
4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
39
4.8
Explosieven
4.8.1
Algemeen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden, waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.
4.8.2
Toetsing
De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden, is weergegeven op een CE-bodembelastingkaart (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Bodembelastingkaart CE Conventionele Explosieven Gemeente Neder-Betuwe, 23 januari 2017). Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen in het plangebied zal detectieonderzoek naar explosieven moeten worden verricht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning.
4.8.3
Conclusie
Het aspect explosieven levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9
Waterhuishouding
4.9.1
Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:
Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;
Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren.
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1.
Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het "hydrologisch neutraal" bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden;
2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden;
3.
Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.
40
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a.
Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren;
b.
Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding);
c.
Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Voor alle voorzieningen geldt dat er geen afvoer van grondwater/kwelwater mag plaatsvinden. Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.
Gemeentelijk Rioleringsplan Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren( 2014 tot en met 2018) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater.
Waterplan 2014-2018 (GRP) Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Dit Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012). Het Waterplan geeft streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen:
Een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem;
Een optimaal functionerende waterketen;
Een effectieve en efficiënte waterorganisatie.
Vanuit het waterplan hebben beide organisaties de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van 'overstort' uit de riolering). De nadruk van het waterbeleid in de komende periode ligt op de stedelijke wateropgave. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht. Daarnaast worden waterkwaliteitsmaatregelen getroffen in watergangen achter overstortlocaties.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
41
4.9.2
Doorwerking plangebied
In het kader van het voorliggende plan, de aanleg van een randweg bij Opheusden, is een watertoets8 uitgevoerd. Hierin zijn de huidige situatie beschreven en vervolgens de gevolgen voor en eisen ten aanzien van het oppervlaktewater, ontwatering en drooglegging, de kruising met de Linge, beheer en onderhoud en de overdracht voor gegevens.
In de watertoets worden de volgende conclusies getrokken:
de toename van verharding als gevolg van de nieuwe weg wordt volledig gecompenseerd (door de realisatie van 6.969 m2 extra oppervlaktewater);
de demping van watergangen en bergingsvoorzieningen wordt volledig gecompenseerd, in de nieuwe situatie is sprake van een surplus in ieder peilvak;
voor de werkzaamheden moet op grond van de Keur een watervergunning worden aangevraagd bij waterschap Rivierenland, vanwege de werkzaamheden bij, op of aan watergangen die (als primair) zijn opgenomen op de Legger van het Waterschap, mogelijk dat ook andere werkzaamheden vergunningplichtig zijn (bronbemalingen en de lozingen daarvan);
bij de werkzaamheden aan de randweg dienen de functies van de (hoofd)watergangen te allen tijde intact te blijven;
het afstromende hemelwater van de weg dient door middel van diffuse berminfiltratie plaats te vinden, of via voorzieningen voorgezuiverd te worden;
de afmetingen van de duikers, kunstwerken en watergangen dienen voor de aanvraag van de watervergunning bepaald te worden.
Met betrekking tot de waterberging is ten opzichte van de watertoets een nieuwe berekening uitgevoerd. Uit deze berekening komt naar voren dat er voldoende waterbergingscompensatie gerealiseerd kan worden. Voor de randweg moet er 4.900 m2 water gecompenseerd worden en voor Herenland moet 2.500 m2. In totaal 7.400 m2. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is er ruimte voor 8.400 m2 waterberging. Er wordt voldoende m2 water gecompenseerd conform de eisen van het waterschap.
Het ontwerp van de randweg voldoet in de basis aan de uitgangspunten van het waterschap. Alle technisch en formele zaken worden in de vergunning geregeld.
4.9.3
Overleg waterschap
Bij het opstellen van de watertoets heeft uitgebreide afstemming plaatsgevonden met het waterschap.
4.9.4
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.10
Ecologie
4.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.
42
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
4.10.2 Toetsing Soortenbescherming Op voorhand is niet uit te sluiten dat het voorliggende plan negatieve effecten heeft op beschermde soorten. Dit betekent dat een natuuronderzoek in de vorm van een quick scan noodzakelijk is.
Gebiedsbescherming Om te bepalen of er sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek9 uitgevoerd. Het plangebied ligt op ongeveer 1 kilometer van Natura 2000-gebied 'Rijntakken', op ongeveer 6 kilometer van Natura 2000-gebied 'Veluwe' en op ongeveer 8 kilometer van Natura 2000-gebied 'Binnenveld'. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is in de huidige situatie en tijdens de bouw- en gebruiksfase is een stikstofberekening uitgevoerd met het programma Aerius. Daarnaast zijn verschilberekeningen gemaakt. Hieruit volgen de volgende conclusies:
Huidige situatie Uit de uitgevoerde berekeningen voor de huidige situatie blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,56 mol stikstof/ha/j.
Aanlegfase Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,31 mol stikstof/ha/j. Het berekende tijdelijke resultaat vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De berekende tijdelijke toename vormt derhalve onderdeel van de reeds aanwezige totale Nederlandse stikstofemissie door de bouwsector, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken.
Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 1,00 mol stikstof/ha/j. De berekende overschrijding vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.
Verschilberekening aanlegfase Uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase blijkt een resultaat van 0,05 mol stikstof/ha/j op Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase blijkt een resultaat van 0,00 mol stikstof/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden 'Veluwe' en 'Binnenveld'. Het berekende tijdelijke resultaat voor de 'Rijntakken' vindt plaats op overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De berekende tijdelijke toename vormt derhalve onderdeel van de reeds
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
43
aanwezige totale Nederlandse stikstofemissie door de bouwsector, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken.
Verschilberekening gebruiksfase Uit de uitgevoerde verschilberekeningen voor de gebruiksfase in zowel 2023 evenals in 2030 blijkt dat de nu gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,01 mol stikstof/ha/j op Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. De berekende overschrijding vindt in 2023 plaats op 10 overbelaste hexagonen en in 2030 op 5 overbelaste hexagonen, dat wil zeggen hexagonen waarbij de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. Blijkens jurisprudentie kan, wanneer de kritische depositiewaarde wordt overschreden, niet op voorhand worden uitgesloten dat er een risico is voor de kwaliteit van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Een overschrijding betekent in dit geval niet dat vaststaat dat er sprake is van een aantasting van de kwaliteit van een habitattype, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.
Geconcludeerd wordt dat milieueffecten op overbelaste hexagonen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Om die reden is een ecologische voortoets uitgevoerd.
Ecologische voortoets Om te onderzoeken of de stikstofdepositie van de ontwikkeling significant negatieve gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied is een ecologische voortoets10 opgesteld. In de voortoets is op basis van objectieve gegevens beoordeeld of van de stikstofdeposities significant negatieve gevolgen mogelijk zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bij deze beoordeling werden ook de gevolgen van andere plannen en projecten betrokken. Onderstaande tabel vat de resultaten van het onderzoek samen.
Uit de voortoets blijkt, dat bij de leefgebieden Lg08 en Lg11 en de zoekgebieden ZGLg08 en ZGLg11 de achtergronddepositie momenteel de KDW overschrijdt. Uit het onderzoek blijkt verder dat de vegetaties Lg08 en ZGLg08 gevoelig zijn voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie. LG11 en ZGLg11 zijn niet gevoelig voor een toename van stikstofdepositie. In de voortoets is vervolgens op basis van objectieve gegevens onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt in deze vegetaties voor merkbare of meetbare gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt zo gering zijn, dat meetbare of merkbare, dus significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen daarvan zijn uitgesloten. Tot slot is een cumulatietoets uitgevoerd, om te onderzoeken of de ontwikkeling samen met andere plannen of projecten tot een significant gevolg zou kunnen leiden. Uit deze toets blijkt dat door vaststaand beleid de stikstofdepositie in dit deel van het Natura 2000-gebied aanzienlijk zal dalen. Ook in cumulatie met andere ontwikkelingen zijn significant negatieve gevolgen daarom uitgesloten.
Nader natuuronderzoek Uit de quick scan natuur blijkt dat de aanwezigheid van verschillende beschermde diersoorten niet kan worden uitgesloten en dat aanvullend onderzoek nodig is. Het gaat om onderzoek naar de ringslang, de poelkikker, rugstreeppad, de theunisbloempijlstaart, de grote modderkruiper, marterachtigen, vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Een deel van dit aanvullende natuuronderzoek is dit voorjaar gestart. Niet al het geadviseerde aanvullende onderzoek kon van start gaan. Op verschillende plekken zal daarom in de toekomst nog aanvullend natuuronderzoek nodig zijn. In een memo11 is de stand van zaken van het natuuronderzoek beschreven. Deze memo is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de navolgende tabel is een overzicht van het lopende onderzoek weergegeven.
44
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Daarnaast moeten de volgende onderzoek nog uitgevoerd worden:
Steenuil. Uit gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat bij de Parallelweg territoria van steenuilen aanwezig zijn. Onderzocht dient te worden of deze dieren ook het plangebied als leefgebied gebruiken.
Gierzwaluw en huismus. Verschillende gebouwen in het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor deze soorten en bij één gebouw werd een invliegende gierzwaluw waargenomen. Onderzoek is nodig te onderzoeken of bij de gebouwen nesten van deze soorten aanwezig zijn.
Vleermuizen. Verschillende gebouwen in het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Onderzoek is nodig te onderzoeken of in de gebouwen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.
De resultaten van het nadere natuuronderzoek worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan.
4.10.3 Conclusie Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Voor de stikstofberekening en de ecologische voortoets is echter wel gebruik gemaakt van de salderingsmethode (verschilberekening). Dit zorgt wel voor een vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
45
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1 Archeologie Algemeen In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.
Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
Gemeentelijk/regionaal archeologiebeleid De bescherming van de archeologische waarden is in de gemeente Neder-Betuwe geregeld in het bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie'. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke bestemmingen opgenomen: Waarde - Archeologie 1 voor de AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen, Waarde - Archeologie 2 voor de gronden met een hoge archeologische trefkans en Waarde - Archeologie 3 voor de gronden met een gemiddelde archeologische trefkans.
Voor onderhavig plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2. Dit betekent dat sprake is van AMK-terreinen en een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bouw- en graafwerkzaamheden die plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 100 m2 respectievelijk 1000 m2 of die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Archeologisch bureauonderzoek Resultaten Ter plaatse van het plangebied (en omgeving) is een archeologisch bureauonderzoek12 uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek ligt het westelijk deel van het plangebied in een zone waar zich mogelijk binnen 11,5 m beneden het maaiveld resten vanaf het Neolithicum, meer waarschijnlijk de Bronstijd/ Ijzertijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd kunnen bevinden. Het betreft dan met name de delen van het plangebied die liggen op de stroomrug en stroomrugglooiing van de Veedijk/ Westerveld stroomgordel, zoals het binnen het onderzoeksgebied gelegen AMK-terrein 3.968, en de wat verderop gelegen 3.969 en 12.634.
Daarnaast geldt voor het westelijke uiteinde van het plangebied een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten van de Betuwelinie, die vanaf 1796 is aangelegd. Het gaat dan om de resten van de ophoging van de voormalige dijk en gracht. Daarnaast kunnen op deze locatie ook resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht, zoals loopgraven, schuttersputten, en andere militaria. Vanwege de vele gevechtshandelingen geldt voor het gehele plangebied dat het verdacht is op het aantreffen van nietgesprongen explosieven. In het oostelijke deel van het plangebied, bij de kruising met de Linge, bevindt zich nog een smalle strook waar zich mogelijk resten van bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen bevinden; langs de Linge kunnen zich daarnaast nog resten bevinden van houten beschoeiingen, dammen en duikers, visgerei etc.
46
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Advies Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in de delen van het plangebied die corresponderen met de stroomruggen en -glooiingen van de Veedijk/ Westerveld stroomgordel (Waarde - Archeologie 1 of 2 van het bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie'), een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. Geadviseerd wordt het verkennend booronderzoek uit te voeren met een grid van 30 x 40 meter (ca. 8 boringen per hectare). De delen van het plangebied die bestaan uit komgebieden met een lage archeologische verwachting (zonder bijbehorende dubbelbestemming) kunnen worden vrijgegeven. Indien bij de uitvoering van werkzaamheden binnen vrijgegeven delen toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid). Verder wordt geadviseerd de binnen het plangebied gelegen behoudenswaardige cultuurhistorische objecten (de Betuwelinie met bunker en een mogelijk waterstaatkundig object bij de kruising met de Linge) te beschermen en te versterken. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het opgestelde advies.
Conclusie De archeologische waarden ter plaatse van het plangebied worden in het voorliggende plan beschermd middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.11.2 Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De gemeente Neder-Betuwe heeft haar beleid geregeld in de Erfgoedverordening uit 2017.
Toetsing In het kader van het archeologisch bureauonderzoek (Sweco 2020) zijn ook mogelijke cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied geïnventariseerd. Hieruit volgt dat zich binnen of nabij het plangebied zich geen gebouwde Rijksmonumenten bevinden. De Cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland bevat weinig objecten of vlakken binnen het plangebied. De zuidzijde van het spoor is aangegeven als inundatiegebied.
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan de westzijde van het plangebied de oude Betuwelinie als een behoudenswaardig cultuurhistorisch object aangegeven (dijk en gracht). Hier staan ook enkele bunkers/ kazematten langs het spoor aangegeven en een duiker onder het spoor. Bij de kruising met de Linge bevindt zich nog een cultuurhistorisch object, mogelijk waterstaatkundig. Overige boven- of ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied zijn niet bekend.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
47
Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart met aanduiding bunker binnen het plangebied (binnen witte cirkel).
Langs het beoogde tracé van de Randweg Opheusden staan twee kazematten (zie volgende afbeelding).
48
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Tracé randweg met ligging kazematten (midden in rode cirkels)
Eén kazemat, de meest oostelijke, raakt het beoogde tracé van de randweg. Dat wil zeggen, de kazemat raakt de aangrenzende bermen en watergangen direct gelegen naast de feitelijke weg(verharding). In het kader van het voorliggende plan is een integrale afweging gemaakt over de toekomst van deze kazemat. De kazemat staat circa een halve meter van de feitelijke kant-verharding zoals nu in het voorlopig ontwerp (VO) voor de randweg is ingetekend. Het VO is het vertrekpunt voor het voorliggende plan. Om een besluit te nemen over de toekomst van deze Kazemat is nader onderzoek verricht. Door RAAP is een cultuurhistorische quickscan en bouwhistorische opname uitgevoerd13 en tevens is er een kostenanalyse gemaakt14, bedoeld om tot een realistisch een integrale afweging te komen. Voor de analyse is de Kazemat precies ingemeten zodat goed valt te bezien hoe deze staat gepositioneerd t.o.v. het beoogde tracé. Er zijn 3 opties onderzocht en beschreven: 1.
behoud van de Kazemat en welke maatregelen zijn er dan eventueel nodig;
2.
verplaatsen van de kazemat, of;
3.
sloop van de kazemat.
Raap concludeert dat vanuit de cultuurhistorische waarde behoud van de kazemat in de basis de voorkeur heeft. Ook concluderen zij dat verplaatsen of sloop aan de orde kan zijn als er een integrale afweging wordt gemaakt. Daarbij wordt aanbevolen dat bij sloop en of verplaatsen de cultuurhistorische waarde op een andere manier / wijze te versterken valt. Bijvoorbeeld door een uitgebreide biografie van de kazemat op te stellen. Daarnaast geldt als advies om waar mogelijk ruimte te zoeken voor versterking van andere nog aanwezige kazemat-waarden. De kosten van 'sloop' en 'verplaatsen' zijn in beeld gebracht waarbij óók gekeken is wat eventueel nodig is aan het beoogde wegtracé als de kazemat blijft staan. Het behouden en laten staan en daarbij maatregelen nemen bij of aan de weg(bijvoorbeeld een geleiderail plaatsen of plaatselijk uitbuigen van de weg), kan immers ook een (kosten)effectieve maatregel en afweging zijn. De kostenindicatie voor verwijderen / verplaatsen zijn als volgt:
Verplaatsen: € 170.000,- exclusief prepareren ondergrond en eventuele maatregelen nieuwe locatie;
Sloop/verwijderen: € 12.000,-.
Met dit gegeven is geconcludeerd dat de kazemat met het oog op de lopende procedure blijft staan. Hoewel de kazemat binnen de planologische beoogde plangrens ligt, is de feitelijke weg inclusief maatregelen inpasbaar. In de verdere uitwerking van het plan, en nadat het bestemmingsplanproces is afgerond, kan nader worden beschouwd en/of onderzocht of er vanuit de cultuurhistorische waarde en opgaves binnen de gemeente kosten te rechtvaardigen zijn om de kazemat te verplaatsen dan wel waarde toe te voegen aan de bestaande kazemat die verder op (buiten het beoogde tracé) staat.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
49
Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorliggende plan; formeel is de weg naast de kazemat te positioneren (zo blijkt uit de precieze inmeting in het veld) met in achtneming van eenvoudig te nemen maatregelen (het plaatsen van een geleiderail ter plaatse van de kazemat).
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.12
Leidingen
Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
defensiebrandstoffen;
warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
Toetsing Het plangebied wordt doorkruist door drie leidingen met zones waarbinnen beperkingen gelden: een gasleiding, een hoogspanningsverbinding en een riool. Deze drie leidingen zijn in het geldende bestemmingsplan beschermd middels de dubbelbestemming 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' respectievelijk 'Leiding - Riool'. Deze dubbelbestemmingen zijn in het voorliggende plan overgenomen. De gasleiding, hoogspanningsverbinding en het riool vormen geen belemmering voor de aanleg van de weg.
Voor de gasleiding is er overleg geweest met de tracébeheerder over de mogelijke consequenties van de aanleg van de randweg en welke technische maatregelen genomen kunnen worden. In dit overleg is het volgende geconstateerd en afgesproken: 1.
De bestaande ligging van de gasleiding is goed inpasbaar binnen de beoogde en voorgenomen randweg.
2.
Vanwege de benodigde ophoging van de nieuw aan te leggen weg is het noodzakelijk met licht ophoogmateriaal te werken, bijvoorbeeld Yalibims zoals door Gasunie benoemd.
3.
De planvorming bevindt zich nu in een VO-fase. In de DO-fase dienen echter een aantal zaken nader te worden uitgewerkt zoals: a.
De richtlijnen van afstanden (veiligheidszones) dienen te worden gerespecteerd en aangehouden bij de verdere ontwerpuitwerking;
b.
Er dienen ter zijnde tijd berekeningen te worden gedaan naar zetting en naar trillingen tijdens het werk;
c.
Bij de DO-uitwerking zal opnieuw overleg plaats moeten vinden om verdere acties en uitwerking door te bespreken.
Conclusie Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
50
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en is voorzien van een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Bestemmingen
'Agrarisch' De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, landschappelijke beplanting, watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen en extensief dagrecreatief medegebruik.
Op deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd: a.
niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen: - hagelnetten (max. bouwhoogte 6 meter); - kunststoftunnels en -overkappingen (max. bouwhoogte 4 meter);
b.
constructies ten behoeve van de gotenteelt (max. bouwhoogte 4 meter);
c.
molens ten behoeve van de waterhuishouding (max. bouwhoogte 6 meter);
d.
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming (max. oppervlakte 10 m2 en max. bouwhoogte 2,5 meter).
Verder zijn een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor de overschrijding van bouwgrenzen voor de bouw van bedrijfsgebouwen, een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, de stalling van dieren en de huisvesting van seizoenarbeiders.
'Bedrijventerrein' De gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn bedoeld voor, bedrijven, groothandel, detailhandel, kantoren, horeca, bedrijfswoningen, nutsvoorzieningen, (GSM-)antennemasten, geluidwerende voorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, paden e.d. toegestaan.
Bestemmingsplan Randweg Opheusden
51
Hierbij geldt de volgende specificering:
als bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend detailhandel in volumineuze goederen en bestaande bedrijven in categorie 1 toegestaan;
detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, niet-zijnde detailhandel in textiel, schoeisel en lederwaren, voedingsen genotmiddelen en huishoudelijke artikelen, waarbij geldt dat de detailhandelsactiviteit niet groter mag zijn dan 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 150 m2. In afwijking hiervan is wel de volgende detailhandel toegestaan: -
detailhandel in de volumineuze goederen: automobielen, boten, caravans en grove bouwmaterialen;
-
detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen met dien verstande dat de opslag van meer dan 10.000 kilo consumentenvuurwerk niet is toegestaan;
-
detailhandel in de vorm van een internetwinkel (onder voorwaarden).
er zijn uitsluitend niet-zelfstandige kantoren toegestaan;
er is uitsluitend ondersteunende horeca toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan;
het gebruik van een deel van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is onder voorwaarden toegestaan;