Bijlage 4 (a) - Dijkversterking Wolferen-Sprok Toelichting
Tekst van het document
MER fase 1 bracht de onderscheidende of significante effecten voor het oplossen van de hoogwaterveiligheidsopgave voor de dijk tussen Wolferen en Sprok op de omgeving van de verschillende alternatieven in beeld. Tegelijkertijd lichtte het MER fase 1 andere afwegingscriteria toe, zoals technische haalbaarheid en kosten. Mede op basis van de informatie uit het MER fase 1 is een keuze gemaakt voor het nader uit te werken voorkeursalternatief. In het MER fase 2 zijn de milieueffecten van het voorkeursalternatief nader onderzocht. Dit om het voorkeursalternatief en de uitvoering waar mogelijk te optimaliseren, effecten te mitigeren of te compenseren. Tevens gaat het MER fase 2 in op de effecten die in het advies reikwijdte en detailniveau van de provincie Gelderland zijn opgenomen bij de start van de m.e.r.-procedure. De resultaten van de milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd voor de dijkversterking zijn weergegeven in het MER fase 2.
Toelichting (ontwerp)
27
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.1.3
MER en dit bestemmingsplan
In paragraaf 4.2 en verder worden de omgevingsaspecten uit het MER fase 2 die relevant zijn voor dit bestemmingsplan behandeld. Per omgevingsaspect wordt ingegaan op de conclusies en de wijze waarop deze zijn vertaald in het bestemmingsplan. De milieuonderzoeken zijn uitgevoerd voor het gehele dijktraject Wolferen-Sprok en in de navolgende paragrafen worden de onderzoeksresultaten besproken, waarbij waar nodig en mogelijk wordt ingezoomd op het specifieke plangebied van dit bestemmingsplan. Het volledige rapport is te vinden in Bijlage 1 Milieueffectrapport (MER) fase 2 en bijbehorende onderzoeken.
4.2
Water
De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de toetsing van de wateraspecten een verplicht onderdeel voor elke ruimtelijke ontwikkeling. Voor de dijkversterking Wolferen-Sprok is een Projectplan Waterwet opgesteld. Dit is verplicht bij werken of werkzaamheden in of nabij een waterstaatswerk die tot gevolg hebben dat er een wijziging wordt aangebracht in de normatieve toestand (richting, vorm, afmeting of constructie) van het waterstaatwerk. Het Projectplan beschrijft het werk en de wijze waarop het wordt uitgevoerd. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens kort ingegaan op de hoogwaterveiligheidsfunctie, de rivierkundige aspecten, de gevolgen op het grondwater en de Kaderrichtlijn Water (KRW). In het Projectplan Waterwet worden deze aspecten uitgebreider toegelicht en onderbouwd.
4.2.1
Hoogwaterveiligheidsfunctie
4.2.1.1 Toetsingskader Voor de hoogwaterveiligheidsfunctie van de waterkering geldt het volgende toetsingskader: 1. normspecificaties uit de Waterwet; 2. robuustheid/ klimaatadaptatie van de waterkering; 3. beheerbaarheid van de waterkering. Aan de hand van de normspecificaties uit de Waterwet kan de waterkering beoordeeld worden op de overstromingskans. Als uit de beoordeling blijkt dat een waterkering niet meer voldoet, moet de dijk worden aangepast. Bij het ontwerp voor de dijkversterking wordt breder gekeken dan het faalmechanisme waarop de waterkering tijdens de landelijke toetsing is afgekeurd. Robuustheid en klimaatadaptatie van het dijkontwerp zijn naast faalmechanisme belangrijk. De bredere kijk zorgt dat het nieuwe dijkontwerp rekening met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden, zodat de mogelijkheid bestaat om in de toekomst de waterkering nog aan te passen. Tot slot is het ook van belang dat het nieuwe dijkontwerp goed te beheren is.
Normspecificaties uit de Waterwet Waterschap Rivierenland heeft als taak haar primaire waterkeringen te beheren. Onderdeel van het beheer is het periodiek uitvoeren van de beoordeling/toetsing van de waterkeringen. In 2017 is de Waterwet aangepast met nieuwe normen voor hoogwaterveiligheid. In de Waterwet staan twee normspecificaties, welke uitgaan van een overstromingskansbenadering: 1. de ondergrens: wanneer de overstromingskans groter is dan deze waarde, voldoet de waterkering niet aan het wettelijke veiligheidsniveau; 2. de signaleringsnorm: wanneer deze grens bereikt wordt, starten de voorbereidingen van een dijkversterking. Voor het dijktraject tussen Wolferen en Sprok geldt een maximaal toelaatbare overstromingskans
28
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok (ondergrens) van 1/10.000 per jaar. Dit betekent dat een kering zo hoog en sterk moet zijn dat deze een waterstand moet kunnen keren die gemiddeld eens in de 10.000 jaar optreedt. Voor dijktraject tussen Wolferen en Sprok is de signaleringsnorm een overstromingskans van 1/30.000 per jaar. Bij een beoordeling van een waterkering kijkt het waterschap naar de mogelijke faalmechanismen van de waterkering. Dit zijn mogelijke manieren waarop de dijk kan bezwijken. Voor het dijktraject tussen Wolferen en Sprok zijn de onderstaande faalmechanismen relevant: falen op golfoverslag of overlopen betreft een te lage kruin van de dijk. Doordat te veel water over de dijk loopt of slaat, kan te veel water in het achterland komen of de bekleding aan de binnenzijde van de dijk worden aangetast (erosie); macrostabiliteit binnenwaarts betreft het afschuiven van grote delen van het grondlichaam aan de binnenzijde door een te hoge druk in het grondwater onder en achter de dijk; macrostabiliteit buitenwaarts betreft het afschuiven van grote delen van het grondlichaam aan de buitenzijde door een te hoge druk in het grondwater in de dijk (na hoogwater en/of bij veel regen); stabiliteitsverlies door het mechanisme 'piping'.
Dit is problematisch wanneer bij (langdurig) hoge waterstanden een kwelstroom onder de dijk door gronddeeltjes uit de onderliggende grondlagen meevoert (zandmeevoerende wellen). Door deze interne erosie ontstaan kanaaltjes ('pipes') onder de dijk en bezwijkt het dijklichaam.
Toelichting (ontwerp)
29
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 10 Faalmechanismen
30
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Robuustheid/ klimaatadaptatie van de waterkering De beslisrobuustheid van een dijkontwerp gaat over het rekening houden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden, zodat het uitgevoerde ontwerp tijdens de planperiode blijft functioneren zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. De onzekerheden die hier worden bedoeld is dat dat de waterstanden en golfhoogtes die de dijk moet kunnen keren, niet exact te berekenen zijn. Door het toepassen van veilige marges wordt rekening gehouden met deze onzekerheden in het dijkontwerp en maakt het ontwerp robuust. Met flexibiliteit, ook wel uitbreidbaarheid of aanpasbaarheid genoemd, wordt de mogelijkheid bedoeld om het ontwerp makkelijk aan te passen in de toekomst. Meestal vraagt dat nu een extra investering om de dijk bijvoorbeeld een iets bredere basis te geven, zodat het extra versterken in de toekomst goedkoper en minder ingrijpend zal zijn. De beslisrobuustheid en flexibiliteit zijn criteria voor het beoordelen van klimaatadaptie van de waterkering. Een maatregel is robuust als het een gewenst effect heeft bij uiteenlopende mogelijke toekomstige ontwikkelingen.
Beheerbaarheid van de waterkering De beheerbaarheid van de waterkering is mede afhankelijk van hoe goed de onderdelen van de dijk inspecteerbaar zijn. De onderdelen moeten onder andere bereikbaar zijn, visueel inspecteerbaar zijn en ze moeten gemonitord kunnen worden. Het Beheer- en onderhoudsplan 2017-2021 van het waterschap biedt hier handvatten voor.
4.2.1.2 Resultaten Normspecificaties uit de Waterwet In een periodieke toetsing, de landelijke 3e toetsing van 2006-2011 is een deel van het dijktraject Wolferen-Sprok als onvoldoende gerapporteerd. In 2016 heeft het waterschap, anticiperend op de nieuwe normering uit de Waterwet (van 2017), een nieuwe veiligheidsanalyse uitgevoerd. Deze veiligheidsanalyse gaf aan dat het traject Wolferen-Sprok in zijn geheel versterkt moet worden, met uitzondering van een recent versterkt deel bij Lent (dijksectie 5). Wanneer een waterkering niet door de landelijke toetsing komt, dan maakt het waterschap een aangepaste waterkering die in ieder geval de komende 50 jaar moet kunnen doorstaan. Bij het ontwerp voor de dijkversterking wordt daarom breder gekeken dan de faalmechanisme waarop de waterkering tijdens de landelijke toetsing is afgekeurd (zie robuustheid/ klimaatadaptatie en beheerbaarheid). Hierdoor wordt de dijk bijvoorbeeld hoger uitgevoerd dan het tekort dat uit de toetsing is gebleken omdat de waterkering anders binnen 50 jaar weer afgekeurd wordt.
Robuustheid/ klimaatadaptatie van de waterkering In het ontwerp is met robuustheid en uitbreidbaarheid rekening mee gehouden. In de regel is een profiel in grond - bij voldoende ruimte - uit te breiden door meer grond aan te brengen. Bij te weinig ruimte kan in de toekomst alsnog een constructie aangebracht worden. Het basisprofiel bestaat om deze reden zoveel mogelijk uit een grondoplossing. Het grondlichaam is berekend op de situatie in 2075 (volgens de huidige inzichten). Dit is een robuust ontwerp. Om omgevingswaarden en -functies te sparen is er op een groot deel van het traject sprake van een constructie in het dijklichaam. Op veel locaties is een lichte constructie nodig om piping te voorkomen. Ook is er op basis van de omgevingswaarden en -functies op verschillende locaties een stalen damwand toegepast in het ontwerp. Constructies zijn niet eenvoudig uit te breiden. Bovendien is de complexiteit van de constructies verschillend. Deze constructies zijn ontworpen met een planhorizon van 100?jaar. De constructies staan in een grondlichaam dat is ontworpen met een planhorizon van 50?jaar. Om de constructies te ontwerpen met de juiste afmetingen en sterktes, is in de berekening een (fictief)
Toelichting (ontwerp)
31
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok versterkingsprofiel van het grondlichaam meegenomen met een kruinhoogte die in 2015 zou voldoen volgens de huidige inzichten. In het ontwerp is het constructieve scherm geplaatst op een optimale plek: zodanig dat het functioneel is voor de huidige dijkversterking, maar ook bijdraagt bij een eventuele toekomstige dijkversterking. Het ontwerp is daarmee robuust en uitbreidbaar.
Beheerbaarheid van de waterkering Het Beheer- en onderhoudsplan 2017-2021 was leidend bij het ontwerp. Daarmee zijn er geen elementen ontworpen die bij voorbaat niet beheerd of onderhouden kunnen worden. Het beheer van bijvoorbeeld bloemrijke dijken is mogelijk vanuit de beheerbaarheid.
4.2.1.3 Conclusie Vanuit het aspect hoogwaterveiligheid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Normspecificaties uit de Waterwet De dijkversterking Wolferen-Sprok wordt uitgevoerd zodat wordt voldaan aan de gestelde norm uit de Waterwet. Faalmechanismen worden opgelost waardoor de aangepaste waterkering voor minimaal 50 jaar voldoet.
Robuustheid/ klimaatadaptatie van de waterkering Het ontwerp houdt rekening met robuustheid en uitbreidbaarheid. Het basisprofiel bestaat daarom zoveel mogelijk uit een grondoplossing. Om omgevingswaarden en -functies te sparen is er ook op een groot deel van het traject sprake van een constructie in het dijklichaam. Bij de constructies is een langere ontwerphorizon aangehouden, zodat de constructies langer blijven voldoen. Daarmee is zoveel mogelijk robuustheid en uitbreidbaarheid in het ontwerp toegepast.
Beheerbaarheid van de waterkering Er zijn geen elementen die bij voorbaat niet beheerd of onderhouden kunnen worden. Daarmee is geborgd dat de dijk na versterking goed te beheren is.
4.2.2
Rivierkundige aspecten
Door het verbreden of verleggen van de dijk in het winterbed van de rivier kunnen opstuwing en andere rivierkundige effecten ontstaan in de rivier. Anderzijds kan het naar binnen toe verleggen van de dijk zorgen voor een waterstandsdaling op de rivier. In de rivierkundige beoordeling werd gekeken naar de hydraulische effecten op de waterstand en de afvoerverdeling Pannerdensche Kop, effecten die hinder of schade veroorzaken in uiterwaard of vaarweg (inundatiefrequentie en stroombeeld), en de morfologische effecten (sedimentatie en erosie rivierbed) van de dijkversterking. Rivierkunde betreft het buitendijkse water. Grondwater (paragraaf 4.2.3) en oppervlaktewater (paragraaf 4.2.4) betreft het binnendijkse water.
4.2.2.1 Toetsingskader Wanneer er aanpassingen in het rivierbed plaatsvinden geldt de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 6.15 van het waterbesluit. In 4.2.2.2 worden de effecten beschreven van de volgende criteria: 1. waterstandsdaling en opstuwing; 2. afvoerverdeling;
32
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok 3. inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg; 4. sedimentatie en erosie zomer- en winterbed. 4.2.2.2 Resultaten Waterstandsdaling en opstuwing Maatgevend hoogwaterstanden op de as van de rivier: het grootste effect van de waterstanden op de rivier bij maatgevend hoogwater (MHW) treedt op bij de beperkte asverlegging bij Waaldijk 3 in Wolferen (op ca. 500 meter afstand van het plangebied van dit bestemmingsplan, in Overbetuwe). Hier treedt lokaal een waterstandsverlagend effect op van 1,9 mm op de as van de rivier. Bij ingrepen met een waterstandsverlagend effect ontstaat benedenstrooms van de waterstandsdaling in bijna alle gevallen een lokale opstuwing. Hier ontstaat een piek van 3,1 mm. Rijkswaterstaat kan als beheerder instemmen met dit effect als de oppervlakte van de verlaging veel groter is dan de oppervlakte van de verhoging. Dit is het geval bij de asverlegging bij Wolferen. Het oppervlak van de verlaging (in ieder geval merkbaar tot aan de Boven-Rijn) is groter dan de opstuwing. Ter plaatse van de andere buitenwaartse versterkingen is geen opstuwingseffect aanwezig door het waterstandsverlagend effect van de asverlegging bij Wolferen. Het waterstandseffect op de as van de rivier voldoet aan de eisen van het Rivierkundig BeoordelingsKader.
MHW buiten de as van de rivier: vlak naast de dijk bij de dijkverlegging bij Wolferen zijn lokaal grote waterstandsverschillen te zien. Vlakbij de dijk treedt het grootste waterdalende effect op van 3 cm. Voor wat betreft de waterstanden buiten de as van de rivier zijn de verschillen ten opzichte van de referentiesituatie zeer lokaal en relatief klein ten opzichte van de onzekerheden in de hoogtebepaling van de dijk.
Afvoerverdeling De Pannerdensche Kop is het punt waar de Boven-Rijn zich splitst in de Waal en het Pannerdensch Kanaal. Dit splitsingspunt is zo ingericht zodat een derde van het Boven-Rijnwater via het Pannerdensch Kanaal gaat en twee derde via de Waal. Een waterstandsverlaging op de Waal kan de verdeling beïnvloeden. Uit de rivierkundige beoordeling blijkt dat het waterstandsverschil bij MHW 0 cm is bij de Pannerdensche Kop. Ook bij normaal hoogwater verandert het stroombeeld nauwelijks. Uit de beoordeling komt naar voren dat er geen effecten zijn op de afvoerverdeling op het splitsingspunt.
Inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg De waterstandsverschillen zijn erg klein waardoor de inundatiefrequentie niet wijzigt. Bij lagere afvoeren heeft de dijkversterking geen invloed op het stroombeeld. Het stroombeeld verandert niet of nauwelijks op de normaallijnen (rand van de vaarweg) waardoor er geen verschillen te verwachten zijn met betrekking tot dwarsstroming.
Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed In de uiterwaard (winterbed) is het stroomsnelheidsverschil maximaal 0,1 m/s, specifiek bij de beperkte dijkverlegging bij Wolferen (buiten het plangebied van dit bestemmingsplan). De stroomsnelheidsverschillen zijn erg klein en bovendien zeer lokaal. Dit zal dus niet tot erosie of sedimentatie in de uiterwaard leiden. Er zijn geen stroomsnelheidsverschillen in het zomerbed. De dijkversterking heeft daarom ook geen invloed op de erosie en sedimentatiepatronen in het zomerbed.
4.2.2.3 Conclusie Vanuit het aspect rivierkunde zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Toelichting (ontwerp)
33
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Waterstandsdaling en opstuwing Hoewel er lokaal sprake van opstuwing, is de oppervlakte van de verlaging veel groter dan de oppervlakte van de verhoging. Netto is er sprake van een verlaging van de waterstand (tussen 0 en -5 cm).
Afvoerverdeling Er zijn geen effecten op de afvoerverdeling bij het splitsingspunt.
Inundatiefrequentie en stroombeeld uiterwaarden en stroombeeld vaarweg Er zijn geen veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie.
Sedimentatie en erosie zomer- en winterbed Er zijn geen veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie.
4.2.3
Grondwater
Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn twee situaties vanuit grondwater van belang: 1. lage grondwaterstand; 2. hoge grondwaterstand; Het is belangrijk dat de hoogte van het grondwater goed is. Door bewuste (of onbewuste) ingrepen kan een verscheidenheid aan effecten ontstaan. Een te hoge of te lage grondwaterstand kan voor problemen zorgen, zoals bodemdaling of uitdroging van het dijklichaam. Grondwater betreft, samen met het oppervlaktewater (paragraaf 4.2.4) het binnendijkse water. Rivierkunde (paragraaf 4.2.2) betreft het buitendijkse water.
4.2.3.1 Resultaten In het plangebied is er in de zomer een kwelstroom naar de rivier toe. Dit wordt ook wel wegzijging genoemd. In de winter is er een kwelstroom naar het binnendijkse gebied. Door barrièrewerking van de te plaatsen damwanden en schermen kunnen de kwel- en wegzijgingsstroom veranderen.
34
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 11 Berekende wijziging in grondwaterstand [m] binnendijks 25 m vanaf de binnenteen langs het dijktraject voor hoogwatersituatie (T=10).
Afbeelding 12 Berekende wijziging in kweldebiet [%] binnendijks 25 m vanaf de binnenteen langs het
Toelichting (ontwerp)
35
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok dijktraject voor hoogwatersituatie (T=10).
Afbeelding 13 Berekende wijziging in grondwaterstand [m] buitendijks 25 m vanaf de buitenteen langs het dijktraject voor laagwatersituatie (T=10).
Lage grondwaterstand De verlaging van de grondwaterstand in de zomer tijdens een laagwatersituatie is berekend op een gemiddelde van circa 5 cm. Dit is een conservatieve schatting die de bovengrens aangeeft. De verwachting is dat de werkelijke stijghoogteverlaging voor laagwater dat eens in de tien jaar voorkomt, in de orde van hooguit één tot enkele centimeters ligt. Deze wijzigingen zullen in de praktijk niet meetbaar zijn binnen de normale variaties in grondwaterstanden.
Hoge grondwaterstand Uit de berekeningen volgt dat door de constructies, tijdens een hoogwater dat eens in de tien jaar voorkomt, de stijghoogte binnendijks, gemiddeld circa 6 cm lager is dan in de een normale winter. Tijdens het hoogwater verandert de grondwaterstand niet. Door de sterke kwel in dit gebied staat het grondwater bij dit hoogwater zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie aan het maaiveld. Er wordt voor grondwater voldaan aan de Richtlijn Kwel-Wegzijging. De afname in kweldebiet (l/m3/s) binnendijks door een constructie is gemiddeld circa 6 % tijdens een hoogwatersituatie. Vanuit de Richtlijn Kwel-Wegzijging is hier een wijziging van minder dan 2% voor toegestaan. De effecten voor de omliggende functies zijn daarom nader beschouwd in het MER. Het MER is opgenomen als Bijlage 1 bij deze Toelichting, de afgeleide effecten zijn te vinden in paragraaf 6.7.1 van het MER.
36
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.2.3.2 Conclusie De effecten op het grondwater zijn klein en leiden niet tot effecten op de gebruiksfuncties. Vanuit het aspect grondwater zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.2.4
Oppervlaktewater
De dijkversterking vindt plaats naast het oppervlaktewaterlichaam Bovenrijn, Waal, in het deelstroomgebied Rijn West. Dit oppervlaktewaterlichaam is opgenomen in het nationale bestand Kaderrichtlijn Water (KRW) oppervlaktewaterlichamen. Het is wettelijk niet toegestaan dat een ingreep in of op de oevers van een KRW-oppervlaktewaterlichaam een negatief effect heeft op de waterkwaliteit. Oppervlaktewater betreft, samen met het grondwater (paragraaf 4.2.3) het binnendijkse water. Rivierkunde (paragraaf 4.2.2) betreft het buitendijkse water.
4.2.4.1 Toetsingskader De Waterwet vereist dat ingrepen getoetst worden op negatieve effecten, indien negatieve effecten worden vastgesteld dient hiervoor gecompenseerd te worden. Voor de toetsing van effecten op Rijkswateren heeft RWS het Toetsingskader Waterkwaliteit ontwikkeld. Dit toetsingskader is opgenomen in bijlage 5 van het Beheer en ontwikkelplan voor de Rijkswateren (BPRW 2016-2021). Het toetsingskader is in het najaar van 2019 vernieuwd en krijgt vanaf december 2021 via de vaststelling van de waterplannen/programma's een definitieve status. Vooruitlopend op deze vaststelling in 2021 is in overleg met RWS het vernieuwde toetsingskader doorlopen. Beoordeeld is of de waterkwaliteit nadelig beïnvloed wordt door de dijkversterking en of dit nadelig is voor de kwaliteitsdoelen die RWS heeft geformuleerd in haar toetsingskader Waterkwaliteit voor het oppervlaktewaterlichaam Bovenrijn, Waal.
4.2.4.2 Resultaten De dijkversterking vindt plaats naast het waterlichaam Bovenrijn, Waal in het deelstroomgebied Rijn West. In 2019 is aan de hand van concentraties van de zogenaamde 'prioritaire stoffen' de chemische kwaliteit van de Bovenrijn-Waal beoordeeld (RWS, 2020). Het totaaloordeel voor de chemische kwaliteit is slecht/voldoet niet. Naar verwachting blijft dat ook tot 2027 (doeljaar voor de KRW) zo. Er zijn geen technisch haalbare maatregelen bekend om voor 2027 de goede toestand voor chemische stoffen in dit waterlichaam te realiseren. Het gebruik (gebruiksfunctie) na de dijkversterking is niet anders dan in de referentiesituatie. De wijzigingen in het ontwerp in de uiterwaard hebben naar verwachting geen effect op uitspoeling van prioritaire stoffen. Er is daarmee ten opzichte van de referentiesituatie geen effect.
4.2.4.3 Conclusie Het gebruik (gebruiksfunctie) na de dijkversterking is niet anders dan in de referentiesituatie. De wijzigingen in het ontwerp in de uiterwaard hebben naar verwachting geen effect op uitspoeling van prioritaire mstoffen. De dijkversterking leidt daarmee niet tot een andere chemische toestand van het KRW-waterlichaam 'Bovenrijn, Waal'. Vanuit het aspect oppervlaktewater zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Toelichting (ontwerp)
37
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.3
Natuur
4.3.1
Natura 2000 - habitattypen
De dijk tussen Wolferen en Sprok wordt de komende jaren versterkt. Op bepaalde plekken met binnendijkse waarden bestaat de wens om de dijk buitenwaarts (naar de rivier toe) met grond te versterken. Versterking met grond betekent dat het ruimtebeslag van de dijk toeneemt. Bij het buitendijks versterken moet rekening gehouden worden met de regelgeving omtrent ruimtelijke bescherming van Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Ruimtelijke bescherming van natuur is wettelijk geregeld met de Wet natuurbescherming (Wnb) en beleidsmatig geregeld met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Achtereenvolgens gaat deze paragraaf in op: Natura 2000-gebieden; Gelders natuurnetwerk (Natuurnetwerk Nederland) en Groene Ontwikkelingszone; Beschermde soorten; Rode Lijstsoorten; Bomen en houtopstanden. In de planuitwerking zijn voor het project een Natuurtoets (Bijlage 2) en een Passende Beoordeling (Bijlage 3) opgesteld. Per deelthema wordt het toetsingskader, de (onderzoeks)resultaten en conclusie beschreven.
4.3.1.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb geldt dat een plan (een bestemmingsplan) alleen kan worden vastgesteld als met zekerheid blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast.
4.3.1.2 Beschrijving De uiterwaarden vormen de noordelijke begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken. Afbeelding 14 geeft de ligging van het projectgebied weer ten opzichte van de omliggende stedelijke en landelijke omgeving en het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De dijksecties zijn genummerd aangegeven voor aanduiding van locaties. Deelgebied ‘Gelderse Poort’ ligt ten oosten van Lent en is een Vogelrichtlijngebied en deelgebied ‘Uiterwaarden Waal’ ligt ten westen van Lent en is een Vogel- en Habitatrichtlijngebied. In de uiterwaarden liggen verschillende kleine en grotere kolken. Deze kolken zijn (deels) omgeven met bosschages of wilgenopstanden. In de uiterwaarden zelf zijn graslanden in agrarisch gebruik en natuurlijke graslanden met verschillende graden van ruigte. Verspreid komen bosschages voor. Het talud van de dijk bestaat uit natuurlijke graslanden. Direct naast de dijk ligt een onderhoudspad van circa vijf tot tien meter breed. Dit pad wordt frequent kort gemaaid. Ter hoogte van dijksecties 6 tot en met 10 ligt de Spiegelwaal, een nevengeul van de Waal. De uiterwaarden daar zijn tijdens aanleg van de nevengeul (tot 2016) opnieuw ingericht. Tevens zijn en worden de Oosterhoutse Waard en de Loenensche Waard opnieuw ingericht.
38
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 14 Ligging dijksecties ten opzichte van (een deel van) Natura 2000-gebied Rijntakken
Instandhoudingsdoelen In het aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken zijn 11 habitattypen, 11 habitatsoorten 12 broedvogelsoorten en 26 niet-broedvogelsoorten opgenomen waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. In de Passende beoordeling (Bijlage 3) is in bijlage 1 een tabel opgenomen waar de doelen specifiek zijn vermeldt.
Habitattypen Binnen het ruimtebeslag bij de dijksecties 1, 2, 3 en 4 liggen geen habitattypen. Het dichtstbijzijnde habitattype ligt op circa 30 meter van dijksectie 4: Slikkige rivieroevers (H3270). Andere habitattypen met een instandhoudingsdoel liggen op grotere afstand van het projectgebied meer naar het oosten en aan de zuidzijde van de Waal (zie afbeelding 15).
Toelichting (ontwerp)
39
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 15 Ligging habitattypen in Habitatrichtlijngebied nabij projectgebied (grijze delen betreffen het Habitatrichtlijngebied)
4.3.1.3 Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. Over de volledige lengte van de dijk bedraagt het permanente ruimtebeslag door het dijkontwerp 4,7 ha. Het permanente ruimtebeslag op Vogel- en Habitatrichtlijngebied (dijksecties 1 t/m 4) is 0,2 ha. Het permanente ruimtebeslag op Vogelrichtlijngebied (dijksecties 6 t/m 17) bedraagt 4,2 ha. Het ruimtebeslag in Natura 2000-gebied is meestal 0 tot 9 meter. Het is 12 tot 12,5 meter bij dijksecties 1 en 13 en maximaal 27 meter bij de kleine verlegging in dijksectie 17. Er is geen ruimtebeslag op habitattypen. Het tijdelijke ruimtebeslag op vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebied (dijksecties 1 t/m 4) is 1,9 ha. Het tijdelijke ruimtebeslag op vogelrichtlijngebied (dijksecties 6 t/m 17) bedraagt in totaal 15,6 ha. In dit tijdelijke ruimtebeslag zijn de werkwegen en de loslocaties, depots en toegangswegen samengenomen. Er is geen ruimtebeslag op habitattypen.
Vermesting en verzuring Uit de AERIUS-berekeningen met de meest recente versie van de AERIUS calculator (2020) blijkt dat door uitvoeringswerkzaamheden in veertignegen Natura 2000-gebieden een tijdelijke stikstofbelasting optreedt. Hiervoor zijn dezelfde inputgegevens gebruikt als eerder zijn gebruikt voor de AERIUS calculator (2019) van voor 15 oktober 2020. De hoogste bijdragen vinden plaats in de twee meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Rijntakken en de Veluwe. Tabel 3 geeft weer in welke gebieden er stikstofdepositie optreedt als gevolg van het dijkversterkingsproject en hoe groot de maximale bijdrage in een kalenderjaar is in dat Natura 2000-gebied.
40
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Natura 2000-gebied
Maximale stikstofdepositie (mol N/ha/jr.)
Rijntakken
12,83 3,98
Veluwe
0,11 0,04
Sint Jansberg
0,03 0,01
De Bruuk Landgoederen Brummen
0,03 0,01
Landgoederen Brummen De Bruuk
0,02 0,01
Binnenveld
0,02 0,01
Zeldersche Driessen
0,02 0,01
Kolland & Overlangbroek Maasduinen
0,02 0,01
Maasduinen Overige 32 Natura 2000-gebieden
0,01
Tabel 4 Stikstofdepositie per Natura 2000-gebied
Per gebied en per habitattype/leefgebied is een ecologische beoordeling van deze depositie uitgevoerd. Een gedetailleerde beschrijving hiervan staat in de Passende beoordeling (Bijlage 3). Daarin zijn ook maatregelen opgenomen die er voor zorgen dat de stikstofdepositie verder wordt teruggebracht. Op basis van de Passende beoordeling, de extra getroffen maatregelen en de behaalde reductie verleent Gedeputeerde Staten van Gelderland de vergunning Wnb. Samengevat blijkt dat de tijdelijke depositie (de maximale stikstofdepositie per jaar voor een duur van maximaal 4 jaar) op alle relevante gebieden en habitattypen/leefgebieden daarin geen negatieve effecten veroorzaakt. Globaal gezien komt dit doordat de bijdrage: te tijdelijk is voorom een verandering in vegetatiesamenstelling of structuur; voor de typische- en habitatsoorten de voedselbeschikbaarheid en/of de voortplantingsmogelijkheden niet negatief beïnvloedt; ruim binnen de meteorologische fluctuaties in stikstofdepositie valt; zeer gering is ten opzichte van aanwezige (natuurlijke) bronnen als ganzenpopulaties of aanspoeling via omgevingswater; en in bijna alle gebieden wordt weggenomen binnen het huidige beheer, zonder dat hiervoor additionele maatregelen of intensivering van het beheer dient plaats te vinden. De instandhouding van de beschermde waarden in alle relevante Natura 2000-gebieden komt niet in gevaar.
Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn daarmee uit te sluiten.
Verstoring Er is geen sprake van een negatief effect op typische soorten van habitattypen in Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen het type H3270 (slikkige rivieroevers) ligt binnen de verstoringscontour (zie volgend onderdeel: habitatsoorten). Dit type kent alleen vaatplanten als typische soorten.
4.3.1.4 Conclusie De dijkversterking leidt niet tot vernietiging, verzuring of vermesting van habitattypen. Er is geen effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect Natura 2000 - habitattypen zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Toelichting (ontwerp)
41
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.3.2
Natura 2000 - habitatsoorten
4.3.2.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb geldt dat een plan (een bestemmingsplan) alleen kan worden vastgesteld als met zekerheid blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast.
4.3.2.2 Beschrijving Sommige aangewezen soorten hebben leefgebied in de Waal, dit zijn zeeprik, rivierprik, elft, zalm en rivierdonderpad. Zeeprik, rivierprik, elft en zalm zijn qua leefgebied beperkt tot het zomerbed en de kribvakken van de Waal. Rivierdonderpad is niet gebonden aan de kribvakken en kan ook in wateren buiten de kribvakken en zomerbed voorkomen. Grote modderkruiper verspreidt zich via de Waal maar heeft daar vrijwel nooit leefgebied in. Wel in wateren aan de dijk (plassen, (dijk)sloten). Kleine modderkruiper, bittervoorn en kamsalamander hebben potentieel leefgebied in vergelijkbaar biotoop. Er zijn op meerdere locaties in het studiegebied bevers of beversporen waargenomen. Plassen met begroeide oevers met gras, kruiden en jong (wilgen)hout vormen leefgebied. Binnen de begrenzing van Habitatrichtlijngebied rondom het projectgebied bevindt zich geen bebouwing waar verblijfplaatsen van meervleermuis aanwezig kunnen zijn. Ook zijn er geen foeragerende individuen aangetroffen tijdens de vleermuisonderzoeken. Wel kan in potentie foerageergebied aanwezig zijn en kunnen meervleermuizen de dijk gebruiken als vliegroute. Meervleermuizen kunnen zowel buiten- als binnendijks boven plassen en kanalen/beken/sloten foerageren.
4.3.2.3 Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. De meeste Habitatrichtlijnsoorten binnen de Rijntakken zijn aan open water gebonden (rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, elft, zalm, kleine modderkruiper en bittervoorn). Binnen het permanente ruimtebeslag is geen open water aanwezig. Het ruimtebeslag is daarmee niet geschikt als leefgebied voor deze soorten binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. Binnen het permanente ruimtebeslag liggen de doelclusters droge graslanden, plas-drassituaties en vochtige ooibossen. De plas-drassituaties en de vochtige ooibossen kunnen leefgebied vormen voor de habitatsoorten bever, kamsalamander en grote modderkruiper. De doelclusters waaraan meervleermuis is gekoppeld zijn stilstaande wateren en rietmoeras. Deze typen zijn niet in het permanente aanwezig. Bever is aangetroffen op meerdere binnen en buitenwaartse locaties langs het projectgebied en ook is er verspreid leefgebied aanwezig. Er is geen sprake van vernietiging van essentieel leefgebied door het permanente ruimtebeslag. Kamsalamander is nabij het Habitatrichtlijngebied (1 t/m 4) niet aangetroffen. Ook is er geen leefgebied voor de soort aanwezig binnen het permanente ruimtebeslag daar. Kamsalamander is wel aanwezig in het Vogelrichtlijngebied en het naastgelegen binnendijkse gebied, nabij dijksectie 16 en 17.
Dit is buiten Natura 2000, maar is als normaal effect beoordeeld .vanuit externe werking. . Er is sprake van vernietiging van een klein oppervlak niet essentieel leefgebied binnendijks door het permanente ruimtebeslag, maar dit levert geen negatief effect op. Wel kan er sprake zijn van mortaliteit als het leefgebied verwijderd wordt, wat wel als een significant negatief effect beoordeeld is. Dit wordt volledig voorkomen door dit leefgebied niet in de winterperiode te verwijderen. Grote modderkruiper heeft potentieel geschikt habitat (plas-dras) binnen het permanente ruimtebeslag bij dijksectie 1. In de praktijk bestaat dit uit het strandje dat direct aan de Waal grenst. De Waal is een snelstromende rivier, met bij de oevers een zand- en/of steenoever. Er zijn geen modderlagen aanwezig. De Waal en het strandje zijn daarom bij deze dijksectie ongeschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Andere geschikte leefgebieden zijn binnen het ruimtebeslag niet aanwezig. Er is daarom
42
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok geen ruimtebeslag op leefgebied van de grote modderkruiper.
Verstoring Dijkverhoging De dijk wordt op enkele locaties verhoogd tot maximaal ongeveer 1,0 meter. Met een geluidmodel is berekend dat het geluidsniveau in het Vogel- en Habitatrichtlijngebied kan toenemen met maximaal 0,3 dB(A). Op locaties zonder verhoging is geen sprake van een verhoging van het geluidniveau in de gebruiksfase. Voor habitat- en vogelsoorten is echter pas sprake van een merkbare geluidstoename bij meer dan 1 dB. (Significant) negatieve effecten als gevolg een verhoging van de geluidbelasting door de verhogingen van de dijk zijn daarom uitgesloten.
Verlegging weg en dijk In totaal wordt op veertien locaties de weg verlegd. In basis zijn dit relatief kleine wijzigingen, parallel aan de huidige kruin van de dijk. Uitzondering daarop is de verlegging bij dijksectie 17. Alle kleine verleggingen liggen parallel aan de huidige kruin. Er treden daarom geen lichtverstoringeffecten op door afzwaaiende koplampen. Bij binnenwaartse verlegging van de as van de dijk treedt een positief effect op voor optische verstoring en geluidsverstoring: de afstand tot de weg op de dijk als verstoringsbron wordt groter. Bij buitenwaartse verlegging treedt het omgekeerde effect op. Omdat de totale lengte (en mate van verlegging in meters) waarop een verlegging naar binnen plaatsvindt groter is dan de buitenwaartse verleggingen, is er over het geheel genomen sprake van een afname van de invloed van aanwezigheid, licht en geluid in het Natura 2000-gebied. Er treedt zeker geen (significant) negatief effect op de Vogelen Habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling. Voor verstoring bij de verlegging in dijksectie 17 gelden dezelfde relevante effecten: verstoring door licht, verstoring door geluid en optische verstoring. In de huidige situatie is er al sprake van verkeer op de dijk.
Dit verkeer maakt ter hoogte van de verlegging een vergelijkbare draaiing als in de nieuwe situatie: vanuit het oosten bezien een flauwe afbuiging naar het zuiden, een wat scherpere afbuiging naar het noorden en vervolgens een afbuiging naar het westen. Doordat het verkeer over een lengte van 345 meter verder van het Natura 2000-gebied komt te liggen, treedt daardoor een positief effect op. Over een lengte van 100 meter komt het verkeer dichter op Natura 2000 gebied; daar treedt een negatief effect op. Door de grotere lengte en de grotere afstand van de binnenwaartse verlegging is het netto effect op verstoring door licht positief. Een (significant) negatief effect door lichtverstoring is hier dan ook uitgesloten.
Grote aanpassing op- en afritten Alleen bij dijksectie 17 vindt een substantiële aanpassing van de bestaande twee op- en afritten plaats. De westelijke oprit wijzigt niet qua oriëntatie, functie of gebruik. Bij de oostelijke oprit verandert de functie en het gebruik eveneens niet, maar de oriëntatie van de voertuigen die de dijk oprijden wel. Waar deze eerst min of meer parallel met de dijkweg lag, sluit die nu op een hoek van circa 30 graden aan. Dit geeft in potentie een zekere mate van toename in verstoring door afzwaaiende koplampen die over het Natura 2000-gebied schijnen. Echter, deze oprit wordt door landbouwvoertuigen gebruikt. Dit is niet intensief en bovendien vooral meer frequent in de zomerperiode waarbij door de langere daglichtperiode minder snel voertuigverlichting nodig is. Er is geen sprake van een negatief effect.
Verdroging Bij de dijkversterking worden damwanden geplaatst. Door barrièrewerking kan de kwelstroom naar het buitendijkse gebied in de zomer bij de dijksecties 6 t/m 17 afnemen, waardoor de kans op droogvallen van deze plassen en strangen toeneemt. Uit geohydrologische analyses blijkt dat in het overgrote deel van de uiterwaarden langs dijksecties 6 t/m 17 hooguit enkele centimeters verlaging van het grondwater wordt verwacht. De daling van de waterstand in de diverse plassen in de uiterwaard is nog eens een factor kleiner.
Toelichting (ontwerp)
43
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
De buitendijkse natuurwaarden buiten de poelen om zijn bestand tegen dergelijke veranderingen in de grondwaterstand. Droogtegevoelige habitats zoals moerassen en uitgestrekte rietvegetaties ontbreken. Alleen bij dijksectie 16a is sprake van een grotere buitendijkse verlaging van de grondwaterstand, waarschijnlijk in werkelijkheid tot 10 cm. Langs de dijk in dijksectie 16a is echter in de uiterwaard geen droogtegevoelige natuur aanwezig. Een (significant) negatief effect door verdroging op broed- en niet-broedvogels van Natura 2000-gebied Rijntakken wordt uitgesloten. Er is in het Natura 2000-gebied geen sprake van vernatting. Bij dijksectie 16b en 17 is leefgebied van kamsalamander aanwezig in de vorm van voortplantingspoelen en landbiotoop. Uit modellering blijkt dat de poelen nat blijven en dat de buitendijkse strang iets droger kan worden, maar de vegetatie zal niet veranderen. Bij het binnendijkse potentiële landhabitat ter hoogte van dijksectie 16b en 17 kan enige vernatting optreden. Het biotoop is hier echter in de huidige situatie al vrij nat, waardoor dit geen negatief effect oplevert. Een (significant) negatief effect op kamsalamander of het uitbreidingsdoel door verdroging is uitgesloten.
4.3.2.4 Conclusie De dijkversterking leidt mogelijk tot mortaliteit bij kamsalamander tijdens het verwijderen van niet essentieel leefgebied, dit is een significant negatief effect. Door mitigatie wordt een negatief effect volledig voorkomen. Er is geen sprake van andere effecten op andere habitatsoorten. Er is geen effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect Natura 2000 - habitatsoorten zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.3.3
Natura 2000 - vogelsoorten
4.3.3.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb geldt dat een plan (een bestemmingsplan) alleen kan worden vastgesteld als met zekerheid blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast.
4.3.3.2 Beschrijving Aanwezigheid potentieel biotoop Vogelrichtlijnsoorten - Broedvogels Het projectgebied omvat meerdere biotopen voor broedende vogelsoorten met een instandhoudingsdoel. Het gaat dan om broedvogelsoorten van water en moeras, moeras en riet, boomgroepen, (extensief) beheerde (vochtige) graslanden waaronder uiterwaarden en steile zandige wanden. Aalscholvers kunnen zowel in bomen als op de grond broeden nabij visrijke wateren. Dit biotoop is langs het projectgebied op verschillende plaatsen aanwezig. Voor dodaars, roerdomp en woudaapje is in het studiegebied geen optimaal broedbiotoop aanwezig. Dodaars is echter wel waargenomen met nest-indicerende gedragingen, voornamelijk ten oosten van dijksectie 1 en een paar ter hoogte van dijksecties 14 en 15. De soorten porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern en blauwborst zijn soorten die broedbiotoop hebben in onder andere gras- en rietland, met voorkeur voor natte gebieden. Voor deze soorten komt in meerdere of mindere mate geschikt broedbiotoop voor langs het gehele dijktraject. Het zwaartepunt van de waargenomen broedgevallen ligt buiten het projectgebied aan de oostzijde. IJsvogel en oeverzwaluw vinden langs het gehele dijktraject geschikt broedbiotoop, waarbij ze gebonden zijn aan steile oeverwanden, afgravingen of plekken tussen boomwortels.
Aanwezigheid potentieel biotoop Vogelrichtlijnsoorten - Niet-broedvogels De niet-broedvogelsoorten zijn viseters als fuut en aalscholver, graseters (diverse zwanen, ganzen en smient), andere watervogels (diverse eenden, wintertaling, pijlstaart, nonnetje en meerkoet) en verschillende weidevogelsoorten (scholekster, goudplevier, kemphaan, kievit, grutto, wulp en tureluur). De uiterwaardgebieden binnen het onderzoeksgebied hebben door de diversiteit aan biotopen functies
44
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok voor meerdere van deze soorten. Verreweg de meeste soorten komen langs het gehele dijktracé voor, alleen de goudplevier en de kemphaan zijn voornamelijk bij de oostelijke dijksecties waargenomen.
4.3.3.3 Effecten Oppervlakteverlies Door het permanente ruimtebeslag van de versterkte dijk treedt oppervlakteverlies op. Dit wordt hierna toegelicht. In dijksectie 17 wordt over een lengte van 445 meter de kruin van de dijk deels binnenwaarts en deels buitenwaarts verlegd. Het oppervlak dat buitendijks vrijkomt is circa 0,6 ha. Het oppervlak dat buitendijks in beslag wordt genomen is circa 0,22 ha. Netto komt er dus voor circa 0,38 ha aan potentieel leefgebied voor meerdere vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling vrij in de uiterwaard. Omdat dit extra leefgebied niet binnen de huidige begrenzing van Rijntakken ligt, is het potentiele positieve effect daarvan niet in de toetsing volgens de Wet natuurbescherming betrokken.
Oppervlakteverlies - Broedvogels Er is sprake van permanent ruimtebeslag in geschikt potentieel broedhabitat van kwartelkoning en broedhabitat van blauwborst. Het gaat voor kwartelkoning om 2,26 grazige vegetaties (extensief of agrarisch grasland) en pioniersvegetaties en ruigten in zo goed als alle dijksecties. Voor blauwborst gaat het om 0,09 ha struiken en struwelen en boomgroepen in rietland in de secties 8, 10 en 16. Het is potentieel geschikt broedhabitat voor kwartelkoning, omdat de vegetatie hier op korte termijn geschikt kan raken. Kwartelkoning is de afgelopen vijf jaar niet waargenomen in het ruimtebeslag van het dijkontwerpen in de omgeving daarvan. Het gaat dus om vernietiging van gebied dat in de toekomst mogelijk geschikt zou raken. Omdat kwartelkoning onder haar doelstelling zit en een uitbreidingsdoelstelling voor kwaliteit en oppervlak leefgebied heeft, leidt dit permanente verlies van potentieel broedhabitat tot een potentieel significant negatief effect. Dit effect is gemitigeerd door in de uiterwaard circa 10 ha voormalige agrarisch gebruikte en beheerde gronden voor kwartelkoning geschikt te maken en in de toekomst als leefgebied te blijven beheren. Deze gronden, waarop voorheen de bestemming Agrarisch met waarden - Uiterwaarden rustte, zijn in het bestemmingsplan in Overbetuwe bestemd als ‘Natuur’ (m.u.v.
Valburg, sectie L, nummer 1254, dit perceel is reeds bestemd als ‘Natuur’). Op onderstaande afbeelding zijn de percelen afgebeeld die voor mitigatie Natura 2000 worden ingezet (de afbeeldingen staan op volgorde van west naar oost).
Toelichting (ontwerp)
45
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 16 Percelen mitigatie Natura 2000
Voor blauwborst werkt het permanente ruimtebeslag door in een verlies van 9% van één territorium, wat als worst case is beoordeeld als verlies van een territorium voor 1 broedpaar. Omdat blauwborst met 260 broedparen ruim boven zijn instandhoudingsdoelstelling van 95 zit is uitgesloten dat er een significant negatief effect optreedt op de instandhoudingsdoelstelling. Wel is er sprake van een negatief effect. Dit negatieve effect wordt gemitigeerd door het biotoop te behouden. Voor de broedvogels dodaars, aalscholver, roerdomp, woudaap, ijsvogel, porseleinhoen, watersnip, zwarte stern, ijsvogel, oeverzwaluw en grote karekiet geldt dat er geen geschikt broedhabitat binnen het permanente of tijdelijke ruimtebeslag van het dijkontwerp is. (Significant) negatieve effecten als gevolg van het ruimtebeslag zijn daarom uitgesloten.
Oppervlakteverlies - niet-broedvogels Er is sprake van permanent ruimtebeslag in het geschikt leefgebied van niet-broedvogels. In de Passende beoordeling (Bijlage 3) is geanalyseerd of het ruimtebeslag een negatief effect heeft. Een samenvatting van de optredende effecten is weergegeven in tabel 5. Er is alleen sprake van ruimtebeslag op drie ganzensoorten, wat wel negatief tot gevolg heeft maar geen significant negatief effect, omdat de soorten boven hun doelstelling zitten. Omdat de soorten ruim boven hun instandhoudingdoel zitten, worden geen mitigerende maatregelen genomen.
46
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Soort
Dijkontwerp
Oppervlak
kolgans
negatief, niet significant
1,00 (8.31 kge; 8,31 individuen)
grauwe gans
negatief, niet significant
2,32 (17,55 kge; 13,82 individuen)
brandgans
negatief, niet significant
1,00 (1,29 kge; 1,69 individuen)
Tabel 5 Effecten door permanent ruimtebeslag op niet-broedvogels
Verstoring Voor de algemene beoordeling van verstoring van vogelsoorten door de dijkverhoging, de verlegging van de weg en dijk en grote aanpassingen van op- en afritten wordt verwezen naar de beoordeling van Natura 2000 - habitatsoorten.
4.3.3.4 Conclusie De dijkversterking leidt tot verlies van leefgebied voor de vogelsoorten kolgans, grauwe gans en brandgans. Er treden negatieve effecten op die niet significant zijn. Deze soorten zitten (ruim) boven de instandhoudingsdoelstelling, er hoeven geen mitigerende maatregelen te worden genomen. Vanuit het aspect Natura 2000 - vogelsoorten zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.3.4
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
4.3.4.1 Toetsingskader In Gelderland is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) uitgewerkt in het Gelders natuurnetwerk (GNN). Het GNN omvat daarmee hetzelfde als het NNN. In deze paragraaf is ervoor gekozen om de term GNN te hanteren. Het GNN is in planologisch opzicht vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN aantasten, kunnen alleen doorgang vinden als: sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en gecompenseerd. De gebiedsbescherming van het GNN volgt uit het Barro en uit het provinciale ruimtelijke beleid. Uit artikel 2.39 van de Omgevingsverordening Gelderland volgt ook dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk mag maken als er voldaan wordt aan de hierboven benoemde 3 punten.
4.3.4.2 Beschrijving De kernkwaliteiten van GNN- en GO-gebieden bestaan uit de algemene milieucondities en de gebiedspecifieke kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Voor het GNN zijn bovendien natuurtypen aangewezen. Deze natuurtypen en ontwikkelingsdoelen zijn criteria in de toetsing of aantasting van de kernkwaliteiten plaatsvindt. Tot de kernkwaliteiten behoren ook de milieucondities, die de voorwaarde vormen voor het voortbestaan van de natuur, de ecologische samenhang, de stilte, donkerte, de openheid en de rust. Het benoemen van de milieucondities als kernkwaliteit betekent dat nieuwe plannen en projecten geen verslechtering van de milieucondities mogen veroorzaken.
Natuurtypen (GNN) Kernkwaliteiten zijn voor GNN-gebieden in het Natuurbeheerplan 2020 ruimtelijk weergegeven door natuurtypen en ambitienatuurtypen. Afbeelding 17 laat deze zien voor de omgeving Lent, Oosterhout en Loenen, waar natuurtypen ter plaatse van het dijktraject aanwezig zijn. Toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Ter plaatse van het dijktraject zijn vooral de natuurtypen N01.03 Rivier- en moeraslandschap en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland aanwezig. Daarnaast zijn er in mindere mate verschillende andere natuurtypen aanwezig in het plangebied.
48
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Toelichting (ontwerp)
49
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 17 Natuurtypen bij dijkversterking Wolferen - Sprok
Gebiedspecifieke kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen GNN- en GO-gebieden onderscheiden zich door hun eigen kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Het plangebied heeft betrekking op de GNN- en GO-gebieden ‘58 Overbetuwe’ (ten noorden van de dijk), ‘157 Noordoever Waal Lent - Echteld’ (ten zuiden van de dijk) en ‘146 Gelderse Poort Zuid’ (aan de oostzijde van het plangebied). De Natuurtoets (Bijlage 2) beschrijft de kernkwaliteiten in meer detail.
4.3.4.3 Effecten Ruimtebeslag en compensatie natuurtypen Het ruimtebeslag leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN. Ontwikkelingsdoelen worden niet in de weg gestaan. Tabel 6 geeft het ruimtebeslag per natuurbeheertype, evenals de compensatieopgave. Bij het berekenen hiervan is rekening gehouden met de compensatietoeslagfactor die in de Omgevingsverordening Gelderland is aangegeven.
Natuurtype
Oppervlak Oppervlak Ontwikkel Compensatie Compensatie te te -tijd -toeslagfactor toeslag compenser compenser en (m2) en (ha)
Compensatieopgave incl. toeslag (ha)
N01.03 rivieren moeraslandsc hap (grasland)
68684
6,87
niet bepaald
geen
0,00
6,87
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
150671
15,07
5-25
1/3
5,02
20,09
N14.03 Haagbeukenen essenbos
1194
0,12
100+
geen
0,00
0,12
220548
22,06
totaal
27,08
Tabel 6 Te compenseren oppervlakte, compensatie toeslag en compensatie opgave per natuurbeheertype
N01.03 rivier- en moeraslandschap (grasland) wordt op de oorspronkelijke locatie gecompenseerd (teruggebracht). Voor de compensatie van N12.02 kruiden- en faunarijk grasland geldt dat dit na afloop van de werkzaamheden ook op het dijktalud gecompenseerd kan worden waar dit type verwijderd wordt.
50
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok De resterende opgave van 5,02 ha wordt gecompenseerd op GO-gronden die op overige dijktaluds liggen en grenzen aan bestaande kruiden- en faunarijke graslanden. Er is voor de compensatie van type N14.03 een perceel aangewezen in de gemeente Overbetuwe, bij het depot. Dit is geen GO, maar het perceel grenst aan een ander GNN-bostype en ligt zeer nabij het N14.03. In het bestemmingsplan 'Buitengebied, dijkversterking Wolferen-Sprok' in gemeente Overbetuwe is conform artikel 2.43 Omgevingsverordening Gelderland 2018 aan deze percelen de bestemming ‘Natuur’ toegekend met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - Natuurnetwerk Nederland’ (naast de percelen die reeds onderdeel zijn van het GNN). De voorwaardelijke verplichting tot het realiseren van de natuurcompensatie (artikel 2.45 Omgevingsverordening Gelderland 2018) dient in elk bestemmingsplan te worden opgenomen welke in het kader van de dijkversterking Wolferen-Sprok wordt opgesteld. Zodoende voorziet artikel 8.2 van dit bestemmingsplan (ook) in deze verplichting tot realisatie van de natuurcompensatie.
Afbeelding 18 Percelen compensatie GNN
Leefgebied Van bever wordt een hol ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door gebruik van een transportroute langs dijksectie 6 (Fort Beneden Lent). Het ongeschikt raken is een aantasting van het leefgebied. Er is geen sprake van een afname van de gunstige staat van instandhouding, het is niet nodig om de verblijfplaats te compenseren. De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag op het leefgebied van gewone dwergvleermuis. Bij Waaldijk 42/43 wordt een pand gesloopt waarin een paarverblijf aanwezig is. Ter compensatie van dit paarverblijf worden vier tijdelijke vleermuiskasten opgehangen. Deze blijven hangen tot er op het perceel een nieuw huis gebouwd wordt. Wanneer dit gebeurt, worden er vier permanente kasten voor vleermuizen ingebouwd in de gevel.
Toelichting (ontwerp)
51
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Mitigatie is voor enkele andere soorten nodig om aantasting van kernkwaliteit ‘alle door de flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebied’ te voorkomen, deze maatregelen zijn dezelfde als opgenomen voor de soortenbescherming in de Natuurtoets (Bijlage 2).
4.3.4.4 Conclusie De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag op natuurtypen (GNN, GO) en leefgebied van bever en gewone dwergvleermuis, en op beschermde soorten. Door compensatie is het effect op vleermuizen volledig weggenomen, voor bever hoeft niet gecompenseerd te worden. Er is wel sprake van negatieve effecten, maar er is geen aantasting van de kernkwaliteiten. Vanuit het aspect Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.3.5
Beschermde soorten
4.3.5.1 Toetsingskader Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: 1. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), 2. Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); 3. en ‘Andere soorten’ (artikel 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. Daarnaast geldt te allen tijde de algemene zorgplicht.
4.3.5.2 Beschrijving In en om de omgeving van het projectgebied zijn verschillende beschermde soorten aangetroffen. De beschermde soorten die in of nabij het studiegebied in de afgelopen zeven jaar zijn waargenomen, zijn opgenomen in tabel 7.
52
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Tabel 7 Soorten in en nabij het projectgebied in het kader van de Wet natuurbescherming soortenbescherming
Toelichting (ontwerp)
53
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.3.5.3 Effecten Van bever wordt een hol ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door gebruik van een transportroute langs dijksectie 6 (Fort Beneden Lent). Het ongeschikt raken is een aantasting van het leefgebied en hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. Er is geen sprake van een afname van de gunstige staat van instandhouding; het is niet nodig om de verblijfplaats te compenseren. Van gewone dwergvleermuis wordt door het ruimtebeslag van de dijkversterking een paarverblijf vernietigd door de sloop van de huizen op de percelen van Waaldijk 42/43. Het vernietigen van een verblijfplaats is aantasting van het leefgebied en hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd. De verblijfplaats wordt daarnaast ook gecompenseerd om aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. Aantasting van leefgebieden van overige door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten is uitgesloten of wordt voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen.
4.3.5.4 Conclusie De dijkversterking leidt tot ruimtebeslag en daarmee overtreding van verbodsbepalingen voor bever, gewone dwergvleermuis en diverse beschermde soorten. De compensatie voor de gewone dwergvleermuis zorgt voor het volledig wegnemen van het negatieve effect. Voor bever hoeft niet te worden gecompenseerd. Wel worden er mitigerende maatregelen genomen voor alle soorten. Het gaat uiteindelijk om ‘een geringe verslechtering van de functionaliteit van het leefgebied en instandhouding van de soort ten opzichte van de referentiesituatie voor één of meer soorten waarvoor waarschijnlijk een ontheffing verleend kan worden’. Vanuit het aspect beschermde soorten zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.3.6
Rode Lijstsoorten
4.3.6.1 Toetsingskader Een Rode Lijst bevat een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Rode lijsten hebben geen juridische status. Als een soort op de lijst komt, is deze niet automatisch beschermd. Daarvoor moet de soort worden aangewezen onder de Wnb. De Rode lijsten helpen daarbij.
4.3.6.2 Effecten Binnen het projectgebied zijn verschillende Rode Lijstsoorten aanwezig. Deze soorten kunnen negatieve effecten van de dijkversterking ondervinden door o.a. verstoring of vernietiging door ruimtebeslag. Rode Lijst soorten zijn echter niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. Effecten op Rode Lijst soorten die tevens beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en aanwezig zijn in het projectgebied zijn reeds in de effectbeoordeling beoordeeld. Dit betreft vooral de grondgebonden zoogdieren en de vogelsoorten. Wanneer deze soorten negatieve effecten door het voornemen ondervinden, worden deze voorkomen door mitigerende maatregelen, of wordt een ontheffing aangevraagd en worden compenserende maatregelen getroffen. Voor de soorten die niet onder de Wnb beschermd zijn maar wel negatieve effecten door de dijkversterking ondervinden zijn geen wettelijke maatregelen noodzakelijk. De mitigerende en compenserende maatregelen zijn dan ook niet gericht op deze soorten. Het is echter wel mogelijk dat ze profiteren van de maatregelen die genomen zullen worden in het kader van de Wnb. Hierdoor zullen zij minder of niet verstoord worden tijdens de aanlegfase.
54
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.3.6.3 Conclusie De effecten voor de Rode Lijstsoorten zijn gelijkwaardig aan die van de soortenbescherming. Vanuit het aspect Rode Lijstsoorten zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.3.7
Bomen en houtopstanden
4.3.7.1 Toetsingskader Onder de Wnb zijn houtopstanden beschermd. Dit betekent dat houtopstanden in principe niet gekapt mogen worden zonder een melding aan Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie (Wnb art. 4.2). Met ‘houtopstand’ wordt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen bedoeld. Houtopstanden conform de Wet natuurbescherming zijn enkel de houtopstanden die buiten de bebouwde kom staan (grens conform voormalige Boswet). De bomen binnen de bebouwde kom vallen onder het bevoegd gezag van de gemeente en hiervoor geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader. Omdat de Wnb alleen van toepassing is buiten de bebouwde kom, is van belang waar de gemeenten deze grens hebben vastgesteld. De gemeente Neder-Betuwe heeft tot op heden nog geen bebouwde kom Wnb houtopstanden vastgesteld. De worst-case aanname is dan dat de Wnb in de gehele gemeente geldt. Binnen het GNN en GO zijn bomen en houtopstanden die niet tot een natuurdoeltypen horen eveneens beschermd (Omgevingsverordening Gelderland 2018). 4.3.7.2 Effecten Uit de bomeninventarisatie en de landelijke en gemeentelijke regelgeving blijkt voor 7.640 m2 (0,76ha) houtopstand een melding of kapvergunningplicht met herplantplicht (één op één).