Bijlage 4 (a) - Dijkversterking Wolferen-Sprok Toelichting
Tekst van het document
Daarnaast wordt er in totaal voor 9.853 m2 (0,99ha) bomen gekapt die via het GNN en GO beschermd zijn, hiervoor geldt een herplantplicht met een toeslag van 66%. Houtopstanden kunnen een dubbele bescherming hebben waardoor ze zowel onder de Wnb als het GNN en GO beschermd zijn. Het is vanuit het oogpunt van dijkveiligheid niet mogelijk om de bomencompensatie van de boomvlakken uit te voeren op de locaties waar de bomen verwijderd worden. De onder GNN en GO beschreven compensatielocaties bevatten voldoende compensatieruimte voor de houtopstanden. Het gaat om soorten als schietwilg, zwarte els, populier en veldesdoorn met een ondergroei van vlier, grauwe wilg en sporkehout.
Gemeente Lingewaard In de gemeente Lingewaard wordt in totaal voor 1.815 m2 aan houtopstand gekapt. Voor 411 m2 wordt een melding in het kader van de Wnb gedaan bij Gedeputeerde Staten. Er worden geen bomen gekapt waarvoor een kapvergunningplicht geldt op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). 1.815 m2 van de houtopstanden die gekapt zullen worden vallen binnen het GNN en GO. In totaal wordt 3.013 m2 aan houtopstanden gecompenseerd voor bomen die gekapt worden binnen de gemeente Lingewaard. Dit betreffen de eerder beschreven bomen die vallen onder de Wnb, en bomen die binnen het GNN en GO vallen.
Gemeente Nijmegen In de gemeente Nijmegen wordt voor 1.302 m2 aan houtopstand gekapt, waarvoor een Wnb-melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten.Voor 1.450 m2 dient een kapvergunning aangevraagd te worden. De kapvergunning kan alleen door de eigenaar aangevraagd worden. Voor gemeentebomen kan er geen kapvergunning worden aangevraagd. 3.209 m2 van de te kappen houtopstand valt binnen het GNN en GO. In totaal moet er 6.777 m2 aan houtopstanden gecompenseerd worden voor bomen die gekapt
Toelichting (ontwerp)
55
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok worden binnen de gemeente Nijmegen.
Gemeente Overbetuwe In de gemeente Overbetuwe moet een Wnb-melding worden gedaan bij Gedeputeerde Staten voor 4.477 m2 aan houtopstand. Er worden geen bomen gekapt waarvoor een kapvergunningplicht geldt op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). 4.829 m2 van de houtopstanden die gekapt zullen worden vallen binnen het GNN en GO. Er moet in totaal 8.414 m2 aan houtopstanden gecompenseerd worden voor bomen die gekapt worden binnen de gemeente Overbetuwe.
Gemeente Neder-Betuwe Er worden geen bomen gekapt waarvoor sprake is van een meldingsplicht of kapvergunningplicht.
4.3.7.3 Conclusie Bij elkaar genomen wordt voor 7.640 m2 (0,76ha) aan melding of kapvergunningplichtige houtopstanden geveld. Daarnaast wordt in totaal voor 9.853 m2 (0,99ha) bomen gekapt die via het GNN en GO beschermd zijn. De totale oppervlaktes aan te kappen houtopstanden zijn niet optelbaar omdat er overlap is tussen de verschillende beschermingsregimes. In totaal dient er inclusief toeslag 18.204 m2 (1,82 ha) aan houtopstand gecompenseerd worden. Voor deze herplantopgave zijn 2 herplantlocaties aangewezen. De herplant wordt geregeld via een omgevingsvergunning kappen en een Wnb-melding houtopstanden. Vanuit het aspect bomen en houtopstanden zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.4
Luchtkwaliteit
De overheid draagt zorg voor een goede luchtkwaliteit en moet de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De luchtverontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk hierbij aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen uit de luchtkwaliteitsregelgeving. Bepaalde bestemmingen in (de omgeving van) een ruimtelijk plan kunnen (extra) gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Daarom moeten de effecten op de luchtkwaliteit beoordeeld worden die door de nieuwe planologische mogelijkheden van dit bestemmingsplan worden geboden. Dit volgt enerzijds uit luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) en anderzijds is de 'goede ruimtelijke ordening' een randvoorwaarde. Er moet sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. 4.4.1
Toetsingskader
De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 ìg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.
56
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.4.2
Resultaten
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase (tijdelijke effecten) en de gebruiksfase (definitieve effecten). In dit dijkversterkingsproject is voor luchtkwaliteit enkel het aspect verkeer relevant. In de regel is het van belang om na te gaan of de realisatie van het project gevolgen heeft voor de hoeveelheid (motorisch) verkeer in het projectgebied en dientengevolge voor de luchtconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het aantal verkeersbewegingen blijft in de nieuwe gebruiksfase gelijk aan de huidige situatie (de autonome verkeersgroei buiten beschouwing latende). De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de luchtkwaliteit in de gebruiksfase. Tijdelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit vinden wel plaats in de aanlegfase van het project door transport en uitvoering van grondwerkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden grootschalig van aard zijn, kan redelijkerwijs verwacht worden dat de belasting lokaal beperkt is. Door de fasering van werkzaamheden en omdat de werkzaamheden zich verplaatsen over het totale dijktraject is de belasting lokaal beperkt en slechts van tijdelijke aard. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het voornemen realiseerbaar is binnen de luchtkwaliteitseisen uit de Wet Milieubeheer.
4.4.3
Conclusie
De dijkversterking zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in de Wet milieubeheer. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.5
Bodem
In verband met de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen beïnvloed en of er daardoor gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's ontstaan. Bij een overschrijding van de interventiewaarde van een bepaalde stof spreekt men van een sterke verontreiniging. Het overschrijden van de interventiewaarde betekent dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant hier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Door het verwijderen of beheren van eventueel aanwezige verontreinigingen, nemen de (risico's van) verontreinigingen in het gebied af, zodat de veiligheid en gezondheid van uitvoerders van grondwerkzaamheden wordt gewaarborgd. Als gevolg van de sanering verbetert de bodemkwaliteit in het gebied. Dit geldt zowel voor de diffuse kwaliteit in het gebied, als voor aanwezige verontreinigingen met een duidelijke bron. Buitendijks is formeel sprake van waterbodem. Als sterk verontreinigde waterbodem aanwezig is, dan moet deze grond bij ingrepen (bijvoorbeeld klei-ingraving) te worden afgevoerd. Ook hiervoor geldt dat verwijdering van de sterk verontreinigde grond leidt tot een verbetering van de waterbodemkwaliteit in het gebied.
De kwaliteit van de te ontgraven grond bepaalt in belangrijke mate de hergebruikmogelijkheden van de vrijgekomen grond. Binnen het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) gaat men uit van het stand-still-principe, waarbij (op gebiedsniveau) geen achteruitgang mag plaatsvinden van de gebiedseigen bodemkwaliteit. De toe te passen grond moet minimaal dezelfde kwaliteit bevatten als de reeds aanwezige grond (ontgravingsklasse). In 2019 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de actuele bodemkwaliteit van zowel de landbodem als de waterbodem binnen het plangebied. In aanvulling hierop is een apart onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit onder het wegtracé.
Toelichting (ontwerp)
57
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.5.1
Toetsingskader
In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
4.5.2
Resultaten
In deze paragraaf worden de resultaten uit het MER kort samengevat voor de bodemkwaliteit van het dijklichaam, de landbodem, de waterbodem (incl. PFAS) en het wegtracé.
4.5.2.1 Bodemopbouw dijklichaam De bodemopbouw van het dijklichaam bestaat tot de maximale boordiepte van 2,25 m-mv voornamelijk uit klei, met plaatselijk lagen zand. Tijdens het veldwerk zijn plaatselijk laagjes zand (in kleigrond), brokken klei (in zandgrond), grind, schelp en/of roesthoudende materialen aangetroffen. Tijdens het veldwerk zijn zeer plaatselijk (bodemvreemde) bijmengingen aangetroffen, zoals puin, kolengruis, bakstenen en metselpuin. De hoeveelheden puin op de onderzochte boorpunten zijn zeer minimaal. Er is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
4.5.2.2 Landbodem Neder-Betuwe Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat binnen de gemeente Neder-Betuwe geen sterke verontreinigingen voorkomen met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie. Dit geldt voor zowel boven- als ondergrond. Ook zijn er geen verhoogde gehalten aan nikkel waargenomen. Naast deze interventiewaarde-overschrijdingen zijn er ook geen tussenwaarde-overschrijdingen in Neder-Betuwe. De landbodem binnen Neder-Betuwe is ingedeeld in de klasse AW2000 (achtergrondwaarde). Grond in de klasse AW2000 is vrij toepasbaar en heeft dus geen beperkingen voor de hergebruiksmogelijkheden.
4.5.2.3 Waterbodem Voor de waterbodem geldt een variabele kwaliteit van het sediment (baggerspecie). In Neder-Betuwe is zowel de boven- als ondergrond van de waterbodem binnen het plangebied ingedeeld in klasse A en B. Er is geen grond geklassificeerd als 'Niet toepasbaar'. Indien er in Neder-Betuwe sprake is van een 'grootschalige bodemingreep' dan dient uitloogonderzoek plaats te vinden op verschillende metalen bij grond ingedeeld in klasse B. Als de grond wordt hergebruikt binnen het project, is er geen aanvullende onderzoeksplicht.
PFAS in de waterbodem Over gedeelte van de dijk binnen Neder-Betuwe is de bovengrond belast met PFAS tot gehalten boven de 3,0 µg/kg d.s. Hierdoor zijn er vanwege PFAS gebruiksbeperkingen voor grondverzet. Vrijkomende grond moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. De ondergrond binnen Neder-Betuwe is niet belast met PFAS.
58
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.5.2.4 Wegtracé De grond onder het wegtracé is op enkele locaties sterk verontreinigd met PAK en in enkele gevallen hiervoor ook met minerale olie. De bodemkwaliteit leidt op deze locaties tot de klasse 'Niet toepasbaar'. Ook voor kobalt zijn verhoogde waarden aangetroffen. Uit het asfaltonderzoek bleek dat in de fundering van de weg een teerhoudende laag aanwezig is. Het asfalt bevat geen teer. Bij verkennend bodemonderzoek naar de fundering is geen asbest aangetroffen.
4.5.3
Conclusie
De werkzaamheden leiden tot een verbetering van de bodemkwaliteit op delen waar grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden en waar de grond door verontreiniging moet worden afgevoerd/gesaneerd vanwege PFAS. Bij het inslaan van damwanden is de invloed op de (water)bodemkwaliteit verwaarloosbaar. Mocht er hier wel een sleuf worden gegraven, dan heeft dat wel positieve invloed op de bodemkwaliteit. Het is aannemelijk dat (diffuse) bodemkwaliteit door de dijkversterking zal verbeteren. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. De PFAS-houdende grond zal worden gesaneerd.
4.6
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving. Daarnaast dient inzicht te zijn verkregen wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.
4.6.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.
4.6.2
Resultaten
Het landschap rond het onderzoeksgebied is ontstaan tijdens de huidige geologische periode (het holoceen, vanaf 10.000 jaar geleden) en is beïnvloed door de verschillende Rijntakken. Vrijwel het gehele plangebied bevindt zich op stroomgordelafzettingen. Over het algemeen is binnendijks sprake van oeverafzettingen over beddingafzettingen. Ook zijn er crevasse- en dijkdoorbraakafzettingen gevonden. Veldonderzoek wijst uit dat in de buitendijkse delen er sprake is van een dun pakket (vaak verstoorde) uiterwaardafzettingen over oudere oever- en beddingafzettingen. Het rivierenlandschap is voortdurend veranderd en heeft hierdoor een grote invloed gehad op de keuze voor bewoningslocaties. Vooral de hogere delen in het landschap, zoals pleistocene terrasresten, rivierduinen, oevers van rivieren en verlaten stroomgordels, hadden de voorkeur als nederzettingslocatie.
Toelichting (ontwerp)
59
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
In de zone van dijksectie 9 tot en met 13 (gemeente Overbetuwe en Nijmegen) zijn binnen en op de grens van het huidige plangebied vijf archeologische vondstmeldingen of complexen bekend. Daarnaast liggen er verschillende historische objecten in het plangebied , met daarbij lijnobjecten en vlakken die een relatie met de Tweede Wereldoorlog hebben. Verder zijn er 16 vindplaatsen aangetroffen en begrensd. Naast individuele huisplaatsen, kasteelterreinen en redoutes zijn er zowel aanwijzingen gevonden voor kleinere als grotere archeologische nederzettingen. Daarnaast laten delen van het plangebied een dusdanig intact bodemprofiel zien, in combinatie met een hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek, dat ook hier in het verkennend booronderzoek een hoge archeologische verwachting aan toe is gekend. De delen van het plangebied waarin sprake is van verstoring van het bodemprofiel is in het onderzoek een lage archeologische verwachting toegekend (zie onderstaande afbeelding).
Afbeelding 19 Resultaat verkennend booronderzoek
4.6.3
Effecten
Door het afgraven van de bodem kunnen archeologische sporen en resten verdwijnen. Het betreft een groot deel van het binnendijkse plangebied. Het ontwerp gaat al uit van zo min mogelijk ontgraven, waardoor de resterende (mogelijke) vernietiging niet is uit te sluiten. Het ontwerp en de realisatie voorzien in het doorlopen van de archeologische onderzoekscyclus. Op deze wijze worden sporen gedocumenteerd en eventuele vondsten buiten de bodem behouden (ex situ behoud). Er zijn weinig slappe lagen aanwezig, waardoor verstoring van de sporen in de bodem door het ophogen met het dijklichaam vermoedelijk niet optreedt. Door het plaatsen van damwanden verstoort lokaal de ondergrond. Echter zal het onderzoeken van deze locaties een groter oppervlak verstoren dan het plaatsen van de damwanden zelf. Alleen ondiep of bij het graven van een sleuf voor het plaatsen van een damwand is onderzoek mogelijk.
60
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Vervolgonderzoek Het verkennend onderzoek adviseert proefsleuvenonderzoek uit te voeren voor de vindplaatsen en de delen met een hoge archeologische verwachting waar ingrepen gepland zijn. Proefsleuvenonderzoek is gepland voor zomer 2020. Voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek worden programma's van eisen (PvE) opgesteld. Binnen een groot deel van het plangebied – vooral rond Lent - worden sporen uit de Tweede Wereldoorlog verwacht, van schuttersputten tot loopgraven en stellingen. Een belangrijk deel hiervan zal worden aangesneden binnen de zones waarvoor al proefsleuven worden geadviseerd. Voor de overige elementen uit WOII wordt hier geen nader vervolgonderzoek geadviseerd, omdat een specifieke onderzoeksvraag ontbreekt. Als het bevoegd gezag specifieke onderzoeksvragen heeft bij een locatie, of als de uit te voeren proefsleuven daartoe aanleiding geven, kan een uitbreiding van het vervolgonderzoek een mogelijkheid zijn. Op één locatie in de Loenense Buitenpolder, buitendijks van vindplaats 10, zal een zogenaamd beverscherm worden geplaatst in een zone met een hoge verwachting. Hier wordt geadviseerd de graafwerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Begeleiding heeft hier de voorkeur boven een proefsleuvenonderzoek, omdat de voor het beverscherm te graven sleuf zich zeer dicht langs open water bevindt.
Dit maakt het graven van een proefsleuf technisch onuitvoerbaar. Voor de vindplaatsen op en nabij de kasteelterreinen van de huizen Oosterhout en Wolferen is het wenselijk om met geofysisch onderzoek zicht te krijgen op de locatie en omvang van het gehele kasteelterrein om context te bieden aan eventuele sporen binnen het plangebied. Dit onderzoek wordt voorafgaande aan het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Voor de deelgebieden met een lage archeologische verwachting wordt geadviseerd deze vrij te geven. Binnen de (overwegend) buitendijkse zones met een hoge archeologische verwachting waar geen ingrepen gepland zijn, hoeft op basis van de huidige plannen geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Hier heeft geen booronderzoek plaatsgevonden. Bij eventuele aanpassing van de plannen waardoor deze zones alsnog bedreigd worden, wordt geadviseerd hier ook verkennend booronderzoek te laten uitvoeren. Het doorlopen van de cyclus voor archeologische monumentenzorg is een voorwaarde voor de latere omgevingsvergunning. Elke stap of fase eindigt met een afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. Bovenstaande maatregelen vormen een advies, het bevoegde gezag neemt een besluit.
4.6.4
Conclusie
De mogelijke doorsnijding van middelhoge tot hoge (verwachtings)waarden bedraagt meer dan 1 ha. In het MER wordt dit grote ruimtebeslag beoordeeld als 'zeer negatief'. Na het toepassen van de compenserende maatregel om eventuele waarden op te graven en sporen te documenteren, is in ieder geval behoud ex situ (buiten de vindplaats) gegarandeerd. Omdat behoud in situ (op locatie zelf) naar verwachting niet mogelijk blijkt, blijft er een negatieve effect. In dit bestemmingsplan is/zijn geen archeologische dubbelbestemming(en) opgenomen. Dat heeft ermee te maken dat dit bestemmingsplan enkel de bescherming van het waterstaatswerk regelt. Onderhavig bestemmingsplan vervangt niet de andere bestemmingsplannen die op locatie gelden. Dat betekent dat de archeologische dubbelbestemmingen die zijn opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen, blijven gelden. De bescherming van de aanwezige archeologische waarden is daarmee (reeds) planologisch geregeld. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Toelichting (ontwerp)
61
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.7
Erfgoed
Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten, met als doel cultuurhistorische belangen mee te laten wegen in ruimtelijke planvorming.
4.7.1
Toetsingskader
Voor gebouwd erfgoed geldt een wettelijke bescherming vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Er geldt een vergunningplicht voor het afbreken, verstoren, verplaatsen, in enig opzicht wijzigen of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd gebouwd monument op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (artikel 2.1, 1e lid, onder f van de Wabo).
4.7.2
Resultaten
4.7.2.1 Historisch-geografische structuren, ensembles en elementen Dijklichaam Het dijklichaam is een belangrijke historisch-geografische structuur in het projectgebied. De dijk heeft een hoge belevingswaarde: over een lange strekking is het een hoog punt in het landschap, met een continu profiel, goed zichtbaar en herkenbaar in een afwisselend rivierenlandschap. De slingerende ligging herinnert aan oude dijkdoorbraken. De fysieke kwaliteit van de dijk is ook hoog. In grote delen van de dijk is vermoedelijk de historische opbouw nog aanwezig, de dijk is gaaf en geconserveerd. De dijk heeft een hoge inhoudelijke kwaliteit door de samenhang met de ontstaansgeschiedenis van het landschap vanaf de middeleeuwen, ontwikkeling door de tijd en de strijd tegen het water. De dijkversterking verandert het dijklichaam. Bij het toepassen van een constructie blijft de hoofdvorm van de dijk overheersen. Een nieuwe (binnen)berm beïnvloedt de belevingswaarde van de dijk over het algemeen negatief, omdat hierdoor de hoofdvorm van de dijk minder duidelijk is. Op tracés met voldoende ruimte loopt bij de dijkversterking Wolferen-Sprok, om de hoofdvorm te behouden, de binnenberm heel geleidelijk af. Op de berm loopt het gebruik van de naastliggende percelen door tot aan het raster naast de beheer- en onderhoudsstrook. Er is medegebruik op de berm.
Dit leidt tot het gevoel dat het landschap doorloopt tot de 'dijk' (het hoofdlichaam). De landschappelijk ingepaste binnenberm op het dijktraject Wolferen-Sprok is hiermee onopvallender dan gebruikelijk. Door het uitgangspunt dat het Waaldijkprofiel (zie ook paragraaf 4.8) wordt toegepast, blijft de kenmerkende, relatief smalle kruin van het dijklichaam gewaarborgd over het hele tracé. De dijk heeft hiermee een continue uitstraling over het hele traject.
62
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 20 Bovengrondse cultuurhistorische waarden
Het huidige dijklichaam wordt zoveel mogelijk op de huidige locatie in standgehouden, waardoor de fysieke kwaliteit gelijk blijft. Over het algemeen wordt bij aanpassingen de huidige leeflaag verwijderd. Dit heeft geen grote gevolgen voor de historische lagen in de dijk. Op bepaalde locaties wordt het huidige dijklichaam verder afgegraven, zoals bij de dijkverlegging bij Wolferen. Hier wordt de historische opbouw aangetast. De inhoudelijke kwaliteit blijft hoog. De dijk behoudt zijn functie en samenhang.
Paden, dwarskaden en kwelkaden Door het hele projectgebied worden verschillende historische dwarskades en wegen die dwars op de dijk liggen verkort en aangepast bij de aansluiting. De functionele aansluiting op de dijk blijft behouden. Voldoende lengte van de structuren blijft over, zodat deze niet in waarde verliezen door de dijkversterking. Binnen het plangebied (buiten de landgoederen) zijn op het Actueel Hoogtebestand geen kwelkaden zichtbaar, behalve een enkele die binnen het ruimtebeslag van de dijkversterking al door een eerdere dijkversterking is ondergewerkt.
Kolken Het ontwerp van de dijkversterking is aangepast om ruimtebeslag op de tien langs de dijk aanwezige kolken te voorkomen. De zichtbaarheid van de kolken blijft intact, de gaafheid blijft, en de samenhang met de dijk en de strijd tegen het water blijft bestaan. Daarmee is er geen effect op de beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteiten van de kolken zelf. Wat wel verandert, is het mogelijk verdwijnen van de struiken langs de oever van sommige kolken (zie hiervoor ook paragraaf 6.9 van het MER).
Historisch groen
Toelichting (ontwerp)
63
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Er staan negen monumentale bomen, waarvan één in de gemeente Neder-Betuwe (Waalbandijk 131 Dodewaard) nabij het fysieke ruimtebeslag voor de dijkversterking. Het ruimtebeslag van de dijkversterking is echter zo aangepast, dat de bomen in het ontwerp behouden blijven. In de werkruimte is hier ook rekening mee gehouden. Er worden daarmee geen effecten verwacht op de bomen, zodat de kwaliteiten blijven bestaan. In het ontwerp is rekening gehouden met de levensvatbaarheid van de bomen met de werkzaamheden in de nabijheid.
4.7.2.2 Historische (steden)bouwk undige ensembles en elementen Binnen het maximale ruimtebeslag van de dijkversterking liggen verschillende gebouwde monumenten. Eén Rijksmonument ligt binnen de gemeente Neder-Betuwe.
Vale Dries Aan de Waalbandijk 131 te Dodewaard staat een rijksmonument, de boerderij 'Vale Dries' uit 1877. Het hoofdgebouw heeft invloeden van het neoclassicisme, zoals een smeedijzeren hekwerk. Het is van architectuurhistorische waarde doordat de boerderij een voorbeeld is van esthetische kwaliteiten van het in- en exterieur, gave verhoudingen en een bijzondere detaillering in vormgeving en materiaalgebruik. De boerderij is van stedenbouwkundige waarde als herkenbaar onderdeel van de historisch gegroeide bebouwing langs de dijk waarbij de ligging in het landschappelijk rivierengebied een beeldbepalende rol speelt. Ook de herkenbaarheid als boerderij is nog duidelijk aanwezig. Het smeedijzeren hekwerk valt binnen de bescherming maar de tuin en schuren vallen daarbuiten. Aan het einde van de verkenning is hier gekozen voor een maatwerkoplossing met als basis een grondoplossing en behoud van het monument. Bij de planuitwerking bleek voor behoud van het erf toch een constructie nodig te zijn. Het grondlichaam van de dijk wordt vanaf het smeedijzeren hekwerk met ongeveer 0,97 m opgehoogd en verbreed naar buiten. Vanwege de beperkte ruimte ligt de constructie in de huidige kruin van de dijk. Ondanks de relatief grote ophoging is er geen effect op het monument, omdat de dijk naar buiten toe wordt verbreed.
De weg komt daarmee verder van het monument te liggen, wat visueel een gunstig effect heeft. Er is geen ruimtebeslag en beperkte visuele verandering. Er is geen gevolg voor de beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit.
4.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect erfgoed zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.7.3.1 Historisch-geografische structuren, ensembles en elementen De effecten op de dijk als historisch element zijn beperkt doordat het Waal(ban)dijkprofiel nog steeds herkenbaar is. Veel historische elementen zoals kolken en historisch groen blijven behouden en veel belangrijke structuren zijn nog steeds herkenbaar.
4.7.3.2 Historische (steden)bouwk undige ensembles en elementen De dijkversterking heeft voor het aanwezige Rijksmonument geen gevolgen. Het ruimtebeslag is geoptimaliseerd en er is geen sprake van het verdwijnen gebouwde monumenten. Nader onderzoek naar aantasting van het rijksmonument is niet noodzakelijk.
64
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.8
Landschappelijke inpassing / belevingswaarde
De Waal is een van de grootste en breedste rivieren van Nederland. Hij wordt gevoed door de Rijn, welke bij het Pannerdensch Kanaal vertakt in de Neder-Rijn en de Waal. De Waal is een echte 'werkrivier' met veel scheepvaart, watergebonden bedrijvigheid, steenfabrieken, scheepswerven etc. Op een aantal plaatsen reiken de steden tot aan het water met kenmerkende rivierfronten (bv. Nijmegen). Het rivierenlandschap van de Waal kent in haar dwarsprofiel overal dezelfde, herkenbare opbouw: de rivier, de uiterwaarden (het winterbed), de dijk, het bebouwde oeverwallenlandschap en de open komgronden daarachter. In 2017 is het Ruimtelijk Kwaliteitskader Wolferen Sprok opgesteld. Vervolgens is dit kader vertaald in uitgangspunten en leidende ontwerpprincipes. Hierbij is het technisch- en landschappelijk ontwerp van de dijk in samenhang beschouwd en dit heeft geleid tot een ruimtelijke visie (zie paragraaf 4.8.1) voor de dijkversterking Wolferen Sprok. De ruimtelijke visie sluit aan op: het visie document Panorama Waal (Waterschap Rivierenland en Provincie Gelderland, 2019); de ontwerpuitgangspunten van andere Waaldijk projecten (o.a. de handreiking Ruimtelijke Kwaliteit Gorinchem – Waardenburg (Waterschap Rivierenland en H+N+S, 2015 en de verantwoordingsrapportage Hagesteijn - Opheusden, H+N+S 2017). 4.8.1
Ruimtelijke visie
De ruimtelijke visie voor Wolferen-Sprok (versie 2.0 d.d. 19 december 2019) beschrijft acht uitgangspunten voor de ontwerpopgave voor dijkverbetering. Deze volgen elkaar op in volgorde waarbij het belang verschuift van hoofdontwerpprincipe naar details. De acht uitgangspunten zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
het huidige dijktracé vormt de basis; de dijk is groen; de 'hoofdvorm' van de dijk oogt compact (dwarsprofiel) en continu (lengteprofiel); het landschap van de dijkzone is afwisselend en 'raakt de dijk'; behoud en versterking van beplanting, begroeiing en natuur; voortbouwen op cultuurhistorie; maatwerk en meekoppeling lokale ambities; kansen na de dijkverbetering.
Voor de ruimtelijke visie zijn deze uitgangspunten vertaald naar de volgende hoofdpunten voor het doorontwerp: de dijkverbetering vindt plaats aan, of in directe omgeving van de bestaande dijk; voor dijkverbetering benodigde extra ruimte wordt in eerste instantie aan de binnendijkse zijde gezocht; wanneer er binnendijks onvoldoende ruimte is kan er lokaal rivierwaartse versterking plaatsvinden met een zo beperkt mogelijk ruimtebeslag; de noodzakelijke kleine verschuivingen in het dijktracé kennen een geleidelijk verloop en/of zijn gebaseerd op duidelijke landschappelijke aanleidingen; het huidige lengteprofiel inclusief karakteristieke bochten worden hierdoor behouden en waar mogelijk versterkt. hierbij wordt ook gekeken naar herstel van 'fouten' uit voorgaande dijkverbeteringen; behoud van de continuïteit van het verloop van de weg op de dijk krijgt extra aandacht, met name bij bebouwing.
Toelichting (ontwerp)
65
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.8.2
Resultaten
Bij een dijkversterking kan de belevingswaarde van de dijk zelf veranderen door veranderingen in het aanzicht (profiel, materiaal). Het uitzicht op en vanaf de dijk kan wijzigen doordat de directe omgeving van de dijk onderdeel gaat uitmaken van de waterkering. Het gebruik kan hierdoor veranderen, en daardoor de beleving. Het in 2016 uitgevoerde belevingswaardenonderzoek (Bureau Stroom, 2016) is de basis voor de effectbeoordeling van belevingswaarde. Door zijn hoge ligging in het landschap is de dijk de perfecte plek om te genieten van het weidse en afwisselende uitzicht. Een uitzicht dat door de kenmerkende kronkels ook nog regelmatig verrassingen biedt. De Waal wordt vooral beleefd als onderdeel van het uitzicht vanaf de dijk, met de schepen die erop varen, de meanders en het levendige water. Mensen genieten niet alleen van de omgeving vanaf de dijk, maar trekken ook graag met de fiets of te voet de uiterwaarden en het binnendijkse gebied in, waarvoor de aanwezigheid van wandel- en fietspaden erg belangrijk is. De dijkversterking heeft in de open gebieden (zonder kolken, bebouwing en bossen) relatief groot ruimtebeslag. Door de binnendijkse berm verandert het aanzicht vanaf de dijk op de binnendijkse gebieden. Op een beheerzone na, blijft het huidige landgebruik op de berm echter mogelijk. Waar bomenrijen worden gekapt, worden deze teruggebracht op de berm.
Daarmee is de invloed binnendijks in de open gebieden beperkt. Rondom enkele kolken worden bomen gekapt. Enerzijds verdwijnt het kenmerkende blauw met groen, maar anderzijds verbetert het zicht op de kolk. Naar verwachting komt de (wilgen)opslag relatief snel weer terug. Bij kenmerkende objecten als kolken, bebouwing met tuinen, bossen en landgoederen is waar nodig een constructie toegepast. De dijk wordt hier vaak wel iets hoger en iets breder, maar de objecten blijven behouden.
Afbeelding 21 Belevingswaarde langs de dijk (Bureau Stroom, 2016)
Binnen de gemeente Neder-Betuwe is er geen bijzondere locatie welke aanvullend is beschouwd voor invloed op de belevingswaarde. De locaties die wel nader bekeken zijn, zijn de bossen bij de landgoederen (Loenen, gemeente Overbetuwe en Oosterhout, gemeente Nijmegen), de bomen bij de Klipstraat in Andelst (gemeente Overbetuwe) en de asverlegging van de dijk bij Wolferen (ca. 500 meter gelegen van het plangebied van dit bestemmingsplan). Voor deze laatste geldt dat de asverlegging wordt gedaan met aandacht voor de kronkeligheid van het tracé. Hiermee wordt de belevingswaarde niet aangetast.
66
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.8.3
Conclusie
De dijkverbetering is zorgvuldig landschappelijk ingepast en heeft daardoor geen negatief effect op de belevingswaarde van de dijk. Er zijn geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.9
Planologisch relevante kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen in het bestemmingsplan vastgelegd te worden. Rond dergelijke leidingen en verbindingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1. buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2. bovengrondse hoogspanningslijnen; 3. overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt het bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. In planologisch relevante leidingen worden bijvoorbeeld de navolgende producten vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een; diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.9.1
Toetsingskader
Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1. voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2. voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. In haar 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118, heeft het Rijk aangegeven hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen; 3. voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn, en of ze wel of niet worden opgenomen in het bestemmingsplan. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. 4.9.2
Resultaten
Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
4.9.3
Conclusie
Vanuit het aspect planologische kabels en leidingen zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Toelichting (ontwerp)
67
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.10
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
4.10.1 Toetsingskader Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.
Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans dat een dergelijk ongeval zich voordoet. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen onder andere zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
4.10.2 Resultaten De ontwikkeling betreft het versterken van de primaire waterkering. Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. Op afbeelding 22 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart met hierop het plangebied weergegeven (Rode cirkel).
68
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 22 uitsnede uit de risicokaart met aanduiding plangebied (rode cirkel)
Op de risicokaart is te zien dat binnen het plangebied zich geen risicobronnen bevinden. Daarnaast zijn er in de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig waarvan de plaatsgebonden risicocontour of de risicocontour van het groepsrisico tot in het plangebied reiken. De plaatsgebonden risicocontour van de Waal is op de afbeelding aangeduid door middel van de zwarte gestreepte lijn. Te zien is dat deze risicocontour niet buiten de oevers komt en derhalve geen belemmering vormt.
4.10.3 Conclusie Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. De dijk is daarnaast zelf geen risicobron. De dijkversterking leidt niet tot een toename in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Hiermee treedt er geen wijziging op wat betreft externe veiligheid. Vanuit de aspect externe veiligheid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.11
Verkeer
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de mogelijke verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de bestaande functies in beeld te worden gebracht.
4.11.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient het aspect verkeer te worden beoordeeld. De nieuwe ontwikkeling mag geen onevenredige (negatieve) invloed hebben op de verkeersafwikkelende werking van het omliggende wegennetwerk.
Toelichting (ontwerp)
69
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.11.2 Resultaten In dit bestemmingsplan wordt de as-verlegging van de dijk mogelijk gemaakt om constructieve elementen te vermijden of lichter uit te kunnen voeren. Ter hoogte van Waalbandijk 131 wordt de dijk 2 á 3 meter rivierwaarts verplaatst waardoor de dijk versterkt kan worden met een reguliere constructie. Ondanks dat het een gewijzigde situatie betreft, betreft het geen wijziging welke een verkeersaantrekkende werking op gemotoriseerd (auto)verkeer tot gevolg heeft. Het aantal verkeersbewegingen blijft in de nieuwe situatie gelijk aan de huidige situatie (de autonome verkeersgroei buiten beschouwing latende).
4.11.3 Conclusie De as-verlegging van de dijk heeft geen verkeersaantrekkende werking. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.12
Geluid
Wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh) en onderliggende besluiten en regelingen.
4.12.1 Toetsingskader De Wet geluidhinder is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: gezoneerde bedrijventerreinen; spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven). In verband met de fysieke wijziging van de weg op de Waalbandijk dient in het kader van de Wet geluidhinder de akoestische effecten te worden beoordeeld. Vanwege de aanwezigheid van geluidgevoelige bestemmingen binnen de invloedssfeer (wettelijke geluidzone) van de te wijzigen wegen is in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek voldoet aan het Reken- en Meetvoorschrift 2012. Bij wijzigingen op of aan een weg moet binnen het afgebakende onderzoeksgebied onderzocht worden of er sprake is van 'reconstructie' van die weg zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van 'reconstructie' als aan de volgende twee voorwaarden voldaan wordt: er moet sprake zijn van een fysieke wijziging op of aan de weg.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van het profiel, de wegbreedte, de hoogteligging, het wegdek, het aantal rijstroken, de aanleg van kruispunten, de aanleg van aansluitingen, op- en afritten, wijzigingen van de maximumsnelheid, en dergelijke; ten gevolge van deze wijziging en de verwachte groei van het verkeer in de eerste tien jaar na de wijziging moet er sprake zijn van een toename van de geluidbelasting met (afgerond) 2 dB of meer. Om dit te kunnen bepalen moet dus eerst voor elke geluidgevoelige bestemming de geldende 'grenswaarde' worden bepaald. Vervolgens wordt bezien of deze grenswaarde in de toekomstige situatie, doorgaans het 10e jaar na openstelling van de gewijzigde weg, met 1,50 dB of meer overschreden wordt.
70
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.12.2 Resultaten Om te bepalen of sprake is van een reconstructie van de weg is een akoestische beoordeling uitgevoerd. De gehele fysieke wijziging van de weg en onderliggende dijk zijn opgenomen in een akoestisch model. De wegwijziging zelf leidt niet tot toename van verkeer (geen verkeersaantrekkende werking). Bij een formele reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder is een toename van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (beschermingsniveau woningen en andere geluidsgevoelige objecten zoals geregeld in Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder) op de gevel van de woning toegestaan. In de toekomstige situatie werd een geluidbelasting berekend van afgerond 42 dB (op 4,5 m hoogte). Omdat de laagst mogelijk toetswaarde voor de beoordeling van een formele reconstructie is gelegen op 48 dB is in deze situatie geen sprake van een formele reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. De verkeersintensiteit mag, voordat sprake zou kunnen zijn van een formele reconstructiesituatie, toenemen met meer dan 600%. Dit is een onrealistisch scenario, omdat er geen grootschalige projectontwikkeling plaatsvindt. Tevens wordt op basis van berekeningen en beoordeling verondersteld dat er geen sprake zal zijn van een toename van 1,4 dB ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatste van de gevels van woningen.
In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' kan dan ook geconcludeerd worden dat er geen significante geluidstoename is. De notitie akoestische beoordeling wegwijziging dijktraject is te vinden in Bijlage 6.
4.12.3 Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Daarnaast worden geen inrichtingen mogelijk gemaakt die moeten voldoen aan de Wet milieubeheer. Uit de akoestische beoordeling blijkt dat er geen sprake is van een reconstructie van een weg en daarom geen verdere onderzoeksplicht in het kader van de Wet geluidhinder nodig is. Daarnaast wordt voldaan aan een 'goede ruimtelijke ordening' omdat van significante geluidstoename geen sprake is. Vanuit het aspect geluid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
4.13
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Dit houdt in het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen het volgende te worden bekeken: bij het mogelijk maken van nieuwe woningen moet er rekening worden gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de bestaande bedrijven; bij het mogelijk maken of uitbreiden van de bedrijven moet bij de bestaande woningen een goed woon- en leefmilieu kunnen worden gegarandeerd. 4.13.1 Toetsingskader De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.
Toelichting (ontwerp)
71
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
4.13.2 Resultaten In dit bestemmingsplan worden geen milieugevoelige bestemmingsplannen mogelijk gemaakt. Daarnaast worden geen nieuwe bedrijven opgericht of uitgebreid die hun weerslag hebben op milieugevoelige functies.
4.13.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Er zijn geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.
72
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de opzet van de planregels, toelichting op de bestemmingen, de overgangs- en slotregels en een toelichting op de verbeelding.
5.1
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wro en het Bro, zoals die gelden sinds 1 juli 2008. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn conform deze standaarden opgesteld. Hieronder worden de regels artikelsgewijs behandeld. Voorliggend bestemmingsplan is een herziening van alle geldende plannen in het plangebied door middel van een 'parapluplan'. Een 'parapluplan' herziet de onderliggende plannen op een onderdeel en soms op meerdere onderdelen. Voorliggend bestemmingsplan voegt aan de onderliggende plannen deels de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering en deels de dubbelbestemming Waterstaat Waterstaatkundige functie toe. Voor al het overige blijft het bepaalde in de onderliggende vigerende bestemmingsplannen onverminderd van kracht (tot het moment dat de onderliggende plannen geheel herzien worden en daarmee vervallen).
5.2
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bepaald bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels: In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels: In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreft hier de anti-dubbeltelregel en voorrangsregels; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel beide ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Toelichting (ontwerp)
73
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
5.3
Toelichting op de regels
5.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in dit artikel uitgelegd.
Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
Artikel 3 Van toepassing verklaring In dit artikel wordt het voorliggende paraplubestemmingsplan van toepassing verklaard op alle geldende bestemmingsplannen op de gronden van dit bestemmingsplan. Tevens wordt aangegeven dat dit paraplubestemmingsplan uitsluitend voorziet in een aanvullende regeling en dat de bestemmingen uit de geldende bestemmingsplannen blijven gelden.
5.3.2
Bestemmingsregels
Artikel 4 Waterstaat - Waterkering Voor de kernzone van de aanwezige waterkeringen is de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen, waarbij de waterkerende functie primair is ten opzichte van de overige op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Voordat ten behoeve van de secundaire bestemmingen gebouwd mag worden dient in verband met de belangen van de waterkering advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. Dit geldt eveneens voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde.
Artikel 5 Waterstaat - Waterstaatkundige functie De zogenoemde dubbelbestemming is toegekend aan de zone rondom de rivier. De regeling is afgestemd op de vigerende regeling van bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld.
5.3.3
Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein twee keer wordt 'meegenomen' bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag.
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. De beschermingszones van de verschillende waterkeringen in het plangebied zijn voorzien van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone dijk '. Ter plaatse van deze aanduiding mogen in principe geen bouwwerken worden gebouwd. Met goedkeuring van de waterbeheerder kan hier gemotiveerd van worden afgeweken, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.
74
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Artikel 8 Overige regels In dit artikel is een voorrangsregeling opgenomen, die bepaalt dat primair het bepaalde met betrekking tot een dubbelbestemming geldt. Ook is aangegeven welke dubbelbestemming de prioriteit krijgt indien meerdere dubbelbestemmingen over elkaar heen liggen. Daarnaast bevat dit artikel regels ten behoeve van de voorwaardelijke verplichting tot uitvoering van de natuurcompensatie.Vanuit artikel 2.45 lid 3 van de Omgevingsverordening Gelderland volgt de verplichting om bij de vaststelling van dit bestemmingsplan de effecten van de dijkversterking Wolferen-Sprok te compenseren. Ook volgt daaruit de verplichting om in dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen dat ziet op uitvoering van de natuurcompensatie. Dit artikel zorgt ervoor dat activiteiten die nodig zijn ter uitvoering van de dijkversterking Wolferen-Sprok gebonden zijn aan de uitgewerkte natuurcompensatie. Activiteiten die geen verband hebben met de dijkversterking Wolferen-Sprok, zijn niet gebonden aan deze voorwaardelijke verplichting.
5.3.4
Overgangs- en slotregels
In artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Artikel 9 Overgangsrecht bouwwerken en overgangsrecht gebruik Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet. In deze bepaling geldt dit niet voor reeds met de vorige bestemmingsplannen strijdige situaties. De tekst van de bepaling is voorgeschreven in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Artikel 10 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok.
5.4
Toelichting op de verbeelding
In paragraaf 2.2 zijn de planologische strijdigheden met de vigerende bestemmingsplannen besproken. De bestemmingslegging en de regels van dit bestemmingsplan zijn daarop aangepast, zodat het initiatief van dit bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt. Op een aantal delen van het vigerende bestemmingsplan (bij de gemeentegrens) ontbrak de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering dan wel Waterstaat - Waterstaatkundige functie. Dit is gerepareerd in dit paraplubestemmingsplan. Daarnaast is vanwege de asverlegging van de dijk de dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie op enkele plaatsen vervangen door de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Wijzigingen ten opzichte van de bestaande bestemmingslegging ten opzichte van nieuwe bestemmingslegging welke opgenomen op de verbeelding van dit bestemmingsplan zijn: 1. uitbreiding dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering; 2. uitbreiding dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie; 3. uitbreiding gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - dijk. Voor de bestemmingslegging van de bestemmingen van dit bestemmingsplan is de nieuwe legger van het nieuwe waterstaatswerk aangehouden. Hierbij is de zone 'waterstaatswerk' binnendijks vertaald in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering en buitendijks vertaald in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie.
De beschermingszone (binnen- en buitendijks) van het Toelichting (ontwerp)
75
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok waterstaatswerk van de legger is vertaald in de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - dijk. Bovenstaande uitbreidingen van de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduiding zijn vanwege planologische bescherming van de dijk noodzakelijk.
76
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 1, onder f) stelt dat een toelichting van een bestemmingsplan inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan dient te weergeven. Dat wil zeggen dat voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden en maatschappelijk uitvoerbaar zijn. Tijdens het ontwerpproces heeft het ontwerpteam afstemming gezocht met diverse bevoegde gezagen en stakeholders. Op verschillende momenten is onder andere afgestemd met de volgende partijen: ambtelijke beleidsgroep (ABG); ambtelijke werkgroep bevoegde gezagen (AWBG); bestuurlijke begeleidingsgroep (BBG); interne klankbordgroep (IKBG); externe klankbordgroep (EKBG); omgeving middels dijkateliers en keukentafelgesprekken; programmateam hoogwater beschermingsprogramma (PT HWBP); directieraad Rivierenland (DR); college van dijkgraaf en hoogheemraden Rivierenland (CDH). Ter voorbereiding op het project dijkversterking Wolferen-Sprok en de op te stellen planproducten, zijn de stakeholders op verschillende momenten betrokken geweest. In onderstaande tijdlijn is het omgevingsmanagementproces weergegeven.
Toelichting (ontwerp)
77
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
78
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Dijkversterking Wolferen-Sprok
Afbeelding 23 Tijdlijn participatie
6.2
Economische uitvoerbaarheid
6.2.1
Financiering
Het dijkversterkingsproject Wolferen-Sprok is onderdeel van het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). In dit programma werken de 21 waterschappen en Rijkswaterstraat gezamenlijk aan de versterking van de primaire waterkeringen in Nederland. In deze alliantie zijn onder andere afspraken gemaakt over de verdeling van kosten en de toedeling van risico's. Waterschappen moeten, in tegenstelling tot eerdere programma's Ruimte voor de Rivier en HWBP2, vooraf voor projecten een inschatting maken van het benodigde budget. Dit budget is vervolgens taakstellend waarbij het risico op budgetoverschrijdingen bij de waterschappen ligt. De financiering van het HWBP wordt evenredig verdeeld tussen de waterschappen en Rijkswaterstaat. Een dijkversterkingsproject vraagt vervolgens budget aan waarvan 90% wordt gesubsidieerd vanuit het HWBP. De resterende 10% betreft een projectspecifieke eigen bijdrage van het waterschap. In elk project wordt onderscheidt gemaakt tussen subsidiabele kosten en niet subsidiabele kosten. Dit geheel wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Na goedkeuring van het dagelijks bestuur beoordeelt het HWBP de ingediende subsidieaanvraag. De financiële uitvoerbaarheid van de dijkversterking Wolferen-Sprok kent door de subsidiale kosten een grote mate van zekerheid.