Bijlage 36 - Aanvulling MER
Tekst van het document
1.2.3 Onderbouwing locatiekeuze De Binnenwaard Historie Binnenwaard als bedrijfsterrein De Binnenwaard kent een lange geschiedenis. Al ruim 160 jaar vindt er op het bedrijfsterrein van de Binnenwaard bedrijfsactiviteiten plaats. In 1855 is de steenfabriek gesticht door de gebroeders van Seventer. De oven De Mandenmaker bakt er tonnen aan stenen. In 1895 wordt er een stoommachine geplaats om het bedrijfsproces verder te machinaliseren. Tot in het begin van deze eeuw staat er de steenfabriek , die al enige decennia buiten gebruik is. Daarna vinden er diverse alternatieve bedrijfsactiviteiten plaats (o.a. opslag van materieel). Optimale ligging voor scheepvaartlogistiek De Binnenwaard ligt voor de scheepvaartlogistiek op een voor Nederland bijzonder gunstige locatie, namelijk aan de Waal nabij het splitsingspunt met het Amsterdam-Rijnkanaal. Vanaf deze locatie kunnen enerzijds kleine schepen met grondstoffen naar bestemmingen varen, waar grote schepen niet kunnen komen en waar aanvoer per as niet wenselijk is. Anderzijds kunnen grote schepen die vanuit Amsterdam of Rotterdam de Rijn opvaren naar havens in de buurt van bijvoorbeeld Basel, Straatsburg of Karlsruhe, hun retourvracht met grondstoffen op de Binnenwaard lossen. Hierdoor kan een optimale bezetting van de beschikbare scheepsruimte worden bereikt.
De Binnenwaard is ook geschikt om materiaal op te slaan in tijden van voldoende water
Afbeelding 28: kaart vergunning hoogwatervrij terrein
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
33
WILLEMSPOLDER FASE 1
in de (boven)Rijn, zodat in tijden van droogte, zoals die in de toekomst steeds meer verwacht worden, de grondstoffen toch beschikbaar blijven voor de industrie ten behoeve van de (woning)bouw in het westen van ons land. Op deze wijze kan Dekker enerzijds haar groeves op de Boven-Rijn benutten en anderzijds haar eigen vloot inzetten welke geschikt is om tot in de haarvaten van Nederland te varen. Hiermee zal de Binnenwaard een waardevolle schakel worden voor duurzame scheepvaart c.q. duurzaam transport. In het licht van de hoogwaterbeschermingsopgave is de binnenwaard ook heel geschikt om de langs de rivieren vrijkomende grondstoffen tijdelijk op te slaan, te bewerken en zo hoogwaardig mogelijk als bouwgrondstof toe te passen. Gelet op de naastgelegen overnachtingshaven van Rijkswaterstaat is IJzendoorn ook een zeer kansrijke locatie voor de toekomstige ontwikkeling van een clean energy hub. De opwekking van duurzame energie kan hier worden gecombineerd met de verduurzaming van de scheepvaart. Daarbij kan worden gedacht aan het varen op groene stroom of op waterstof in plaats van op fossiele brandstoffen. De locatie ligt op ruime afstand van omliggende woningen en andere gevoelige bestemmingen (op ca. een kilometer van IJzendoorn en Beneden-Leeuwen).
Permanent hoogwatervrij terrein De Binnenwaard betreft een permanent hoogwatervrij terrein dat als zodanig in de legger, de rivierkundige modellen en de vigerende watervergunning van Rijkswaterstaat is vastgelegd. Het bedrijfsterrein is door een laad/loskade (met een vigerende vergunning van RWS) ontsloten voor scheepvaart. Ook is er een bestaande toegangsgeul voor de scheepvaart voorhanden, ten behoeve van de ontwikkeling van een haven. Hoogwaardige kadegebonden bedrijfsbestemming Het kadegebonden bedrijfsterrein aan de Waal, in de directe nabijheid van het Amsterdam- Rijnkanaal en op geruime afstand van woningen (>750m) is een hoogwaardige bedrijfsbestemming. Deze wordt momenteel laagwaardig wordt gebruikt voor niet-watergebonden bedrijvigheid. Een dergelijk bedrijfsterrein is een zeldzaamheid in de regio, er zijn dan ook geen alternatieve locaties in de markt voorhanden. Afwaardering van de watergebonden bedrijfsbestemming is in strijd met het provinciale ruimtelijke beleid. Op basis van artikel 2.11 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland worden deze bedrijfskavels in een bestemmingsplan alleen bestemd voor bedrijvigheid die voor goederenoverslag of productieactiviteiten afhankelijk is van een vestigingslocatie direct aan vaarwater met een eigen kade of in de directe nabijheid
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
34
WILLEMSPOLDER FASE 1
van een openbare kade. Dekker heeft de ambitie om het terrein om te vormen naar een duurzaam centrum voor de op- overslag en bewerking van bouwgrondstoffen (hierna bouwgrondstoffen-HUB genoemd) met een haven. De bedrijfsbestemming is daardoor weer watergebonden in gebruik en geheel gericht op scheepvaartmobiliteit. Toepassing van modern emissiearm materieel en een goede landschappelijke inpassing voorkomt conflicten met de natuur- en recreatiedoelstellingen en geeft invulling aan de zorgplicht voor een goed leefklimaat in de omgeving. Afspraken herontwikkeling Binnenwaard In een Vaststellingsovereenkomst uit 2012 en een intentieovereenkomst uit 2018 hebben Dekker en gemeente Neder-Betuwe afspraken gemaakt over de herontwikkeling van de Gouverneurspolder en de Willemspolder, inclusief de Binnenwaard. De afspraken betreffen de ontwikkeling van winning, bewerking en tijdelijke onderwateropslag van zand en grind, rivierverruiming en natuur- en landschapsontwikkeling. De keuze voor de herontwikkeling van de Binnenwaard als locatie voor de bouwstoffenHUB is in lijn met deze afspraken.
1.2.4 Betekenis voor hoogwaterveiligheid in de toekomst Inzicht in de mogelijke consequenties voor hoogwaterveiligheid is relevant voor een goede besluitvorming over de toekomstige, permanente bestemming van het bedrijfsterrein en de invulling daarvan als bouwstoffenHUB. Anders dan het advies lijkt te veronderstellen is er geen sprake van de oprichting van een nieuw bedrijfsterrein maar van de herinrichting van een bestaand bedrijfsterrein. In deze aanvulling op het MER is de betekenis van het handhaven van het hoogwatervrije terrein voor hoogwaterveiligheid in de toekomst in kaart gebracht. De vraag is in hoeverre de nieuwe invulling van het bestaande bedrijfsterrein te beschouwen is als no-regret maatregel bij een eventuele wens van de rivierbeheerder om in de toekomst meer ruimte voor de rivier te realiseren ten behoeve van de hoogwaterveiligheid. De Binnenwaard betreft een permanent hoogwatervrij terrein dat als zodanig in de legger, de rivierkundige modellen en een vigerende watervergunning van Rijkswaterstaat is vastgelegd. Om de betekenis van dit terrein voor hoogwaterveiligheid in de toekomst in beeld te brengen is een aanvullende rivierkundige beoordeling gemaakt. Verwezen wordt naar bijlage 2. Daarbij is het rivierkundige model uit het MER voor de effectbepaling van Gebiedsvisie Midden-Waal uitgebreid met het afgraven van het hoogwatervrije terrein Binnenwaard.
In het model is het vlak, waarop een vergunning voor een hoogwatervrij terrein van kracht is, verlaagd naar 8 m+NAP. Het hoogwatervrij terrein heeft een hoogte van 10.5 m+NAP. Het model gaat dus uit van een maaiveldverlaging van 2.5 meter ten opzichte van het bestaande maaiveld. De rivierkundige effecten zijn bepaald bij een maatgevend hoogwater met afvoerdebiet van 16.000 m3/s.
Afbeelding 29: Rivierkundig model gebiedsvisie Midden-Waal, inclusief afgraven hoogwatervrij terrein Binnenwaard
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
35
WILLEMSPOLDER FASE 1
De gebiedsvisie Midden-Waal, bestaande uit Willemspolder, Gouverneurspolder en een verlaagde Nieuweweg levert een waterstandsdaling van 147 mm bij 16.000 m3/s op (zie paragraaf 5.2.1. en bijlage 4 bij het MER). Indien ook het hoogwatervrije terrein Binnenwaard wordt verlaagd neemt de waterstandsdaling voor de gebiedsvisie Midden-Waal toe tot 149 mm bij 16.000 m3/s (zie bijlage 2). Dat is een beperkte toename van 2 mm, ofwel 3%. De verlaging van het bedrijfsterrein heeft weinig aanvullend effect omdat het terrein weinig toevoegt aan de afvoercapaciteit van de naastgelegen meestromende plas. Daarbij moet worden opgemerkt dat de rivierkundige neveneffecten (met name morfologie) die daarmee gepaard gaan ook toenemen. Uit overleg met Rijkswaterstaat blijkt dat bij toetsing aan het huidige rivierkundig beoordelingskader de morfologische effecten, met name aanzanding in de vaargeul van de rivier, nagenoeg 0 moeten zijn om een watervergunning voor de ingreep te kunnen verkrijgen. Ook is het de vraag of een permanent meestromende plas voor de rivierbeheerder aanvaardbaar is. Dit vraagt om een bestuurlijke afweging van rivierbeheerder Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld in het kader van het programma Integraal Riviermanagement (IRM).
Daarbij zal ook afgewogen moeten worden in hoeverre het afgraven van het bestaande hoogwatervrije terrein binnenwaard een realistische maatregel is in het kader van de hoogwaterveiligheid. De kosten voor aankoop van het terrein, afwaardering van het hoogwatervrij kadegebonden bedrijfsterrein, sloop van de gebouwen, sanering van de voormalige stortplaatsen, en het afgraven en afvoeren van de grond zal naar inschatting meer dan 25 miljoen euro kosten. Daarnaast brengt het intrekken van de vigerende vergunningen en een eventuele onteigening procedurele consequenties met zich mee. In het bouwproces van het programma Integraal Riviermanagement (IRM) zijn op het traject Midden-Waal geen ingrijpende rivierverruimende maatregelen, vergelijkbaar met het programma Ruimte voor de Rivier, aan de orde. Uit vooroverleg met rivierbeheerder Rijkswaterstaat is geen wens gebleken om rivierverruimende maatregelen op het bedrijfsterrein te treffen. In het Rapport ‘Beeld op de Rivieren, Ontwikkelperspectief voor de Maas en Rijntakken’ (Bor, conceptrapportage, januari 2021) wordt voor de Waal ingezet op kleinschaligere rivierverruimingen ter beperking van de dijkversterkingsopgaven. De ruimtelijke reserveringen zoals bij Varik-Heesselt en Brakel kunnen volgens het Bor bijdragen om het water ruimte te geven.
Daarvoor moet de noodzaak verder worden onderzocht in verband met de systeemkeuze over afvoer verdeling. Binnen het kader van IRM zal afgewogen moeten worden of 2 mm waterstandsdaling op deze plaats voldoende bijdraagt aan de hoogwaterveiligheid en opweegt tegen de daarmee gemoeide kosten en inspanningen.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
36
WILLEMSPOLDER FASE 1
2. Milieueffecten 2.1 Referentiesituatie Advies Commissie voor de milieueffectrapportage De referentiesituatie die in paragraaf 1.3.2 van het MER is beschreven gaat uit van het vigerende bestemmingsplan, aangevuld met autonome ontwikkelingen en vergunde activiteiten die zijn of worden gerealiseerd. De referentiesituatie voor het bedrijfsterrein wordt hierna beschreven aan de hand van de volgende onderwerpen: 1. Bestemmingsplan; 2. Watervergunning; 3. Beheer- en onderhoudsmodel Waal; 4. Bestaand gebruik.
2.1.1. Bestemmingsplan De bestemming steenfabriek uit het huidige bestemmingsplan is niet tot de referentiesituatie gerekend. Het is immers niet mogelijk om deze activiteit weer op te starten zonder bijvoorbeeld de fabriek te herbouwen. Ook is niet uitgegaan van de op 4 oktober 1996 door Gedeputeerde Staten van Gelderland verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, kenmerk MW94.61037-6093005 voor de inzet van winwerktuigen bij de ontgrondingen in de Willemspolder. Hoewel deze vergunning is verleend voor onbepaalde tijd zijn de ontgrondingswerkzaamheden waar de vergunning op gericht was afgerond.
Afbeelding 30: Bestemming Baksteenfabriek in vigerend bestemmingsplan
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
37
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.1.2 Watervergunning Daarnaast wordt in de referentiesituatie uitgegaan van het door Rijkswaterstaat vergunde gebruik op basis van de Waterwet (voorheen rivierenwet) voor de instandhouding van het hoogwatervrije terrein met kaden, beplantingen, kunstwerken, het recht om baggerwerktuigen en vaartuigen te verankeren en om een invaart naar de Waal te hebben en te onderhouden. In afbeelding 31 is een uitsnede uit de vigerende watervergunning opgenomen:
2.1.3 Beheer- en onderhoudsmodel Waal Bij de rivierkundige effectbepaling voor het MER is gebruik gemaakt van het door Rijkswaterstaat verstrekte actuele beheer- en onderhoudsmodel van de Waal. Dit is de referentiesituatie van het stroomgebied van de Waal, die op basis van Afbeelding 31: uitsnede watervergunning beheer en onderhoud in stand moet worden gehouden. In bijlage 4.1 van de rapportage van de rivierkundige effectbepaling (MER, bijlage 4) is de gebiedsmodellering met behulp van Baseline voor de referentiesituatie weergegeven aan de hand van bodemhoogten en ruwheidcodes. In onderstaande afbeelding zijn de terreinen die als hoogwatervrij zijn aangemerkt met een oranje kleur aangegeven.
Afbeelding 32: Hoogwatervrij terrein in beheer- en onderhoudsmodel Waal
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
38
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.1.4 Bestaand gebruik Voor het bedrijfsterrein wordt in de referentiesituatie uitgegaan van het bestaande gebruik: de opslag van materieel en materialen, parkeren en kantoorfunctie. De legenda van Kaart 3 bij het MER ‘Grondgebruik Referentiesituatie Willemspolder fase 1’ gaat uit van de standaard rubriek ‘Bedrijventerrein / Wonen / Windturbine’. Met deze aanduiding wordt niet bedoeld dat er in de huidige situatie sprake is van wonen en windturbines op het terrein van de voormalige steenfabriek. Dat is namelijk niet het geval. Er is in de huidige situatie alleen sprake van op- en overslag, verhuur aan een handel in vrachtwagentrailers en kantoorfunctie. Het huidige gebruik is gelegaliseerd op basis van meldingen en kennisgevingen aan gemeente Neder-Betuwe. De vigerende bestemming ‘Baksteenfabrikage’ maakt opslag en transportdoeleinden (zoals parkeergelegenheden en opslagplaatsen) mogelijk. Hierbij wordt opgemerkt dat het bedrijfsterrein veel minder intensief wordt gebruikt dan voor een in gebruik zijnde baksteenfabriek het geval zou zijn.
Afbeelding 33: Bestaande situatie bedrijfsterrein met kantoor, opslag materieel en vrachtwagentrailers
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
39
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.2 Toelichting beoordelingskader en bijdrage aan de doelstelling ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, het beoordelingskader uit te werken door: • per milieuaspect de toegepaste criteria en indicatoren te beschrijven met eenduidige en zoveel als mogelijk kwantificeerbare toetsingscriteria; • de toekenning van scores voor ieder criterium te duiden.
Beoordeling milieueffecten Om tot een optimale afweging te komen, zijn de milieueffecten van het voorkeursalternatief (het plan) vergeleken met de milieueffecten van de referentiesituatie, het basisalternatief, de tijdelijke situatie en de Gebiedsvisie Midden-Waal. Het resultaat van de toetsing is samengevat in de volgende tabel. De waardering van kan variëren tussen zeer positieve (++), positieve (+), neutrale (0), negatieve (-) en zeer negatieve (--) effecten. Hieronder wordt de beoordeling van milieueffecten per deelaspect nader gemotiveerd. BODEM MILIEUEFFECTEN BODEM
REFERENTIE SITUATIE
BASISALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Grondstromen
0
+
++
0
++
Milieukwaliteit
0
+
+
0
+
Taludstabiliteit
0
0
0
0
0
Grondstromen Toetsingscriterium
Efficiënte grondbalans met optimale opbrengst aan bouwgrondstoffen.
Doelstelling
Afvoer 7 miljoen m3 hoogwaardig industriezand en grind. 4 miljoen m3 is de minimaal rendabele opgave.
Referentiesituatie
Er worden geen bouwgrondstoffen gewonnen: score neutraal (0).
Basisalternatief
Opbrengst aan bouwgrondstoffen is 4 miljoen m3, er wordt voldaan aan de minimaal rendabele opgave voor doel 1 Bouwgrondstoffenvoorziening: score positief (+).
Voorkeursalternatief
Opbrengst aan bouwgrondstoffen is 7 miljoen m3, er wordt voldaan aan de doelstelling voor doel 1 Bouwgrondstoffenvoorziening: score zeer positief (++).
Tijdelijke situatie
In de tijdelijke situatie vindt wel grondverzet plaats en worden er bouwgrondstoffen gewonnen, maar er wordt in de eindsituatie pas voldaan aan doel 1 Bouwgrondstoffenvoorziening: score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
Opbrengst aan bouwgrondstoffen is meer dan 7 miljoen m3, er wordt ruimschoots voldaan aan de doelstelling voor doel 1 Bouwgrondstoffenvoorziening: score zeer positief (++).
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
40
WILLEMSPOLDER FASE 1
Milieukwaliteit Toetsingscriterium
Toepasbaarheid materiaal op basis van het Besluit bodemkwaliteit: maximaal klasse industrie (landbodem) / klasse B (waterbodem).
Doelstelling
Toepassing van alle vrijkomende (water)bodem die niet wordt afgevoerd als bouwgrondstof bij de realisatie van het inrichtingsplan.
Referentiesituatie
Er vindt geen grondverzet plaats: score neutraal (0).
Basisalternatief
Alle vrijkomende (water)bodem kan worden toegepast: score positief (+).
Voorkeursalternatief
Alle vrijkomende (water)bodem kan worden toegepast: score positief (+).
Tijdelijke situatie
In de tijdelijke situatie vindt wel grondverzet plaats, maar in de eindsituatie is pas al het bodemmateriaal hergebruikt: score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
De verwachting is dat in lijn met Willemspolder fase 1 alle vrijkomende (water)bodem kan worden toegepast: score positief (+).
Taludstabiliteit Toetsingscriterium
Voldoet aan CUR-aanbeveling 113.
Doelstelling
Oeverstabiliteit bij zandwinputten waarborgen.
Referentiesituatie
Bestaande taluds zijn stabiel (zandpakket niet verwekingsgevoelig): score neutraal (0).
Basisalternatief
In Basisalternatief zijn taluds stabiel: score neutraal (0).
Voorkeursalternatief
In Voorkeursalternatief zijn taluds stabiel: score neutraal (0).
Tijdelijke situatie
In tijdelijke situatie wordt bresvloeiing voorkomen door keuze uitvoeringstechniek: score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
De verwachting is dat in lijn met Willemspolder fase 1 stabiele taluds kunnen worden gerealiseerd: score neutraal (0).
Deelconclusie Bodem Op basis van de effectenstudie Bodem blijkt dat het Voorkeursalternatief het meeste bijdraagt (3 miljoen m3 extra afvoer) aan een optimale delfstoffenwinning voor doel 1 Bouwgrondstoffenvoorziening. De opbrengst aan bouwgrondstoffen voor Gebiedsvisie Midden-Waal als totaal kan oplopen tot 3 maal de doelstelling voor Willemspolder fase 1.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
41
WILLEMSPOLDER FASE 1
WATER MILIEUEFFECTEN WATER
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Rivierkunde
0
+
+
+
++
Grondwater
0
0
0
-
0
Waterkering
0
0
0
0
0
Rivierkunde Toetsingscriterium
Voldoet aan het Rivierkundig beoordelingskader (RBK) van RWS, waaronder waterafvoer (laag en hoogwater) morfologie en dwarsstroming scheepvaart.
Doelstelling
Waterstandsdaling bij maatgevend hoogwater. Gestreefd wordt naar ongeveer 18 mm met inachtneming van het RBK.
Referentiesituatie
In de referentiesituatie worden geen maatregelen uitgevoerd: score neutraal (0).
Basisalternatief
9 mm waterstandsdaling bij hoogwater*: score positief (+).
Voorkeursalternatief
14 mm bij maatgevend hoogwater*: score positief (+).
Tijdelijke situatie
16 mm bij maatgevend hoogwater*: score positief (+).
Gebiedsvisie midden-Waal
147 mm bij maatgevend hoogwater*: score zeer positief (++).
*: morfologische effecten (sedimentatie in vaargeul) zijn aandachtpunt bij nadere uitwerking in watervergunning.
Grondwater Toetsingscriterium
Vernatting, verdroging, meer specifiek: Maximaal 2% kwelverandering en 5 cm grondwaterstandsverandering volgens de eisen uit de Keur van het Waterschap.
Doelstelling
Geen hinder door verdroging of vernatting.
Referentiesituatie
In de referentiesituatie worden geen maatregelen uitgevoerd: score neutraal (0).
Basisalternatief
Geen relevante vernatting (kwel) of verdroging. De grondwatersituatie conform de referentiesituatie kan worden hersteld of zelfs worden verbeterd: score neutraal (0).
Voorkeursalternatief
Geen relevante vernatting (kwel) of verdroging. De grondwatersituatie conform de referentiesituatie kan worden hersteld of zelfs worden verbeterd: score neutraal (0).
Tijdelijke situatie
Bij extreem laag water zijn compenserende maatregelen (inlaten van extra water binnendijks) nodig om te voldoen aan toets criteria Keur: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Grondwatereffecten in lijn met basis- en voorkeursalternatief: score neutraal (0).
Waterkering Toetsingscriterium
Veiligheidsnorm volgens wettelijk beoordelingsinstrumentarium 2017 (WIB2017). Met name het aspect piping is maatgevend.
Doelstelling
Veilige waterkering .
Referentiesituatie
Huidige dijk voldoet niet aan de WIB2017. De waterkering is onderdeel van Dijkversterkingsproject Neder-Betuwe. Er zijn geen actuele risico’s: score neutraal (0).
Basisalternatief
Doordat met minder doorlatend materiaal wordt aangevuld is er naar verwachting een positief effect op de pipingopgave. Verder geen significante effecten op dijkversterkingsopgave: score neutraal (0).
Voorkeursalternatief
De effecten komen overeen met het Basisalternatief: score neutraal (0).
Tijdelijke situatie
Mede gelet op het aspect pipng zijn in de tijdelijke situatie conform het WBI2017 geen effecten op de waterkering te verwachten: score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
Effecten waterkering in lijn met basis- en voorkeursalternatief: score neutraal (0).
Deelconclusie Water Op basis van de effectenstudie Water blijkt dat het Voorkeursalternatief het meeste bijdraagt aan de waterstandsdaling bij maatgevend hoogwater in het kader van doel 2 Hoogwaterveiligheid. Daarbij zijn de morfologische effecten (sedimentatie in vaargeul) een aandachtpunt bij nadere uitwerking in de aanvraag watervergunning. Het waterstand verlagend effect is veruit het grootst als de totale gebiedsvisie Midden-Waal is gerealiseerd.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
42
WILLEMSPOLDER FASE 1
NATUUR
MILIEUEFFECTEN LANDSCHAP
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Natura 2000-gebieden
-
-
0
-
0
GNN en GO
0
-
++
-
++
Beschermde soorten
0
0
+
-
++
Ecologische waterkwaliteit
0
+
++
+
++
Natura 2000 Toetsingscriterium
Geen significant effect op Natura 2000 gebieden met specifieke aandacht voor ganzenfoerageergebied, stikstofdepositie en instandhoudingsdoelstellingen vogels.
Doelstelling
Instandhouding van de aangewezen soorten in Natura 2000-gebied Rijntakken en mogelijk versterking van de leefgebieden van (broed)vogels zoals Kwartelkoning, Watersnip, Oeverzwaluw, Aalscholver, Kievit, Scholekster en Wulp.
Referentiesituatie
In de feitelijke, legale actuele situatie is het overgrote deel van het gebied agrarisch in gebruik. De natuurwaarden zijn hierdoor slechts beperkt ontwikkeld en er is sprake van aanzienlijke uitstoot van stikstof: score negatief (-).
Basisalternatief
Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen (leefgebied Wulp) zijn niet uit te sluiten: score negatief (-).
Voorkeursalternatief
Oppervlakteverlies van leefgebied van de Wulp wordt gemitigeerd door het ontwikkelen van vochtig soortenrijk grasland en door de zuidwesthoek van de oeverwal te vrijwaren van bos om de openheid te behouden. Significante effecten zijn op deze wijze uit te sluiten: score neutraal (0)
Tijdelijke situatie
Door de stikstofemissie vanwege de realisatie fase te salderen met de beëindiging van het intensief agrarisch gebruik worden significante effecten voorkomen. Door gefaseerd te ontgronden en opnieuw in te richten blijven de effecten vanwege verstoring steeds beperkt tot een deel van het gebied: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Grootschalige omzetting van agrarisch areaal naar riviernatuur heeft een groot positief effect ten gevolg. Daar staat tegenover dat de voor Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder de effecten op het ganzenfoerageergebied nog onzeker zijn: score neutraal (0).
GNN en GO Toetsingscriterium
Invloed op areaal en kwaliteit van de natuurbeheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N14.01 Rivier- en beek begeleidend bos.
Doelstelling
Maximaal areaal en optimale kwaliteit van kruiden- en faunarijk grasland en rivier- en beek begeleidend bos (hard- en zachthoutooibos).
Referentiesituatie
Van de 160 hectare die het projectgebied omvat behoort 20,7 hectare tot het Gelders Natuurnetwerk (hierna GNN). Verder is het gehele plangebied aangemerkt als groene ontwikkelingszone (Hierna GO). Binnen het gebied zijn de natuurbeheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (13,4 ha) en N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos (7,3 ha) nog niet optimaal ontwikkeld: score neutraal (0).
Basisalternatief
Verlies van 4,4 ha van de natuurbeheertypen door omvorming naar bedrijventerrein en door aanleg van de hoofdgeul. Compensatie binnen gebied op basis van natuurversterkingsplan: score negatief (-).
Voorkeursalternatief
Verlies van natuurbeheertypen beperkt door aanpassing van de ligging van het bedrijfsterrein. Compensatie binnen gebied op basis van natuurversterkingsplan. Verbeterde samenhang en inpassing door ruim 50 ha GO toe te voegen aan het GNN: score zeer positief: (++).
Tijdelijke situatie
In de aanlegfase is tijdelijke verstoring (1-2 jaar) niet uit te sluiten. Door gefaseerd te ontgronden en opnieuw in te richten blijven de effecten vanwege verstoring steeds beperkt tot een deel van het gebied: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Grootschalige omvorming van agrarisch gebied naar riviernatuur (600 hectare uiterwaard) waardoor een groot areaal aan waardevolle natuurbeheertypen aan het GNN worden toegevoegd: score zeer positief: (++).
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
43
WILLEMSPOLDER FASE 1
Beschermde soorten Toetsingscriterium
Voldoet aan Gedragscode Flora- en faunawet / ontheffing kan worden verleend.
Doelstelling
Minimale effecten op en zo mogelijk toename van beschermde soorten.
Referentiesituatie
Beschermde soorten bever, buizerd, havik en ruige dwergvleermuis komen voor.
Basisalternatief
De negatieve effecten op soorten zijn tijdelijk en worden gemitigeerd. Leefgebied voor beschermde soorten neemt toe. In samenhang beschouwd: score neutraal (0).
Voorkeursalternatief
De negatieve effecten op soorten zijn tijdelijk en worden gemitigeerd. Soortenrijkdom neemt toe door toevoeging waardevolle natuurbeheertypen: score positief (+).
Tijdelijke situatie
Invloed op vaste verblijfplaats van de Bever, een nestlocatie van de Buizerd en paarverblijven van de Ruige Dwergvleermuis. Ontheffing Wet Natuurbescherming nodig, inclusief mitigatieplan: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Door toevoeging van groot areaal aan waardevolle natuurbeheertypen nemen biodiversiteit en beschermde soorten sterk toe: score zeer positief: (++).
Ecologische waterkwaliteit Toetsingscriterium
Areaal en kwaliteit van leefgebied voor het onderwaterleven.
Doelstelling
Versterking ecologische waterkwaliteit (o.a. rheofiele vissen en macrofauna) volgens Kaderrichtlijn Water (KRW) en Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).
Referentiesituatie
Beschermde watergebonden soorten ontbreken in het gebied: score neutraal (0).
Basisalternatief
Inrichting voor KRW doelen met laagdynamisch gebied, systeem van lagunes met zandige vrij eroderende oevers en hoofdgeul met zandige vrij eroderende oevers: score positief (+).
Voorkeursalternatief
Optimalisatie inrichting voor KRW doelen. ‘systeem van lagunes met natuurlijke vooroevers’ wordt omgevormd tot een 1,4 km lange stromende geul voor stroom minnende vissen en macrofauna: score zeer positief: (++).
Tijdelijke situatie
Meerwaarde voor KRW doelen komt in tijdelijke situatie beschikbaar (uiterlijk 2027): score positief (+).
Gebiedsvisie midden-Waal
Zowel in Willemspolder als Gouverneurspolder “toekomstbestendige grote wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie” te creëren neemt areaal en kwaliteit sterk toe: score zeer positief: (++).
Deelconclusie Natuur Op basis van de effectenstudie Natuur blijkt dat het Voorkeursalternatief het meeste bijdraagt aan de versterking van natuurwaarden in het kader van doel 3 Natuurontwikkeling. Op drie milieueffecten (Ecologische waterkwaliteit, beschermde soorten en GNN en GO versterking) draagt het VKA bij aan de gerelateerde doelstelling. Het effect op Natura 2000 gebieden wordt als neutraal beoordeeld, want negatieve effecten kunnen worden gemitigeerd. Een groot areaal aan waardevolle natuurbeheertypen wordt gerealiseerd ten gunste van beschermde gebieden, beschermde soorten en de watergebonden natuur.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
44
WILLEMSPOLDER FASE 1
LANDSCHAP MILIEUEFFECTEN LANDSCHAP
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Landschappelijke en cultuurhistorie
0
+
+
-
++
Archeologie
0
-
-
-
-
Landschappelijke waarden en cultuurhistorie Toetsingscriterium
Landschappelijke en cultuurhistorische waarden en ruimtelijke kwaliteit waarborgen. Ruimtelijke Kwaliteit = Gebruikswaarde + Belevingswaarde + Toekomstwaarde.
Doelstelling
Versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied. Een bij het gebied passende land-water verhouding. Beleving en beweging aan de hand van passende, gebiedseigen en natuurlijke elementen. Optimale zonering en routering van de recreatieve voorzieningen. Alleen lokale aantrekkingskracht op recreanten.
Referentiesituatie
Van oorsprong agrarisch landschap dat sterk is beïnvloed door industrieel gebruik. Aanwezigheid zandwinputten, overnachtingshaven, opgehoogde terreinen en Prins Willem Alexanderbrug leiden tot een robuust schaalbegrip: score neutraal (0).
Basisalternatief
Vanuit het bestaande robuuste schaalbegrip van het landschap wordt een toekomstbestendig inrichtingsplan gerealiseerd dat is gemotiveerd aan de hand van de meest bepalende thema’s Geomorfologie, Cultuurhistorie, Landschap, Hoogwaterveiligheid en Natuur: score positief (+).
Voorkeursalternatief
Ontwerpoptimalisaties vanuit de doelstelling Bouwgrondstoffenbehoefte en hoogwaterveiligheid hebben geen significante invloed op het landschapsontwerp. De land-water-verhouding blijft gelijk: score positief (+).
Tijdelijke situatie
Gelet op het werk in uitvoering is de landschappelijke beleving in de tijdelijke situatie minder dan in de referentiesituatie en de eindsituatie: Score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Na realisatie van de gehele gebiedsvisie ontstaat dan een samenhangend landschappelijk ensemble. De synergie tussen de deelgebieden zorgt ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit van het totaal groter is dan de som van de onderdelen: score zeer positief (++).
Archeologie Toetsingscriterium
Verstoring van archeologisch erfgoed in de bodem beoordelen.
Doelstelling
Archeologisch erfgoed zoveel als mogelijk in de bodem bewaren.
Referentiesituatie
Lage, deels van middelhoge en zeer lokaal van hoge verwachting voor archeologische resten. Er zijn geen ingrepen in de referentiesituatie: score neutraal (0).
Basisalternatief
Op basis van het bureauonderzoek en het archeologisch booronderzoek kan het plangebied worden vrijgegeven met uitzondering van de voormalige rentenierswoning aan het einde van de Koepelweg. Een inventariserend veldonderzoek (IVO-P) met proefsleuven en eventuele vervolg met een opgraving is noodzakelijk. Het vervolgonderzoek zal uitwijzen of daadwerkelijk sprake is van verstoring van archeologische waarden (in-situ): score negatief (-).
Voorkeursalternatief
Conform basisalternatief: score negatief (-).
Tijdelijke situatie
Conform basisalternatief: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Conform basisalternatief: score negatief (-).
Deelconclusie Landschap Op basis van de effectenstudie Landschap blijken geen grote verschillen tussen Basisalternatief en Voorkeursalternatief. Beide hebben een positieve bijdrage aan gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap in het kader van doel 4 Landschapsinrichting en recreatie. De aanwezigheid van archeologische waarden kan nog niet geheel worden uitgesloten. Bij bodemingrepen kan verstoring optreden. Hieraan is een negatief effect toegekend.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
45
WILLEMSPOLDER FASE 1
LEEFOMGEVING
MILIEUEFFECTEN GELUID EN TRILLINGEN
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Geluid
0
-
-
-
-
Laagfrequent geluid en Trillingen
0
0
0
0
0
Luchtkwaliteit
0
++
++
0
++
Externe veiligheid
0
0
0
0
0
Geluid (incl. laagfrequent geluid en trillingen*) Toetsingscriterium
Inzet materieel levert een vergunbare situatie (omgevingsvergunning) op volgens systematiek van de handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998. Normering op basis van wet geluidhinder voor wegverkeerlawaai en industrielawaai. Geluidzone (in ruimtelijk plan) van 50 dB(A) etmaalwaarde voor gezoneerd industrieterrein.
Doelstelling
Acceptabel woon- en leefklimaat.
Referentiesituatie
De gemeten referentieniveaus van de geluidsituatie zijn iets lager dan of in lijn met de richtwaarde van 40 dB(A) voor het landelijk gebied en 45 dB(A) voor een rustige woonwijk: score neutraal (0).
Basisalternatief
Hoewel er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat is er een lichte toename van de geluidniveaus 42/43 dB(A) op de meest geluidgevoelige bestemmingen in de dagperiode door aanwezigheid van de bouwstoffenHUB (met landinstallatie en twee windmolens): score negatief (-).
Voorkeursalternatief
Vergelijkbare effecten bij toepassing van een drijvende klasseerinstallatie in een kleinere haven en energieopwekking door middel van twee windturbines. Geen van de woningen of woonboten ligt binnen de voorgestelde geluidzone. Op basis van aanvullend akoestisch onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat op geluidgevoelige bestemmingen geen hogere geluidbelasting wordt berekend dan 41 dB(A) in de dagperiode en 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode door de activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard: score negatief (-).
Tijdelijke situatie
Bij de ontgronding en herinrichting van het gebied wordt, in samenloop met activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard, geen hogere geluidbelasting berekend dan 45 dB(A) op de meest geluidgevoelige bestemming: score negatief (-).
Gebiedsvisie midden-Waal
Naar verwachting zal de invloed van Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder op het bestaande woon- en leefklimaat iets kleiner zijn gelet op de afstand van geluidsbronnen tot geluidgevoelige bestemmingen: score negatief (-).
*: Voor laagfrequent geluid en trillingen zijn er geen relevante verschillen tussen de te beoordelen situaties.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
46
WILLEMSPOLDER FASE 1
Luchtkwaliteit Toetsingscriterium
Het project of de activiteit draagt maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde / maximaal 1,2 µg/m3 bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Stikstofemissie Natura 2000-gebieden: ≤0,00 mol/ha/jaar.
Doelstelling
Project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Geen significante effecten door stikstofemissies op Natura 2000 gebied.
Referentiesituatie
Geen emissies van stikstofdioxide en fijn stof vanwege het voornemen. In de referentiesituatie bedraagt de NOx-emissie circa 88 kg per jaar en de NH3-emissie circa 2.801 kg per jaar: score neutraal (0).
Basisalternatief
Geringe emissies aan stikstofdioxide en fijn stof die voldoen aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM). Stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden is na intern salderen ≤0,00 mol/ha/jaar. Afname emissies: NOx circa 88 kg per jaar en de NH3 circa 2.801 kg per jaar. Rekening houdend met bedrijfsactiviteiten, beheer en toekomstige ontwikkelingen resteert een significant positief effect voor het Natura 2000-gebied: score zeer positief (++).
Voorkeursalternatief
Geringe emissies aan stikstofdioxide en fijn stof die voldoen aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM). De effecten ten aanzien van stikstofdepositie zijn in het voorkeursalternatief vergelijkbaar met het Basisalternatief: score zeer positief (++).
Tijdelijke situatie
Geringe emissies aan stikstofdioxide en fijn stof die voldoen aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM). Daling van NH3-emissie (door wegnemen agrarisch gebruik) en een stijging van NOx-emissies (door grondverzet). Op alle berekende Natura 2000-gebieden bedraagt het netto-effect ≤0,00 mol/ha/jaar: score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
Geringe emissies aan stikstofdioxide en fijn stof die voldoen aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM). Drievoudige positieve effect voor Natura 2000 gebied verwacht: score zeer positief (++).
Externe veiligheid Toetsingscriterium
Risico’s windmolens en waterstofactiviteiten voldoen aan risicocontour 10-6/jaar (kans op overlijden een keer per miljoen jaar).
Doelstelling
Veilige leefomgeving
Referentiesituatie
Geen risicovolle activiteiten: score neutraal (0).
Basisalternatief
Geen gevoelige bestemmingen binnen risicocontour (10-6 /jaar): score neutraal (0).
Voorkeursalternatief
Geen gevoelige bestemmingen binnen risicocontour (10-6 /jaar): score neutraal (0).
Tijdelijke situatie
Geen gevoelige bestemmingen binnen risicocontour (10-6 /jaar): score neutraal (0).
Gebiedsvisie midden-Waal
Geen gevoelige bestemmingen binnen risicocontour (10-6 /jaar): score neutraal (0).
Deelconclusie Leefomgeving Op basis van de effectenstudie Leefomgeving blijken geen grote verschillen tussen de beoordeelde situaties. Een veilige leefomgeving blijft in alle beoordeelde situaties gewaarborgd. Hoewel er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat is er een lichte toename van de geluidniveaus. Door het wegnemen van het agrarisch gebruik hebben het Basisalternatief en het Voorkeursalternatief een zeer groot positief effect op het beperken van de stikstofdepositie. Dit heeft een grote bijdrage op de kwaliteit van Natura 2000 gebieden in het kader van doel 3 Natuurontwikkeling. Omdat een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden is het behalen van doelstelling 5 Duurzaamheid en mobiliteit grotendeels (behoudens het opwekken van windenergie) mogelijk.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
47
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.3 Stikstof
ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de uitvoerbaarheid van het voorkeursalternatief te onderbouwen door het tijdspad van de mitigerende maatregelen voor de wulp te beschrijven en daarin te laten zien dat gedurende het gehele project voldoende leefgebied voor deze soort beschikbaar blijft.
In deze aanvulling op het MER worden de uitgangspunten, de berekeningen en de bijdrage van het plan aan de stikstofdepositie nader in beeld gebracht.
2.3.1 Juiste en volledige uitgangspunten De uitgangspunten waarop de stikstof berekeningen zijn gebaseerd, zijn in deze aanvulling op het MER geverifieerd en verduidelijkt. Het gaat daarbij om de inzet van materieel in relatie tot het grondverzet en om de activiteiten die in de berekening zijn meegenomen.
2.3.2 Juistheid en consistent gebruik van hoeveelheden en aantallen Grondbalans De onderzoeken bij het MER om de effecten op de leefomgeving te bepalen voor de aspecten geluid, (incl. laagfrequent geluid en Trillingen) en luchtkwaliteit (stikstofdioxide, fijnstof en stikstofdepositie) zijn gebaseerd op dezelfde grondbalans. Het MER gaat uit van de onderstaande grondbalans voor het Voorkeursalternatief.
MATERIAALSOORT Klei
TE ONTGRAVEN EN AF TE VOEREN (M3)
TE ONTGRAVEN EN TER PLAATSE TE VERWERKEN (M3)
TOTAAL TE ONTGRAVEN (M3)
640.000
410.000
1.050.000
Ophoogzand
0
3.300.000
3.300.000
Industriezand
6.470.000
6.110.000
12.580.000
Grind
0
0
0
Bovengrond
0
155.000
155.000
Overig
0
0
0
Totalen
7.110.000
9.975.000
17.085.000
Verschillen in onderzoeksmethode De geluid- en luchtonderzoeken gaan uit van een andere onderzoeksmethode, waardoor de te beschouwen situatie en de daaraan gekoppelde hoeveelheden en aantallen afwijken. De beschouwde situatie in het geluidonderzoek kan daarom niet 1:1 worden vergeleken met de beschouwde situatie in het luchtonderzoek. Waar de onderzoeken naar luchtkwaliteit en stikstofdepositie uitgaan van een jaargemiddelde situatie en kalenderdagen gaat het onderzoek naar geluid, laagfrequent geluid en trillingen uit van de representatieve bedrijfssituatie (RBS) en werkdagen. De definitie van de RBS staat in de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 als volgt beschreven: ”die situatie waarbij de voor de geluidproductie relevante
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
48
WILLEMSPOLDER FASE 1
omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode”. De RBS is een bedrijfssituatie met een doorgaans maximale geluidsuitstraling. Het maakt daarbij niet uit dat er ook dagen zijn met minder geluidsproductie. In de RBS is meegewogen dat er 12x per jaar een incidentele bedrijfssituatie mag voorkomen. Hoeveelheden en aantallen In totaal wordt 6.470.000 m3 industriezand per schip uit het plangebied afgevoerd. Daarnaast wordt er 640.000 m3 klei uit het plangebied afgevoerd, waarvan 90% per schip en 10% per as naar de in de Willemspolder gelegen steenfabriek Schipperswaard. Totaal wordt er dus 7.110.000 m3 aan bouwgrondstoffen afgevoerd uit het plangebied. Afvoer industriezand Het geproduceerde industriezand wordt 100% afgevoerd per schip. In de onderstaande tabellen wordt toegelicht op welke wijze de productie aan industriezand is omgerekend naar het aantal schepen, voor zowel het geluidonderzoek als de onderzoeken naar luchtkwaliteit en stikstof. Geluid Productie zuiger en klasseerinstallatie
1.000.000 ton per jaar
Werkbare dagen
250 dagen per jaar
Productie per werkbare dag
4.000 ton per werkdag
Tonnage per schip
2.500 ton per schip
Gemiddeld aantal schepen van 2500 ton
1,6 schepen per werkdag
Maximaal
4 schepen per werkdag
Luchtkwaliteit en stikstof Productie Emmy en Yvonne per jaar
1.000.000 ton per jaar
Jaargemiddelde productie per dag
2.740 ton per kalenderdag
Tonnage per schip
2.500 ton per schip
Aantal schepen van 2500 ton
1,1 schip per kalenderdag
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
49
WILLEMSPOLDER FASE 1
Afvoer klei Uit het plangebied wordt 640.000 m3 klei afgevoerd, waarvan 90% per schip en 10% per as naar de in de Willemspolder gelegen steenfabriek Schipperswaard. In de berekeningen in bijlage 14 en 15 bij het MER is uitgegaan van een iets hogere hoeveelheid af te voeren klei dan in de grondbalans is aangegeven. Daardoor geven de onderzoeken een lichte overschatting van de af te voeren hoeveelheden en de daaraan gekoppelde transportbewegingen. In de onderstaande tabellen wordt toegelicht op welke wijze de afvoer van klei is omgerekend naar het aantal schepen en vrachtwagens, voor zowel het geluidonderzoek als de onderzoeken naar luchtkwaliteit en stikstof. Geluid Totale afvoer klei in m3
640.000 m3
Totale afvoer klei in ton
1.024.000 ton
90 % afvoer per schip
921.600 ton
Productie per werkbare dag
maximaal 4000 ton per werkdag
Totaal aantal werkdagen
circa 230 dagen
Werkdagen per jaar (verdeeld over 6 jaren)
circa 40 dagen per jaar
Aantal schepen per dag
maximaal 2 schepen per dag
10% per vrachtwagen naar Schipperswaard
102.400 ton
Tonnage per vrachtwagen
30 ton per vrachtwagen
Totale hoeveelheid vrachtwagens
3.413
Verwerkingscapaciteit op steenfabriek
1.600 ton per dag
Totaal aantal werkdagen
64 dagen
Werkdagen per jaar (verdeeld over 6 jaren)
11 dagen per jaar
Hoeveelheid vrachtwagens per jaar
569
Hoeveelheid vrachtwagens per dag
52 vrachtwagens
Luchtkwaliteit en Stikstof Totale afvoer klei in m3
640.000 m3
Totale afvoer klei in ton
1.024.000 ton
90 % afvoer per schip
921.600 ton
Tonnage per schip
2500 ton per schip
Aantal schepen van 2500 ton
368 schepen
Gemiddeld aantal schepen, per jaar
61 schepen per jaar (over 6 jaar)
Aantal schepen per kalenderdag
0,17 schepen per kalenderdag
10% per vrachtwagen naar Schipperswaard
102.400 ton
Tonnage per vrachtwagen
30 ton per vrachtwagen
Hoeveelheid vrachtwagens
3413
Hoeveelheid vrachtwagens per jaar
569 (over 6 jaar)
Aantal vrachtwagens jaargemiddeld
1,56 per kalenderdag
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
50
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.3.3 Compleet overzicht van de activiteiten en mogelijkheden In paragraaf 1.1.1 en 2.3 wordt een compleet overzicht gegeven van alle activiteiten en de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Daarbij wordt ingegaan op de aanleg van de haven (incl. loswal), de scheepvaartbewegingen en de beoogde scheepstypen. Op basis van deze uitgangspunten is een nieuwe stikstofberekening gemaakt, zie bijlage 5.
2.3.4 De juiste referentiesituatie In paragraaf 1.3.2 van het MER is de referentie als volgt beschreven: “De referentiesituatie bestaat uit de feitelijke bestaande situatie (alle vergunde activiteiten die al zijn gerealiseerd) inclusief de autonome ontwikkeling (de toekomstige ontwikkeling van het milieu, zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gerealiseerd)”. Bij het bepalen van de omvang van de effecten door stikstof moet de huidige, feitelijke situatie als referentiesituatie gebruikt worden. Deze referentie (zonder autonome ontwikkeling) is daarmee anders dan de reguliere referentiesituatie in een MER. De referentiesituatie voor Natura 2000-gebieden wordt beschreven op de referentiedata waarop de gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied onder de bescherming van de Habitatrichtlijn (92/43/ EEG) en Vogelrichtlijn (79/409/EEG). In paragraaf 2.3. van het aanvullend stikstofdepositie-onderzoek (zie bijlage 5) zijn de van toepassing zijnde gebieden en referentiedata aangegeven. Voor de Natura 2000 gebieden Rijntakken, Veluwe en Binnenveld is 2000 het referentiejaar, voor de overige gebieden is dat het jaar 2004. Voor het deelgebied ‘De Kil van Hurwenen en omstreken’ binnen Natura 2000 gebied Rijntakken is het referentiejaar 1996.
In hoofdstuk 3 van het aanvullend stikstofdepositie-onderzoek (zie bijlage 5) is de referentiesituatie van de stikstofemissie door agrarisch gebruik (bemesting en agrarische werktuigen) beschreven voor het vroegst geldende referentiejaar 1996. Daarbij is aangetoond dat de landbouwpercelen tijdens het referentiejaar 1996 al agrarisch in gebruik waren. De stikstofemissie door bemesting in het referentiejaar 1996 is bepaald op basis van de beschikbare data van verbouwde gewassen per perceel over de jaren 2015 tot en met 2019. Daarbij is gebruik gemaakt van de meest recente stikstofgebruiksnormen (stand: april 2020). Het gemodelleerde stikstofgebruik is gemiddeld over de genoemde 5 jaren. Door een gemiddelde te nemen, is sprake van een conservatieve kwantificering van emissies. De emissie vanwege de mechanische bewerking met agrarische mobiele werktuigen is bepaald op basis van een dieselverbuik van 135 liter diesel per hectare per jaar (Agentschap NL 2012,
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
51
WILLEMSPOLDER FASE 1
Publicatienummer: 2AGRO1215). Zo is tot een realistische stikstofemissie voor de referentiesituatie gekomen die past bij de huidige, feitelijke situatie in het plangebied. In de referentiesituatie is geen stikstofdepositie toegekend aan de huidige, feitelijke situatie op het bedrijfsterrein Binnenwaard. In werkelijkheid hebben de opslag en transportactiviteiten en de kantoorfunctie wel enige stikstofuitstoot tot gevolg. In verhouding tot de stikstofuitstoot vanwege de agrarische activiteiten is dit echter verwaarloosbaar. Bij het toepassen van het principe van intern salderen leidt de lichte onderschatting van de referentiesituatie niet tot wezenlijk andere resultaten. De aanpak kan worden beschouwd als een worst case benadering.
2.3.5 De juiste versie van AERIUS De stikstofdepositie moet op een actuele versie van AERIUS gebaseerd zijn. De berekeningen bij het MER dateren van september 2020 en zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2019A. Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van AERIUS gepubliceerd. In het kader van deze aanvulling op het MER is een nieuwe berekening van de stikstofdepositie ( zie bijlage 5) uitgevoerd op basis van de actuele versie van AERIUS. Op basis van de aanvullende berekeningen blijkt geen relevant verschil tussen de effecten van het basisalternatief en het voorkeursalternatief. Het voornemen heeft een daling van NH3-emissie en een stijging van NOx-emissies ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg. De referentiesituatie heeft met afstand de grootste stikstofemissie tot gevolg: tot 280,64 mol/ha/jaar. De beoogde situatie heeft een veel kleinere impact tot maximaal 71,11 mol/ha/jaar. Op alle berekende Natura 2000-gebieden bedraagt het netto-effect ≤0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt voor zowel het basisalternatief als het VKA. Wanneer de ontgrondingsactiviteiten voorbij zijn en er sprake is van een eindsituatie waarbij alleen de bouwstoffenHUB in bedrijf is, daalt de depositie nog enigszins. Het basisalternatief heeft vanwege de gelijke activiteiten een gelijke impact.
Uitgaande van de rekenresultaten is er geen significant nadelig effect voor Natura 2000- gebieden te verwachten. De aanvullende berekeningen hebben geen invloed op het resultaat van de passende beoordeling. Er is sprake van een legale beoogde situatie in het kader van de Wet Natuurbescherming.
2.3.6 Samenvattend In aanvulling op het MER is de bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in gebracht op basis van juiste en volledige uitgangspunten en de meest actuele versie van AERIUS. De effecten van de voorgenomen maatregelen in de tijdelijke en de permanente situatie leiden niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
52
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.4 Mitigerende maatregelen voor de wulp
ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de uitvoerbaarheid van het voorkeursalternatief te onderbouwen door het tijdspad van de mitigerende maatregelen voor de wulp te beschrijven en daarin te laten zien dat gedurende het gehele project voldoende leefgebied voor deze soort beschikbaar blijft.
2.4.1 Onderbouwing mitigerende maatregelen Wulp Voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de Wulp. Om negatieve effecten op deze soort te voorkomen, zijn mitigerende maatregelen nodig, zo blijkt uit het MER en de Passende beoordeling. Welke maatregelen dit zijn is in de passende beoordeling beschreven. In deze aanvulling wordt het tijdspad van de mitigerende maatregelen voor de Wulp nader beschreven en wordt onderbouwd dat gedurende het gehele project voldoende leefgebied voor deze soort beschikbaar blijft. Door de in het VKA genoemde inrichtingsmaatregelen wordt oppervlakteverlies van leefgebied van Wulp in de gebruiksfase voorkomen. Daarmee is het VKA ook op dit punt een realistisch en realiseerbaar alternatief. De werkzaamheden zullen binnen een tijdsbestek van 10 jaar gefaseerd worden uitgevoerd, wat resulteert in een tijdelijke toename van geluid in het projectgebied en nabije omgeving. Zoals in de planning en fasering is aangegeven is de herinrichting van deelgebied C eerder afgerond dan dat wordt gestart met de ontgronding van deelgebied A.
F
E
D C
H
A
Afbeelding 34: Vakverdeling VKA
G
B
Vak A B C D
Omschrijving uitwisselput west uitwisselput centraal uitwisselput oost zomerkade (deels tijdelijk)
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
53
WILLEMSPOLDER FASE 1
E F G H
oostput restspecie oostput noordoever haven nieuw overslagterrein
WERKZAAMHEDEN
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Droog grondverzet deel Vak G (haven) + Vak F + deel Vak C + Maken nieuwe zomerkade Kleine haven realiseren (toegangsgeul is onderhouden en op diepte) Droog grondverzet Vak C Bouwgrondstoffenwinning Vak C Droog grondverzet vak B en rest vak G Bouwgrondstoffenwinning Vak B en rest vak G Droog grondverzet Vak A Bouwgrondstoffenwinning Vak A Opspuiten restmateriaal voor herinrichting Landschapsinrichting afronden
1 Hydraulische graafmachine + 3 vrachtwagens + 1 wiellader + 1 bulldozer (allen diesel) 1 Zandzuiger (electrisch) + 1 klasseerinstallatie (electrisch) + 2 schepen (diesel) + 1 vlet (diesel)
Afbeelding 35: globale planning en fasering VKA
Zandzuiger (electrisch)
2.4.2 Samenvattend Door deze fasering van de realisatiefase is gewaarborgd dat voorafgaand aan de verstoring in het bestaande leefgebied van de Wulp op de oeverwal (in deelgebied A) het nieuwe leefgebied tussen de Waardweg en Dijkzone (in deelgebied C) reeds gerealiseerd is. Daardoor wordt gegarandeerd dat er gedurende de gehele uitvoeringsfase voldoende leefgebied voor de Wulp beschikbaar blijft. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de Wulp zijn op die manier met zekerheid uit te sluiten.
2.5 Luchtkwaliteit ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van het plan op de luchtkwaliteit in beeld te brengen door: • de inzet van materieel navolgbaar te relateren aan de beoogde werkzaamheden in het plangebied, zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase; • eventuele actualisaties in de grondbalans en de daarvan afgeleide inzet van vrachtwagens, schepen en overige materieel op te nemen in de uitgangspunten; • een nieuwe berekening uit te voeren voor NOx en fijnstof (PM10 en PM2,5).
2.5.1 Aanvullende beschouwing Luchtkwaliteit Ook voor de effecten op de luchtkwaliteit gelden de opmerkingen uit paragraaf 2.5.1. Verwezen wordt naar de toelichting in paragraaf 2.5.1. met betrekking tot de omvang van het grondverzet en de inzet van materieel. Het aanvullende onderzoek met betrekking tot de luchtkwaliteit is geactualiseerd op basis van
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
54
WILLEMSPOLDER FASE 1
deze uitgangspunten. Op basis van een nieuwe berekening voor NOx en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden vergelijkbare effecten van het plan op de luchtkwaliteit geconstateerd. Verwezen wordt naar de rapportage in bijlage 4.
2.5.2 Samenvattend Uit de (aanvullende) berekeningen voor luchtkwaliteit blijkt dat er geen sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen als alle bronnen tegelijkertijd actief zijn (worst case benadering). De inrichting draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentraties maatgevende stoffen in de lucht. Er zijn geen relevante verschillen in het effect op de luchtkwaliteit tussen het Basisalternatief en Voorkeursalternatief.
2.6 Geluid 2.6.1 Cumulatieve effecten van geluid ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, ten aanzien van de cumulatieve effecten van geluid het volgende in beeld te brengen: • de activiteiten die plaatsvinden tijdens de uitvoeringsfase, voor de grondstoffenwinning, voor de inrichting en het gebruik van het duurzame bedrijfsterrein en voor de inrichting en het gebruik van de bouwstoffenHUB; • de correct berekende cumulatieve geluidsbelasting van de activiteiten; • de relatie tussen het vigerende bestemmingsplan en de referentiesituatie.
Activiteit bouwstoffenHUB tijdens uitvoeringsfase In aanvulling op het MER zijn de cumulatieve effecten van geluid in beeld gebracht. Daarbij zijn tevens de inspraakreacties van omwonenden, voor zover deze betrekking hebben op het aspect geluid, meegenomen. Het geluidonderzoek bij het MER onderscheidt de tijdelijke realisatiefase (waarin het plangebied wordt ontgrond en opnieuw wordt ingericht) en de eindsituatie (waarin de permanente bedrijfsactiviteiten van de bouwstoffenHUB volledig in werking zijn). In de tijdelijke situatie valt het ontgronden en herinrichten van het gebied (vanaf medio 2026) samen met de volgende activiteiten op het terrein van de bouwstoffenHUB: 1. Opslag, overslag en bewerking van bouwgrondstoffen in de haven door de inzet van de zuiger Emmy en de drijvende klasseerinstallatie Yvonne, inclusief scheepvaartlogistiek; 2. Overslag van bouwgrondstoffen en opslag in een bouwgrondstoffendepot op land, inclusief scheepvaartlogistiek en intern transport; 3. Duurzame startup bedrijvigheid op een terrein van circa 5000 m2; 4. Productie van waterstof (en opslag in een vloeibaar medium); 5. Bedrijfshal met een bruto vloeroppervlak van 5.000 m2; 6. Terrein bestemd voor opslag van materieel en parkeren.
Bij het bepalen van de cumulatieve geluidseffecten zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Bedrijfsterrein wordt pas na realisatie van de haven in gebruik genomen; • Maximaal 2 schepen per dag naar bouwstoffenHUB; • Winwerktuig en klasseerinstallatie zijn of in het plangebied of in de haven actief; • Dus geen dubbele inzet van Winwerktuig en klasseerinstallatie; • Geen windmolens.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
55
WILLEMSPOLDER FASE 1
Afbeelding 36: Tijdelijke situatie ontgrondingsactiviteiten + bedrijfsactiviteiten in akoestisch model
In het aanvullend akoestisch onderzoek in bijlage 3 zijn de geluidseffecten tijdens de realisatiefase in beeld gebracht. Hieronder zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingniveaus LAr, LT ten tijde van de uitvoeringsfase (tien jaar) en na de uitvoeringsfase (eindsituatie) weergegeven. Optellen van verschillende geluidbronnen Het MER bevat een optelsom van verschillende vormen van geluidsbelasting gedurende de eindsituatie. De geluidbelasting van de nieuwe activiteiten (HUB, windmolens) zijn opgeteld bij die van bestaande geluidsbronnen zoals wegverkeer en het bedrijfsterrein achter het bestaande kantoor van Dekker aan de Waalbandijk. In deze aanvulling op het MER is een correctie doorgevoerd vanwege verschillen in hinderlijkheid van de verschillende typen geluid. In hoofdstuk 6 van het aanvullende geluidsonderzoek in bijlage 3 zijn de cumulatieve geluidseffecten voor de referentiesituatie (zie paragraaf 2.8.2), de tijdelijke situatie en de eindsituatie in beeld gebracht. Omdat de woningen en woonboten niet zijn gesitueerd in de geluidzone van het toekomstige gezoneerde industrieterrein (voormalige bedrijfsterrein steenfabriek Binnenwaard) is niet gecumuleerd volgens de rekenregels van de Wet geluidhinder (bijlage 1, hoofdstuk 2 – rekenmethode cumulatieve geluidbelasting).
Voor de tijdelijke situatie is de hoogst en laagst berekende waarde beschouwd en lineair gecumuleerd met referentiesituatie (zie tabel 6.2 in bijlage 3). Uitgaande van de algemeen geaccepteerde ‘methode Miedema’ (bron: H.M.E. Miedema, TNO-NIPG, sept.1992, ‘response functions for environmental noise in residential areas’ is een kwaliteitsoordeel aan de woonomgeving gegeven (zie tabel 8 in bijlage 3). Omdat bij geen enkele woning of woonboot het totale gecumuleerde geluidniveau hoger is dan 50 dB(A) wordt het kwaliteitsoordeel ‘goed’ aan de leefomgeving gegeven.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
56
WILLEMSPOLDER FASE 1
Id
Omschrijving
LAr,L T in dB(A) ten tijde van de uitvoeringsfase
LAr,L T ini dB{A) na uitvoeringsfase (eindfase)
Dag 07-19u
Avond 19-23u
Nacht 23-07u
Dag 07-19u
Avond 19-23u
Nacht 23-07u
1,5 m
5m
5m
1,5 m
5m
5m
001_A
Waalbandijk 10
37
20
20
33
20
19
150_A
Waalbandijk 4
40
22
22
35
22
21
002_A
Spijkersestraat 1
45
28
28
40
28
28
003_A
Zondagsestraatje 1
43
28
27
35
28
28
004_A
Zondagsestraatje 1 a
43
27
26
41
27
27
BP001_A
J van Riemsdijkstraat
35
23
22
32
23
23
005_A
Keizerstraat 4
42
26
26
40
27
26
018_A
Dorpsstraat 36
38
24
24
34
25
25
Wb 005_A
Havenkade 4
45
25
25
41
26
25
103_A
Waalbandijk 58a
42
26
26
40
26
26
Wb 014_A
Strangkade 22
42
26
25
40
26
26
Z_003-W_A
Zondagsestraatje 1 ZG west
44
28
27
36
28
28
Z_003-10_A
Zondagsestraatje 1 ZG Oost
44
27
27
36
15
15
2.6.2 Referentie voor geluid In de Willemspolder bij IJzendoorn liggen twee bedrijfsbestemmingen: Waalbandijk 1 en Nieuweweg 2. De bedrijfsbestemming Waalbandijk 1 valt buiten het plangebied Willemspolder fase 1. Op dit terrein is het kantoor van Dekker en een scheepswerf met werkplaats en opslag gevestigd. In het akoestisch onderzoek (bijlage 13 bij het MER) is in figuur 2.1 aangegeven dat het bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld (NLIMRO1740.bpDOECbuitengebied-onh1) een geluidzone (oranje lijn) rond de inrichting van Dekker aan de Waalbandijk 1 bevat.
Afbeelding 37: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
57
WILLEMSPOLDER FASE 1
Afbeelding 38: uitsnede bestemmingsplan Bedrijfsterrein IJzendoorn
In het bestemmingsplan “Bedrijfsterrein IJzendoorn” (NL.lMRO.1740.bpYZwaalbandijk1-vst1) is echter geen geluidszone opgenomen. In de regels is voor de bestemming Bedrijf (artikel 4) opgenomen dat geluidzoneringsplichtige inrichtingen als strijdig gebruik worden aangemerkt. Beide bestemmingsplannen zijn op dit punt dus niet in overeenstemming met elkaar. Omdat het bestemmingsplan ‘Bedrijfsterrein IJzendoorn’ uit 2016 recenter is dan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’ uit 2013 wordt de geluidzone rond het bedrijfsterrein aan de Waalbandijk 1 als vervallen beschouwd. De overweging van de Commissie om deze zonering niet meer in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen wordt opgevolgd. De geluidzone voor het bedrijfsterrein aan de Waalbandijk 1 wordt niet meer opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan Willemspolder fase 1. Om het achtergrondniveau van het geluid te bepalen in de referentiesituatie is in het MER uitgegaan van wegverkeer op de bestaande wegen (peiljaar 2030), de varende schepen over de Waal (peiljaar 2030) en de bestaande inrichting van Dekker aan de Waalbandijk 1. Daarbij is uitgegaan van de vergunde situatie, op basis van de vigerende milieuvergunningen (omgevingsvergunning activiteit milieu). Het betreft de volgende besluiten: • Beschikking Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d.