Bijlage 36 - Aanvulling MER
Tekst van het document
1 oktober 2004 met kenmerk MW 03.43025; • Beschikking Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 26 september 2008 met kenmerk MPM1405/2008004691; Daarnaast zijn de volgende meldingen van toepassing: • Melding activiteitenbesluit voor het kantoor, geaccepteerd op 7 juni 2010; • Milieu neutrale melding voor een bovengrondse tank, geaccepteerd op 10 maart 2011; • Besluit Omgevingsdienst Rivierenland (milieuneutraal veranderen), d.d. 8 juni 2020 met kenmerk 0214137238. De acceptatie van deze meldingen heeft geen relevante invloed op het achtergrondniveau van het geluid.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
58
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.6.3 Samenvattend In aanvulling op het MER zijn de cumulatieve effecten van geluid in beeld gebracht. Daarbij zijn tevens de inspraakreacties van omwonenden, voor zover deze betrekking hebben op het aspect geluid, meegenomen. De invulling van het bedrijfsterrein van de voormalige steenfabriek Binnenwaard is meer gedetailleerd in beeld gebracht en is voor zover van toepassing in samenhang met de tijdelijke situatie (uitvoeringsfase) beschouwd. Uit het verrichte aanvullend onderzoek blijkt dat ten tijde van de uitvoeringsfase bij de woningen en woonboten geen hoger geluidniveau wordt berekend dan 45 dB(A) in de dagperiode. De geluidniveaus variëren in de tijd en zijn afhankelijk van waar in het gebied gewerkt wordt. Gedurende de avond- en nachtperiode veroorzaken schepen die voor 07.00 uur aankomen of na 19.00 uur vertrekken geen hoger geluidniveau dan 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Verder blijkt dat bij de woningen en woonboten door de activiteiten op het bedrijfsterrein van de voormalige steenfabriek Binnenwaard geen hogere geluidbelasting wordt berekend dan 41 dB(A) in de dagperiode en 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Geen van de woningen of woonboten ligt binnen de voorgestelde geluidzone. Er hoeft dan ook in het kader van de Wet geluidhinder geen procedure hogere waarde gevolgd te worden.
Omdat bij geen enkele woning of woonboot het totale gecumuleerde geluidniveau hoger is dan 50 dB(A) wordt volgens de algemeen geaccepteerde ‘methode Miedema’ het kwaliteitsoordeel ‘goed’ aan de leefomgeving gegeven.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
59
WILLEMSPOLDER FASE 1
2.7 Bodem
ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming39, de grondbalans te actualiseren door: • de bodemgegevens te toetsen aan de juiste normen; • bij het bepalen van de toepasbaarheid van vrijkomende grond het stappenplan uit Circulaire en Handreiking diepe plassen te volgen, en daarbij ook alvast te kijken naar de normering uit de Regeling Bodemkwaliteit 2021.40 Laatstgenoemde regeling is nog niet in werking getreden41, maar bevat wel normen voor diepe plassen; • in de vorm van een terugvalscenario in beeld te brengen welke aanpak gehanteerd zal worden als de PFAS-houdende bovengrond niet op de voorgenomen manier is toe te passen; • te onderzoeken in hoeverre beschikbare grond toepasbaar is onder water zonder dat dit onwenselijke gevolgen heeft voor de waterkwaliteit op korte en lange termijn; • vervolgens na te gaan wat dit betekent voor de grondbalans, de inzet van materieel en daarvan afgeleide berekeningen zoals stikstof en luchtkwaliteit. Beschrijf in de aanvulling ook de effecten van het toepassen van grond van buiten het gebied en beoordeel deze zodat het MER aansluit bij de (maximale) mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
Als voorbereiding op de herinrichting heeft bodemonderzoek plaatsgevonden. In deze aanvulling op het MER is de toetsing van de analyseresultaten nader toegelicht en op een aantal onderdelen aangevuld. Het gaat daarbij om: • toetsing aan de normen voor land- en waterbodem; • onderbouwing van de toepassingsmogelijkheden vrijkomende grond met PFAS binnen het gebied; • beschrijving van de toekomstige waterbodemkwaliteit • verduidelijken van de uitgangspunten voor toepassen van grond van buiten het gebied; • Invloed op de grondbalans en het daarmee samenhangende grondverzet en transport.
2.7.1 Toetsing aan de juiste normen De kwaliteit van de land- en waterbodem binnen het gebied is inzichtelijk gemaakt in de (Water) bodemkwaliteitskaart in bijlage 1 bij het MER. In bijlage 7 bij deze aanvulling is de aangepaste (water) bodemkwaliteitskaart opgenomen, waarin de kaart (en toetsingstabel) met klasse Industrie voor het landbodemgedeelte is toegevoegd, n.a.v. commentaar van de MER commissie. De kwaliteit van de verdachte gebiedsdelen zijn in beeld gebracht in het Verkennend Waterbodemonderzoek Willemspolder fase 1 (verdachte locaties) in bijlage 2 bij het MER. Om de toepassing van grond en waterbodem op basis van het Besluit bodemkwaliteit mogelijk te maken zijn de bodemaspecten nader uitgewerkt in een Nota bodembeheer (PFAS en grond kwaliteit industrie) en een Inrichtingsplan Besluit bodemkwaliteit. Verwezen wordt naar bijlage 8 en 9. De commissie geeft in haar advies terecht aan dat het terrein van de voormalige steenfabriek aangemerkt is als droog oevergebied en in beginsel moet worden getoetst aan de normen voor de landbodem. Omdat de toetsing aan de klasse wonen en industrie (landbodem) kan leiden tot andere toepassingsmogelijkheden dan toetsing aan klasse A en B (waterbodem) is in deze aanvulling op het MER aan beide kaders getoetst.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
60
WILLEMSPOLDER FASE 1
De kwaliteit van de bovengrond is hoofdzakelijk klasse Industrie (landbodem) en klasse B (waterbodem). Er is geen sprake van niet toepasbaar materiaal in het gebied. Hergebruik binnen het gebied is mogelijk (onder voorwaarden, zie nota bodembeheer). Afvoer van bodemmateriaal naar een erkend verwerker is niet noodzakelijk. Het gebruik van een gesloten grondbalans (met uitzondering van de afvoer van bouwgrondstoffen) kan ongewijzigd worden voortgezet.
2.7.2 Toepasbaarheid van grond Toepassing vrijkomende grond in diepe plassen In het Inrichtingsplan Besluit bodemkwaliteit (zie bijlage 9) is invulling gegeven aan de Circulaire en Handreiking diepe plassen. In beginsel is geen sprake van het verondiepen van een bestaande diepe plas, maar van het gefaseerd ontgronden en herinrichten. Hoewel de circulaire wellicht niet van toepassing is op deze situatie is er, uit oogpunt van zorgvuldigheid, voor gekozen om de Circulaire en Handreiking diepe plassen uit te werken in een inrichtingsplan voor de toepassing van vrijkomende grond en waterbodem bij herinrichting van het plangebied. Conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit dient, voorafgaand aan toepassing van grond of waterbodem, een melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Bij de melding van de voorgenomen toepassing dienen de ingevolge het Besluit bodemkwaliteit vereiste gegevens te worden gevoegd. Het bevoegd gezag beoordeelt op basis daarvan of voldaan wordt aan de voorwaarden en de zorgplicht van het Besluit bodemkwaliteit. In de Circulaire herinrichting van diepe plassen (d.d. 24 december 2010) staat aangegeven dat om te voldoen aan de zorgplicht, een inrichtingsplan dient te worden opgesteld. Met het inrichtingsplan in bijlage 9 wordt hieraan voldaan.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
61
WILLEMSPOLDER FASE 1
Het inrichtingsplan beschrijft de locatie, het doel van herinrichting (nut en functionaliteit), de gewenste inrichting en te behalen eindbeeld, de rolverdeling van betrokken partijen, het uitvoeringsplan, de monitoring, de eigendomssituatie en het beheer en onderhoud. In het plan wordt geconcludeerd dat er geen kwetsbare objecten in de omgeving van de plassen voorkomen. Verder wordt, op basis het inrichtingsplan en de grondbalans, gemotiveerd dat er sprake is van een nuttige en functionele toepassing. PFAS en landbodem klasse industrie In de nota bodembeheer (zie bijlage 8) is het gebied specifiek beleid uitgewerkt voor de toepassing van de PFAS-houdende bovengrond en landbodem, klasse industrie. De nota motiveert dat sprake er bij hergebruik van dit materiaal binnen het plangebied sprake is van ‘stand still op gebiedsniveau’. Er is geen sprake van effecten op kwetsbare objecten. De toetsing op uitloging en ecologie voldoet. Op basis van de nota wordt vastgesteld dat het gebiedseigen bodemmateriaal op basis van de aangetroffen waarden kan worden hergebruikt voor de aanvulling van de ontgronding binnen het gebied. Op 14 april 2021 zijn de bodemrapporten, de (water)bodemkwaliteitskaart, het inrichtingsplan Bbk en de nota bodembeheer afgestemd met het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit: gemeente NederBetuwe (landbodem) en Rijkswaterstaat Oost-Nederland (waterbodem).
Het bevoegd gezag onderschrijft het beeld dat hergebruik van het gebiedseigen bodemmateriaal bij de herinrichting mogelijk is, na vaststelling van de voornoemde documenten. De aanpak met een nota bodembeheer met maatwerknormen wordt door het bevoegd gezag geaccepteerd. Op basis van de gemaakte procedurele afspraken bekrachtigen zowel gemeente Neder-Betuwe (besluit gemandateerd aan omgevingsdienst) als Rijkswaterstaat Oost-Nederland de bodemrapporten, de (water)bodemkwaliteitskaart en het inrichtingsplan Bbk. Daardoor ontstaan er geen procedurele problemen bij toepassing van landbodem op waterbodem of omgekeerd. Doordat er concreet zicht is op legale toepassing van al het her te gebruiken bodemmateriaal binnen het gebied zijn er geen effecten op de grondstromen(balans), de verwerkingskosten en/of het eindbeeld van het gebied. Toekomstige waterbodemkwaliteit De conclusie dat de toekomstige waterbodemkwaliteit niet significant afwijkt van die in de referentiesituatie is in deze aanvulling nader onderbouwd. In beginsel blijft de diffuus verontreinigde bovengrond aanwezig blijft in het plangebied. In de nota bodembeheer (zie bijlage 8) is gemotiveerd er bij herinrichting met het gebiedseigen bodemmateriaal sprake is van ‘stand still op gebiedsniveau’. Er is geen sprake van effecten op kwetsbare objecten. De toetsen op uitloging en ecologie voldoen.
Op basis van de nota wordt vastgesteld dat het gebiedseigen bodemmateriaal op basis van de aangetroffen waarden kan worden hergebruikt voor de aanvulling van de ontgronding binnen het gebied. In het Inrichtingsplan Besluit bodemkwaliteit (zie bijlage 9) wordt nader ingegaan op vrijkomende organische stoffen (nutriënten) in relatie tot eutrofiëring. Daarbij is getoetst aan de richtwaarden voor nutriënten (fosfor en fosfor/ijzer-ratio) uit de Circulaire en Handreiking diepe plassen die ter voorkoming van risico’s van eutrofiering van het oppervlaktewater zijn opgenomen. Uit de toetsing blijkt dat de gemiddelde gehalten in de bovengrond voldoen aan de richtwaarden voor toepassing als vulmateriaal. In de afdeklaag wordt materiaal uit de ondergrond toegepast. Dit is een aandachtspunt voor de realisatiefase maar heeft geen gevolgen voor de grondbalans. Toepassen van grond of baggerspecie van buiten het gebied De toepassing van materiaal van buiten het gebied, zoals grond of waterbodem, bij de herinrichting
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
62
WILLEMSPOLDER FASE 1
van het plangebied is in paragraaf 3.1.1 van het MER onderzocht en beoordeeld als een mogelijke optimalisatie (nummer 1.4). In lijn met het Notitie Reikwijdte en detailniveau is deze optimalisatie niet in het voorkeursalternatief opgenomen. Dat heeft vooral te maken met een gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor deze activiteit. Deze optimalisatie is daarom ook niet uitgewerkt in het (voorontwerp) bestemmingsplan en wordt ook niet opgenomen in de vergunningsaanvragen. Mocht het toepassen van grond of baggerspecie van buiten het gebied in de toekomst wel aan de orde zijn dan worden de milieugevolgen daarvan alsnog in beeld gebracht. Dekker zal in een voorkomend geval ook een transparant en zorgvuldig participatietraject met de omgeving doorlopen. In de regels van het (ontwerp) bestemmingsplan voor de bestemmingen Natuur en Water wordt opgenomen dat voor de toepassing van grond of baggerspecie van buiten het gebied een omgevingsvergunningplicht van toepassing is. Naast de toetsing op basis van het reguliere kader van het Besluit bodemkwaliteit kan toetsing door de gemeente plaatsvinden in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning. Aangezien de besluiten gepubliceerd worden is het proces navolgbaar voor derden. Ook staat tegen de besluiten de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.
Voor het toepassen van grond of baggerspecie in diepe plassen is een nieuw milieuhygiënisch toetsingskader in ontwikkeling. Hierin komen kwaliteitseisen speciaal voor het beschermen van de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater. In de toekomstige Omgevingswet wordt voor deze activiteit een vergunningplicht opgenomen in combinatie met een m.e.r.-beoordelingsplicht.
2.7.3 Samenvattend Doordat er concreet zicht is op legale toepassing van al het her te gebruiken bodemmateriaal binnen het gebied zijn er geen effecten op de grondstromen(balans), de verwerkingskosten en/of het eindbeeld van het gebied.
2.8 Hoogwaterveiligheid Gelet op de mogelijke effecten van de herinrichting op de dijk als primaire waterkering is, in overleg met Waterschap Rivierenland, nader onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in de ‘Technische notitie Piping tijdelijke situatie Willemspolder fase 1’ in bijlage 10 bij deze aanvulling. Het onderzoek richt zich op de invloed van de zandwinning op het mechanisme piping in de tijdelijke (worst case) situatie waarbij in de nabijheid van de waterkering wordt ontgrond en nog niet is aangevuld in het kader van de herinrichting. Op basis van deze aanvullende pipinganalyse wordt de veiligheid van de waterkering piping voldoende gewaarborgd voor wat betreft het faalmechanisme piping. De stabiliteitsfactor piping (SFP) is meer dan 1 en voldoet aan het wettelijk beoordelingsinstrumentarium WBI2017. Hoewel er sprake is van geringe effecten, blijft de stabiliteit van de waterkering voldoen. In het MER wordt dit weergegeven als een neutraal effect (zie toelichting beoordelingskader in par. 2.4).
2.9 Monitoring en evaluatie In aanvulling op paragraaf 6.2.2 van het MER is de monitoring en evaluatie voor de verschillende milieuaspecten nader uitgewerkt in een aanzet tot een monitoringsprogramma.
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
63
WILLEMSPOLDER FASE 1
ONDERWERP
DOEL / ONDERZOEKSVRAAG
BENODIGDE GEGEVENS
MEET- EN EVALUATIE MOMENTEN
GRENS WAARDE
RISICO’S / ONZEKERHEDEN / AANDACHTSPUNTEN
TERUGVALSCENARIO / HERSTEL MAATREGELEN
Grond stromen
Actuele grondbalans inzichtelijk maken
Overzicht grondstromen in m3
Jaarlijkse opgave in het kader van de ontgrondingenwet-vergunning
Maximaal 10% afwijking op grondbalans VKA in par 5.1.1. MER
Inrichtingsplan kan niet meer worden gerealiseerd
Minder materiaal afvoeren
Bodem
Afdeklaag op toepassing
Dikte afdeklaag
In het 5e en 10e jaar na realisatie
Minimaal 0,5 meter dik
Erosie van de afdeklaag
Afdeklaag herstellen
Oppervlaktewater
Invloed van activiteiten op oppervlaktewater
Zie par. 7.1 inrichtings- plan Bbk
2-maandelijks tijdens uitvoering en gedurende 2 jaar na realisatie
Zie par. 7.1 inrichtingsplan Bbk
Onverwachte invloed op kwaliteit oppervlaktewater
Activiteiten / toepassing materiaal aanpassen
Grondwater
Werkelijke ontwikkeling van binnendijkse grondwaterstanden (controle modelberekeningen)
Stijghoogten freatisch grondwater en 1e watervoerend pakket. Hoeveelheid kwel- en wegzijging
Continue meting of minimaal maandelijks opnemen grondwaterstanden en Jaarlijkse rapportage
Maximale Wegzijging 100 m3 / uur
Samenwerking met het waterschap in het kader van de Dijkversterking
Talud ontgronding z.s.m. afdekken met slecht doorlatend materiaal en/of binnendijks meer water inlaten
Werkelijke ontNatuur Beschermde wikkeling van natuurwaarden soorten
Inventarisatie-gegevens op basis van reguliere veldbezoeken door een ecoloog
Jaarlijks en waar nodig per seizoen (specifiek voor soortgroepen)
Maximaal 10% afname van beschermde soorten (met name Wulp)
De realisatie vindt plaats onder ecologisch toezicht en op basis van een ecologisch werkprotocol
Werkzaamheden aanpassen, inrichting aanpassen en/ of compenserend leefgebied inrichten (eventueel buiten plangebied)
Waternatuur Ontwikkeling van de watergebonden natuurwaarden
Zie par. 7.2 inrichtings- plan Bbk
2 jaar na realisatie
Goed Ecologisch Potentieel (GEP) volgens KRW
Doelen voor de ecologische waterkwaliteit worden niet bereikt
Aanpassing inrichtingsmaatregelen ten gunste van het waterleven
Recreatie
De effectiviteit van recreatieve zonering op het voorkomen van verstoring natuurwaarden
Daadwerkelijk gebruik gebied
Jaarlijks en waar nodig per seizoen (specifiek voor soortgroepen)
Maximaal 10% afname van beschermde soorten (met name Wulp)
Hoe de beoogde verdeling van intensieve en extensieve recreatie in de praktijk uitpakt is relevant voor ontwikkeling van verstorings-gevoelige natuur
Gebiedsinrichting aanpassen en/of compenserend leefgebied inrichten (eventueel buiten plangebied)
Landschap
Verstoring archeologische waarden
Melding en registratie toevals-vondsten
In voorkomende geval melden conform de Erfgoedwet
Maximaal 3 toevals- vondsten
Protocol onverwachte situaties maken met procedure en contactgegevens bevoegd gezag
Vindplaats beschermen of archeologische opgraving / begeleiding
Morfologie
morfologische ontwikkeling van de geul
Debiet en stroomsnelheid
Per kwartaal
Geul blijft permanent stromen
Een teveel aan opslibbing kan de meerwaarde van de geul voor de ecologie schaden
Geul uitbaggeren
Geluid
Daadwerkelijk optredende geluidniveaus vaststellen
Controle metingen
Jaarlijks en evt. bij klachten
Grenswaarde omgevingsvergunning milieu
Bevoegd gezag kan bij twijfel ook controle metingen uit laten voeren.
Werkzaamheden aanpassen / bron beter afschermen
bouwkundige vooropname van kritische bestemming
Voor start werkzaamheden
Geen bouwkundige schade door werkzaamheden
Indien zich onverhoopt daadwerkelijke risico’s op bouwkundige schade voordoen wordt gemonitord met trilmeters en verplaatsingssensors
In voorkomend geval: Schaderapport / herstelwerkzaamheden
Bouwkundi- Optreden van ge schade bouwkundige schade in praktijk
AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
64
WILLEMSPOLDER FASE 1
Dekker Groep Bezoekadres Waalbandijk 1 4053 JB IJzendoorn Postadres Postbus 6073 4000 HB Tiel +31 (0)344 579 999 info@dekkergroep.nl www.dekkergroep.nl
65