CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 36 - Aanvulling MER

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen20.107 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Aanvulling Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1

1

Aanvulling Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1 Status Definitief Versie 1.0 Datum 10 juni 2021 Initiatiefnemer Dekker Grondstoffen B.V. Opstellers Fundamental Concepts | John Holtrust-Westerbeek Dekker Grondstoffen B.V. | Toon van Mierlo

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

2

WILLEMSPOLDER FASE 1

Inhoudsopgave AANVULLING OP HET MER IN HET KORT 5

2.2 Toelichting beoordelingskader en

MER Willemspolder fase 1 5

bijdrage aan de doelstelling 40

6

2.3 Stikstof 48

Advies Commissie voor de milieueffectrapportage

Aanvulling op het MER 7

 2.3.1 Juiste en volledige uitgangspunten

Leeswijzer 7

 2.3.2 Juistheid en consistent gebruik van



hoeveelheden en aantallen

1. TOEKOMSTIGE SITUATIE EN LOCATIE

48 48

 2.3.3 Compleet overzicht van de activiteiten en

BEDRIJFSTERREIN

8

mogelijkheden

51

1.1 Inleiding 8

 2.3.4 De juiste referentiesituatie

51

 1.1.1 Beoogd gebruik en inrichting

8

 2.3.5 De juiste versie van AERIUS

52

 1.1.2 Visualisaties

19

 2.3.6 Samenvattend

52

 1.1.3 Transport over de weg

24

2.4 Mitigerende maatregelen voor de wulp 53

 1.1.4 Samenhang tussen MER en

 2.4.1 Onderbouwing mitigerende 26

bestemmingsplan

maatregelen Wulp

53

 1.2 Locatiekeuze bedrijventerrein

30

 2.4.2 Samenvattend

 1.2.1 Beleid

30

2.5 Luchtkwaliteit 54

 1.2.2 Behoefte en alternatieven

31

 2.5.1 Aanvullende beschouwing

 1.2.3 Onderbouwing locatiekeuze De 33

Binnenwaard

35

 2. MILIEUEFFECTEN

Luchtkwaliteit

54

 2.5.2 Samenvattend

54

2.6 Geluid 55

 1.2.4 Betekenis voor hoogwaterveiligheid in de toekomst

54

37

 2.6.2 Referentie voor geluid

57

 2.6.3 Samenvattend

59

2.7 Bodem 60

2.1 Referentiesituatie 37

 2.7.1 Toetsing aan de juiste normen

60

 2.1.1. Bestemmingsplan

37

 2.7.2 Toepasbaarheid van grond

61

 2.1.2 Watervergunning

38

 2.7.3 Samenvattend

63

 2.1.3 Beheer- en onderhoudsmodel Waal

38

2.8 Hoogwaterveiligheid 63

 2.1.4 Bestaand gebruik

39

2.9 Monitoring en evaluatie 63

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

3

WILLEMSPOLDER FASE 1

Bijlagen NR. Bijlage 1: Voorlopig toetsadvies MER Willemspolder fase 1 Bijlage 2: Aanvullende rivierkundige beoordeling Gebiedsvisie Midden-Waal Bijlage 3:

Aanvullend onderzoek geluid, laagfrequent geluid en trillingen Willemspolder fase 1

Bijlage 4:

Aanvullend onderzoek luchtkwaliteit Willemspolder fase 1

Bijlage 5:

Aanvullend onderzoek Stikstofdepositie Willemspolder fase 1

Bijlage 6:

Aanvullend onderzoek externe veiligheid Willemspolder fase 1

Bijlage 7:

(Water)bodemkwaliteitskaart (inclusief PFAS en klasse Industrie) Willemspolder fase 1

Bijlage 8:

Nota bodembeheer Herinrichting Willemspolder fase 1

Bijlage 9:

Inrichtingsplan (Besluit bodemkwaliteit) Willemspolder fase 1

Bijlage 10:

Technische notitie Piping tijdelijke situatie Willemspolder fase 1

Kaarten NR. Kaart 1:

Indeling bedrijfsterrein

Kaart 2:

Zichtlijnen bedrijfsterrein

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

4

WILLEMSPOLDER FASE 1

Aanvulling op het MER in het kort MER Willemspolder fase 1 Dekker Grondstoffen BV (hierna: Dekker) wil de uiterwaarden aan de noordzijde van de Waal, globaal tussen Dodewaard en het Amsterdam-Rijnkanaal, herinrichten. Over een lengte van 12 km veranderen de overwegend agrarisch gebruikte uiterwaarden in een waterrijk natuurgebied met nevengeulen en eilandjes, met ruimte voor hoogwater, natuurrecreatie en duurzame watergebonden bedrijvigheid. Dit alles wordt gefinancierd uit de winning van zand, grind en klei in het gebied. Hiervoor heeft het bedrijf de gebiedsvisie Midden-Waal opgesteld dat de 3 deelprojecten Willemspolder fase 1, Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder omvat. Willemspolder fase 1 is de eerste van in totaal drie fases om Gebiedsvisie Midden-Waal te realiseren. In het MER staat de eerste fase van de Willemspolder centraal. Verschillende alternatieven voor de ontwikkeling zijn in het MER beoordeeld op effecten voor de bodem, het water, de natuur, het landschap en de leefomgeving. Op basis daarvan is het voorkeursalternatief bepaald. Dat is het plan dat het beste bijdraagt aan de projectdoelen en optimale milieueffecten heeft. Hierop worden het bestemmingsplan en de vergunningaanvragen gebaseerd. Het MER wordt in de procedures gebruikt om het milieubelang een voorwaardige plaats in de besluitvorming te geven.

Onderdeel van de herinrichting is de herontwikkeling van het bestaande bedrijfsterrein van de voormalige steenfabriek tot een duurzaam bouwgrondstoffencentrum (bouwstoffenHUB). Dit gebied wordt geschikt gemaakt voor het op- en overslaan en bewerken van bouwstoffen inclusief een haven met een loswal. De bestaande bebouwing wordt vervangen door een nieuwe bedrijfshal. Ook is hier ruimte voor startende bedrijven op het gebied van duurzaamheid en is de mogelijkheid verkend om in het gebied energie op te wekken, met twee windmolens en drijvende zonnepanelen. In deze fase is er nog geen medewerking van gemeente Neder-Betuwe aan de realisatie van de windmolens. De nieuwe invulling van het bedrijfsterrein is permanent. Het plan Willemspolder fase 1 levert ook een bijdrage aan hoogwaterveiligheid, natuur- en landschapsontwikkeling en biedt kansen voor recreatieve voorzieningen.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

5

WILLEMSPOLDER FASE 1

Om Willemspolder fase 1 mogelijk te maken moet de gemeente Neder-Betuwe het bestemmingsplan aanpassen. Tevens dient door de provincie Gelderland een ontgrondingsvergunning te worden opgesteld. Voor beide besluiten dient een milieueffectrapport (MER) te worden opgesteld. Het MER wordt ook gebruikt om andere besluiten die nodig zijn te onderbouwen zoals de watervergunning, de natuurvergunning en de omgevingsvergunning (milieu).

Advies Commissie voor de milieueffectrapportage De provincie Gelderland heeft – mede namens de gemeente – de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) gevraagd te adviseren over het MER. In haar voorlopig toetsadvies (12 april 2021 / projectnummer: 3442, hierna: het advies) spreekt de commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. Het volledige advies is opgenomen in bijlage 1. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER op twee hoofdpunten tekortkomingen in het MER: 1. Toekomstige situatie en locatie bedrijfsterrein in beeld brengen •H  et beeld van de toekomstige situatie. De toekomstige en permanente situatie met bouwstoffenHUB, haven en bedrijfsterrein is onderbelicht terwijl veel aandacht uitgaat naar natuurontwikkeling en recreatie. Hierdoor schetst het MER een onvolledig beeld van de toekomstige situatie. • Locatie van het bedrijventerrein. Waarom het voormalige terrein van de steenfabriek de best passende locatie is voor een bouwstoffenHUB met haven is onvoldoende onderbouwd. Daarbij moet ook buiten de grenzen van Willemspolder fase 1 gekeken worden. De vraag of de rivierbeheerder in de toekomst op deze locatie maatregelen kan nemen die bijdragen aan de hoogwaterveiligheid, is in dat kader ook relevant. 2. Milieueffecten in beeld brengen • Referentiesituatie.

De beschrijving van de referentiesituatie laat onvoldoende zien welke activiteiten vergund zijn en welke niet. Nu is niet duidelijk wat behoort tot de referentie en wat tot het voornemen. • Beoordelingskader. De criteria die zijn gebruikt bij de beoordeling zijn niet toegelicht en een uitleg van de scores zelf (wat betekent een + of een -) ontbreekt. De toekenning en betekenis van de scores is nu niet navolgbaar, mede in relatie tot de bijdrage aan de nagestreefde doelstellingen. • Berekeningen voor stikstof en luchtkwaliteit. De berekeningen bevatten verschillende fouten. Zo is de omvang van het grondverzet in de achtergrondrapporten een factor 10 lager dan volgens de grondbalans in het MER. Ook sluit het MER transport over de openbare weg uit en de bijlagen juist niet. Verder is geen aandacht besteed aan de aanleg van de loswal. Vervolgens zijn de stikstofberekeningen niet op de juiste referentiesituatie gebaseerd en met een niet-actueel rekenmodel uitgevoerd. • Mitigerende maatregelen wulp. Of gedurende de uitvoering voldoende leefgebied voor de wulp beschikbaar blijft, is niet uit het MER af te leiden doordat een tijdspad voor de mitigerende maatregelen ontbreekt. Daarom is de uitvoerbaarheid van het voorkeursalternatief onvoldoende aangetoond. • Cumulatieve effecten van geluid.

Geluid afkomstig van de bouwstoffenHUB en de windmolens is niet goed meegenomen in de totale geluidsbelasting tijdens herinrichting en in de eindsituatie. Op- en overslag van grond vindt namelijk ook tijdens de inrichting van de Willemspolder plaats terwijl dit niet is meegenomen bij het berekenen van de geluidsbelasting. De geluidsniveaus die wel zijn berekend, zijn niet goed opgeteld. • Bodem. De toetsing van de kwaliteit van de vrijkomende grond volstaat niet om tot een goede grondbalans te komen (passend bij deze fase van het plan). Dit is belangrijk om de effecten van stikstof en luchtkwaliteit goed te kunnen bepalen en om te beoordelen of het gewenste eindbeeld van de herinrichting behaald kan worden.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

6

WILLEMSPOLDER FASE 1

Aanvulling op het MER De commissie vraagt in haar advies om het MER op de voornoemde punten aan te vullen. Omdat deze informatie essentieel is voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over Willemspolder fase 1 is in deze aanvulling de ontbrekende informatie op basis van het advies in voorliggend aanvullend rapport aan het MER toegevoegd. Proces MER

Advies reikwijdte en detailniveau

Milieueffect­ rapportage

voorlopig Toetsadvies

Aanvulling MER

Toetsadvies

Leeswijzer Voor de opbouw van dit document is de indeling van het advies aangehouden. Per onderwerp wordt eerst een samenvatting van het advies gegeven, waarna voor dat onderwerp de inhoudelijke aanvulling op het MER wordt gegeven. In hoofdstuk 1 is de toekomstige situatie op het bedrijfsterrein (paragraaf 1.1) en de locatiekeuze voor het bedrijfsterrein (paragraaf 1.2) nader in beeld gebracht. Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de milieueffecten nader in beeld gebracht. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de referentiesituatie (paragraaf 2.3), het beoordelingskader (paragraaf 2.4), de berekeningen voor stikstof (paragraaf 2.5), de mitigerende maatregelen voor de wulp (paragraaf 2.6), de cumulatieve effecten van geluid (paragraaf 2.7), de effecten op de luchtkwaliteit (paragraaf 2.8), de bodemaspecten (paragraaf 2.9), hoogwaterveiligheid (paragraaf 2.10) en de monitoring en evaluatie van milieueffecten (paragraaf 2.11).

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

7

WILLEMSPOLDER FASE 1

1. Toekomstige situatie en locatie bedrijfsterrein 1.1. Inleiding

ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

In deze aanvulling op het MER wordt een volledig beeld gegeven van de situatie na herinrichting van de uiterwaard. Waar in het MER de aandacht vooral uitging naar de doelen bouwgrondstoffenwinning, hoogwaterveiligheid, natuurontwikkeling en landschap en recreatie wordt in deze aanvulling met name nadere aandacht gegeven aan de invulling van het vijfde doel, duurzaamheid en mobiliteit. Deze doelstelling komt fysiek tot uiting op het bedrijfsterrein met bouwstoffenHUB.

1.1.1 Beoogd gebruik en inrichting Om invulling te geven aan de doelstellingen voor Duurzaamheid & Mobiliteit voorziet het plan in een duurzame invulling van het bedrijfsterrein. Het ontwerpuitgangspunt voor revitalisering van het bedrijfsterrein is omvorming naar een duurzaam grondstoffencentrum met haven voor scheepvaartmobiliteit (bouwstoffenHUB). De omvorming van het bedrijfsterrein vindt plaats in de realisatiefase van Willemspolder fase 1 en is permanent. In die zin staat de ontwikkeling van de bouwstoffenHUB (permanent) los van de delfstoffenwinning in het gebied (tijdelijk).

Afbeelding 1: verbeelding bedrijfsterrein in Landschapsplan

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

8

WILLEMSPOLDER FASE 1

Op het bedrijfsterrein worden de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Haven voor scheepvaart, onderwateropslag / overslag / bewerking bouwgrondstoffen 2. Depot voor opslag bouwgrondstoffenopslag op land 3. Opslag materieel en duurzame startups, op buitenterrein 4. Bedrijfshal voor ondersteunende bedrijfsactiviteiten en duurzame startups 5. (en 6) Resterend terrein voor logistiek, opslag en parkeren

Afbeelding 2: Indeling en gebruik bedrijfsterrein (niet op schaal zie kaart 1)

Toelichting op de activiteiten

Ad 1) Haven voor scheepvaart, onderwateropslag, overslag en bewerking bouwgrondstoffen Het voorkeursalternatief gaat uit van een kleinere haven dan in het basisalternatief. Daardoor hoeft de pyrietstort niet te worden afgegraven en is hiervoor ook geen depot ten oosten van het bedrijfsterrein nodig. In plaats daarvan wordt het landdeel van de bedrijfsbestemming op het pyrietstort aangelegd. Deze saneringsvariant (afdekking) is in overleg met provincie Gelderland de meest geëigende methode gebleken.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

9

WILLEMSPOLDER FASE 1

Tijdelijke situatie: aanleg haven In de tijdelijke situatie wordt de haven door middel van ontgronding en herinrichting gerealiseerd. Dit betreft deelgebied G (zie vakverdeling in afbeelding 34) van de ontgronding. Naar verwachting wordt de haven bij de start van de ontgronding gerealiseerd en is de nieuwe bestemming ‘Bedrijf’ na 4 jaar (medio 2026) operationeel. In de haven wordt gebruik gemaakt van natuurlijke taluds, er zijn geen damwanden voorzien. In de onderstaande uitsnede van het technisch ontwerp zijn de bestaande, tijdelijke en eindsituatie van de haven aangegeven. De bestaande situatie is aangegeven met de luchtfoto die als basis van de illustratie dient. Door een rode lijn met bolletjes is de insteek van de ontgronding aangegeven in de tijdelijke situatie. In deze situatie wordt er een ‘hoek’ uit het bestaande omgevormd van land naar water. Met groene lijnen zijn de taludlijnen in de eindsituatie aangegeven. In deze situatie is door aanvulling van de ontgronding aan de noordzijde van de haven een wal ontstaan. Met een oranje markering is de permanente bestemming ‘Bedrijf’ aangegeven.

Afbeelding 3: Tijdelijke situatie ontgronding

Legenda: zie kaart 11 bij MER

Specificatie tijdelijke situatie ontgronding haven ACTIVITEIT

LOCATIE

Ontgronden Haven maakt van de haven onderdeel uit van ontgronding, Deelgebied G (zie paragraaf 2.6)

Inrichten laad-/ loskade

OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Oppervlakte haven: 2,14 ha Maaiveldniveau: 10.5 m+NAP Talud 1:3 naar gemiddeld waterniveau: 4,50 m+NAP Talud 1:4 naar bodem haven 14m-NAP tot max. 20m-NAP

Oppervlakte droog grondverzet circa 4 ha Circa 500 dagen zuiger / klasseerinstallatie

Totaal volume van G: 1.546.400 m3 Bovengrond: 70.386 m3 Klei: 32.268 m3 Zand: 1.443.747 m3 1 miljoen m3 terug aanvullen

Kade bij insteek haven, Werkstrook aan noord- en inclusief werkstroken zuidzijde haven van 10 meter aan noord- en zuidzijde breed (op 10.5 m+NAP)

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

10

170 m x 10 m: 1.700x m2 Geen damwanden in Circa 2 dagen asfalteer haven. Aanbrengen set meerpalen schepen / stutpalen loskraan

WILLEMSPOLDER FASE 1

Specificatie haven ACTIVITEIT

LOCATIE

OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Haven voor scheepvaart, onderwateropslag / overslag / bewerking bouwgrondstoffen

Haven

Gemiddeld waterniveau is 4,5 m+NAP. Diepte haven is circa 15 m-NAP. Wateroppervlak haven: 2,14 ha

Beschikbaar volume onderwateropslag is 119.000 m³ (bij waterdiepte 4 meter). Ruimte voor klasseerinstallatie en twee schepen.

In de haven moet minimaal 4 meter diepgang overblijven om te varen met een beladen schip.

In onderstaande afbeelding 4 is een plattegrond van de haven weergegeven. Hierop zijn de zichtwalen, werkstroken en de haven zelf (met klasseerinstallatie en twee schepen) aangegeven. In afbeelding 15 is een dwarsdoorsnede van de haven weergegeven, waarbij ook de zichtlijn vanaf de Waalbandijk is aangegeven.

A

B�

B

A�

Afbeelding 4: Bovenaanzicht haven met klasseerinstallatie en twee schepen

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

11

WILLEMSPOLDER FASE 1

A

A�

B

B�

Afbeelding 5: Schematische weergave onderwateropslag in haven

In de afbeelding 5 is de onderwateropslag in de haven schematisch weergegeven op basis van dwarsdoorsneden. In het voorkeursalternatief is geen sprake meer van een landinstallatie voor de bewerking van bouwgrondstoffen. In plaats daarvan wordt in de haven een zandzuiger en een drijvende klasseerinstallatie ingezet. Dat zijn vergelijkbare installaties zoals ook bij de ontgronding in het gebied wordt ingezet. Als maatgevende installatie wordt de Emmy – Yvonne van Dekker aangehouden.

Beschrijving Zandzuiger Emmy Onder het dek van de zandzuiger Emmy is een jetpomp geplaats. Deze jetpomp wordt aangedreven door een elektromotor van 250 kW. De jetpomp spuit water onder hoge druk tegen de vaste bodem van de plas waardoor het los komt. Het mengsel van zand, grind en water wordt door een zandpomp via een metalen buis opgezogen. De zandpomp wordt aangedreven door een elektromotor van 710 kW. Deze elektromotor is in een geluidsisolerende omkasting geplaatst. Het mengsel van zand, grind en water wordt vervolgens door middel van drijvende leidingen naar de klasseerinstallatie. Het akoestische bronvermogen van de elektrische zandzuiger Emmy is 95 dB(A). Dat is aanmerkelijk stiller dan de diesel aangedreven voorloper van deze installatie.

Afbeelding 6: Electrische zandzuiger Emmy

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

12

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 7: Electrische klasseerinstallatie Yvonne

Beschrijving Klasseerinstallatie Yvonne Hieronder is een procesbeschrijving gegeven aan de hand van een schematische weergave van de werking van klasseerinstallatie Yvonne. Het akoestische bronvermogen van de klasseerinstallatie is 113 – 116 dB(A).

PROCESBESCHRIJVING

Door de zandzuiger wordt het ongesorteerde mengsel van zand en grind met een pers­ leiding in de klasseerinstallatie gebracht. De eerste stap is een scheiding in zand (0-2mm), grind (> 2 mm) en de ‘overmaat’ grind (> 32 mm). Het zand (fractie 0-2 mm) wordt ontdaan van houtresten en ontwaterd. Het zand wordt gescheiden in grof en fijn zand en in silo’s opgeslagen. Het grind wordt gewassen, gezeefd, ontdaan van houtresten en opgeslagen in een grindsilo. Het grovere grind wordt gebroken en weer toegevoegd aan het klasseerproces. Het fijnere grind (kif) wordt toegepast als bestanddeel van het industriezand. Eventueel kan grind (5-16 mm / 16-32 mm) ook als een afzonderlijk product worden verladen naar schepen en afgevoerd. Op recept van de afnemer worden de drie deelproducten grof zand, fijn zand en grind (kif) samengevoegd tot industriezand en via transportbanden verladen naar schepen. Afbeelding 8: processchema Yvonne

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

13

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 9: Combinatie zandzuiger en klasseerinstallatie in de praktijk (zowel tijdelijke situatie als eindsituatie)

De ontgrondingsactiviteit in het gebied is tijdelijk en mobiel en de bedrijfsbestemming is permanent en aan een vaste locatie gebonden. Er is in de tijdelijke situatie geen sprake van gelijktijdige inzet van twee klasseerinstallaties.

Specificatie bewerking bouwgrondstoffen in haven ACTIVITEIT

LOCATIE

Productie industriezand

Met drijvende Klasseerinstallatie is Productiecapaciteit klasseerklasseer­installatie ca. 20 breed x 80 meter installatie is ca. 1 miljoen en zandzuiger in haven lang x 13 meter hoog ton industriezand per jaar (250 werkdagen). Maximaal 4 schepen per dag

OMVANG

CAPACITEIT

Afbeelding 10: fotocollage Klasseerinstallatie Yvonne

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

14

WILLEMSPOLDER FASE 1

OPMERKINGEN Klasseerinstallatie kan ook buiten de locatie op projecten worden ingezet en is daardoor naar verwachting niet altijd aanwezig.

CEMTKLASSE

RWSKLASSE

TYPE

LENGTE

BREEDTE

DIEPGANG GELADEN

STRIJKHOOGTE LEEG/GELADEN

RA

Open boot

5,5

2,00

0,50

2,00

RB

Kajuitmotorboot

9,5

3,00

1,00

3,25

RC

Motorjacht

15,0

4,00

1,50

4,00

Zeilboot

15,0

4,00

2,10

30,00 [4]

RD 0

M0

Kleinere vaartuigen

LAADVERMOGEN (TON)

<250

I

M1

Spits

38,50

5,05

2,5

4,65/3,35

251-400

II

M2

Kempenaar

50-55

6,6

2,6

5,8/4,6

401-650

III

M3

Hagenaar

55-70

7,2

2,6

6,3/5,1

651-800

III

M4

Dortmund-Eemskanaalschip

67-73

8,2

2,7

6,3/5,1

901-1050

III

M5

Verl. Dortmund-Eemskanaalschip

80-85

8,2

2,7

6,3/5,1

1051-1250

IVa

M6

Rijn-Hernekanaalschip

80-105

9,5

2,9

6,7/5,3

1251-1750

IVa

M7

Verl. Rijn-Hernekanaalschip

105

9,5

3,0

6,7/5,3

1751-2050

Va

M8

Groot Rijnschip

110

11,4

3,5

7,1/5,4

2051-3300

Va

M9

Vb

Verl. Groot Rijnschip

135

11,4

4,0

7,1/5,4

3301-4000

Duwkonvooi met 1×2 bakken in de lengte

170-190

11,4

3,5-4,0

9,1

3951-7050

VIa

M10

Maatgevend schip

110

13,5

4,0

7-9,1

4001-4300

VIa

M11

Maatgevend schip

135

14,20

4,0

7-9,1

4301-5600

VIa

M12

VIb

Rijnmax schip

135

17,0

4,0

7-9,1

>5601

Duwkonvooi met 2×2 bakken naast elkaar

185-195

22,8

3,5-4,0

7-9,1

6400-12000

VIc

Duwkonvooi met 3x2 bakken naast elkaar

270

22,8

3,5-4,0

9,1

9600-18000

VIIa

Duwkonvooi met 2×3 bakken naast elkaar

195

34,2

3,5-4,0

9,1

14500-27000

Afbeelding 11. Scheepvaartklasse

Motivatie van het gehanteerde scheepstype Op basis van de Richtlijnen Vaarwegen 2011 van Rijkswaterstaat zijn de verschillende scheepstypen ingedeeld op basis van CEMT-klasse en RWS-klasse, aangevuld met de recreatie klassen RA t/m RD. Voor het transport van bouwgrondstoffen op de Waal zijn verschillende scheepstypen in gebruik. Hieronder wordt de minimale, maximale en gemiddelde capaciteit van de schepen weergegeven die worden gebruikt. De kleinere scheepstypen (CEMT-klasse 0 t/m IVa, RWS-klasse M0 t/m M7) worden voornamelijk gebruikt voor de bevoorrading van afnemers aan kleiner vaarwater. De kleinere schepen die Dekker gebruikt (Cotrans schepen) hebben een lengte van ca. 70 meter, een breedte van ca. 7,50 meter, een geladen diepgang van ca. 3 meter en een tonnage van ongeveer 1000 ton. Als minimale capaciteit wordt 1000 ton per schip aangehouden. Het grootste scheepstype dat door Dekker wordt gebruik is een duwconvooi van 1x2 bakken in de lengte (CEMT-klasse Vb). Dit scheepstype heeft een lengte van 170 tot 190 meter, een breedte van 11,4 meter, een geladen diepgang van 3,5 – 4 meter en een tonnage van 3951 tot 7050 ton. Het duwconvooi kan als geheel de haven invaren, maar de bakken kunnen ook afzonderlijk de haven ingevaren worden.

Het type duwconvooi dat door Dekker wordt gebruikt heeft een capaciteit van ongeveer 4000 ton per schip, dit wordt als maximale capaciteit aangehouden. In hoofdzaak gebruikt Dekker het Groot Rijnschip (CEMT klasse Va / RWS-klasse M8). Dit schip heeft een lengte van 110 meter, een breedte van 11,4 meter, een geladen diepgang van 3,5 meter en een tonnage van 2051-3300 ton. Gemiddeld is sprake van een laadvermogen van 2500 ton per schip, dit wordt als gemiddelde capaciteit aangehouden.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

15

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 12: belading van schepen

Ad 2. Depot voor opslag bouwgrondstoffenopslag op land Op het landgedeelte van de bedrijfsbestemming vindt op- en overslag van bouwgrondstoffen plaats. Aan- en afvoer van bouwgrondstoffen vindt plaats per schip via de haven. Dit sluit aan bij de landelijke en provinciale doelen om vervoer per schip te stimuleren. Voor het inrichten van het bouwgrondstoffendepot is in de realisatiefase ongeveer 60 dagen een set materieel (mobiele kraan / vrachtwagen) actief.

Specificatie depot opslag bouwgrondstoffen op land ACTIVITEIT

LOCATIE

OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Opslag bouwgrondstoffen

Depot

Oppervlakte ca. 2,7 ha Maaiveldniveau: circa 10.5 m+NAP. Hoogte depot maximaal 20 m+NAP. Depot is circa 9,5 meter hoog

Op basis van maximale afmetingen: 260.000 m3 opslag van bouwgrondstoffen. Maximaal 2 schepen per dag.

Hoogte depot is gelijk aan hoogte van de bebouwing en van wal met begroeiing. Evt. vakken inrichten met keerwanden

Afbeelding 13: Dwarsprofiel depot opslag bouwgrondstoffen op land

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

16

WILLEMSPOLDER FASE 1

Ad 3. Opslag materieel / duurzame startups op buitenterrein De bestaande opslag van materieel op het bedrijfsterrein wordt voortgezet. Het gaat daarbij met name om onderdelen van materieel voor de winning en productie van bouwgrondstoffen, zoals zeven, transportbanden pompen, leidingen en dergelijke. Mede naar aanleiding van de ontwikkelsuggesties van de gemeente worden startende duurzame bedrijven als passende kleinschalige bedrijvigheid aangemerkt. Gedacht wordt aan innovaties zoals productie van waterstof in een vloeibare vorm voor duurzame scheepvaart. Omdat op voorhand de aard en omvang van de startende duurzame bedrijvigheid lastig kan worden ingeschat worden deze activiteiten op basis van kentallen beperkt tot een maximaal beschikbare milieugebruiksruimte. De voornaamste milieuaspecten voor de omgeving zijn geluid en externe veiligheid. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een continue puntbron voor de waterstofactiviteit van 100 dB(A). Omdat het gaat om een startup is de omvang van de installatie beperkt tot een paar zeecontainers. Levering van waterstof in een vloeibaar medium aan schepen in de haven is Afbeelding 14: referentiebeelden mogelijk. Gedacht moet worden aan het bevoorraden van 2 schepen per bestaande opslag materieel dag. Verwezen wordt naar de beschrijving in bijlage 16 van het MER en bijlage 6 van deze aanvulling.

Voor overige duurzame startups op het buitenterrein wordt uitgegaan van een gemiddeld akoestisch bronniveau van 65 dB(A) per m2. Daarbij wordt voldaan aan de berekende geluidscontour die in het bestemmingsplan is opgenomen. Verwezen wordt naar bijlage 13 van het MER en bijlage 3 van deze aanvulling. Voor externe veiligheid wordt uitgegaan van de berekende risicocontour (10-6/jaar) voor de productie, op- en overslag van waterstof. Deze contour treedt net buiten de eigen inrichtingsgrens, maar raakt geen bebouwing omdat de contour op openbaar water is gelegen. Het groepsrisico blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Verwezen wordt naar bijlage 16 van het MER en bijlage 6 van deze aanvulling.

Specificatie opslag materieel / duurzame startups op buitenterrein ACTIVITEIT

LOCATIE

OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Opslag materieel en Duurzame startups

Buitenterrein

Ca. 5000m2 op buitenterrein

Blijft binnen milieugebruiksruimte van 65 dB(A) / m2, continue puntbron van 100 dB(A) en berekende geluids- en risicocontour

Milieugebruiksruimte wordt in omgevingsvergunning milieu nader vastgelegd

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

17

WILLEMSPOLDER FASE 1

Ad 4. Bedrijfshal voor ondersteunende bedrijfsactiviteiten en duurzame startups De oude bebouwing op het bedrijfsterrein wordt vervangen door een nieuwe bedrijfshal voor opslag van materieel en ondersteunende werkzaamheden. Daarnaast biedt de hal ruimte aan duurzame startups. De kantoorfunctie in de voormalige bedrijfswoning blijft bestaan. De opwekking van groene energie vindt plaats door middel van zonnepanelen op het water in het plangebied en op het dak van de bedrijfshal op het bedrijfsterrein. Gemeente Neder-Betuwe heeft aangegeven in deze fase geen medewerking te verlenen aan de plaatsing van windmolens. Daarom zijn de windmolens uit het voorkeursalternatief niet opgenomen in het bestemmingsplan en de vergunningaanvragen. Voor het slopen van de bestaande bedrijfsbebouwing van de voormalige steenfabriek is ongeveer 20 dagen een set sloopmaterieel actief. Voor het bouwen van de nieuwe bedrijfshal en het aanbrengen van zonnepanelen op het dak is ongeveer 100 dagen een set bouwmaterieel actief.

Specificatie opslag materieel / duurzame startups op buitenterrein OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Ondersteunen- Bedrijfshal de activiteiten

ACTIVITEIT

LOCATIE

5000 m2 (circa 120 m x 42 m) Nokhoogte 20 m+NAP / (circa 9,5 meter hoog bij een maaiveld van 10.5 m+NAP)

Opslag materieel, klein onderhoud en kleine reparaties materieel

Materieel en materialen die gevoelig zijn voor weersinvloeden worden binnen opgeslagen. Groot onderhoud wordt uitbesteed.

Opwekking duurzame energie

Dak bedrijfshal

5000 m2

424 MWh

1500 panelen x 300 Wp = 0,45 MWp x opbrengst 930kWh/ kWp = 424 MWh

Duurzame startups

In bedrijfshal

Maximaal de helft van de bedrijfshal: 2500 m2

Blijft binnen milieugebruiksruimte van 65 dB(A) / m2, continue puntbron van 100 dB(A) en berekende geluidsen risicocontour

Milieugebruiksruimte wordt in omgevingsvergunning milieu nader vastgelegd.

Ad 5. Resterend terrein voor logistiek, opslag en parkeren Het resterende bedrijfsterrein heeft een logistieke functie: opslag, overslag, intern transport en parkeren. Het bedrijfsterrein wordt hiertoe geëgaliseerd en verhard, waarbij tevens de laad-/loskade (inclusief werkstroken aan noord- en zuidzijde) wordt ingericht. De bestaande inrichting van het terrein wordt verwijderd door middel van slopen van de bebouwing en het verwijderen begroeiing, hekwerken en bestaande verhardingen. De grondwallen aan de noord- en zuidzijde van het bedrijfsterrein worden aangelegd met de vrijkomende dekgrond en aangeplant met bomen en struweel. Door de inpassing van het bedrijfsterrein met een groene wal met bomen gaat het terrein op in het landschap. Dit werkt ook positief uit voor het milieu, met name voor geluid. Uit veiligheidsoogpunt wordt het terrein met hekwerk beveiligd tegen betreding door onbevoegden.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

18

WILLEMSPOLDER FASE 1

ACTIVITEIT

LOCATIE

OMVANG

Aanbrengen grondwallen

Aan noord- en zuidzijde bedrijfsterrein

Maaiveldniveau: 10.5 m+NAP. Circa 13.000m3 grond in de Hoogte grondwal 15.0 m+NAP wallen 10 dagen grondwerk / 1 set droog grondverzet (circa 4,5 m+mv). Hoogte beplanting: 20 m+NAP

CAPACITEIT

OPMERKINGEN Grondwal zoveel mogelijk laten aansluiten bestaande terreinhoogte

Opschonen Gehele terrein terrein: verwijderen opslag materialen, begroeiing, hekwerk en bestaande verhardingen

oppervlakte ca. 9,8 hectare

10 dagen set mobiele kraan / vrachtwagen

Overlap met voorbereidende werkzaamheden bij afruimen dekgrond

Aanbrengen nieuwe verhardingen en hekwerk

Met grijs aangegeven op inrichtingsplan

Ca. 6,0 hectare verhard oppervlak

10 dagen asfalteer set 5 dagen set mobiele kraan 2 / vrachtwagen

Ca. 2,8 hectare haven Ca. 0,5 ha bebouwd Ca. 0,5 ha onverhard Ca. 6,0 hectare verhard

Overslag bouwgrondstoffen

Kade incl. werkstroken en wegen

500.000 ton aan- en afvoer per jaar

500.000 ton per jaar Overslag met mobiele loskraan /Intern transport met 2 vrachtwagens / mobiele kraan en shovel op depot

4 schepen van 2500 ton aanvoer per week en 10 schepen van 1000 ton afvoer per week. Maximaal 2 schepen per dag.

Parkeren bedrijfsactiviteiten

Oostelijk van depot en bedrijfshal

4000 m2

13 Vervoersbewegingen per dag: 1 Vrachtwagen 3 Bestelwagens 10 Personenwagens

Betreft personeel en aanvoer van benodigdheden. Aan en afvoer bouwgrondstoffen gebeurt per schip.

1.1.2 Visualisaties In deze aanvulling op het MER zijn visualisaties van de toekomstige situatie van de bouwstoffenHUB (inclusief grondwal), de windmolens en het terrein van de steenfabriek opgenomen. Op deze wijze wordt inzichtelijk gemaakt hoe omwonenden en recreanten het gebied in de nieuwe situatie beleven. Gelet op de landschappelijke inpassing van de bedrijfsbestemming en de bestaande begroeiing met ooibos zal het landschappelijke beeld in de eindsituatie niet wezenlijk verschillen van de referentiesituatie. De volgende paragraaf geeft inzicht in de eindsituatie op het bedrijfsterrein. Vanuit de verschillende zijden van het bedrijfsterrein heeft geen enkele woningen direct zicht op de bedrijfsbestemming. De landschappelijke inpassing met begroeide grondwallen rond het bedrijfsterrein zorgt ervoor dat de bedrijfsbestemming ook vanaf de Waalbandijk en vanuit het gebied vrijwel niet zichtbaar is. De grondwallen hebben een hoogte van circa 4.5 meter boven het maaiveld. Het Maaiveldniveau is ongeveer 10.5 m+NAP en de grondwallen worden op een hoogte 15.0 m+NAP aangelegd. De grondwallen worden beplant met bomen en struweel (gebiedseigen soorten). Uitgaande van een begroeiing van ongeveer 5 meter wordt een afschermende werking op 20.0 m+NAP gerealiseerd. Dat komt overeen met de maximale hoogte van de nieuwe bedrijfshal en het bouwgrondstoffendepot op land.

Doordat het bestaande ooibos aan de noordzijde van het bedrijfsterrein gehandhaafd blijft is er vanuit de referentiesituatie al sprake van een visuele afscherming van het bedrijfsterrein. Op kaart 2 in de bijlagen zijn de zichtlijnen vanaf de Waalbandijk op het bedrijfsterrein in beeld gebracht aan de hand van twee dwarsprofielen.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

19

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 15: zichtlijnen bedrijfsterrein ter hoogte van haven vanaf Waalbandijk

De invloed van verlichting (dag- en nachtsituaties) en het seizoen op de visuele beleving is beperkt. Het bedrijfs­terrein is alleen in de dagperiode (7.00 – 19.00 uur) in bedrijf, terwijl het recreatief gebruik van zonsopgang tot zonsondergang plaatsvindt. Buiten bedrijfstijden wordt geen verlichting gebruikt, behalve wanneer deze uit veiligheidsoogpunt is voorgeschreven (bijvoorbeeld voor de scheepvaart). Er zijn geen woningen met direct zicht op de bedrijfsbestemming, zodat voor hinderlijke instraling van licht niet hoeft te worden gevreesd. Bij de visualisaties is gebruik gemaakt van zichtpunten vanuit het gebied zelf (zichtpunt1: vanaf landtong aan overzijde plas) en vanaf de overzijde van de Waal (zichtpunt 2: ter hoogte van kruising Waalbandijk en Havenkade Beneden-Leeuwen. Vanaf de Waalbandijk aan de zijde van IJzendoorn is het bedrijfsterrein vrijwel niet zichtbaar door de bestaande begroeiing met ooibos. Vanaf de Waalbandijk aan de zijde van beneden-

Afbeelding 16: locaties zichtpunten (zichtpunt 1: vanuit gebied / zichtpunt 2: vanuit Beneden-Leeuwen)

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

20

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 17: Bestaande situatie, zicht op bedrijfsterrein van vanuit plangebied (zichtpunt 1)

Leeuwen is bedrijfsterrein vrijwel niet zichtbaar door de bestaande begroeiing met ooibos in het natuurgebied Kaliwaal. Zichtpunt 1 en 2 geven het meeste zicht op het bedrijfsterrein en worden als maatgevend aangehouden. In de bestaande situatie is het zicht op het bedrijfsterrein zeer beperkt. Vanaf de Waalbandijk is het bedrijfsterrein niet of nauwelijks zichtbaar. Ook vanuit het gebied zelf is het bedrijfsterrein en de bestaande bebouwing slechts beperkt zichtbaar. De bestaande begroeiing met ooibos zorgt voor een natuurlijke visuele afscherming. Vanaf de zijde van Beneden-Leeuwen (gezichtspunt 2: ter hoogte van kruising Waalbandijk en Havenkade Beneden-Leeuwen) is het bestaande bedrijfsterrein iets beter zichtbaar. Tussen de begroeiing met

Afbeelding 18: Bestaande situatie gezien vanaf Waalbandijk Beneden-Leeuwen (zichtpunt 2)

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

21

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 19: Visualisatie toekomstige situatie bedrijfsterrein (zichtpunt 1)

ooibos kunnen de contouren van de bedrijfshallen en loswal worden herkend. Verder is er vanuit de zijde van Beneden-Leeuwen slechts beperkt zicht op het bedrijfsterrein door het aanwezige ooibos in het tussenliggende natuurgebied Kaliwaal.

Afbeelding 20: Visualisatie toekomstige situatie bedrijfsterrein (zichtpunt 2)

In de toekomstige situatie blijft het zicht op het bedrijfsterrein zeer beperkt. Vanaf de Waalbandijk is het bedrijfsterrein niet of nauwelijks zichtbaar. Ook vanuit het gebied zelf is het bedrijfsterrein, het bouwgrondstoffendepot op land, de bedrijfshal en de activiteiten in de haven slechts beperkt zichtbaar. De bestaande begroeiing met ooibos, aangevuld met de begroeide zichtwallen, zorgen voor een natuurlijke visuele afscherming. Vanaf zichtpunt 2 bij de kruising Waalbandijk en Havenkade te Beneden-Leeuwen zal de nieuwe bedrijfshal zichtbaar zijn tussen de bestaande begroeiing met ooibos. Ruimtelijk past dit bij een watergebonden bedrijfsbestemming aan een drukbevaren werkrivier als de Waal. De rest van het bedrijfsterrein en haven wordt uit het zicht onttrokken door de begroeide zichtwal. Verder is er vanuit de zijde van Beneden-Leeuwen slechts beperkt zicht op het bedrijfsterrein door het aanwezige ooibos in het tussenliggende natuurgebied Kaliwaal.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

22

WILLEMSPOLDER FASE 1

Afbeelding 21: Visualisatie inclusief toekomstige situatie bedrijfsterrein met windmolens (zichtpunt 1)

In de eindsituatie inclusief windmolens vormen deze duidelijk zichtbare elementen in het landschap. Gelet op de aanzienlijke hoogte van de windmolens kunnen redelijkerwijs geen voorzieningen worden getroffen om deze aan het zicht te onttrekken. Zoals eerder aangegeven is er momenteel geen medewerking voor de plaatsing van de windmolens en zijn deze niet opgenomen in het bestemmingsplan.

Afbeelding 22: Visualisatie inclusief windmolens (zichtpunt 2)

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

23

WILLEMSPOLDER FASE 1

1.1.3 Transport over de weg In de eindsituatie is geen sprake van het gebruik van vrachtwagens voor het transport van bouwgrondstoffen via de openbare weg. Zoals in paragraaf 1.1.1 van deze aanvulling is beschreven vindt de aan- en afvoer van bouwgrondstoffen plaats per schip. Voor ondersteunende bedrijfsactiviteiten en personeel is sprake van een beperkt aantal vervoersbewegingen via de weg. Ook in de tijdelijke situatie wordt het industriezand en de klei uit het gebied met schepen afgevoerd. Uit het oogpunt van duurzaamheid is het wenselijk dat de beschikbare klei in het gebied zo hoogwaardig mogelijk wordt gebruikt als grondstof voor de baksteenproductie en als klei voor het bouwen en versterken van dijken. Daarom is in de tijdelijke situatie rekening ook gehouden met: • de afvoer van klei per schip via een mobiel laadponton voor gebruik buiten het gebied; • de afvoer van klei met vrachtwagens door de uiterwaard (via de Waardweg) naar de in de Willemspolder gelegen steenfabriek Schipperswaard; • transport van dijkenklei met vrachtwagens naar het direct aangrenzende project Dijkversterking NederBetuwe.

Afbeelding 23: Transportroute (gele lijn) naar steenfabriek Schipperswaard in Willemspolder

Op basis van de grondbalans in paragraaf 5.1.1 van het MER is naar verwachting 640.000m3 klei geschikt voor gebruik als grondstof voor de baksteenproductie en als klei voor het bouwen en versterken van dijken. Het ontgraven van de klei en het interne transport in het gebied maakt onderdeel uit van het ‘droge grondverzet’ zoals beschreven in paragraaf 2.5 van het MER. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een hydraulische graafmachine + 3 vrachtwagens + 1 wiellader + 1 bulldozer (allen diesel). De globale planning en fasering is beschreven in figuur 23 van het MER en nader uitgewerkt in paragraaf 2.4 van deze aanvulling. Het afgraven van de kleilaag vindt gemiddeld maar 49 dagen per jaar plaats, maar kan in verband met het dijkverzwaringsprojecten of grote vraag van de markt in een bepaald jaar langer of korter duren dan de gemiddelde 49 dagen. De vermarktbare klei wordt door de Willemspolder afgevoerd naar steenfabriek Schipperswaard (10%) of wordt via een laadponton afgevoerd per schip (90%). Voor de kleitransporten via de Waardweg naar de naastgelegen steenfabriek wordt uitgegaan van 52 vrachtwagens per dag. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

24

WILLEMSPOLDER FASE 1

Op een beperkt aantal dagen per jaar is er sprake van een drukkere verkeerssituatie in de Willemspolder op de Waardweg. In de referentie situatie is overigens sprake van vergelijkbare verkeersbewegingen omdat firma Wienerberger voor de steenfabriek Schipperswaard in de Willemspolder actieve kleiwinningen exploiteert Afbeelding 24: verlading van klei naar schepen met laadbrug en er jaarlijks sprake is van kleitransporten in de Willemspolder via de Waardweg. Er zijn geen effecten op de verkeershinder en -veiligheid op de Waalbandijk en andere wegen. De effecten van deze verkeerbewegingen zijn getoetst aan de circulaire indirecte verkeershinder. In figuur 4.1 van het aanvullend akoestisch onderzoek in bijlage 3 zijn de geluidcontouren gepresenteerd ten gevolge van deze vrachtwagens. Bij de woningen in de omgeving kan ruimschoots voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) zoals opgenomen in de Circulaire ‘Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.’. Gelet op de fase waarin het project Dijkversterking Neder-Betuwe verkeert is er nog geen concreet zicht op de levering van dijkenklei. Op het moment dat het project is aanbesteed kunnen er met een aannemer nadere afspraken worden gemaakt en zullen hiervoor separaat de benodigde vergunningen en toestemmingen worden geregeld.

Naar verwachting zal het kleitransport vanuit het projectgebied plaatsvinden met vrachtwagens via een rijplatenbaan naar het werkgebied van het direct aangrenzende project Dijkversterking Neder-Betuwe. Hieronder wordt de representatieve bedrijfssituatie voor de afvoer van klei in de tijdelijke situatie nader beschreven:

ACTIVITEIT

LOCATIE

OMVANG

CAPACITEIT

OPMERKINGEN

Kleitransport voor gebruik buiten het gebied

Verlading van vrachtwagens naar schip via mobiele laadbrug in het gebied. In het geluidmodel zijn voor het laadponton 2 posities (ten oosten en ten westen van vak C) opgenomen. Afvoer met schepen via bestaande verbinding naar de Waal.

Totale afvoer klei is 640.000m3. Naar verwachting is circa 90 % bestemd voor gebruik buiten het gebied: 576.000 m3

Productiecapaciteit hydraulische graafmachine is 2.500 m3/dag (4.000 ton/ dag) Totaal circa 230 dagen verdeeld over 6 jaren: circa 40 dagen per jaar Per dag worden maximaal 2 schepen met klei beladen.

Het laadponton zelf is geen relevante geluidbron. Alleen het achteruitrijden, het kiepen van de vrachtwagen inclusief de stort van de klei in het schip en het weer wegrijden van de vrachtwagen zijn relevante geluidbronnen.

Kleitransport voor gebruik in Steenfabriek Willemspolder

Transport met vrachtwagens door de uiterwaard (via de Waardweg) naar de in de Willemspolder gelegen steenfabriek Schipperswaard

Totale afvoer klei is 640.000m3. Naar verwachting is circa 10 % bestemd voor Steenfabriek Schipperswaard: 64.000 m3

Verwerkingscapaciteit op kleidepot van steenfabriek is ca. 1000 m3 per dag Totaal circa 64 dagen verdeeld over 6 jaren circa 11 dagen per jaar 52 vrachtwagens per dag naar steenfabriek en terug

De verkeersbewegingen blijven binnen de Willemspolder. Transport van klei via de Waardweg is een bestaande activiteit van Wienrberger. Er wordt niet gereden over de Waalbandijk.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

25

WILLEMSPOLDER FASE 1

1.1.4 Samenhang tussen MER en bestemmingsplan Windmolens In het MER worden de milieueffecten van 2 windmolens in het plangebied inzichtelijk gemaakt. Voor beide windturbines is uitgegaan van het referentiemodel Enercon E126 met een rotordiameter van 126m en een ashoogte van 135 meter of gelijkwaardig. Op basis van een nadere beschouwing door Pondera Consult (bijlage 19 bij MER) blijkt dat de op basis van de technologische ontwikkelingen steeds grotere en hogere windmolens worden toegepast. Gelet op de ruimtelijke beperkingen door aanwezigheid van het Natura 200 gebied en het Gelders Natuurnetwerk zijn de mogelijkheden voor een groter formaat windturbine beperkt. Windmolens van het referentiemodel of vergelijkbaar zijn nog steeds in diverse modellen beschikbaar en zijn effectief toepasbaar. De effecten op de natuur worden beschreven in bijlagen 7, 8 en 9 bij het MER. De geluidseffecten worden in bijlage 13 bij het MER beschreven. In bijlage 14 en 15 bij het MER zijn de effecten op luchtkwaliteit en stikstofdepositie bij de bouw van de windmolens beschouwd. In bijlage 17 bij het MER zijn de effecten op de externe veiligheid in beeld gebracht.

Ten slotte zijn in bijlage 19 de uitgangspunten van de referentiewindturbine gegeven, is een toetsing aan het beleid opgenomen en zijn de mogelijke mitigatie van visuele hinderaspecten en het effect op effecten straalpaden voor telecommunicatie beschouwd. 1 windmolen is geplaatst op het bedrijfsterrein en 1 windmolen is juist daarbuiten geplaatst. De posities zijn weergegeven op kaart 2 ‘Verbeelding Voorkeursalternatief’ en kaart 11 ‘Technisch ontwerp Voorkeursalternatief’. De locaties van de twee windturbines zijn in het voorkeursalternatief iets gewijzigd ten opzichte van het basisalternatief om de effecten op het Gelders Natuurnetwerk zoveel als mogelijk te beperken.

Situatie zonder windmolens Gemeente Neder-Betuwe heeft aangegeven in deze fase geen medewerking te verlenen aan de plaatsing van windmolens. Daarom zijn de windmolens uit het voorkeursalternatief niet opgenomen in het bestemmingsplan en de vergunningaanvragen. In deze aanvulling op het MER zijn de effecten op de doelstellingen en de milieuaspecten van de situatie zonder windmolens in beeld gebracht.

Effecten op de doelstellingen De twee windmolens leveren een substantiële bijdrage aan de gewenste duurzame energievoorziening. De Opbrengst aan duurzame energie van 2 windturbines is 18.000 MWh, op basis van 3000 vollasturen en een opbrengst van 2 x 3 MW. In de situatie zonder windmolens vervalt daardoor bijna 80% van de totale energieopbrengst van circa 23.000 MWh. Voor de duurzaamheidsdoelstellingen betekent dit een significant negatief effect.

Afbeelding 25: Locatie windmolens

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

26

WILLEMSPOLDER FASE 1

Om de toekomstige ontwikkeling van een Clean Energy Hub in IJzendoorn mogelijk te maken is de duurzaam opgewekte energie van de windmolens wenselijk voor het elektrisch laden van binnenvaartschepen of voor de productie van waterstof voor de inzet als scheepvaartbrandstof. Om de doelstellingen op basis van de Regionale Energiestrategie (RES) in de toekomst te kunnen behalen wordt verwacht dat alle mogelijke windenergieprojecten ook gerealiseerd dienen te worden. De beleidsmatige keuze of windmolens in de toekomst op deze locatie passend zijn wordt overgelaten aan de beoordeling van het bevoegd gezag. Het project blijft in deze fase ruimte bieden aan een drijvend zonnepark van ongeveer 6 ha en 5.000 m² zonnepanelen op het dak van de nieuwe bedrijfshal. De verwachte energieopbrengst hiervan is 4.774 MWh. Het verbruik van het eigen materieel van Dekker is 2.130 MWh. Er resteert 2.644 MWh voor duurzame initiatieven en participatie van de omgeving in duurzame energie. De resterende hoeveelheid energie komt overeen met het verbruik van 881 huishoudens. In de situatie met windmolens zouden 6000 extra huishoudens kunnen participeren in de energieopbrengst (totaal: 6.881 huishoudens).

Milieueffecten De situatie zonder windmolens heeft een positief effect op beschermde natuurwaarden omdat er sprake is van minder verstoring, sterfte veroorzaakt door aanvaringen met windturbines is uitgesloten en er geen sprake is van overdraai boven het Gelders Natuurnetwerk. Ook vervalt er een er geluidsbron in het gebied en is er geen sprake van uitstoot naar de lucht tijdens de bouw van de windmolens. De beschreven effecten op het gebied van slagschaduw en externe veiligheid vervallen eveneens.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

27

WILLEMSPOLDER FASE 1

Het is evident dat de situatie zonder windmolens lokaal minder milieueffecten tot gevolg heeft. Het effect is echter beperkt omdat de voorspelde effecten naar verwachting wel binnen de kaders van beleid, wet- en regelgeving vallen. Hoewel dit moeilijk kwantificeerbaar is lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat 80% verlies van de duurzaamheidsdoelstellingen regionaal een negatief milieueffect heeft, omdat minder duurzame energie wordt opgewekt en meer fossiele brandstoffen worden toegepast. Dat heeft mogelijk meer uitstoot naar de lucht en meer stikstofdepositie tot gevolg. Toepassing van materiaal van buiten het gebied De toepassing van materiaal van buiten het gebied, zoals grond of waterbodem, bij de herinrichting van het plangebied is in paragraaf 3.1.1 van het MER onderzocht en beoordeeld als een mogelijke optimalisatie (nummer 1.4). 1.4 winlocatie aanvullen met extern aangevoerd materiaal Meer aanvulmateriaal betekent netto afvoer van bouwgrondstoffen. De ontgronding wordt daardoor beter benut. Als je een gebied aanpakt is het ook uit duurzaamheidsoogpunt negatief als je veel kostbaar materiaal laat zitten (wat in de toekomst dan misschien nog een keer moet worden gewonnen). Uit de extra opbrengsten kunnen extra optimalisaties worden bekostigd (gebiedsfonds). Er kan meer ondiep water worden gemaakt ten gunste van de Natuurdoelstelling.

Ook kan de land-waterverhouding verder worden verbeterd ten gunste van het landschap. Het draagvlak voor aanvullen met extern materiaal is momenteel moeilijk in te schatten. In lijn met het NRD wordt deze optimalisatie niet in het voorkeursalternatief en de vergunningsaanvragen opgenomen. In een later stadium kan deze optimalisatie worden heroverwogen en alsnog worden benut.

In lijn met het Notitie Reikwijdte en Detailniveau is deze optimalisatie om extern materiaal aan te voeren niet in het voorkeursalternatief opgenomen. Dat heeft vooral te maken met een gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor deze activiteit. Deze optimalisatie is daarom ook niet uitgewerkt in het (voorontwerp) bestemmingsplan en wordt ook niet opgenomen in de vergunningsaanvragen. In paragraaf 2.7. wordt nader op dit onderwerp ingegaan. Vertaling van uitgangspunten in bestemmingsplan en vergunningen Naar verwachting van de bij het MER betrokken experts voldoen het voorkeursalternatief en de tijdelijke situatie aan de wettelijk gestelde eisen. Voor een aantal aspecten is een nadere uitwerking in de vergunningaanvragen nodig. De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de effectbeoordeling in het MER worden door Dekker als initiatiefnemer opgenomen in de vergunningaanvragen en de opzet van een (ontwerp) bestemmingsplan. Het wordt aan de beoordeling van het bevoegd gezag overgelaten op welke wijze deze uitgangspunten in besluiten worden vastgelegd. In de regels van het bestemmingsplan zijn de voornaamste uitgangspunten vertaald naar ruimtelijke kaders waarbinnen de ontwikkeling mag plaatsvinden.

In Artikel 3 van het bestemmingsplan is voor de bestemming Bedrijf onder andere geregeld: •d  at opslag van bouwgrondstoffen alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – depot’. Het gaat daarbij zowel om de onderwateropslag als het depot op land; • dat uitsluitend een drijvende

Afbeelding 26: verbeelding bedrijfsterrein in bestemmingsplan

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

28

WILLEMSPOLDER FASE 1

klasseerinstallaties is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - klasseerinstallatie’. Het betreft hier het wateroppervlak van de haven; • dat startende bedrijvigheid is toegestaan die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, energieopwekking en innovatieve ontwikkelingen; • dat de activiteiten zijn gebonden aan een maximale hoogte; • dat gebruik in de vorm van zelfstandige kantoren, detailhandel of bedrijfswoning niet is toegestaan; • dat de productie en/of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaats mogen vinden. Het bestemmingsplan is een ruimtelijk plan dat de kaders stelt waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. In de vergunningen, die daarnaast voor de activiteiten benodigd zijn, worden op een hoger detailniveau voorwaarden gesteld om de activiteiten uit te mogen voeren. Het ligt bijvoorbeeld niet voor de hand om de toepassing van grond of waterbodem in het bestemmingsplan te regelen. Hiervoor is het wettelijk instrumentarium van het Besluit bodemkwaliteit bedoeld. In de regel worden de uitgangspunten in relatie tot de milieueffecten (zoals geluid vanwege de ontgronding of het bedrijfsterrein) vastgelegd in een omgevingsvergunning, activiteit milieu op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo milieu).

Een voorbeeld daarvan is de aansluiting van schepen tijdens het verblijf in de haven op walstroom, ter voorkoming van emissies. In de vergunningaanvraag Wabo milieu wordt aangegeven dat er naast de klasseerinstallatie 2 schepen aanwezig kunnen zijn in de haven en dat voor anker liggende schepen buiten bedrijfstijd in de haven van stroom worden voorzien. Waar het bijvoorbeeld gaat om de stikstofuitstoot is de vergunning op grond de Wet natuurbescherming (Wnb) het geëigende instrument. Omdat de belangrijkste vergunningen op basis van de Ontgrondingenwet, Wet natuurbescherming, Waterwet, Wabo milieu gecoördineerd worden aangevraagd en de (ontwerp)besluiten gelijktijdig met het (ontwerp)bestemmingsplan ter inzage worden gelegd, wordt een compleet beeld gegeven van het samenstel van uitgangspunten, regels en voorschriften waarbinnen de activiteiten mogen plaatsvinden.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

29

WILLEMSPOLDER FASE 1

1.2 Locatiekeuze bedrijventerrein ADVIES COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de betekenis van het bestemmen van het hoogwatervrije terrein tot permanent bedrijfsterrein beter in beeld te brengen door: • te beschrijven welke keuzes bij het tot stand komen van de Gebiedsvisie Midden-Waal zijn gemaakt en hoe milieubelangen hierbij een rol hebben gespeeld. Het gaat daarbij in ieder geval om de keuze voor het hoogwatervrije terrein als opnieuw te ontwikkelen bedrijfsterrein; • te onderbouwen waarom er geen alternatieve locaties voor de bouwstoffenHUB zijn onderzocht binnen het gebied Midden-Waal en de Hotspot Rivierenland; • toe te lichten waarom het terrein van de voormalige steenfabriek als hoogwaardige en kadegebonden bedrijfsbestemming is te kwalificeren; • te laten zien in welke mate het afgraven van (een deel van) het hoogwatervrije terrein de ruimte voor de rivier kan vergroten, en welke potentiële bijdrage dit zou kunnen leveren aan een waterstandsdaling bij extreem hoge afvoeren van de Waal (in centimeters).

1.2.1 Beleid Nationaal beleid Volgens de Nationale Omgevingsvisie vormen onze rivieren belangrijke corridors voor de scheepvaart. Een groot deel van het (inter)nationale goederenvervoer via Nederland gaat over water. De vaarwegen bieden nog voldoende ruimte om veel meer goederen van weg naar water te verschuiven en daarmee de weg te ontlasten. Een gemiddeld binnenvaartschip kan de lading van 100–200 vrachtwagens vervoeren; een modal shift (van weg naar water) biedt daarom kansen. Tegen deze achtergrond is het van belang te werken aan de bevaarbaarheid, het functioneren van sluizen en stuwen, en de aanwezigheid van binnenhavens en ligplaatsen. Onderdeel van de mobiliteitsopgave uit het Novi is het voorkomen en oplossen van de (voorziene) knelpunten op weg, spoor en water. Dit vergt onder andere het bieden van ruimte voor de ontwikkeling van havens voor transport, ontvangst, opslag en handling van goederen. Op basis van de Afsprakenlijst Bestuurlijk Overleggen MIRT uit november 2018 hebben Rijkswaterstaat en Provincie Gelderland in 2019 een plan van aanpak gemaakt voor het ontwikkelen van een dekkend netwerk van duurzame energievulpunten: Clean Energy Hubs.

Provinciaal beleid Op basis van haar Omgevingsvisie en Omgevingsverordening streeft de provincie Gelderland naar het behouden en creëren van een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan kadegebonden bedrijventerreinen in Gelderland. Daarom bepalen de Gelderse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening dat bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten – zoals het geval is voor het bedrijfsterrein aan de Nieuweweg 2 – in bestemmingsplannen voor kadegebonden bedrijvigheid moeten worden bestemd. Gemeentelijk beleid Het bedrijfsterrein heeft de bestemming Baksteenfabriek op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied gemeente Echteld 1975. Voor het bedrijfsterrein is een watervergunning (voorheen vergunning Rivierenwet) van kracht, onder andere voor kaden, beplantingen, kunstwerken, het verankeren van baggerwerktuigen en vaartuigen en de invaart naar de Waal.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

30

WILLEMSPOLDER FASE 1

Op basis van de internationale klimaatafspraken (Parijs, 2015) en het nationale klimaatakkoord (2019) ontwikkelt Regio Rivierenland (fruitdelta) haar Regionale Energiestrategie. In het Gelders Energieakkoord is opgenomen dat de CO2-uitstoot in 2030 met 55% moet zijn verminderd ten opzichte van 1990. Als onderdeel daarvan wordt onderzocht waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden. In het kader van de RES 1.0 kijkt gemeente Neder-Betuwe met name naar mogelijkheden voor wind langs de A15 en Betuwelijn. Dit is echter een eerste stap richting de RES 2.0 in 2023, waarin nieuwe inzichten voor elektriciteit en warmte een plek krijgen. Voor gemeente Neder-Betuwe worden kansen voor wind en zon langs de Waal en voor kleinschalige zonnevelden op de oeverwallen beschreven. Daarnaast worden drijvende panelen op zandwinplassen, panelen op dijktaluds en bij de steenfabriek als mogelijkheid genoemd. Het plangebied is kansrijk omdat er voldoende ruimte en weinig bebouwing is.

1.2.2 Behoefte en alternatieven Dekker stelt een aantal randvoorwaarden aan een ontwikkelingslocatie voor bouwstoffenHUB, deze zijn: • Een kadegebonden bedrijfsterrein aan de Waal (in eigendom te verwerven); • Oppervlakte van ongeveer 10 hectare; • Haven van circa 3 hectare, met ruimte voor klasseerinstallatie en minimaal twee schepen; • Onderwateropslag in haven van meer dan 100.000m3; •O  ntsloten met een eigen invaart vanaf de Waal met voldoende diepgang; •P  ermanent hoogwatervrij bedrijfsterrein van ongeveer 7 hectare; •G  een onderdeel van Natura 2000 gebied en Gelders Natuurnetwerk; •V  oldoende milieugebruiksruimte voor op- overslag en bewerking van bouwgrondstoffen; •B  ouwvlak van circa 5000 m2; • Ontwikkelingsruimte voor duurzame initiatieven.

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

31

WILLEMSPOLDER FASE 1

In 2016 heeft Ecorys in opdracht van provincie Gelderland een behoefteonderzoek gedaan naar kadegebonden bedrijventerrein: “Behoefteonderzoek watergebonden en waterverbonden bedrijventerreinen Gelderland”. Het onderzoek maakt onderscheid tussen waterverbonden bedrijven die gebruikmaken van een kade maar goed op enige afstand van het water gelegen kunnen zijn (bijvoorbeeld bij containerterminals) en watergebonden bedrijven die direct aan het vaarwater liggen met vaak een eigen kade of gebruikmaken van een direct naastliggende openbare kade (vaak bulkbedrijven, zoals betonbedrijven, zand- en grindbedrijven, etc). De behoefte van Dekker gaat uit naar een watergebonden bedrijfsterrein met een eigen kade aan het vaarwater. Uit het onderzoek van provincie Gelderland uit 2016 blijkt dat voor watergebonden bedrijvigheid het aanbod aan grotere kavels (> 2 hectare en bij voorkeur nog groter) beperkt is en dat er in Rivierenland geen watergebonden aanbod aanwezig is. In het kader van deze aanvulling op het MER Willemspolder fase 1 is nader onderzoek gedaan naar de vestigingsmogelijkheden voor watergeboden bedrijvigheid. Daarbij zijn de potentiële vestigingslocaties uit het onderzoek van Ecorys uit 2016 opnieuw onderzocht. Er zijn op basis van de actuele inzichten geen potentiële ontwikkelingslocaties bijgekomen die in het onderzoek van 2016 nog niet in beeld waren.

De locaties Korevaar (Duiven/Westervoort), Middelwaard (Lienden), Riverstone (Rheden) voldoen niet aan de randvoorwaarden. Locatie Koningspleij is minder geschikt vanwege de ligging aan de Rijn, waar de bevaarbaarheid beperkter is dan aan de Waal. Het terrein van de voormalige steenfabriek Waalwaard is inmiddels door firma De Beijer als bedrijfsterrein in gebruik genomen. Ook de bedrijfsterreinen in de buurt bij Buren, Lingewaal – Appeldijk, Lingewaal – Mildijk, Neerijnen – Kerkewaard (Haaften), Tiel – Medel Rivierenland, Tiel / Neder-Betuwe – Medel II, Tiel – Kellen, Zaltbommel – De Neswaarden (Aalst), Zaltbommel – Poederoijen (Munnikenland), Zaltbommel – De Waal voldoen niet aan de randvoorwaarden voor een watergebonden bedrijfsterrein voor de opslag, overslag en bewerking van bouwgrondstoffen.

Afbeelding 27: onderzoeklocaties watergeboden bedrijvigheid

1 - Zaltbommel – Poederoijen (Munnikenland) 2 - Zaltbommel – De Neswaarden (Aalst) 3 - Zaltbommel – De Waal 4 - Lingewaal – Appeldijk (Koornwaard) 5 - Lingewaal – Mildijk (Waaloever)

6 - Neerijnen – Kerkewaard (Haaften) 7 - Tiel – Kellen 8 - Tiel – Medel Rivierenland en Medel II 9 - Buren – Roodvoet 10 - Buren – Tollewaard 11 - Middelwaard (Lienden)

AANVULLING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

32

WILLEMSPOLDER FASE 1

12 - Riverstone (Rheden) 13 - Korevaar (bedrijfsterrein in Rivierklimaatpark IJsselpoort) 14 - Koningspleij 15 - Dodenwaard – Waalwaard

Op basis van nader onderzoek in het kader van deze aanvulling op het MER komen geen beschikbare watergebonden bedrijfskavels aan de Waal naar voren met een geschikte ligging, omvang en functionaliteit. Deze conclusies worden bevestigd door het locatieonderzoek wat is uitgevoerd voor de hervestiging van het zand- en grindoverslagbedrijf De Beijer BV. In het MER (provincie Gelderland, d.d. 16 april 2013 met kenmerk BC3160) is uitgebreid onderzoek gedaan naar alternatieve locaties voor dit bedrijf dat voorheen in de Millingerwaard was gevestigd. Het locatieonderzoek van destijds is uitgevoerd met vergelijkbare randvoorwaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595336/1