CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 - Bijlage 8 bij MER Effectbeoordeling van de herinrichting op de kernkwaliteiten van het GNN en de GO

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen25.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.3 Bijzondere soorten In het GNN binnen de projectbegrenzing zijn geen op grond van de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen (Kurstjens & De Jong 2018). Wel zijn in agrarisch natuurbeheertype A02.01 groeiplaatsen van indicatieve en bedreigde soorten van de Rijn in Beeld-lijst gevonden: Gewone Vogelmelk, Goudhaver, Kamgras, Karwijvarkenskervel, Sikkelklaver en Veldgerst. Karwijvarkenskervel en Veldgerst staan ook op de Rode Lijst als kwetsbaar, Kamgras als gevoelig. In het GNN binnen de projectbegrenzing komen vier beschermde soorten voor: Bever, Buizerd, Havik en Ruige Dwergvleermuis (Kurstjens 2020.). Een territorium van de Bever is gelegen in N14.01 (rivieren beekbegeleidend bos), gelegen aan de zuidzijde van de meest oostelijk gelegen zandwindplas, vlakbij de oude steenfabriek. De Bever staat op de Rode Lijst met de status ‘gevoelig’. Een Bever heeft ongeveer 2 kilometer aan natuurlijke oever nodig als foerageergebied, waarvan 40% (800 meter) moet bestaan uit zachthoutooibos (Richtlijn inzake bever Project Stroomlijn; Kurstjens et al. 2014). Een paarverblijfplaats van de Ruige Dwergvleermuis én een havikshorst zijn gelegen in N12.02, in de bomen rondom de oostelijke zandwindplassen. Deze soorten staan echter niet op de Rode Lijst.

De Steenuil en de Kamsalamander (beide expliciet genoemd in de kernkwaliteiten in de Omgevingsverordening) komen in het GNN binnen de projectbegrenzing niet voor; er is geen (Kamsalamander) resp. nauwelijks (Steenuil) geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig.

4.4 Omgevingscondities 4.4.1 Water In de diepe plassen vindt ten opzichte van de ondiepere delen een hogere netto-sedimentatie plaats, wat positieve gevolgen heeft voor het doorzicht. Naarmate er minder zwevende deeltjes, waaronder algen, 20

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

in het water zijn, neemt de helderheid van het water toe. Volgens de kaart “Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen” van de Atlas voor de Leefomgeving (2016), is de ecologische kwaliteit van het water in de Waal ontoereikend. De zandwinplassen (N02.01) staan onder directe invloed van het rivierwater; de verwachting is dat de kwaliteit van het water in de zandwinplassen overeenkomt met de Waal, en dus een lage kwaliteit heeft. Wel is er een verschil in stroming en turbulentie tussen de rivier en de zandplassen.

4.4.2 Stilte, rust en duisternis De huidige geluidsituatie in het gebied wordt bepaald door de scheepvaart over de Waal, het wegverkeer over de Prins Willem Alexanderweg (N323) en de Waalbandijk, de inrichting van Dekker aan de Waalbandijk 1 en de schepen in de overnachtingshaven IJzendoorn. Metingen in en nabij het plangebied laten zien dat het geluidsniveau rond de 40 dB(A) ligt, wat geldt als de richtwaarde voor het landelijk gebied (van de Wetering & van Harmelen 2020). De enige, geringe, verlichting binnen het gebied zal uitgaan van de woning op het terrein van de voormalige steenfabriek. Op het terrein van de steenfabriek zelf zal ook (incidenteel) sprake zijn van verlichting bij werkzaamheden (gedurende de dagperiode 7.00 – 19.00 uur wanneer er minder daglicht is). De wegen die door het gebied lopen worden niet begeleid door kunstverlichting.

4.5 Ecologische samenhang Het agrarisch natuurbeheertype A02.01 is zeer geïsoleerd gelegen in intensiever gebruikt agrarisch landschap. Het natuurbeheertype N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) ligt geïsoleerd ten opzichte van andere graslanden; deze mate van isolatie vermindert de kwaliteit van het beheertype (zie 4.2.3). Dit beheertype staat wel in verbinding met natuurbeheertype N14.01 (rivier- en beekbegeleidend bos). Dit natuurbeheertypeis zeer beperkt van omvang, eenvormig en geïsoleerd gelegen ten opzichte van andere ooibossen.

4.6 Overige waarden Naast de kernkwaliteiten die betrekking hebben op natuurwaarden en bijzondere flora- en faunasoorten, heeft de provincie kernkwaliteiten geformuleerd met betrekking tot abiotiek. De waarde van het GNN binnen het projectgebied met betrekking tot deze kernkwaliteiten staat hieronder uitgewerkt. 4.6.1 Landschap Als één van de kernkwaliteiten van het GNN binnen het projectgebied is beschreven: “Noordoever Waal met variabel, grotendeels agrarisch, maar ook industrieel cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning. Natuurbeheertypen N14.01 is kenmerkend voor het aspect ‘kleine natuurcomplexen’. De landschappelijke kwaliteit van deze aspecten is matig, omdat het veelal gaat om intensief agrarisch gebruik, om restanten van grootschalig zandwinning en om natuurcomplexen met een lage ecologische waarde (zie paragraaf 4.2 en 4.3). Volgens de kernkwaliteiten gaat het om “plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos”. In het GNN binnen het projectgebied komen alleen fragmenten zachthoutooibos voor. De algehele mate van natuurlijkheid van het landschap in het GNN binnen het projectgebied is laag.

4.6.2 Cultuurhistorie Wat betreft de kernkwaliteit “cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken (kades en sluisjes), kleiwinningen”, bevat het GNN in het projectgebied geen elementen die van expliciete waarde zijn. Dat geldt wél voor de kernkwaliteit “onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en (steen)fabrieken)”; het GNN binnen het projectgebied is geheel onbebouwd.

4.6.3 Geomorfologie en rivierdynamiek Een andere kernkwaliteit van het GNN binnen het projectgebied is: “Dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust”. Dit geldt echter niet tot de gronden behorende het GNN. 21

Sovon-rapport 2020/33

4.6.4 Bodemkunde en reliëf De gronden behorende tot het GNN zijn niet reliëfrijk of van bijzondere bodemkundige waarde. 4.6.5 Ecosysteemdiensten Een van de kernkwaliteiten van het GNN binnen het projectgebied is: “Ecosysteemdiensten: recreatie, wateropvang en -afvoer”. In het projectgebied wordt kleinschalig gerecreëerd; het gaat vooral om (water)recreatie langs de oevers van de zandwinplassen. De twee oostelijke zandwinplassen fungeren vanwege de diepte als bekkens voor waterberging tijdens hoogwater.

4.7 Potenties De ontwikkelingsdoelen voor de natuur en het landschap in het GNN van de Noordoever Waal Lent – Echteld zijn vastgelegd in bijlage 6 en 7 van de Omgevingsverordening. Deze doelen staan weergegeven in kader 4.1. In de volgende subparagrafen wordt voor elk beheertype beschreven welke ontwikkelingsdoelen verenigbaar zijn met de referentiesituatie. Kader 4.1. Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap GNN (omvorming, natuurontwikkeling). • • • • • • • • • •

ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden ontwikkeling water- en oeverhabitats ontwikkeling hard- en zachthoutooibossen ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden ontwikkelen weidevogelpopulaties ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels; behoud foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten ontwikkelen biotopen voor vlinders, reptielen, amfibieën, w.o. kamsalamander en vissen ontwikkeling populatie bevers (en otters) ontwikkeling coulisselandschap met strangen, knotwilgenrijen en meidoornhagen (evenwijdig aan de stroom) met lokaal doorzichten op de rivier, dorpen en steden behoud reliëf oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen

4.7.1 Potentie van natuurbeheertype N12.02 Het kruiden- en faunarijk grasland van natuurbeheertype N12.02 lijkt zich in de referentiesituatie vooral te ontwikkelen als ruigterand, zoals past bij ontwikkelingsdoel: “ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden”. 4.7.2 Potentie van natuurbeheertype N14.01 Aan de zuidzijde van de meest oostelijke zandwinplas is sinds kort een beverterritorium gevestigd (Kurstjens 2020). Dat past bij het ontwikkelingsdoel “ontwikkeling populatie bevers (en otters)”.

22

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

5. Effecten van het basisalternatief op het GNN In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of de herinrichting van Willemspolder fase 1 in (delen van) GNN plaatsvindt en hoeveel hectare dit betreft. Daarnaast wordt beoordeeld of de herinrichting leidt tot significant negatieve effecten (zie kader 3.2) op de kernkwaliteiten van het GNN. Hiervoor zijn de voorwaarden uit kader 3.2 nagelopen per kernkwaliteit.

5.1 Effecten op de kernkwaliteiten van het GNN 5.1.1 Natuurbeheertypen Om de effecten te bepalen van de herinrichting van de Willemspolder fase 1, zijn de oppervlakten van de natuurbeheertypen in de huidige situatie (binnen de GNN-begrenzing, zie figuur 4.2) vergeleken met de oppervlakten van de te verwachten naar natuurbeheertypen binnen diezelfde GNN-begrenzing na de herinrichting (figuur 5.1).

Figuur 5.1. Willemspolder fase 1, toekomstige inrichting en habitattypen behorende bij het basisalternatief na herinrichting, waarbij de huidige ligging van het GNN is weergegeven (bron: Omgevingsverordening Gelderland).

De resultaten hiervan staan in tabel 5.1. De oppervlakte van natuurbeheertype N14.01 (rivier- en beekbegeleidend bos ofwel ooibos) neemt toe. Door uitbreiding van het bedrijventerrein, aanleg van de haven en uitbreiding van de hoofdgeul neemt het oppervlak aan N12.02 kruiden- en faunarijk grasland echter sterk af binnen het GNN. Het totale oppervlakteverlies van 4,4 ha door uitbreiding bedrijventerrein en aanleg van de haven dient gecompenseerd te worden binnen GO in het projectgebied door daar N12.02 kruiden- en faunarijk grasland te ontwikkelen, of eventueel een ander natuurbeheertype van gelijkwaardige of hogere natuurkwaliteit te realiseren (zie ook bijlage 8 van de Omgevingsverordening die in deze NNN-toets is opgenomen als bijlage 3). Het compensatiegebied dient te worden toegevoegd aan het GNN. Omdat dit natuurbeheertype relatief snel ontwikkeld kan worden (binnen vijf jaar) is geen kwaliteitstoeslag aan de orde.

23

Sovon-rapport 2020/33

Daarnaast zal binnen het GNN een omvorming plaats vinden van N12.02 (met een betrekkelijke lage natuurkwaliteit, zie hoofdstuk 4) naar andere natuurbeheertypen met een hogere potentiële natuurkwaliteit. Natuurbeheertype N14.01 zal in ieder geval worden uitgebreid. Daarnaast wordt ook doorontwikkeling naar andere natuurbeheertypen voorzien. De precieze (ecologisch meest logische) inrichting moet nog verder worden uitgewerkt en vervolgens geborgd in een natuur-versterkingsplan en/of beheer- en ontwikkelplan. Tabel 5.1. Oppervlakten van de natuurbeheertypen binnen het projectgebied in de huidige situatie en na de herinrichting (basisalternatief).

Natuurbeheertype

Oppervlakte referentiesituatie (ha)

Oppervlakte basisalternatief (ha)

N12.02 (bestaand)

13,4

1,2

N14.01 N12.02 te ontwikkelen (compensatie)

7,3 n.v.t.

8,4 4,4

Omvorming N12.02 naar andere natuurbeheertypen

n.v.t.

6,7

Totaal

20,7

20,7

Toelichting

2,0 ha aantasting door bedrijventerrein en haven, 2,4 ha door aanleg van de hoofdgeul, 7,8 ha door omvorming naar andere beheerbeheertypen (dit blijft GNN). Omvorming 1,1 ha N12.02 naar N14.01. Compensatie op gronden van het GO (geen kwaliteitstoeslag nodig) en toevoeging aan het GNN. Omvorming van N12.02 naar andere nader uit te werken (hoogwaardiger) natuurbeheertypen binnen het GNN)

De effecten van de herinrichting op de kwaliteit van de natuurbeheertypen worden hierna per natuurbeheertype toegelicht en samengevat in tabel 5.2. Waar van toepassing wordt daarbij aandacht besteed aan hoe de omvang en kwaliteit behouden kan blijven met behulp van maatregelen en/of beheer. Effect op de kwaliteit van N12.02: kruiden- en faunarijk grasland Bij de herinrichting neemt het oppervlak ooibos (N14.01) toe ten koste van natuurbeheertype N12.02, wat afneemt van 13,4 naar 1,2 ha. Dit wordt deels gecompenseerd door 4,4 ha op gronden van het GO binnen het projectgebied te ontwikkelen met dit natuurbeheertype en toe te voegen aan het GNN. Daarnaast vindt omvorming plaats in natuurbeheertypen met een hogere natuurkwaliteit waaronder N14.01. Dit betekent een kwaliteitsverbetering van het GNN omdat ooibos veel schaarser is, en hier in een goede kwaliteit ontwikkeld kan worden. Voor de resterende delen van beheertype N12.02 geldt dat deze verruigd zijn. Indien het beheer na herinrichting wordt gericht op verschraling, is de verwachting dat het aantal kwalificerende planten- en dagvlindersoorten toeneemt, waardoor de kwaliteit van het beheertype ook toeneemt.

Effect op de kwaliteit van N14.01: rivier- en beekbegeleidend bos Bij de herinrichting van Willemspolder fase 1 neemt het oppervlak van natuurbeheertype N14.01 binnen de GNN-begrenzing netto toe van 7,3 naar 8,4 ha, hoewel in eerste instantie ooibos (kiemjaar ca. 1995) verdwijnt langs de noordzijde van de plassen (figuur 5.1). Op dit moment is het ooibos dat verdwijnt eenvormig; bij uitbreiding is de verwachting dat bos van een nieuwe leeftijdsklasse kan ontstaan. Ook is er ruimte voor struweel en open plekken in het ooibos voorzien; bijvoorbeeld aan de noord- en oostzijde van de zandwinplassen. Dit zijn kwalificerende kenmerken van natuurbeheertype N14.01. Naar verwachting zal vooral de tijd ervoor zorgen dat het ooibos ook in kwaliteit toeneemt, bijvoorbeeld doordat er meer afwisseling ontstaat in leeftijdsklassen en er ook meer dode bomen in voorkomen; het bos wordt meer gelaagd zoals nu reeds aan de orde is aan de zuidzijde van de plassen.

24

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Tabel 5.2. Samenvatting van de effecten van de herinrichting op de kwaliteit van de natuurbeheertypen. ++ = zeer positief effect, + = positief effect, - = negatief effect, 0 = neutraal / geen effect. Kernkwaliteiten van het GNN Natuurbeheertype N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland)

Natuurbeheertype N14.01 (rivier- en beekbegeleidend bos)

Ontwikkeling t.o.v. de huidige situatie Omvang neemt sterk af, hiervoor komt oppervlakte van natuurbeheertype N14.01 en andere (hoogwaardiger) natuurbeheertypen terug. Deze moeten nog nader worden bepaald maar er zijn in ieder geval perspectieven voor N04.02 (Zoete Plas), N11.01, N12.06 (Ruigteveld) en eventueel (nog meer) N14.01 Omvang neemt iets toe, kwaliteit zal op termijn toenemen door ouderdom/ structuur en variatie

Beoordeling Maatregelen nodig? Ja, nadere uitwerking en (na keuze voor de best passende natuurbeheertypen) borging in Natuurversterkingsplan en/of natuur- en inrichtingsplan

+

Nadere uitwerking en borging

5.1.2 Overige kernkwaliteiten Naast effecten op de natuurbeheertypen kan de herinrichting ook een effect hebben op andere kernkwaliteiten die de provincie Gelderland heeft vastgelegd voor het gebied. Deze staan beschreven in tabel 5.3. Waar van toepassing wordt daarbij aandacht besteed aan hoe de omvang en kwaliteit behouden kan blijven met behulp van maatregelen en/of beheer. Tabel 5.3. Effecten van de herinrichting op de kernkwaliteiten van het GNN, exclusief de natuurbeheertypen, zie hiervoor paragraaf 5.1.1. Kernkwaliteiten van het GNN

Ontwikkeling t.o.v. de huidige situatie Rivierdynamiek en bijbehorende processen worden versterkt.

Dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust Noordoever Waal met variabel, Geen agrarische functie meer, maar grotendeels agrarisch, maar ook versterking natuurwaarden. industrieel cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning; klein kronkelwaardcomplex bij Hien is bewaard gebleven, ook relatief natuurlijke uiterwaarden bij Loenen en Ochten Waarden voor weidevogels Gebied momenteel ongeschikt voor weidevogels. Bij geëxtensiveerd beheer van A02.01 ontstaan mogelijk zeer beperkte kansen voor weidevogels. Deze worden teniet gedaan door de afname van openheid als gevolg van het creëren van ooibos. Waarden voor watervogels Leefgebied voor diverse soorten watervogels in littorale zone N02.01 neemt toe, voor ganzen, eenden en steltlopers gaat het met name om rustgebied, bij viseters ook om foerageergebied; foerageergebied voor ganzen in N12.02 neemt in kwaliteit af, vanwege extensivering en afname openheid. Waarden voor moerasvogels Zowel in huidige situatie als toekomstige situatie is er binnen het GNN geen geschikt leefgebied voor moerasvogels, waarbij het met name gaat om de afwezigheid van riet.

Waarden voor vleermuizen Toename verblijfplaatsen op lange termijn bij toename omvang N14.01. Waarden voor amfibieën Leefgebied ontstaat door grotere littorale zone in N02.01. Waarden voor vissen Kwaliteit leefgebied neemt toe door grotere littorale zone in N02.01.

25

Beoordeling Maatregelen nodig? --

ja verbetering zandmotor door subtiel verlagen oeverwal en oude zomerkade, niet afgraven van deze zone tbv diepe zandwinning

+

Nee

0

Nee

0

Openheid binnen N12.02 dient behouden te blijven, zodat de foerageerfunctie, ondanks de extensivering, deels behouden kan blijven.

0

Nee

+

Nee

+

Nee

+

Nee

Sovon-rapport 2020/33

Kernkwaliteiten van het GNN Waarden voor Bever

Waarden voor Steenuil

Waarden voor Kamsalamander

Waarden voor overige bijzondere soorten

Plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos

Ontwikkeling t.o.v. de huidige situatie Omvang ooibos (N14.01) neemt iets toe, kwaliteit blijft vrijwel gelijk

Beoordeling Maatregelen nodig? 0

Zowel in de huidige als toekomstige situatie is binnen het GNN vrijwel geen geschikt leefgebied voor Steenuil aanwezig vanwege ontbreken van kleinschalig cultuurlandschap met een variatie aan houtwallen, heggen en weitjes met afwisseling tussen hoge en lage vegetatie met voldoende uitkijkposten. Zowel in huidige als toekomstige situatie is binnen het GNN geen geschikt leefgebied aanwezig voor Kamsalamander. Havikshorst en paarverblijfplaats van Ruige Dwergvleermuis zijn aanwezig in N12.02.

0

Behoud van bestaande territoria / gefaseerde aanpak werkzaamheden Nee

0

Nee

0

Compensatie van paarverblijf-plaats van Ruige Dwergvleermuis bij plas het Spijker. Het nest van de Havik nabij bedrijventerrein blijft behouden.

Door herinrichting ontstaat meer natuurlijk mozaïeklandschap met afwisseling van beboste hoogwatergeul met zandige oevers en oeverwal met hardhoutooibos en stroomdalvegetatie Zijn niet aanwezig binnen GNN-delen binnen projectgebied.

+

Cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken(kades en sluisjes), kleiwinningen Onbebouwdheid van de uiterwaarden Oppervlakte bedrijventerrein zou (enkele boerderijen en toenemen binnen de huidige (steen)fabrieken) begrenzing van het GNN.

0

Nee

-

Rust, ruimte en donkerte m.u.v. de omgeving van stedelijke gebieden

0

Verkenning van ontwerp dient plaats te vinden, zodat bedrijventerrein niet overlapt met GNN Nee

Ecosysteemdiensten: recreatie, wateropvang en -afvoer

Recreatieve druk kan vooral in de zomer iets toenemen als gevolg van toename van voorzieningen die hierop gericht zijn, maar blijft kleinschalig en is met name bedoeld voor inwoners van nabijgelegen woonkernen. Meer recreatief medegebruik, rivierverruimende maatregelen.

++

Nee

5.2 Conclusies gevolgen basisalternatief voor het GNN Op basis van de beoordeling van mogelijk negatieve effecten van de herontwikkeling van Willemspolder fase 1, uitgaande van het Basisalternatief, op de kernkwaliteiten van het GNN kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Door de herinrichting zal 2,0 ha van het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland in het GNN verdwijnen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein en de haven. Daarnaast zal 2,4 ha verdwijnen door aanleg van de hoofdgeul. Een andere bestemming dan natuur binnen het GNN is strijdig met het beschermingsregime voor het GNN zoals opgenomen in artikel 2.39 van de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Het eerste lid van artikel 2.39 stelt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk gemaakt als er sprake is van een groot openbaar belang en a. er voor de realisering daarvan geen alternatieven zijn; b. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage 8 Gelijkwaardige natuurbeheertypen van de Omgevingsverordening. Zie hiervoor ook bijlage 3 van deze NNN-toets 26

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Het Basisalternatief dient zodanig te worden geoptimaliseerd dat ruimtebeslag op het GNN wordt vermeden (al dan niet in combinatie met herbegrenzing). • Door de herinrichting uitgaande van het Basisalternatief zal een deel van de natuurbeheertypen veranderen in een andere vorm van natuur. Het gaat hierbij om een wijziging van een deel van N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) naar andere natuurbeheertypen waaronder N14.01 Rivieren beekbegeleidend bos ofwel hardhout- en zachthoutooibos.

27

Sovon-rapport 2020/33

6. Kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone In dit hoofdstuk wordt eerst weergegeven welke onderdelen van het projectgebied behoren tot de GO. Daarna volgt een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden van het projectgebied, op basis van het beoordelingskader uit hoofdstuk 3 (conform tabel 3.1, met uitzondering van natuurbeheertypen, maar inclusief ganzenrustgebied). In de paragrafen daarna worden de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de GO afgebakend en beoordeeld.

6.1 Begrenzing GO In figuur 6.1 is de begrenzing van de GO ten opzichte van het projectgebied aangegeven. De GO heeft binnen de grens van het projectgebied een omvang van 132 ha. Daarmee bestrijkt de GO ongeveer 83% van de totale oppervlakte binnen de projectbegrenzing (160 ha). Het gaat primair om de gebiedsdelen ten westen en noorden van het GNN. Daarnaast liggen er delen GO rondom het bedrijventerrein en een smalle strook langs de grens van het projectgebied in het uiterste oosten.

Figuur 6.1. Ligging GNN en GO ten opzichte van de gebiedsbegrenzing van Willemspolder fase 1 (bron: Natuurbeheerplan Provincie Gelderland).

6.2 Natuurwaarden 6.2.1 Waarden voor weide-, water- en moerasvogels De GO is – wat deze kernkwaliteit betreft - vooral van waarde voor watervogels in het winterseizoen. Het gaat hierbij met name om de graslanden aan de west- en noordkant van het gebied die vanwege de openheid, grootschaligheid en rust die hier te vinden zijn aantrekkelijk foerageergebied voor ganzen vormen en voor een steltloper als de Wulp. Op de plas het Spijker komen ook watervogels als Aalscholver, Fuut, Meerkoet en Wilde Eend voor, die hier zowel rusten als foerageren. Voor weide- en moerasvogels is er geen optimaal broedhabitat aanwezig met uitzondering van Gele Kwikstaart, Graspieper en – in mindere mate - Kievit. Het voorkomen van ganzen en eenden past bij de begrenzing van de rustgebieden voor winterganzen (zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, zie figuur 6.2), die grotendeels overlapt met de 28

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

GO binnen de projectbegrenzing). De provincie Gelderland heeft in 2016 ganzenrustgebieden aangewezen, voor zover dit graslandgebieden betreft (provinciaal blad jaargang 2016, nr. 695). De aanvulling ‘voor zover dit graslandgebieden betreft’ toont aan dat deze gebieden (ook) een foerageerfunctie hebben. Over de rustgebieden voor winterganzen staat in de Omgevingsverordening: “Voor delen van de Groene ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling” (Provincie Gelderland 2018). In de ontwikkelingsdoelen is dit vastgelegd als: “behoud foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten”; ook uit deze tekst blijkt dat met rustgebied voor winterganzen ook foerageergebied wordt bedoeld. Uit figuur 6.2. kan worden afgeleid dat het niet alleen om de functie van foerageergebied gaat maar ook om open water (waar ganzen kunnen slapen maar niet kunnen foerageren).

Figuur 6.2. Ligging rustgebied voor winterganzen (bron: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland)

6.2.2 Waarden voor vleermuizen Tijdens veldwerk in 2018 werden langs de Koepelweg waarnemingen gedaan van foeragerende Watervleermuizen en werd een Gewone Grootoorvleermuis vastgesteld. De waarde van de GO voor vleermuizen blijkt echter vooral uit de waarnemingen van baltsende exemplaren van de Ruige dwergvleermuis, die in 2018 rondom oude wilgen aan de noordzijde van de plas langs de Koepelweg werden gedaan (Kurstjens & De Jong 2018). In 2018 kon niet worden uitgesloten dat ook andere bomen rond de plas gebruikt worden door Ruige dwergvleermuizen als paarverblijfplaats. Zomer- en kraamverblijfplaatsen, vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen werden niet aangetroffen. 6.2.3 Waarden voor amfibieën In 2018 werden in de twee kleine plassen langs de Waalbandijk, in het noordelijke deel van de GO waarnemingen gedaan van de Bastaardkikker en de Gewone pad. Beschermde soorten amfibieën zijn niet waargenomen of te verwachten binnen de projectbegrenzing (Kurstjens & de Jong 2018) en zijn bij eerder onderzoek ook niet aangetroffen (Kurstjens 2005).

29

Sovon-rapport 2020/33

6.2.4 Waarden voor vissen Er is in de GO binnen de projectbegrenzing in 2018 geen onderzoek gedaan naar het voorkomen van vissen (Kurstjens & De Jong 2018; Kurstjens 2020.) omdat beschermde soorten niet zijn te verwachten. Bij onderzoek naar vis in beide wateren tussen de Waardweg en de winterdijk bleek vooral de waarde van de westelijke, meer diepere plas voor limnofiele vissoorten waaronder Bittervoorn (1), Kleine Modderkruiper (4), Vetje (meer dan 500 ex.) en Zeelt (11) (Kurstjens 2005). De oostelijke plas valt regelmatig droog waardoor hier een minder rijke visgemeenschap leeft. Ze is afhankelijk van periodieke overstroming voor de herkolonisatie van vis. 6.2.5 Overige natuurwaarden De vegetatie in de Willemspolder waaronder de GO werd in 2018 onderzocht (Kurstjens & de Jong 2018). In vergelijking met nabijgelegen Waaluiterwaarden vertoont de vegetatie een matige diversiteit als gevolg van intensief agrarisch gebruik (foto 6.1). Rondom de oeverwal stelde Kurstjens enkele indicatieve plantensoorten vast: Gewone vogelmelk, Goudhaver, Kamgras, Karwijvarkenskervel, Sikkelklaver en Veldgerst. Karwijvarkenskervel en Sikkelklaver zijn stroomdalsoorten, die kenmerkend zijn voor zandige tot zavelige oeverwallen. Karwijvarkenskervel en Veldgerst staan op de Rode Lijst als kwetsbaar, Kamgras als gevoelig.

Veldgerst is een indicatieve soort van meer vochtig grasland op zavelige bodems. Gewone vogelmelk is in het rivierengebied een indicatieve soort voor oeverwallen, en zomerkades en hardhoutooibossen.

Foto 6.3. GO in het zuidwesten van het projectgebied, onderdeel van de oeverwal. De foto is in noordelijke richting genomen. Op de achtergrond zijn bosschages rondom plas ’t Spijker waarneembaar. Het perceel is in de dagen voordat de foto werd genomen gemaaid, en daarna bewerkt met de mestinjector (Rob Vogel, 9 mei 2020).

In en rond de twee oostelijke zandwinplassen is geen enkele kwalificerende plantensoort vastgesteld van de lijst van zowel stromende als stilstaande wateren. Er is geen onderzoek gedaan naar vis in de beide

30

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

plassen, maar naar verwachting komen vrij algemene eurytope6 vissoorten in klein aantal voor zoals Snoek, Tiendoornige stekelbaars, Winde en Zeelt en wordt de plas gedomineerd door algemene, niet kwalificerende soorten als Brasem, Blankvoorn, Snoekbaars en exoten. Kwalificerende libellensoorten komen niet voor in de beide diepe plassen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de kwaliteit van de flora en fauna in de zandwinplassen in het projectgebied laag is

6.3 Bijzondere soorten In de GO binnen de projectbegrenzing zijn tijdens veldwerk in 2018 geen wettelijk beschermde plantensoorten aangetroffen. Wel zijn in de GO groeiplaatsen van indicatieve en bedreigde soorten van de Rijn in Beeld lijst gevonden: Gewone vogelmelk, Goudhaver, Kamgras, Wede en Geoorde zuring zijn indicatieve soorten voor oeverwallen en zomerkades. Kamgras staat als gevoelig op de Rode Lijst. Druifkruid en Welriekende ganzenvoet zijn pioniersoorten die werden aangetroffen langs de oever van de Waal, in het zuidelijke deel van de GO. Veldgerst, Aardbeiklaver en Engelse Alant zijn soorten van vochtig grasland op zavelige bodems die in het zuidwestelijke en zuidelijke deel van de GO voorkomen. Veldgerst komt zelfs vrijwel vlakdekkend voor in de graslanden in het westelijke deel van het projectgebied. Engelse Alant en Veldgerst staan ook op de Rode Lijst als kwetsbaar. In de GO binnen de projectbegrenzing komen twee beschermde diersoorten voor: de Ruige Dwergvleermuis en de Bever (Kurstjens & de Jong 2018). De Steenuil en de Kamsalamander (beide expliciet genoemd in de kernkwaliteiten in de Omgevingsverordening) komen in de GO binnen de projectbegrenzing niet voor. Binnen de uiterwaard is zowel voor Steenuil als Kamsalamander geen optimaal leefgebied aanwezig.

6.4 Omgevingscondities Overeenkomstig de in het GNN gelegen delen wordt de huidige geluidssituatie in het gebied met name bepaald door de scheepvaart over de Waal, het wegverkeer over de Prins Willem Alexanderbrug en de Waalbanddijk, de inrichting van Dekker aan de Waalbanddijk 1 en de schepen in de overnachtingshaven van IJzendoorn. Metingen in en nabij het plangebied laten zien dat het geluidsniveau onder en rondom van 40 dB(A) ligt, wat geldt als de richtwaarde voor het landelijk gebied (van de Wetering & van Harmelen 2020). De enige, geringe, verlichting binnen het gebied zal uitgaan van de woning op het terrein van de voormalige steenfabriek. Op het terrein van de steenfabriek zelf zal ook (incidenteel) sprake zijn van verlichting bij werkzaamheden gedurende de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) wanneer er minder daglicht is. De wegen die door het gebied lopen worden niet begeleid door straatverlichting.

6.5 Ecologische samenhang De GO speelt een belangrijke verbindende rol in de algehele ecologische samenhang van het projectgebied. Het GNN is in het projectgebied namelijk geïsoleerd gelegen ten opzichte van het GNN buiten het projectgebied. Vanwege de agrarische bestemming in de GO en het intensieve agrarische gebruik, speelt de GO vooral een rol in de ecologische samenhang in het winterseizoen, maar beperkt in het zomerseizoen. De GO heeft in het zomerseizoen momenteel relatief weinig waarde voor flora en fauna. In de winter wordt het grasland binnen de GO echter gebruikt als rust- en foerageergebied door steltlopers, eenden en ganzen, waarbij de grootschaligheid van het gebied en de rust die hier te vinden is een groot deel van de aantrekkingskracht bepalen.

6.6 Overige waarden Naast de kernkwaliteiten die betrekking hebben op natuurwaarden en bijzondere flora- en faunasoorten, heeft de provincie kernkwaliteiten geformuleerd met betrekking tot abiotiek. De waarde van de GO binnen het projectgebied met betrekking tot deze kernkwaliteiten staat hieronder uitgewerkt. 6.6.1 Landschap Als één van de kernkwaliteiten van de GO binnen het projectgebied is beschreven: “Noordoever Waal met variabel, grotendeels agrarisch, maar ook industrieel cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning”. Het landschap binnen de GO 6

Voorkomend in allerlei watertypen, stromend en niet stromend. 31

Sovon-rapport 2020/33

is typisch voor het aspect ‘grotendeels agrarisch’. De zandwinplas (’t Spijker) langs de Koepelweg is typisch voor het aspect ‘grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning’. Binnen de GO komen echter weinig ‘kleine natuurcomplexen’ voor. De landschappelijke kwaliteit van deze aspecten is matig, omdat het veelal gaat om intensief agrarisch gebruik, om restanten van grootschalig zandwinning en om natuurcomplexen met een lage ecologische waarde (zie paragraaf 4.2 en 4.3). Volgens de kernkwaliteiten gaat het om “plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos”. In de GO binnen het projectgebied komen alleen fragmenten ooibos voor. De algehele mate van natuurlijkheid van het landschap in de GO binnen het projectgebied is laag. 6.6.2 Cultuurhistorie Wat betreft de kernkwaliteit “cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken (kades en sluisjes), kleiwinningen”, bevat de GO in het projectgebied alleen twee kleiputten langs de winterdijk met belangrijke natuurwaarden. Veel andere waarden zijn door de grootschalige zandwinning verloren gegaan. . Dat geldt wél voor de kernkwaliteit “onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en (steen)fabrieken)”; de GO binnen het projectgebied is geheel onbebouwd.

De Nieuwe Weg aan de oostzijde van het plangebied vormt een eeuwenoude weg door de voormalige Binnenwaard (Bruyn & Buro Waalbrug 2016). 6.6.3 Geomorfologie en rivierdynamiek Een andere kernkwaliteit van de GO binnen het projectgebied is: “Dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust”. Van rivierdynamiek is in de GO weinig sprake. Het gebied kent slechts dynamische rivierprocessen in beperkte mate (inundatie bij hoogwater) en de oever van de Waal is met behulp van kribben vastgelegd en staat daardoor nauwelijks onder invloed van rivierdynamiek. De zandwinplassen zijn aangetakt aan de Waal op één plaats en zijn 20 meter diep; er is weinig sprake van rivierdynamiek. Hierdoor spelen de zandwinplassen alleen bij zeer hoog water een rol in water en zadentransport. Gezien de vrij lange verbinding van de zandwinplassen met de rivier, is actief sedimenttransport niet te verwachten. Er vindt wel sedimentatie plaats in de zandwinplassen, maar dit proces zal vooral plaatsvinden in de plassen zelf, waarbij erosie van de noordoostoever optreedt en sedimentatie in het zuidwestelijke deel van de plas.

6.6.4 Bodemkunde en reliëf In de GO zijn restanten van een oude zandige tot zavelige oeverwal gelegen, wat blijkt uit de stroomdalsoorten die daar waargenomen zijn (paragraaf 5.3). Het reliëf van deze oeverwal én de bijbehorende kenmerken van de bodem zijn van een aardkundige waarde, passend bij de kernkwaliteit: “abiotiek: aardkundige waarden (o.m. reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen), kwel, bodem”. 6.6.5 Ecosysteemdiensten Een van de kernkwaliteiten van de GO binnen het projectgebied is: “Ecosysteemdiensten: recreatie, wateropvang en -afvoer”. De westelijke zandwinplas langs de Koepelweg fungeert als bekken voor waterberging. Langs de oevers van de westelijke zandwinplas wordt kleinschalig gerecreëerd.

6.7 Potenties De ontwikkelingsdoelen voor natuur en landschap in de GO van de Noordoever Waal Lent – Echteld zijn vastgelegd in bijlage 6 en 7 van de Omgevingsverordening. Deze doelen staan weergegeven in kader 6.1. In de referentiesituatie zijn binnen het GO bij voortzetting van het huidige beheer en gebruik weinig ontwikkelingen te verwachten die passen bij de ontwikkelingsdoelen die zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Extensivering van het beheer van de graslanden kan op lange termijn zorgen voor ontwikkeling van stroomdalgraslanden, laag gelegen bloemrijke graslanden en bijbehorende soorten weidevogels en vlinders. Het is te verwachten dat het ooibos in leeftijd toeneemt en daardoor geschikter leefgebied wordt voor de Bever.

32

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Voor het rustgebied voor winterganzen (figuur 6.2) gelden de bovenstaande ontwikkelingsdoelen niet. Over dit gebied staat in de Omgevingsverordening: “Voor delen van de Groene Ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling (Provincie Gelderland 2018).” In de ontwikkelingsdoelen staat dan ook: “behoud foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten”. Voor de overige delen van de GO zijn bij voortzetting van het huidige beheer en gebruik geen ontwikkelingen te verwachten die passen bij de ontwikkelingsdoelen. Kader 6.1. Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap in het GO. • • • • • • • • • •

ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden ontwikkeling water- en oeverhabitats ontwikkeling hard- en zachthoutooibossen ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden ontwikkelen weidevogelpopulaties ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels; behoud foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten ontwikkelen biotopen voor vlinders, reptielen, amfibieën, w.o. kamsalamander en vissen ontwikkeling populatie bevers (en otters) ontwikkeling coulisselandschap met strangen, knotwilgenrijen en meidoornhagen (evenwijdig aan de stroom) met lokaal doorzichten op de rivier, dorpen en steden behoud reliëf oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen

33

Sovon-rapport 2020/33

7. Effecten op de Groene Ontwikkelingszone In dit hoofdstuk worden de relevante effecten van de herinrichting volgens het basisalternatief op de kernkwaliteiten van de GO beoordeeld. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van een significant negatief effect op de kernkwaliteiten is gebruik gemaakt van de voorwaarden die hieraan verbonden zijn zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland (zie kader 3.2). De windturbines worden voorzien op het bedrijventerrein, zonder overdraai boven GO. Ze worden daarom in dit hoofdstuk niet nader beschouwd.

7.1 Effecten op de kernkwaliteiten van het GO 7.1.1 Rustgebied voor winterganzen In § 6.2.1 is aangegeven dat ganzenrustgebied vooral moet worden begrepen als ganzenfoerageergebied, dus gebied met een bepaalde vorm van agrarisch beheer of eventueel agrarisch natuurbeheer. De meest opvallende verandering in de GO door de herinrichting is het verdwijnen van agrarisch landschap, bestaande uit bouwland (11,9 ha), grasland (55,8 ha) en struweel en singels (0,4 ha). Dit landschap wordt vervangen door een natuurlijker landschap bestaande uit onder meer grotere waterpartijen, graskruidenvegetatie, ooibos en een zandige oever/rivierduin. Deze veranderingen hebben gevolgen voor overwinterende ganzen waarvoor binnen de GO de functie rustgebied is vastgelegd (figuur 7.1).

Figuur 7.1. Ligging van het rustgebied voor winterganzen ten opzichte van de huidige inrichting van de Willemspolder.

De ganzen maken binnen het rustgebied vooral gebruik van het grasland en bouwland ten oosten van de Prins Willem-Alexanderbrug. Bij de huidige inrichting beslaat het grasland binnen het rustgebied voor winterganzen 29,6 ha en het bouwland 4,4 ha (figuur 7.1, tabel 7.1 middelste kolom). Dit gras- en bouwland van in totaal 34 ha fungeert momenteel als foerageergebied. Het gras- en bouwland wordt omgevormd naar waterpartijen (figuur 7.2, tabel 7.1 rechter kolom), gras-kruiden vegetatie, ooibos en zandige oever/rivierduin. 34

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

De foerageerfunctie neemt af. De gras-kruiden vegetatie van 12,2 ha (figuur 7.2, tabel 7.1 rechter kolom) die ontstaat na herinrichting van het rustgebied is weliswaar geschikt als foerageergebied voor ganzen, maar van een lagere calorische waarde dan het intensieve productiegras- en bouwland (Lieftink & Voslamber 2011, van den Bremer et al. 2019). De afwisseling met fragmenten ooibos en waterpartijen die na herinrichting ontstaat, maakt het landschap bovendien minder open en daarmee ook minder geschikt voor ganzen om te foerageren. De slaapplaatsfunctie van het gebied voor ganzen wordt daarentegen versterkt, omdat de oppervlakte water toeneemt en daarmee ook het potentiële aanbod slaapplaatsen voor overwinterende ganzen. Het (toekomstige) deel van de plas is het zuidwestelijke deel van het projectgebied zal bovendien rustiger zijn dan het westelijke deel (de huidige Westplas en Oostplas), dat dicht bij het dorp IJzendoorn ligt, waar de extensieve recreatie zich vooral zal concentreren. Tabel 7.1. Wijziging gebruik binnen rustgebied voor winterganzen voor (referentiesituatie) en na herinrichting (basisalternatief). Inrichting Nieuwe zomerdijk Bodemput Diep water Ondiep water Gras kruiden vegetatie Bouwland Grasland Zachthoutooibos Hardhoutooibos Zandige oever rivierduin Paden en wegen Overig

Oppervlakte referentiesituatie (ha)

Totaal

Oppervlakte basisalternatief (ha) n.v.t. n.v.t. 5,3 1,1 n.v.t. 4,4 29,6 0,9 n.v.t. 3,0 0,1 0,0

1,4 1,4 10,3 6,6 12,2 n.v.t. n.v.t. 1,0 3,7 7,7 0,0 0,1

44,4

44,4

Figuur 7.2. Ligging van het rustgebied voor winterganzen ten opzichte van de toekomstige inrichting van de Willemspolder 35

Sovon-rapport 2020/33

Uit de voorgaande analyse blijkt dat herinrichting binnen het rustgebied voor winterganzen leidt tot een afname in omvang en kwaliteit van het foerageergebied. In de Omgevingsverordening (Provincie Gelderland 2018) staat: “Voor delen van de Groene ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling.” Kortom: herinrichting van het rustgebied voor winterganzen gaat ten koste van de huidige openheid en strookt daarbij niet zonder meer met het bepaalde in de Omgevingsverordening. De kern is echter dat de oppervlakte feitelijk ganzenfoerageergebied afneemt van 34 ha naar 12,2 ha. Dit zou op grond van het beleidskader in § 3.2 een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de GO. Tegelijkertijd neemt de slaapplaatsfunctie voor ganzen toe door de uitbreiding van de plas in westelijke richting. Dit is na herinrichting het meest rustige deel van het projectgebied. Behoud van de functie als ganzenrustgebied kan elders binnen het projectgebied (buiten de begrenzing van het ganzenrustgebied maar binnen de GO) gewaarborgd worden.

Langs de Waalbandijk wordt immers óók gras-kruidenvegetatie (extensief grasland) ontwikkeld, waarmee de oppervlakte grasland binnen het rustgebied voor winterganzen binnen het projectgebied behouden blijft. In de referentiesituatie is 42,3 ha grasland en 7,5 ha bouwland gelegen in de GO buiten het rustgebied voor winterganzen (figuur 7.3, tabel 7.2 middelste kolom). Het gaat vooral om gebiedsdelen langs de Waalbandijk. Na herinrichting wordt dit agrarisch gebied in het basisalternatief vervangen door 25,6 ha gras-kruidenvegetatie. Telt men dit gebied op bij de 12,2 ha gras kruidenvegetatie die gelegen is binnen het rustgebied voor winterganzen, dan kunnen ganzen na herinrichting gebruik maken van 25,6 + 12,2 = 37,8 ha gras-kruidenvegetatie binnen de GO. Het huidige gras- en bouwland in het rustgebied voor winterganzen beslaat een oppervlakte van 34 ha. Het is wel zo dat gras- kruidenvegetatie een lagere calorische waarde heeft dan productiegrasland, terwijl ook sprake is verlies van openheid. Indien het hele projectgebied beschouwd kan worden als ganzenrustgebied dan neemt de oppervlakte daarvan niet af, maar door extensivering neemt de kwaliteit wél af. Hoewel de openheid afneemt blijft de oppervlakte ganzenrustgebied (ganzenfoerageergebied) de facto op peil.

7.1.2 Overige kernkwaliteiten Om de effecten te bepalen van de herinrichting van de Willemspolder fase 1 op de kernkwaliteiten van de GO, zijn de oppervlakten van de huidige inrichting van de GO (figuur 7.3, tabel 7.2 middelste kolom) vergeleken met de oppervlakten van de toekomstige inrichting (figuur 7.4, tabel 7.2 rechter kolom). De eventuele toe- of afname in oppervlakte is gerelateerd aan de kernkwaliteiten van de GO (tabel 7.3). Vanwege oppervlakteverlies van 4,4 ha GNN (N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland) zal een deel van de oppervlakte gras en kruidenvegetatie in het GO worden omgezet naar GNN en worden ontwikkeld als N12.02 of een hoogwaardiger natuurbeheertype. Effect op de kwaliteit van A02.01: botanisch waardevol grasland Bij de herinrichting van Willemspolder fase 1 moet dit beheertype behouden blijven of worden doorontwikkeld naar een natuurbeheertype. Dit perceel wordt nu zeer intensief beheerd (figuur 4.3) zodat behoud van het huidige beheer uit natuurontwikkelingsoogpunt niet gewenst is. De uitgangssituatie voor natuurontwikkeling wordt verbeterd door de zomerkade/ oeverwal enigszins te verlagen waarbij de voedselrijke toplaag wordt verwijderd (ca. 50-100cm). Hierdoor zal de inundatiefrequentie toenemen met als gevolg dat vers kalkrijk zand kan worden afgezet, en zaden van bijzondere plantensoorten zich kunnen (her)vestigen.

De indicatieve soorten van oeverwallen en stroomdalgrasland blijven behouden als het reliëf en de bodem niet worden aangetast. Als de bestemming verandert van agrarisch naar natuur, kan het beheer verder geëxtensiveerd worden. Dat komt ten gunste van de soortenrijkdom. Het agrarische overgangstype kan dan worden doorontwikkeld naar een natuurbeheertype zoals N.11.01 Droog schraalgrasland of N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met bijpassende doelsoorten. Effect op de kwaliteit van de Westplas en Oostplas Bij de herinrichting van Willemspolder fase 1 ontstaan er diepere bodemputten op plaatsen waar nu al diep water is. Daarnaast neemt de hoeveelheid ondiep water toe in de lagunes waarmee de littorale zone groter wordt. In de littorale zone komt voldoende licht op de bodem voor groei van ondergedoken waterplanten (Osté et al. 2010). Wat betreft macrofauna is deze zone ook het meest soortenrijk. De verwachting is dat de plassen daardoor bijvoorbeeld geschikter worden voor kwalificerende libellen- en vissoorten van stilstaand water en dat de kwaliteit van het beheertype hierdoor in beperkte mate toeneemt. De winning van grondstoffen is tijdelijk van effect op de waterkwaliteit: plassen worden troebel door de deeltjes die hierbij los komen. Dat proces kan in beginsel nog lange tijd doorgaan onder invloed van opwerveling door wind en golven. 36

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Figuur 7.3 Ligging van de GO ten opzichte van de huidige inrichting.

Figuur 7.4. Ligging van de GO ten opzichte van de toekomstige inrichting.

37

Sovon-rapport 2020/33

Tabel 7.2. Wijziging gebruik binnen GO voor en na herinrichting. Vanwege oppervlakteverlies van 4,4 ha GNN (N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland) zal een deel van de oppervlakte gras en kruidenvegetatie in het GO worden omgezet naar GNN en worden ontwikkeld als N12.02 of een hoogwaardiger natuurbeheertype. Inrichting

Oppervlakte referentiesituatie (ha)

Nieuwe zomerdijk Water Riet en ruigte Gras en kruidenvegetatie Zachthoutooibos Hardhoutooibos Zandige oever rivierduin Struweel en singels Bouwland Grasland Paden en wegen Bedrijventerrein Overig Totaal

Oppervlakte basisalternatief (ha) 0,0 52,4 1,1 0,0 1,5 0,0 5,4 0,4 11,9 55,8 3,2 0,3 0,0 132,0

2,7 72,1 0,8 32,1 5,1 5,5 11,2 0,0 0,0 0,0 1,9 0,2 0,4 132,0

In tabel 7.3 is per kernkwaliteit van de GO toegelicht welke ontwikkelingen verwacht kunnen worden bij herinrichting van het landschap. Door het afgraven van de oeverwal/ zomerkade ontstaat een significant negatief effect op de kernkwaliteit abiotiek. In alle andere gevallen kan een significant negatief effect op de kernkwaliteiten van de GO worden uitgesloten. Tabel 7.3. Effecten van de herinrichting op kernkwaliteiten van de GO, exclusief ‘rustgebied voor ganzen. Kernkwaliteiten van de GO

Ontwikkeling t.o.v. de huidige situatie Rivierdynamiek en bijbehorende processen worden versterkt

Dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen Midden-Europa en de Noordzeekust Noordoever Waal met variabel, Geen agrarische functie meer, maar grotendeels agrarisch, maar ook versterking natuurwaarden industrieel cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven door klei- en zandwinning; klein kronkelwaardcomplex bij Hien is bewaard gebleven, ook relatief natuurlijke uiterwaarden bij Loenen en Ochten Waarden voor weidevogels Gebied momenteel nauwelijks geschikt voor weidevogels. Bij geëxtensiveerd beheer van gras kruidenvegetatie ontstaan kansen voor weidevogels. Waarden voor watervogels Leefgebied voor diverse soorten watervogels neemt toe door toename oppervlak water, voor ganzen, eenden en steltlopers gaat het met name om rustgebied, bij viseters ook om foerageergebied; foerageergebied voor ganzen en Wulp neemt in kwaliteit af, vanwege extensivering en afname openheid Waarden voor moerasvogels Zowel in huidige situatie als toekomstige situatie is er binnen de GO geen geschikt leefgebied voor moerasvogels, waarbij het met name gaat om de afwezigheid van riet. Waarden voor vleermuizen Kwaliteit foerageergebied neemt op termijn toe Waarden voor amfibieën Leefgebied (landbiotoop) neemt toe in omvang en kwaliteit.

38

Beoordeling Maatregelen nodig? ++

Nee

0

Nee

+

Na herinrichting verschralingsbeheer inzetten

0

Nee

0

Nee

+

Nee

+

Nee

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Kernkwaliteiten van de GO Waarden voor vissen Waarden voor Bever

Waarden voor Steenuil

Waarden voor Kamsalamander

Plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos Cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken, (kades en sluisjes), kleiwinningen Onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en (steen)fabrieken) Rust, ruimte en donkerte m.u.v. de omgeving van stedelijke gebieden

Ontwikkeling t.o.v. de huidige situatie Leefgebied neemt toe in omvang en kwaliteit. Hoeveelheid water en ooibos neemt in de GO toe, kwaliteit zal op lange termijn toenemen Zowel in de huidige als toekomstige situatie is binnen het GNN geen geschikt leefgebied voor Steenuil aanwezig vanwege ontbreken van kleinschalig cultuurlandschap met een variatie aan houtwallen, heggen en weitjes met afwisseling tussen hoge en lage vegetatie met voldoende uitkijkposten. Zowel in huidige als toekomstige situatie is binnen het GO geen geschikt leefgebied aanwezig voor Kamsalamander. Landschapselementen nemen af; ooibos neemt toe. In ontwerp vooral sprake van grotere lineair gerichte structureren. Kleiputten met natuurwaarden blijven behouden

Hoeveelheid bebouwing binnen GO voor en na herinrichting verandert nagenoeg niet. Recreatieve druk, vooral in de zomer, kan iets toenemen als gevolg van toename van voorzieningen die hierop gericht zijn, maar blijft kleinschalig en is met name bedoeld voor inwoners Abiotiek: aardkundige waarden (o.m. Reliëf wordt vergraven in deel van reliëf van oeverwallen, strangen en gebied om plas in westelijk deel aan andere stromingspatronen), kwel, te leggen. bodem Ecosysteemdiensten: recreatie, Meer infrastructuur voor recreanten; wateropvang en –afvoer meer ruimte voor wateropvang

Beoordeling Maatregelen nodig? +

Nee

+

Nee

0

Nee

0

Nee

+

Nee

0

Nee

0

Nee

0

Nee

-

Reliëf en bodem van zomerkade/oeverwal behouden

++

Nee

7.3 Conclusies en aandachtspunten GO Op basis van de beoordeling van mogelijk negatieve effecten van de herontwikkeling van Willemspolder fase 1, op de kernkwaliteiten van het GO, uitgaande van het Basisalternatief, kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Door afgraving van de oeverwal wordt de kernkwaliteit abiotiek significant aangetast. In het zuidwestelijke deel van het projectgebied is het reliëf en de bodem van bijzondere aardkundige waarde, hetgeen zich ook uit in het voorkomen van indicatieve soorten van oeverwallen. Het ontwerp kan dusdanig aangepast worden, dat het reliëf en de bodemeigenschappen ter plaatse behouden blijven. • Aantasting van de overige kernkwaliteiten van het GO kan worden uitgesloten. Het areaal ganzenrustengebied (in de praktijk foerageergebied voor overwinterende ganzen) blijft op peil als ook de GO binnen het projectgebied maar buiten het gebied met de bestemming ganzenrustgebied wordt beschouwd. De kwaliteit neemt wel af door afname van de openheid en de omzetting van productiegrasland naar natuurlijk grasland. Deze graslanden hebben een lagere calorische waarde; ze zijn dus minder voedzaam voor overwinterende ganzen. De slaapplaatsfunctie voor overwinterende ganzen wordt versterkt.

39

Sovon-rapport 2020/33

8. Effecten op omliggend GNN/GO (externe werking) De beschermingsregimes voor het GNN en de GO zoals opgenomen in de Omgevingsverordening kennen in beginsel geen externe werking. Dit betekent dat activiteiten binnen het projectgebied op grond van de Omgevingsverordening niet getoetst behoeven te worden aan eventuele gevolgen voor natuurwaarden in het GNN en GO daarbuiten. De gevolgen kunnen er in potentie echter wel zijn omdat zich rondom het projectgebied veel GNN en GO bevindt (figuur 8.1). Omdat de gevolgen voor het GNN en GO wel deel uitmaken van de essentiële milieu-informatie in een MER in brede zin, is de externe werking wel kwalitatief beschreven.

Figuur 8.1. Ligging van GNN en GO in de wijde omgeving van het projectgebied.

De effecten die op kunnen treden zijn in tabel 8.1 in beeld gebracht en worden hierna voor zover relevant nader toegelicht. Tabel 8.1. Activiteiten die de natuurwaarden van het GNN/GO buiten het projectgebied kunnen beïnvloeden. Effecttype oppervlakte-verlies

Externe werking? nee

Versnippering

nee

Stikstofdepositie

ja

Verontreiniging

nee

verdroging, vernatting, verandering in stroomsnelheid of overstroming

nee

Toelichting Er is geen ruimtebeslag buiten het projectgebied, ook niet tijdelijk. De ontwikkeling binnen het projectgebied kan niet leiden tot versnippering van leefgebied c.q. barrière-werking (met uitzondering van de windturbines) Er kan (zonder maatregelen) sprake zijn van additionele stikstofdepositie op natuur in het GNN in de nabij het projectgebied aanwezige zoekgebieden voor leefgebieden voor kwartelkoning (ZGLg11) en watersnip (ZGLg08)). Deze bedraagt dicht bij de bron in het projectgebied tijdelijk maximaal 15,19 mol N/ha/jr. Het project leidt niet verontreiniging, waarmee externe werking niet aan de orde is Het project leidt niet tot veranderingen in het hydrologisch systeem, waarmee externe werking niet aan de orde is.

40

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Effecttype verstoring (geluid, licht, trillingen, optisch) Barrière-werking windturbines

Externe werking? ja (tijdelijk) ja

Toelichting Direct rondom het projectgebied kan er een tijdelijke (510 jr) verstorende invloed zijn door geluidsemissies. Andere activiteiten leiden niet externe werking Turbines zijn op grote afstand waarneembaar. Met twee turbines zal nauwelijks een barrière-werking zijn, maar enig uitwijkgedrag van ganzen, eenden en steltlopers binnen 1 km van de turbines is niet uitgesloten

Stikstofdepositie Het project leidt in het basisalternatief tijdelijk (5-10 jaar) tot extra stikstofdepositie, die vooral – maar niet uitsluitend - in de directe omgeving van ± 5 km neerslaat. De gevolgen voor habitattypen en leefgebieden zijn beschouwd in de Passende beoordeling. Daarin is geconstateerd dat het basisalternatief op het punt van de stikstofdepositie nog niet vergunbaar is, en dus geoptimaliseerd moet worden om per saldo een tijdelijke toename van stikstofdepositie te voorkomen. Ook voor natuurgebieden buiten het Natura 2000-netwerk geldt dat een tijdelijke extra stikstofdepositie een vermestend en verzurend effect kan hebben, wat kan leiden tot verruiging door stikstof-tolerante planten. Het rivierengebied is vanwege de kleiige voedselrijke bodems en de overstromingsdynamiek in de uiterwaarden evenwel beperkt stikstofgevoelig. Het grootste deel van het gebied bestaat uit uiterwaarden-natuur en agrarisch gebied. In het agrarisch gebied is het agrarisch beheer (maaien, bemesten, egaliseren) dominant boven stikstofdepositie, wat niet wil zeggen dat het effect van stikstofdepositie daarmee verwaarloosbaar. Indien per saldo een toename van stikstofdepositie wordt voorkomen zal dit ook in NNN-gebieden geen knelpunt zijn. Geluidsverstoring De geluidverstoring is tijdelijk en reikt nauwelijks tot buiten het plangebied, grofweg zuidoever Waal.

De vogelsoorten die hier broeden (o.a. graspieper, kneu), slapen of voedsel zoeken (vooral meeuwen) zijn niet bijzonder gevoelig voor een beperkte toename van de geluidsbelasting. De kwaliteit van leefgebieden wordt dus tijdelijk en in geringe mate negatief beïnvloed. Windturbines De windturbines zijn op grote afstand zichtbaar en kunnen de kernkwaliteit rust, weidsheid en duisternis dus beïnvloeden (waar het de aspecten weidsheid en in mindere mate duisternis betreft; uitgaande van wettelijk verplichte lichtmarkering van de turbines). Vogels zullen mogelijk ten dele uitwijken binnen een straal van 1 km rondom de windturbines. Het leefgebied voor ganzen, aalscholvers, meeuwen, steltlopers en eenden binnen deze verstoringsafstand kan dus mogelijk beperkt worden aangetast. Omdat het om twee windturbines gaat zal er nauwelijks sprake zijn van barrière-werking. Slaapplaatsen, zoals meeuwenslaapplaats in de Kaliwaal en foerageergebieden zullen niet of nauwelijks negatief beïnvloed worden. Barrière-werking bij vleermuizen is (buiten het projectgebied) niet te verwachten omdat die niet op een grote afstand uitwijken. Conclusie Het basisalternatief Willemspolder fase 1 leidt tot een beperkte externe werking op omliggende GNNen GO-gebieden.

Het gaat hierbij om tijdelijke stikstofdepositie, met name (maar niet uitsluitend) binnen vijf kilometer rondom het projectgebied, tijdelijke geluidsverstoring direct rondom het projectgebied en verstoring van de weidsheid, rust en duisternis als gevolg van de 1-2 te realiseren windturbines. De windturbines kunnen watervogels tijdens lokale bewegingen hinderen, al zal er met maximaal twee windturbines geen sprake zijn van een barrière. Aantasting van de broed- rust- en foerageerfunctie voor vogels zal niet of nauwelijks optreden.

41

Sovon-rapport 2020/33

9. Conclusies basisalternatief In deze effectbeoordeling is bepaald of er mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op de kernkwaliteiten van het GNN en de GO als gevolg van herinrichting van de Willemspolder fase 1, uitgaande van het basisalternatief. Hieronder worden de conclusies samengevat voor het GNN en de GO waarbij aanbevelingen worden gedaan voor vervolgstappen. De windturbines bevinden zich buiten het GNN en het GO (inclusief overdraai) en daarom niet naarder beschouwd. Ze echter hoofdstuk 8 voor externe werking op GNN en GO.

9.1 Effecten op de kernkwaliteiten van het GNN Door de herinrichting zal 2,0 ha van het natuurbeheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland in het GNN verdwijnen door uitbreiding van het bedrijventerrein/haven. Door uitbreiding van de hoofdgeul verdwijnt 2,4 ha. Een andere bestemming dan natuur binnen de GNN-begrenzing is strijdig met Beschermingsregime Gelders Natuurnetwerk (GNN) zoals opgenomen in artikel 2.39 van de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Het eerste lid van artikel 2.39 stelt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk gemaakt als er sprake is van een groot openbaar belang en a. er voor de realisering daarvan geen alternatieven zijn; b. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage 8 Gelijkwaardige natuurbeheertypen. Indien binnen het GNN een nieuwe ontwikkeling wordt overwogen, in dit geval op een oppervlakte van 2,0 ha, dient eerst te worden onderzocht of reële alternatieven bestaan voor de betreffende ontwikkeling en of met de ontwikkeling een groot openbaar belang is gemoeid.

Bij de vraag of er reële alternatieven zijn voor de betreffende ontwikkeling, gaat het erom dat wordt onderzocht of er een mogelijkheid bestaat de betreffende ontwikkeling op een locatie buiten het GNN te realiseren. Hierbij dienen, voor zover mogelijk, zowel mogelijkheden binnen als buiten de betreffende gemeente te worden overwogen. Tot groot openbaar belang worden in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van olie of gas en de plaatsing van windturbines. Het voorgaande betekent dat nagegaan moet worden in hoeverre het project zodanig geoptimaliseerd kan worden geen ruimtebeslag plaats vindt op gronden deel uitmaken van het GNN. Indien het volledig ontzien van de gronden binnen het GNN zou leiden tot een voor Dekker niet realistisch plan dan dient om te beginnen worden nagegaan of ‘groot openbaar belang’ en het ontbreken van reële alternatieven voor aanpassing van het bedrijventerrein kan worden aangetoond. Dit moet wel bij rechte stand kunnen houden. Eventueel kan ook het spoor van herbegrenzing als bedoeld in artikel 2.42 van de Omgevingsverordening worden verkend. Door de herinrichting uitgaande van het Basisalternatief zal een deel van de natuurbeheertypen veranderen in een andere vorm van natuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595324/1