CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 - Bijlage 8 bij MER Effectbeoordeling van de herinrichting op de kernkwaliteiten van het GNN en de GO

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen25.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het gaat hierbij om een wijziging van een deel van N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) naar ooibos eventueel andere natuurbeheertypen met een gelijkwaardige of bij voorkeur hogere kwaliteit dan N12.02. Dat geldt ook voor ooibos; hardhoutooibos wordt zelfs beschouwd als ‘topnatuur’.

9.2 Effecten op de kernkwaliteiten van de GO Aantasting van de kernkwaliteiten van het GO kan worden uitgesloten. Het areaal ganzenrustengebied (in de praktijk foerageergebied voor overwinterende ganzen) blijft op peil als ook de GO binnen het projectgebied maar buiten het gebied met de bestemming ganzenrustgebied wordt beschouwd. De oppervlakte ganzenrustgebied blijft op peil maar de kwaliteit neemt wel af door afname van de openheid en de omzetting van productiegrasland naar natuurlijk grasland. Deze graslanden hebben een lagere calorische waarde; ze zijn dus minder voedzaam voor overwinterende ganzen. De slaapplaatsfunctie voor overwinterende ganzen wordt echter versterkt. 42

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

In het zuidwestelijke deel van het projectgebied is het reliëf en de bodem van bijzondere aardkundige waarde, hetgeen zich ook uit in het voorkomen van indicatieve soorten van oeverwallen. Het ontwerp kan dusdanig aangepast worden, dat het reliëf en de bodemeigenschappen ter plaatse behouden blijven.

9.3 Effecten voor omliggend GNN en GO (externe werking) Het GNN en GO kennen in beginsel geen externe werking. De effecten zijn wel kwalitatief beschreven omdat deze informatie thuis hoort in het MER (waar de NNN een bijlage bij is); het gaat immers wel om een milieueffect. Het project Ontgronding Willemspolder fase 1 leidt tot een beperkte externe werking op omliggende GNN- en GO-gebieden. Het gaat hierbij om tijdelijke stikstofdepositie met name binnen vijf kilometer rondom het projectgebied, tijdelijke geluidsverstoring direct rondom het projectgebied en verstoring van de weidsheid, rust en duisternis als gevolg van de realisatie van maximaal twee windturbines. De windturbines zorgen ook voor enige barrièrewerking bij watervogels. Aantasting van de broed- rust- en foerageerfunctie voor vogels zal niet of nauwelijks optreden. Ten aanzien van stikstofdepositie wordt geconcludeerd dat in het voorkeursalternatief voorkomen moet worden dat per saldo een tijdelijke of permanente toename plaats kan vinden.

43

Sovon-rapport 2020/33

10. Voorstel wijziging begrenzing GNN 10.1 Gevolgen voorkeursalternatief 10.1.1 Oppervlakteverlies In hoofdstuk 5 is vastgesteld dat het basisalternatief leidt tot verlies van 4,4 hectare van het GNN, wat strijdig is met de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Het eerste lid van artikel 2.39 van de Omgevingsverordening stelt immers dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het GNN een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk maakt als er sprake is van een groot openbaar belang, en er voor de realisering daarvan geen alternatieven zijn. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan dan dienen de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het GNN, de oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt, en de overblijvende effecten dienen gelijkwaardig te worden gecompenseerd. Als eerste stap is in het kader van de totstandkoming van het voorkeursalternatief nagegaan of ruimtebeslag op het GNN kan worden voorkomen en zo nee, hoe dit zoveel mogelijk kan worden beperkt. Het voorkeursalternatief (figuur 10.1) gaat daarom uit van een kleinere haven waarbij het GNN ten oosten van het bedrijventerrein wordt gespaard.

Figuur 10.1 Het Voorkeursalternatief. In tegenstelling tot er basisalternatief zijn er verschillende wijzigingen. Zo wordt de haven kleiner, wordt 6 ha drijvende zonnepanelen voorzien op de Oostplas (in de GO) en blijkt overdraai van de oostelijke windturbine boven GNN toch niet geheel voorkomen te worden. Zie voor de vermoedelijke windturbine-posities de twee lichtgele stippen op het bedrijventerrein.

Compensatie voor oppervlakteverlies GNN door ruimtebeslag op het GNN door uitbreiding van de plas, aanleg van de kleine haven en overdraai van de oostelijke windturbine boven N14.04 vindt in totaal 3,6 ha oppervlakteverlies van het GNN plaats (3,2 ha N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland en 0,4 ha N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos. (figuur 10.2, tabel 10.1). Zonder ruimte te creëren rond de kleine haven kan de herinrichting waarvoor o.a. een drijvende installatie nodig is niet ten uitvoer worden gebracht. Dit verlies dient, als aan de overige 44

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

voorwaarden van de Omgevingsverordening wordt voldaan gecompenseerd te worden. Bij N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland is gekozen voor vrijwillige ‘overcompensatie’, (4,2 ha compensatie bij 3,2 ha oppervlakteverlies). Omdat dit natuurbeheertype binnen vijf jaar in dezelfde kwaliteit ontwikkeld kan worden is geen kwaliteitstoeslag nodig, zie hiervoor artikel 2.43 over fysieke natuurcompensatie in de Omgevingsverordening. Ook bij N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos vindt vrijwillige ‘overcompensatie plaats’ (1,7 ha compensatie bij 0,4 ha verlies). Bij fysieke natuurcompensatie wordt in de Omgevingsverordening een toeslag van 2/3 aangehouden bij een ontwikkeltijd van natuur van 25100 jaar. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het huidige wilgenbos 26 jaar oud is (kiemjaar 1995). De minimale compensatie zou dus (afgerond) 0,7 ha moeten bedragen.

Figuur 10.2. Met een raster is aangegeven waar verlies van oppervlakte GNN (natuurbeheertype N12.02) en kwaliteitsverlies in het GNN (natuurbeheertype N02.01) optreedt.

Omdat kwaliteitsverbetering van de natuur een doelstelling van de herinrichting is, wil Dekker per saldo komen tot een majeure uitbreiding in oppervlakte en kwaliteit (tabel 10.1). Uit het oogpunt van transparantie en navolgbaarheid is hetgeen Dekker ‘moet’ (compensatie voor oppervlakteverlies GNN) gescheiden van de ambities, dus het hetgeen Dekker ‘wil’. Aan het eind van de streep neemt de oppervlakte GNN toe van 20,7 ha in de huidige situatie naar 74,2 ha na herinrichting. Zie voor meer uitleg ook § 10.3.2. 10.1.2 Gebruik Naast oppervlakteverlies is ook het gebruik relevant. Ten opzichte van bestaande zijn de volgende aspecten van belang: • Tijdelijke situatie (10 jaar) > omvorming van het gebied door ontgronden en herinrichten (incl. tijdelijke opslag in depot) • Agrarische bestemming verdwijnt en wordt omgevormd naar natuur en water • Bedrijfsbestemming is verdeeld over een landgedeelte en een watergedeelte (haven) • Gemotoriseerd verkeer verdwijnt uit het gebied, een deel van de Waardweg vervalt. • Extensieve recreatie (deels nu ook al toegestaan): door en afgewogen inrichtingsplan worden passende vormen van extensieve dagrecreatie toegestaan: o Wandelen en struinen in het gebied, deels via vooraf aangelegde paden 45

Sovon-rapport 2020/33

o o

o

Via de waardweg en pad in dijkzone is ook ruimte voor mountainbikers / ruiters Beweeg en beleefroute: In samenwerking met lokale natuurgidsen, bewegingsconsulenten en gebiedskenners is een ‘Beweeg en Beleefroute’ ontwikkeld. Hieraan is een lesprogramma voor scholen uit de gemeente gekoppeld. Het koppelen van oefeningen aan natuurlijke ‘beweegaanleidingen’ past bij het gemeentelijke programma ‘Jongeren op gezond gewicht’ (JOGG). De recreatieve bedrijvigheid van HUMUS (ervaringsleren in outdoor omgeving) en Stichting BEWELL (voor kinderen en jongvolwassenen uit gemeente) worden ingepast. De aard en omvang van deze activiteiten past bij extensieve recreatie. Het gaat om buitenactiviteiten met groepen ter grootte van een schoolklas. Er wordt gebruik gemaakt van twee safaritenten als onderkomens. Dit is een bestaande praktijk binnen het gebied die wordt voortgezet.

De recreatieve activiteiten hebben geen gevolgen voor de kernkwaliteiten van het GNN omdat in het inrichtingsplan conflicten tussen natuur- en recreatiedoelstellingen vermeden worden. Er is sprake van extensieve recreatie in de vorm van natuurbeleving. Door gerichte zonering en routestructuur wordt verstoring van gebieden met vogelconcentraties (van o.a. Wulpen en overwinterende ganzen) voorkomen.

10.2 Beoordelingskader voor wijziging begrenzing GNN Zoals in de vorige paragraaf aangegeven wil Dekker oppervlakteverlies en kwaliteitsverlies van het GNN teniet doen door per saldo een duidelijke natuurwinst, een ‘overwaarde’, te creëren. Natuurontwikkeling ten behoeve van het GNN is immers een belangrijke doelstelling van het plan. Dat betekent dat de kernkwaliteiten van het GNN duidelijk versterkt moeten worden en per saldo een aanzienlijke oppervlakte nieuwe natuur aan het GNN wordt toegevoegd. De wijzigingsbepalingen binnen de Omgevingsverordening voor het beschermingsregime van het GNN bieden onder voorwaarden mogelijkheden voor het wijzigen van de begrenzing van het GNN. In afstemming met en medewerking van de gemeente Neder-Betuwe wil Dekker daarom een verzoek doen aan Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland om de begrenzing van het GNN te wijzigen. De provincie heeft in een eerste reactie laten weten een wijziging van de begrenzing van het GNN in overweging te willen nemen mits het GNN per saldo duidelijk wordt versterkt en aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening wordt voldaan. Het gaat hierbij om een wijziging overeenkomstig Artikel 2.42 van de Omgevingsverordening (zie kader).

Artikel 2.42 (wijziging begrenzing Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone) Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone wijzigen voor een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone en voor de toepassing van paragraaf 2.6.1, voor zover: a. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone behouden blijven; b. de oppervlakte van het Gelders natuurnetwerk ten minste gelijk blijft; c. er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Toelichting in de Omgevingsverordening Het kan gaan om veranderingen uit ecologische motieven, zonder dat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling in het GNN en de GO. Er kunnen ook wijzigingen ontstaan in de begrenzing van het GNN en de GO door de ontwikkeling van ruimtelijke plannen en de uitvoering van projecten. Bij ingrepen in het GNN verdwijnen er delen met een natuurbestemming. Bij de ontwikkeling van compensatie- en vereveningslocaties komen er natuurbestemmingen bij.

Uit artikel 2.42 en de toelichting daarop kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden van Gedeputeerde Staten voldaan wordt indien: 1. De samenhang of de planologische inpassing van het GNN verbetert 2. De bepalingen uit paragraaf 2.6.1 goed toegepast kunnen worden 3. De kernkwaliteiten van het GNN behouden blijven; 4. de oppervlakte van het GNN ten minste gelijk blijft; 5. Er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het GNN en GO. In de hiernavolgende paragraaf wordt stapsgewijs op deze vijf voorwaarden ingegaan. 46

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

10.3 Toets aan voorwaarden artikel 2.42 Omgevingsverordering 10.3.1 Verbetering samenhang of betere planologische inpassing van het GNN Deze samenhang van het GNN zal worden versterkt door terreinen die nog geen GNN zijn maar na de herinrichting een natuurbestemming krijgen toe te voegen aan het GNN. Omdat een groot aaneengesloten GNN-gebied ontstaat zal ook de planologische inpassing verbeteren. In figuur 10.3 is rechts in beeld gebracht hoe de samenhang van het GNN wordt verbeterd. Het ‘middelgroene’ deel in het noorden en westen van het projectgebied wordt toegevoegd aan het GNN waardoor één groot GNNgebied ontstaat. Hiermee wordt voldaan aan de verbetering van de samenhang terwijl het GNN ten opzichte van de huidige situatie beter wordt ingepast. Er zijn geen geïsoleerde GNN-fragmenten meer.

Figuur 10.3 De huidige begrenzing van het GNN (en GO) in het projectgebied (links) en de situatie die ontstaat na wijziging van de begrenzing (rechts).

10.3.2 Goede inpassing van de bepalingen van § 2.6.1 uit de Omgevingsverordening Bij de wijziging van de begrenzing wordt aansluiting gezocht bij artikel 2.39, eerste lid onder b van de Omgevingsverordening: “de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied worden zoveel mogelijk beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd in overeenstemming met bijlage 8 Gelijkwaardige natuurbeheertypen”. Aan de gebieden die bij de wijziging van de begrenzing worden toegevoegd aan het GNN worden natuurbeheertypen gekoppeld. Uitbreiding GNN In tabel 10.1 is weergegeven hoe de oppervlakte GNN in de toekomstige situatie zal veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Dit is gespecificeerd per natuurbeheertypen. Tabel 10.1 Oppervlakte GNN in de referentiesituatie, het basisalternatief en in het VKA in combinatie tot wijziging van de begrenzing. De oppervlakte is gespecificeerd per natuurbeheertype. Voor de aan het GNN toe te voegen terreindelen gaat het om een voorstel voor daaraan te koppelen natuurbeheertypen. De compensatie is inclusief vrijwillige (bovenwettelijke) ‘overcompensatie’. Rekening houdend met een kwaliteitstoeslag (aan de orde bij N14.01) zou 3,2 ha en 0,7 ha verplicht zijn. Natuurbeheertype

GNN huidige

Verlies GNN

Compensatie

GNN na

Wijziging in

Toevoeging

GNN na

situatie

t.o.v. huidige

voor verlies

compensatie

beheertypen

aan GNN na

herinrichting

situatie

GNN

in huidige

herinrichting

GNN ha

ha

ha

ha

N04.02 Zoete Plas

ha

ha

ha

1,8

4,5

6,3

7,7

7,7

N11.01 Droog schaalgrasland N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

13,4

3,2

4,2

N14.01 Rivier en beekbegeleidend bos

7,3

0,4

Totaal

20,7

3,6

47

en herbegrenzing

2,7

2,7

22,5

29,3

14,5

13,7

28,2

23,0

51,2

74,2

14,4

6,8

1,7

8,7

5,9

23,0

Sovon-rapport 2020/33

Er verdwijnt 3,6 ha GNN waarvan 3,2 ha van het natuurbeheertype N12.02 (Kruiden- en Faunarijk grasland), en 0,4 ha van het natuurbeheertype N14.01 (Rivier- en Beekbegeleidend bos). Het totale oppervlakteverlies van 3,6 ha wordt ruim gecompenseerd met 5,9 ha nieuwe natuur (tabel 10.1). Na herinrichting wil Dekker nog eens 51 ha (van het huidige GO) toevoegen aan het GNN. Naast een verdriedubbeling van het oppervlak GNN zal daardoor ook de ecologische samenhang verbeteren. Het toekomstige beheer wordt daarop toegespitst. Daarmee gaat het om een areaalvergroting en (op termijn) kwaliteitsverbetering van het NNN van provinciale en landelijke betekenis.

Figuur 10.5. De gebieden die aan het GNN worden toegevoegd en de daarbij passende natuurbeheertypen.

N04.02 Zoete Plas Kenmerken: de zoete plas is nu al aanwezig maar de ecologische relatie met de omgeving wordt versterkt nu de omliggende akkers en intensieve graslanden uit productie worden genomen en opnieuw ingericht worden. Bij dit natuurbeheertype gaat het om grote en kleine (vrijwel) stilstaande wateren die voedselrijk zijn, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. Het kan gaan om meren, plassen, wielen, kolken en dobben. De variatie in een plas hangt af van verschillende factoren; wind, stroming van het water, diepte, grondsoort, helderheid van het water, aanwezigheid van slib, sloef of bagger en aanbod van voedingstoffen en mineralen. Troebel water en een hoog aanbod van voedingstoffen komen veel voor door vermesting uit landbouwgebieden, waaronder bij lozingspunten. Ook het tekort aan geleidelijke overgangen en ondiepe paaiplaatsen voor vissen en amfibieën is een knelpunt. Afbakening: dit beheertype omvat stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren die breder dan 4 m en dieper dan 20 cm zijn. Stromende wateren behoren tot de beheertypen Rivier of Beek en bron. De wielen, strangen en oude rivierlopen in het buitendijkse deel van het rivierengebied worden tot natuurbeheertype N02.01 (Rivier) gerekend.

Mede op grond van het sterk afwijkende karakter van Rivier ligt samenvoeging met dit natuurbeheertype niet voor de hand, ook al omdat de plas daar niet aan grenst. N11.01 Droog schraalgrasland Kenmerken: dit natuurbeheertype omvat open, droge, laagproductieve, kruidenrijke, grazige vegetaties op o.a. rivierduinen. Daarbij kan het om stroomdalgraslanden gaan. Naast soortenrijke korte vegetaties zijn ook zoomvegetaties en struwelen van belang voor de hier vaak aanwezige hoge soortenrijkdom. Droog schraalland is afhankelijk van voldoende basenrijkdom. Meestal levert de bodem deze basen, maar of via water (bv. korte overstroming) of door sedimentatie van vers zand, kunnen ook bufferstoffen 48

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

van elders aangevoerd worden. Droge Schraallanden op Europees niveau van grote waarde, vooral stroomdalgraslanden langs de grote rivieren. Afbakening: droog schraalland in het rivierengebied omvat droge graslanden met lage open vegetatie die gedomineerd worden door kenmerkende van droog stroomdalgrasland. Soortenarme droge graslanden zonder deze kenmerkende soorten en vegetaties, worden gerekend tot het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland.

Figuur 10.6. De situatie na herinrichting waarbij het grootste deel van het gebied bestaat uit GNN, verdeeld over zes natuurbeheertypen.

N12.01 Bloemdijk Kenmerken: Bloemdijken komen vooral in Zeeland voor, maar soms ook in het rivierengebied. Ze hebben hun waterkerende functie vaak verloren (niet altijd) en worden extensief begraasd of gehooid. Bloemdijken kunnen belangrijke cultuurhistorische monumenten zijn en zijn van belang voor graslanden en struwelen. De variatie en afwisseling kan groot zijn door verschillen in microklimaat, afgetrapte randen langs schapenpaadjes en vochtige stukken aan de voet van de dijk. Bloemdijken zijn van belang voor planten, zoals klaversoorten, dagvlinders en zoogdieren. De vegetaties behoren tot o.a glanshaverhooiland en droge graslanden. Er vindt extensieve beweiding plaats, of er wordt 1 of 2 keer per jaar gehooid. Door verschraling en begrazing met een kudde kan de rijkdom vergroot worden. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Afbakening: dit natuurbeheertype komt uitsluitend voor op dijken en omvat zeer kruidenrijke, min of meer schrale, graslanden. Tot 20% van het beheertype kan bestaan uit struweel. N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland Kenmerken: dit natuurbeheertype omvat graslanden die kruidenrijk zijn maar niet tot schraallanden, vochtig hooiland, overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest.

Het natuurbeheertype kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Kruiden- en faunarijk grasland komt in vrijwel alle landschapstypen voor. Toch is het areaal de laatste veertig jaar enorm afgenomen door sterke bemesting gecombineerd met periodiek doodspuiten en opnieuw inzaaien met hoog productieve grasvariëteiten. De meeste overgebleven kruidenrijke graslanden liggen in overhoekjes van het agrarische gebied of komen voor in natuurgebieden. Kruiden- en faunarijk grasland wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) 49

Sovon-rapport 2020/33

en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken grotendeels binnen Kruiden- en faunarijk grasland, maar graslanden zijn vaak wel rijk aan minder zeldzame soorten. Het type is o.a. van belang voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren Afbakening: graslandtypen laten zich niet eenvoudig afbakenen. De keuze voor dit natuurbeheertype ligt voor de hand omdat het aansluit op al aanwezig grasland van dit natuurbeheertype, grenzend aan het bos dat de noordzijde van de Westplas en de Oostplas omzoomt. Bovendien kan het beheer dan – zoals beoogt - vooral uit beweiden bestaan. De intensiteit van het beheer moet worden afgestemd op de vegetatieproductie. Bij een nog vrij hoge productie (ca. 6 ton droge stof per ha of meer) kan tijdelijk gemaaid en na-beweid worden om te verschralen; bemesting moet dan uiteraard achterwege blijven. Als de productie afneemt kan geheel worden overgeschakeld op beweiding. N.14.01 Rivier-en beekbegeleidend bos Kenmerken: deze bossen staan onder invloed van stromend oppervlaktewater. In dit geval gaat het om hardhout- en zachthoutooibos. Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het Wilgenverbond, Iepenrijke Eiken-Essenverbond en het Verbond van Els en Es.

Rivierbegeleidend bos is te vinden op buitendijkse gronden langs de grote rivieren, de Biesbosch en de Oude Maas. Recente bossen zijn vaak spontaan ontstaan uit opslag na klei. Rivierbegeleidend bos is sterk achteruitgegaan in omvang en kwaliteit in Nederland door bedijking, verdroging, grote wijzigingen in overstromingsdynamiek en bosexploitatie. Laaggelegen delen van het rivierbegeleidend bos worden meestal gedomineerd door wilgen en moerasplanten. Hoger op de oever gaat goed ontwikkeld ooibos geleidelijk over in gewone es, iep, eik en meer typische bosplanten. Struweel wordt vaak gedomineerd door wilgen of meidoorns. Door verdroging en onvoorspelbare overstromingen domineren ruigten vaak op open plekken. Vooral langs de rivieren en in de getijdengebieden kent het rivierbegeleidend bos een voedselrijk en basisch karakter. Onder invloed van overstromingen kan structuurvariatie vaak op een natuurlijke manier ontstaan. Afbakening: er zijn geen andere natuurbeheertypen die zich richten op bos omvat dat periodiek door oppervlaktewater worden overstroomd bij hoge waterstanden. 10.3.3 Behoud kernkwaliteiten GNN In tabel 10.2 zijn de gevolgen voor de kernkwaliteiten van het GNN beschreven en beoordeeld. Dit is gedaan voor de eindfase. In de aanlegfase is verstoring niet uit te sluiten. Het werkproces schuif geleidelijk naar het westen op.

Direct nadat de werkzaamheden gereed zijn gaat de herinrichting van start. De werkzaamheden per werkblok locatie zullen ongeveer 1-1,5 jaar in beslag nemen. Kernkwaliteiten GNN huidige situatie Natuurbeheertype N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) Natuurbeheertype N14.01 (rivier- en beekbegeleidend bos)

Kernkwaliteiten GNN Voorkeursalternatief

Na herinrichting neemt de oppervlakte toe t.o.v. de huidige situatie. Na herinrichting neemt de oppervlakte toe t.o.v. de huidige situatie. Er is echter wel ontwikkeltijd nodig om dezelfde of hogere kwaliteit te bereiken (huidige bos stamt uit 1995). Dynamische rivier met Rivierdynamiek en actieve geologische en bijbehorende processen geomorfologische processen, worden versterkt door water-, sediment- en verbetering zandmotor diasporentransport en ecologisch kerngebied (Natura 2000-gebied) én verbinding tussen MiddenEuropa en de Noordzeekust Noordoever Waal met Geen agrarische functie variabel, grotendeels meer, maar versterking van agrarisch, maar ook de natuurwaarden cultuurlandschap en kleine natuurcomplexen, grotendeels vormgegeven 50

Beoordeling (eindsituatie na herinrichting) Versterking kernkwaliteiten door toename oppervlakte en verbetering samenhang Versterking kernkwaliteiten door toename oppervlakte en verbetering samenhang

Conclusie

+

+

Beperkte verbetering samenhang

+

Neutraal 0

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Kernkwaliteiten GNN huidige situatie door klei- en zandwinning; klein kronkelwaardcomplex bij Hien is bewaard gebleven, ook relatief natuurlijke uiterwaarden bij Loenen en Ochten Waarden voor weidevogels

Waarden voor watervogels

Waarden voor moerasvogels

Waarden voor vleermuizen

Waarden voor amfibieën

Waarden voor vissen

Waarden voor Bever

Waarden voor Steenuil

Waarden voor Kamsalamander

Waarden voor overige bijzondere soorten

Kernkwaliteiten GNN Voorkeursalternatief

Beoordeling (eindsituatie na herinrichting)

Gebied momenteel ongeschikt voor weidevogels. Bij geëxtensiveerd beheer van A02.01 ontstaan mogelijk zeer beperkte kansen voor weidevogels in A02 of Glanshaverhooland. Leefgebied voor diverse soorten watervogels in littorale zone N02.01 neemt toe, voor ganzen, eenden en steltlopers gaat het om rustgebied, bij viseters ook om foerageergebied; foerageergebied voor ganzen in N12.02 neemt in kwaliteit af, vanwege extensivering en afname openheid. Lichte toename van moerassige vegetaties waardoor de omvang van broedgebied iets zal toenemen. Toename verblijfplaatsen op lange termijn bij toename omvang N14.01. Leefgebied ontstaat door grotere littorale zone in N02.01. Ten noorden van de waardweg meer leefgebied. Kwaliteit leefgebied neemt toe door grotere littorale zone in N02.01. Omvang ooibos (N14.01) neemt op iets toe, kwaliteit blijft vrijwel gelijk. Enige verstoring in aanlegfase. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is binnen het GNN geen geschikt leefgebied voor Steenuil aanwezig vanwege ontbreken van kleinschalig cultuurlandschap. Zowel in huidige als toekomstige situatie is binnen het GNN geen geschikt leefgebied aanwezig voor Kamsalamander. Havikshorst en paarverblijfplaats van Ruige Dwergvleermuis zijn aanwezig in N12.02.

Neutraal of licht positief

51

Conclusie

0/+

Neutraal

0

Neutraal of licht positief 0/+

Neutraal tot positief 0/+ positief +

positief + Neutraal tot positief 0/+

Neutraal

0

Neutraal 0

Leefgebied wordt niet aangetast 0

Sovon-rapport 2020/33

Kernkwaliteiten GNN huidige situatie

Kernkwaliteiten GNN Voorkeursalternatief

Plaatselijk kleinschalige landschappen met strangen, hagen en singels, knotwilgen en ooibos

Door herinrichting ontstaat positief meer natuurlijk mozaïeklandschap met afwisseling van beboste hoogwatergeul met zandige oevers en oeverwal met hardhoutooibos en stroomdalvegetatie. Zijn niet aanwezig binnen neutraal GNN-delen binnen projectgebied.

Cultuurhistorische waarden van de uiterwaarden, oude kavelpatronen, doorbraakkolken, waterstaatswerken(kades en sluisjes), kleiwinningen. Onbebouwdheid van de uiterwaarden (enkele boerderijen en (steen)fabrieken). Rust, ruimte en donkerte uitgezonderd de omgeving van stedelijke gebieden.

Abiotiek: aardkundige waarden (o.m. reliëf van oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen), kwel, bodem. Ecosysteemdiensten: recreatie, wateropvang en – afvoer.

Beoordeling (eindsituatie na herinrichting)

Oppervlakte bedrijventerrein neemt iets toe.

Conclusie

+

0

neutraal of licht negatief

Recreatieve druk kan neutraal of licht negatief vooral in de zomer iets toenemen als gevolg van toename van voorzieningen die hierop gericht zijn, maar blijft kleinschalig en is met name bedoeld voor inwoners van nabijgelegen woonkernen. Neutraal omdat wordt neutraal ingezet op behoud eigenschappen reliëf en bodem ter hoogte van de zomerkade/oeverwal. Meer recreatief Neutraal of licht positief medegebruik.

0/-

0/-

0

0/+

10.3.4 Behoud oppervlakte GNN In tabel 10.1 is weergegeven hoe de oppervlakte GNN, gespecificeerd naar natuurbeheertypen, in de nieuwe situatie na wijziging van de begrenzing (voorkeursalternatief) zich verhoudt tot de referentiesituatie. Per saldo verdriedubbelt de oppervlakte GNN na herinrichting waarmee het gaat om een areaalvergroting van het NNN van provinciale en landelijke betekenis. 10.3.5 Combinatie met onherroepelijk bestemmingsplan Een voorwaarde voor wijziging van de begrenzing van het GNN conform artikel 2.42 van de Omgevingsverordening is dat er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het GNN en GO. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. In het bestemmingsplan Buitengebied Echteld 1975 heeft het bedrijventerrein de bestemming ‘Baksteenfabriek’ (artikel 22). Het noordoosten en het zuidwesten overlapt met GNN, het noordwesten overlapt met de GO (figuur 10.6).

52

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Figuur 10.6. Overlap tussen het bestemmingsplan Buitengebied Echteld (1975) met de bestemming ‘Baksteenfabriek’ (zwart omlijnd) en de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone.

10.4 Externe werking na wijziging begrenzing GNN De conclusies ten aanzien van externe werking wijzigen alleen op het punt van de stikstofdepositie ten opzichte van het basisalternatief. Via intern saldering wordt voorkomen dat er per saldo een toename is van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase.

10.5 Gevolgen voor de Groene Ontwikkelingszone Door de herinrichting wordt 53,5 ha die behoort tot de GO toegevoegd aan het GNN. Deze afname moet in het licht van de samenhang tussen GNN en GO worden gezien. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur (vooral landbouwgrond) die ruimtelijk vervlochten is met het GNN. Door de omzetting van oppervlakte van de GO naar het GNN én het beheer van de gronden als natuurgebied wordt de ecologische samenhang van de natuur van het GNN en van de aanwezige landschappelijke kwaliteiten per saldo substantieel versterkt. Wel zal de foerageerfunctie voor overwinterende ganzen beperkt afnemen omdat hoogproductief grasland wordt omgezet in water en natuur. De foerageerfunctie blijft wel deels behouden omdat bouwland wordt omgezet in natuurlijke grasland en de natuurbeheertypen N11.0 en N12.02 ook van betekenis zijn als foerageergebied, zij het in beperkte mate vanwege de lagere calorische waarde. Zonnepanelen in de Oostplas In het midden van de Oostplas wordt 6 ha aan drijvende zonnepanelen geplaatst. De diepte bedraagt hier ten minste 20 meter, en wordt verder uitgediept tot 40-45 meter. De ecologische waarde van de profundale zone, het donkere, koudere en dieper gelegen deel, is in de regel beperkt (Osté et al. 2010). Ecologische waarden zijn in dergelijke diepe plassen vooral in de oeverzone te vinden.

Dit wordt bevestigd door de lage aantallen watervogels die in dit gedeelte van de plas zijn vastgesteld (van den Bremer et al. 2020). Ondanks de beperkte ecologische waarde van het centrale deel van de Oostplas is het reëel om uit te gaan van enig kwaliteitsverlies omdat watervogels en vissen door de drijvende zonnepanelen verstoord kunnen worden. Zeker is dat niet. De drijvende zonnepanelen kunnen door vogels benut worden als veilige slaapplaats, want vrij van grondpredatoren. Vissen kunnen onder de drijvende zonnepanelen schuilen. Verstoring kan teniet worden gedaan met mitigerende maatregelen zoals het plaatsen van drijvende matten langs de randen van de zonnepanelen. Hierop kan zich moerasvegetatie vestigen wat schuilplaatsen en (door een toename van dierlijke organismen) voedsel voor vis oplevert, waar visetende watervogels weer van kunnen profiteren. Voor een nadere beschouwing van de ecologische gevolgen van drijvende zonnepanelen kan worden verwezen naar de passende beoordeling (van den Bremer et al. 2020).

10.6 Doorkijk naar fase 2 en fase 3 van de Gebiedsvisie Midden-Waal De gevolgen van fase 2 (resterende deel Willemspolder) en fase 3 (Gouveneurspolder) voor het GNN kunnen pas worden beoordeeld nadat de ontwikkelingen verder zijn uitgewerkt. Voor deze fasen zal dezelfde aanpak worden gevolgd als voor fase 1. De delfstoffenwinning wordt gecombineerd met een majeure uitbreiding van de oppervlakte GNN, versterking van de ecologische samenhang en kwaliteitsverbetering door gericht natuurbeheer. In het westelijk deel van de Willemspolder is nu geen GNN aanwezig (figuur 8.1) zodat met name daar areaaluitbreiding van GNN gerealiseerd kan worden. 53

Sovon-rapport 2020/33

De gevolgen voor het foerageergebied voor overwinterende ganzen worden in de vervolgfasen een aandachtspunt omdat deze een voorkeur hebben voor hoogproductief grasland met voldoende rust en openheid. Foerageercapaciteit zou behouden kunnen blijven door bouwland om te zetten in (productie)grasland.

10.7 Samenvatting • Er treedt 3,58 ha oppervlakteverlies op dat per saldo ruim wordt gecompenseerd (5,9 ha). • Omdat kwaliteitsverbetering van de natuur een projectdoel is, wil Dekker alle (mogelijke) vermindering van kwaliteit te niet doen door uitbreiding van oppervlakte GNN en na herinrichting ook kwaliteitsverbetering van de nieuwe natuur. • De wijzigingsbepalingen binnen de provinciale Omgevingsverordening voor het beschermingsregime van het GNN bieden onder voorwaarden mogelijkheden voor het wijzigen van de begrenzing van het GNN. Belangrijke voorwaarden zijn verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van het GNN, behoud van de kernkwaliteiten van het GNN en het voorkomen van oppervlakteverlies. • Aan de voorwaarden van verbeterde samenhang en inpassing wordt ruimschoots voldaan door een verdriedubbeling van de oppervlakte GNN in het projectgebied. Daarmee gaat het om een areaalvergroting van het NNN van provinciale en landelijke betekenis. Ook de samenhang verbetert omdat een aaneengesloten geheel ontstaat, dus zonder door intensief agrarisch gebied omgeven GNN-fragmenten. Door middel van gericht beheer wordt ingezet op kwaliteitsverbetering. • Aan de nieuwe GNN-natuur zijn natuurbeheertypen gekoppeld.

Het gaat om 4,5 ha Zoete plas (N04.02), 7,7 ha Droog schraalgrasland (N11.01), 2,7 ha Bloemdijk (N12.01), 22,5 ha Kruiden- en Kruidenrijk Grasland (N12.02) en 13,7 ha Rivier- en beekbegeleidend bos ofwel hardhout- en zachthoutooibos (N14.01). • Door de herinrichting wordt een grote oppervlakte GO toegevoegd aan het GNN. Door de omzetting van oppervlakte van de GO naar het GNN én het beheer van de gronden als natuurgebied, wordt de ecologische samenhang van de natuur van het GNN per saldo substantieel versterkt.

54

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

11. Literatuur DE BOER V. 2019. Toelichting watervogeltellingen Ochten nov 2018-apr 2019. Notitie nummer 2019/32. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. DE BOER V. 2020. Toelichting watervogeltellingen Willemspolder nov. 2019-feb 2020. Notitie nummer 2020.20. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. VAN DEN BREMER L., DE BOER V. & VAN WINDEN E. 2017. Voortoets vogels windenergie IJzendoorn. Sovonrapport 2017/54. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. VAN DEN BREMER L., ALEFS P. & VOGEL R. 2020. Passende beoordeling Willemspolder fase I. Sovonrapport 2020/34. BRUYN J. & BURO WAALBRUG. 2016. Willemspolder IJzendoorn. Herinrichting met ruimte voor de rivier, nieuwe natuur en recreatie. HOLTRUST-WESTERBEEK J. 2019. Herinrichting Willemspolder fase 1 – Notitie over de inhoud van de milieueffectrapportage. Dekker Grondstoffen B.V. JASPER FAIJER M. & STARMANS J. 2017. Haalbaarheidsscan windenergie Dekker Gemeente NederBetuwe. Projectnummer 716062. Pondere Consult, Hengelo. KURSTJENS G. 2005. Natuurtoets Natuur- en landschapsontwikkeling Willemspolder in 2005. Onderzoek in opdracht van Dekker Zandbaggerbedrijf B.V. Kurstjens ecologisch adviesbureau, BeekUbbergen. KURSTJENS G., HEIJKERS D., VAN DE KOPPEL S., KREKELS R. & KROON, P. 2014. Richtlijnen inzake bever voor het project inhaalslag Stroomlijn.

Bureau Natuurbalans – Limes Divergens BV (Nijmegen) & Kurstjens Ecologisch Adviesbureau (Beek-Ubbergen). KURSTJENS G.& DE JONG V. 2018. Onderzoek beschermde soorten Herinrichting Willemspolder 2018. Rapport 2018.02. Kurstjens Ecologisch Advies, Beek-Ubbergen. KURSTJENS G. 2020. Samenvatting onderzoek beschermde soorten herinrichting Willemspolder Fase 1. rapport 2020.01. Kurstjens Ecologisch advies, Beek-Ubbergen. MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT. 2020. Rode lijsten. Geraadpleegd op 10 april 2020 van: https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/rode-lijsten MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU. 2012. Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (Maart 2012). OSTÉ A., JAARSMA N, VAN OOSTERHOUT F. 2010. Een heldere kijk op diepe plassen: kennisdocument diepe meren en plasssen: ecologische systeemanalyse, diagnose en maatregelen. Libertas, Bunnik. PROVINCIE GELDERLAND. 2018. Omgevingsverordening Gelderland (December 2018). Status: geconsolideerd; IDN: NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc07 PROVINCIE GELDERLAND. 2019. Natuurbeheerplan 2020 Provincie Gelderland (6 november 2019). Zaaknummer: 2019-005701 SIRIWARDENA G.M., CALBRADE N.A. & VICKERY J.A. 2008. Farmland birds and late winter food: does seed supply fail to meet demand? Ibis 150: 585-595. Geraadpleegde websites: Overheid.nl. 2018 t/m heden. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Geraadpleegd op 10 april 2020: https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/2018-01-01 Rijksoverheid. 2020. Natuurnetwerk Nederland. Geraadpleegd op 6 april 2020: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland Bij12. 2020. Algemene beschrijving en afbakening natuurbeheertypen. Geraadpleegd op 10 april 2020:

55

Sovon-rapport 2020/33

Bijlage 1. Achtergrond wettelijk kader en beleidskader In deze effectbeoordeling wordt de invloed van een ruimtelijke ingreep op het GNN (onderdeel van het NNN) en op de GO beoordeeld. Hierop is onderstaande wettelijk kader en beleidskader van toepassing; de betreffende instrumenten zijn weergegeven op basis van de hiërarchie in juridische status. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Opgesteld door het Rijk in 2012. In de definitieve SVIR schetst het Rijk de ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Deze zijn uitgewerkt in nationale belangen. Nationaal belang 11 in de SVIR luidt: “ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten”. Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden provincies een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter)nationaal belang. De nationale belangen worden juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Opgesteld door het Rijk in 2011. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid (zoals vastgelegd in de SVIR).

Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. De regels uit het Barro stellen eisen aan het bestemmingsplan en de provinciale verordening. In titel 2.10 van de tweede tranche van het Barro zijn regels opgenomen waarmee het Rijk de het Natuurnetwerk Nederland wil realiseren. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt echter bij de provincies. Het Rijk en de provincies hebben in het “bestuursakkoord natuur” afspraken hierover gemaakt. Het beschermingsregime voor het NNN in het Barro bestaat uit vier elementen: 1. Provincies begrenzen gebieden die horen tot het NNN; 2. provincies bepalen bij provinciale verordening de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN-gebieden; 3. provincies nemen in de provinciale verordening regels op over inhoud van bestemmingsplannen ter borging van NNN; 4. begrenzing en NNN-beschermingsregime werken door in bestemmingsplannen. Bestuursakkoord Natuur Gesloten door het Rijk en de provincies in 2012. In het Bestuursakkoord Natuur werd afgesproken dat de provincies tot 2021 in totaal 40.000 ha aan nieuwe natuur zouden inrichten, waarvoor nog 17.000 ha landbouwgrond moest worden verworven. Voor dekking daarvan stelde het Rijk grond beschikbaar.

Voor het beheer ervan kregen de provincies jaarlijks 105 miljoen euro via het Provinciefonds. De provincies zouden zelf jaarlijks een eigen bijdrage aan het beheer moeten leveren van 65 miljoen euro. Afgesproken werd dat de provincies de Rijks- en eigen provinciale middelen gericht zouden inzetten voor het realiseren van internationale verplichtingen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. De realisatie en het beheer van het Natuurnetwerk en de verbetering van de milieu- en watercondities zijn daarvoor de belangrijkste strategieën. Gelderse Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Vastgesteld door de provincie in 2019. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland omvat het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiele waarden en de omgevingscondities. In het GNN mogen geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland Vastgesteld door de provincie in 2018.

De omgevingsverordening Gelderland bevat de regels die nodig zijn om de ambities uit de Omgevingsvisie te realiseren. De omgevingsverordening schijft voor waaraan bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen moeten voldoen. Gemeenten moeten aan de voorwaarden in de Provinciale Ruimtelijke Verordening voldoen met hun bestemmingsplannen. Doen ze dat niet, dan staat voor de provincie de mogelijkheid open om een zienswijze in te dienen.

56

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Bestemmingsplan gemeente Neder-Betuwe Een bestemmingsplan is een beleidsdocument dat de ruimtelijke ordening bepaalt. Het bestaat uit toelichtingen, verbeeldingen, plankaart(en) en regels en voorschriften met betrekking tot de ruimtelijke ordening. Natuurbeheerplan Provincie Gelderland Wordt jaarlijks vastgesteld door de provincie; laatste versie is van november 2019 en betreft het jaar 2020. Het Natuurbeheerplan is een subsidiekader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden die worden beheerd volgens agrarisch natuur- en landschapsbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur-, landschaps- en waterdoelen nagestreefd worden. Daarnaast beschrijft het Natuurbeheerplan wat de huidige en de gewenste beheerdoelen zijn voor de Natura 2000-gebieden, het GNN, agrarische gebieden met natuurwaarden en agrarische gebieden met waterdoelen. De provincie begrenst en beschrijft daarvoor de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, natuurbeheer, agrarisch natuur-, landschaps- en waterbeheer en beheer van landschapselementen kan plaatsvinden.

De begrenzing is aangeduid op vier kaarten: de beheertypenkaart, ambitiekaart, de leefgebieden agrarisch natuurbeheer en de kaart zoekgebied water en bodem. Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen en heeft dus geen invloed op eigendomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het plan is wél een kennisdocument over de natuur in de provincie en kan als zodanig gebruikt worden voor het beoordelen van effecten van een ruimtelijke ingreep op het NNN. Rode Lijst Een Rode Lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door het rijk. Rode Lijsten hebben geen juridische status, maar worden wel gebruikt om te toetsen of de beleidsdoelen over biodiversiteit worden gehaald. Van overheidsinstanties wordt verwacht dat zij aandacht hebben voor Rode Lijst-soorten. Het voorkomen van Rode Lijst-soorten kan als wezenlijke kenmerken en waarden worden beschouwd.

57

Sovon-rapport 2020/33

Bijlage 2. Regels Omgevingsverordening Gelderland GNN De regels uit de Omgevingsverordening Gelderland, staan genoemd in afdeling 2.6 Natuur en Landschap en hieronder weergegeven (Provincie Gelderland, 2018). §2.6.1 Instructieregels bestemmingsplan bescherming Gelders natuurnetwerk Artikel 2.39 (andere bestemming dan natuur) 1. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk als er sprake is van een groot openbaar belang en a. er voor de realisering daarvan geen reële alternatieven zijn; b. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage 8 Gelijkwaardige natuurbeheertypen. 2. In afwijking van het eerste lid is er voor gronden met de volgende natuurbeheertypen geen andere bestemming mogelijk: bron, gemaaid rietland, hoogveen, trilveen en zwak gebufferd ven. 3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het Gelderse natuurnetwerk nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen een omheind militaire terrein mogelijk maken als: a. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de ecologische samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; b.

de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. 4. Om te bepalen wat de effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de ecologische samenhang zijn, doet de initiatiefnemer onderzoek naar actuele waarden binnen het gebied en de effecten van het initiatief op de binnen het gebied aanwezige: a. natuurwaarden en potenties; b. in de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; c. kwaliteit van lucht, water en bodem; d. mate van stilte, rust en duisternis; e. ecologische samenhang; f. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. 5. Compensatie kan plaatsvinden door fysieke natuurcompensatie op gronden met een andere bestemming dan natuur in de nabijheid van de te compenseren locatie of door financiële compensatie. Artikel 2.40 (uitbreiding van bestaande bestemming) 1. Een bestemmingsplan voor gronden die geheel omsloten worden door het Gelders natuurnetwerk kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk maken als in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat: a. verplaatsing naar een locatie buiten het Gelders natuurnetwerk bedrijfseconomisch niet mogelijk is; b. de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt, en c.

deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van de recreatiebedrijven in bijlage 11 Groeilocaties groei-krimpbeleid Veluwe, onder de voorwaarden dat de uitbreiding: a. plaatsvindt op de in deze bijlage aangegeven uitbreidingslocaties; b. de gereserveerde oppervlakte uit de tabel Groeilocaties niet overschrijdt; c. uiterlijk 1 januari 2027 is opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan. 3. Gedeputeerde Staten sluiten ter uitvoering van een uitbreiding als bedoeld in het tweede lid een overeenkomst met het recreatiebedrijf waarin in ieder geval de hoogte van het door het recreatiebedrijf te betalen compensatiebedrag wordt vastgelegd. § 2.6.2 Wijzigingsbevoegdheden Artikel 2.41 (wijzigingsbevoegdheid college van burgemeester en wethouders) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk maakt het mogelijk dat het college van burgemeester en wethouders de vigerende bestemming kunnen wijzigen in de bestemming natuur, als: a. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie; b. een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten, of c.

Gedeputeerde Staten hebben besloten aan Provinciale Staten voor te stellen om de Kroon te verzoeken een onteigeningsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet en Gedeputeerde Staten een kopie van hun besluit aan burgemeester en wethouders hebben gezonden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan. 58

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Artikel 2.42 (wijziging begrenzing Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone) 1. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone wijzigen voor een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone en voor de toepassing van paragraaf 2.6.1, voor zover: a. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone behouden blijven; b. de oppervlakte van het Gelders natuurnetwerk ten minste gelijk blijft; c. er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. § 2.6.3 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk Artikel 2.43 (fysieke natuurcompensatie) 1. De omvang van de fysieke natuurcompensatie is gelijk aan de oppervlakte van het door de nieuwe functie aangetaste areaal, vermeerderd met de volgende toeslag: a. 1/3 deel van het oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar; b. 2/3 deel van het oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar; c.

een door Gedeputeerde Staten te bepalen oppervlak en bedrag voor kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkelingstijd van meer dan 100 jaar. 2. Voor toepassing van het eerste lid geldt de ontwikkeltijd per natuurbeheertype, vermeld in bijlage 7 Ontwikkeltijd natuurbeheertypen. 3. Planologische verankering van fysieke natuurcompensatie vindt plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan als waarin de wijziging van de bestemming wordt geregeld, die de aanleiding vormt voor de compensatie. Artikel 2.44 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie) 1. De fysieke natuurcompensatie en mogelijke mitigerende maatregelen worden onderbouwd in een compensatieplan. 2. Het compensatieplan bevat een digitale verbeelding van de te compenseren locatie en van de locatie waar de compensatie zal plaatsvinden. 3. Het compensatieplan geeft inzicht in: a. hoe verzekerd is dat de mogelijke mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie worden uitgevoerd; b. hoe de monitoring en rapportage over de uitvoering van de mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie plaatsvindt; c. hoe de compensatienatuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd. Artikel 2.45 (uitvoering compensatieplan) 1.

De uitvoering van het compensatieplan vindt plaats binnen vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan, waarin de fysieke natuurcompensatie is verankerd. 2. Als op de te compenseren locatie sprake is van beschermde inheemse diersoorten of soorten op een Rode lijst, dan vinden de mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie plaats voorafgaand aan de fysieke ingreep op de locatie die de aanleiding vormt voor het compensatieplan. 3. De uitvoering van het compensatieplan wordt verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan en wanneer gewenst aanvullend met een privaatrechtelijke overeenkomst voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Artikel 2.46 (financiële natuurcompensatie) 1. De door initiatiefnemer te betalen financiële compensatie wordt door Gedeputeerde Staten verrekend met de kosten voor de al aangelegde compensatie van natuur in een compensatiepool. 2. De omvang van de financiële compensatie bestemd voor de compensatiepool wordt bepaald door: a. de aanschaf en de verwerving van vervangende grond; b. de inrichting van de natuur; c. het beheer gedurende de ontwikkelingstijd; d. de procedure- en plankosten. 3. De financiële compensatie is gebonden aan de ingreep en wordt gestort op de rekening van de provincie.

§ 2.6.4 Voorwaarden toegestane activiteiten Gelders natuurnetwerk Artikel 2.47 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden) N.v.t Artikel 2.48 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden) 59

Sovon-rapport 2020/33

N.v.t. Artikel 2.49 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden) 1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk kleinschalige recreatie mogelijk maken, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden a. er worden geen nieuwe gebouwen of bouwwerken opgericht b. er worden geen verhardingen of half verhardingen aangebracht c. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk worden versterkt door per hectare één hectare nieuwe natuur te realiseren of door het omvormen van vijf hectare bestaande natuur naar een provinciaal doeltype zoals beschreven in het natuurbeheerplan en de beheerplannen Natura 2000; d. bij natuurkamperen; i. het aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen is maximaal 25 per hectare; ii. de kampeermiddelen zijn van elkaar visueel afgescheiden door natuurlijke begroeiing; iii. de staanplaatsen zijn beschikbaar voor een periode van maximaal 27 aaneengesloten nachten. 2. De initiatiefnemer legt de wijze van versterking van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed, vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.

Artikel 2.50 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden) In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk kleinschalige recreatie mogelijk maken als voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.49 en de initiatiefnemer aantoont dat: a. de bosbodems eerder zijn geroerd en niet meer ongestoord zijn; b. de zoekgebieden voor nieuwe habitat in de omgeving al zijn ingevuld buiten het initiatief. Artikel 2.51 (instructieregel bestemmingsplan windturbines in Gelders natuurnetwerk) 1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk windturbines mogelijk maken, als de compensatie voor windturbines en omliggende verharding bestaat uit maatregelen waarbij de oppervlakte natuur die verloren gaat voor 200 procent wordt gecompenseerd. 2. De initiatiefnemer legt de wijze van compensatie van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed, vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.

Artikel 2.51a (instructieregel toelichting bestemmingsplan kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk) Bij afwijking van paragraaf 2.6.1 voor een in het Gelders natuurnetwerk toegestane activiteit als bedoeld in de artikelen 2.47, 2.48, 2.49, 2.50 en 2.51 wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan aangetoond dat de kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk per saldo niet significant worden aangetast.

60

Beoordeling effecten Willemspolder fase 1 op het GNN en de GO

Bijlage 3. Gelijkwaardige Natuurbeheertypen Natuurbeheertypen die gelijkwaardig zijn, staan in bijlage 8 van de Omgevingsverordening (Provincie Gelderland , 2018). Deze is hieronder overgenomen. Gelijkwaardige natuur • Natuurbeheertypen uit hetzelfde vak zijn gelijkwaardige natuur en kunnen elkaar compenseren. • Natuurbeheertypen mogen ook vervangen worden door een beheertype uit een hogere categorie, maar dan wel overeenkomst in hydrologie en bos of niet bos. Daarbij is categorie 1 de laagste en categorie 3 de hoogste categorie. • In categorie 3 staan enkele natuurbeheertypen met een sterretje. Deze beheertypen mogen wel als compensatie gerealiseerd worden, maar mogen niet aangetast worden. Categorie 1 Algemene natuur WATER NIET BOS Rivier Beek (Beek en bron) Kranswierwateren Zoete plas BOS Vochtig bos met productie Zachthoutooibos (Rivier en beekbegeleidend bos) Categorie 2 Bijzondere natuur VOCHTIG NIET BOS Moeras Vochtige heide Vochtig hooiland Zuur ven of hoogveenven Nat schraalland Vochtig weidevogelgrasland BOS Haagbeuk-essenbos Hoog- en laagveenbos Vochtig hakhout en middenbos

DROOG Kruidenrijke, faunarijke akker Zandverstuiving Droog schraalland Bloemdijk Ruigteveld Eiken-beukenbos Droog hakhout Park-stinzebos

Categorie 3 Top natuur WATER NIET BOS Bron*

BOS

DROOG Kruidenrijk, faunarijk grasland Wintergastenweide Droge heide Glanshaverhooiland Dennenbos Droog bos met productie

VOCHTIG Gemaaid rietland* Veenmosrietland en moerasheide* Trilveen* Hoogveen* Zwak gebufferd ven* Hardhoutooibos (Rivier- en beekbegeleidend bos) Beekbegeleidend bos (Rivier- en beekbegeleidend bos)

n.v.t.

61

Sovon-rapport 2020/33

Bijlage 4. Regels GO Omgevingsverordening Gelderland De regels uit de Omgevingsverordening Gelderland, staan genoemd in afdeling 2.6 Natuur en Landschap en hieronder weergegeven (Provincie Gelderland, 2018): § 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 (nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone) 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt geen nieuwe grootschalige ontwikkeling mogelijk die leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, tenzij: a. er geen reële alternatieven zijn; b. sprake is van redenen van groot openbaar belang; c. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; d. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig de artikelen 2.39, derde tot en met zesde lid, en paragraaf 2.6.3. 2. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; b.

deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Artikel 2.53 (uitbreiding bestaande bedrijven of functies in Groene ontwikkelingszone) 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk maken, als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; b. deze versterking is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. 2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan de uitbreiding van bestaande grondgebonden landbouwbedrijven en van extensieve openluchtrecreatie met meer dan 30 procent mogelijk maken, als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; b. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of in een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. 3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet, voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. 4. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30 procent mogelijk maken, als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; b. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Artikel 2.54 (vellen van een houtopstand in Groene ontwikkelingszone) 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt een functie, waarvoor een houtopstand als bedoeld in de Wet natuurbescherming moet worden geveld, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, alleen mogelijk als wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat. 2. Compensatie kan plaatsvinden door fysieke compensatie of door financiële compensatie op basis van de volgende voorkeursvolgorde: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595324/1