Bijlage 22 - Bijlage 7 bij MER Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Tekst van het document
Op grotere afstand is dit wel het geval op de volgende locaties: • 2 windturbines op het Engie-terrein in Nijmegen-West (18 km) • 11 windturbines langs de A15 bij Deil (29 km) • 4 windturbines langs de Pleijroute bij Arnhem-Zuid (30 km) • 3 windturbines langs de A2 ten zuiden van Zaltbommel (34 km) Deze windparken liggen alle op een zodanig grote afstand dat niet te verwachten is dat de vogelsoorten met risico op aanvaring met een windturbine (tabel 5.4) meerdere windparken passeren tijdens vliegbewegingen tussen slaapplaats en foerageergebieden, of tussen twee foerageergebieden. Bij Aalscholvers en overwinterende ganzen is dat vanwege de grote actieradius van deze soorten echter niet volledig uitgesloten. In de wijde omgeving van de Willemspolder bevinden zich verschillende slaapplaatsen van Aalscholvers: Zoelen-De Bellert, Dreumelse Waarden, Afferdense en Beesdse waarden, Kil van Hurwenen en de Heerenwaarden bij Sint Andries. Deze slaapplaatsen liggen langs de Waal en foerageervluchten zullen vooral langs de Waal plaats vinden. Het is niet te verwachten dat Aalscholvers tijdens bewegingen van en naar deze slaapplaatsen naast de Willemspolder ook met enige frequentie andere windparken passeren. Een hogere sterfte in cumulatie met de andere genoemde windparken is daarmee redelijkerwijs uit te sluiten.
Overwinterende ganzen maken gebruik van meerdere slaapplaatsen en foerageergebieden. De kans dat deze naast de Willemspolder ook andere windparken aandoen is aanwezig. Bij Kolgans en Grauwe Gans zal de cumulatieve sterfte niet van dien aard zijn dat de 1%-mortaliteitsnorm (respectievelijk 112 en 22 aanvaringslachtoffers per seizoen) daardoor overschreden kan worden. Bij de Brandgans 1%58
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
mortaliteitsnorm komt uit op 4 vogels per seizoen) is dat niet ondenkbaar. Deze soort neemt sterk toe in Natura 2000-gebied Rijntakken en bevindt zich zeer ruim boven de instandhoudingsdoelstelling. Uitgaande van de voorbeeldturbine zullen ook in cumulatie met windparken in de omgeving geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen optreden. Bij gebruik van turbines met een lagere tiplaagte kan deze conclusie mogelijk wijzigen.
59
Sovon-rapport 2020/34
7. Conclusies (basisalternatief) De algemene conclusie is dat negatieve effecten van de realisatie van Willemspolder fase 1, conform het basisalternatief, op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten, mits er mitigerende maatregelen in acht genomen worden. De maatregelen zijn in paragraaf 7.5 beschreven. Daarmee is het basisalternatief vergunbaar. Onderstaand zijn voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en nietbroedvogels afzonderlijk de conclusies weergegeven.
7.1. Habitattypen Verslechtering van de kwaliteit van habitattypen in Natura 2000-gebieden Veluwe en Binnenveld kan in het basisalternatief niet volledig worden uitgesloten door een toename van stikstofdepositie hoewel de toevoeging uiterst gering (0.01 mol N/ha/jaar) en tijdelijk (maximaal 10 jaar) is. Om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden met zekerheid uit te sluiten dient het voornemen in het voorkeursalternatief zodanig geoptimaliseerd te worden dat dit risico alsnog met zekerheid kan worden uitgesloten.
7.2. Habitatsoorten Negatieve effecten van het basisalternatief op de instandhoudingsdoelstellingen van habitatsoorten in het kader van externe werking zijn uitgesloten. Voor de verschillende trekvissen die de Rijntakken gebruiken als doortrekgebied ontbreekt primair habitat in het projectgebied. Het initiatief staat uitwisseling tussen populaties van Bever binnen HR-gebied niet in de weg. Door de toename van de hoeveelheid bos zal op de lange termijn het projectgebied geschikt blijven voor Bever. Ook voor Meervleermuis geldt dat effecten in de aanlegfase zijn uit te sluiten, mits mitigerende maatregelen in acht genomen worden om licht- en geluidsverstoring op en rondom het open water in het projectgebied te voorkomen.
7.3. Broedvogels Negatieve effecten van het basisalternatief op de instandhoudingsdoelstellingen van broedvogels zijn uitgesloten met uitzondering van de gevolgen van stikstofdepositie voor leefgebieden van de Kwartelkoning en Watersnip in Natura 2000-gebied Rijntakken en enkele leefgebieden op de Veluwe (Lg 09, Lg13, Lg14). Om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden met zekerheid uit te sluiten dient het voornemen in het voorkeursalternatief zodanig geoptimaliseerd te worden dat dit risico alsnog met zekerheid kan worden uitgesloten. Wanneer het definitieve type windturbine een lagere tiplaagte zal hebben dan de Enercon E-126, dan dient een herbeoordeling plaats te vinden van de mortaliteit die onder Aalscholver kan optreden.
7.4. Niet-broedvogels Negatieve effecten van het basisalternatief op de instandhoudingsdoelstellingen van niet-broedvogels zijn uitgesloten met uitzondering van oppervlakteverlies van leefgebied van de Wulp, afzonderlijk en in samenhang net verstoring door geluid. Dit verlies is weliswaar beperkt van omvang maar is niet verwaarloosbaar nu deze soort zich onder de instandhoudingsdoelstelling bevindt. Om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden met zekerheid uit te sluiten dient het voornemen in het voorkeursalternatief zodanig geoptimaliseerd te worden dat dit risico alsnog met zekerheid kan worden uitgesloten. Wanneer het definitieve type windturbine een lagere tiplaagte zal hebben dan de Enercon E-126, dan dient een herbeoordeling plaats te vinden van de mortaliteit die onder Aalscholver en Scholekster kan optreden.
7.5. Mitigerende maatregelen Onderstaand is het overzicht van mitigerende maatregelen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase weergegeven (tabel 7.1). Met het nemen van mitigerende maatregelen zijn effecten tijdens de aanleg- en gebruiksfase te voorkomen. 60
Passende beoordeling Willemspolder fase 1 Tabel 7.1 Mitigerende maatregelen die betrokken worden bij de uitwerking van het voorkeursalternatief. Habitattype / soort
Gebiedsontwikkeling
habitattypen en leefgebieden van soorten
aantasting door stikstofdepositie Verkenning brongerichte maatregelen w.o. inzet van elektrisch materieel. Voorts inzet op interne of externe saldering. Als dit niet mogelijk is dan dient verbetering leefgebied voor Kwartelkoning en Watersnip te worden uitgewerkt waardoor ondanks additionele N-depositie een kwaliteitsverbetering resteert.
Aanlegfase
Meervleermuis
verstoring door kunstlicht en geluid
In de actieve periode (tussen april en september, tussen zonsondergang en zonopkomst) dienen geen werkzaamheden plaats te vinden waarbij de wateren in het projectgebied beschenen worden en/of piekgeluiden optreden.
Geen maatregelen nodig
Aalscholver, Oeverzwaluw (broedvogel)
Risico op aanvaring met windturbines, maar de 1%mortaliteitsnorm zal ook cumulatief niet overschreden worden
Hoewel niet noodzakelijk kan een oeverzwaluwwand tot een plus leiden.
Nadere risicobeoordeling is nodig als gekozen wordt voor een turbine met een lagere tiplaagte.
Wulp (niet broedvogel)
oppervlakteverlies leefgebied
In de omgeving van het projectgebied dient het verlies aan foerageergebied voor Wulp te worden gemitigeerd.
Wulp (niet broedvogel)
verstoring door geluid
In de omgeving van het projectgebied dient het verlies aan foerageergebied voor Wulp te worden gemitigeerd.
Aalscholver, Scholekster (nietbroedvogel)
Risico op aanvaring met windturbines), maar de 1%mortaliteitsnorm zal ook cumulatief niet overschreden worden
Geen maatregelen nodig (in de aanlegfase zijn geen slachtoffers te verwachten)
61
Gebruiksfase
Nadere risicobeoordeling is nodig als gekozen wordt voor een turbine met een lagere tiplaagte.
Sovon-rapport 2020/34
8. Passende beoordeling: voorkeursalternatief 8.1. Inleiding Het basisalternatief is verder uitgewerkt aan de hand van de vijf doelstellingen van het project. Een optimalisatievariant per doelstelling is in juni 2020 in een expertmeeting beoordeeld waarbij ook conflicterende belangen in samenhang in beeld zijn gebracht en beoordeeld. Hieruit is vervolgens een samenstel van maatregelen gekozen die het milieubelang en de projectdoelstellingen het beste dient, en daarmee het voorkeursalternatief (VKA) vormt. In dit hoofdstuk worden de gevolgen van het VKA voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden beoordeeld. Indien bepaalde activiteiten een belemmering kunnen vormen voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen, dan wordt aangegeven hoe de activiteit aangepast kan worden om een conflict met het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden in de Wet natuurbescherming te voorkomen.
8.1 Beschrijving voorkeursalternatief In figuur 8.1 is de toekomstige inrichting op grond van het VKA weergegeven, wat in figuur 8.2 verder is geconcretiseerd op het vlak van landschapsecologie en grondgebruik. Zie tabel 8.1 voor de oppervlakten ten opzichte van de huidige situatie en het basisalternatief). Voor een uitgebreide beschrijving en toelichting op het VKA wordt verwezen naar het MER over de herinrichting van de Willemspolder, fase 1.
Figuur 8.1. Eindsituatie Willemspolder fase 1, het voorkeursalternatief (VKA), na herinrichting en natuurontwikkeling. De definitieve inrichting van het VKA kan nog wijzigen op detailniveau waaronder locaties met hogere en lagere struwelen.
62
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 8.2. Willemspolder Fase 1, toekomstige inrichting en landschapsecologische indeling behorende bij het VKA, na herinrichting en natuurontwikkeling. De definitieve inrichting van het VKA kan nog wijzigen op detailniveau, met name de locaties met bos en struwelen. Tabel 8.1. Oppervlaktes (ha) per type grondgebruik/habitat onder de huidige situatie (figuur 2.1) en eindsituatie na realisatie van het basisalternatief (figuur 2.3) en het VKA (figuur 8.2). Het grondgebruik ‘wonen/windturbines’ zat in het basisalternatief inbegrepen bij de eenheid ‘bedrijfsterrein’. Huidige situatie (ha)
Eindsituatie basisalternatief (ha)
Eindsituatie VKA (ha)
Diep water
47
33
35
Ondiep water
6
20
20
Bodemput
-
19
18
Bouwland
12
-
-
Grasland
72
-
-
Gras en kruidenvegetatie Zachthoutooibos
8
38 10
36 12
Hardhoutooibos
-
10
11
Zandige oever en rivierduin
4
16
15
Bedrijfsterrein
5
7
6
Riet en ruigte
1
1
1
Struweel en singels Paden en wegen
1 3
2
2
Nieuwe zomerdijk
-
4
3
Waterplas
1
Wonen / windturbines Totaal
0,4 160
63
160
160
Sovon-rapport 2020/34
8.2. Effectbepaling en -beoordeling Elementen van het VKA die nader ‘passend’ beoordeeld moeten worden zijn: • Stikstofdepositie: het basisalternatief is op dit punt immers strijdig met het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. • De wijze waarop oppervlakteverlies van leefgebied van de in het gebied overwinterende Wulp wordt voorkomen. • Energieopwekking door zonnepanelen op water in de Oostplas (figuur 8.1). In het basisalternatief was deze vorm van hernieuwbare energieopwekking nog niet expliciet meegenomen. Volledigheidshalve is daarnaast nogmaals kort ingegaan op de gevolgen van windturbines. 8.2.1. Gevolgen stikstofdepositie In § 5.1 is beschreven dat het basisalternatief leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van soorten in vier Natura 2000-gebieden: Rijntakken (maximaal 15,17 mol N/ha/jaar), Veluwe (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar), Kolland en Overlangbroek (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar) en Binnenveld (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar). Er geldt een verbod om zonder vergunning een project uit te voeren dat leidt tot een tijdelijke en/of permanente toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie, waaronder de vier genoemde gebieden.
Indien een toename van stikstofdepositie kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van habitattypen of leefgebieden van soorten dan kan die vergunning (zonder nadere maatregelen) niet worden verleend. In § 5.1 is vastgesteld dat de kritische depositiewaarden van een aantal habitattypen en/of leefgebieden van soorten al zijn overschreden. Gelet op de overbelaste situatie kan elke toename – hoe gering ook – dan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en/of leefgebieden van soorten die deel uitmaken van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor het basisalternatief kan daarmee geen toestemming worden verleend. In het projectgebied worden in de huidige situatie agrarische activiteiten uitgevoerd die stikstofdepositie veroorzaken. Door de herinrichting van de Willemspolder komen deze bestaande activiteiten te vervallen, waardoor de stikstofdepositie per saldo zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Dit betekent dat op basis van intern salderen een aanvraag kan worden gedaan voor een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming. Er wordt dus een beroep gedaan op de “Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent stikstof (Beleidsregels intern en extern salderen)”.
De provincie kan een natuurvergunning verlenen in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van intern salderen mits wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden (artikel 5 beleidsregel, zie kader). Uitgangspunt is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit, tenzij er redenen zijn om hiervan gemotiveerd af te wijken. Door uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit kan de niet-gerealiseerde capaciteit niet betrokken worden bij aanvragen met salderen. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie. In het projectgebied Willemspolder fase 1 worden al lange tijd agrarische activiteiten uitgevoerd die leiden tot stikstofdepositie (de Boer & van de Wetering 2020). In de referentiesituatie worden daarom de volgende activiteiten beschouwd die leiden tot het onherroepelijk beëindigen van de agrarische activiteiten: • bemesten: bemesting zorgt voor stikstofemissie in de vorm van NH3 • gebruik van agrarische voertuigen: op agrarische gronden wordt doorgaans gebruik gemaakt van tractoren. Door het verbrandingsproces komen stikstofemissies vrij in de vorm van NOx.
64
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Artikel 5 Voorwaarden intern salderen 1. Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van intern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, is vereist. 2. GS betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. 3. GS betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor intern salderen uitsluitend de N-emissie van de activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn 4. GS gaan bij de beoordeling van een aanvraag voor een bedrijf dat deelneemt aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen eenmalig uit van maximaal de N-depositie behorende bij 15% van de NH3emissies uit de betrokken dierenverblijven. 5.
Bij het beoordelen van een aanvraag voor een natuurvergunning hanteren GS als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. 6. Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het vijfde lid, gaan GS uit van de op het moment van indienen van de aanvraag op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. 7. GS gaan bij het berekenen van de N-emissie van een bedrijf in de referentiesituatie uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. 8. Indien de toestemming als bedoeld in artikel 1 sub m onder 1° niet of slechts gedeeltelijk is gerealiseerd, kunnen GS ten behoeve van intern salderen als referentiesituatie hanteren een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in sub m, onder 2° en 5°, waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt, met inbegrip van een eventuele afname zoals vastgelegd in de niet of slechts gedeeltelijk gerealiseerde toestemming als bedoeld in sub m onder 1°. 9.
In afwijking van het eerste lid kunnen GS interne saldering toestaan indien de beëindiging van de N-emissie veroorzakende activiteit uit de referentiesituatie rechtstreeks verband houdt met het voornemen voor de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt. 10. In afwijking van het vijfde lid kunnen GS de referentiesituatie als uitgangspunt hanteren indien: a. Op het moment van inwerkingtreding van dit artikel het project nog niet volledig is gerealiseerd, maar wel aantoonbaar stappen zijn gezet met het oog op volledige realisatie. b. Op het moment van inwerkingtreding van dit artikel weliswaar nog niet is aangevangen met de realisatie van het project, maar daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen zijn aangegaan. c. Het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied. d. De aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissie reducerende techniek ter vervanging van de eerder verleende emissie reducerende techniek, die leidt tot een vermindering van de N-emissie, zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatst verleende toestemming. e.
Het één of meer van de volgende projecten betreft: energieprojecten van nationaal belang, wegen, vaarwegen, spoorwegen, luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking, militaire activiteiten of projecten in het kader van de nationale veiligheid.
In de stikstofrapportage (de Boer & van de Wetering 2020) die als bijlage in het MER is opgenomen is de huidige emissie en depositie bepaald. De essentie is hieronder kort samengevat: In de gehanteerde referentiesituatie bedraagt de NOx-emissie circa 88 kg per jaar en de NH3-emissie circa 2.801 kg per jaar. In AERIUS is een verschilberekening gemaakt met als uitkomst dat er geen rekenresultaten (verschillen) zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit wil niet zeggen dat er geen depositieverschillen zijn. Er wordt namelijk op een groot aantal hexagonen een grote daling van depositie berekend. AERIUS laat echter alleen het hoogste verschil zien en niet het grootste. Een hoogste verschil van 0,00 mol/ha/jaar betekent dat er geen toename berekend is op één van de hexagonen. Aan de voorwaarden van artikel 5 van de beleidsregel intern en extern salderen wordt daarmee voldaan. De beëindiging van de N-emissie veroorzakende activiteit uit de referentiesituatie houdt immers rechtstreeks verband met het voornemen voor de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt. Conclusies Aan de hand van de uitgevoerde berekeningen kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • De voorgenomen activiteiten hebben door de inzet vervoersmiddelen en mobiele werktuigen NOx-emissies tot gevolg. 65
Sovon-rapport 2020/34
• • • •
Door de herinrichting is sprake van een daling van NH3-emissie en een stijging van NOxemissies ten opzichte van de referentiesituatie. De totale emissie in de toekomstige situatie bedraagt circa 890 kg NOx/jaar. In de referentiesituatie was deze circa 88 kg NOx/jaar en 2.801 kg NH3/jaar. Met behulp van het rekenprogramma AERIUS is het netto-effect bepaald (verschilberekening beoogd minus referentie). Op alle berekende Natura 2000-gebieden bedraagt het netto-effect ≤0,00 mol/ha/jaar. Uitgaande van de rekenresultaten is er geen effect op Natura 2000-gebieden te verwachten: er kan een Wnb-vergunning afgegeven worden voor de inrichting op basis van intern salderen.
8.2.2. Oppervlakteverlies leefgebied Wulp Bij de beoordeling van het basisalternatief is geconcludeerd dat niet is uitgesloten dat het verlies van leefgebied van de Wulp als niet-broedvogel zonder mitigatie kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. In het VKA wordt daarom ingezet op het optimaliseren van het leefgebied van Wulp binnen de projectbegrenzing binnen Willemspolder fase 1. Effectbepaling Overeenkomstig het basisalternatief zal ook in het VKA door een uitbreiding van het wateroppervlak in de zuidwesthoek van het projectgebied het oppervlak foerageergebied voor Wulpen afnemen. De ontwikkeling en uitbreiding van hard- en zachthoutooibos op deze locatie tast de openheid van het gebied aan, wat kan leiden tot een kwaliteitsverlies van foerageergebied. Wandelaars die gebruik maken van het struinpad, wat langs de resterende natuurlijke graslanden zal lopen, kunnen verstoring veroorzaken, waardoor het aangrenzende foerageergebied minder geschikt wordt. Door een ander beheer van het resterende grasland, met bijvoorbeeld een andere vorm van bemesting, kan de voedselbeschikbaarheid en toegankelijkheid van de bodem veranderen. In het VKA worden de percelen tussen de Waardweg en dijkzone geoptimaliseerd voor Wulp. Bouwland wordt hier omgezet in grasland.
De voedselrijke toplaag wordt afgegraven waardoor vochtiger grasland ontstaat wat extensiever wordt beheerd. In de beginfase wordt verschalingsbeheer gevoerd (maaien en afvoeren). Het struin- en fietspad aan de zuidkant van het grasland verdwijnt in het VKA. Daarmee neemt de recreatiedruk in dit gebied af. Verder wordt het biotoop op de oeverwal, wat nu al leefgebied is van de Wulp, versterkt. Dat betekent dat in ieder geval op het westelijk deel van de Oeverwal, aansluitend op het huidige foerageergebied) geen ooibos mogelijk wordt gemaakt. Effectbeoordeling Om te beoordelen in hoeverre de optimalisaties in het VKA voldoende zijn om het verlies aan leefgebied van Wulp als niet-broedvogel te mitigeren zijn de eisen die Wulpen in de winter aan hun leefgebied stellen op een rij gezet. Naar het habitatgebruik van Wulpen buiten het broedseizoen in het binnenland is, in tegenstelling tot de kustgebieden, weinig onderzoek gedaan. In het binnenland wordt gefoerageerd op graslanden waar het dieet bestaat uit regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en andere ongewervelden zoals kevers en pissebedden 6. In het binnenland overwinterende en doortrekkende Wulpen maken gebruik van gemeenschappelijke slaapplaatsen, meestal oevers van rivieren en plassen.
Binnen het projectgebied worden Wulpen regelmatig waargenomen in de zuidwesthoek, op en ten noorden van de oeverwal (figuur 5.6, 8.3). Het gebied vormt onderdeel van een groter foerageergebied voor Wulpen ten westen en oosten van de Prins Willem Alexanderbrug. Net ten oosten van de brug bevindt zich een slaapplaats langs de Waal. Het gebied is van oudsher een belangrijk foerageergebied voor Wulpen en dankt zijn aantrekkingskracht waarschijnlijk aan de grootschaligheid en de rust die hier te vinden is. De hoogste aantallen zijn aanwezig in de maanden december t/m februari (figuur 8.3). Het beheer van het grasland lijkt tussen extensief en intensief in te zitten. Er is veel microreliëf met pollen en tussen de percelen liggen greppels. Met hoogwater inunderen de percelen. Ook in de wijdere omgeving zijn dit type percelen, met kort grasland het meest in trek als foerageergebied. In de graslanden ten noorden van de Waardweg binnen de projectbegrenzing worden incidenteel Wulpen gezien.
6
https://www.natura2000.nl/profielen
66
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 8.3. Waarnemingen van Wulpen in winterseizoenen 2017/18 t/m 2019/20 binnen de telgebieden RG 5172, RG5171 en RG5150, met daarbinnen de grens van het projectgebied. In de inzet rechtsboven het gemiddelde seizoenverloop.
In paragraaf 5.4.1 is beschreven dat de binnen de projectbegrenzing aanwezige Wulpen gemiddeld zo’n 1% van de Rijntakkenpopulatie omvatten. Met een seizoensgemiddelde van 705 vogels bevinden de aantallen zich in dit Natura 2000-gebied ruim onder de instandhoudingsdoelstelling van 850 vogels, waardoor met een dergelijke afname een significant negatief effect niet is uit te sluiten. Door het omzetten van bouwland in grasland tussen de Waardweg en dijkzone kan een deel van het verlies te niet worden gedaan, waarbij het van belang is dat het beheer niet te extensief wordt met te lang gras, en de recreatiedruk laag wordt gehouden. Daar wordt in het VKA invulling aan gegeven. Binnen de projectbegrenzing kan het huidige leefgebied, op de oeverwal in de zuidwesthoek, zoveel mogelijk behouden blijven door in ieder geval het westelijk deel te vrijwaren van bos of struwelen. Hiermee blijft de openheid behouden en sluit de oeverwal aan bij het leefgebied ten westen van het projectgebied. Het huidige beheer kan hier zoveel mogelijk worden gecontinueerd. Deze maatregel wordt als het meest kansrijk ingeschat aangezien dit het huidige resterende leefgebied betreft. Omdat de situatie niet 100% te sturen is wordt geadviseerd tijdens en na de uitvoering van Willemspolder fase 1 het gebiedsgebruik door Wulp in het projectgebied te monitoren. Zo nodig kan dan worden bijgestuurd.
Binnen het projectgebied kan daarbij worden gedacht aan het bevorderen van rust in de meest kwetsbare periode (figuur 8.3) en het optimaliseren van het beheer op overige percelen die in eigendom zijn van Dekker (geen lang gras, matig extensief beheer). Op de langere termijn liggen er kansen in het westelijk deel van de Willemspolder. Door het herstel van het voormalige eiland onder de Prins Willem-Alexanderbrug, dat in Willemspolder fase 2 zal worden gerealiseerd (figuur 1.1), ontstaat een eiland waar rust en openheid grotendeels kunnen worden gewaarborgd. Conclusie Met de in het VKA opgenomen maatregelen wordt het verlies aan leefgebied ondervangen, mits in ieder geval het westelijk deel van de oeverval, dat aansluit op het huidige leefgebied, wordt gevrijwaard van bos. Met inachtneming van aanvullende mitigerende maatregelen wordt het oppervlakteverlies van leefgebied van Wulp in de gebruiksfase voorkomen. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de Wulp zijn met zekerheid uit te sluiten. 67
Sovon-rapport 2020/34
8.2.3. Drijvende zonnepanelen Dekker wil een bijdrage leveren aan de energietransitie door op de zuidzijde van de meest oostelijke plas maximaal 6 hectare drijvende zonnepanelen te installeren (zie figuur 8.1). De panelen omvatten maximaal 25% van de plas. Per groep (habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels) wordt beoordeeld in hoeverre de aanleg van drijvende zonnepanelen mogelijk een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000. In algemene zin is er nog weinig bekend over de gevolgen van drijvende zonnepanelen (van der Zee et al. 2019). Op grond van een expert-inschatting mag in algemene zin verwacht worden dat met name op watervogels negatieve effecten zullen optreden, en dat de gevolgen voor vis en fytoplankton neutraal tot licht negatief zijn (tabel 8.2). De effecten zullen ook afhangen van het systeem dat gebruikt wordt: drijvende pontons met eenzijdig werkende panelen of tweezijdig werkende (staande) panelen. Beide hebben hun voor- en nadelen. Eenzijdig werkende panelen hebben een grotere schaduwwerking maar tweezijdig werkende panelen zijn beter zichtbaar (uiteraard ook voor omwonenden en recreanten) waardoor het uitstralende effect wat groter kan zijn. Tabel 8.2. Te verwachten ecologische gevolgen van 6 ha drijvende zonnepanelen in de Oostplas.
Relevante soortgroepen Effecttype Mechanisme Ruimtebeslag Watervogels maken gebruik van het Negatief effect op rustende wateroppervlak wateroppervlak om te rusten. De plas watervogels met uitzondering van is ter hoogte van de zonnepanelen meeuwen. Mogelijk negatief voor vissen vanwege de diepte (> 20m diep) die vlak onder het wateroppervlak suboptimaal foerageergebied. zwemmen. Bodemleven is niet bereikbaar en vis is schaars. Creëren rust- en Drijvende zonnepanelen vormen een Mogelijk positief voor meeuwen schuilfunctie veilige rustplaats want niet bereikbaar vanwege slaapplaatsfunctie, voor vis voor grondpredatoren. Vissen kunnen vermoedelijk neutraal effect. de panelen gebruiken om onder te schuilen. Schaduwwerking Temperatuurpatroon zal veranderen. Vermoedelijk beperkt negatief effect Onder de panelen zal het overdag op fytoplankton. koeler en 's nachts warmer zijn. De diepe bodem is al donker en van beperkte ecologische betekenis Vergroting oeverranden Macrofauna kan zich hechten aan de Vermoedelijk beperkt negatief effect onderzijde van de drijvers. Indien op macrofauna, fytoplankton, vis, gewerkt wordt met drijvende matten sommige insectensoorten en sommige aan de randen van het zonneveld dan soorten broedvogels. kan zich daar oevervegetatie ontwikkelen. Uiteindelijk kunnen macrofauna, vis, insecten (libellen) en sommige soorten broedvogels daarvan profiteren.
Effectbepaling & -beoordeling - Habitattypen De Oostplas en de omgeving daarvan bevinden zich niet in Natura 2000-gebied dat in het kader van de Habitatrichtlijn is aangewezen. Als gevolg van stikstofdepositie zou externe werking kunnen optreden maar de aanleg gebeurt niet met inzet van groot materieel en is bovendien kortdurend. Negatieve gevolgen voor habitattypen kunnen daarmee worden uitgesloten. Effectbepaling & -beoordeling - Habitatsoorten De Oostplas en de omgeving daarvan bevinden zich niet in Natura 2000-gebied dat in het kader van de Habitatrichtlijn is aangewezen. Barrièrewerking voor de habitatsoorten Meervleermuis, Otter en Bever is niet aan de orde omdat de Oostplas geen belangrijke verbinding tussen de delen van het Natura 2000gebied vormt die in het kader van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De zonnepanelen worden bovendien niet verlicht waardoor een verstorend effect op de Meervleermuis is uitgesloten. Effectbepaling & -beoordeling - Broedvogels Van de soorten broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen zijn in 2018 binnen de begrenzing van het projectgebied alleen territoria vastgesteld van Blauwborst (1) en Dodaars (2) (Kurstjens 2018). Van deze soorten maakt alleen Dodaars een nest op het water, zij het in de met moerasvegetatie beschutte delen. Hij bouwt zijn nest veelal te midden van riet- of zeggenvegetaties of 68
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
op losse pollen van bijvoorbeeld pitrus, in hooguit 1 m diep water. Vaak ligt het nest op 1 tot 5 m afstand van de oever. De territoria van Dodaars bevonden zich in de kleiput nabij de winterdijk ter hoogte van de zandplassen in het westelijk deel van het plangebied. De locatie waar de zonnepanelen zijn beoogd, in de oostelijke plas boven diep water, is ongeschikt voor Dodaars als broedbiotoop. Er is dan ook geen negatief effect te verwachten. Effectbepaling & -beoordeling - Niet-broedvogels Er is nog weinig bekend over de ecologische effecten van zonnepanelen die grote stukken water afdekken. Daar waar de zonnepanelen worden geplaatst, en mogelijk ook op een bepaalde afstand door een uitstralende verstorende werking, wordt de plas ongeschikt als foerageergebied voor overwinterende watervogels. Sterke beschaduwing van het water kan effect hebben op de algengroei en daarmee uiteindelijk voor de gehele voedselketen. Onderzoek naar de invloed hiervan op de voedselvoorziening van vogels is gewenst. Tweezijdige panelen die het wateroppervlak niet volledig afdekken hebben ecologisch gezien de voorkeur boven enkelzijdige panelen op pontons, die het wateroppervlak afsluiten van licht (van der Zee et al. 2019). Of verlies als rustgebied optreedt zal soortafhankelijk zijn.
Sommige soorten zullen drijvende zonnepanelen beschouwen als een veilige rust- en slaapplaats, want vrij van grondpredatoren (figuur 8.4).
Foto 8.4 Kieviten die rusten op drijvende zonnepanelen bij Elst in januari 2020 (foto Harvey van Diek).
Om een indicatie te krijgen van het huidige gebruik van de oostelijke plas door de niet-broedvogels waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen in relatie tot de beoogde locatie voor de drijvende zonnepanelen zijn de aantallen in de winterseizoenen 2017/18 tot en met 2019/20 beschouwd (foto 8.4, tabel 8.2). De beoogde locatie wordt vooral gebruikt door Kuifeend, die hier gezien de diepte van de plas (>20m) vooral zal rusten, en in wat mindere mate ook door Fuut, Aalscholver en Meerkoet. Over de hele oostelijke plas bezien zijn deze soorten, samen met Grauwe Gans, ook het meest talrijk. Van deze soorten bevinden Kuifeend, Aalscholver en Meerkoet zich momenteel onder hun instandhoudingsdoel (tabel 4.6).
69
Sovon-rapport 2020/34 Tabel 8.2. Getelde aantallen per soort (som van alle tellingen) van de niet-broedvogels waarvoor Natura 2000gebied Rijntakken is aangewezen in de winterseizoenen 2017/18 t/m 2019/20. De kolommen 1, 2 en 3 komen overeen met de deelgebieden in figuur 8.5. Soort Fuut Aalscholver Kolgans Grauwe Gans Smient Krakeend Wintertaling Wilde Eend Tafeleend Kuifeend Meerkoet
1 60 17 0 5 0 0 0 4 0 185 13
2 72 48 8 294 7 19 15 81 0 234 218
3 34 62 5 44 8 9 24 24 16 1.458 269
Totaal 166 127 13 343 15 28 39 109 16 1.877 500
De zonnepanelen zal de functie van de Oostplas als rustgebied voor Kuifeend, Fuut, Aalscholver en Meerkoet tijdelijk kunnen aantasten; de plas is immers te diep voor een belangrijke foerageerfunctie. Over de hele oostelijke plas bezien zijn deze soorten, samen met Grauwe Gans, ook het meest aanwezig. In alle gevallen gaat het om zeer lage aantallen (figuur 8.5).
Figuur 8.5. Getelde aantallen niet-broedvogels waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen in de winterseizoenen 2017/18 t/m 2019/20, de beoogde locatie voor drijvende zonnepanelen (gebied 1) en de overige delen van de plas (2 en 3).
In het westen van het projectgebied ontstaat nieuw habitat voor deze soorten. Na de aanlegwerkzaamheden zal ook een rustig gebied ontstaan zodat de rustfunctie weer zal worden hersteld. Aan de rand van de drijvende zonnepanelen ontstaan windluwe plekken waar rustende watervogels mogelijk van kunnen profiteren; of dat het geval zal zijn is echter onzeker. De kans daarop wordt vergroot als gewerkt wordt met drijvende matten aan de randen van het zonneveld waarop zich een oevervegetatie kan ontwikkelen. Voor Fuut, Aalscholver en Meerkoet kunnen ook de foerageercondities 70
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
ten opzichte van de huidige situaties verbeteren. Deze oevervegetaties trekken immers dierlijke organismen en uiteindelijk vis aan. Mogelijk kunnen Kuifeenden profiteren van de macrofauna die zich kan hechten aan hard substraat. Er zijn geen aanwijzingen dat de Oostplas een belangrijke functie heeft als slaapplaats voor ’s nachts rustende watervogels. Dit is althans niet vastgesteld tijdens tellingen in september 2017 die ook in de ochtend en avond plaats vonden. Mogelijk overnachten overwinterende ganzen incidenteel op de Oostplas. Deze slaapplaatsfunctie zal dan alleen tijdelijk worden aangetast; in het westen van het projectgebied ontstaat immers een nieuwe plas die de functie van (incidenteel bezette) slaapplaats kan overnemen. Conclusie Gevolgen voor habitattypen, habitatsoorten en broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstellingen in Natura 20000-gebied Rijntakken vallen op voorhand uit te sluiten. De locatie waar drijvende zonnepanelen komen is zeer diep en daarmee van geringe betekenis voor foeragerende watervogels. Het centrale deel van de Oostplas is ook geen belangrijk rustgebied, terwijl voor sommige soorten bovendien nieuw rustgebied kan ontstaan. Met inzet van drijvende matten waarop zich een moerasvegetatie zal ontwikkelen, zal de voedselbeschikbaarheid voor watervogels op termijn beperkt toenemen.
Effecten van het drijvende zonneveld van 6 ha zullen, afgaande op de huidige kennis over effecten, de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied Rijntakken dan ook niet in gevaar brengen. Aangezien er nog maar weinig bekend is over de (negatieve en positieve) effecten van drijvende zonnepanelen op watervogels is het van belang om deze te monitoren. 8.2.4. Windturbines De plaatsing van twee windturbines, uitgaande van de Enercon E-126, leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van niet-broedvogels. Indien voor een ander type windturbine dan de Enercon E-126 wordt gekozen met een lagere tiplaagte, dan dient een nadere beoordeling plaats te vinden om te bepalen of significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van Aalscholver als broedvogel en Aalscholver en Scholekster als niet-broedvogel door sterfte veroorzaakt door aanvaringen met windturbines zijn uitgesloten. Een lagere tiplaagte, bijvoorbeeld 40-50 meter, kan leiden tot meer aanvaringslachtoffers onder vogels.
8.3. Cumulatie Met interne saldering wordt ervoor gezorgd dat er per saldo geen toename kan zijn van stikstofdepositie waarmee er dus geen cumulatie kan zijn. Met optimalisering van beheer en inrichting van het leefgebied van de Wulp worden de effecten gemitigeerd. Er worden geen andere ontwikkelingen voorzien die in samenhang tot een negatief effect op het leefgebied van de Wulp aan de westzijde van het plangebied zou kunnen leiden. Het installeren van drijvende zonnepanelen op de Oostplas zal nauwelijks gevolgen hebben voor foeragerende watervogels omdat het centrale deel van de plas te diep is om een foerageerfunctie te kunnen vervullen. Het gebied heeft bovendien geen belangrijke functie als slaapplaats voor watervogels. Ten westen van de Westplas ontstaat na herinrichting, of al tijdens de aanleg, nieuw habitat om te rusten. Er kan in samenhang dus geen versterkt negatief effect zijn.
8.4. Conclusies Stikstofdepositie • Door de herinrichting is sprake van een daling van NH3-emissie en een stijging van NOxemissies ten opzichte van de referentiesituatie. De totale emissie in de toekomstige situatie bedraagt circa 890 kg NOx/jaar. In de referentiesituatie was deze circa 88 kg NOx/jaar en 2.801 kg NH3/jaar. • Met behulp van het rekenprogramma AERIUS is het netto-effect bepaald (verschilberekening beoogd minus referentie). Op alle berekende Natura 2000-gebieden bedraagt het netto-effect ≤0,00 mol/ha/jaar. • Uitgaande van de rekenresultaten is er geen effect op Natura 2000-gebieden. Er kan een Wnbvergunning afgegeven worden voor de inrichting op basis van intern salderen. 71
Sovon-rapport 2020/34
Verlies leefgebied Wulp • Met de in het VKA opgenomen maatregelen waaronder omzetten van bouwland naar extensief grasland wordt het verlies aan leefgebied beperkt. • In combinatie daarmee moet in ieder geval ook het westelijk deel van de oeverval, dat aansluit op het huidige leefgebied, wordt gevrijwaard van bos. • Door genoemde inrichtingsmaatregelen wordt oppervlakteverlies van leefgebied van Wulp in de gebruiksfase voorkomen. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de Wulp zijn met zekerheid uit te sluiten. Drijvende zonnepanelen • Gevolgen voor habitattypen, habitatsoorten en broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstellingen in natura 20000-gebied Rijntakken vallen op voorhand uit te sluiten. • De locatie waar drijvende zonnepanelen komen is zeer diep en daarmee vrijwel niet van betekenis voor foeragerende watervogels. • Het centrale deel van de Oostplas is ook geen belangrijk rustgebied, terwijl voor sommige soorten bovendien nieuwe rustgebied kan ontstaan. Met inzet van drijvende matten waarop zich een moerasvegetatie zal ontwikkelen, zal de voedselbeschikbaarheid voor watervogels op termijn beperkt toenemen. • Effecten van het drijvende zonneveld van 6 ha zullen, afgaande op de huidige kennis over effecten, de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebied Rijntakken dan ook niet in gevaar brengen.
De overige conclusies over de gevolgen van het basisalternatief wijzigen niet. De beoordeling van de gevolgen van de windturbines gaat uit van een voorbeeldturbine. Bij gebruik van een ander turbine-type, bijvoorbeeld met een lagere tiplaagte, kunnen de conclusies mogelijk wijzigen. Een turbine met een lagere tiplaagte kan leiden tot meer aanvaringsslachtoffers onder vogels (en vleermuizen).
72
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
9. Literatuur AGENTSCHAPNL. 2012. Dieselbesparing in de melkveehouderij - kansen op energiebesparing in de
melkveehouderij. opgeroepen op 3 augustus 2020, van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
DE BOER J. & VAN DE WETERING R. 2020. Willemspolder fase 1 in Willemspolder: stikstofdepositie.
LBP|SIGHT.
VAN DEN BREMER L., DE BOER V. & VAN WINDEN E. 2017. Voortoets vogels windenergie IJzendoorn. Sovonrapport 2017/54. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. VAN DEN BREMER L., DEUZEMAN S. & DE BOER V. 2019. Evaluatie wintertellingen van watervogels in de Kaliwaal t/m seizoen 2018/19. Sovon-rapport 2019/29. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
BROEKHUIZEN S., SPOELSTRA K., THISSEN J.B.M., CANTERS K.J. & BUYS J.C. (red.). 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum insecten en andere ongewervelden, Leiden. BUIJ R., JONGBLOED R.H., GEELHOED S., VAN DER JEUGD H., KLOP, LAGERVELD E.S., LIMPENS H., MEEUWSEN H., OTTBURG F., SCHIPPERS P.,, TAMIS J., VERBOOM J, J.T. VAN DER WAL, WEGMAN R, WINTER E. & SCHOTMAN A. 2018. Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland: overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie. Wageningen Environmental Research, Rapport 2883. VAN DAM C., BUIJSE A.D., DEKKER W., VAN EERDEN M.R., KLEINBRETELER J.G.P. & VELDKAMP R. 1995.
Aalscholvers en beroepsvisserij in het IJsselmeer, het Markermeer en Noordwest-Overijssel. Rapport IKC-NBLF 19. IKC-NBLF, Wageningen.
VAN DOBBEN H.F, BOBBINK R., BAL D. & VAN HINSBERG A. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van natura 2000. wageningen, alterra, alterrarapport 2397.
DÜRR T. 2013. Fledermausverluste an Windenergieanlagen. Daten aus der zentralen Fundkartei der Staatlichen Vogleschutzwarte im Landesumweltamt Brandenburg. VAN EERDEN M.R. VAN, VAN RIJN S.H.M. & ROOS M. 2005. Ecologie en ruimte: gebruik voor vogels en
mensen in de SBZ’s IJmeer, Markermeer en IJsselmeer. RIZA Rapport 2005.014.
VAN ELS P., VOGEL R. & VERBURG P. 2018. Voortoets Gebiedenbescherming Willemspolder. Sovon-
rapport 2018/24. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
ENGELS B.W.R. & KLEYHEEG-HARTMAN J.C. 2016. Zwarte sterns in het plangebied van Windpark Fryslân. Resultaten van veldonderzoek naar vliegintensiteit en vlieghoogte in de nazomer van 2016. Bureau Waardenburg Rapportnr. 16-138. Bureau Waardenburg, Culemborg. GERRITSEN G. & VAN BREDERODE N. 1981. De wulpenslaapplaats aan de IJsselmonding. Watervogels 6 (2): 43-49. VAN DER HUT R.G.M., KERSTEN M., HOEKEMA F. & BRENNINKMEIJER A. 2007. Kustvogels in het Waddenen Deltagebied. Verspreidingskaarten van kustvogels voor het calamiteitensysteem Calamaris. A&Wrapport 907. Bureau Altenburg & Wymenga, Veenwouden. HUIJSMANS J., & VERMEULEN G. 2008. ammoniakemissie bij het uitrijden van dierlijke mest. actualisatie emissiefactoren. pri rapport 220. JASPERS FAIJER M. & STARMANS J. 2017. Haalbaarheidsscan windenergie Dekker Gemeente nederBetuwe. Projectnummer 716062. Pondera Consult, Hengelo. 73
Sovon-rapport 2020/34
KURSTJENS, G. 2005. Natuur- en landschapsontwikkeling Willemspolder in 2005. Onderzoek in opdracht van Dekker. Kurstjens ecologisch adviesbureau, Beek-Ubbergen. KURSTJENS G. 2018. Onderzoek beschermde soorten Herinrichting Willemspolder 2018. Rapport 2018.02. Kurstjens Ecologisch advies, Beek-Ubbergen. KURSTJENS G. 2020. Samenvatting onderzoek beschermde soorten herinrichting Willemspolder Fase 1. rapport 2020.01. Kurstjens Ecologisch advies, Beek-Ubbergen. MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN. 2014. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. PROVINCIE GELDERLAND. 2018. Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038). Versie december 2018. REIJNEN M.J.S.M. & FOPPEN R.P.B. 1991. Effect van wegen met autoverkeer op de dichtheden van broedvogels (hoofdrapport). IBN-rapport 91/1.DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Leersum; REIJNEN R., FOPPEN R, TER BRAAK C. & THISSEN J. 1995. The effects of car traffic on breeding bird populations in woodland III. The reduction of den-sity in relation to the proximity of main roads. Journal of Applied Ecology 32, 187-202; REIJNEN R., FOPPEN R. & MEEUWSEN H. 1996. The effects of traffic on the density of breeding birds in dutch agricultural grasslands. Biological Con-servation 75, 255-260 ROODBERGEN, M. & FOPPEN, R.P.B. 2019. Vogels en verstoringsbronnen in de Rotterdamse Haven.
Handreiking voor een beoordelingskader. Sovon-rapport 2020/18. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. SIERDSEMA H., VAN DIERMEN J., AARTS B., VAN DEN BREMER L. & VAN KLEUNEN A. 2008. Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. Sovon-onderzoeksrapport 2008/14. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. SPOELSTRA K., VAN GRUNSVEN R.H.A., RAMAKERS J.J.C., FERGUSON K.B., RAAP T., DONNERS M., VEENENDAAL E.M. & VISSER M.E. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but not red light. Proceedings of the Royal Society. Volume 284, Issue 1855. SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Tweede druk, Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. VAN DER VLIET R., HEIJLIGERS W. & TILBORGHS J. 2011. Maximale foerageerafstanden op een rij gezet voor
97 beschermde vogelsoorten. toets 0411.
WINKELMAN J.E., KISTENKAS F.H. & EPE M.J. 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Wageningen Alterra, Alterra-rapport 1780. VAN DER ZEE F., BLOEM J, GALAMA P.J., GOLLENBEEK L.R., VAN OS J., SCHOTMAN A.G.M. & DE VRIES S. 2019. Zonneparken natuur en landbouw. Wageningen, Wageningen Environmental Researsch, Rapport 2945.
74
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Bijlage I. Vogels en windturbines In de ‘Voortoets vogels windenergie IJzendoorn’ (van den Bremer et al. 2017) is ten behoeve van de effectbeoordeling beknopt in beeld gebracht of, en zo ja hoe windturbines een effect kunnen hebben op vogels. Deze kennis wordt in deze bijlage weergegeven, en is in zowel de voortoets als Passende beoordeling specifiek op het projectgebied en het voorkomen van vogels aldaar toegepast. Windturbines hebben drie typen effecten op vogels: ze kunnen leiden tot 1) aanvaringsslachtoffers, 2) verstoring van leefgebied en 3) barrièrewerking. We bespreken deze effecten hieronder. 1. Aanvaringslachtoffers Mortaliteit onder vogels kan optreden door aanvaringen met draaiende rotorbladen van windturbines. Ook door luchtwervelingen achter de draaiende rotorbladen kunnen vogels gewond raken en sterven. Slachtoffers vallen in principe op iedere locatie, maar de omvang van het slachtoffereffect is afhankelijk van de omstandigheden en aanwezige vogels ter plaatse. De volgende factoren spelen een rol bij aanvaringsrisico’s: • Vliegintensiteit Het aantal slachtoffers wordt in belangrijke mate bepaald door de vliegintensiteit van vogels op rotorhoogte (Desholm et al. 2006).
Variatie in vliegintensiteit wordt veroorzaakt door het aantal vogels dat in het gebied voorkomt of doorkruist, de soortensamenstelling van deze vogels, hun vlieggedrag en vlieghoogte en mate van uitwijking. Windturbines in of nabij gebieden waar geregeld grote aantallen vogels voedsel zoeken, broeden, rusten, doortrekken, verzamelen of overwinteren, en geplaatst in trekwegen (lokale trek, seizoenstrek) verhogen het aantal slachtoffers aanzienlijk (Everaert 2014, Gove et al. 2013, Grünkorn et al. 2016, Winkelman et al. 2008). • Vlieghoogte Lokale vliegbewegingen vinden zowel overdag als ’s nachts plaats onder de 150 meter. Hiertoe behoren bijvoorbeeld verplaatsingen van eenden, zwanen, ganzen, meeuwen en sterns tussen rust-, broed- en voedselgebieden (Winkelman et al. 2008). Een groot deel van de lokale vogels vliegt vaak zelfs duidelijk onder rotorhoogte, maar bepaalde soortgroepen zoals zwaluwen, duiven, meeuwen en roofvogels vliegen ook regelmatig op rotorhoogte en worden dus ook vaker slachtoffer (Grünkorn et al. 2016). Over het algemeen vindt seizoenstrek (verplaatsingen tussen broed- en overwinteringsgebieden) plaats op grotere hoogte, vaak boven de 150 meter, maar bij tegenwind kan de vlieghoogte van vogels op trek afnemen tot beneden de 100 meter (Buurma et al. 1986).
Pieken in de trek treden op in het voorjaar (maart-mei), de zomer (juli) en het najaar (augustus-oktober). Vogeltrek vindt niet alleen overdag, maar voor een belangrijk deel ook ’s nachts plaats. De nachtelijke vogeltrek speelt zich over het algemeen af op grotere hoogten (net) boven de tiphoogte, dus buiten het bereik van windturbines. Seizoenstrek tijdens daglicht vindt meestal op veel lagere vlieghoogten, in of onder het bereik van windturbines plaats. Met name in het westen en midden van ons land kan de trek gestuwd over of langs topografische elementen (dijken, kustlijnen, rivierlopen, open wateren) plaatsvinden (Winkelman et al. 2008). • Vogelsoort De effecten verschillen per vogelsoort. Het risico wat een soort van windturbines kan ondervinden hangt o.a. af van vlieghoogte en vlieggedrag (o.a. wendbaarheid, wel of niet in groepen). Daarnaast kunnen ook morfologie (gewicht, vleugelvorm) en zichtvermogen van belang zijn. Deze kenmerken variëren niet alleen sterk per (soort)groep, maar ook per jaargetijde, tijdstip in de levenscyclus (broeden, rui, trek, overwintering), tijd van de dag (dag, schemering, nacht), weerscondities en bijvoorbeeld biotoopvoorkeur, die kunnen daarnaast ook leeftijd- en soms ook geslachtsgebonden zijn.
In Europa is een breed scala aan soorten als aanvaringsslachtoffer gevonden en de gevonden soorten weerspiegelen daarbij over het algemeen de avifauna in het gebied rond de windturbines (Winkelman et al. 2008). In Europa worden meeuwen, roofvogels en sommige zangvogelsoorten (waarbij vooral Spreeuwen opvallen) naar verhouding vaker gevonden dan op grond van de aanwezige aantallen verwacht zou mogen worden (Drewitt & Langston 2008, Hötker 2006, Everaert 2014). Ook sterns zijn in de broedtijd, en met name wanneer zij hun jongen voeren, sterk gevoelig voor aanvaringen gebleken (Everaert & Stienen 2007). Mogelijk dat meeuwen, sterns en enkele roofvogelsoorten gevoeliger zijn voor aanvaringen omdat deze soorten overdag al vliegend op zoek zijn naar voedsel, en dan meer op de grond onder hen gefocust zijn dan op de omgeving die voor hen ligt (Martin 2011). Sommige goede vliegers zoals roofvogels en meeuwen vertrouwen op hun vliegvermogen en nemen daardoor meer risico’s. 75
Sovon-rapport 2020/34
Ganzen en steltlopers worden naar verhouding minder vaak als slachtoffer gevonden dan te verwachten zou zijn op grond van hun aantallen. Het bij deze soorten geconstateerde sterke uitwijkgedrag ten gevolge van barrièrewerking leidt daarbij vermoedelijk tot minder vogels in de buurt van de rotoren en daarmee tot minder slachtoffers (Fijn et al. 2012, Grünkorn et al. 2016). • Gewenning De mate van gewenning kan bepalend zijn voor het aantal slachtoffers. Als vogels lang in een gebied met windturbines verblijven dan mag verondersteld worden dat ze daar rekening mee houden. Dat ligt uiteraard anders in gebieden met een hoge ‘turnover’. Het kan zijn dat steeds hetzelfde aantal van een soort aanwezig is maar dat groepen vertrekken, en vervangen worden door groepen uit andere gebieden. Dan zal uiteraard minder snel gewenning aan de orde zijn. • Weersomstandigheden Slecht zicht (mist, regen), laaghangende bewolking en sterke tegenwind kunnen de hoogte van de nachtelijke trek sterk drukken, tot op de hoogte waarop windturbines zich uitstrekken. Onder slechte weersomstandigheden is er zelden sprake van sterke dagtrek. Maar lokale trek van en naar voedselgebieden vindt dan wel plaats (Winkelman et al. 2008). • Type windturbine en bedrijfsvoering De slachtoffers vallen vooral bij operationele windturbines (Langston & Pullan 2003), en in mindere mate bij stilstaande turbines (Martin 2011).
Het aantal aanvaringen per windturbine neemt niet lineair toe met het rotoroppervlak. Dit blijkt uit onderzoek bij windparken met windturbines van meer dan 1,5 MW, waaruit bleek dat het aantal aanvaringsslachtoffers vergelijkbaar was met de aantallen bij kleinere windturbines (Krijgsveld et al. 2009, Smallwood & Karas 2009). Everaert (2014) vond geen relatie tussen het aantal aanvaringsslachtoffers en de turbinegrootte. Dit impliceert dat het gebruik van grotere turbines met een grotere capaciteit (MW) als vervanging van meerdere kleine windturbines het aantal aanvaringsslachtoffers kan verlagen. De hiervoor genoemde onderzoeken laten zien dat bij grotere windturbines vogels makkelijker er tussen- en onderdoor kunnen vliegen. Dit komt doordat de turbines verder uit elkaar staan, de rotoren op grotere hoogte boven de grond draaien en vaak ook langzamer. Tegelijkertijd beslaan grotere rotoren een groter oppervlak, waardoor de kans dat vogels in het risicovlak van de rotor van een turbine vliegen ook groter is. Het aantal aanvaringen per windturbine kan sterk variëren tussen locaties. Gemiddeld vallen in Nederland en België in een windpark ongeveer 20 vogelslachtoffers per turbine per jaar (bronnen genoemd in Kleyheeg-Hartman et al. 2015: Winkelman 1989, Winkelman 1992, Musters et al. 1996, Baptist 2005, Schaut et al. 2008, Everaert 2008, Krijgsveld et al.
2009, Krijgsveld & Beuker 2009, Beuker & Lensink 2010, Verbeek et al. 2012, Klop & Brenninkmeijer 2014, Langgemach & Dürr 2015, Brenninkmeijer & van der Weyde 2011). Afhankelijk van onder andere het aanbod aan vogels en de intensiteit van vliegbewegingen in de omgeving van het windpark, de configuratie van het windpark en de afmetingen van de windturbines, varieert dit aantal van minimaal een enkel tot maximaal enkele tientallen vogelslachtoffers per turbine per jaar. Dat het aantal slachtoffers per turbine sterk kan variëren wordt ook geïllustreerd door recent onderzoek in Windpark Eemshaven, een gebied met veel vliegbewegingen van zowel overwinterende, broed- en trekvogels. Het aantal slachtoffers per turbine varieerde op deze ene locatie in de periode 2009-2014 van 1 tot 213 per jaar (Klop & Brenninkmeijer 2014). Effecten van één windpark op populatieniveau zijn voor de meeste soorten waarschijnlijk niet aan de orde (Grünkorn et al. 2016). Echter, onder bepaalde omstandigheden kan mortaliteit van vogels ten gevolge van aanvaringen met windturbines doorwerken op populatieniveau (Langston 2013). Het gaat hierbij vooral om soorten met een lage reproductie die in hoge aantallen aanvaringsslachtoffer worden, waaronder diverse roofvogelsoorten (Bellebaum et al. 2013, Drewitt & Langston 2008, Gove et al. 2013). 2.
Verstoring Verstoring kan optreden tijdens de aanleg- en gebruiksfase van windturbines, wat leidt tot (tijdelijk) verlies van leefgebied. In de aanlegfase kunnen met name geluid en trillingen tijdelijk voor verstoring van vogels in de directe omgeving van de planlocatie zorgen. In de gebruiksfase kan de directe omgeving van de windturbine worden gemeden door de aanwezigheid van de turbine zelf en/of het geluid en de beweging van de draaiende rotorbladen en de verhoogde menselijke aanwezigheid (veelal voor onderhoud). Voedsel-, rust- en broedgebieden kunnen hierdoor compleet ongeschikt worden of in lagere dichtheden worden benut. Deze vormen van verstoring kunnen in sommige gevallen een effect hebben op de reproductie en overleving van individuen, wat kan leiden tot veranderingen in populatieomvang (Gove et al. 2013, Whalen 2015, Zwart et al. 2016). 76
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Diverse studies hebben aangetoond dat vogels kunnen wennen aan windturbines (Fijn et al. 2012, Madsen & Boertmann 2008,), echter ook een afname aan vogeldichtheden is waargenomen (Hötker et al. 2006). Voor enkele soorten, waaronder verschillende zangvogel- en roofvogelsoorten, is aangetoond dat ze niet of weinig werden beïnvloed door de aanwezigheid van windturbines (Hale et al. 2014, Hernández-Pliego et al. 2015). Windturbines hebben in de gebruiksfase een beperkte verstorende invloed op broedvogels (PearceHiggins et al. 2009), en waar dat wel het geval is zijn de verstoringsafstanden over het algemeen lager dan buiten de broedtijd. De meeste soorten roofvogels vertonen in de broedtijd geen vermijding van windparken (Grünkorn et al. 2016). Voor steltlopers die broeden in open agrarisch gebied in NWEuropa (o.a. Kievit, Wulp en Scholekster) zijn verstoringsafstanden gevonden van 100 m (Steinborn & Steinmann 2014). Voor broedende zangvogels zoals Roodborsttapuit, Gele Kwikstaart en Veldleeuwerik zijn in dezelfde gebieden verstorende effecten vanaf 50m vastgesteld. Alleen bij Graspieper lag deze hoger (100 m) (Steinborn et al. 2011). Voor broedvogels in bos en halfopen gebied zijn geen of in slechts beperkte mate effecten van windturbines op de aantallen en ruimtelijke verspreiding vastgesteld (Garcia et al. 2015, Reichenbach 2015).
Buiten de broedperiode zijn in meerdere studies verstorende effecten van windturbines vastgesteld. Als maximale verstoringstand van windturbines op overwinterende watervogels en steltlopers wordt over het algemeen 600 m gebruikt (Drewitt & Langstond 2006, Gove et al. 2013), maar dit is sterk soortspecifiek en het gaat meestal over kleinere afstanden. Zo bleek uit een review naar o.a. gemiddelde verstoringsafstanden van windturbines dat deze voor ganzen op ca. 370 m lag (17 studies), voor zwanen op 150 m (8 studies), voor Kievit op 260 m (32 studies) en voor Wulp op 210 m (24 studies) (Hötker et al. 2006). Voor de meeste andere soort(groep)en die buiten het broedseizoen in groepen rusten of foerageren (o.a. eenden, meeuwen, duiven, Spreeuw), vormen verstoringsafstanden van 100-200 m veelal de bovengrens (Winkelman et al. 2008, Hötker et al. 2006, Steinborn et al. 2011). 3. Barrièrewerking Barrièrewerking bestaat uit het verschuiven van de vliegroutes van op een windpark of windturbine aanvliegende vogels tijdens de seizoenstrek of gedurende dagelijkse vluchten (voedseltrek, getijdetrek, slaaptrek). De effecten kunnen sterk per soort, type vlucht, vlieghoogte, afstand tot de windturbine, design en configuratie van de windturbines, de tijd binnen een etmaal of bijvoorbeeld windkracht en richting verschillen (Winkelman et al. 2008).
Barrièrewerking is een algemeen verschijnsel dat bij veel soorten voorkomt, en in relatie tot windturbines vooral bij ganzen, steltlopers, eenden, sommige roofvogelsoorten (vooral Rode Wouw), kraanvogels en zangvogels is waargenomen. Grotere vogels als Aalscholver en Blauwe Reiger, sommige roofvogels (waaronder Sperwer, Buizerd, Torenvalk), meeuwen, sterns, Spreeuw en Kraai bleken minder gevoelig voor barrièrewerking (Hötker et al. 2006). In hoeverre deze verstoring ingrijpt op de energiebudgetten van vogels of bijvoorbeeld de timing van migratie, is onbekend. Welk kan geredeneerd worden dat vogels om moeten vliegen tijdens trek of op weg van en naar de broed- of slaapplaats. Dit kost extra tijd en energie. Vogels moeten daardoor extra eten terwijl er minder foerageertijd beschikbaar is. Een ander (mogelijk) effect is een lager broedsucces: jonge vogels worden langer alleen gelaten en moeten langer op voedsel wachten. Om barrièrewerking te minimaliseren kunnen windparken zo ontworpen worden dat lange lijnopstellingen van turbines voorkomen worden of op bepaalde afstanden met openingen onderbroken worden. Het opschalen van windparken door te werken met turbines met een groter vermogen heeft een gunstig effect, omdat bij een toename van de turbineomvang de tussenafstand tussen turbines ook groter wordt (Smallwood & Karas 2009, Everaert 2014). Literatuur BAPTIST H. 2005.