CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Bijlage 7 bij MER Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen37.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Vogelslachtofferonderzoek Roggenplaat, rapportage 2004-2005. Rapport 2005/3. Ecologisch Adviesbureau Henk Baptist, Kruisland. BATES M.E., STAMPER S.W. & SIMMONS J.A. 2008. Jamming avoidance response of big brown bats in target detection. The Journal of Experimental Biology 211, 106-113. 77

Sovon-rapport 2020/34

BELLEBAUM J., KORNER-NIEVERGELT F., DÜRR T. & MAMMEN U. 2013. Wind turbine fatalities approach a level of concern in a raptor population. Journal for Nature Conservation 21: 394-400. BEUKER D. & LENSINK R. 2010. Monitoring windpark windturbines Echteld. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers onder lokale en trekkende vogels. Bureau Waardenburg Rapportnr. 10-033. Bureau Waardenburg, Culemborg. BRENNINKMEIJER A. & VAN DER WEYDE C. 2011. Monitoring vogelaanvaringen Windpark Delfzijl-Zuid 2006-2011. A&W rapport 1656. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. BUURMA, L.S., LENSINK R. & LINNARTZ L. 1986. De hoogte van breedfronttrek overdag boven Twente, een vergelijking van visuele en radarwaarnemingen in oktober 1984. Limosa 60: 169-182. DESHOLM M., FOX A.D., BEASLEY P.D.L. & KAHLERT J. 2006. Remote techniques for counting and estimating the number of bird-wind turbine collisions at sea: a review. IBIS 148: 76-89. DREWITT A.L. & LANGSTON R.H.W. 2006. Assessing the impacts of wind farms on birds. Ibis 148: 29-42. DREWITT A.L. & LANGSTON R.H.W. 2008. Collision effects of wind-power generators and other obstacles on birds. Ann. N.Y. Acad. Sci. 1334: 233-266. EVERAERT J. & STIENEN E.W.M. 2007. Impact of wind turbines on birds in Zeebrugge (Belgium). Significant effect on breeding tern colony due to collisions. Biodiversity and Conservation 16: 33453359. EVERAERT J. 2008.

Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2008 (rapportnr. INBO.R.2008.44). Insituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.\ EVERAERT J. 2014. Collision risk and micro-avoidance rates of birds with wind turbines in Flanders. Bird Study 61: 220-230. FIJN R.C., KRIJGSVELD K.L., TIJSEN W., PRINSEN H.A.M. & DIRKSEN S. 2012. Habitat use, disturbance and collision risks for Bewick’s Swans Cygnus columbianus bewickii wintering near a wind farm in the Netherlands. Wildfowl 62: 97-116. GARCIA D.A., CANAVERO G., ARDENGHI F. & ZAMBORN M. 2015. Analysis of wind farm effects on the surrounding environment: Assessing population trends of breeding passerines. Renewable Energy 80: 190-196. GOVE B., LANGSSTON R., MCCLUSKIE A., PULLAN J.D. & SCRASE I. 2013. Windfarms and birds: an updated analysis of the effect of wind farm on birds, and best practice guideance on integrated planning and impact assessment. BirdLife International on behalf of the Bern Convention, Strasbourg, 89. GRÜNKORN T., BLEW J., COPPACK T., KRÜGER O., NEHLS G., POTIEK A., REICHENBACK M., VON RÖNN J., TIMMERMANN H. & WEITEKAMP S. 2016.

Ermittlung der Kollisionsraten von (Greif)Vögeln und Schaffung planungsbezogener Grundlagen für die Prognose und Bewertung des Kollisionsrisikos durch Windenergieanlagen (PROGRESS). Schlussbericht zum durch das Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi) im Rahmen des 6.Energieforschungsprogrammes der Bundesregierung geförrten Verbundvorhaben PROGRESS, FKZ 0325300A-D. HALE A.M., HATCHETT E.S., MEYER J.A. & BENNETT V.J. 2014. No evidence of displacement due to wind turbines in breeding grassland songbirds. The Condor 116: 472-458. HERNÁNDEZ-PLIEGO J., DE LUCAS M., MUNOZ A.R. & FERRER. 2015. Effects of wind farms on Montagu’s harrier (Circus pygargus) in southern Spain. Biological Conservation 191: 42-458. HÖTKER H., THOMSEN K.M., KÖSTER H. 2006. Impacts on biodiversity of exploitation of renewable energy sources: the example of birds and bats. Facts, gaps in knowledge, demands for further research, and 78

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

ornithological guidelines for the development of renewable energy exploitation. Michael-Otto-Institus im NABU, Bergenhusen. Kleyheeg-Hartman J.C., Boonman M. & Krijgsveld K.L. 2015. Effecten van windpark Oostpolderdijk op beschermde soorten; Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet. Bureau Waardenburg Rapportnr. 15-073. Bureau Waardenburg, Culemborg. Kleyheeg E. & van den Bremer L. 2018. Leefgebied van Smient in Natura 200-gebied Rijntakken. Sovonrapport 2018/51. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. KLOP E. & BRENNINKMEIJER A. 2014. Monitoring aanvaringsslachtoffers Windpark Eemshaven 20092014, Eindrapportage vijf jaar monitoring. A&W-rapport 1975. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. KLOP E., PRINSEN H., BRENNINKMEIJER A., KOOLSTA B., TEN KLOOSTER M. 2017. Groningse windparken; cumulatie ecologie. Arcadis, referentienr 079453291 A. KRIJGSVELD K.L. & BEUKER D. 2009. Vogelslachtoffers bij windpark Anna Vosdijk op Tholen. Onderzoek naar aanvaringen onder trekkende steltlopers en overwinterende smienten. Bureau Waardenburg Rapportnr. 09-072. Bureau Waardenburg, Culemborg. KRIJGSVELD K.L., AKERSHOEK K. SCHENK F., DIJK F., SCHEKKERMAN H. & DIRKSEN S. 2009. Collision risk of birds with modern large wind turbines: reduced risk compared to smaller turbines. Ardea 97: 357366. LANGGEMACH T. & DÜRR T. 2015.

Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel. Stand 16. Dezember 2015, Aktualisierungen auβer Fundzahlen hervorgehoben. Landesambt für Umwelt Brandenburg. Staatliche Vogelschutzwarte, Buckow. LANGSTON R.H.W. 2013. Birds and wind projects across the pond: A UK perspective. Wildlife Society Bulletin 37: 5-18. LANGSTON R.H.W. & PULLAN J.D. 2003. Windfarms and birds: an analysis of the effects of windfarms on birds, and guidance on environmental assessment criteria and site selection issues. Report T-PVS/Inf (2003) 12, by BirdLife International to the Council of Europe, Bern Convention on the conservation of European wildlife and natural habitats. RSPB/Birdlife in the UK. VAN MANEN W., VAN DIERMEN J., VAN RIJN S. & VAN GENEIJGEN P. 2011. Ecologie van de Wespendief

Pernis apivorus op de Veluwe in 2008-2010, populatie, broedbiologie, habitat gebruik en voedsel. Natura 2000 rapport, Provincie Gelderland Arnhem NL / stichting Boomtop www.boomtop.org Assen NL. MADSEN J. & BOERTMANN D. 2008. Animal behavioral adaptation to changing landscapes: spring-staging geese habituate to wind farms. Landschape Ecology 23: 1007-1011.

MARTIN G.R. 2011. Understanding bird collisions with man-made objects: a sensory ecology approach. Ibis 153: 239-254. MUSTERS C.J.M., NOORDERVLIET M.A.W. & KEURS W.J.T. 1996. Bird casualties caused by an wind energy project in an estuary. Bird Study 43: 124-126. PEARCE-HIGGINS J.W., STEPHEN L., LANGSTON R.H.W., BAINBRIDGE I.P. & BULLMAN R. 2009. The distribution of breeding birds around upland wind farms. Journal of Applied Ecology 46: 1323-1331. REICHENBACH M. Gefährdung von Vögeln durch Windkraftanlagen. UVP-Report 29: 179-184. SCHAUT C. APER K. & DERDE C. 2008. Aanvaring van vogels met MW-windturbines in de haven van Antwerpen. Rapport 2008-CS1. Fortech Studie bvba, Vrasene. SMALLWOOD K.S. & KARAS B. 2009. Avian and Bat Fatality Rates at Old-Generation and Repowered Wind Turbines in California. Journal of Wildlife Management 73: 1062-1070. 79

Sovon-rapport 2020/34

STEINBORN H., REICHENBACH M. & TIMMERMANN H. 2011. Windkraft – Vögel – Lebensräume. Ergebnisse einer siebenjährigen Studie zum Einfluss von Windkraftanlagen un dHabitatparametern auf Wiesenvögel. Arsu GmbH, Oldenburg. STEINBORN H. & STEINMANN P. 2014. 13 Jahre später – wie entwickels sich die Wiesenvogelbestände im Windpark Hinrichsfehn? Positionen 06/2014. Arsu GmbH, Oldenburg. VERBEEK R.G., BEUKER D., HARTMAN J.C. & KRIJGSVELD K.L. 2012. Monitoring vogels Windpark Sabinapolder. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers. Bureau Waardenburg Rapportnr. 11-189. Bureau Waardenburg, Culemborg. WHALEN C.E. 2015. Effects of wind turbine noise on male Greater Prairie-Chicken vocalizations and chorus. M.S. thesis, University of Nebraska-Lincoln, Lincoln, NE, USA. WINKELMAN J.E. 1989. Vogels en het windpark nabij Urk (NOP): aanvaringsslachtoffers en verstoring van pleisterende eenden ganzen en zwanen. RIN-rapp. 89/15. RIN, Arnhem. WINKELMAN J.E. 1992. De invloed van de Sep-proefwindcentrale te Oosterbierum (Fr.) op vogels. 1. Aanvaringsslachtoffers. RIN-rapp. 92/2. IBN-DLO, Arnhem. WINKELMAN J.E., KISTENKAS F.H. & EPE M.J. 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Wageningen Alterra, Alterra-rapport 1780. ZWART M.C., DUNN J.C., MCGOWAN P.J.K. & WHITTINGHAM M.J. 2016. Wind farm noise suppresses territorial defense behavior in a songbird.

Behavioral Ecology 27: 101-108.

80

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Bijlage II. Analyse foerageerafstanden en afstanden tot Natura 2000-gebieden Weergegeven zijn de foerageerafstanden van habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels waarvoor Natura 2000-gebieden binnen 15 km van het projectgebied zijn aangewezen. Natura 2000-gebied Rijntakken waarbinnen het projectgebied zich bevindt is volledig meegenomen in de beoordeling en wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. Bij soorten die niet gebiedsgebonden zijn is tevens het belangrijkste biotoop weergegeven. Foerageerafstanden van vogels zijn afkomstig uit Van der Vliet et al. 2011. Natura 2000-gebied Binnenveld, afstand tot projectgebied 11,6 km. Habitatsoorten H1145 Grote modderkruiper H1393

Geel schorpioenmos

Foerageerafstand 0 km – gebiedsgebonden n.v.t.

Biotoop

Natura 2000-gebied Veluwe, afstand tot projectgebied 12,6 km. Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel H1083

Vliegend hert

H1096

Beekprik

H1163

Rivierdonderpad

H1166

Kamsalamander

H1318

Meervleermuis

Foerageerafstand 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 10-20 km

H1831

Drijvende waterweegbree

n.v.t.

Broedvogels A072 Wespendief

Foerageerafstand 10 km

A224

Nachtzwaluw

6 km

A229

IJsvogel

A233

Draaihals

A236

Zwarte Specht

0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden

81

Biotoop

Ze jagen op insecten tot op 10 – 20 km van de verblijfplaats en er worden in de loop van de nacht grote totale afstanden afgelegd. Vliegroutes over land volgen zoveel mogelijk landschapselementen als heggen, houtwallen, lanen en tuinen. Grotere afstanden naar het uiteindelijke jachtgebied worden echter vooral via de ‘waterwegen‘ afgelegd.

Biotoop Het activiteitsgebied is groot en de vogel lijkt afwisseling op prijs te stellen, waarbij met name vochtige milieus van belang zijn. Dat kunnen vennen zijn, vochtige heides, beek- of rivierdalen, natte bosdelen of extensief onderhouden graslanden. De grootte van het activiteitsgebied kan aanzienlijk verschillen, afhankelijk van goede of slechte wespenjaren en varieert gedurende het broedseizoen. Vrouwtjes foerageren vaak dichter bij het nest, maar maken tegelijk verdere uitstapjes, dan mannetjes; deze uitstapjes kunnen tot tientallen kilometers van het nest reiken. Over het algemeen lijken mannetjes een gebied van 1500-4000 ha te bestrijken, met een voorkeur voor een band van 1500-2000 meter rond het nest. Gefoerageerd wordt graag in “open bos”: in de buurt van bosranden, langs zandpaden en in grote bostuinen. De Nachtzwaluw zoekt zijn voedsel veelal langs bosranden en boven heide. De soort kan tot enkele kilometers van de nestlocatie foerageren, soms ook boven aan bos en heidegebieden grenzende braakliggende gronden, bouwland en graslanden.

Sovon-rapport 2020/34

Broedvogels A246 Boomleeuwerik A255

Duinpieper

A276

Roodborsttapuit

A277

Tapuit

A338

Grauwe Klauwier

Foerageerafstand 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden 0 km – gebiedsgebonden

82

Biotoop

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Bijlage III. Ligging projectgebied binnen telgebied RG5171

83

Sovon-rapport 2020/34

Bijlage IV. Berekening draagkracht Rijntakkengebied inclusief ‘autonome ontwikkelingen’ Om het verlies aan foerageergebied voor Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans binnen het projectgebied (paragraaf 5.4.1) in cumulatie te beoordelen dienen de overige ‘zekere ontwikkelingen’ die kunnen leiden tot verlies aan foerageergebied in beeld te worden gebracht. Dit is in 2019 opdracht van Provincie Gelderland gedaan, op basis waarvan de actuele draagkracht van Natura 2000-gebied Rijntakken inclusief autonome ontwikkelingen is bepaald. In deze bijlage geven we de berekening weer overeenkomstig Van den Bremer et al. (2019). Zekere ontwikkelingen die van invloed zijn op de benutbaarheid van het beschikbare foerageergebied voor ganzen betreffen de uitvoeren van Natura 2000-ontwikkeldoelen zoals vastgelegd in het beheerplan, naast reeds vergunde plannen en projecten (‘overige projecten’). Overige Natura 2000-doelen In het aanwijzingsbesluit voor de Rijntakken zijn naast de instandhoudingsdoelstellingen voor de vier ganzensoorten nog 52 Natura 2000-doelen benoemd. Een deel van de habitattypen komt in aanmerking voor uitbreiding van het huidige oppervlak. Hetzelfde geldt voor een aantal habitatrichtlijn- en vogelrichtlijndoelen, waarvoor uitbreiding van het leefgebied noodzakelijk is. De realisatie van doelen met uitbreidingsopgaven kan van invloed zijn op het foerageergebied voor ganzen.

Tabel 1 geeft een overzicht van de Natura 2000-doelen waarvoor binnen het Rijntakkengebied een uitbreidingsopgave geldt. Het beheerplan geeft niet in detail (op perceelniveau) aan wat waar moet gebeuren, maar wel de hoofdlijnen met doelen op ‘deelgebied’ niveau, meestal het niveau van een uiterwaard. Keuzes uit het beheerplan worden in de eerste planperiode op perceelniveau uitgewerkt. In tabel 1 is aangegeven in hoeverre ten tijde van deze studie (medio 2019) doellocaties bekend waren. Het gaat om maatregelen die door de provincie als redelijkerwijs ‘zeker’ zijn beoordeeld. Tevens is, in overleg met de provincie, een inschatting gemaakt van in hoeverre de realisering van de uitbreidingsgaven een negatieve invloed kan hebben op het beschikbare foerageergebied van ganzen. In deze studie is een inschatting gemaakt voor het draagkrachtverlies ten gevolge van de realisatie van de boskernen (ten behoeve van uitbreiding van habitattypen H91E0A, H91E0B & H91Fo), stroomdalgrasland (H6120) en glanshaverhooiland (H6510A). Zie hiervoor tabel 1. De overige uitbreidingsopgaven waren in dit stadium wat ligging en omvang betreft te onzeker om een inschatting voor te maken. Tabel 1.

Instandhoudingsdoelstellingen per cluster met een uitbreidingsopgave, waarbij is aangegeven in hoeverre de locatie en omvang hiervan reeds bekend is en of deze van invloed kan zijn op het beschikbare foerageergebied voor ganzen. Cluster Vochtige ooijbossen Droge ooijbossen Droge graslanden

Natura 2000-doel H91E0A Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibos), H91FoB Esseniepenbossen H91F0 Droge hardhoutooibossen, H6430C Ruigten en zomen H6120 Stroomdalgrasland, H6510A Glanshaverhooiland

Vochtige graslanden

H6510B Vossenstaarthooilanden

Aangetakte nevengeulen Stilstaande wateren

H3260B Beken en rivieren met waterplanten, H3270 Slikkige rivieroevers H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Plas-dras situaties

t.b.v. diverse habitat- en vogelrichtlijnsoorten t.b.v. diverse habitat- en vogelrichtlijnsoorten

Rietmoeras

Overige projecten

Locatie & omvang bekend? Locaties boskernen bekend, realisatie minimaal 25 ha (type A) en 15 ha (type B) per kern gewenst. Locaties boskernen bekend, realisatie minimaal 15 ha per kern gewenst. Ambitie (aantal ha) per kerngebied bekend, exacte locaties nog niet uitgewerkt. Exacte locatie nog niet uitgewerkt, omvang ca. 20 ha. Grasland blijft voedselrijk, en zal met name in zomerperiode (hooiland) minder geschikt zijn voor ganzen. Geen oppervlakten gedefinieerd. Geen oppervlaktedoel, realisatie vooral via kwaliteitsverbetering in bestaande wateren. locaties nog niet uitgewerkt locaties nog niet uitgewerkt

84

Invloed? ja ja ja gering

locatieafhankelijk nee ja ja

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Vanuit de provincie is een overzicht verkregen van belangrijke projecten die mogelijk van invloed kunnen zijn op het beschikbare oppervlak foerageergebied voor ganzen. Het betreft met name projecten in het kader van de Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) die als uitvoeringsproject in het beheerplan zijn genoemd (tabel 2). Voor het merendeel van de projecten is reeds een vergunning verleend, een aantal is nog in voorbereiding maar zal redelijkerwijs doorgang vinden. Twee projecten zijn reeds uitgevoerd, maar nog niet verwerkt in het digitale kaartbestand van de habitats in het Rijntakkengebied (zie § 3.1 in Van den Bremer et al. 2019) en om die reden meegenomen in de berekening van het draagkrachtverlies. De direct aan het projectgebied grenzende gebiedsontwikkelingen Veerhaven Ochten en de dijkversterking Nederbetuwe zijn niet meegenomen aangezien deze naar inschatting een slecht zeer geringe invloed zullen hebben op het oppervlak beschikbaar foerageergebied. Tabel 4.7. Projecten waarvoor een inschatting is gemaakt van het effect op de draagkracht voor overwinterende ganzen in Natura 2000-gebied Rijntakken. Project Herinrichting Hurwenense Kil

Status vergund, reeds uitgevoerd

Herinrichting Afferdense & Deestse Waarden

vergund, reeds uitgevoerd

Heesseltsche Uiterwaarden van de Waal

vergund, in uitvoering

Uiterwaard Kleine Willemspolder

vergund, in uitvoering

Herinrichting Loenensche Buitenpolder

vergund, in uitvoering

Elsterbuitenwaarden

vergund, in uitvoering

Herinrichting Huissensche waarden

vergund, in voorbereiding

Herinrichting Wamel, Dreumel, Heerewaarden

geen vergunning, in voorbereiding

Klimaatpark IJsselpoort

geen vergunning, in voorbereiding

Cortenoever

geen vergunning, in voorbereiding

Hoenwaard

geen vergunning, in voorbereiding

Uitwerking draagkrachtverlies zekere ontwikkelingen Informatie over de nieuwe inrichting naar aanleiding van de hierboven genoemde geplande zekere ontwikkelingen was ten tijde van deze studie op het volgende niveau beschikbaar: • Boskernen De locaties voor de geplande boskernen per bostype zijn in de vorm van een shapefile aangeleverd door de provincie. Voor boskernen van essen-iepenbos en hardhoutooibos is een oppervlaktebeslag van 15 ha gehanteerd (in de vorm van een cirkel vanaf de kern), en voor zachthoutooijbos 25 ha. • Stroomdalgrasland en glanshaverhooiland Het aantal te realiseren hectares is voor beide typen grasland bekend op het niveau van een uiterwaard, exacte locaties ontbreken dus. Een worst case scenario vanuit ganzenperspectief zou zijn dat productiegrasland in het kerngebied wordt omgezet in natuurgras. Uitgaande van de benuttingscijfers betekent dit een afname van de benutting van 11,7 kge/ha naar 2,6 kge/ha. Het minst negatieve scenario is een omzetting van productiegras binnen overig foerageergebied naar natuurgras in hetzelfde stratum (van 1,8 naar 1,1 kge/ha).

Omdat in dit stadium kennis over de exacte locaties ontbreekt, en we het oppervlakteverlies dus niet kunnen toebedelen aan kerngebied of overig foerageergebied, is ervoor gekozen om het draagkrachtverlies in beeld te brengen op basis van de benuttingscijfers zoals die zijn vastgesteld voor het totale gebied. We gaan er hierbij vanuit dat productiegrasland (4,4 kge/ha) wordt omgezet in natuurgras (2,6 kge/ha). • Overige projecten Voor de overige projecten is op basis van inrichtingsschetsen en beschrijvingen een grove inschatting gemaakt van de consequenties op het foerageergebied voor ganzen. In de meeste gevallen betreffen de ingrepen het omzetten van productiegras naar natuurgras. Omdat op basis van de inrichtingsschetsen wel de globale locaties van de ingrepen bekend waren, kon rekening gehouden worden met of het kerngebied of overig foerageergebied betrof. Het is in dit stadium moeilijk in te schatten of het gebied zijn status van kerngebied behoudt. We zijn uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de locaties in het kerngebied veranderen in overig foerageergebied, en dus een lagere benutting krijgen. In veel gevallen zal de realisatie van de boskernen en het natuurgrasland in het kader van Natura 2000 gerealiseerd worden via NURG-projecten.

Om te voorkomen dat draagkrachtverlies dubbel in rekening wordt gebracht zijn de uiterwaarden waar zowel boskernen en/of stroomdalgrasland en/of 85

Sovon-rapport 2020/34

glanshaverhooiland zullen worden gerealiseerd vergeleken met de werkzaamheden in de ‘overige projecten’. Daar waar een van Natura 2000-ontwikkeldoelen reeds via projecten werd gerealiseerd, is het draagkrachtverlies slechts eenmaal in de berekening meegenomen. Op basis van de grove inschatting zoals hierboven beschreven zal er 4779 kge aan draagkracht verdwijnen door de zekere toekomstige ontwikkelingen (tabel 3). Het betreft het totale draagkrachtverlies voor alle ganzensoorten, terwijl de instandhoudingsdoelstellingen per soort afzonderlijk zijn gedefinieerd. Een pragmatische manier om hiermee om te gaan is door de draagkracht voor het totaal van de vier ganzensoorten terug te rekenen naar soortniveau op basis van de huidige aantalsverhouding in het Rijntakkengebied. Hiervoor zijn de gemiddelde aantallen in de periode 2012/13 – 2017/18 gehanteerd, wat resulteert in een draagkrachtverlies zoals weergegeven in tabel 4. Het draagkrachtverlies is vervolgens in mindering gebracht op de draagkracht overeenkomend met de actuele aantallen (§ 4.3.2 in Van den Bremer et al. 2019), wat neerkomt op de draagkrachtwaarden per soort weergegeven in tabel 4. Tabel 3. Draagkrachtverlies voor ganzen in Natura 2000-gebied Rijntakken door zekere toekomstige ontwikkelingen (zie tekst). Type 'zekere' ontwikkeling boskernen

kge 698

kgd 254.770

% 15

stroomdalgrasland en glashaverhooiland

498

181.770

10

overige projecten

3.583

1.307.795

75

totaal

4.779

1.744.335

100

Tabel 4. Draagkrachtverlies door zekere toekomstige ontwikkelingen (links) en draagkracht op basis van de actuele aantallen verminderd met het verlies aan draagkracht door de zekere toekomstige ontwikkelingen (rechts) per soort (zie tekst).

Soort Brandgans Grauwe Gans

Draagkrachtverlies door zekere toekomstige ontwikkelingen kge kgd 300 109.500 1.305 476.325

Actuele draagkracht incl. zekere toekomstige ontwikkelingen kge kgd 3.670 1.339.550 15.938 5.817.370

Kolgans

3.168

1.156.320

38.702

14.126.230

Totaal

4.773

1.742.145

58.310

21.283.150

86

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595322/1