Bijlage 22 - Bijlage 7 bij MER Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Tekst van het document
ja 0,01 Leefgebied Boomleeuwerik, Grauwe klauwier, Nachtzwaluw, Roodborsttapuit en tapuit. Laatste soort door verzuring vermesting ja (vrijwel) verdwenen uit dit Natura 2000-gebied. Significant effect bij toename stikstofdepositie niet uit te sluiten ja 0,01 Kwaliteit van dit leefgebied staat onder druk door verzuring en ja vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Kwaliteit van dit leefgebied voor Draaihals en Zwarte Specht staat onder druk door verzuring en ja vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Zeer geringe tijdelijke N-depositie kan effect bij dominante hydrologische nee verbetermaatregelen niet in de weg
38
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Nr.
Habitattype of leefgebied (naam)
H9190
Oude eikenbossen
KDW mol N/ha/jr
OverMaximale schrijding tijdelijke bij 2500 bijdrage mol mol N/ha/jr N/ha/jr
10001500 zeer gevoelig
ja
H6230ovka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
<1000 uiterst gevoelig
ja
H2310
10001500 zeer gevoelig
ja
15002000 gevoelig
ja
H91EoC
Stuifzandheiden met struikhei
Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
0,01
0,01
0,01
0,01
Beoordeling staan. Significante effecten zijn uitgesloten. Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten verbeteropgave in kwaliteit.. Zeer geringe tijdelijke N-depositie kan effect bij dominante hydrologische verbetermaatregelen niet in de weg staan. Significante effecten zijn uitgesloten.
Kans op aantasting natuurlijke kenmerken?
ja
ja
ja
nee
Natura 2000-gebied 081 Kolland & Overlangbroek Het basisalternatief leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op het in de provincie Utrecht gelegen Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek (tabel 5.4). deze toename is uiterst gering en tijdelijk en kan het halen van de instandhoudingsdoelstelling van dit habitattype niet in de weg staan. Hydrologische verbetermaatregelen zijn namelijk dominant. Tabel 5.4 Habitattype in Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek waar additionele stikstofdepositie plaat vindt, de bijpassende kritische depositiewaarde (KDW) en de beoordeling van het risico op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling c.q. aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.
Nr. H91EoC
Habitattype of leefgebied (naam) Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
KDW mol N/ha/jr 15002000 gevoelig
OverMaximale schrijding tijdelijke Kans op bij 2500 bijdrage aantasting mol mol natuurlijke N/ha/jr N/ha/jr Beoordeling kenmerken? ja 0,01 verbeteropgave in kwaliteit. Zeer geringe tijdelijke N-depositie kan effect bij dominante hydrologische nee verbetermaatregelen niet in de weg staan. Significante effecten zijn uitgesloten.
Natura 2000-gebied 065 Binnenveld Het basisalternatief leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Veluwe (tabel 5.5). Hoewel de toename uiterst gering is (0,01 mol N/ha/jaar) en verlies door een toename veelal pas na 10 jaar optreedt (Sweco 2020) is deze toename niet verwaarlooswaar. Veel habitattypen verkeren in combinatie met verdroging in een slechte conditie door langjarig te hoge stikstofdepositie. In samenhang met alle andere activiteiten die leiden tot een tijdelijke of permanente toename van stikstofdepositie kan een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van elke toename – hoe gering ook – niet worden uitgesloten. Het basisalternatief is daarmee in de huidige vorm nog niet uitvoerbaar. Het voornemen dient zodanig geoptimaliseerd te worden dat er per saldo geen toename van stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied plaats vindt.
39
Sovon-rapport 2020/34 Tabel 5.5 Habitattypen in Natura 2000-gebied Binnenveld waar additionele stikstofdepositie plaat vindt, de bijpassende kritische depositiewaarde (KDW) en de beoordeling van het risico op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling c.q. aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.
Habitattype of Nr. leefgebied (naam) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
KDW mol N/ha/jr <1000 uiterst gevoelig
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
10001500 zeer gevoelig
H6410
10001500 zeer gevoelig
Blauwgraslanden
OverMaximale schrijding tijdelijke bij 2500 bijdrage mol mol N/ha/jr N/ha/jr Beoordeling ja 0,01 Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij (ook zeer geringe) toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij (ook zeer geringe) toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Verbeteropgave in oppervlakte. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij (ook zeer geringe)toename N-depositie niet uit te sluiten
Kans op aantasting natuurlijke kenmerken?
ja
ja
ja
5.2. Habitatsoorten (excl. stikstofdepositie) 5.2.1. Verstoring Effectbepaling In de voortoets is onderbouwd dat negatieve gevolgen voor habitatsoorten met zekerheid uitgesloten worden, met uitzondering van de gevolgen van verstoring voor de Meervleermuis. Het projectgebied maakt geen deel uit van het deel van Natura 2000-gebied Rijntaken dat in het kader van de Habitatrichtlijn is aangewezen. Het is evenwel niet uitgesloten dat het gebied deel uitmaakt van een foerageerroute tussen de delen van het Natura 2000-gebied Rijntakken die in het kader van de Habitatrichtlijn relevant zijn. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich bovendien relevante leefgebieden voor deze soort (figuur 5.2.). Evenmin is volledig uitgesloten dat Meervleermuizen het projectgebied kunnen aandoen vanuit Natura 2000-gebied Veluwe. Foeragerende dieren vanuit kolonies op de Zuid-Veluwe kunnen het projectgebied aandoen, hoewel de meeste dieren binnen 10 kilometer van de kolonie jagen (Broekhuizen et al. 2016). Dit is een worst case-aanname want bij gericht onderzoek volgens het vleermuisprotocol is deze soort niet vastgesteld (Kurstjens & de Jong 2018). In het projectgebied zelf zijn met zekerheid geen verblijfsplaatsen aanwezig (wat overigens relevant zou zijn van het soortenbeschermingsregime en niet vanuit het gebiedsbeschermingsregime van de Wet natuurbescherming).
In de voortoets is gemotiveerd dat alleen verstoring aan de orde in de vorm van licht en geluid, waarbij met name kunstlicht in de donkere uren voor verstoring kan zorgen. Deze risico’s zijn hierna beoordeeld voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
40
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 5.2. Leefgebieden Meervleermuis in Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: beheerplan Rijntakken 2018).
Effectbeoordeling Verschillende werkzaamheden kunnen in de aanlegfase resulteren in verstoring door verlichting en geluid. Meervleermuis is daarbij vooral gevoelig voor verstoring door licht. Verstoring door licht treedt voornamelijk op als er in de actieve periode van Meervleermuis (tussen april en oktober tussen zonsonderang en zonsopkomst) kunstlicht aanwezig is. Meervleermuizen vliegen zeer laag, voor zover bekend maximaal op een hoogte van tien meter, maar veelal op 10-60 cm (Dürr, Buij et al. 2018). Als ze foerageren doen ze dit vlak boven het wateroppervlak. In theorie zou gefoerageerd kunnen worden boven het wateroppervlak van de plassen binnen het projectgebied. Dit biotooptype blijft in tact en neemt in omvang toe. Wateren die worden beschenen met kunstlicht worden geheel of gedeeltelijk vermeden. Die verstoring kan plaatsvinden binnen de 0,1 Lux-contour. Verstoring en daarmee ook barrièrewerking kunnen met zekerheid worden uitgesloten als lichtverstoring wordt uitgesloten. Het project voorziet er in dat tussen 19:00 en 07:00 uur niet wordt gewerkt en dat gedurende deze periode in het geheel geen kunstlicht wordt gebruikt. Het projectgebied is daarmee even donker als in de referentiesituatie. In de winterperiode, wanneer Meervleermuizen in hun winterverblijven zitten, zijn effecten van verstoring van foerageerroutes sowieso uit te sluiten.
Theoretisch kan er in het begin (april) en eind (september) van het seizoen waarin Meervleermuizen het projectgebied kunnen bereiken in de schemer enige lichtverstoring plaatsvinden. In het werkprotocol zal worden geborgd dat geen aanschijning van het water mag plaats vinden. Waar verstoring door kunstlicht om veiligheidsredenen niet afdoende gemitigeerd kan worden, kan rood of amber kunstlicht worden ingezet. Vleermuizen zijn hier niet gevoelig voor (Spoelstra et al. 2017). Met die maatregelen zullen er geen negatieve effecten kunnen zijn op Meervleermuizen die het project vanuit de ‘habitatdelen’ van Natura 2000-gebied Rijntakken en vanuit Natura 2000-gebied Veluwe zouden kunnen bereiken. Geluidsverstoring kan optreden door werkzaamheden en gebruik van het projectgebied in de actieve periode van de Meervleermuis. Omdat vleermuizen gebruik maken van echolocatie, mag aangenomen worden dat ze gevoelig zijn voor geluid. Er is nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de effecten van geluid op vleermuizen. Uit experimentele studies blijkt echter dat de frequentie van echolocatie signalen van vleermuizen veel hoger is (20-100kHz) dan de dominante frequentie van menselijk geluid en dat ze deze vrij gemakkelijk aan kunnen passen om geen last te hebben van verstorende of maskerende signalen (Bates et al. 2008).
Overeenkomstig de beoordeling voor licht geldt dat er theoretisch in het begin (april) en eind (oktober) van het actieve seizoen enige verstoring door geluid kan plaatsvinden tijdens de aanlegfase. Zeer hoge geluidsemissies waar deze soort gevoelig voor is (ordegroote 80 dB(A) 41
Sovon-rapport 2020/34
zullen niet voorkomen. Nu er geen negatieve effecten resteren kunnen die ook niet cumuleren met andere activiteiten. Conclusie Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Meervleermuis in de Natura 2000gebieden Rijntakken en Veluwe en daarmee de natuurlijke kenmerken van die gebieden zijn met zekerheid uit te sluiten. In het werkprotocol voor de grondstoffenwinning dient te worden geborgd dat geen aanschijning van het water plaats vindt (zie hiervoor ook voorgaande pagina).
5.3. Broedvogels 5.3.1. Directe sterfte door windturbines Effectbepaling In de voortoets worden negatieve effecten op broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken ten opzichte van de referentiesituatie met zekerheid uitgesloten, met uitzondering van de mogelijke gevolgen van de windturbines voor de instandhoudingsdoelstellingen van Oeverzwaluw en Aalscholver. Ook indien nieuw leefgebied gecreëerd zou worden voor bepaalde soorten zijn negatieve effecten op andere broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling uit te sluiten. Effectbeoordeling Op ca. 2 km van de beoogde windturbinelocatie bevindt zich een kolonie Oeverzwaluwen (figuur 5.1). In 2017 bestond de kolonie uit 45 paren, in 2018 en 2019 is de kolonie niet geteld. Oeverzwaluwen kunnen tot 6 km van de kolonie foerageren, maar blijven meestal binnen 3 km (Sierdsema et al. 2008, van der Vliet et al. 2011). De beoogde locatie voor windturbines ligt dus ook binnen het foerageergebied van de kolonie Oeverzwaluwen aan de zuidkant. Met name bij onrust in de lucht als gevolg van predatoren kan een hoger aanvaringsrisico niet worden uitgesloten. Daarmee zijn gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling op voorhand ook niet uitgesloten. De dichtstbijzijnde Aalscholver kolonie ligt in de Drutensche Waarden, op ca. 4 km van het projectgebied (figuur 5.3.).
Foerageervluchten van Aalscholvers uit deze kolonie kunnen ook over het projectgebied plaatsvinden. Deze vliegbewegingen vinden veelal onder de 150 m, maar grotendeels onder 100 m plaats. Om te bepalen of significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Oeverzwaluw en Aalscholver in Natura 2000-gebied Rijntakken door sterfte veroorzaakt door aanvaringen met windturbines zijn uitgesloten is gebruik gemaakt van de ORNIS-norm, ofwel de 1%-mortaliteitsnorm. Deze norm stelt dat een tol van maximaal 1% van de natuurlijke sterfte van de betreffende populatie de betreffende populatie niet in het geding zullen brengen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in tal van uitspraken 4 overwogen dat het 1%-mortaliteitscriterium bij het ontbreken van een ander wetenschappelijk onderbouwd criterium, gehanteerd mag worden als uitgangspunt om te bepalen of de te verwachten aantallen vogelslachtoffers door de windturbines de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten of een verstorend effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%- mortaliteitsnorm blijft kan een significant effect op de Gunstige Staat van Instandhouding (GSI) van de betrokken populatie met zekerheid worden uitgesloten. Een veilige ‘eerste zeef’ dus.
Een sterfte groter dan 1% (in cumulatie met andere projecten) vraagt een aanvullende toetsing om te bepalen of de instandhoudingsdoelstelling voor de betreffende soort in gevaar kan komen.
Zie uitspraak van 1 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH9250) inzake Windpark Scheerwolde en 11 juli 2018 inzake Windpark Fryslân ECLI:NL:RVS:2018:2339
4
42
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 5.3. Ligging van kolonies van Aalscholver (2019) en Oeverzwaluw (2017) nabij de beoogde locatie voor de windturbines (gele stip).
Op basis van beoordelingen van de effecten van windturbines op vogels en de literatuur daarover is voor de locatie in het projectgebied Willemspolder fase 1 een inschatting gemaakt van de totale jaarlijkse vogelsterfte voor Oeverzwaluw en Aalscholver als gevolg van aanvaringen met de beoogde windturbines. Gemiddeld vallen in Nederland en België in een windpark ongeveer 20 vogelslachtoffers per turbine per jaar (zie bronnen bijlage I). Uiteraard zullen de daadwerkelijke effecten van locatie tot locatie verschillen. Afhankelijk van onder andere het aanbod aan vogels en de intensiteit van vliegbewegingen in de omgeving van het windpark, de configuratie van het windpark en de afmetingen van de windturbines, varieert dit aantal van enkele vogels per jaar tot maximaal enkele tientallen vogelslachtoffers per turbine per jaar, lokaal in gebieden met intensieve seizoenstrek mogelijk meer. Vanuit een worst-case scenario houden we per windturbine een bovengrens van 20 slachtoffers per turbine per jaar aan, wat bij de plaatsing van twee windturbines neerkomt op 40 slachtoffers per jaar. Om een inschatting te maken van de jaarlijkse mortaliteit van Oeverzwaluw en Aalscholver gaan we er van uit dat de helft van de 40 slachtoffers bestaat uit gebiedsgebonden soorten.
Van de 20 resterende slachtoffers nemen we aan dat 10% zal vallen onder Oeverzwaluw en 10% onder Aalscholver, wat dus neerkomt op 2 slachtoffers per jaar. Bij Aalscholver kan met een aanname van een (additionele) sterfte van 2 slachtoffers per jaar een overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm niet worden uitgesloten (tabel 5.6), wat vraagt om een aanvullende toetsing. Tabel 5.6. Overzicht slachtofferaantallen voor broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, en als gevoelig voor aanvaringen met windturbines zijn ingeschat. Weergegeven zijn de huidige populatie (schatting aantal broedparen (gemiddelde 2014-2018) x 2), de 1%-norm (Rijntakken populatie x natuurlijke jaarlijkse adulten sterfte (BTO birdfacts)) en of het ingeschatte jaarlijkse aantal slachtoffers (zie tekst), en of dit de 1%-mortaliteitsnorm overschrijdt.
Oeverzwaluw Aalscholver
Populatie Rijntakken
Aanname jaarlijks 1%-norm aantal slachtoffers Overschrijding 2.566 18,0 2 nee 1.200
1,4
2
mogelijk
Winkelman et al. 2008 classificeren Aalscholver als een soort die over het algemeen niet of weinig gevoelig is voor aanvaringen met windturbines. Zij refereren daarbij aan Van Eerden et al. (2005) die diverse studies naar vlieghoogtes uit de jaren negentig samenvatte. Zij benoemen o.a. dat lokale vliegbewegingen over de Afsluitdijk tussen de Waddenzee en het IJsselmeer door Aalscholvers allemaal onder de 50-60 meter plaatsvonden. Engels & Kleyheeg-Hartman (2016) stelden bij veldonderzoek in 43
Sovon-rapport 2020/34
het kader van Windpark Fryslân een gemiddelde vlieghoogte van 23,6 meter vast voor Aalscholver (n=249, tellingen vonden plaats in de nazomer van 2016). Het betrof met name vogels in actieve vlucht. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat voor de Aalscholver geen of nauwelijks risicovolle vliegbewegingen zijn te voorzien. De aanname van 2 slachtoffers is daarmee te hoog, waarmee de 1%mortaliteitsnorm niet wordt overschreden. Conclusie De plaatsing van twee windturbines, uitgaande van de Enercon E-126, leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Oeverzwaluw en Aalscholver. Indien voor een ander type windturbine dan de Enercon E-126 wordt gekozen met een lagere tiplaagte, dan dient een herbeoordeling plaats te vinden om te bepalen of significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van Aalscholver door sterfte veroorzaakt door aanvaringen met windturbines zijn uitgesloten. Een lagere tiplaagte, bijvoorbeeld 40-50 meter, kan leiden tot meer aanvaringslachtoffers onder vogels. 5.3.2. Verstoring – aanlegfase Effectbepaling Tijdens de aanlegfase zal er tijdelijk verstoring aanwezig zijn van geluid, trillingen en licht, maar ook optische verstoring. Geluid kan leiden tot verstoring door vogels, waarbij de gevolgen van piekgeluiden (waaronder veel industriegeluid) en gelijkmatige geluidsbelasting kunnen verschillen (Krijgsveld et al. 2008).
Vogels die het projectgebied en de zone daaromheen gebruiken kunnen tijdelijk verstoord worden. Het gaat hierbij om de broedvogels Dodaars, Blauwborst, IJsvogel en Oeverzwaluw. Bij vogels is geluid vaak de maatgevende verstoringsbron (Foppen & Roodbergen 2019). Verstoring door geluid, licht en optische verstoring leiden bij de uitvoering van werkzaamheden tot een gecombineerd effect, en daarbij reikt verstoring door geluid het verst. Geluidsverstoring is dus de maatgevende verstoring. Als worst-case is daarom de geluidbeoordeling voor de aanlegfase representatief voor de verstoring door licht en optische verstoring. De werkzaamheden zullen binnen een tijdsbestek van 10 jaar gefaseerd worden uitgevoerd en worden nader toegelicht in het geluidsonderzoek (van de Wetering & van Harmelen 2020). Op hoofdlijnen gaat het om de volgende werkzaamheden die verstoring door geluid kunnen veroorzaken: • het verwijderen van dekgrond en klei door grondverzetmachines; • het winnen en klasseren van zand en grind; • de afvoer van zand en grind met schepen; • herinrichtingswerkzaamheden van de plas en de oevers met een reconstructiezuiger en grondverzetmachines. Effectbeoordeling De werkzaamheden zullen resulteren in een tijdelijke toename van geluid in het projectgebied en nabije omgeving.
Voor broedvogels in open gebied wordt over het algemeen een drempelwaarde van 47 dB(A) gehanteerd waarboven effecten kunnen optreden (Reijnen & Foppen 1991, Reijnen et al. 1995, Reijnen et al. 1996), al zijn er verschillen in gevoeligheid in geluid tussen soorten. Voor de effectbeoordeling is gekeken in hoeverre het leefgebied van de hierboven genoemde soorten overlapt met geluidsklassen boven de 47 dB(A). Op basis van de planning en het faseringsplan zijn in het geluidsonderzoek deelmodellen opgesteld. Deze deelmodellen M1 tot en met M14 geven per jaar (of deel van het jaar) de optredende geluidbelastingen in het projectgebied weer (zie voorbeeld figuur 5.4). De geluidbelastingen variëren in de tijd en zijn afhankelijk van waar de werkzaamheden in het gebied plaatsvinden. De geluidcontouren en de geluidbelastingen zijn berekend op een hoogte van 1,5 meter boven het maaiveld. Bij elk model wordt voor een deel van het gebied de 47 dB(A) drempelwaarde overschreden, waarbij gedurende de uitvoeringsperiode het deel waar de overschrijding optreed zich verplaatst.
44
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 5.4. Voorbeeld van de berekende geluidscontouren, in dit geval model M6 wat de situatie in 2025 weergeeft (van de Wetering & van Harmelen 2020).
In de effectenindicator, waarin voor alle Natura 2000-soorten op basis van literatuur een inschatting is gemaakt voor de gevoeligheid voor verschillende verstorende factoren worden Oeverzwaluw, Dodaars en IJsvogel als ‘niet gevoelig’ voor geluid geclassificeerd. De dichtstbijzijnde oeverzwaluwkolonie bevindt zich bovendien op ca. 2 km van het projectgebied, buiten het geluidscontour. Hetzelfde geldt voor het dichtstbijzijnde territorium van IJsvogel, wat zich ten westen van het projectgebied in de Schipperswaard bevindt (Kurstjens 2018). Blauwborst is wel gevoelig voor verstoring door geluid. De locaties van territoria kunnen binnen het projectgebied wisselen. Bij uitvoering van werkzaamheden is verstoring van broedgevallen van Blauwborst niet met zekerheid uit te sluiten. In de verstoringszone is (mogelijk niet-jaarlijks) één territorium van de Blauwborst aanwezig. Deze wordt maximaal tien jaar lang verstoord. Naar verwachting zal de verstoringsduur minder lang zijn omdat de geluidbron zich geleidelijk van oost naar west verplaatst. Indien de soort tien jaar lang de verstoringzone zou mijden dan is dat een negatief effect wat niet significant is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen. Blauwborst bevindt zich zeer ruim boven de instandhoudingsdoelstelling, die door de tijdelijke geluidsverstoring dus niet in gevaar zal komen.
Bij de herinrichting wordt nadrukkelijk rekening gehouden met verbetering van het leefgebied voor o.a. deze soort. In de eindsituatie is er dus geen nadelig effect ten opzicht van de referentiesituatie. Conclusie Verstoring in de aanlegfase leidt tot een tijdelijke verstoring van leefgebied van Blauwborst die met zekerheid niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Negatieve gevolgen voor IJsvogel, Oeverzwaluw en Dodaars zijn uitgesloten omdat deze niet geluidsgevoelig zijn en beide soorten in de referentiesituatie niet broeden in het gebied dat door de tijdelijke werkzaamheden verstoord zal worden. 5.3.3. Verstoring – gebruiksfase Effectbepaling In de gebruiksfase (eindsituatie) is sprake van een vorm van regelmatige, steeds terugkerende verstoring door de haven met ‘Bouwgrondstoffen-HUB’ ten behoeve van scheepvaarttransport. Als worst-case is de geluidbeoordeling representatief voor de eventuele verstoring door licht en optische verstoring (zie 45
Sovon-rapport 2020/34
motivatie 5.3.2). Vogels die het de zone rondom de haven gebruiken kunnen verstoord worden. Het gaat hierbij om de broedvogels Dodaars, Blauwborst, IJsvogel en Oeverzwaluw. Voor de haven met bouwgrondstoffen (HUB) zijn in het basisalternatief twee varianten uitgewerkt binnen het geluidsonderzoek, namelijk de verwerking van zand/grind door middel van een drijvende verwerkingsinstallatie of door middel van een nieuw te bouwen landklasseerinstallatie. Ten aanzien van geluid lijkt de landinstallatie een lichte voorkeur te hebben maar vanwege de flexibele inzet van een drijvende verwerkingsinstallatie heeft deze laatste toch de voorkeur (van de Wetering & van Harmelen 2020). Binnen deze beoordeling gaan we uit van de variant met drijvende verwerkingsinstallatie, die vanuit geluidsoogpunt het worst-case scenario betreft. De haven met ‘Bouwgrondstoffen-HUB’ is een inrichting waar zand, grond, grind of steen gebroken, gemalen, gezeefd of gedroogd kan worden. De haven is geschikt voor het aan- en afmeren van scheepstype ‘groot Rijnschip Va/Vb’. Dit betekent dat er schepen met laadvermogen van 2.750/4.000 ton en een diepgang van 3,0/3,5 meter in de haven gelost of beladen kunnen worden. De specifieke geluidsbronnen binnen deze inrichting worden beschreven in het geluidsonderzoek (van de Wetering & van Harmelen 2020).
Effectbeoordeling De activiteiten in de haven zullen resulteren in een toename van geluid in de haven en zone daaromheen. Voor broedvogels in open gebied wordt over het algemeen een drempelwaarde van 47 dB(A) gehanteerd waarboven effecten kunnen optreden (Reijnen & Foppen 1991, Reijnen et al. 1995, Reijnen et al. 1996), al zijn er verschillen in gevoeligheid in geluid tussen soorten. Voor de effectbeoordeling is gekeken in hoeverre het leefgebied van de hierboven genoemde soorten overlapt met geluidsklassen boven de 47 dB(A). Figuur 5.5 geeft het geluidscontour weer behorende bij de haven met Bouwgrondstoffen-HUB met drijvende verwerkingsinstallatie, waarbij zichtbaar is dat binnen een deel van het projectgebied de 47 dB(A) waarde wordt overschreden.
Figuur 5.5. Verstoringscontour van haven met bouwgrondstoffen-HUB met drijvende verwerkingsinstallatie (van de Wetering & van Harmelen 2020).
In de effectenindicator worden Oeverzwaluw, Dodaars en IJsvogel als ‘niet gevoelig’ voor geluid geclassificeerd. Blauwborst is wel gevoelig voor verstoring door geluid. De locaties van territoria kunnen binnen het projectgebied wisselen. Door het gebruik van de haven met bouwgrondstoffen-HUB is verstoring van broedgevallen van Blauwborst niet met zekerheid uit te sluiten. In de verstoringszone is (mogelijk niet-jaarlijks) één territorium van de Blauwborst aanwezig, die mogelijk permanent verstoord 46
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
wordt. Indien de soort de verstoringzone permanent zou mijden dan is dat een negatief effect wat niet significant is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen. Blauwborst bevindt zich zeer ruim boven de instandhoudingsdoelstelling, die door de permanente geluidsverstoring in een deel van het projectgebied dus niet in gevaar zal komen. Bij de herinrichting wordt nadrukkelijk rekening gehouden met verbetering van het leefgebied voor o.a. deze soort. In de eindsituatie is er dus geen nadelig effect ten opzicht van de referentiesituatie. Conclusie Verstoring in de gebruiksfase leidt tot een permanente verstoring van leefgebied van Blauwborst die met zekerheid niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Negatieve gevolgen voor IJsvogel, Oeverzwaluw en Dodaars zijn uitgesloten omdat deze niet geluidsgevoelig zijn en de soorten in de referentiesituatie niet broeden in het gebied dat door de activiteiten in de haven met bouwgrondstoffen-HUB verstoord zal worden.
5.4. Niet-broedvogels 5.4.1. Oppervlakteverlies leefgebied Uit de voortoets is gebleken dat voor de niet-broedvogels Kolgans, Grauwe Gans, Brandgans en Wulp het areaal foerageergebied afneemt, waardoor een negatief effect op voorhand niet uit te sluiten is. Dit oppervlakteverlies van leefgebied binnen het projectgebied wordt hierna nader beoordeeld. Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans Effectbepaling In tabel 5.7. zijn de gebiedsontwikkelingen beschreven die relevant zijn in relatie tot het oppervlakteverlies van leefgebied (foerageergebied) van Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans. Door een uitbreiding van het wateroppervlak en de ontwikkeling van opgaande beplanting zal het oppervlak foerageergebied voor ganzen afnemen en daarmee de draagkracht van het gebied voor deze soortgroep. De ontwikkeling en uitbreiding van hard- en zachthoutooibos tast ook de openheid van het gebied aan, wat kan leiden tot een kwaliteitsverlies van foerageergebied. Daarnaast zal het bestaande productiegras en bouwland worden omgevormd naar meer natuurlijk grasland. Dit natuurlijke grasland, met laagintensief agrarisch gebruik, heeft een veel lagere benuttingswaarde voor ganzen als foerageergewas in vergelijking met productiegras en bouwland, waardoor er kwaliteitsverlies zal optreden.
Wandelaars en fietsers die gebruik maken van het struinpad, wat langs de resterende natuurlijke graslanden zal lopen, kunnen verstoring veroorzaken, waardoor het aangrenzende foerageergebied ongeschikt wordt. Ook windturbines tasten de openheid van het gebied aan en kunnen tot verstoring leiden. Tabel 5.7. Relevante gebiedsontwikkelingen in relatie tot oppervlakteverlies leefgebied Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans in het projectgebied. Gebiedsontwikkeling uitbreiding wateroppervlak ten behoeve van meestromende nevengeul omvorming productiegras en bouwland naar kruidenrijk grasland ontwikkeling en uitbreiding hard- en zachthoutooibos
Aanlegfase oppervlakteverlies
Gebruiksfase oppervlakteverlies
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
oppervlakteverlies
oppervlakte- en kwaliteitsverlies
kleinschalige recreatie door wandelaars en fietsers
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
windturbines
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
Effectbeoordeling Om te bepalen in hoeverre de herinrichting in het gebied zal resulteren in een significante aantasting van het foerageergebied, waardoor de instandhoudingsdoelstellingen voor de foerageerfunctie van het Rijntakkengebied voor overwinterende ganzen in gevaar kunnen komen, maken we gebruik van het in opdracht van provincie Gelderland opgestelde stappenplan voor de berekening van draagkrachtverlies (van den Bremer et al. 2020). Hierbij wordt de situatie in de referentiesituatie vergeleken met die in de gebruiksfase. In vergelijking met het oppervlakte- en kwaliteitsverlies in de aanlegfase is dit de worstcase situatie. Binnen het stappenplan wordt rekening gehouden met zogenaamde ‘kerngebieden’, gebieden waar veelvuldig en consistent (over meerdere jaren) grote concentraties ganzen foerageren. Voor de kerngebieden en al het overige potentiele foerageergebied zijn aparte draagkrachtwaarden bepaald op basis van de huidige benutting van het Rijntakkengebied door ganzen. Aantasting van kerngebieden zal dus een groter effect hebben op de draagkracht dan ingrepen in ‘overig 47
Sovon-rapport 2020/34
foerageergebied’. Voor een volledige beschrijving van de methodiek verwijzen we naar Van den Bremer et al. (2019). Hieronder passen we het stappenplan toe op de herinrichting van de Willemspolder Fase 1 conform het basisalternatief. 1.
Wel of niet foerageergebied? Het projectgebied bevindt zich voor een deel in ganzenfoerageergebied (bouwland, natuurgras en productiegras), waardoor er mogelijk een conflict is met de instandhoudingsdoelstellingen voor foeragerende ganzen (figuur 5.6).
2. Alertheid geboden indien foerageergebied kerngebied van Toendrarietgans betreft Het projectgebied bevindt zich niet in kerngebied van Toendrarietgans. Dit bevestigd de eerdere constatering op basis van tellingen dat in recente seizoenen geen Toendrarietganzen in het projectgebied zijn waargenomen (zie voortoets hoofdstuk 3). 3. Bepaal oppervlakte en/of kwaliteitsverlies Voor zowel de huidige als de toekomstige situatie zijn de oppervlakten van de verschillende combinaties van foerageergebied (gewastype x gebruiksintensiteit) in beeld gebracht. In totaal verdwijnt er 34,1 ha (72,26 ha in huidige situatie, 37,75 ha in toekomstige situatie) foerageergebied (tabel 5.8). Uitgaande van het voorzorgsbeginsel is de aanname gedaan dat na de herinrichting er geen kerngebied meer aanwezig zal zijn binnen het projectgebied. 4. Bereken draagkrachtverlies Om het daadwerkelijke draagkrachtverlies door het project in beeld te brengen zijn de hectares in de huidige en toekomstige situatie vermenigvuldigd met de draagkrachtcijfers per gewastype en per gebruiksintensiteit (kerngebied en overig foerageergebied). Het totale draagkrachtverlies door de realisatie van het basisalternatief bedraagt 125,58 ha (168,99 ha minus 43,41 kge). 5.
Draagkracht toereikend per soort? Om in beeld te krijgen of de resterende draagkracht per soort nog toereikend is om de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar te brengen, moet het draagkrachtverlies ten gevolge van het project worden teruggerekend op soortniveau. Dit is gedaan op basis van de huidige aantalsverhouding tussen de soorten binnen het binnen het projectgebied, gebruik makend van de wekelijkse systematische tellingen in winterseizoenen 2017/18 – 2019/20 waarbij de aantallen op stipniveau zijn ingevoerd. De verhouding ‘Kolgans : Grauwe Gans : Brandgans’ betreft respectievelijk ’56% : 38% : 6%’. Dit resulteert in de draagkrachtwaarden in tabel 5.9, eerste kolom. Dit soortspecifieke draagkrachtverlies is vervolgens in mindering gebracht op de actuele draagkracht in het Rijntakkengebied (overeenkomend huidige ganzenaantallen) wat vervolgens afgezet kan worden tegen de instandhoudingsdoelstelling per soort (tabel 5.9). hieruit blijkt dat de draagkracht voor Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans nog toereikend is, wat laat zien dat de realisatie van het basisalternatief de instandhoudingsdoelstelling voor deze soorten niet in gevaar zal brengen.
48
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Figuur 5.6. Ligging van het projectgebied, waarbinnen de verschillende gewastypen die potentieel foerageergebied kunnen bieden (bouwland, natuurgras en productiegras) en strata voor gebruiksintensiteit door ganzen (kerngebied en overig foerageergebied) zijn weergegeven. Tabel 5.8. Oppervlaktes beschikbaar foerageergebied voor ganzen in het projectgebied in de huidige en toekomstige situatie, met daarbij onderscheid tussen typen foerageergebied (gewastypen en gebruiksintensiteit), de bij de gewastypen behorende draagkrachtwaarden weergegeven in kolganseenheden per hectaren en de berekende draagkracht in kolganseenheden.
Huidige situatie
Kerngebied
Overig foerageergebied
Toekomstige situatie
Kerngebied
Overig foerageergebied
bouwland
Oppervlak (ha) 0
Benuttingscijfer (kge/ha) 1,23
Draagkracht (kge) 0
natuurgras
0,82
2,58
2,11
productiegras
5,70
11,70
66,71
bouwland
11,75
1,04
12,22
natuurgras productiegras
11,59 42,40
1,15 1,76
13,33 74,62
totaal
72,26
168,99
bouwland
0
1,23
0
natuurgras
0
2,58
0
productiegras
0
11,70
0
0 37,75
1,04 1,15
0 43,41
0
1,76
bouwland natuurgras productiegras totaal
37,75
0 43,41
Tabel 5.9. Draagkracht ten gevolge van de realisatie van het basisalternatief per soort, de actuele draagkracht in Natura 2000-gebied Rijntakken (op basis van seizoensgemiddelde 2012/13-2017/18, zie Van den Bremer et al. 2019), de resterende draagkracht (actuele draagkracht – draagkrachtverlies) en de benodigde draagkracht voor de instandhoudingsdoelstellingen (zie Van den Bremer et al. 2019) weergegeven in kolganseenheden (kge).
49
Sovon-rapport 2020/34 Draagkrachtverlies door realisatie basisalternatief 71
Actuele draagkracht 41.870
Resterende draagkracht 41.799
Benodigde draagkracht (instandhoudingsdoelstelling) 35.400
Grauwe Gans
48
17.243
17.195
10.541
Brandgans Totaal
7 126
3.970 63.083
3.963 62.957
699 46.640
Kolgans
In de bovenstaande berekening is het verlies aan foerageergebied ten gevolge van mogelijke verstoring door recreatie en aantasting van openheid door opgaande structuren zoals bos en de windturbines nog niet meegenomen. In Van den Bremer et al. (2019) wordt uitgaande van het voorzorgsbeginsel de aanname gedaan dat binnen de verstoringsafstand van de betreffende verstoringsbron het gehele gebied ongeschikt wordt als foerageergebied voor ganzen. Uitgaande van 200 meter bij zowel onvoorspelbare bewegingen, zoals wandel- en fietspaden en opgaande structuren zoals bos en 300 meter bij windturbines betekent dit dat nagenoeg al het resterende natuurgras ongeschikt wordt als foerageergebied. Ook bij het compleet verdwijnen van het foerageergebied van ganzen binnen de projectbegrenzing (totaal 168,99 kge, tabel 5.8) komen de instandhoudingsdoelen voor de foerageerfunctie voor Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans niet in gevaar. Conclusie Het verlies aan foerageergebied binnen de projectbegrenzing leidt niet tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor de foerageerfunctie van Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans. In hoofdstuk 6 gaan we in op het effect van het initiatief op het foerageergebied voor ganzen in cumulatie met andere activiteiten. Wulp Effectbepaling In tabel 5.10.
zijn de gebiedsontwikkelingen beschreven die relevant zijn in relatie tot het oppervlakteverlies (en kwaliteitsverlies) van leefgebied van Wulp in de aanleg- en gebruiksfase. Door een uitbreiding van het wateroppervlak zal het oppervlak foerageergebied voor Wulpen afnemen. De ontwikkeling en uitbreiding van hard- en zachthoutooibos tast ook de openheid van het gebied aan, wat kan leiden tot een kwaliteitsverlies van foerageergebied. Wandelaars en fietsers die gebruik maken van het struinpad, wat langs de resterende natuurlijke graslanden zal lopen, kunnen verstoring veroorzaken, waardoor het aangrenzende foerageergebied ongeschikt wordt. Door een ander beheer van het resterende grasland, met bijvoorbeeld een andere vorm van bemesting, kan de voedselbeschikbaarheid en toegankelijkheid van de bodem veranderen. Tabel 5.10. Relevante gebiedsontwikkelingen in relatie tot oppervlakteverlies leefgebied Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans in het projectgebied. Gebiedsontwikkeling uitbreiding wateroppervlak ten behoeve van meestromende hoogwatergeul afname openheid door ontwikkeling en uitbreiding hard- en zachthoutooibos verstoring door kleinschalige recreatie door wandelaars en fietsers omvorming productiegras naar kruidenrijk grasland
Aanlegfase oppervlakteverlies
Gebruiksfase oppervlakteverlies
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
kwaliteitsverlies
n.v.t.
kwaliteitsverlies
Effectbeoordeling Wulpen worden regelmatig waargenomen in de zuidwesthoek van het projectgebied (figuur 5.7). Net daarbuiten bevindt zich een slaapplaats langs de Waal. De graslanden ten oosten van de Prins Willem Alexanderbrug zijn van oudsher een belangrijke foerageergebied voor Wulpen en danken hun aantrekkingskracht waarschijnlijk aan de grootschaligheid en de rust die hier te vinden is. In de graslanden ten noorden van de Waardweg worden incidenteel Wulpen gezien. Door de herinrichting van het gebied zal een deel van het foerageergebied compleet verdwijnen door de aanleg van de nevengeul. Het grasland wat ten zuiden van de nevengeul in het uiterste zuidwesten overblijft zal veranderen van samenstelling. Het meer extensieve, kruidenrijke grasland wat hier beoogd is wijkt af van het korte, intensieve grasland waar de Wulpen momenteel foerageren. Daar komt bij dat midden in het grasland een aantal stukken hardhout- en zachthoutooibos beoogd zijn. Dit tast de functionaliteit van het leefgebied in de directe omgeving aan. Steltlopers zoals de Wulp vermijden namelijk graslanden met elementen waarin roofvogels- en dieren kunnen schuilen. 50
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Om het effect van de afname aan foerageergebied getalsmatig te verkennen is het seizoensgemiddelde van telgebied RG5171 (waarbinnen het projectgebied zich bevindt, zie bijlage III) vergeleken met die in het gehele Natura 2000-gebied. In de winterseizoenen 2013/14 t/m 2017/18 betrof het seizoensgemiddelde in het telgebied 43 Wulpen, in het hele Rijntakkengebied werden in dezelfde periode gemiddeld 705 Wulpen geteld. Op basis van de wekelijkse tellingen (zie figuur 5.7) is te herleiden dat gemiddeld 13 procent van de in het telgebied getelde Wulpen zich binnen de projectbegrenzing bevonden. Ten opzichte van de gehele Rijntakkenpopulatie komt dit er op neer dat gemiddeld 1% van de Rijntakkenpopulatie binnen de projectbegrenzing aanwezig is. Met een seizoensgemiddelde van 705 vogels bevinden de aantallen zich ruim onder de instandhoudingsdoelstelling van 850 vogels, waardoor met een dergelijke afname een significant negatief effect niet is uit te sluiten.
Figuur 5.7. Waarnemingen van Wulpen in winterseizoenen 2017/18 t/m 2019/20 binnen telgebied RG5171, met daarbinnen de grens van het projectgebied.
Conclusie De gebiedsontwikkeling resulteert in een significant negatief effect op het instandhoudingsdoel voor Wulp, doordat foerageergebied verdwijnt. Hiervoor worden mitigerende maatregelen opgesteld. Mitigatie Binnen de projectbegrenzing zijn binnen basisalternatief nagenoeg geen kansen aanwezig om de huidige vorm van foerageergebied voor Wulp te behouden. In de nabije omgeving van het projectgebied dient foerageergebied voor Wulpen gemitigeerd te worden. Dit kan door inrichting van grasland elders binnen het projectgebied of eventueel daarbuiten; het grasland moet dan vrij zijn van opgaande elementen en verstoring. Het waarborgen van openheid en rust zijn hierbij van groot belang. Hiervoor liggen kansen in het westelijk deel van de Willemspolder. Door het herstel van het voormalige eiland onder de Prins Willem-Alexanderbrug, wat in Willemspolder fase 2 zal worden gerealiseerd (figuur 1.1), ontstaat een eiland waar rust en openheid grotendeels kunnen worden gewaarborgd. Op de korte termijn kan worden ingezet op het omzetten van bouwland in grasland tussen de Waardweg en de Dijk.
Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat de meeste soorten steltlopers (alle soorten, mogelijk met uitzondering van Kievit en Wulp) profiteren van de aanleg van de geul door een toename van ondiep water en slikkige oevers ter plaatse evenals het vochtige extensieve grasland tussen de dijk en de Waardweg. Hiermee wordt een positief effect verwacht op steltlopers die als niet-broedvogel in het gebied pleisteren. 51
Sovon-rapport 2020/34
Herbeoordeling na mitigatie Met inachtneming van mitigerende maatregelen wordt het oppervlakteverlies van leefgebied van Wulp in de gebruiksfase voorkomen. Negatieve effecten zijn hiermee uit te sluiten. 5.4.2. Directe sterfte door windturbines Effectbepaling In de voortoets is geconcludeerd dat voor diverse niet-broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Rijntakken een aanzienlijk risico aanwezig is om in aanvaring te komen met de windturbines. Effectbeoordeling Om te bepalen of significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels in Natura 2000-gebied Rijntakken zijn uitgesloten is dezelfde aanpak gehanteerd als bij de broedvogels, waarbij gebruik is gemaakt van 1%-mortaliteitsnorm. Deze norm stelt dat een tol van maximaal 1% van de natuurlijke sterfte van de betreffende populatie de betreffende populatie niet in het geding zal brengen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in tal van uitspraken 5 overwogen dat het 1%-mortaliteitscriterium bij het ontbreken van een ander wetenschappelijk onderbouwd criterium gehanteerd mag worden als uitgangspunt om te bepalen of de te verwachten aantallen vogelslachtoffers door de windturbines de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Op basis van beoordelingen van de effecten van windturbines op vogels en de literatuur daarover is een inschatting gemaakt van de totale jaarlijkse vogelsterfte als gevolg van aanvaringen met de beoogde windturbine(s). Gemiddeld vallen in Nederland en België in een windpark ongeveer 20 vogelslachtoffers per turbine per jaar (bijlage I). Uiteraard zullen de werkelijke effecten van locatie tot locatie verschillen. Afhankelijk van de intensiteit van vliegbewegingen in de omgeving van het windpark, de configuratie van het windpark en de afmetingen van de windturbines, varieert dit aantal van enkele vogels per jaar tot maximaal enkele tientallen vogelslachtoffers per turbine per jaar, lokaal in gebieden met intensieve seizoenstrek mogelijk meer. Aangezien de Willemspolder nabij een gebied ligt met in het winterhalfjaar grote vogelconcentraties houden we de bovengrens van 20 slachtoffers per turbine per jaar aan, wat bij de plaatsing van twee windturbines neerkomt op 40 slachtoffers per jaar. Om een inschatting te maken van de jaarlijkse mortaliteit van de niet-broedvogels die mogelijk gevoelig zijn voor aanvaringen doen we de aanname dat de helft van de jaarlijkse 40 slachtoffers bestaat uit Natura 2000-soorten, in de verhouding ganzen 75%, eenden 10%, steltlopers 10% en Aalscholver 5%.
Die verhouding is gebaseerd op de in opdracht van Dekker uitgevoerde tellingen van watervogels in dit gebied, de aanwezigheid van slaaptrekbewegingen en het vlieggedrag van deze soorten. De andere helft zal bestaan uit soorten die kortere of langere tijd in het gebied verblijven of dit tijdens de voorjaars- of najaarstrek passeren. Bij enkele soorten (Aalscholver, Scholekster) kan een overschrijding van de 1%mortaliteitsnorm niet geheel worden uitgesloten, wat een nadere beoordeling vraagt. Tabel 5.4. Ingeschatte slachtofferaantallen van soorten niet-broedvogels waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, voor zover gevoelig voor aanvaringen met windturbines. Weergegeven zijn de populatie (seizoensgemiddelde 2012/13-2017/18), de 1%-norm (Rijntakken populatie x natuurlijke jaarlijkse adulten sterfte (BTO birdfacts)) en toets aan de 1%-mortaliteitsnorm. Populatie Rijntakken 1.013
Aanname jaarlijks 1%-norm aantal slachtoffers 1,2 1,0
Kolgans
40.451
111,6
10,4
Overschrijding Lokaal verblijvende Aalscholver vliegen veelal beneden 50m. Bij een lagere tiplaagte dan de voorbeeldturbine is er wel een risico. nee
Grauwe Gans
13.124
22,3
3,4
nee
Brandgans
4.521
4,1
1,2
nee
Bergeend
96
0,1
0,0
nee
Smient
5.091
23,9
0,7
nee
Krakeend Wintertaling
1.975 1.154
5,5 5,4
0,3 0,2
nee nee
Aalscholver
5 Zie uitspraak van 1 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH9250) inzake Windpark Scheerwolde en 11 juli 2018 inzake
Windpark Fryslân ECLI:NL:RVS:2018:2339
52
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Wilde Eend
Populatie Rijntakken 4.380
Aanname jaarlijks 1%-norm aantal slachtoffers 16,3 0,6
Overschrijding nee
Slobeend
438
1,8
0,1
nee
Tafeleend
233
0,8
0,0
nee
Kuifeend
1.990
5,8
0,3
nee
Scholekster
153
0,2
Kievit
2.882
8,5
0,1 Nee, deze soort vliegt ruim beneden de 50m. Echter, Bij een lagere tiplaagte dan de voorbeeldturbine is er wel een risico. 1,5 nee
Wulp
705
1,9
0,4
nee
Voor de Aalscholver kan worden geconcludeerd dat er nauwelijks risicovolle vliegbewegingen zijn voorzien die zullen leiden tot aanvaringsslachtoffers (zie onderbouwing § 5.3.1). Winkelman et al. 2008 classificeert Aalscholver als een soort die over het algemeen niet of weinig gevoelig is voor aanvaringen met windturbines. Buiten het broedseizoen vliegen Scholeksters in de regel heen en weer tussen foerageergebieden of tussen slaapplaats en foerageergebied. In het broedseizoen vliegen Scholekster incidenteel hoger, met name tijdens het achtervolgen van vliegende predatoren en bij de balts (expert inschatting). Scholekster in de hoedanigheid van broedvogel maken echter geen deel uit van de instandhoudingsdoelstellingen. Conclusie De plaatsing van twee windturbines, uitgaande van de Enercon E-126, leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van niet-broedvogels. Indien voor een ander type windturbine dan de Enercon E-126 wordt gekozen met een lagere tiplaagte, dan dient een nadere beoordeling plaats te vinden om te bepalen of significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van Aalscholver en Scholekster door sterfte veroorzaakt door aanvaringen met windturbines zijn uitgesloten. Een lagere tiplaagte, bijvoorbeeld 40-50 meter, kan leiden tot meer aanvaringslachtoffers onder vogels. 5.4.3.
Verstoring - aanlegfase Effectbepaling Tijdens de aanlegfase zal er tijdelijk verstoring aanwezig zijn van geluid, trillingen en licht, maar ook optische verstoring van werklui. Geluid kan leiden tot verstoring door vogels, waarbij de gevolgen van piekgeluiden (waaronder veel industriegeluid) en gelijkmatige geluidsbelasting kunnen verschillen (Krijgsveld et al. 2008). Vogels die het projectgebied en de zone daaromheen gebruiken kunnen tijdelijk verstoord worden. Het gaat hierbij om de niet-broedvogels Fuut, Aalscholver, Kolgans, Grauwe Gans, Brandgans, Smient, Krakeend, Wintertaling, Wilde eend, Kuifeend, Meerkoet en Wulp. Bij vogels is geluid vaak de maatgevende verstoringsbron (Foppen & Roodbergen 2019). Verstoring door geluid, licht en optische verstoring gaan bij de uitvoering van werkzaamheden vaak gepaard, en daarbij reikt verstoring door geluid het verst. Als worst-case is daarom de geluidbeoordeling voor de aanlegfase doorgaans representatief voor de verstoring door licht en optische verstoring. De werkzaamheden zullen binnen een tijdsbestek van 10 jaar gefaseerd worden uitgevoerd en worden in detail toegelicht in het geluidsonderzoek (van de Wetering & van Harmelen 2020).
Op hoofdlijnen gaat het om de volgende werkzaamheden die verstoring door geluid kunnen veroorzaken: • het verwijderen van dekgrond en klei door grondverzetmachines; • het winnen en klasseren van zand en grind; • de afvoer van zand en grind met schepen; • herinrichtingswerkzaamheden van de plas en de oevers met een reconstructiezuiger en grondverzetmachines. Effectbeoordeling De werkzaamheden zullen resulteren in een tijdelijke toename van geluid in het projectgebied en nabije omgeving. Voor niet-broedvogels wordt over het algemeen een drempelwaarde van 51 dB(A) gehanteerd waarboven effecten kunnen optreden (Reijnen & Foppen 1991), al zijn er verschillen in gevoeligheid in geluid tussen soorten. Voor de effectbeoordeling is gekeken in hoeverre het leefgebied van de hierboven genoemde soorten overlapt met geluidsklassen boven de 51 dB(A).
53
Sovon-rapport 2020/34
Op basis van de planning en het faseringsplan zijn in het geluidsonderzoek deelmodellen opgesteld. Deze deelmodellen M1 tot en met M14 geven per jaar (of deel van het jaar) de optredende geluidbelastingen in het projectgebied weer (zie voorbeeld figuur 5.8). De geluidbelastingen variëren in de tijd en zijn afhankelijk van waar de werkzaamheden in het gebied plaatsvinden. De geluidcontouren en de geluidbelastingen zijn berekend op een hoogte van 1,5 meter boven het maaiveld. Bij elk model wordt voor een deel van het gebied de 51dB(A) drempelwaarde overschreden, waarbij gedurende de uitvoeringsperiode het deel waar de overschrijding optreed zich verplaatst.
Figuur 5.8. Voorbeeld van de berekende geluidscontouren, in dit geval model M4 wat de situatie in 2030 weergeeft, het moment dat de verstoring voor Wulp die zich met name in het westen van het gebied ophoudt het grootst is (van de Wetering & van Harmelen 2020).
In de effectenindicator, waarin voor alle Natura 2000-soorten op basis van literatuur een inschatting is gemaakt voor de gevoeligheid voor verschillende verstorende factoren, wordt alleen de Wulp als gevoelig voor geluid beoordeeld. Conclusie Een verstorend effect op de hier aanwezige concentratie Wulpen kan niet worden uitgesloten, met dien verstande dat dit leefgebied al wordt aangetast door ruimtebeslag. Nu deze soort zich onder de instandhoudingsdoelstelling bevindt is aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied Rijntakken zonder nadere mitigerende maatregelen niet uitgesloten. Deze maatregelen dienen te worden betrokken bij de uitwerking van het voorkeursalternatief om aantasting van de natuurlijke kenmerken alsnog uit te sluiten. 5.4.4. Verstoring - gebruiksfase Effectbepaling In de gebruiksfase (eindsituatie) is sprake van een vorm van regelmatige, steeds terugkerende verstoring door de haven met ‘Bouwgrondstoffen-HUB’ ten behoeve van scheepvaarttransport. Als worst-case is de geluidbeoordeling representatief voor de eventuele verstoring door licht en optische verstoring (zie motivatie 5.3.2). Vogels die de directe omgeving van de haven en de zone daaromheen gebruiken kunnen verstoord worden.
Het gaat hierbij om de niet-broedvogels Fuut, Aalscholver, Kolgans, Grauwe Gans, Brandgans, Smient, Krakeend, Wintertaling, Wilde Eend, Kuifeend, Meerkoet en Wulp. 54
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
Voor de haven met bouwgrondstoffen (HUB) zijn in het basisalternatief twee varianten uitgewerkt binnen het geluidsonderzoek, namelijk de verwerking van zand/grind door middel van een drijvende verwerkingsinstallatie of door middel van een nieuw te bouwen landklasseerinstallatie. Ten aanzien van geluid lijkt de landinstallatie een lichte voorkeur te hebben maar vanwege de flexibele inzet van een drijvende verwerkingsinstallatie heeft deze laatste toch de voorkeur (van de Wetering & van Harmelen 2020). Binnen deze beoordeling gaan we uit van de variant met drijvende verwerkingsinstallatie, die vanuit geluidsoogpunt het worst-case scenario betreft. De haven met ‘Bouwgrondstoffen-HUB’ is een inrichting waar zand, grond, grind of steen gebroken, gemalen, gezeefd of gedroogd kan worden. De haven is geschikt voor het aan- en afmeren van scheepstype ‘groot Rijnschip Va/Vb’. Dit betekent dat er schepen met laadvermogen van 2.750/4.000 ton en een diepgang van 3,0/3,5 meter in de haven gelost of beladen kunnen worden. De specifieke geluidsbronnen binnen deze inrichting worden beschreven in het geluidsonderzoek (van de Wetering & van Harmelen 2020). Effectbeoordeling De activiteiten in de haven zullen resulteren in een toename van geluid in de haven en zone daaromheen.
Voor niet-broedvogels wordt over het algemeen een drempelwaarde van 51 dB(A) gehanteerd waarboven effecten kunnen optreden (Reijnen & Foppen 1991), al zijn er verschillen in gevoeligheid in geluid tussen soorten. Voor de effectbeoordeling is gekeken in hoeverre het leefgebied van de hierboven genoemde soorten overlapt met geluidsklassen boven de 51 dB(A). Figuur 5.9 geeft het geluidscontour weer behorende bij de haven met Bouwgrondstoffen-HUB met drijvende verwerkingsinstallatie, waarbij zichtbaar is dat binnen een deel van het projectgebied de 47 dB(A) waarde wordt overschreden.
Figuur 5.9. Verstoringscontour van haven met bouwgrondstoffen-HUB met drijvende verwerkingsinstallatie (van de Wetering & van Harmelen 2020).
In de effectenindicator, waarin voor alle Natura 2000-soorten op basis van literatuur een inschatting is gemaakt voor de gevoeligheid voor verschillende verstorende factoren, wordt alleen de Wulp als gevoelig voor geluid beoordeeld. Het leefgebied van Wulp (figuur 5.7) bevindt zich buiten de verstoringscontour boven de 51dB(A), waarmee er geen verstoring zal plaatsvinden.
55
Sovon-rapport 2020/34
Conclusie Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van Wulp in het Natura 2000-gebied Rijntakken ten gevolge van verstoring in de gebruiksfase zijn met zekerheid uit te sluiten.
56
Passende beoordeling Willemspolder fase 1
6. Passende beoordeling: cumulatie (basisalternatief) Voor de beoordeling van cumulatie zijn effecten relevant, die van dezelfde aard zijn, dan wel betrekking hebben op hetzelfde habitattype of dezelfde soort. Het gaat daarbij om cumulatie in het geval van habitattypen en soorten waar de uitvoering van Willemspolder fase 1 negatieve effecten op heeft, die niet significant zijn. Significant negatieve effecten worden immers in zijn geheel gecompenseerd, waardoor er geen sprake kan zijn van cumulatie van effecten. In het geval van habitattypen en soorten met niet significante negatieve effecten dient beoordeeld te worden of de effecten ook in samenhang met andere projecten geen significante effecten op instandhoudingsdoelstellingen hebben.
6.1. Habitattypen 6.1.1. Stikstof De gevolgen van additionele stikstofdepositie ten gevolge van de herontwikkeling van de Willemspolder fase 1 dienen ook in samenhang te worden beschouwd met andere activiteiten waarvoor een vergunning is verleend maar die nog niet gerealiseerd zijn. Cumulatie zou in ieder geval aan de orde kunnen zijn met de dijkversterkingen Gorinchem-Waardenburg en Tiel-Waardenburg, waarvan de vergunningaanvragen lopen tijdens het opstellen van deze Passende beoordeling. In § 5.1 is geconcludeerd dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Veluwe en Binnenveld van het project afzonderlijk niet kan worden uitgesloten. Deze conclusie wijzigt niet als het project in cumulatie wordt beschouwd. Indien de stikstofdepositie ten gevolge van de herinrichting van de Willemspolder tot nul kan worden teruggebracht, door bron-beperkende maatregelen in combinatie met interne of externe saldering dan zijn ook cumulatieve effecten uitgesloten. Indien er geen toename is kan die immers niet cumuleren. Dit is een belangrijk aandachtpunt bij de uitwerking en beoordeling van het voorkeursalternatief.
6.2. Habitatsoorten Negatieve effecten van verstoring door licht en geluid op Meervleermuis zijn met inachtneming van mitigerende maatregelen uitgesloten. Omdat er geen negatieve effecten zijn kunnen die ook niet stapelen. Er is geen sprake van cumulatie.
6.3. Broedvogels 6.3.1. Directe sterfte door windturbines In hoofdstuk 5 is geconcludeerd dat er additionele sterfte kan zijn Aalscholver en Oeverzwaluw die nabij het projectgebied broeden. Die sterfte is als niet-significant beoordeeld. In cumulatie met andere windparken of activiteiten die additionele sterfte onder deze soorten veroorzaken kan er wel sprake zijn van aantasting van een significant negatief effect. Nu er in de nabijheid geen windparken zijn die in cumulatie beoordeeld moeten worden kan aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000gebied Rijntakken worden uitgesloten. Als additionele maatregel kan wel worden overwogen om en nieuwe oeverwand te creëren op ruime afstand (indicatief >400 meter) van de windturbines. Per saldo wordt dan, indien deze wand in gebruik wordt genomen, een positief effect worden bereikt.
6.4. Niet-broedvogels 6.3.1. Oppervlakteverlies leefgebied Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans Binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn verschillende typen ontwikkelingen van invloed op het aanbod en de benutbaarheid van het beschikbare foerageergebied voor ganzen. Diverse daarvan zullen vrijwel zeker worden uitgevoerd. Het gaat hierbij met name om uitvoering van de Natura 2000ontwikkeldoelen, zoals vastgelegd in het beheerplan, naast reeds vergunde plannen en projecten. De zogenaamde ‘autonome ontwikkelingen’, ofwel ruimtelijke ontwikkelingen die nog niet (volledig) gerealiseerd zijn maar waarover wel een besluit is genomen. Deze initiatieven dienen in cumulatie met 57
Sovon-rapport 2020/34
het verlies aan foerageergebied voor ganzen dat samenhangt met de uitvoering van Willemspolder Fase 1 (§ 5.4.1) te worden beoordeeld. Om bij de beoordeling van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rekening te kunnen houden met dit verlies aan ontwikkelruimte is in 2019 in opdracht van Provincie Gelderland een overzicht gemaakt van deze ‘zekere’ ontwikkelingen (van den Bremer et al. 2019). Op basis hiervan is de ‘actuele draagkracht inclusief autonome ontwikkelingen’ berekend. Bijlage IV geeft een overzicht van de berekening hiervan. Het soort specifieke draagkrachtverlies veroorzaakt door de realisatie van het basisalternatief Willemspolder Fase 1 is in mindering gebracht op de actuele draagkracht (overeenkomend met de huidige ganzenaantallen), gecorrigeerd voor de autonome (‘vaststaande’) ontwikkelingen. De hiermee verkregen resterende draagkracht wordt vervolgens afgezet tegen de instandhoudingsdoelstelling per soort (tabel 6.1). Hieruit blijkt dat de draagkracht voor Grauwe Gans, Kolgans en Brandgans nog toereikend is, zodat deze ontwikkeling de instandhoudingsdoelstelling voor deze soorten niet in gevaar zal brengen. Tabel 6.1.
Draagkrachtverlies ten gevolge van de realisatie van Willemspolder Fase 1 (basisalternatief) per soort, actuele draagkracht rekening houdend met de Autonome ontwikkelingen (AO) en de benodigde draagkracht voor de instandhoudingsdoelstellingen, weergegeven in kge. Draagkrachtverlies door realisatie basisalternatief 71
Actuele draagkracht incl. AO 38.702
Resterende draagkracht 38.631
Benodigde draagkracht (instandhoudingsdoelstelling) 35.400
Grauwe Gans
48
15.938
15.890
10.541
Brandgans Totaal
7 126
3.670 58.310
3.663 58.184
699 46.640
Kolgans
Wulp Negatieve effecten door oppervlakteverlies leefgebied op Wulp zijn met inachtneming van mitigerende maatregelen uitgesloten. Er kan dan ook geen sprake zijn van cumulatie. 6.4.2. Directe sterfte door windturbines In combinatie met andere windturbines kan dezelfde deelpopulatie van sommige vogelsoorten in het effectgebied beïnvloed worden door extra sterfte als gevolg van een aanvaring met een windturbine. Indien de windturbines die in Willemspolder beoogd zijn afzonderlijk niet maar in samenhang met andere windturbines wel de 1%-mortaliteitsnorm van een bepaalde soort met een instandhoudingsdoelstelling overschrijden, dan kan aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied Rijntakken niet worden uitgesloten. In de omgeving van het projectgebied zijn geen windturbines gepland die nog niet gerealiseerd zijn maar waarvoor wel toestemming is verleend.