CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Bijlage 7 bij MER Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen37.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bittervoorn, Grote Modderkruiper, Kleine Modderkruiper en Rivierdonderpad Bittervoorn, Grote en Kleine Modderkruiper zijn gebonden aan laag-dynamische, dus niet aan de rivier aangetakte buitendijkse en binnendijkse wateren die helder en schoon zijn en een gevarieerde water- en oevervegetatie hebben. Het leefgebied van de Grote Modderkruiper kenmerkt zich verder door een dikke niet verontreinigde modderlaag op de bodem. Voor de Grote Modderkruiper is een voldoende groot aandeel moeras (liesgrasveld, plas-dras) en een peil(beheer) waarbij van tijd tot tijd het water grotendeels (maar niet geheel) droogvalt van groot belang. Het leefgebied van de Rivierdonderpad onderscheidt zich van het leefgebied van de hiervoor genoemde soorten. Binnen de Rijntakken vormen rivieroevers en dynamische aan de rivier aangetakte wateren natuurlijk leefgebied voor de Rivierdonderpad. Momenteel komt de Rivierdonderpad vooral voor in een kunstmatig ontstaan leefgebied: aangelegde verharde oeverzones en rivierkribben die kleine holten bevatten. Van Rivierdonderpad en Grote Modderkruiper zijn geen waarnemingen bekend in het projectgebied. In het verleden zijn Bittervoorn en Kleine Modderkruiper wel gevangen in de westelijke 22

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

kleiput nabij de winterdijk van IJzendoorn (Kurstjens 2005). Het betreft alle vier soorten die lokaal binnen hun leefgebied naar voedsel zoeken en weinig mobiel zijn. Aanwezige populaties van deze soorten in Habitatrichtlijngebied bevinden zich op grote afstand van het projectgebied. Het is hiermee uitgesloten dat deze soorten een (foerageer)relatie hebben met het habitat in het projectgebied. Uitzondering daarop is stikstofdepositie dat kan leiden tot kwaliteitsverlies van leefgebied van de Bittervoorn (leefgebied 02); het leefgebied van de andere soorten is daar niet gevoelig voor. Negatieve (significante) effecten op Grote Modderkruiper, Kleine Modderkruiper en Rivierdonderpad zijn met zekerheid uit te sluiten. Negatieve gevolgen voor leefgebied van de Bittervoorn door stikstofdepositie soorten zijn op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten. Alleen de gevolgen van stikstofdepositie voor het leefgebied van de Bittervoorn dienen in de Passende beoordeling nader te worden beschouwd. Kamsalamander Het leefgebied van de Kamsalamander bestaat uit laagdynamisch, geïsoleerd gelegen voortplantingswater en nabij gelegen landhabitat (bv. bosjes, singels en ruigten). De soort is dus gebiedsgebonden, waardoor geen sprake kan zijn van externe werking. Kamsalamander is ook niet bekend in het projectgebied en door de aanwezigheid van vis ook niet te verwachten (Kurstjens 2018).

Echter, het leefgebied van de Kamsalamander kan wel negatief beïnvloed worden door stikstofdepositie. Dit effect dient in de Passende beoordeling nader te worden onderzocht. Meervleermuis De Meervleermuis gebruikt de Rijntakken en vooral de Gelderse Poort in de zomerperiode als foerageergebied en als trekroute tussen zomer- en winterverblijven. Meervleermuizen hebben verblijfplaatsen in gebouwen. De Meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ook worden regelmatig Meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water. Ze jagen vooral op die insecten die op het wateroppervlak zitten of daar vlak boven vliegen. Meervleermuizen jagen tot op 10-20 km van de verblijfplaats, maar over het algemeen wordt een actieradius van 10 km aangehouden. Grote afstanden naar het uiteindelijke jachtgebied worden vooral via kanalen, beken, vaarten en brede sloten afgelegd. Boven land volgen ze vaak lijnvormige landschapselementen als bomenrijen, houtwallen en dijken (www.zoogdiervereniging.nl). Omdat Meervleermuizen op weg naar foerageergebieden grote afstanden kunnen afleggen is het mogelijk dat individuen die in het projectgebied foerageren, hun verblijfplaats in Habitatrichtlijngebied hebben.

Dit betekent dat effecten op Meervleermuizen in het projectgebied relevant kunnen zijn voor de instandhouding van de soort in Habitatrichtlijngebied. De effecten van de realisatie van Willempolder Fase I op Meervleermuis (in het kader van externe werking) worden daarom nader beoordeeld. Het gaat hierbij om effecten in het kader van verstoring in de vorm van licht en geluid. Van oppervlakteverlies van leefgebied is geen sprake, het wateroppervlak neemt toe. Meervleermuis loopt geen risico om aanvaringsslachtoffer te worden door windturbines (Dürr 2011). Over het algemeen vliegt de Meervleermuis zeer laag en heeft daarom, in vergelijking tot andere vleermuissoorten nagenoeg geen aanvaringsrisico. Door Winkelman et al. (2008) wordt het aanvaringsrisico voor Meervleermuizen met windturbines als ‘niet tot laag’ ingeschat. De reden hiervoor is dat van Meervleermuizen bekend is dat ze altijd laag over het water foerageren en trekken (tot 5 meter hoog) en daarmee dus ruim buiten het bereik van de rotorbladen blijven. Ook is aangetoond dat de soort weinig gevoelig is voor verstoring door windturbines (Winkelman et al. 2008). Significant negatieve effecten zullen naar verwachting dan ook niet optreden. Vanwege het risico op lichtverstoring worden de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling in de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe in de Passende beoordeling beschouwd.

Bever In 2020 bevonden zich binnen het projectgebied drie territoria van Bever (Kurstjens 2020). Door de herinrichting zal één van deze drie vaste verblijfplaatsen verdwijnen, maar er zal geen leefgebied en ruimte voor een nieuw territorium ontstaan gedurende de herinrichting. Deze Bever-territoria, gelegen in Vogelrichtlijngebied, dragen niet bij aan het doelbereik binnen Habitatrichtlijngebied. Het territorium van een Bever beslaat een gebied van gemiddeld twee kilometer langs waterlopen. Het leefgebied bestaat met name uit rustige met wilgen begroeide oevers van permanent watervoerende ondiepe wateren. Door de toename van de hoeveelheid bos zal op de lange termijn zal het projectgebied geschikter worden voor Bever. Het initiatief staat uitwisseling tussen populaties binnen HR-gebied niet in de weg. Negatieve (significante) effecten op Bever zijn op voorhand uitgesloten. Een Passende beoordeling is niet nodig.

23

Sovon-rapport 2020/34

Tabel 4.3. Overzicht van de inschatting van effecten op habitatsoorten binnen Natura 2000-gebied Rijntakken tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Willemspolder Fase I. Groen = er zijn waarschijnlijk geen effecten, oranje = er zijn waarschijnlijk negatieve effecten maar met zekerheid niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten.

Habitatsoorten H1095 Zeeprik

Effecten externe werking mogelijk? nee

H1099

Rivierprik

nee

H1102 H1106

Elft Zalm

nee nee

H1134

Bittervoorn

nee

H1145

Grote modderkruiper

nee

H1149

Kleine modderkruiper

nee

H1163

Rivierdonderpad

nee

H1166 H1318

Kamsalamander Meervleermuis

nee ja

H1337

Bever

nee

Beoordeling aanlegfase

gebruiksfase

N-depositie

N-depositie

N-depositie

N-depositie

4.2.3. Broedvogels Voorkomen en leefgebied Van de soorten broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen zijn in 2018 binnen de begrenzing van het projectgebied alleen territoria vastgesteld van Blauwborst (1) en Dodaars (2) (Kurstjens 2018). Ook in 2019 en 2020 zijn twee territoria van Dodaars in de kleiput vastgesteld (NDFF/Waarneming.nl). Dodaars is tijdens inventarisaties voor de vogelatlas (2013-2015) nog wel als broedvogel in het projectgebied waargenomen (Sovon 2018), en in 2018 in het westelijk deel van de Willemspolder buiten het projectgebied (achief Sovon). Ook Blauwborst, IJsvogel en Oeverzwaluw zijn in recente jaren als broedvogel in het westelijk deel van de Willemspolder vastgesteld (Kurstjens 2018). Voorts bevindt zich een kolonie van Oeverzwaluw zo’n 2 km ten zuidoosten van het projectgebied. Oeverzwaluwen kunnen tot 6 km van de kolonie foerageren, maar blijven meestal binnen 3 km (Sierdsema et al. 2008, van der Vliet et al. 2011). Het projectgebied ligt dus ook ruim binnen het foerageergebied van de kolonie Oeverzwaluwen aan de zuidkant. Aalscholver komt in het broedseizoen voor binnen het projectgebied, maar zonder aanwijzingen tot broeden. Aalscholvers kunnen in het broedseizoen tot wel 70 km van de kolonie foerageren (van Dam et al. 1995).

In de uiterwaarden van de Waal bevindt zich een kolonie Aalscholvers in de Drutensche Waarden, ten westen van Druten, op ca. 4 km afstand van het projectgebied. Foerageervluchten van Aalscholvers uit deze kolonie kunnen ook over het werkgebied plaatsvinden. De daarna dichtstbijzijnde kolonie bevindt zich in de Blauwe Kamer op ca. 8 km van het projectgebied. Gezien de ligging van deze kolonie is het aannemelijk dat deze Aalscholvers voornamelijk op en rond de Rijn zullen foerageren, waardoor de kans klein is dat het werkgebied door deze vogels wordt gekruist. Binnen ongeveer 10 km van het projectgebied zijn geen broedgevallen van Roerdomp en kolonies van Zwarte Stern bekend. Met foerageerafstanden van respectievelijk 0,4 en 2 km vanaf de nestplaats en kolonie (van der Vliet et al. 2011) is het niet waarschijnlijk dat deze soorten het projectgebied zullen passeren tijdens foerageervluchten. Porseleinhoen en Kwartelkoning worden incidenteel gemeld uit de Willemspolder. De laatste waarnemingen komen uit 2013 resp. 2005 (Schoppers & Koffijberg 2006); uit het westelijk deel van de Willemspolder (Schipperswaard) buiten de projectbegrenzing. Uit recente jaren zijn geen broedgevallen bekend binnen het projectgebied. Het projectgebied biedt momenteel geen optimaal leefgebied voor deze soorten.

De broedbiotoop van het Porseleinhoen bestaat uit open moerassige terreinen van minimaal 1-2 ha. De broedhabitat van de Kwartelkoning kenmerkt zich door een meer dan 20 cm hoge gesloten kruidenrijke vegetatie. Voor Woudaap (met riet omzoomde oevers van zoetwatermeren en plassen en stille bochten van langzaam stromende rivieren), Grote Karekiet (rietmoerassen en langs grote open wateren met brede 24

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

waterrietzones) en Watersnip (natte gemaaide rietvelden, natte verlandingszone, moeras en/of natte extensief beheerde gras- of hooilanden) bevindt zich momenteel geen geschikt leefgebied binnen de projectbegrenzing. Effectbeoordeling Voor het merendeel van de broedvogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn opgesteld zijn geen broedgevallen bekend binnen de begrenzing en directe omgeving van het projectgebied, op Blauwborst en Dodaars na. Door de herinrichting zal het leefgebied op de lange termijn geschikter worden voor een groot deel van deze soorten. Het toegenomen areaal aan kleine wateren binnen de plannen voorziet in een toename van geschikt habitat voor Dodaars, IJsvogel en (vooral tijdens de aanlegfase) ook Oeverzwaluw. Daarnaast biedt een toename in de hoeveelheid houtige vegetatie rondom water meer kansen voor de Blauwborst. Indien op de lange termijn riet ontstaat rond de laagdynamische plassen kunnen ook kansen ontstaan voor kritischere soorten als Roerdomp, Woudaap en Grote Karekiet. Porseleinhoen kan profiteren van het ontstaan van ondiepe moerassige delen, mits van voldoende omvang (1-2 ha). Kwartelkoning kan mogelijk profiteren van een vergroting van het areaal natuurlijk grasland langs de rivier.

Gezien de huidige afwezigheid van deze soorten en de toekomstige potentie voor deze soorten is dan ook geen negatief effect te verwachten tijdens de aanleg- en gebruiksfase (tabel 4.4). Vier soorten (Dodaars, Blauwborst, IJsvogel en Oeverzwaluw) broeden met enige regelmaat in en in de directe omgeving van het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat deze soorten verstoord worden tijdens de aanlegfase (geluid, trillingen, licht). Ook tijdens de gebruiksfase kunnen deze soorten verstoord worden door de bedrijvigheid in de haven met bouwgrondstoffen-HUB. Dit zal nader worden uitgewerkt in de Passende beoordeling. Op Aalscholver en Oeverzwaluw na bevinden de doelsoorten zich in de broedtijd voornamelijk binnen de Natura 2000-begrenzing, waarmee de kans zeer klein is dat de beoogde locatie voor de windturbines wordt gekruist tijdens foerageervluchten. Het risico op aanvaringsslachtoffers, verstoring van het leefgebied en barrièrewerking door de aanwezigheid van de windturbines is hierdoor verwaarloosbaar. Aalscholver blijkt als soort weinig gevoelig voor verstoring van het leefgebied en barrièrewerking (Winkelman et al. 2008). In hoeverre Oeverzwaluw als soort gevoelig is voor verstoring van het leefgebied en barrièrewerking is onbekend.

Het voornemen gaat uit van twee windturbines waardoor de barrièrewerking beperkt zal zijn; er is immers geen sprake van een park waarbij meerdere windturbines gepasseerd moeten worden. Wat voor zowel Aalscholver als Oeverzwaluw niet uit te sluiten is, is een risico op aanvaringsslachtoffers. Ondanks dat het merendeel van de vogels zich onder rotorbladhoogte zal verplaatsen, is niet uit te sluiten dat een deel van de vogels op rotorbladhoogte (72-198 m) het plangebied zullen passeren. Effecten van de windturbines op deze broedvogels moeten daarom nader worden beoordeeld. Leefgebied van Kwartelkoning en Watersnip is beperkt stikstofgevoelig. Stikstof die als gevolg van de herinrichting wordt geëmitteerd kan leiden dat een toename van stikstofdepositie op leefgebieden of zoekgebieden voor leefgebieden van deze twee soorten. Door verruiging kan de kwaliteit van het leefgebied van deze soorten verslechteren. De gevolgen dienen op dit punt in de Passende beoordeling te worden onderzocht. Tabel 4.4. Overzicht van de inschatting van effecten op broedvogels tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Willemspolder Fase I. Groen = er zijn waarschijnlijk geen effecten, oranje = er zijn waarschijnlijk negatieve effecten maar met zekerheid niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten.

Verder is per soort de landelijke Staat van Instandhouding (SVI, +: gunstig, -: ongunstig, --: zeer ongunstig), de gebiedsdoelstelling (in aantal broedparen), de trend sinds 1990 (++: sterke toename, +: matige toename, 0: stabiel, -: matige afname, ~: onzeker) en de schatting van het aantal broedparen in de periode 2014-2018. Landelijke SVI +

Doelstelling (broedparen) 45

Actuele schatting (gem. 2014-2018) 92

+

660

600

--

20

8

-

20

3

~

--

40

15

-

---

160 17

7 ?

--

Zwarte Stern

--

240

187

+

IJsvogel

+

25

65

++

Soort A004

Dodaars

A017

Aalscholver

A021

Roerdomp

A022

Woudaapje

--

A119

Porseleinhoen

A122 A153

Kwartelkoning Watersnip

A197 A229

25

Trend sinds 1990 0

Beoordeling aanlegfase gebruiksfase

+

N-depositie

N-depositie

N-depositie

N-depositie

Sovon-rapport 2020/34

Soort A249

Oeverzwaluw

A272

Blauwborst

A298

Grote Karekiet

Landelijke SVI +

Doelstelling (broedparen) 680

Actuele schatting (gem. 2014-2018) 1.283

Trend sinds 1990 +

+

95

259

+

--

70

9

-

Beoordeling aanlegfase

gebruiksfase

4.2.4. Niet-broedvogels Voorkomen en leefgebied De 26 niet-broedvogelsoorten waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen betreffen voornamelijk watervogels als zwanen, ganzen, eenden en steltlopers. Tabel 4.5 geeft een eerste indicatie van het voorkomen in en rondom het projectgebied, waarbij tevens de maximale foerageerafstand is weergegeven. Voor al deze soorten geldt over het algemeen dat de lokale vliegbewegingen tussen rusten foerageergebied onder de 150 meter plaatsvinden. We behandelen hier het voorkomen in meer detail per soortgroep. Voor de (overwinterende) ganzen zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de functie als foerageergebied en de functie als slaapplaats (Wijzigingsbesluit 30 maart 2017). Visetende watervogels Futen komen regelmatig voor op de plassen in het projectgebied, waar ze zowel rusten als foerageren. Ze zijn verder talrijk in het hele Rijntakken gebied. Ze zijn gebiedsgebonden en maken dus geen lange foerageervluchten. Aalscholvers foerageren en rusten ook door het hele projectgebied. Aalscholvers slapen buiten het broedseizoen op gezamenlijke slaapplaatsen. Sinds begin 2020 is er een kleine slaapplaats van Aalscholvers in het ooibos aan de zuidzijde van de oostelijke plas, dat intact blijft bij de herinrichting. Het gaat naar schatting om ca. 10-25 vogels.

Nabij het projectgebied bevinden zich slaapplaatsen op de Kaliwaal (1,5 km van projectgebied), in de Afferdensche- en Deestsche Waarden (ca. 9 km van projectgebied) en de Wamelsche Uiterwaarden (ca. 6 km van projectgebied). Buiten het broedseizoen kunnen Aalscholvers foerageervluchten tot 20 km afleggen (van der Hut et al. 2007). Het is niet uit te sluiten dat tijdens deze foerageervluchten het projectgebied wordt doorkruist. Zwanen De Kleine Zwaan en Wilde Zwaan werden zowel tijdens de reguliere watervogeltellingen (tabel 4.5) als tijdens de wekelijkse systematische gebiedstellingen niet gezien in of rondom het projectgebied in de afgelopen seizoenen; er zijn wel incidentele waarnemingen van pleisterende vogels bekend (www.waarneming.nl). Ganzen Grauwe Gans en Kolgans zijn in het winterhalfjaar de meest talrijke ganzensoorten in en rondom het projectgebied. De Brandgans is veel minder talrijk, en de Toendrarietgans is afgelopen drie winterseizoenen niet waargenomen tijdens systematische gebiedstellingen. Voor al deze ganzensoorten, behalve Toendrarietgans, geldt dat zij overdag vooral foerageren op bouw- en grasland in het projectgebied. Grauwe Ganzen benutten ook de meer natuurlijke graslanden, terwijl Kolganzen alleen gebruik maken van intensief grasland en bouwland.

Binnen de Willemspolder is vooral het westelijke deel van de polder (ten westen van het projectgebied) in trek als foerageergebied. Verschillende ganzensoorten hebben binnen het Rijntakkengebied een slaapplaatsdoel waarbij de aantallen binnen het werkgebied van invloed kunnen zijn op aantallen op slaapplaatsen rondom het werkgebied. Belangrijke slaapplaatsen van Kolgans bevinden zich op de Kaliwaal (ca. 1 km van werkgebied), de Hiensche Uiterwaarden (ca. 9 km van werkgebied) en de Wamelsche Uiterwaarden (ca. 6 km van werkgebied). Het belang van de Kaliwaal als slaapplaats, direct tegenover het werkgebied, neemt toe tijdens winters met strenge vorstperiodes, wanneer nagenoeg alle overige oppervlaktewateren in de uiterwaarden zijn dichtgevroren. Zo werden hier in de winter van 2011/12 maximaal 19.750 Kolganzen geteld. De afgelopen vijf seizoenen zijn deze aantallen echter niet meer bereikt. Ook Toendrarietgans, Grauwe Gans en Brandgans maken gebruik van de Kaliwaal als slaapplaats, zij het in lagere aantallen (van den Bremer et al. 2019). In vergelijking met Kolgans slaapt Grauwe Gans minder geconcentreerd. Vogels slapen in veel mindere mate ook op de Waal in kribvakken. Voor al deze ganzensoorten geldt dat zij overdag foerageren op agrarisch gebied ten noorden en zuiden van de Waal, waarbij het voornamelijk om grasland zal gaan.

Tijdens slaaptrek verplaatsen grote groepen ganzen zich tussen foerageergebieden van en naar slaapplaatsen. Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans kunnen hierbij afstanden afleggen tot 30 km (tabel 4.5). Op basis van hun voorkomen en gedrag is niet uit te sluiten dat ganzen tijdens de slaaptrek, maar ook tijdens verplaatsingen tussen foerageergebieden overdag, het projectgebied passeren.

26

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Eenden Binnen het projectgebied is Kuifeend de meest talrijke eendensoort, gevolgd door Wilde Eend, Smient en Krakeend. Kuifeend rust op de plassen en foerageert (duikt) vooral in wat dieper water. Mogelijk dat (een deel van) deze vogels ’s nachts op de Waal foerageert en daarbij de locatie waar de windturbines voorzien zijn kruist. In vergelijking met Kuifeend is de Tafeleend veel minder talrijk in het gebied, maar zal zich wat gedrag betreft overeenkomstig gedragen. Wilde Eend en Krakeend zijn talrijk in het hele Rijntakken gebied. Deze soorten zullen de plassen in het projectgebied voornamelijk gebruiken om te rusten en deels ook om te foerageren. Ook Slobeend, Nonnetje en Wintertaling zijn zeldzaam in het projectgebied. Bergeenden zijn schaars in het projectgebied vanwege de afwezigheid van slikkige oevers. Smient maakt gebruik van de plassen in het projectgebied om te rusten. De oevers van de plassen zijn ongeschikt als foerageergebied. Natte graslanden in open landschap met relatief breed water in de directe nabijheid zijn het meest geschikt als foerageergebied voor de Smient. Daarbij hebben Smienten een sterke voorkeur voor relatief zachte grassoorten van korte lengte met een hoog vochtgehalte. (Kleyheeg & van den Bremer 2018). Van Smienten is bekend dat ze ’s nachts op grasland kunnen foerageren.

De graslanden binnen het projectgebied, op grotere afstand van het water, zijn echter ongeschikt als foerageergebied voor Smienten. Alle bovengenoemde eendenborsten kunnen het gebied overvliegen in hun dagelijkse bewegingen van slaap- naar foerageerplaats. Meerkoet Het leefgebied van de Meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. De Meerkoet komt verspreid voor door het hele Rijntakken gebieden. De plassen in het projectgebied worden door Meerkoet gebruikt als foerageer- en rustgebied. Buiten het broedseizoen blijft de soort binnen het gebied waar hij verblijft, en maakt hij weinig pendelvluchten tussen foerageer- en rustplaatsen. Steltlopers De instandhoudingsdoelstellingen van het Rijntakkengebied omvatten zeven steltlopersoorten. Het projectgebied zelf is weinig geschikt voor steltlopers. Van Tureluur, Grutto, Goudplevier en Kemphaan zijn geen waarnemingen bekend uit de Willemspolder, deze werden afgelopen drie winterseizoenen niet gezien tijdens de systematische tellingen. Ten westen en ten oosten van het projectgebied worden wel regelmatig Wulpen waargenomen, waarbij het om aanzienlijke aantallen kan gaan. Ze foerageren hier op graslanden in de uiterwaarden, en de nacht brengen ze door op gezamenlijke slaapplaatsen. Op ca.

1,5 km ten westen van het projectgebied, in de Willemspolder ten oosten van de N323 bevindt zich een slaapplaats van Wulpen waarbij het gaat om zo’n 200-500 individuen. Tijdens het veldbezoek van 15 september 2017 werd ten noorden van deze slaapplaatslocatie een groep van 125 Wulpen foeragerend op grasland waargenomen. Waarschijnlijk betrof dit een voorverzamelplaats alvorens de vogels zich naar de slaapplaats op de zomerkade zouden begeven. Van Wulpen is bekend dat in de winter, bij een korte daglengte, foerageren doorgaans dichtbij de slaapplaats kan plaatsvinden (Gerritsen & Van Brederode 1981). Het lijkt er op dat dit gedrag in dit geval ook al in het najaar plaatsvond. Foerageergebieden van Wulpen kunnen echter tot 15 km afstand van de slaapplaats liggen (tabel 4.5, van der Hut et al. 2007). Ook op de Kaliwaal, ten zuiden van het plangebied, bevindt zich een slaapplaats van Wulpen. In vergelijking met Wulp zijn Kievit en Scholekster veel zeldzamer in en rond het projectgebied. Kievit verblijft buiten de broedtijd vooral in open agrarisch gebied, met aanwezigheid van extensief beheerde graslanden met kort gras en/of pas geploegde akkers of akkers met korte vegetatie. Ze worden in het projectgebied in kleine aantallen waargenomen. Op de Kaliwaal, die met name in het voorjaar als rustplaats door Kieviten gebruikt, bevinden zich grotere aantallen.

In winterseizoen 2015/16 werd hier een seizoensmaximum van 765 exemplaren geteld (Van den Bremer & Deuzeman 2016). Het is niet uit te sluiten dat vogels tijdens vluchten tussen foerageergebieden en tussen foerageergebied en slaapplaats het projectgebied kruisen. Scholekster wordt sporadisch in het projectgebied waargenomen, rustend aan de randen van de plassen. Tabel 4.5. Gemiddeld seizoensgemiddelde in de telgebied RG5171 die samenvalt met het projectgebied (zie bijlage III) in de periode 2013/14 – 2017/18 van niet-broedvogelsoorten waarvoor Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen. Tevens weergegeven is de maximale foerageerafstand buiten het broedseizoen in km, op basis van Van der Vliet et al. 2011 (zie Van der Vliet et al. 2011 voor de specifieke bronnen per soort). De foerageerafstand van Toendrarietgans is onbekend, hiervoor is die van de overige ganzensoorten aangehouden. Soort Fuut Aalscholver Kleine Zwaan Wilde Zwaan

Seizoensgemiddelde 9 11 0 0

27

Maximale foerageerafstand (km) 0 – gebiedsgebonden 20 12 10

Sovon-rapport 2020/34

Soort Toendrarietgans Kolgans Grauwe Gans Brandgans Bergeend Smient Krakeend Wintertaling Wilde Eend Pijlstaart Slobeend Tafeleend Kuifeend Nonnetje Meerkoet Scholekster Goudplevier Kievit Kemphaan Grutto Wulp Tureluur

Seizoensgemiddelde 0 155 62 35 1 26 11 1 40 0 0 0 47 0 42 4 0 17 0 0 43 0

Maximale foerageerafstand (km) 30 30 30 30 3 11 5 9 26 2 1 15 15 onbekend 0 – gebiedsgebonden 15 15 onbekend onbekend onbekend 15 2

Effectbeoordeling Kleine Zwaan, Wilde Zwaan, Toendrarietgans, Pijlstaart, Slobeend, Nonnetje, Goudplevier, Grutto en Tureluur komen als pleisterende (in het gebied verblijvende) vogel sporadisch voor binnen en in de directe omgeving van het projectgebied. Voor deze soorten is het projectgebied van relatief gering belang binnen het grotere Natura 2000-gebied Rijntakken. Effecten van de herinrichting van het gebied, inclusief de plaatsing de windturbines, in de aanleg- en gebruiksfase zijn hierdoor verwaarloosbaar. De mogelijke effecten op de overige soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd zijn lichten we hieronder toe. Bij de gebruiksfase bespreken wordt het effect van de herinrichting en de windturbines apart besproken. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal er tijdelijk verstoring aanwezig zijn van geluid, trillingen en licht, maar ook optische verstoring van werklui. Vogels die het projectgebied en de zone daaromheen gebruiken zullen tijdelijk verstoord worden. Het gaat hierbij om Grauwe Ganzen en Kolganzen die kunnen foerageren op de grazige delen en het bouwland, en om watervogels die de plassen in het projectgebied gebruiken om te rusten en/of foerageren, zoals ganzen, eenden, Meerkoet, Aalscholver en Fuut, en de steltlopers Wulp en Kievit (tabel 4.6). Effecten van verstoring op deze niet-broedvogels tijdens de aanlegfase worden daarom nader beoordeeld.

Gebruiksfase - herinrichting Door het verdwijnen van bouwland en intensief grasland binnen het projectgebied zal foerageergebied voor ganzen afnemen en wordt het gebied minder geschikt voor Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans. Toendrarietgans komt niet voor in het projectgebied. Ook de toename van opgaande structuren in de vorm van bos en wandelaars en fietsers die gebruik maken van het struinpad kunnen zorgen voor verstoring waardoor potentieel foerageergebied ongeschikt kan worden. Voor Grauwe Gans en Brandgans liggen de huidige aantallen binnen het Rijntakkengebied ruim boven de instandhoudingsdoelstelling, voor Kolgans worden de aantallen nog net gehaald. Effecten in het kader van oppervlakteverlies (en kwaliteitsverlies) voor Kolgans zijn dan ook niet uit te sluiten. Het effect van verlies aan foerageergebied wordt voor alle drie de ganzensoorten nader beoordeeld. Voor de vier ganzensoorten zijn ook slaapplaatsdoelstellingen opgesteld voor het Rijntakken gebied. Er vinden geen gebiedsontwikkelingen plaats die in een afname in functioneel wateroppervlak resulteren. Op termijn zal het wateroppervlak toenemen, negatieve effecten zijn uitgesloten. Voor Wulp neemt het areaal geschikt habitat af, en de Rijntakkenpopulatie bevindt zich ruim onder de instandhoudingsdoelstelling.

Voor deze soort dient het effect van het oppervlakteverlies van leefgebied binnen het projectgebied nader te worden beoordeeld. 28

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Tijdens de gebruiksfase kan er verstoring aanwezig zijn door de bedrijvigheid in en rondom de haven met bouwgrondstoffen-HUB. Vogels die de directe omgeving van het bedrijventerrein en de zone daaromheen gebruiken kunnen verstoord worden. Het gaat hierbij om watervogels die de plassen in het projectgebied gebruiken om te rusten en/of foerageren, zoals ganzen, eenden, Meerkoet, Aalscholver en Fuut, en de steltlopers Wulp en Kievit (tabel 4.6). Effecten van verstoring op deze niet-broedvogels tijdens de gebruiksfase worden daarom nader beoordeeld. Een aantal soorten zullen profiteren van het voorziene scenario wat zal resulteren in een toegenomen areaal geschikt habitat. Zij hebben baat bij een meer natuurlijke inrichting van het terrein en de toename van de hoeveelheid water in het gebied. Het gaat hierbij om Fuut, Aalscholver, Bergeend, Wilde Eend, Pijlstaart, Slobeend, Tafeleend, Nonnetje, Meerkoet, Kemphaan, Scholekster, Grutto en Tureluur. Op Fuut en Slobeend na betreft het allemaal soorten die in het Natura 2000-gebied Rijntakken onder de instandhoudingsdoelstelling zitten. Gebruiksfase - windturbines Diverse watervogel- en steltlopersoorten komen regelmatig voor in de omgeving van de geplande windturbines en vliegen met enige regelmaat over de planlocatie.

Op basis van hun voorkomen en gedrag gaan we hieronder in op de mogelijke effecten van de turbines in de gebruiksfase, waarbij we onderscheid maken tussen aanvaringsrisico’s, verstoring en barrièrewerking. Aanvaringsrisico’s Lokale vliegbewegingen vinden zowel overdag als ’s nachts over het algemeen plaats onder de 150 meter. Hiertoe behoren verplaatsingen van eenden en ganzen tussen rust- en voedselgebieden (Winkelman et al. 2008). Dit ligt dus binnen het bereik van de beoogde windturbines. Op basis van hun voorkomen en gedrag is het niet op voorhand uit te sluiten dan onder andere Kolgans, Grauwe Gans en Brandgans meer dan incidenteel slachtoffer zullen worden door een aanvaring met een windturbine. Hetzelfde geldt voor Wilde Eend, Krakeend, Kuifeend en Smient die tijdens foerageervluchten het plangebied kruisen. Ook voor Wulp en Kievit is een aanzienlijk risico op aanvaringslachtoffers aanwezig, met slaapplaatsen en foerageergebieden aan weerszijden van het projectgebied. Wintertaling, Bergeend, Slobeend en Tafeleend zijn in de directe omgeving van de geplande windturbinelocaties schaars en het risico op aanvaringsslachtoffers is daarmee klein maar wel aanwezig. Hetzelfde geldt voor Aalscholver en Scholekster, die het plangebied tijdens foerageervluchten kunnen kruisen.

Het effect van aanvaringen met windturbines op de instandhoudingsdoelstellingen van deze soorten wordt in de Passende beoordeling nader uitgewerkt. Meerkoet en Fuut zijn gebiedsgebonden soorten en leggen geen grote afstanden af tussen foerageer- en rustgebieden. Het aanvaringsrisico voor deze soorten is dan ook verwaarloosbaar (tabel 4.6). Verstoring Door verstoring kan voor eenden, ganzen en steltlopers een zone vanaf de geplande windturbinelocaties van maximaal 300 meter ongeschikt worden voor zowel rusten als foerageren. Afstanden kunnen verschillen tussen soorten, we gaan hierbij uit van een worst case scenario. Binnen 300 meter van de geplande windturbinelocaties bevinden zich geen belangrijke slaapplaatsen van ganzen en steltlopers. De Kaliwaal (slaap- en rustplaats voor ganzen, Wulp en Kievit) ligt op 1,5 km afstand ten zuiden van de windturbinelocaties en de Willemspolder (slaapplaats Wulp en Kievit) ligt op ca. 1,5 km ten westen van de locaties. Slaapplaatsen van Wulp, Kievit en ganzen worden dus niet verstoord door de geplande windturbines. Binnen de zone van 300 meter bevinden zich niet de belangrijkste foerageergebieden van ganzen en steltlopers in de weide omgeving, het betreft voornamelijk water, struweel en ruige graslanden. Verstorende effecten op foeragerende ganzen, Wulpen en Kieviten van de windturbines zijn verwaarloosbaar.

Rustende en foeragerende eenden, Meerkoeten, Futen en Aalscholvers die zich op de zandwinplassen rond de beoogde windturbinelocatie bevinden kunnen wel verstoring ondervinden. Dit zal nader worden uitgewerkt in de Passende beoordeling. Barrièrewerking Barrièrewerking kan met name een negatieve impact hebben bij grote windparken of bij meerdere grote windparken in een regio, wanneer deze leiden tot omvlieggedrag (van een deel van de vogels) van tientallen kilometers of het permanent afsnijden van cruciale voedselgebieden (Winkelman et al. 2008). Dit is niet het geval bij deze ingreep. De plaatsing van twee windturbines, met een tussenruimte van ca. 400 meter, zal geen barrière voor vogels vormen. De lijnopstelling is dan van beperkte lengte, en de ruimte tussen de turbines is groot zodat vogels hier zonder veel moeite en zonder energieverlies omheen en tussendoor kunnen vliegen. 29

Sovon-rapport 2020/34

Voor geen van de aanwijssoorten geldt dat cruciale voedselgebieden en slaapplaatsen van elkaar worden afgesneden. Significante negatieve effecten zijn dan ook niet te verwachten. Tabel 4.6. Overzicht van de inschatting van effecten op niet-broedvogels tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Willemspolder Fase I. Groen = er zijn waarschijnlijk geen effecten, oranje = er zijn waarschijnlijk negatieve effecten maar met zekerheid niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten. Verder is per soort de landelijke Staat van Instandhouding (SVI, +: gunstig, -: ongunstig, --: zeer ongunstig), de functie van het gebied (f: foerageren, s: slaapplaats), de gebiedsdoelstelling (in aantal), de trend sinds 1990 (++: sterke toename, +: matige toename, 0: stabiel, -: matige afname, --: sterke afname, ~: onzeker) en het gemiddelde seizoensgemiddelde in de periode 2013/14-2017/18.

Soort Fuut

Landelijke Functie Doelstelling SVI (f, s) (aantallen) f 570

Actuele Beoordeling gebruiksfase schatting Trend (2013/14 sinds Beoordeling 2017/18) 2006/07 aanlegfase herinrichting windturbines 639 +

Aalscholver

+

f

1.300

1.013

0

Kleine Zwaan

--

f

100

1

--

Wilde Zwaan Toendrarietgans

+ +

f f

30 125

4 73

-

Toendrarietgans

+

s

2.800

1.378

Kolgans

+

f

35.400

40.451

Kolgans

+

s

180.100

143.800

Grauwe Gans

+

f

8.300

13.124

0

Grauwe Gans Brandgans

+ +

s f

21.500 920

? 4.521

+

Brandgans

+

s

5.200

12.282

Bergeend

+

f

120

96

~

Smient

-

f/s

17.900

5.091

--

Krakeend

+

f

340

1.975

++

Wintertaling Wilde Eend

+ --

f f

1.100 6.100

1.154 4.380

+ 0

Pijlstaart

+

f

130

36

-

Slobeend

+

f

400

438

0

Tafeleend

--

f

990

233

-

Kuifeend

-

f

2.300

1.990

0

Nonnetje Meerkoet

-

f f

40 8.100

31 5.368

0 0

Scholekster

--

f

340

153

-

Goudplevier

--

f

140

56

--

Kievit

-

f

8.100

2.882

-

Kemphaan

--

f

1.000

31

--

Grutto Wulp

--

f f

690 850

100 705

-0

Tureluur

-

f

65

19

-

~ 0

4.3. Natura 2000-gebied Veluwe 4.3.1. Habitattypen De Veluwe ligt op 12,6 km van het projectgebied. Het enige effecttype wat kan spelen, in het kader van externe werking, is verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Alle 18 habitattypen waarvoor binnen het Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen zijn gevoelig voor stikstofdepositie. In hoeverre de uitstoot van stikstof, veroorzaakt door het initiatief, reikt tot Natura 2000-gebied Veluwe dient te worden beoordeeld in de Passende beoordeling.

30

Passende beoordeling Willemspolder fase 1 Tabel 4.7. Overzicht van de inschatting van effecten op habitattypen in Natura 2000-gebied Veluwe tijdens aanleg en/of gebruik van Willemspolder Fase I. Groen = geen effecten, oranje = waarschijnlijk negatieve effecten maar zeker niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten.

Habitattypen H2310 Stuifzandheide met struikheide

Effecten externe werking mogelijk? ja

Beoordeling aanlegfase gebruiksfase N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie

H2320 H2330

Binnenlandse kraaiheidevegetaties Zandverstuivingen

ja ja

N-depositie

N-depositie

H3130

Zwak gebufferde vennen

ja

N-depositie

N-depositie

H3160

Zure vennen

ja

N-depositie

N-depositie

H3260

Beken met waterplanten

ja

N-depositie

N-depositie

H4010

Vochtige heiden

ja

H4030 H5130

Droge heiden Jeneverbesstruwelen

ja ja

N-depositie N-depositie

N-depositie N-depositie

N-depositie

N-depositie

H6230

Heischrale graslanden

ja

N-depositie

N-depositie

H6410

Blauwgraslanden

ja

N-depositie

N-depositie

H7110

Actieve hoogvenen

ja

N-depositie

N-depositie

H7140

Overgangs- en trilvenen

ja

H7150 H7230

Pioniervegetaties met snavelbies Kalkmoerassen

ja ja

N-depositie N-depositie

N-depositie N-depositie

N-depositie

N-depositie

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

ja

N-depositie

N-depositie

H9190

Oude eikenbossen

ja

N-depositie

N-depositie

H91EoC

Vochtige alluviale bossen

ja

N-depositie

N-depositie

4.3.2. Habitatsoorten Van de habitatsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd voor Natura 2000gebied Veluwe kan er alleen bij Meervleermuis sprake zijn van mogelijke externe werking van het initiatief. Het is niet uit te sluiten dat Meervleermuis tijdens jachtvluchten, waarbij ze jagen tot op 1020 km van de verblijfplaats, het projectgebied wordt gepasseerd. De effecten van de realisatie van Willempolder Fase I op Meervleermuis (in het kader van externe werking) worden daarom nader beoordeeld. Het gaat hierbij om effecten in het kader van verstoring. Meervleermuis loopt geen risico om aanvaringsslachtoffer te worden door de windturbines (Dürr 2011). De soort jaagt veelal 10-60 cm boven het water. Habitatsoorten waarvan het leefgebied stikstofgevoelig is (tabel 4.8) kunnen negatief beïnvloed worden door stikstofdepositie, mocht door de herinrichting geëmitteerde stikstof op deze leefgebieden neerslaan. Tabel 4.8. Overzicht van de inschatting van effecten op leefgebieden binnen Natura 2000-gebied Veluwe tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Willemspolder Fase I. Groen = er zijn waarschijnlijk geen effecten want leefgebied is niet stikstofgevoelig, oranje = er zijn waarschijnlijk negatieve effecten maar met zekerheid niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten.

Per habitatsoort is aangegeven in hoeverre er een effect van externe werking ten gevolge van een verhoging van stikstofdepositie mogelijk is.

Soort H1042 H1083 H1096 H1163 H1166 H1318 H1831

Soort Gevlekte witsnuitlibel Vliegend hert Beekprik Rivierdonderpad Kamsalamander Meervleermuis Drijvende waterweegbree

Effect externe werking mogelijk? ja ja ja ja ja ja ja

beoordeling aanlegfase N-depositie N-depositie

gebruiksfase N-depositie N-depositie

N-depositie

N-depositie

N-depositie

N-depositie

4.3.3 Broedvogels De soorten broedvogels de deel uitmaken van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebied Veluwe en op de Veluwe broeden zullen in die hoedanigheid het projectgebied niet bereiken. Stikstofdepositie zou echter wel de kwaliteit van leefgebieden van deze soorten op de Veluwe negatief 31

Sovon-rapport 2020/34

kunnen beïnvloeden. Op voorhand is een significant effect op de instandhoudingsdoelstelling voor deze soorten (tabel 4.9.) niet met zekerheid uit te sluiten. Dit wordt onderzocht in de Passende beoordeling. Tabel 4.9. Overzicht van de inschatting van effecten op leefgebieden binnen Natura 2000-gebied Veluwe tijdens de aanleg- en gebruiksfase van Willemspolder Fase I. Groen = er zijn waarschijnlijk geen effecten want leefgebied is niet stikstofgevoelig, oranje = er zijn waarschijnlijk negatieve effecten maar met zekerheid niet significant, rood = significant negatieve effecten niet uitgesloten. Per broedvogelsoort is aangegeven in hoeverre er een effect van externe werking ten gevolge van een verhoging van stikstofdepositie mogelijk is.

Soort A72 A224 A229 A233 A236 A246 A255 A276 A277 A338

Effect externe werking mogelijk? ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja

Soort Wespendief Nachtzwaluw IJsvogel Draaihals Zwarte specht Boomleeuwerik Duinpieper Roodborsttapuit Tapuit Grauwe klauwier

beoordeling aanlegfase gebruiksfase N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie

N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie N-depositie

4.3. Conclusies In dit hoofdstuk is per instandhoudingsdoelstelling beoordeeld of effecten kunnen optreden als gevolg van de realisatie van Willemspolder Fase I. De relevante effecttypen voor de Passende beoordeling zijn in tabel 4.7 weergegeven in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen. Tabel 4.7. Overzicht van effecttypen en instandhoudingsdoelstellingen die nader worden beoordeeld in de Passende beoordeling. Effecttype oppervlakte- (en kwaliteits)verlies

Aanlegfase ja

Gebruiksfase ja

versnippering

nee

nee

stikstofdepositie

ja

ja

verontreiniging

nee

nee

verdroging

nee

nee

vernatting verandering stroomsnelheid

nee nee

nee nee

verandering overstromingsfrequentie

nee

nee

verandering dynamiek substraat

nee

nee

verstoring (geluid, licht, trillingen, optisch)

ja

ja

barrièrewerking windturbines

nee

nee

directe sterfte door windturbines

nee

ja

Te beoordelen instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels Rijntakken (Kolgans (f), Grauwe Gans (f), Brandgans (f), Wulp) stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden (in ieder geval Rijntakken & Veluwe, en andere gebieden waar meer dan 0,005 mol N/ha/jaar kan neerslaan)

Meervleermuis (Rijntakken & Veluwe) broedvogels Rijntakken (Blauwborst, Dodaars, IJsvogel & Oeverzwaluw) en niet-broedvogels Rijntakken (Fuut, Aalscholver, Kolgans, Grauwe Gans, Brandgans, Smient, Krakeend, Wintertaling, Wilde Eend, Kuifeend, Meerkoet, Wulp) Zie hierna broedvogels Rijntakken (Oeverzwaluw en Aalscholver) niet broedvogels Rijntakken (Aalscholver, Kolgans, Grauwe Gans, Brandgans, Bergeend, Smient, Wintertaling, Wilde Eend, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend, Scholekster, Kievit, Wulp)

32

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

5. Passende beoordeling: effectbepaling en – beoordeling (basisalternatief) Het basisalternatief voor Willemspolder Fase I vormt een gebiedsontwikkeling die beoogt onder andere bij te dragen aan de realisatie van een aantal van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ontwikkelingen die positief kunnen uitwerken op bepaalde natuurwaarden kunnen echter een negatief effect hebben op andere natuurwaarden. Hierbij kan worden gedacht aan de ontwikkeling van hardhoutooibos waardoor de foerageerfunctie voor ganzen afneemt. Gebiedsontwikkelingen die mogelijk significante negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 worden in de volgende paragrafen per groep (habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels) behandeld voor het project afzonderlijk alsook in cumulatie met andere activiteiten. Waar nodig worden benodigde optimalisaties van het plan en mitigerende maatregelen benoemd en beoordeeld.

5.1. Gevolgen stikstofdepositie Het projectgebied bevindt zich in Natura 2000-gebied Rijntakken dat is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. De leefgebieden van sommige soorten broedvogels zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Dit geldt voor de leefgebieden van Kwartelkoning en Watersnip. Andere vermestingsgevoelige leefgebieden bebinden zich op dermate grote afstand dat ze niet door stikstofdepositie beïnvloed kunnen worden. In de voortoets is aangegeven dat sommige habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten ook een nadere beschouwing verdienen. In de voortoets is aangegeven dat het projectgebied niet ligt in het deel van het Natura 2000-gebied Rijntakken dat is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Negatieve gevolgen voor habitattypen of leefgebied van habitatsoorten in het Natura 2000-gebied Rijntakken of in andere Natura 2000-gebieden kan echter wel aan de orde zijn via externe werking. Dit kan in ieder geval relevant zijn vanwege stikstofverbindingen die gedurende de aanleg of in de eindfase geëmitteerd worden en in de omgeving neerslaan (stikstofdepositie). 5.1.1. Kader Stikstofverbindingen die in natuurgebieden neerslaan (depositie) kunnen de kwaliteit van die natuurgebieden negatief beïnvloeden als gevolg van verzuring en/of vermesting.

Met name in Nederland is het risico daarop groot omdat de achtergronddepositie door uitstoot vanuit de landbouw, verkeer en industrie die varieert tussen de 1.000 en 3.500 mol N/ha/jaar vele malen hoger is dat in een ongestoorde situatie verwacht mag worden. Omdat veel natuurgebieden al overbelast zijn door hoge depositie kan in de gebieden elke toename leiden tot een verdere kwaliteitsvermindering. Of dat het geval is hangt af van locatie-specifieke omstandigheden zoals het bodemtype, natuurlijke dynamiek (waaronder inundaties), waterhuishouding en het gevoerde beheer. In de uiterwaarden zijn de bodems vrij voedselrijk waardoor ze minder gevoelig zijn voor verzuring dan voedselarme zandgronden zoals de Veluwe. Bij langdurig te hoge stikstofdepositie kunnen stikstof-tolerante planten echter ook in het rivierengebied de overhand krijgen ten nadele van plantensoorten van meer voedselarme omstandigheden en daarmee verbonden insecten. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het voedselaanbod voor insecteneters waaronder vogels. Een toename van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige overbelaste gebieden kan conflicteren met de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden, en daarmee met het beschermingsregime voor deze gebieden zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

Om de stikstofdepositie terug te dringen, de natuur te versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk maken is op 1 juli 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Het PAS bood ruimte om vergunningen voor projecten in de buurt van een Natura 2000-gebied te verlenen, ook als dat betekende dat de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden daardoor zou toenemen. Er werden namelijk ook maatregelen genomen om de stikstofdepositie te verminderen en de natuur te herstellen via onder andere beheermaatregelen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 29 mei 2019 geconcludeerd dat de aan het PAS ten grondslag liggende Passende beoordeling niet de vereiste zekerheid geeft dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden vitaal blijven indien bij activiteiten die leiden tot extra stikstofdepositie gebruik wordt gemaakt van het PAS. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling 33

Sovon-rapport 2020/34

onderdelen van het PAS en de bijbehorende regelgeving onverbindend verklaard. Dit betekent dat geen toestemming mag worden verleend voor projecten die tot meer stikstofdepositie leiden waarbij gebruik wordt gemaakt van het op PAS. Uit de uitspraak vloeit voort dat iedere toename van stikstofdepositie op overbelaste locaties, dat zijn locaties waar de kritische depositiewaarde wordt overschreden, binnen Natura 2000-gebieden vergunningplichtig wordt. In de regel is voor een vergunningaanvraag ook een Passende beoordeling nodig. In de voortoets is vastgesteld dat de 5-10 jaar durende tijdelijke uitvoeringssituatie (aanleg) kan leiden tot stikstof-emissies die kunnen neerslaan in overbelaste Natura 2000-gebieden. Omdat significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand niet kunnen uitgesloten zijn die in deze Passende beoordeling nader beschouwd. 5.1.2. Activiteiten die leiden tot additionele stikstofdepositie Tijdelijke uitvoeringssituatie De tijdelijke uitvoeringssituatie heeft een doorlooptijd van 5-10 jaar, verdeeld in twee fases: voorbereiding en realisatie. De volgende activiteiten kunnen in deze twee fases leiden tot een tijdelijke toename en voor een klein deel wellicht permanente toename van stikstofdepositie. Het gaat om de volgende activiteiten: Voorbereiding • Inzet van materieel bij het ontgraven van de bovenlaag.

• Inzet van materieel bij het aanpassen van de zomerkade tussen de Nieuwe weg en Heersweg. • Het geschikt maken van de locatie voor de winning en productie van bouwgrondstoffen. • Het revitaliseren van de bedrijfsbestemming op het terrein van de voormalige steenfabriek Binnenwaard door het realiseren van een drijvende verwerkingsinstallatie voor bouwgrondstoffen en/of de bouw van een nieuwe (al dan niet elektrische) vaste verwerkingsinstallatie. Realisatie • Het op diepte brengen van de in de uiterwaard aanwezige toegangsgeul naar de aanwezige plas, inclusief het per schip afvoeren van het vrijkomende materiaal. • Ontgronding ter plaatse van het verwijderde deel van de zomerkade/Waardweg met behulp van een daarvoor aangevoerde drijvende zandzuiger en zandklasseer-installatie (of de bouw van een vaste land-installatie). • Het tijdens de voornoemde werkzaamheden aanvullen van de zandwinplas met het materiaal dat vrij komt bij het ontgraven van de nog aanwezige kades alsmede als restmateriaal van het zandwinproces. • Inzet van materieel bij realisatie van de hoofdgeul en de nevengeul(en). • De realisatie van twee windturbines, die in de bouwfase zullen resulteren in additionele stikstofdepositie.

In de tijdelijke uitvoeringssituatie wordt concreet uitgegaan van stikstofdepositie als gevolg van: • Inzet machines (1 hydraulische graafmachine, 3 vrachtwagens, 1 wiellader, en 1 bulldozer) bij een inzet van 442 uur per jaar (44,2 dagen* 10 uur). • De aan- en afvoer, waarbij o 90% zal worden afgevoerd per schip naar elders, uitgaande van 43 schepen per jaar (ofwel 86 schipbewegingen) o en 10% per as naar de Schipperswaard door de Willemspolder, uitgaande van 4.013 vrachtwagens per jaar (8.026 vrachtwagenbewegingen). Dit gaat gemiddeld op 12 vrachtwagens per dag (24 vrachtwagenbewegingen) • Het realiseren van twee windturbines, resulterende in de volgende inzet van machines: o graafmachine (bedrijfsduur 10 dagen) o heimachine (bedrijfsduur 5 dagen) o inzet kraan voor fundering (bedrijfsduur 5 dagen) o inzet kraan voor installatie turbines (bedrijfsduur 6 dagen) Gebruiksfase • In de gebruiksfase kan alleen de bedrijfsbestemming inclusief de haven leiden tot additionele depositie ten opzichte van de huidige situatie. Ten aanzien van de bedrijfsbestemming wordt de ontwikkeling van een centrale op-, overslag en bewerkingslocatie voor bouwgrondstoffen 34

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

overwogen. Het gaat hierbij om een haven met een bouwstoffen-hub ten behoeve van scheeppsvaarttransport. Hierbij wordt uitgegaan van: o scheepvaart, nader ingevuld als een groot rijnschip (2.750-4.000 ton). Het zal daarbij maximaal gaan om 730 schepen per jaar, ofwel 1.460 scheepvaartbewegingen o inzet van een hydraulische kraan ten behoeve van het lossen van schepen (1000 ton/uur), uitgaande van een bedrijfsduur van 2.500 uur/jaar o inzet van een wiellader (grondverzetmachine), uitgaande van een bedrijfsduur 2.500 uur/jaar o een hydraulische graafmachine op bedrijfsterrein, bedrijfsduur 2.500 uur/jaar o inzet van vrachtwagens voor intern transport, bedrijfsduur 7.500 uur/jaar o inzet van walstroom; aangemeerde schepen emitteren dus geen stikstofdepositie 5.1.3. Bepaling additionele stikstofdepositie De additionele stikstofdepositie is op 31 mei 2020 bepaald met het programma AERIUS. Deze is opgenomen als bijlage bij het stikstofonderzoek binnen het MER. De additionele stikstofdepositie in de worst-case-situatie (inclusief de bouwstoffen-hub die al in de tijdelijke uitvoeringsfase in bedrijf is) is in beeld gebracht in tabel 5.1. Tabel 5.1 Maximale tijdelijke bijdrage in omliggende Natura 2000-gebieden. In niet-genoemde Natura 2000gebieden bedraagt de additionele stikstofdepositie minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. Nr

Natura 2000-gebieden rondom het projectgebied (ca. 40 km rondom) 038 070 071 057 081 065 132 142 131

Rijntakken Lingegebied en Diefdijk Zuid Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Veluwe Kolland & Overlangbroek Binnenveld Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Sint Jansberg Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

Maximale tijdelijke bijdrage (mol N/ha/jr) 15,19 0,00 0,00 0,01 0,01 0,01 0,00 0,00 0,00

In vier Natura 2000-gebieden leidt het project in ieder geval tijdelijk (5-10 jaar) en voor een klein deel mogelijk – de havenfunctie indien onderdeel van het voorkeursalternatief - permanent tot een additionele stikstofdepositie van ten minste 0,01 mol stikstof per hectare per jaar. Voor deze gebieden kan kwaliteitsvermindering van habitattypen en/of leefgebieden van soorten door een verzurend en/of vermestend effect van stikstofdepositie niet worden uitgesloten, en dienen de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen dus nader beoordeeld te worden. Voor andere Natura 2000-gebieden is de bijdrage nihil (maximaal 0,005 mol N/ha/jaar) en kan een nadere beoordeling van de gevolgen van additionele stikstofdepositie achterwege blijven. 5.1.4. Effectbepaling De gevolgen van de toename van stikstofdepositie zijn per relevant Natura 2000-gebied nader beschouwd. In beginsel kan aantasting van habitattypen of leefgebieden niet worden uitgesloten als deze al overbelast zijn, c.q. de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden (van Dobben et al. 2012). De kerninformatie is per Natura 2000-gebied weergegeven in een tabel (tabel 5.2 tot en met 5.5.), die vervolgens kort nader is toegelicht en geduid. Natura 2000-gebied 038 Rijntakken Het project leidt vooral tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op leefgebieden van vogelsoorten.

Dat is logisch omdat de stikstofverbindingen vooral in de eerste paar kilometers neerslaan, waar geen terreinen aanwezig zijn die binnen het Natura 2000-gebied zijn begrensd in het kader van de Habitatrichtlijn. Dit gebied is echter wel relevant in het kader van de Vogelrichtlijn, waarbij met name behoud en uitbreiding van broedgebied voor de broedvogelsoorten Kwartelkoning en Watersnip wordt beoogd (figuur 5.1.).

35

Sovon-rapport 2020/34

Figuur 5.1. Leefgebied Kwartelkoning in Natura 2000-gebied Rijntakken (bron; beheerplan Rijntakken, 2018).

Hoewel de kwaliteit van het leefgebied van de Kwartelkoning en ook van de Watersnip primair wordt bepaald door het beheer (maai-intensiteit, waterbeheer, al dan niet egaliseren van grasland) kan stikstofdepositie een nadelige invloed hebben, met name als het beheer niet optimaal is – zoals nu in regulier agrarisch gebied eerder regel dan uitzondering is. Nu tijdelijk (5-10 jaar) in de omgeving van het projectgebied een toename van stikstofdepositie plaats vindt kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen niet worden uitgesloten. Dit betekent dat het voornemen moet worden aangepast of zodanig wordt geoptimaliseerd dat er a) per saldo geen toename van stikstofdepositie plaatst vindt, b) het beheer van leefgebieden van de twee relevante soorten (zie tabel 5.2) gericht en duurzaam verbeterd wordt of c) een combinatie van beide. Voor andere leefgebieden en voor habitattypen die leiden tot een (tijdelijke) zeer geringe toename van stikstofdepositie kan aantasting van de natuurlijke kenmerken worden uitgesloten door (naast de zeer geringe en tijdelijke toename) ook door locatie-specifieke omstandigheden (tabel 5.2.).

Tabel 5.2 Habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Rijntakken waar additionele stikstofdepositie plaat vindt, de bijpassende kritische depositiewaarde (KDW) en de beoordeling van het risico op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling c.q. aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied.

Habitattype of Nr. leefgebied (naam) ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (zoekgebied) ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland (zoekgebied)

KDW mol N/ha/jr 10001500 zeer gevoelig

15002000 gevoelig

OverMaximale schrijding tijdelijke Kans op bij 2500 bijdrage aantasting mol mol natuurlijke N/ha/jr N/ha/jr Beoordeling kenmerken? ja 15,19 Leefgebied Kwartelkoning. N-depositie ja leidt tot vermesting en verruiging. Te vroeg en frequent maaien en overbemesting zijn veel problematischer maar de additionele depositie is zodanig hoog dat een significant effect niet kan worden uitgesloten. ja 6,21 Leefgebied kwartelkoning en watersnip. ja N-depositie leidt tot vermesting en verruiging. Te vroeg en frequent maaien en overbemesting zijn veel problematischer (bij de watersnip ook ontwatering en egaliseren van grasland) maar de additionele depositie is zodanig

36

Passende beoordeling Willemspolder fase 1

Nr.

Habitattype of leefgebied (naam)

Lg08

Nat, matig voedselrijk grasland

Lg07

Dotterbloemgrasland van veen en klei

Lg02

Geïsoleerde meander en petgat

Lg11

Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied ZGLg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei (zoekgebied) H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

KDW mol N/ha/jr

OverMaximale schrijding tijdelijke bij 2500 bijdrage mol mol N/ha/jr N/ha/jr

15002000 gevoelig 10001500 zeer gevoelig

ja

0,09

ja

0,04

>2000 matig gevoelig

ja

0,02

10001500 zeer gevoelig

ja

10001500 zeer gevoelig >2000 matig gevoelig

Beoordeling hoog dat een significant effect niet kan worden uitgesloten. Zie ZGLg08

Kans op aantasting natuurlijke kenmerken? ja nee

0,02

Leefgebied watersnip. N-depositie leidt tot vermesting en verruiging. Te vroeg en frequent maaien, overbemesting, ontwatering en egaliseren van grasland) zijn veel dominanter. Bij inrichting van dit leefgebied door opheffing van bovengenoemde knelpunten kan de minimale tijdelijke depositie geen rol spelen. Een significant effect kan worden uitgesloten. Leefgebied bittervoorn en kamsalamander. N-depositie heeft een vermestende en verzurende invloed. Expertbeoordelingen gaan uit van aantasting over een periode van 12,5 jaar (Sweco 2020). De depositie is tijdelijk en zeer gering waardoor een significant effect met zekerheid kan worden uitgesloten Zie ZGLg11

ja

0,01

Zie Lg07

nee

ja

0,01

In het rivierengebied komt dit subtype van beekbegeleidende essenbossen lokaal op minder natte standplaatsen die periodiek overstromen. Vermesting is in combinatie van vedroging een knelpunt. Herstel is mogelijk door inzet van boomsoorten met een goed verterende bladstrooisel (linde, esdoorn e.d.). In de PAS-gebied-analyse is dit habitattype buiten beschouwing gelaten. De KDWwaarden wordt mogelijk niet overschreden. De depositie is tijdelijk en zeer gering waardoor een significant effect met zekerheid kan worden uitgesloten Habitattype komt voor op hogere delen van de uiterwaarden. Ze verdragen regelmatige overstroming door verrijkt rivierwater, die anderzijds bijdraagt aan voldoende buffering van de pH, Bij niet te extensieve begrazing kan die habitattype in goede kwaliteit worden behouden. Gericht begrazingsbeheer doet een zeer geringe ten tijdelijke Ndepositie teniet. waardoor een significant effect met zekerheid kan worden uitgesloten. de tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol n/ha/ja is zeer gering. Kwaliteitsverlies treedt bovendien op indien de additionele depositie lang d.w.z. meer dan 10 jaar aanhoudt

nee

H6120

Stroomdalgraslanden

10001500 zeer gevoelig

ja

0,01

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

>2000 matig gevoelig

ja

0,01

nee

ja

nee

nee

Natura 2000-gebied 057 Veluwe Het basisalternatief leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Veluwe (tabel 5.3). Hoewel de toename uiterst gering is (0,01 mol N/ha/jaar) en verlies door een toename veelal 37

Sovon-rapport 2020/34

pas na 10 jaar optreedt (Sweco 2020) is deze toename niet verwaarlooswaar. Veel habitattypen en leefgebieden verkeren in een slechte conditie door langjarig te hoge stikstofdepositie. In samenhang met alle andere activiteiten die leiden tot een tijdelijke of permanente toename van stikstofdepositie kan een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van elke toename – hoe gering ook – niet worden uitgesloten. Het basisalternatief is daarmee in de huidige vorm nog niet uitvoerbaar. Het voornemen dient zodanig geoptimaliseerd te worden dat er per saldo geen toename van stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied plaats vindt. Tabel 5.3 Habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Veluwe waar additionele stikstofdepositie plaat vindt, de bijpassende kritische depositiewaarde (KDW) en de beoordeling van het risico op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling c.q. aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

Nr. Lg14

Habitattype of leefgebied (naam) Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

KDW mol N/ha/jr 10001500 zeer gevoelig

L4030 ZgL4030

Droge heide (inc. Zoekgebied)

10001500 zeer gevoelig

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

10001500 zeer gevoelig

Lg13

Bos van arme zandgronden

10001500 zeer gevoelig

H4030

Droge heiden

10001500 zeer gevoelig

ZGLg01

Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop (zoekgebied) Droog struisgrasland

>2000 matig gevoelig

ZGLg13

Bos van arme zandgronden (zoekgebied)

ZGLg14

Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

10001500 zeer gevoelig 10001500 zeer gevoelig

Lg01

Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop

Lg09

10001500 zeer gevoelig

>2000 matig gevoelig

OverMaximale schrijding tijdelijke Kans op bij 2500 bijdrage aantasting mol mol natuurlijke N/ha/jr N/ha/jr Beoordeling kenmerken? ja 0,01 Kwaliteit van dit leefgebied voor Draaihals en Zwarte Specht staat onder druk door verzuring en ja vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Kwaliteit van dit leefgebied voor Boomleeuwerik, Draaihals, Grauwe klauwier, Nachtzwaluw, Roodborsttapuit, Tapuit en ja Wespendief. Kwaliteit staat onder druk door verzuring en vermesting. Significant effect bij toename Ndepositie niet uit te sluiten ja 0,01 Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door ja verzuring en vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Kwaliteit van dit leefgebied van Zwarte Specht en Draaihals staat onder druk door verzuring en ja vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Verbeteropgave in oppervlakte en kwaliteit. Kwaliteit van dit habitattype staat onder druk door ja verzuring en vermesting. Significant effect bij toename N-depositie niet uit te sluiten ja 0,01 Zeer geringe tijdelijke N-depositie kan effect bij dominante hydrologische verbetermaatregelen van leefgebied nee beekprik niet in de weg staan. Significante effecten zijn uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595322/1