Bijlage 2 - Toelichting en regels
Tekst van het document
Er zijn ten behoeven van het verrichten van werkzaamheden in deze halfverharding geen aanvullende veiligheidsmaatregelen conform CROW 400 ten aanzien van asbest en PAK noodzakelijk. Verkennend bodemonderzoek Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie voor het verkennend bodemonderzoek is de NEN 5740/A1 als richtlijn gehanteerd. De onderzoekstrategie is gebaseerd op de doelstellingen van het onderzoek en de resultaten van het vooronderzoek. Hierbij is de onderzoeksstrategie onverdacht (ONV-GR-NL) gehanteerd. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 47.500 m2. In totaal zijn er 21 boringen tot 0,5 m-mv en 4 boringen tot 2,0 m-mv geplaatst. Tevens is gebruikgemaakt van 6 peilbuizen. De conclusies
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
29
die kunnen worden getrokken naar aanleiding van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek zijn als volgt: In de zintuigelijk schone bovengrond ter plaatse van boringen 10, 12 16 en 17 overschrijdt het aangetoonde gehalte van PCB de achtergrondwaarde; In de zwak humeuze bovengrond zijn PFAS aangetoond. Het betreffen PFOA, PFBA en 8:2FTS. De aangetoonde gehaltes liggen boven de bepalingsgrens, maar onder de achtergrondwaarde. De normen voor PFAS voor het toepassen als “klasse Landbouw/natuur” worden niet overschreden. Deze grond kan niet toegepast worden in grondwaterbeschermingsgebieden, tenzij middels gebiedsspecifiek beleid is bepaald dat voor het gebied hogere toepassingsnormen gelden dan de gemeten gehalten in de toe te passen grond; De te verwachten bodemkwaliteitsklasse varieert op de onderzoekslocatie van 'Altijd toepasbaar' tot 'Klasse Industrie'; In het grondwater overschrijden de aangetoonde barium concentraties de streefwaarde. Dit heeft een natuurlijke herkomst; Op de onderzoekslocatie is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Waterbodemonderzoek Overeenkomstig de NEN 5720:2017 en op basis van het vooronderzoek is voor het te onderzoeken gebied de strategie opgesteld.
De te volgen strategie is: “lintvormig water, normale onderzoeksinspanning (LN)”, Voor de lintvormige watergangen zoals sloten, beken en kanalen, worden voor monstervakken tot een lengte van 500 m 10 boringen gezet. Van de afzonderlijke monsters wordt per 1,0 m dikte in het laboratorium een mengmonster van de sliblaag samengesteld. De conclusies die kunnen worden getrokken naar aanleiding van het uitgevoerde waterbodemonderzoek zijn als volgt: Het slib uit monstervak MV01 is toepasbaar als 'landbouw/natuur' op landbodem en 'altijd toepasbaar' in oppervlaktewater. Het slib uit monstervak MV02 (392 m2) is toepasbaar als 'klasse industrie' op landbodem en als 'klasse A' in oppervlaktewater. De vrijkomende baggerspecie van beide monstervakken is verspreidbaar op aangrenzend perceel. Vanwege de aanwezigheid van PFAS in gehalten boven de bepalingsgrens, is de baggerspecie niet toepasbaar in grondwaterbeschermingsgebieden. Algemene aanbevelingen Naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot het aspect bodem kunnen de volgende algemene aanbevelingen worden gegeven: Indien een deel van de vrijkomende grond niet binnen het werk kan worden hergebruikt en elders afgezet dient te worden, is mogelijk een partijkeuring conform BRL 1001 benodigd.
Geadviseerd wordt om rekening te houden met te verwachten bodemkwaliteitsklassen, zoals vastgesteld tijdens onderhavig onderzoek; Indien er grond afkomstig van de locatie elders wordt toegepast, dient dit te gebeuren conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en tijdelijk handelingskader PFAS; De definitieve veiligheidsmaatregelen conform CROW publicatie 400 dienen tijdens het opstellen van het V&G-plan uitvoeringsfase te worden vastgesteld in overleg met een HVK'er. 4.2.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem.
30
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
4.3
Geluid
4.3.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 3: Breedte geluidszones langs wegen Aantal rijstroken Zone breedte 1 of 2 200 meter 3 of meer 350 meter Buiten stedelijk gebied 1 of 2 250 meter 3 of 4 400 meter 5 of meer 600 meter In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Stedelijk gebied
Tabel 4: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied Nieuwe woningen 63 dB Artikel 83, lid 2 Wgh Vervangende nieuwbouw 68 dB Artikel 83, lid 5 Wgh Buiten stedelijk gebied Nieuwe woningen 53 dB Artikel 83, lid 1 Wgh Agrarische bedrijfsbebouwing 58 dB Artikel 83, lid 4 Wgh Vervangende nieuwbouw 58 dB Artikel 83, lid 7 Wgh Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van 63 dB Artikel 83, lid 6 Wgh een autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
31
4.3.2
Onderzoek
De te realiseren bedrijfsgebouwen kunnen niet worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten in de zin van artikel 1 Wgh. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers-, railverkeers- of industrielawaai vanuit de omgeving op de beoogde bebouwing is derhalve niet noodzakelijk. Bedrijven kunnen worden aangemerkt als milieubelastende functies. Het is daarom noodzakelijk om te onderzoeken in hoeverre sprake is van milieuhinder met betrekking tot industrielawaai op omliggende geluidsgevoelige objecten. Hieraan zal aandacht worden besteed in paragraaf 4.4 ('Bedrijven en milieuzonering'). 4.3.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
32
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
4.4.2
Onderzoek
Effecten plangebied op omgeving Binnen het plangebied worden bedrijven mogelijk gemaakt van ten hoogste milieucategorie 3.2. In een rustig woongebied of rustig buitengebied dient hiervoor een richtafstand van 100 meter ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies te worden aangehouden. Gelet op de aanwezigheid van het bestaande deel van bedrijventerrein De Walenhoek en de Rijksweg A15 is echter sprake van gemengd gebied. Aangezien aangenomen wordt dat een gemengd gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustig woongebied worden de richtafstanden van de VNG met één afstandsstap verlaagd. Uit navolgende tabel volgt wat het gevolg hiervan is voor de aan te houden richtafstanden. Tabel 5: Richtafstanden rustig woongebied en gemengd gebied Milieucategorie Richtafstand rustig woongebied (m) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1.000 6 1.500
Richtafstand gemengd gebied (m) 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1.000
Zoals blijkt uit onderstaande tabel is de aan te houden richtafstand voor bedrijven van milieucategorie 3.2 in gemengd gebied 50 meter. De in acht te nemen richtafstanden worden gerespecteerd. Industrielawaai Om vast te stellen of sprake is van mogelijke milieueffecten ten aanzien van het aspect geluid op milieugevoelige functies in de omgeving is door Ingenieursbureau Ulehake een onderzoek milieuzonering uitgevoerd (d.d. 10 februari 2022). Hierin is het stappenplan als beschreven in paragraaf 4.3 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering doorlopen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In het onderzoek milieuzonering is allereerst de indeling van het plangebied bepaald. Uitgegaan is van bedrijven van milieucategorie 3.2 (stap 1). Vervolgens is in beeld gebracht waar in de omgeving van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die geluidgevoelige objecten toelaten het gaat hierbij om een woonbestemming ten zuidwesten van het plangebied en een woonbestemming ten zuiden van het plangebied. In navolgende afbeelding is aangegeven om welke bestemmingen het hierbij gaat.
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
33
Figuur 10: Geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied (in geel; bron: Ingenieursbureau Ulehake/J.C. van Kessel Architectuur B.V).
De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen op een afstand van circa 350 meter van de A15 en zijn daarmee gelegen binnen de geluidzone van een weg. Het geluidproductieplafond (GPP) bedraagt 68,9 dB. Ter plaatse van de beschouwde geluidgevoelige bestemmingen zal de geluidbelasting ten gevolge van de A15 circa 9 dB lager zijn (4 afstandsverdubbelingen) en circa 60 dB bedragen. Op de beoordeelde locaties kan daarom gesteld worden dat er sprake is van het omgevingstype gemengd gebied (stap 2). In onderhavig geval bedraagt de aan te houden richtafstand 50 meter. Ingenieursbureau Ulehake heeft onderzocht in hoeverre voldaan wordt aan deze richtafstand. Hierbij is gevisualiseerd (figuur 10) welke gronden binnen een afstand van 50 meter van de bestemmingen liggen die geluidsgevoelige functies mogelijk maken. De richtafstand tussen de geluidgevoelige bestemmingen en het bedrijventerrein dient ten minste 50 meter te bedragen. Bij de indeling van het beoogde bedrijventerrein is hier rekening mee gehouden. Figuur 10 geeft de ligging van deze zone weer. Binnen 50 meter van de geluidgevoelige objecten vinden geen akoestisch relevante activiteiten plaats. De ontsluiting van het nieuw te realiseren bedrijventerrein zal lopen via het bestaande bedrijventerrein. Een nadere beoordeling van de verkeersaantrekkende werking is niet noodzakelijk.
Geur en stof De bedrijven die de binnen het plangebied op te richten bebouwing willen betrekken zijn Fruity Line en Ojah. Fruity Line produceert vruchtensappen en smoothies. Ojah houdt zich bezig met de productie van vleesvervangende producten. Beide kunnen gezien worden als bedrijven van milieucategorie 3.2. Op grond van onderhavig bestemmingsplan zijn ook maximaal bedrijven van milieucategorie 3.2 toegestaan. In gemengd gebied geldt voor bedrijven van deze milieucategorie een maximale richtafstand geldt van 50 meter.Hoewel voor het deelaspect geur in veel gevallen een kleine richtafstand dient te worden
34
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
aangehouden dan de maximale richtafstand, wordt zorgvuldigheidshalve ook ten aanzien van geur uitgegaan van een maximale richtafstand van 50 meter. Gelet op het type bedrijven dat zich binnen het plangebied wil vestigen kan ten aanzien van het deelaspect stof redelijkerwijs worden uitgegaan van een afstand van 0 meter. Zoals verwoord onder 'industrielawaai' ligt de bestemming 'Bedrijventerrein' beoogd wordt niet binnen een straal van 50 meter van de bestemmingen in de omgeving van het plangebied die milieugevoelige functies toelaat en wordt voldaan aan de richtafstand. Effecten omgeving op plangebied De reden om milieuzonering toe te passen is om een voldoende grote ruimtelijke scheiding aan te houden tussen functies die zich niet verdragen. Aangezien er geen milieugevoelige functie wordt toegevoegd, hoeft geen rekening te worden gehouden met richtafstanden die gelden voor eventuele milieugevoelige functies tot milieubelastende functies binnen en in de omgeving van het plangebied. 4.4.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering. De in acht te nemen richtafstanden worden gerespecteerd.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
35
4.5.2
Onderzoek
NIBM Bepaald dient te worden of projecten die mogelijk worden gemaakt op basis van onderhavig bestemminsplan in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Aangezien er geen sprake is van een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM, is de NIBM-tool toegepast om de effecten van het plan op de luchtkwaliteit te bepalen. Hierbij is uitgegaan van het de toename in verkeersbewegingen als berekend in paragraaf 4.1.2. Voor het jaar van planrealisatie is uitgegaan van het jaar 2023. Aangezien in de systematiek van de NIBM-tool wordt uitgegaan van een 'maximale bijdrage extra verkeer' die elk navolgend 'Jaar van planrealisatie' steeds lager wordt in vergelijking met de voorgaande jaren van planrealisatie, is realisatie in een later jaar niet problematisch. Voor het aandeel vrachtverkeer is uitgegaan van 20%. Dit percentage is gebaseerd op het gegeven dat sprake is van een toename in de verkeersgeneratie van 500 mvt/etmaal werkdag (376 mvt/etmaal weekdag), waarvan 94 mvt/etmaal werkdag (71 mvt/etmaal weekdag) aan vrachtverkeer. De toename vrachtverkeer bedraagt 16% van de toename in de totale hoeveelheid verkeer.
Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer mogelijk niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Om meer inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voor en na realisatie van onderhavig plan is onderzocht of er mogelijkerwijs sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Daarbij is gekeken naar zowel NO2 als naar PM10. De achtergrondwaarden voor onder andere NO2 en PM10 kunnen worden achterhaald aan de hand van de NSL-monitoringstool. Deze waarden zijn vermeld onder 'Aanvaardbaar woon- en leefklimaat'. De achtergrondwaarden voor NO2 en PM10 in bevinden zich ver onder de gestelde grenswaarden/normen. Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld blijven de totale concentraties voor NO2 en PM10 met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor deze stoffen. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.
Hiermee is aannemelijk gemaakt dat de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied zowel voor als na realisatie
36
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
van het plan aanvaardbaar is. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die kunnen bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. Hierbij zijn de waarden van de dichtstbijzijnde rekenpunten als uitgangspunt genomen. Betreffende waarden (voor het jaar 2020) zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 6: waarden Id 685583 691294 720525 736455 Norm
NO2 ìg/m3 19.1 19.1 19.8 18.4 40
PM10 ìg/m3 16.6 16.8 16.7 16.7 40
PM10 PM2.5 overschrijdingsdagen ìg/m3 6.0 9.3 6.0 9.4 6.0 9.3 6.0 9.3 35 25
Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit in het plangebied. Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het tevens onwaarschijnlijk dat de gestelde normen voor NO2, PM10 en PM2.5 zullen worden overschreden na realisatie van de ontwikkelingen waarin voorzien wordt middels onderhavig bestemmingsplan. 4.5.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
4.6
Geur
4.6.1
Toetsingskader
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond: Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad. Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
37
op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Oisterwijk heeft echter geen eigen geurverordening. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv. 4.6.2
Onderzoek
Een object is pas een geurgevoelig object indien aan alle eisen uit artikel 1 Wgv wordt voldaan. Het gaat bij een dergelijk geurgevoelig object om “een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 februari 2013 “dat uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, (…) volgt dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen”. Gelet op het voorgaande zijn de te realiseren bedrijfsgebouwen aan te merken als geurgevoelige objecten, aangezien werknemers hier langdurig in deze bedrijfsgebouwen verblijven. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich, blijkens de kaart 'Veehouderijen in Gelderland' van de Informatievoorziening Gezamenlijke Omgevingsdiensten (I-GO), op circa 600 meter van het plangebied. Het is daarom onaannemelijk dat de geurcontouren van veehouderijen in de omgeving tot over het plangebied reiken. 4.6.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de
38
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief.
Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. 4.7.2
Onderzoek
Volgens de risicokaart en de Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Neder-Betuwe zijn er in de directe omgeving van het plangebied de volgende risico's aanwezig: Aardgastransportleiding (N-574-10-KR); Rijksweg A15; Betuweroute. De afstand van het plangebied tot de aardastransportleiding is ruim 275 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 en het invloedsgebied van deze aardgastransportleiding. Over de A15 en de Betuweroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het volledige plangebied is gelegen binnen zowel het invloedsgebied van de A15 (325 meter op basis van stofcategorie GF3) als het invloedsgebied van de Betuweroute (> 4.000 meter op basis van stofcategorie D4). Het plangebied ligt wel volledig buiten de PR 10-6 risicocontouren van de A15 en de Betuweroute (beide 30 meter conform Regeling basisnet). Rijksweg A15 Plaatsgebonden risico Het plangebied is gelegen aan wegvak G16 met naam A15: afrit 34 (Echteld) – knp. Valburg. Plasbrandaandachtsgebied Bij dit wegvak is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied betreft een zone van 30 meter vanaf de buitenste kantstrepen. Het plangebied ligt buiten dit plasbrandaandachtsgebied. Er zijn geen bijzonderheden voor dit wegvak.
Groepsrisico Bij nieuwe ontwikkelingen binnen 200 meter van de A15 moet het groepsrisico onder bepaalde omstandigheden verantwoord worden, als het groepsrisico toeneemt en/of boven een bepaalde waarde
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
39
uitkomt. Het groepsrisico van de A15 wordt bepaald door het transport van stofcategorie GF3 (brandbaar gas). Het voor de gemeente Neder-Betuwe relevante deel van de A15 loopt grotendeels door landelijk dunbevolkt gebied. Binnen een afstand van 200 meter van de buitenrand van de A15 (het voor groepsrisicoberekeningen meest relevante gebied) zijn slechts enkele (geprojecteerde) objecten gelegen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico vanwege dit deel van de A15 relatief gering of verwaarloosbaar klein is. Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In de beleidsvisie externe veiligheid gemeente Neder-Betuwe is opgenomen dat wanneer ontwikkelingen plaatsvinden binnen de toetsingszone van 200 meter van de A15 verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden en dat (steden)bouwkundige maatregelen in overweging worden genomen. In de subparagraaf Verantwoording groepsrisico zal deze verantwoording plaatsvinden. Betuweroute Plaatsgebonden risico De betreffende route ter hoogte van het plangebied betreft route 202 (Betuweroute, Meteren – Emmerich (Duitsland)). Het gaat om trajectnummer M met begincoördinaten 149263 : 430240 en eindcoördinaten 169821 : 437332. Er geldt voor dit stuk spoorweg een plaatsgebonden risico van 30 meter. Het plangebied ligt niet binnen deze 30 meter.
Plasbrandaandachtsgebied Bij dit traject is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied betreft een zone van 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel. Het plangebied ligt buiten dit plasbrandaandachtsgebied. Er zijn geen bijzonderheden voor dit traject. Groepsrisico In de huidige situatie wordt voor de Rijksweg A15 het maximale groepsrisico gevonden bij 83 slachtoffers met een frequentie van 1,1 x 10-7. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Rapportage kwantitatieve risicoanalyse (QRA). In de beoogde situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 43 slachtoffers met een frequentie van 1,6 x 10-6. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden, maar het groepsrisico ligt wel boven 0,1 keer de oriëntatiewaarde.Het groepsrisico neemt toe met meer dan 10% (0,00008 naar 0,00294). Het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe ligt bijna in zijn geheel binnen het zeer grote invloedsgebied van de Betuweroute. In de huidige situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 83 slachtoffers met een frequentie van 1,1 x 10-9. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. In de beoogde situatie wordt het maximale groepsrisico gevonden bij 93 slachtoffers met een frequentie van 3,3 x 10-8. Het groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico neemt toe met meer dan 10% (0,00001 naar 0,00028). Het groepsrisico neemt in de nieuwe situatie toe ten opzichte van het groepsrisico in de bestaande situatie. Op basis van artikel 8 van het Bevt is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig, omdat het groepsrisico ten gevolge van zowel de Rijksweg A15 als de Betuweroute door het plan toeneemt met meer dan 10%. Voor de Rijksweg A15 komt het groepsrisico daarbij boven 0,1 maal de oriëntatiewaarde te liggen. 4.7.3
Verantwoording groepsrisico
Er is door Adromi B.V. een handreiking opgesteld tot verantwoording van het groepsrisico (d.d. 7 december 2022). Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. In de navolgende alinea's worden de belangrijkste elementen uit de verantwoording uitgelicht. De volgende conclusies zijn getrokken over het groepsrisico: Het groepsrisico vanwege de A15 en de Betuweroute neemt vanwege de geplande ontwikkeling toe. Adequate preventiemaatregelen, zoals het afsluitbare ventilatiesysteem, dienen te worden toegepast in de nieuwbouw. De juiste bestrijdingsmiddelen, blusmiddelen en bluswatervoorzieningen dienen beschikbaar en goed bereikbaar te zijn. Het plangebied is goed bereikbaar vanuit verschillende windrichtingen.
40
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
Adequate risicocommunicatie dient ingezet te worden ter bevordering van het zelf reddende gedrag. Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings -en alarmeringssysteem). Dit biedt de mogelijkheid de aanwezigen tijdig te waarschuwen. De medewerkers en bezoekers kunnen het plangebied goed ontvluchten vanuit verschillende windrichtingen. Op basis van de genoemde maatregelen kan de geplande ontwikkeling als planologisch verantwoord worden beoordeeld. De Brandweer Gelderland-Zuid heeft op 21 februari 2023 advies uitgebracht over het bestemmingsplan. In dit advies wordt ingegaan op de maatgevende scenario's voor de Rijksweg A15 en de Betuweroute, de bestrijdbaarheid, maatregelen ter beperking van de gevolgen van toxische scenario's en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. De Brandweer Gelderland-Zuid concludeert dat het aspect externe veiligheid relevant is. Verder wordt geconcludeerd dat het aan het bevoegd gezag is om een afweging te maken over van het aanwezige (rest)risico of anderzijds maatregelen te treffen waardoor het groepsrisico afneemt. Mochten er (ruimtelijke)maatregelen worden doorgevoerd, dan dient er wel een nieuwe berekening te worden opgesteld om deze maatregelen te toetsen. Voor het volledig advies wordt verwezen naar de bijlagen. 4.7.4
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water stelt waterkwaliteitseisen die door EU-lidstaten moeten worden geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving. De Kaderrichtlijn water verplicht tot het garanderen, het beschermen en, waar noodzakelijk, verbeteren van waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. Hierbij wordt een onderscheid aangebracht tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand. Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen.
Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 november 2022 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland het
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
41
'Waterbeheerprogramma 2022-2027' goedgekeurd. Hierin staat beschreven wat het Waterschap Rivierenland binnen de planperiode (2022-2027) wil bereiken. Ook wordt ingegaan op met wie, hoe en waarom het waterschap deze doelstellingen wil bereiken. Keur Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. 4.8.2
Onderzoek
BOOT heeft in het kader van onderhavig bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste elementen uit de waterparagraaf zijn opgenomen in onderstaande alinea's. Toename verhard oppervlak en wateropgave BOOT heeft inzichtelijk gemaakt hoeveel verhard oppervlak er op dit moment binnen het plangebied aanwezig is en hoe groot de hoeveelheid verhard oppervlak is in de toekomstige situatie. Een overzicht van de huidige verhardingen binnen het plangebied is opgenomen in de navolgende tabel: Tabel 7: Overzicht oppervlakken huidige situatie
42
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
Een overzicht van de toekomstige verhardingen is opgenomen in de navolgende tabel: Tabel: Overzichte oppervlakken toekomstige situatie In de huidige situatie is binnen het plangebied 8.473 m2 aan verharding aanwezig. In de toekomstige situatie zal de totale hoeveelheid verharding 39.061 m2 bedragen. Dit betekent dat sprake is van een toename in verhard oppervlak van in totaal 30.588 m2. Daarnaast is een deel van huidige verharde oppervlak nog niet vergund. De verharding is aangebracht in 2011 en in 4.128 m2. Totaal te compenseren verhard oppervlak komt daarmee op 34.716 m2. Om de huidige afvoersituatie ter plaatse van het plangebied niet te verslechteren wordt voor de toename van verhard oppervlak watercompensatie gerealiseerd. Met een toename van 34.716 m² aan verhard oppervlak is de compensatieopgave als volgt: T=10+10% (34.716 m² x 436 m³/ha =) 1.514 m³ T=100+10% (34.716 m³ x 664 m³/ha =) 2.305 m³ Naast de compensatie voor de toename van verharding dient ook het water dat gedempt wordt 1 op 1 gecompenseerd te worden. Dit water mag dan ook niet benut worden voor de compensatie van toename van verharding. De bestaande A-watergang (214804) centraal door het plangebied wordt gedempt en verlegd naar de westzijde van het plangebied. Deze watergang heeft op de waterlijn een oppervlak van 615 m².
Daarnaast wordt een gedeelte van watergang 220036, welke aan de noordelijke zijde van het plangebied gelegen is, overkluisd ten behoeve van een nieuwe toegangsweg met nieuwe duiker. Hierdoor zal op de waterlijn 26 m² gedempt worden. Tot slot wordt ten behoeve van de ontwikkeling van Fruity Line (ten noordoosten van het plangebied) een ontwikkeling gedaan. Hierbij wordt een deel van het oppervlaktewater gedempt, wat ook meegenomen dient te worden in deze berekening. Dit betreft een oppervlak van 140 m² op de waterlijn. De wateroppervlakken die gedempt worden zijn weergegeven in de figuur. Een toelichting op de waterbergingsopgave die hiermee verdwijnt, is opgenomen in navolgende tabel: Tabel 8: Overzicht te dempen oppervlaktewater
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
43
De compensatie van het verhard oppervlak, samen met de compensatie van de demping van het oppervlaktewater, betekent dat onderstaande berging benodigd is: • T=10+10%: (1.514 m³ + 261 m³ =) 1.775 m³ • T=100+10%: (2.305 m³ + 1.038 m³ =) 3.343 m³ Waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van de realisatie van (de uitbreiding van) oppervlaktewater. Hierbij wordt A-watergang (214804) gedempt en naar de westelijke zijde verplaatst. De westelijke B-watergang (102914) wordt hierbij uitgebreid en krijgt zowel een A- als een B-status. Dit betekent dat de watergang gedeeltelijk door het waterschap wordt onderhouden, maar dat ook de grondeigenaar onderhoud dient te plegen. Om te voorkomen dat een doodlopend watersysteem ontstaat wordt aan de zuidelijke zijde van het plangebied een A-watergang gerealiseerd waar het hemelwater vanaf het noorden op de Linge (verder naar het westen) af kan wateren. Hier blijft de bestaande stuw op de Linge gehandhaafd.
Figuur 11: Overzicht statussen toekomstige watergangen
Er is een overzicht gemaakt van de waterbalans ten aanzien van de compensatieopgave en de voorziene
44
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
toekomstige wateroppervlakken. Dit overzicht is weergegeven in de navolgende tabel: Tabel 9: Overzicht te realiseren waterberging
Op basis van de benodigde en aanwezige waterberging in het oppervlaktewater betekent dit dat bij een T=10+10% (1.890 m³ - 1.775 m³ =) 115 m³ berging over is. Bij een T=100+10% is dit (6.611 m³ - 3.343 m³ =) 3.268 m³. Dit betekent dat met de uitbreiding van het oppervlaktewater in het plangebied ruim voldoende waterberging wordt gerealiseerd voor de toename van verhard oppervlak door de ontwikkeling en voor het verhard oppervlak wat na 2011 nog niet gecompenseerd is. Ook wordt het dempen van de watergang ter hoogte van Fruity Line ten noordoosten van het plangebied gecompenseerd in de toename van wateroppervlak. Vuilwater Het vuilwater dient onder vrijverval aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering rondom het plangebied. Aan de oostelijke zijde van het plangebied is een vuilwaterstelsel gelegen waarop aangesloten wordt. Op basis van de hoogteligging van de bestaande riolering en de toekomstige (toename van) de afvalwaterproductie dient bepaald te worden of afwatering onder vrijverval mogelijk en of in het ontvangende vuilwaterstelsel voldoende ruimte beschikbaar is. Grondwater Op basis van de grondwaterstand is onvoldoende ontwatering aanwezig voor de nieuwbouw. Geadviseerd wordt de aanleghoogte van de nieuwbouw af te stemmen met de reeds aanwezige bedrijfshallen, de bouwwijze hierop aan te passen en eventueel drainage toe te passen.
Met de toekomstige situatie is de verwachting dat de realisatie niet voor een verandering van de grondwaterstand gaat zorgen. De locaties bevinden zich niet binnen een grondwaterfluctuatiezone en dus is de verwachting dat er geen sprake zal zijn van grondwateroverlast. Oppervlaktewater In verband met het toepassen van compensatiemaatregelen is geen sprake van negatieve effecten op oppervlaktewateren. 4.8.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect water.
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
45
4.9
Ecologie
4.9.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
46
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2
Onderzoek
Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn 'Rijntakken' en 'Veluwe'. Deze gebieden bevinden zich op respectievelijk 1,3 kilometer en 10,2 kilometer van het plangebied. Indien sprake zou zijn van een extern effect op betreffende gebieden, dan betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen met AERIUS worden uitgesloten. Voor de stikstofberekeningen en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea is een beschrijving gegeven van de conclusies uit deze toelichting. Voor dit plan wordt gebruik gemaakt van intern salderen. Intern salderen is, na de uitspraak van de Raad van State inzake de Logtsebaan, vergunningsvrij. De berekening van de beoogde gebruiks- en aanlegfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Het projecteffect van de aanleg- en gebruiksfase bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar.
Voor de gebruiksfase geldt dat de bedrijfsbebouwing niet mag worden aangesloten op een gastransportnet of een andere aansluiting waardoor (aard)gas kan worden toegepast. Daarnaast geldt dat de verkeersaantrekkende werking van de bedrijfsactiviteiten binnen de bestemming Bedrijventerrein ten hoogste 1.207 verkeersbewegingen per etmaal, waarvan ten hoogste 233 vrachtautobewegingen per etmaal mogen bedragen en mobiele werktuigen en installaties uitsluitend elektrisch mogen worden voortgedreven. Derhalve kan worden gesteld dat significant negatieve effecten binnen omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten van de provincie Gelderland hebben in dat kader het Gelders Natuurnetwerk (GNN) aangewezen in de Omgevingsverordening Gelderland. Gelet op artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingsverordening Gelderland gaat er geen externe werking uit van het GNN. Uit de kaart 'Regels Natuur – kaart 1', behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland, volgt dat het
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
47
plangebied niet gelegen is binnen het GNN. Een uitsnede van betreffende kaart is opgenomen in onderstaande figuur. De afstand tot het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN is circa 1.250 meter.
Figuur 12: Uitsnede kaart 'Regels Natuur – kaart 1', behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland (ligging plangebied aangegeven met rode marker; bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Soortenbescherming Vos Natuurbeheer heeft in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen een natuurtoets uitgevoerd (d.d. 13 september 2022). Voor de volledige natuurtoets wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste elementen uit de natuurtoets zijn opgenomen in de navolgende alinea's. Het doel van de natuurtoets was inzichtelijk te maken of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk negatieve effecten hebben op beschermde natuurwaarden. In het kader van dit onderzoek is het onderzoeksgebied op vrijdag 28 januari 2022 bezocht door een ecoloog van Vos Natuurbeheer. Tijdens dit bezoek is er gekeken naar het mogelijk voorkomen van beschermde soorten. Naast de quickscan is er naar aanleiding van het bezoek van 28 januari een aanvullend onderzoek uitgevoerd op donderdag 3 maart 2022 naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper. Er heeft tevens een bureaustudie plaatsgevonden. In 2019 is er in het kader van een eerdere uitbreiding een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar kleine marterachtigen, steenmarter en sperwer. Nadat bleek dat zowel de steenmarter als de wezel en de sperwer binnen het plangebied aanwezig waren, is een ontheffing aangevraagd en verleend met betrekking tot deze soorten. Er zijn destijds mitigerende maatregelen genomen teneinde en vaste rusten verblijfplaats te garanderen voor de wezel en de steenmarter.
In het kader van de in 2022 uitgevoerd natuurtoets zijn deze mitigerende maatregelen gemonitord. Vervolgens is bepaald of er op grond van de Wet natuurbescherming nog een aanvullende (natuur)toestemming nodig is. Uit de natuurtoets is naar voren gekomen dat er geen negatieve effecten op beschermde soorten optreden. De mitigerende maatregelen die zijn getroffen in het kader van de ontheffing uit 2019 zijn
48
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
echter niet meer aangetroffen. Uitvoering van het plan staat de realisatie van deze mitigerende maatregelen in de weg. Om die reden wordt er een (nieuw) mitigatieplan opgesteld. Het voorstel van Vos Natuurbeheer is om de mitigerende maatregelen te realiseren ter plaatse van de nog aan te leggen groenstrook rondom de nieuwe bebouwing. Er zal tevens een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. De aanleg van de groenstrook zal ecologisch worden begeleid door Vos Natuurbeheer. Er is een verlenging en een wijziging van de huidige ontheffing (zaaknummer 2019-010107) aangevraagd. De wijziging van de ontheffing heeft betrekking op de mitigerende maatregelen. De provincie Gelderland zal naar aanleiding van deze aanvraag een besluit nemen. Hierbij zal de provincie tevens moeten bepalen of nader onderzoek naar de sperwer noodzakelijk is. Voor de sperwer zijn namelijk geen alternatieve nestgelegenheden toegepast. Wel zijn er gebieden aangewezen die ter mitigatie dienden als nestgelegenheid voor de sperwer. Eén van deze gebieden wordt bij de nieuwe ingreep vernietigd. De overige gebieden zullen blijven voortbestaan. De provincie zal moeten oordelen of deze overige gebieden zullen onderzocht moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van sperwernesten. 4.9.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologi
4.10
Archeologie
4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
49
4.10.2 Onderzoek Op grond van de 'Parapluregeling Archeologie' is het gehele plangebied bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Voor het overgrote deel van het plangebied, met uitzondering van het noordoostelijke deel, gaat het hierbij om de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Het noordoostelijke deel van het plangebied is bestemd met de bestemming 'Waarde – Archeologie 1'. Verder geldt op grond van de 'Parapluregeling Archeologie' voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone – aangetast'. Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Voor gronden met deze bestemming gelden de volgende bouwregels: 4.2 Bouwregels Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits: a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of, b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of, c.
het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 1.000 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld. Ook gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Hiervoor gelden de volgende bouwregels: 3.2 Bouwregels Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits: a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of, b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of, c. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 100 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.
Bij de bestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2' kan blijkens de leden 3.4.1 en 4.4.1 worden afgeweken van de bouwregels indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Daarnaast geldt voor een groot deel van het plangebied de aanduiding 'overige zone – aangetast'. Deze aanduiding is relevant in het kader van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden. Het uitvoeren van betreffende werkzaamheden is verboden. Voor een overzicht van om welke werken en werkzaamheden het hierbij gaat wordt verwezen naar lid 3.5.1 en lid 4.5.1 van de 'Parapluregeling Archeologie'. Indien de gebiedsaanduiding 'overige zone – aangetast' van toepassing is,
50
Bestemmingsplan "Uitbreiding bedrijventerrein De Walenhoek" (ontwerp)
geldt dit verbod ingevolge lid 4.5.2 van deze parapluregeling niet voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld. In verband met de archeologische dubbelbestemmingen die van toepassing zijn op het plangebied en de hoge archeologische verwachtingswaarde die voor bijna het gehele plangebied is opgenomen op de 'Archeologische beleidskaart Neder-Betuwe, gebied West' is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie uitgevoerd voor het plangebied. Voor het volledige onderzoeksrapport (d.d. 18-03-2022) wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste aspecten uit dit onderzoek worden beschreven in onderstaande alinea's. Het bureauonderzoek wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4002. Tijdens het bureauonderzoek is door de bestudering van de beschikbare bronnen kennis vergaard omtrent de bodem en geologie van het onderzoeksgebied en de in en rondom het plangebied aanwezige bekende en te verwachten archeologische waarden. Op basis hiervan is op het schaalniveau van het plangebied een locatie specifiek verwachtingsmodel geformuleerd. Uit de bureaustudie volgt dat op vanwege de vormingsgeschiedenis van de stroomgordel van Westerveld binnen het plangebied rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van resten van bewoning vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd.
Ook op basis van bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het onderzoeksgebied (cirkel van een straal van 1 kilometer rond het plangebied) moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Voor bewoningsresten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt een lage verwachting omdat het plangebied in deze perioden uit landbouwpercelen bestond. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 32 boringen gezet in een dichtheid van tien boringen per hectare. Deze aanpak voldoet als karterend booronderzoek om door een archeologische laag gekenmerkte vindplaatsen uit de periode bronstijd tot middeleeuwen met een grootte van 500 tot 2000 vierkante meter, in klei op te sporen en bij gebruik van een megaboor tevens om door een vondststrooiing van overwegend aardewerk gekenmerkte vindplaatsen met de omvang van een dorp op te sporen. Binnen het plangebied zijn geen archeologische resten aangetroffen die op bewoningsactiviteiten binnen het plangebied wijzen. Wel is in enkele boringen een zeer zwak ontwikkelde vegetatiehorizont aangetroffen. Ondanks de zorgvuldige inspectie hiervan, zijn hierin geen archeologische indicatoren aangetroffen.