Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan 'IJzendoorn, Keizerstraat 24'
Tekst van het document
In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek Voorliggend plan maakt vijf woningen mogelijk binnen de huidige woonomgeving wat geluidgevoelige bebouwing (functie) is. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in een aandachtsgebied. Het betreft een locatie die is gelegen tussen bestaande woningen langs de openbare weg, waardoor deze woningen een afschermende werking hebben. De Keizerstraat, de Dorpsstraat en de Cockenhofstraat zijn geen drukke wegen waardoor onderzoek niet nodig is. Daarnaast geldt dat de nieuwbouwwoningen ten aanzien van het binnenniveau moeten voldoen aan de wetgeving.
4.8
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
29
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld dat er in de directe omgeving geen inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
30
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Op ca. 1.400 meter, in westelijke richting, van het plangebied loopt een buisleiding. Hiermee ligt het plangebied ver buiten het invloedsgebied van deze leiding. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een inrichting. Het invloedsgebied van deze inrichting ligt op de aangeduide grens. Hiermee valt het plangebied ver uit het invloedsgebied van de desbetreffende inrichting. Ten zuiden van het plangebied ligt op 1.130 meter afstand de Waal. De plaatsgebonden risicocontour van deze transportroute voor gevaarlijke stoffen reikt tot aan de oevers van de Waal. Daarnaast is de ligging van transportroutes van belang. Ten noorden van het plangebied liggen op ca. 1.500 meter de A15 en de Betuweroute. Dit zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De plaatsgevonden risicocontour van de A15 en de spoorlijn geldt voor 30 meter rond deze infrastructuur, waarmee geconcludeerd wordt dat het plangebied op een ruimschoots afdoende afstand is gelegen. Een nadere verantwoording kan hierdoor achterwege blijven.
4.9
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: 7. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 8. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 9. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of 10. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.
Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat. Planspecifiek In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.
4.10
Explosieven
In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
31
Planspecifiek Voor de gehele gemeente is een bureauonderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend plan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd.
4.11
Conclusie veilige en gezonde fysieke leefomgeving
De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige fysieke leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Ten aanzien van geur geldt dat er wel een overschrijding is van de norm uit artikel 3 onder a van de Verordening geurhinder en veehouderij 2011, maar niet van de wettelijk gestelde norm. Het is dan ook mogelijk om hier gemotiveerd een andere/soepelere geurnorm op te nemen.
Gezien de overige aspecten en het belang van woningbouw in IJzendoorn, is ervoor gekozen om de geurnorm die wordt overschreden in dit plan bij te stellen naar de grenswaarde van 5,3 respectievelijk 5,8 ouE/m3 zoals die uit de onderzoeken aanvaardbaar blijkt en deze binnen de grenswaarde uit de wet blijft. Dat is dan ook als omgevingswaarde in dit plan geregeld en vastgelegd. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
32
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet de bouw van vijf nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Uit jurisprudentie blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend initiatief blijft hier qua aantal ruim onder, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
33
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap De Keizerstraat is een cultuurhistorisch waardevolle route met eraan beeldbepalende woningen met doorzichten naar het buitengebied. De nieuwe woningen worden achter op het perceel gerealiseerd, ter plaatse van de te slopen bijgebouwen, in de vorm van een boerenerf. Hiermee wordt het aangezicht van de bestaande woning aan de Keizerstraat niet belemmerd. Daarbij, er worden met voorliggend plan geen doorzichten onderbroken. De aanwezige waarden worden hierdoor niet geschaad of belemmerd. Archeologie In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 100 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld.
Met het voorliggende initiatief wordt deze drempelwaarde overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom nodig. De onderzoeksrapportage is onder de voorheen gelden wetgeving uitgevoerd en is opgenomen in bijlage 8. De conclusies van dit onderzoek zijn onder de huidge wetgeving niet anders dan onder de voorheen gelden wetgeving en daarom nog steeds actueel. Uit het onderzoek is op te maken dat er zich in het plangebied indicatoren bevinden die duiden op de aanwezigheid van archeologische informatie en waardes. Het is gebruikelijk een bufferzone van minimaal 30 cm tussen diepte verstoring en top archeologisch niveau aan te houden ten behoeve van een behoud van eventuele vindplaatsen. Om die reden adviseert het onderzoek van een archeologisch vervolgonderzoek af te zien als bodemingrepen beperkt blijven tot 5,53 m+NAP. Bij de bouw van de woningen wordt het plangebied opgehoogd waardoor de fundering van de woningen maximaal tot een diepte reikt van 5,55 m+NAP. Hiermee blijft de fundering boven de gestelde grenswaarde, inclusief bufferzone. De palenrijen zullen op een afstand van meer dan 4 m van elkaar gesitueerd worden, waarbij gefundeerd wordt met het minimaal constructief benodigd aantal palen. Verder zal gebruik gemaakt worden van grondvervangende palen ten einde het behoud in situ zo veel mogelijk veilig te stellen.
Namens de gemeente is de regioarcheoloog akkoord met de resultaten en conclusies van het onderzoek. Het besluit is genomen om het selectieadvies in zijn geheel over te nemen.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
34
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd onder de voorheen gelden wetgeving. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. De conclusies van het uitgevoerde onderzoek zijn ook op grond van de huidige wetgeving actueel. Hieruit blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Voor de huismus wordt aangegeven dat deze is waargenomen in de directe omgeving en dat het plangebied geschikte broedplekken biedt. Er is dan ook aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de huismus in de vorm van een technische inspectie. Deze is opgenomen in bijlage 10. Op basis van de technische inspectie is gebleken dat in de geïnspecteerde schuren geen nestlocaties aanwezig zijn van de huismus.
De beoogde sloop leidt derhalve niet tot overtreding van de wet- en regelgeving. Dat neemt niet weg dat altijd de zorgplicht in acht moet worden genomen.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
35
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca 300 m ten zuiden van het plangebied ligt het Natura2000-gebied 'Rijntakken'. Ten behoeve van voorliggend plan is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd met behulp van de meest recente Aeriuscalculator. Deze is opgenomen in bijlage 11. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd, neemt de stikstofdepositie niet toe. Er is dan ook geen sprake van mogelijk negatieve effecten op beschermde Natura2000-gebieden.
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De Nota Parkeernormen is de nota waaraan de parkeerbehoefte moet voldoen. Uitgangspunt hierbij is dat parkeren op eigen terrein wordt gerealiseerd. Planspecifiek Verkeersaantrekkende werking Het initiatief betreft de realisatie van vijf woningen in het middensegment. De verkeersaantrekkende werking neemt door het voorliggende initiatief marginaal toe met ca 40 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe woningen worden ontsloten op de Keizerstraat. Deze weg heeft voldoende capaciteit om deze (beperkte) toename aan verkeersbewegingen op te vangen. Parkeerbehoefte Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied toe.
In de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente Neder-Betuwe. Voor een rijwoning binnen de bebouwde kom in de gemeente Neder-Betuwe geldt een parkeernorm van 2,4. Er worden drie rijwoningen gerealiseerd wat neerkomt op het realiseren van 7,2 parkeerplaatsen. Voor de twee-onder-1 kapwoningen geldt een parkeernorm van 2,6. Er worden twee woningen gerealiseerd als twee-onder-1 kapper wat neerkomt op het realiseren van 5,2 parkeerplaatsen. Voor de bestaande vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen. In totaal is het benodigd aantal parkeerplaatsen in het plangebied 15,1. De volle parkeercapaciteit bij een woning wordt over het algemeen niet gebruikt. Met behulp van parkeerkencijfers uit de CROW wordt dan ook bepaald hoeveel plaatsen geteld mogen worden bij een woning. Op grond daarvan kan gesteld worden dat er 19,4 parkeerplaatsen nodig zijn. Op het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 is te zien dat er 21 parkeerplekken worden gerealiseerd. Daarmee is er voldoende ruimte voor parkeren opgenomen en wordt voldaan aan de wet- en regelgeving.
36
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er in het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt.
Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe. Echter geldt de toename voor de gehele omgeving. Voorliggend plangebied blijft in de toekomstige situatie voor een groot deel onverhard waardoor water in de bodem kan infiltreren. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de nieuwe woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarnaast wordt het plangebied rondom de nieuwbouw zo groen mogelijk ingericht. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat er in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden blijft bij langdurige droogte in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied op enige afstand tot het grote water de Waal ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
37
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
6.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
6.3
Toepassingsbereik TAM omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een titel met nummer voor dit plan wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden (binnen het omgevingsplan) ook de regels uit de Bruidsschat en voorkomende verordeningen. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.
6.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functies: Groen - Landelijk groen Binnen deze functie zijn groenvoorzieningen toegestaan. Deze groenvoorziening bestaat reeds en waarborgt het groene aanzicht vanaf de openbare weg. Binnen deze functie is de beoogde wadi aangeduid.
38
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Wonen Binnen de functie Wonen zijn de huidige en nieuw te realiseren woningen met bijbehorende bouwwerken toegestaan. De daarbij behorende bouwregels geven het stedenbouwkundige kader. Binnen de functie wonen is het verplicht om voldoende parkeerplaatsen te realiseren conform het gemeentelijk beleid en dient het geheel landschappelijk te worden ingepast conform het bijgevoegde inrichtingsplan en beplantingsplan. Vangwege de nabijgelegen niet-grondgebonden veehouderij is een aangepaste omgevingswaarde voor geur opgenomen. Waarde - Archeologie 1 en 2 Deze dubbelfuncties zijn opgenomen om eventueel aanwezige archeologische waarden in de ondergrond te beschermen.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
39
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
Participatie
Inspraak Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht door middel van keukentafelgesprekken. Tijdens deze gesprekken zijn de tekeningen gedeeld. De reacties zijn veelal positief. Algemene reactie van de omgeving is dat de nieuwe woningen, opgezet vanuit het boerenerf principe, wordt gewaardeerd. Tevens het herstelde aanzicht van de weide, gecombineerd met hoogstam fruitbomen en het handhaven van de bestaande hagen wordt gewaardeerd. Opmerkingen die zijn gemaakt over het behoud van de zichtlijnen en de hoogstamboomgaard zijn meegenomen en verwerkt in het inrichtingsplan. Het gebruik van de bestaande inrit is voor velen een pre. Het verslag van de omgevingsdialoog is in het kader van de AVG separaat verzonden aan het bevoegd gezag. Voor toekomstige bewoners geldt dat deze actief worden geïnformeerd over de aangepaste geurnorm op deze locatie. In de voorbereiding van de plannen is het waterschap Rivierenland gevraagd mee te denken en advies te geven op de waterparagraaf en daarmee de wateropgave. Daarin is aangegeven dat de berekening van de compensatie juist is toegepast en is gevraagd naar de technische maatregelen. Op het moment dat de plannen technisch uitgewerkt kunnen worden, worden de eisen en richtlijnen van het waterschap daarin betrokken.
Zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbesluit en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
7.2
Kostenverhaal
Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.
40
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlagen bij de toelichting
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
41
Bijlage 1
Inrichtingsplan
42
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 2
Beplantingsplan
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
43
Bijlage 3
Beeldkwaliteitskader
44
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 4
Digitale watertoets
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
45
Bijlage 5
Bodemonderzoek
46
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 6
Geuronderzoek
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
47
Bijlage 7
Notitie geur - herontwikkeling Keizerstraat 24
48
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 8
Archeologisch onderzoek
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
49
Bijlage 9
Quick scan flora en fauna
50
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 10
Technische inspectie huismus
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
51
Bijlage 11
Voortoets stikstofdepositie
52
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Regels
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
53
54
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Neder-Betuwe Dit plan wijzigt het omgevingsplan Neder-Betuwe in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe een hoofdstuk 22b wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan Neder-Betuwe. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b.' gelezen worden. 1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
1.4 Verwijzing naar verbeelding De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1.
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 van toepassing verklaring Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan. 2.2 aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.53 gehanteerd. 2.3 plan Het TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe) met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 van de gemeente Neder-Betuwe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
55
2.5 aanbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is; 2.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.9 bebouwingspercentage het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 2.10 bed & breakfast: een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt.
Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 2.11 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 2.12 bedrijfs-/dienstwoning: een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is; 2.13 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten; 2.14 begane grondbouwlaag: de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 2.15 bestaand: bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit hoofdstuk bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouw- of omgevingsvergunning; bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit hoofdstuk bestond; 2.16 boomkwekerij: het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters; 2.17 bos: elk terrein waarop bosbouw wordt
uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie; 2.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.19 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
56
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.20 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m; 2.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.22 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 2.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.24 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.25 bouwwijze: de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij wordt verstaan onder: a.
aaneengebouwd: bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen; 2.26 carport: een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak; 2.27 gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.28 huishouden: één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 2.29 internetverkoop detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt; 2.30 kantoor: een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie; 2.31 kamer: een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 2.32 kamerbewoning; bewoning van een kamer; 2.33 kap: een geheel of gedeeltelijke niet horizontale
dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°; 2.34 kelder: een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein; 2.35 luifel: afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund;
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
57
2.36 maatschappelijk: voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier; 2.37 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 2.38 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie; 2.39 ondergronds: onder peil; 2.40 ondergeschikte detailhandel: detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt en gerelateerd is aan de hoofdfunctie en waarbij geen specifieke inrichting voor de detailhandelsfunctie is toegestaan; 2.41
ondersteunende horeca: een horecavoorziening behorende bij een functie anders dan horeca, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren; 2.42 overbouwing: een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein;
2.43 overkapping: bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand; 2.44 plat dak: een dak met een dakhelling van minder dan 15º; 2.45 publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan; 2.46 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
58
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.47 uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap; 2.48 voorgevel: de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 2.49 voorgevelrooilijn: de lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel); 2.50 voortuin: het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de voorgevelrooilijn(en); 2.51 wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.52; 2.52 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 2.53 zijtuin: het bij de woning behorende perceelsgedeelte, dat is gelegen naast de zijgevel, tussen de voor- en achtergevelrooilijn, indien het perceelsgedeelte niet reeds is aangemerkt als voortuin;
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
3.1 Meetbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen: 3.2 afstand van een gebouw tot de perceelsgrens de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens; 3.3 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.6 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein;
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
59
3.8 peil de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. 3.9 toepassing van maten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
60
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Specifieke regels over functies Groen - Landelijk Groen
4.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Groen - Landelijk Groen. 4.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel 'Groen – Landelijk Groen' heeft de volgende functies: a. grasvelden; b. weilanden met voorzieningen; c. evenementen; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - waterberging' een wadi; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. in- en uitritten en parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen. 4.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 4.3.1 In- en uitritten De gronden mogen alleen worden gebruikt voor bestaande in- en uitritten. 4.3.2 Parkeervoorzieningen De gronden mogen alleen worden gebruikt voor bestaande parkeervoorzieningen. 4.4 Gebruiksactiviteit - verboden 4.4.1 Algemeen a. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden. b. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 4.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 4.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit 4.5.1 In- en uitritten a.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van een nieuwe inen uitrit. b. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de nieuwe in- en uitrit geen onevenredige aantasting van de groenstructuur betekent. 4.5.2 Parkeervoorzieningen a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van een nieuwe parkeervoorziening. b. De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de nieuwe parkeervoorziening geen onevenredige aantasting van de groenstructuur betekent. 4.6 Bouwactiviteiten - beoordelingsregels 4.6.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
61
a. b.
bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2; alleen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.
4.6.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 12 m2; b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.6.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; c. de bouwhoogte van erf-/ terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m achter (het verlengde van de) voorgevel en niet meer dan 1 m voor (het verlengde van) de voorgevel; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.7.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; 4.7.2 Uitzondering omgevingsvergunning Een vergunning als bedoeld in 4.7.1 is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b.
werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; c. als een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.5.1 en of 4.5.2 is verleend. 4.7.3 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.7.1 wordt slechts verleend, indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige groenstructuur.
Artikel 5
Wonen
5.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 5.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 5.3.1; c. nutsvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
62
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. 5.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 5.3.1 Niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c. degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning; d. activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens de Omgevingswet zijn niet toegestaan; e. detailhandel mag niet plaatsvinden; f. buitenopslag is niet toegestaan; g. er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt. 5.4 Gebruiksactiviteit - verboden 5.4.1 Algemeen a. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden. b.
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 5.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 5.4.2 Kamerbewoning Het is in ieder geval verboden om een woning te gebruiken ten behoeve van kamerbewoning. 5.4.3 Zelfstandige bewoning bijbehorende bouwwerken Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte. 5.4.4 Internetverkoop Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald. 5.5 Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting 5.5.1 Landschappelijke inpassing en waterberging a. Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 5.2 binnen het plangebied is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing en beplanting en waterbergingsvoorzieningen, uiterlijk twee jaar nadat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen onherroepelijk is, is aangelegd en in stand gehouden wordt conform het inrichtingsplan en beplantingsplan die als bijlage 1 en 2 zijn opgenomen. b. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een andere inrichting en/of beplanting te realiseren die leidt tot een wezenlijke andere inrichting van het plangebied.
c. De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid c wordt alleen verleend indien uit (schriftelijk) advies van een onafhankelijk deskundige blijkt dat voldaan wordt aan een goede landschappelijke inpassing en beplanting passend bij de opzet en het doel van het inrichtingsplan en beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 en 2 .
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
63
5.5.2 Parkeren a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen binnen de functie wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. 5.6 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit 5.6.1 Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. b. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien: 1. een publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken; 2. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; 3.
degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; 4. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; 5. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving; 6. detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit. 5.6.2 Bed & Breakfast a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast. b. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien 1. de bed & breakfast wordt gerealiseerd in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken; 2. het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning; 3. het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²; 4. er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden; 5. de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning.