Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan 'IJzendoorn, Keizerstraat 24'
Tekst van het document
Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening niet is toegestaan; 6. als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
64
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.7 Bouwactiviteit - algemeen Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2. 5.8 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen 5.8.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. voor de bouwwijze van de woningen geldt het volgende: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneengebouwde woningen toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan; c. per bouwvlak is één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen niet meer mag bedragen dan aangegeven; d. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; e. de breedte van een woning mag niet meer bedragen dan 12 m. 5.9 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken 5.9.1 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel zijn toegestaan in de vorm van erkers, mits voldaan wordt aan het volgende: a.
de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m; c. indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m; d. de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m. 5.9.2 Bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel Voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel geldt in afwijking van het bepaalde in 22.36 en in aanvulling en indien van toepassing in afwijking van 22.27, het volgende: a. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; b. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geldt voor de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel het volgende: Oppervlakte bouwperceel < 200 m² 200 - 400 m² 400 - 600 m² 600 - 800 m² > 800 m² c.
Toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken 60 m² 90 m² 100 m² 110 m² 120 m²
in aanvulling op het bepaalde onder b geldt dat van de gronden ter plaatse van de aanduiding
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
65
d.
e.
'bijgebouwen' niet meer dan 50% mag worden bebouwd; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
5.9.3 Carport Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van een carport gelden in afwijking van 5.9.1 en 5.9.2 de volgende regels: a. een carport mag uitsluitend worden gebouwd op het bouwperceel behorende bij een (bedrijfs)woning; b. de carport mag de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet overschrijden; c. de bouwhoogte van de carport mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de bebouwde oppervlakte van de carport mag niet meer bedragen dan 20 m2; e. het aantal carports buiten de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' mag niet meer bedragen dan één. 5.10 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.10.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.10.2 Zwembad Voor het bouwen van een zwembad gelden de volgende regels: a. een zwembad is uitsluitend toegestaan bij een woning; b. het aantal zwembaden mag niet meer bedragen dan één per woning; c.
een zwembad is uitsluitend toegestaan in het achtererfgebied; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,2 m; e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m. 5.11 Bouwactiviteit - ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag. 5.12 Geur 5.12.1 Toepassingsbereik De regels in dit lid gaan over het toestaan van geurgevoelig objecten. 5.12.2 Standaardwaarde De omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 wordt alleen verleend indien de standaardwaarde van geur ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - geur 5,3 ouE/m3' niet wordt overschreden met een waarde hoger dan 5,3 ouE/m3 en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - geur 5,8 ouE/m3' niet wordt overschreden met een waarde hoger dan 5,8 ouE/m3 .
66
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels over functies Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7
Bestaande maatvoering
Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge deze regels toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.
Artikel 8 1.
2.
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat: a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
67
Hoofdstuk 4 Artikel 9
Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 1
9.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 9.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 1. 9.3 Functieomschrijving Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 1 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. 9.4 Bouwactiviteit 9.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is: a. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; b.
de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; c. het nieuw te bebouwen oppervlak is niet groter dan 100 m²; d. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag is de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie voldoende vastgesteld. 9.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften Indien uit het onder 9.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in 9.4.1 onder 2 sub e, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c.
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
68
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
9.5 Aanlegactiviteit 9.5.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist; c. het verlagen van het waterpeil; d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 9.5.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van 9.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. voor zover het aanlegactiviteiten in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt; b.
in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; c. in de bodem over een maximale oppervlakte van 100 m²; d. in de bodem binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e. in de vorm van het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten; f. die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen; g. die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; h. in de bodem die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 9.4. 9.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 9.5.4 Beoordelingsregels 1.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die aanlegactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 2. Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige over: a. het bepaalde in 1. en; b. of en zo ja welke voorwaarden er dienen te worden gesteld.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
69
9.6 Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 10
Waarde - Archeologie 2
10.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 10.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamYZkeizerstr24-ont1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 2. 10.3 Functieomschrijving Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 2 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. 10.4 Bouwactiviteit 10.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is: a. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; b.
de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; c. het nieuw te bebouwen oppervlak is niet groter dan 1.000 m²; d. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag is de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie voldoende vastgesteld. 10.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften Indien uit het onder 10.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in 10.4.1 onder 2 sub e, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26:
70
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
a.
b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; of, de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.5 Aanlegactiviteit 10.5.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist; c. het verlagen van het waterpeil; d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 10.5.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van 10.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. voor zover het aanlegactiviteiten in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt; b.
in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; c. in de bodem over een maximale oppervlakte van 1000 m²; d. in de bodem binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e. in de vorm van het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten; f. die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen; g. die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; h. in de bodem die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 10.4. 10.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
71
10.5.4 Beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die aanlegactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 2. Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige over: a. het bepaalde in 1. en; b. of en zo ja welke voorwaarden er dienen te worden gesteld. 10.6 Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
72
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 5 Artikel 11
Overgangsregels Overgangsrecht
11.1 Overgangsrecht bouwwerken 11.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 11.1.1 met maximaal 10 %. 11.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 11.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
11.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 11.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.2.4 Uitzondering Het bepaalde in 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
73
Bijlagen bij de regels
74
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 1
Inrichtingsplan
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)
75
Bijlage 2
Beplantingsplan
76
TAM-omgevingsplan IJzendoorn, Keizerstraat 24 (hoofdstuk 22b omgevingsplan Neder-Betuwe)