CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - MER

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen33.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.2.b

Pyrietslakkenstort volledig verwijderen en afvoeren naar erkend verwerker

Volgens de provincie is er momenteel geen saneringsnoodzaak. Het Rijk zou oorspronkelijk de sanering uitvoeren. Saneringsprogramma ligt nu bij provincie. Sanering staat niet op de urgentielijst van de provincie. Daardoor zijn er ook geen middelen beschikbaar. Toch saneren en volledig afvoeren heeft hoge kosten en een laag milieurendement.

V

X

5.3 Aanvoer van Bouwgrondstoffen vanaf de Boven-Rijn als buffervoorraad bij laagwater 5.3.a. alleen na realisatiefase

Het bedrijfsterrein zou hierdoor voor lange tijd onbenut blijven. Dit is bedrijfsmatig onwenselijk.

5.3.b

Na terreininrichting kan de bedrijfslocatie worden benut. Dat wil zeggen dat het terrein gebruikt kan worden gemaakt in de realisatiefase. Qua milieueffecten (o.a. geluid en stikstofemissie) is dit inpasbaar. Er is geen sprake van dubbele inzet van een klasseerinstallatie binnen het gebied.

Zowel tijdens als na realisatiefase

V

5.4 Verduurzaming: combi van elektrische win- en klasseerinstallatie en productie van duurzame energie (zon of wind) 5.4.a

Drijvende Elektrische win- en klasseerinstallatie

Toepassing van een elektrische installatie zoals de Emmy-Yvonne zit voor de realisatie al in de basisvariant. Ook voor de definitieve situatie is dit het meest wenselijk. Toevoegen van elektrische loskraan als optimalisatie.

5.4.b

Energieopwekking door 1 windmolen (in plaats van 2)

Geluidsniveaus / stikstofemissie van twee windmolens voldoen. Ook in de passende beoordeling en GNN-toets is dit inpasbaar. Uit duurzaamheidsoogpunt wil Dekker liefs twee windmolens.

5.4.c

Alternatieve plaatsing windmolens

Beoordeling externe veiligheid, straalverbindingen telecommunicatie en radarbakens leiden niet tot andere plaatsing (Advies Pondera Consult). Wel dient op basis van de keuze voor het definitieve turbinetype de positionering worden afgestemd zodat overdraaien over GNN wordt voorkomen en een zo groot mogelijke afstand tussen de twee turbines wordt aangehouden.

V

5.4.d

Energieopwekking door zonnepanelen op land: dak bedrijfsgebouwen

Dak bedrijfsgebouw (5000m2) wordt benut voor zonnepanelen. Geen verdere mogelijkheden bij alternatieve variant met kleinere haven Depot / terp is niet nodig, wordt gebruikt voor ooibosontwikkeling.

V

5.4.e

Energieopwekking door zonnepanelen op water

Positionering aan de zuidzijde van de Oostplas, gelet op zonering gebied. Oppervlakte ca. 6 ha. Liefst op dieper water. Maximaal 25% van de plas.

V

5.4.f

Eigen waterstofproductie (voor scheepvaart en wagenpark)

Waterstof produceren met eigen opgewekte duurzame energie past in de duurzaamheidsambities van Dekker. Dit mede in het kader van de verduurzaming van haar eigen scheepsvloot. Momenteel wordt aan de businesscase gewerkt voor een startend technologiebedrijf voor waterstofproductie en opslag in een vloeibaar lagedruk medium. Aspect externe veiligheid is bij de productie van belang. Omdat de waterstof niet op hogedruk wordt op- en overgeslagen is het risico beperkt. Installatie heeft een beperkt ruimtebeslag en zou bijvoorbeeld in de bedrijfshal kunnen worden ondergebracht. Voorgesteld wordt om dit meenemen in bestemmingsplan als wijzigingsbevoegdheid. Ook kan voor deze innovatieve ontwikkeling op het vlak van duurzaamheid gebruik worden gemaakt van Afdeling 2 “Innovatie” van de Crisis- en herstelwet. Daarmee kan deze ontwikkeling worden aangewezen als experiment, waardoor er indien nodig afgeweken mag worden van bepaalde regelgeving.

V

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

55

WILLEMSPOLDER FASE 1

V

X

5.4.g

Aquathermie, diep water benutten voor lokale koudevraag (o.a. fruitsector / productie van sappen / veiling)

Technisch concept is nog niet optimaal. Er is nog beperkte kennis over de ecologische effecten. Lokale fruitteler is te weinig voor een haalbaar systeem. Fruitsapproducten en veiling in Ochten zijn grote afnemer van koude, maar liggen op grote afstand (ca. 3,5 km). Kosten nader in beeld brengen. Terugverdientijd met SDE ++ is 10-15 jaar. Leidingwerk door de dijk is een aandachtspunt. Retourstoom op juiste manier in plas brengen om opwarming / blauwalg tegen te gaan.

X

5.4.h

Aquathermie warm water uit plassen in de zomer opslaan in de bodem en benutten met warmtenet

Het systeem is vooral lokaal efficiënt. Niet zo zeer voor langere afstanden. Vooral het geïsoleerde leidingwerk voor het warmtenet is zeer kostbaar. Samenwerking met een partner is denkbaar. Verlaging watertemperatuur in de zomer kan mogelijk positief zijn voor ecologie (voorkomen blauwalg). Er is nog weinig ecologisch onderzoek gedaan. Systeem flexibel maken voor fluctuerend waterpeil. Op terrein van Dekker is mogelijkheid om WKO te maken.

V

5.4.i

IJzendoorn energieneutraal maken door participatie in duurzaam opgewekte stroom en warmtenet

Over 5 jaar wordt de riolering vervangen in IJzendoorn. Dat is een mooi natuurlijk moment om een warmtenet aan te leggen. In principe is deze optie kansrijk maar wel kostbaar. Er dient een aanvullende kostendrager in het gebied gevonden te worden waarmee een gebiedsfonds kan worden gevuld. Hieruit zou een dergelijke ontwikkeling gefinancierd kunnen worden.

V

5.5 Praktisch uitvoerbare, vergunbare en economisch haalbare saneringsvariant voormalige pyrietslakkenstort 5.5.a

saneringsvariant afdekken in plaats van afgraven (zie 5.2.a)

Scoort positief, zie 5.2.a.

V

5.6 Ontwikkelsuggesties Gemeente Neder-Betuwe (zie 4.7a t/m c) 5.6.a Samengestelde variant uit ontwikkelsuggesties gemeente: passende kleinschalige bedrijvigheid : Duurzame Startups

Naast passende recreatieve bedrijvigheid (zie doelstelling 4) en windmolen (zit al in basisalternatief) is kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van Duurzame Startups inpasbaar: - Waterstofproductie / opslag in vloeibaar lage druk medium / verduurzaming scheepvaart; - Ontwikkeling van zonnepanelen voor gebruik op zee (pilotlocatie in dynamisch riviersysteem van de Waal); - “IJzendoorn energieneutraal”: participatie in duurzame energie en Aquathermie met warmtenet; Meenemen in bestemmingsplan en vergunningen als Innovaties op basis van Afdeling 2 Crisis-en herstelwet.

Figuur 40 Beoordeling optimalisaties Duurzaamheid en Mobiliteit

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

56

WILLEMSPOLDER FASE 1

V

3.5.2. Variant Duurzaamheid en Mobiliteit

Figuur 41 Variant Duurzaamheid en Mobiliteit

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

57

WILLEMSPOLDER FASE 1

5.1.a

Drijvende klasseer-installatie in haven in plaats van landinstallatie

0

0

0

0

0

+

+

0

+

Dekker heeft vooral drijvend materieel. Toepassing drijvende installatie vergt minder investering en geeft meer flexibiliteit in de praktijk ten opzichte van een vaste installatie. Er hoeft niet continue een installatie te liggen, deze kan ook elders op projecten worden ingezet. Landinstallatie heeft weinig lokaal draagvlak. Heeft vooral te maken met aanzicht en geluid. Drijvende klasseerinstallatie heeft vergunbare geluidsniveaus (vergelijkbaar met landinstallatie). Schepen lossen het materiaal onder water. Vervolgens met zuiger in de installatie brengen. Daarna verladen naar land of schip. Drijvende installatie ligt lager in het landschap. Is daardoor minder zichtbaar en heeft minder geluidsemissie naar de omgeving.

5.1.b

Landschappelijke inpassing met geluids-/ zichtwal

-

0

0

0

0

+

+

0

+

Wallen met beplanting hebben visueel en akoestisch een positief effect.

5.2.a

Bedrijfsbestemming realiseren op pyrietslakkenstort kleinere oppervlakte haven

0

0

0

0

+

+

0

0

+

Minder bouwgrondstoffenwinning door aanleg van kleinere haven. Kleinere haven is nog wel functioneel. Afdekvariant sanering pyrietslakken is effectief (geen contactmogelijkheden), veel minder milieubelastend in de realisatiefase en aanzienlijk minder kostbaar. Het geval van bodemverontreiniging blijft wel aanwezig. Uit overleg met provincie Gelderland blijkt dat herschikken van het ene op het andere geval van bodemverontreiniging (voormalige stortplaatsen) niet mag. Juridisch gezien maak je dan een nieuwe stortplaats en dat is niet toegestaan. Landschappelijk blijft er ontwikkelingsruimte ooibos over. Dat is zeldzaam en dus waardevol. Voor de milieuaspecten Geluid en lucht heeft het alternatief geen relevant verschil.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

58

WILLEMSPOLDER FASE 1

Motivatie

Lucht / veiligheid

++ + 0 --

Grondstromen

Geluid / Trillingen

EINDOORDEEL

Landschap Archeologie Cultuur historie

NATUUR LANDSCHAP LEEFOMGEVING

Natuur

WATER

Grondwater/ waterkering

BODEM

Rivierkunde

BESCHRIJVING OPTIMALISATIES

Milieu­kwaliteit/ Talud­stabiliteit

NR.

5.3.b

Aanvoer van Bouwgrondstoffen vanaf de Boven-Rijn als buffervoorraad bij laagwater Zowel tijdens als na realisatiefase

+

0

0

0

0

0

0

0

+

Na terrein richting kan de bedrijfslocatie worden benut. Dat wil zeggen dat er al gebruik kan worden gemaakt van de bouwgrondstoffen-HUB in de realisatiefase van WPF1. Qua milieueffecten (o.a. geluid en stikstof emissie) is dit inpasbaar. De klasseer-installatie is of werkzaam ten behoeve van de bouwgrondstoffenwinning in het gebied of is actief n de haven binnen ten behoeve van de bouwgrondstoffen-Hub. Er is dus geen sprake van dubbele inzet van materieel.

5.4.a

Drijvende Elektrische win- en klasseerinstallatie

0

0

0

0

0

+

+

0

+

Toepassing van een elektrische installatie zoals de Emmy-Yvonne zit voor de realisatie al in de basisvariant. Ook voor de definitieve situatie is dit het meest wenselijk.

5.4.c

Alternatieve plaatsing van 2 windmolens afgestemd op straalverbindingen telecommunicatie en radarbakens vaarverkeer

0

0

0

0

0

-

0

0

0

Twee windmolens hebben impact op het landschappelijk beeld maar dragen positief bij aan de energietransitie (RES). Alternatieve plaatsing van de twee windmolens in VKA om overdraaien op GNN te voorkomen en zoveel mogelijk afstand tussen turbines te behouden. Op basis van keuze turbinetype positionering in detail bepalen in definitief ontwerp.

5.4.d

Energieopwekking door zonnepanelen op land: dak bedrijfsgebouwen

0

0

0

0

0

0

0

0

+

Dak bedrijfsgebouw is 5000m2. Ook de zonzijde van de aan te leggen zichtwallen kunnen benut worden. Terp pyrietslakken in basisvariant is geschikt. Geen verdere mogelijkheden bij alternatieve variant met kleinere haven (daarin is de terp niet nodig en ligt ooibosontwikkeling meer voor de hand).

5.4.e

Energieopwekking door zonnepanelen op water

0

0

0

0

0

-

0

0

0

Landschappelijk heeft dit effect. Dat effect kan worden beperkt door positionering aan de zuidzijde van de Oostplas, gelet op zonering gebied (recreatieve doelen). Daarnaast tot beperking van de oppervlakte tot max. ca. 6 ha / 2530% van de plas. Liefst op dieper water, gelet op ecologie. Ligging in GNN nader uitwerken. In overleg met provincie inpassen mede gelet op het hoge ambitieniveau van de RES (daarvoor zijn alle realistische ontwikkelopties nodig).

5.4.f

Eigen waterstof- 0 productie (voor scheepvaart en wagenpark)

0

0

0

0

0

0

0

+

Waterstof produceren met eigen opgewekte duurzame energie past bij de Duurzaamheidsambities van Dekker en de landelijke energietransitie. Aspect externe veiligheid is bij de productie van belang. Omdat de waterstof niet op hogedruk wordt op- en overgeslagen is het risico beperkt.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

59

WILLEMSPOLDER FASE 1

5.4.h

Aquathermie warm water uit plassen in de zomer opslaan in de bodem en benutten met warmtenet

0

0

0

0

+

0

0

0

+

Een plaatselijk participatiemodel in duurzame energie en Aquathermie met warmtenet is denkbaar (“IJzendoorn energieneutraal”). Draagt positief bij aan de energietransitie. Verlaging watertemperatuur in de zomer kan mogelijk positief zijn voor ecologie (voorkomen blauwalg).

5.4.i

IJzendoorn energieneutraal maken door participatie in duurzaam opgewekte stroom en warmtenet

0

0

0

0

0

0

0

0

+

Over 5 jaar wordt de riolering vervangen in IJzendoorn. Dat is een mooi natuurlijk moment om een warmtenet aan te leggen. In principe is deze optie kansrijk maar wel kostbaar. Er dient een aanvullende kostendrager in het gebied gevonden te worden waarmee een gebiedsfonds kan worden gevuld. Hieruit zou een dergelijke ontwikkeling gefinancierd kunnen worden.

5.5.a

saneringsvariant afdekken in plaats van afgraven (zie 5.2.a)

0

-

0

0

+

+

0

0

+

Scoort positief, zie 5.2.a.

5.6.d

Samengestelde variant op basis van ontwikkelsuggesties gemeente: passende kleinschalige bedrijvigheid > Duurzame Startups

0

0

0

0

0

0

0

0

+

Eigen energieopwekking en kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van Duurzame Startups dragen bij aan de energietransitie en duurzaamheidsdoelstellingen.

Figuur 42 Effectbeoordeling variant Duurzaamheid en Mobiliteit

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

60

WILLEMSPOLDER FASE 1

4. Voorkeursalternatief Uit de varianten per doelstelling is een selectie van maatregelen gemaakt die zonder conflicten het milieubelang en de projectdoelstellingen het beste dient. Dit vormt het Voorkeursalternatief (VKA). Het Voorkeursalternatief onderscheidt zich op hooflijnen van het Basisalternatief door: 1. Meer bouwgrondstoffen door slimmer te winnen en aan te vullen; 2. Rivierkundige winst in te zetten voor ontwikkeling natuurlijke graslanden, ruigte en ooibos; 3. Stromende geul voor ecologische waterkwaliteit (KRW / PAGW); 4. Optimale beleving van het gebied door Beweeg & Beleefroute voor recreanten; 5. Duurzame invulling bedrijfsbestemming met drijvende installatie in kleinere haven, energieopwekking uit wind en zon en ontwikkelingsruimte voor duurzame start ups.

DOEL 1:

DOEL 2:

DOEL 3:

DOEL 4:

BOUWGRONDSTOFFFFEN

HOOGWATERVEILIGHEID

NATUURONTWIKKELING

LANDSCHAP & RECREATITIE

• Slimmer Winnen en Aanvullen • Netto meer Bouwgrondstoffen • Geen extern aanvulmateriaal

• Waterstandsdaling circa 1 cm •R  uimte inzetttten voor Natuurontwikkeling •G  een concrete doelstelling IRM

• Stitikstofreductitie (N2000): agrarisch wordt natuur • 70 hectare Natuurnetwerk Nederland erbij • 1,4 km stromende geul voor KRW

• Betere zonering en padenstructuur • Optitimale beleving door ‘Beweeg & Beleefroute’ • Passende recreatitieve bedrijvigheid

Figuur 43 Verbeelding voorkeursalternatief met meerwaarde per doelstelling

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

61

WILLEMSPOLDER FASE 1

DOEL 5:

DUURZAAMHEID & MOBILITEIT

• Drijvende installatitie in kleinere haven • Zon en Windenergie voor RES 1.0 • Ruimte voor duurzame Startups

Hieronder zijn alle maatregelen samengevat waaruit het VKA bestaat. NR.

SAMENVATTING VOORKEURSALTERNATIEF WILLEMSPOLDER FASE 1

1.2

Af te voeren materiaal / materiaal voor herinrichten optimaliseren (12.b, 12,c)

1.3

Minder aanvullen en/of kleinere eilanden creëren (1.3.a, 2.1.c, 2.1.d, 1.3.b, 1.3.d)

2.1

Optimaal doorstromingsprofiel (2.1.a, 2.1.b)

3.1

Mitigatie verlies aan GNN, foerageergebied Ganzen en leefgebied Wulp (3.1.c, 3.1.d, 3.6.a)

3.2

Leefgebied van overige Natura 2000 soorten versterken (3.2.a, 3.2.c)

3.3/3.5 Systeem van lagunes optimaliseren tot stromende geul (2.1.e, 3.3., 3.5.a, 3.5.b, 3.7.b) 3.4

Laag dynamische plassen beschermen (3.4.a, 3.4.b)

3.6

Vochtig extensief beheerd grasland aanleggen (3.6.a)

3.8

Extensief beheerd (hardhout)ooibos ontwikkelen (3.8.a, 3.8.b, 3.8.c)

3.9

Reactiveren Zandmotor op zandige oeverwallen (3.9.a)

3.10

Particulier / agrarisch natuurbeheer onder ecologische begeleiding met inzet van lokale partijen (3.10.a 3.10.c)

4.1

Passende ontsluitingsmogelijkheden en padenstructuur (4.1.b t/m f, 4.2.a)

4.3

Optimale plaatsing van voorzieningen in een logische routering (4.3.a, 4.3.c t/m h)

4.4.

Optimaal gebruik Stroomversnelling met spannende doorwaadbare plek (4.4.a t/m c, 4.6.a)

4.5

Historische locatie redoute markeren (4.5.a)

4.7

Ontwikkelsuggesties Gemeente Neder-Betuwe: Passende recreatieve bedrijvigheid zoals HUMUS / Stichting BEWELL (4.7.d)

5.1

Revitalisering van de bedrijfsbestemming met drijvende klasseerinstallatie / Landschappelijke inpassing (5.1.a, 5.1.b)

5.2

Optimale positionering bij gelijke oppervlakte bedrijfsbestemming (5.2.a., 5.5.a)

5.3

Aanvoer van Bouwgrondstoffen vanaf de Boven-Rijn als buffervoorraad bij laagwater (5.3.b)

5.4

Verduurzaming: Drijvende Elektrische win- en klasseerinstallatie, 2 windmolens en zon dak / op water (5.4.a, 5.4.c t/m f)

5.6

Ontwikkelsuggesties Gemeente Neder-Betuwe: passende kleinschalige bedrijvigheid met duurzame startups (5.6.d)

Figuur 44 Vogelvluchtimpressie Voorkeursalternatief

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

62

WILLEMSPOLDER FASE 1

5. Effectbeoordeling

5.1.2

Milieukwaliteit

5.1.3

Taludstabiliteit

5.2

Water

5.2.1

Rivierkunde

5.2.2

Grondwater

5.2.3

Waterkering

5.3

Natuur

5.3.1

Natura 2000

5.3.2

Natuurnetwerk Nederland

5.3.3

Beschermde soorten

5.3.4

Ecologische waterkwaliteit

5.4

Landschap

5.4.1

Landschap en cultuurhistorie

5.4.2

Archeologie

5.5

Leefomgeving

5.5.1

Geluid

5.5.2

Laagfrequent geluid en Trillingen

5.5.3

Luchtkwaliteit

5.5.4

Externe veiligheid

Kwantitatief bodem­ onderzoek

Kwantitatief bodem­ onderzoek

Kwantitatief bodem­ onderzoek

Kwantitatief bodem­ onderzoek

Kwalitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Passende beoordeling / NNN-toets

Passende beoordeling / NNN-toets

Passende beoordeling / NNN-toets

Passende beoordeling / NNN-toets

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

Modelmatig kwantitatief

GEBIEDSVISIE MIDDEN WAAL

TIJDELIJKE SITUATIE

Grondstromen

VOORKEURS­ ALTERNATIEF

Bodem

5.1.1

BASISPLAN

5.1

HUIDIGE EN AUTONOME ONTWIKKELING

MILIEUASPECTEN

De onderstaande tabel geeft voor de verschillende situaties de wijze van effectbeoordeling per milieuaspect weer.

In dit hoofdstuk wordt per milieuaspect kort ingegaan op de onderzoeksmethode, waarna de effectbeoordeling wordt beschreven voor respectievelijk de referentiesituatie, het basisalternatief, het voorkeursalternatief, de tijdelijke situatie en de Gebiedsvisie Midden-Waal.

5.1 Bodem De grondbalans van het basisalternatief en het voorkeursalternatief zijn door Buro Meet bepaald met behulp van een driedimensionaal model in het digitale tekenprogramma autocad. Hierbij is het technisch model van de ontgronding vergeleken met het technisch model van de herinrichting. Op basis daarvan is bepaald hoeveel bouwgrondstoffen afgevoerd kunnen worden. Met het computerprogramma Specis is een analyse gemaakt van de korrelgrootteverdeling van het aanwezige toutvenant (d.w.z. het mengsel van alle in de bodem aanwezige ’korrels’). Op basis daarvan is een prognose gemaakt van de hoeveelheid industriezand

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

63

WILLEMSPOLDER FASE 1

en grind die kan worden geproduceerd. De hoeveelheid klei die geschikt is voor dijkenbouw en keramische industrie is op basis van expert judgement bepaald, met behulp van boringen en visuele beoordeling. De milieukundige bodemkwaliteit is door Sweco in beeld gebracht op basis van een (water) bodemkwaliteitskaart [bijlage 1] en verkennend (water)bodemonderzoek (verdachte locaties) [bijlage 2] voor Willemspolder fase 1. De uiterwaarden van de Waal worden formeel als waterbodem beschouwd. De opzet van het waterbodemonderzoek op basis van NEN5720 is vooraf afgestemd met de kwaliteitsbeheerder Rijkswaterstaat Oost Nederland. De hogere delen van de uiterwaard rond de bedrijfsbestemming zijn aangemerkt als ‘drogere oevergebieden’, ofwel landbodem. De opzet van het bodemonderzoek op basis van NEN5740 is vooraf afgestemd met de kwaliteitsbeheerder gemeente Neder-Betuwe. De taludstabiliteit is door Fugro op basis van grond mechanisch onderzoek en berekeningen in beeld gebracht [bijlage 3].

5.1.1 Grondstromen Referentiesituatie In de referentiesituatie vinden geen ontgrondingsactiviteiten plaats en is er is geen sprake van grondstromen. Basisalternatief Binnen de maximale ontgrondingscontour is ongeveer 14 miljoen m3 aan bouwgrondstoffen aanwezig. Een deel daarvan is ophoogzand maar het overgrote deel kan worden veredeld tot hoogwaardig industriezand en grind. Het streven is om de helft van de beschikbare bouwgrondstoffen – dat wil zeggen ongeveer 7 miljoen m3 – af te voeren als hoogwaardig industriezand en grind. Voorlopig is als uitgangspunt genomen dat de aanwezige fractie grind in de verwerkingsinstallatie wordt gebroken en in het industriezand wordt verwerkt. Verder is als uitgangspunt genomen dat het aanwezige ophoogzand als materiaal voor herinrichting binnen het project wordt gebruikt. Afhankelijk van de marktsituatie kan in de ontgrondingenwetvergunning nog een andere keuze gemaakt worden waarbij wel ophoogzand en grind wordt geproduceerd ten behoeve van de bouwgrondstoffenmarkt. Dat geeft een interne verschuiving in de materiaalsoorten van de grondbalans maar maakt geen verschil voor de totale hoeveelheid af te voeren bouwgrondstoffen. Grondbalans Basisalternatief MATERIAALSOORT

TE ONTGRAVEN EN AF TE VOEREN (M3)

Klei

TE ONTGRAVEN EN TER PLAATSE TE VERWERKEN (M3)

TOTAAL TE ONTGRAVEN (M3)

700.000

350.000

1.050.000

Ophoogzand

0

2.044.000

2.044.000

Industriezand

3.730.000

7.550.000

11.280.000

Grind

0

0

0

Bovengrond

0

109.000

109.000

Overig

0

0

0

Totalen

4.430.000

10.053.000

14.483.000

Figuur 46 Grondbalans Basisalternatief

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

64

WILLEMSPOLDER FASE 1

In het basisalternatief is sprake van een groot tekort aan aanvulmateriaal om het uiteindelijke landschapsplan te kunnen realiseren. Zonder aanvoer van materiaal van buiten het project kan er ongeveer 4 miljoen m3 industriezand en klei worden afgevoerd. Dit is 3 miljoen m3 minder dan de doelstelling. Deze situatie voldoet wel aan de minimaal rendabele opgave voor de doelstelling Bouwgrondstoffenbehoefte. Voorkeursalternatief Grondbalans Voorkeursalternatief MATERIAALSOORT

TE ONTGRAVEN EN AF TE VOEREN (M3)

Klei

TE ONTGRAVEN EN TER PLAATSE TE VERWERKEN (M3)

TOTAAL TE ONTGRAVEN (M3)

640.000

410.000

1.050.000

Ophoogzand

0

3.300.000

3.300.000

Industriezand

6.470.000

6.110.000

12.580.000

Grind

0

0

0

Bovengrond

0

155.000

155.000

Overig

0

0

0

Totalen

7.110.000

9.975.000

17.085.000

Figuur 47 Grondbalans Voorkeursalternatief

In het voorkeursalternatief wordt het tekort aan aanvulmateriaal deels ingevuld door de bestaande Oostplas verder te verdiepen. Dit levert ongeveer een miljoen m3 ophoogzand op dat binnen het gebied gebruikt wordt om het landschapsontwerp te realiseren. De totale hoeveelheid klei is gelijk maar een deel wordt als herinrichtingsmateriaal ingezet ten gunste van de af te voeren hoeveelheid industriezand. Door optimalisatie van het landschapsplan is er meer bovengrond voor de herinrichting beschikbaar. In het voorkeursalternatief komt er enerzijds meer herinrichtingsmateriaal binnen het project beschikbaar en kan er anderzijds meer industriezand worden afgevoerd ten gunste van de bouwgrondstoffenbehoefte. De totaal af te voeren hoeveelheid industriezand en klei komt overeen met het streven is om minimaal de helft van de beschikbare bouwgrondstoffen – dat wil zeggen ongeveer 7 miljoen m3 – af te voeren als hoogwaardige bouwgrondstoffen. Tijdelijke situatie De tijdelijke situatie kenmerkt zich door een voortschrijdende ontwikkeling van het plangebied. Daarbij wordt per fase de winning van bouwgrondstoffen opgevolgd door de herinrichting van het gebied. Het project zal binnen een tijdsbestek van 10 jaar gefaseerd worden uitgevoerd. De productiecapaciteit van het materieel is daarop berekend.

Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar de beschrijving van de tijdelijke situatie bij het aspect geluid en trillingen. Gebiedsvisie Midden-Waal Het landschapsontwerp en daaraan gekoppelde grondbalans is voor de deelprojecten Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder nog niet in detail uitgewerkt. Dat wil zeggen dat de grondbalans nog ten gunste van de bouwgrondstoffenbehoefte kan worden verbeterd. Anderzijds bestaat de kans dat de winning vanwege de overige doelstellingen moet worden beperkt. De grondbalans voor gebiedsvisie Midden-Waal kan daarom alleen in grote lijnen op basis van expert judgement worden opgemaakt.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

65

WILLEMSPOLDER FASE 1

De grondbalans voor Willemspolder fase 2 is naar verwachting vergelijkbaar met het basisalternatief voor Willemspolder fase 1. Dat wil zeggen dat netto ongeveer 4 miljoen m3 industriezand en klei worden afgevoerd. In de Gouverneurspolder is binnen de maximale ontgrondingscontour is ongeveer 18 miljoen m3 aan bouwgrondstoffen aanwezig. Een deel daarvan is ophoogzand maar het overgrote deel kan worden veredeld tot hoogwaardig industriezand en grind. Er is ongeveer 8 miljoen m3 nodig om het gewenste landschapsontwerp te realiseren. Naar schatting kan ongeveer 10 miljoen m3 aan bouwgrondstoffen worden afgevoerd. Op basis van de grondbalans voor gebiedsvisie Midden-Waal kan naar verwachting ongeveer 18 21 miljoen m3 bouwgrondstoffen worden afgevoerd.

5.1.2 Milieukwaliteit Referentiesituatie Op basis van het milieukundig bodemonderzoek zijn geen ernstige verontreinigingen in het plangebied aangetroffen. Dat wil zeggen dat het materiaal herbruikbaar is bij de herinrichting van het gebied. Wel dient rekening gehouden te worden met het tijdelijk handelingskader voor PFAS. Onder het generieke beleid kan de PFAS-houdende bovengrond weer in ophogingen in waterbouwkundige constructies worden toegepast. Hergebruik voor aanvulling van de winning (diepe plas) is naar verwachting alleen mogelijk is op basis van gebied-specifiek beleid. Voor het plangebied wordt een (water)bodemkwaliteitskaart opgesteld als kwaliteitsbewijs voor de (water)bodem. Daarbij wordt tevens een nota bodembeheer opgesteld met maatwerknormen voor de toepassing van de PFAS-houdende (boven)grond. Het bevoegd gezag (gemeente en Rijkswaterstaat) kan deze gelijktijdig in procedure brengen en vaststellen. Uit het MOVOS onderzoek (monitoring voormalige stortplaatsen) uit 2002 blijkt dat in het grondwater ter plaatse van de pyrietslakkenstort (S1 en S2) sterk verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetroffen. In de peilbuizen rondom het stort zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In 2020 heeft herbemonstering van de nog aanwezige peilbuizen plaatsgevonden. De peilbuizen S1 en S2 ter plaatse van het stort zijn niet meer aangetroffen in het veld.

3 peilbuizen aan de aan de benedenstroomse zijde van het stort (filterstelling 6-7 m-mv) zijn teruggevonden en bemonsterd. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen verhoogde gehalten meer zijn aangetroffen. Er lijkt hiermee geen verspreiding van zware metalen vanuit het pyrietstort naar het omliggende grondwater meer plaats te vinden. Basisalternatief Omdat de diffuus verontreinigde bovengrond aanwezig blijft in het plangebied wijkt de (water) bodemkwaliteit voor het basisalternatief niet significant af van de referentiesituatie. In het basisalternatief wordt de pyrietslakkenstort ontgraven en herschikt in een depot ten oosten van de bedrijfsbestemming. Daarmee wordt een bron van grondwaterverontreiniging weggenomen, wat in beginsel een positief effect heeft. Er is geen sprake van een actuele saneringsnoodzaak. Daarnaast is de saneringsmaatregel kostbaar. In 2006 is het ontgraven en herschikken onder milieukundige maatregelen door Grontmij in de goedkoopste variant geraamd op 1,5 miljoen euro. De complexe juridische situatie maakt vergunbaarheid onzeker en brengt het risico met zich mee dat er ook nog afvalstoffenbelasting en een nazorgfonds van toepassing zouden kunnen zijn.

Voorkeursalternatief Omdat de diffuus verontreinigde bovengrond aanwezig blijft in het plangebied wijkt de (water) bodemkwaliteit voor het voorkeursalternatief niet significant af van de referentiesituatie. In het voorkeursalternatief wordt de pyrietslakkenstort niet ontgraven maar afgedekt onder de bedrijfsbestemming zodat verder contactrisico wordt weggenomen. Nader overleg met provincie Gelderland

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

66

WILLEMSPOLDER FASE 1

in 2020 heeft uitgewezen dat het herschikken van pyrietslakkenstort (voormalige stortplaats 130/002) op een andere voormalige stortplaats aan de Nieuweweg (geval 130/003) juridisch niet mogelijk is. Om dat er sprake is van twee verschillende gevallen van bodemverontreiniging zou dit leiden tot het maken van een nieuwe stortplaats op de landbodem. Omdat er vanuit de afvalstoffenwetgeving een verbod op nieuwe landstortplaatsen geldt is dat niet toegestaan. Ook is duidelijk geworden dat provincie Gelderland sanering niet urgent acht. Het geval van bodemverontreiniging is niet opgenomen in het saneringsprogramma en er zijn ook geen middelen voor beschikbaar. De afdekvariant uit het voorkeursalternatief wordt door provincie Gelderland als een passende saneringsmaatregel gezien waarvoor een saneringsplan kan worden vastgesteld op grond van de Wet bodembescherming. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie van het basisalternatief brengt het ontgraven en herschikken van de pyrietslakken een milieukundig risico met zich mee. Het materiaal wordt van anaerobe condities onder het grondwater naar aerobe condities boven het grondwater gebracht. Dat kan in potentie veranderingen in het materiaal teweeg brengen waardoor er meer verontreiniging in het milieu beschikbaar kan komen. Deze processen zijn op voorhand slecht voorspelbaar. In het voorkeursalternatief wordt dit risico vermeden.

Op basis van her-analyse de peilbuizen aan de benedenstroomse zijde van de pyrietstort lijkt geen verspreiding van zware metalen vanuit het pyrietstort naar het omliggende grondwater meer plaats te vinden. Verspreiding van de verontreiniging naar gevoelige bestemmingen zoals woningen wordt niet aannemelijk geacht. Daarbij speelt dat waar de verontreiniging vanuit het grondwater in contact treedt met het oppervlaktewater de verdunning zo groot is dat deze niet meer traceerbaar zal zijn. Eventuele beïnvloeding van de verontreiniging door delfstoffenwinning zal daarom niet tot negatieve milieueffecten leiden. De het fijnere bodemmateriaal vloeit bij de productie van bouwgrondstoffen weer terug in de plassen. Tijdens uitvoering is de bouwgrondstoffenwinning een inrichting type C, die een omgevingsvergunning milieu nodig heeft. Het lozingsaspect wordt geregeld op basis van een melding Activiteitenbesluit milieubeheer (Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking tot activiteiten, tevens geldend voor inrichtingen type C / § 3.1.7. Handelingen in een oppervlaktewaterlichaam). Gebiedsvisie Midden-Waal Voor de gebiedsvisie Midden-Waal is nog geen dekkend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de Bodemzoneringskaart Rijntakken (RWS 2012) is in de uiterwaard sprake van grootschalige diffuse verontreiniging die overal in het rivierbed van de Rijntakken wordt aangetroffen.

Via het geografisch informatiesysteem van provincie Gelderland is de beschikbare informatie over de milieukundige bodemkwaliteit in beeld gebracht (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). In de Midden-Waal zijn - met uitzondering van de twee voormalige stortplaatsen in de Willemspolder - geen andere voormalige stortplaatsen aanwezig. Ter plaatse van de Steenfabriek in de Gouverneurspolder (Prins Willemsweg 1 te Echteld, code GE174000034) wordt de situatie aangemerkt als voldoende onderzocht en de verontreiniging beoordeeld als ‘niet ernstig, plaatselijk sterk verontreinigd’. In de Gouverneurspolder wordt een aanwezige strang (code GE174000217) aangemerkt als voldoende onderzocht en wordt de verontreiniging beoordeeld als ‘potentieel ernstig’. Een perceel met poel (code GE174000218) wordt als ‘potentieel verontreinigd’ aangemerkt. Omdat het gebied buitendijks is gelegen en onderdeel uitmaakt van de waterbodem is het aannemelijk dat het gebied diffuus is verontreinigd door afzetting van sediment na overstroming door de Waal. De waterbodemkwaliteit wordt ingeschat op maximaal klasse B met lokale uitschieters van niet toepasbaar

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

67

WILLEMSPOLDER FASE 1

Figuur 48 Bodemzoneringskaart Rijntakken

materiaal. De gehalten PFAS zullen in het verlengde van Willemspolder fase 1 boven de toepassingsnorm van het tijdelijk handelingskader liggen dat momenteel van toepassing is. Omdat de diffuus verontreinigde bovengrond bij herinrichting in het gebied achterblijft wordt de bodemkwaliteit niet significant beïnvloed door de realisatie van gebiedsvisie Midden-Waal. Door de sanering van enkele lokale ernstige verontreinigingen kan een lichte verbetering optreden.

5.1.3 Taludstabiliteit Referentiesituatie De bestaande plassen hebben in de referentiesituatie relatief steile taluds van 1:2 tot 1:3. Plaatselijk is met een flauw talud aangevuld. Er is sprake van een stabiele situatie. In de praktijk treden geen afkalving of bresvorming van oevers en taluds op. Basisalternatief In het basisalternatief wordt de Oostplas voor de winning van aanvulmateriaal verdiept tot -35 m-NAP met een talud van 1:4, met een tussenberm. De winplassen voor de bouwgrondstoffenwinning tot -20 m-NAP gaan uit van een (aanvul)talud van 1:5. Plaatselijk wordt uit het oogpunt van natuurontwikkeling of recreatie voor flauwere taluds gekozen (tot wel 1:20). Op basis van geotechnisch onderzoek [zie bijlage 3] blijkt dat het basisalternatief stabiele taluds oplevert. Voorkeursalternatief In het voorkeursalternatief wordt de Oostplas voor de winning van aanvulmateriaal verder verdiept tot -45 m-NAP met een talud van 1:3, zonder tussenberm. De winplassen voor de bouwgrondstoffenwinning tot -20 m-NAP gaan uit van een (aanvul)talud van 1:4. Bij het aanvullen wordt eerst een dam gemaakt van het meest stabiele aanvulmateriaal, waarachter met fijner materiaal kan worden aangevuld. Op basis van geotechnisch onderzoek [zie bijlage 3] blijkt dat ook het voorkeursalternatief stabiele taluds oplevert.

Tijdelijke situatie Tijdens de uitvoering dient rekening gehouden te worden met bresvloeiing. Dat wil zeggen dat bij hoge producties van de zandzuiger een bres in het talud kan ontstaan door de aanzuigende werking. Door te werken op basis van een winplan met werkprotocol ter voorkoming van bresvloeiing wordt dit voorkomen.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

68

WILLEMSPOLDER FASE 1

De operator op de zandzuiger stuurt het winproces aan op basis van een 3D machinemodel en GPS positiebepaling. Door in de richting van de uiterste grens van de ontgronding de productiesnelheid te verminderen en laagsgewijs te ontgronden wordt voorkomen dat bresvorming door de taludlijnen optreedt. Als aanvullende maatregel kan worden overgeschakeld naar een andere winmethode (bijvoorbeeld een graafwielzuiger) zonder aanzuigende werking, waardoor bresvloeiing niet of nauwelijks optreedt. Door de taluds nabij de uiterste grens van de ontgronding met deze winmethode te realiseren wordt bresvloeiing voorkomen. Gebiedsvisie Midden-Waal Op basis van de beschikbare boringen en sonderingen voor de overige gebiedsdelen van Gebiedsvisie Midden-Waal komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Naar verwachting kunnen in Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder ook stabiele taluds voor de ontgronding en herinrichting worden gerealiseerd.

5.1.4 Conclusie effectbeoordeling Bodem

MILIEUEFFECTEN BODEM

REFERENTIE­ SITUATIE

BASISALTERNATIEF

VOORKEURS­ ALTERNATIEF

TIJDELIJKE SITUATIE

GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL

Grondstromen

0

+

++

0

++

Milieukwaliteit

0

+

+

0

+

Taludstabiliteit

0

0

0

0

0

5.2 Water De rivierkundige effecten zijn door Anneke de Joode Rivierkundig Advies, in samenwerking met Agtersloot Hydraulisch Advies en RiQuest in beeld gebracht met de hiervoor door Rijkswaterstaat aangeleverde modellen [bijlage 4]. In deze rapportage wordt getoetst aan de criteria van het Rivierkundig Beoordelingskader 5.0 (Rijkswaterstaat, 2019) dat bij het verkrijgen van een Waterwetvergunning door de rivierbeheerder, Rijkswaterstaat Oost-Nederland, wordt gehanteerd. De grondwatereffecten zijn door Fugro in beeld gebracht op basis van het door Waterschap Rivierland voorgeschreven grondwatermodel MORIA [bijlage 5]. De resultaten worden getoetst aan de Keur van het Waterschap. De effecten op de waterkering zijn door Fugro beschreven op basis van het grondmechanica onderzoek, het grondwateronderzoek en berekeningen conform het wettelijk instrumentarium (WBI 2017) voor de beoordeling van de veiligheid van primaire keringen [bijlage 6].

5.2.1 Rivierkunde Referentiesituatie Om de rivierkundige referentiesituatie in beeld te brengen is het door Rijkswaterstaat aangeleverde beheeren onderhoudsmodel van de Rijntakken (rijn_beno18_5-v1) geactualiseerd (23 Baseline-maatregelen, model wp_gp_ref). Het betreft aanpassingen aan de oevers en uiterwaarden van de Waal binnen het ruimtebeslag en in de directe omgeving van het project. Ook is de open verbinding naar de Waal (invaart) in het model geactualiseerd. De actuele geometrie is daarbij vervangen door de vergunde situatie met een iets breder

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

69

WILLEMSPOLDER FASE 1

profiel voor onderhoud van de doorvaartopening (breder profiel). Voor het beheer- en onderhoudsmodel zowel voor en na actualisatie modelsimulaties bij diverse afvoer-niveaus uitgevoerd (van 600 tot en met 16.000 m3/s te Lobith). Het resultaat hiervan is in Figuur 3 weergegeven. Er is in de referentiesituatie bij het hoogste afvoerniveau (16.000 m3/s) sprake van een aanzienlijke waterstandsdaling bij Dreumel (ca 55 mm, rivierkilometer 918). Basisalternatief Hydraulische effecten Realisatie van het basisalternatief leidt bij hoogwater (16.000 m3/s ) niet tot waterstandverhogingen in de Waal (met uitzondering van een lokaal benedenstrooms effect van 11 mm). Gesommeerd zorgt de ingreep bij hoogwater een waterstandsdaling van maximaal 9 mm in de rivieras. Opmerkelijk is het opstuwend effect bij een afvoer van 8.000 m3/s. Dit wordt veroorzaakt door de oeverwal in het zuidelijke deel van de uiterwaard die de instroming belemmerd. Bij hogere en lagere afvoeren is dit effect ondergeschikt.

Figuur 49 Rivierkundige effecten referentiesituatie

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

70

WILLEMSPOLDER FASE 1

Figuur 50 Rivierkundige effecten Basisalternatief

Morfologische effecten Morfologische effecten In het basisalternatief is sprake van een maximale jaargemiddelde sedimentatie van 4 tot 6 cm in de vaargeul nabij de projectlocatie. Na een hoogwater is de maximale sedimentatie 8 tot 10 cm in de vaargeul. Het resultaat na langdurig herstel bij laagwater is een maximale sedimentatie van 2 tot 4 cm in de vaargeul. De effecten treden op bij afvoeren tot 7.000 m3/s waarbij er hydraulisch nauwelijks effecten van de ingreep zijn. De morfologische effecten worden niet veroorzaakt door ingrepen in de uiterwaard maar vooral door de nieuwe vormgeving van de havenmonding in het basisalternatief. Door nadere detaillering van het ontwerp van de havenmonding bij de aanvraag om watervergunning kunnen de morfologische effecten wellicht nog verder worden beperkt. Waterdiepteanalyse laat zien dat er in de nabijheid van de project­locatie plekken met een waterdieptetekort aanwezig. Er is hier geen sprake van locaties waar niet mag worden gebaggerd (vanwege obstakels in de bodem e.d.) of van invloed op bijzondere zones van het vaarverkeer. Vanwege de ingreep is een netto toename in het benodigde onderhoud door baggerwerkzaamheden van 288 m3 te verwachten om de vaardiepte te waarborgen. Dit is slechts een zeer geringe toename ten opzichte van de onderhoudswerkzaamheden in de referentiesituatie (ca. 6%).

Redelijkerwijs mag aangenomen worden dat in het kader van de aanvraag van een Watervergunning met RWS een oplossing kan worden gevonden om de extra hoeveelheid baggerwerk te compenseren. Gelet op het voorgaande worden de morfologische effecten van het basisalternatief aanvaardbaar geacht volgens het Rivierkundig Beoordelingskader van RWS. Effecten op de scheepvaart Bij voor de scheepvaart relevante afvoerniveaus zijn geen ongunstige effecten waargenomen. Uitzondering daarop is een toename in landinwaartse dwarsstroming van 0,15 tot 0,30 m/s bij de invaart bij het hoogste afvoerniveau van 10.000 m3/s (te Lobith). Hoewel dit formeel meer is dan de richtlijn wordt opgemerkt dat de toename gering is en dat de frequentie van voorkomen van dit afvoerniveau ongeveer 1 x per 15 jaar is. Bij dergelijke hoge afvoerniveaus zal de scheepvaart in de praktijk vrijwel geheel zijn gestaakt. In de nabije omgeving bevinden zich in de huidige situatie vier locaties met een hogere dwarsstroming bij lagere afvoerniveaus. De effecten op de scheepvaart worden in dit perspectief aanvaardbaar geacht. Voorkeursalternatief Het voorkeursalternatief heeft een waterstand-verlagend effect van 14 mm bij maatgevend hoogwater [zie bijlage 4]. Dat is een toename ten opzichte van het basisalternatief waarvan het effect 9 mm is.

Er is in het voorkeursalternatief geen sprake meer van een opstuwend effect bij een afvoer van 8.000 m3/s. Dat komt door een rivierkundige optimalisatie van de oeverwal. Bij alle afvoerniveaus is sprake van een netto

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

71

WILLEMSPOLDER FASE 1

waterstand-verlagend effect. De morfologische effecten van het VKA nemen significant toe (met ongeveer factor 10). De effecten zijn te wijten aan het verlagen van de zomerkade in het gebied naar 8,30 m+NAP (conform Keur Waterschap). Omdat dit naar verwachting een probleem vormt bij vergunningverlening wordt aanbevolen om bij de aanvraag om watervergunning de zomerkade en de hoge delen van de dynamische oeverwal op 9 m+NAP aan te leggen en het ontwerp van de havenmonding en stromende geul nader te detailleren. De morfologisch effecten zullen dan in lijn zijn met die van het basisalternatief en worden aanvaardbaar geacht. Door de aanpassingen zal een deel van de toename van het waterstandverlagend effect ten opzichte van het basisalternatief verloren gaan. Dat is aanvaardbaar omdat hier momenteel geen concrete taakstelling voor bestaat. Tijdelijke situatie Ten aanzien van de tijdelijke situatie wordt de onbegroeide situatie direct na aanleg als het meest maatgevend beschouwd, met name uit het oogpunt van stroomsnelheden. In de tijdelijke onbegroeide situatie kort na aanleg is het waterstand-verlagend effect maximaal 16 mm in de rivier-as. Het benedenstroomse effect neemt in de tijdelijke situatie niet toe.

Gebiedsvisie Midden-Waal De gebiedsvisie Midden-Waal, bestaande uit Willemspolder, Gouverneurspolder en een verlaagde Nieuweweg levert een waterstandsdaling van 147 mm bij 16.000 m3/s op [zie bijlage 4]. Dat is ruim 10 keer het effect van het Voorkeursalternatief. De rivierkundige neveneffecten (met name morfologie) die daarmee gepaard gaan nemen ook toe. Dit stuit wellicht op bezwaren en vraagt om een bestuurlijke afweging van rivierbeheerder Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld in het kader van het IRM programma. Het verlagen van de Nieuweweg heeft een sleutelrol in het activeren van het waterstand-verlagend effect. Hoewel dit de toegangsweg naar de bedrijfsbestemming van Dekker betreft staat Dekker niet afwijzend tegenover maatregelen aan de Nieuweweg. De bedrijfsbestemming is immers gericht op scheepvaartmobiliteit. Bij de nadere uitwerking van maatregelen in de toekomst kan gedacht worden aan een regelwerk die de waterstandsdaling alleen activeert wanneer die echt nodig is. Dat wil zeggen dat er bij hoge maar niet kritische afvoerniveaus geen sprake is van nadelige bijeffecten. Nadeel is dat regelwerken kostbaar zijn en gericht zijn op afvoerniveaus die statistisch maar eens per eeuw voorkomen. Een nader te onderzoeken mogelijkheid is een valmuur of een gecontroleerd bezwijkbare kering.

Dergelijke toepassingen zijn veel kosten-effectiever en worden in het buitenland ook bij noodoverlopen gebruikt. Bedrijfszekerheid in geval van nood is daarbij natuurlijk een voorwaarde. Aanbevolen wordt om het aanzienlijke rivierkundige

LAAG DIEPTE (CA. M NAP)

BODEMBESCHRIJVING

0

+7,5 à +6,0

Maaiveld

1

TYPERING

PARAMETERWAARDEN C [DAGEN] /KD [M2/DAG] c / kD

laag

verwachting hoog

Infiltratieoppervlak c

200

250

300w

+7,5 à +6,0 Klei tot +2,5 à -10

Waterremmend

c

100

200

300

2

+2,5 à -1,0 tot -21 à -31

Zand

Watervoerend

kD

750

1.000

1.250

3

-21 à - 31 tot -28 à -33

Kleilenzen, niet overal aanwezig Waterremmend (o.a. het geval bij Oostplas)

c

1,500

1,800

2.500

4

-28 à -33 tot -60*

Zand

kD

800

1.000

1.500

Watervoerend

*Maximaal door Fugro verkende diepte: NAP -52,0 m *DeGrondwaterkaart van Nedrrland geeft een kD waarde 500 tot 2000 m2/dag voor de eerste watervoerende laag indien er een scheidingslaag aanwezig is. Zonder scheidingslaag wordt er een kD waarde tussen 1.500 tot 3.000 m2/dag verwacht. Figuur 51 Bodemopbouw

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

72

WILLEMSPOLDER FASE 1

LAAG

HOOG [NAP M]

GEMIDDELD [NAP M]

LAAG [NAP M]

1

+ 5,6*

+ 4,8

+ 4,0

2&4

+ 8,0

+ 4,5

+ 3,0

*Bij een hoge waterstand in de Waal overstroomt de uiterwaarde en zal de freatische grondwaterstand, afhankelijk van de duur van de hoogwatergolf, het Waalpeil overnemen.

Figuur 52 Grondwaterstanden en stijghoogten referentiesituatie

potentieel van Gebiedsvisie Midden-Waal en de daarbij behorende maatregelen nader uit werken in het kader van het IRM-programma.

5.2.2 Grondwater Referentiesituatie De referentiesituatie voor het grondwater is berekend in het grondwatermodel MORIA, dat in samenwerking tussen provincie Gelderland, Waterschap Rivierenland en Vitens tot stand is gekomen. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het grondwateronderzoek. In de referentiesituatie is sprake van de onderstaande bodemopbouw en grondwaterdynamiek. Basisalternatief Op basis van het grondwateronderzoek blijkt dat het basisalternatief een beperkte invloed heeft op de omgeving. In de eindsituatie is de winlocatie weer aangevuld conform het landschapsplan. Doordat bij de herinrichting (ten opzichte van de referentiesituatie) met fijner materiaal wordt aangevuld is de doorlatendheid van de bodem minder. In de basisvariant is er geen sprake van relevante vernatting (kwel) of verdroging. De grondwatersituatie conform de referentiesituatie kan worden hersteld of zelfs worden verbeterd. Voorkeursalternatief De grondwatereffecten van het voorkeursalternatief komen in grote lijnen overeen met het basisalternatief. De verdieping van de Oostplas heeft geen significante consequenties voor de grondwatersituatie. Er is er geen sprake van relevante vernatting (kwel) of verdroging. De grondwatersituatie conform de referentiesituatie kan worden hersteld of zelfs worden verbeterd.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

73

WILLEMSPOLDER FASE 1

Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie zijn de grondwatereffecten het grootst. In deze situatie ligt het wingebied tijdelijk open en nadert de waterlijn (uiterste grens van de ontgronding) het dichtst de waterkering. Wanneer bij extreem laag water het maximale wingebied open ligt treed het grootste effect op, er is dan sprake van een verdrogend effect. Bij extreem hoogwater nemen de grondwaterstand en stijghoogte licht toe. Voor de gemiddelde zomer- en wintersituatie zijn de vernatting en verdroging nihil. De extra inspanningen voor het waterschap om voldoende aan- en afvoer in de watergangen te waarborgen zijn verwaarloosbaar. In de meest extreme situatie wordt strikt genomen niet voldaan aan 2% kwelverandering en 5 cm grondwaterstandsverandering volgens de eisen uit de Keur van het Waterschap. De afwijking van de grondwaterstand en stijghoogte vallen binnen de onnauwkeurigheid van het grondwatermodel, de afwijking in het kweldebiet (afname) kan in droge perioden worden beheerst door het inlaten van meer water. De grondwatereffecten worden aanvaardbaar geacht. Omdat er in werkelijkheid gefaseerd wordt ontgrond en heringericht ligt niet het hele wingebied gelijktijdig open. Daardoor zijn de werkelijke effecten in de tijdelijke situatie naar verwachting minder dan berekend.

Gebiedsvisie Midden-Waal Voor de Willemspolder en de Gouverneurspolder zijn de grondwatereffecten in beeld gebracht door middel van een kwantitatief grondwateronderzoek. De effecten op het grondwater liggen in lijn met Willemspolder fase 1 en worden aanvaardbaar geacht. In een later stadium dient dit nader te worden geverifieerd op basis van modelberekeningen en monitoring.

5.2.3 Waterkering Referentiesituatie De referentiesituatie voor de waterkering bestaat uit de huidige situatie van de primaire waterkering en de zomerkade in het plangebied, inclusief de daarbij behorende beschermingszones.

Figuur 53 Waterkering inclusief beschermingszones

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

74

WILLEMSPOLDER FASE 1

Figuur 54 Toetsing waterkering

De bestaande waterkering (traject 43-5) voldoet niet aan de huidige veiligheidsnorm zoals aangegeven in het WBI207 (wettelijk beoordelingsinstrumentarium 2017). De waterkering is onderdeel van Dijkversterkingsproject Neder-Betuwe. Dit project is momenteel in voorbereiding door Waterschap Rivierenland in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma.

Figuur 55 Dijkversterking locatie Echteld DT150

De geplande Dijkversterking Neder-Betuwe maakt geen deel uit van de referentiesituatie omdat deze ontwikkeling nog in de planfase verkeert en er nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. In de effectbeoordeling wordt al wel een doorkijk naar de toekomstige dijkversterking gegeven. Daarbij is gebruik gemaakt van de door het Waterschap verstrekte informatie. Voor de locatie Echteld DT150 (ter hoogte van de 1e en 2e Run) is er een opgave voor de aspecten hoogtetekort en piping. Voor de locatie DT160 (tussen poelen en Heersweg) is sprake van een versterkingsopgave voor de aspecten macrostabiliteit en hoogte. De noodzaak voor een pipingmaatregel wordt momenteel nog onderzocht. Op dit traject wordt door het waterschap een binnendijkse versterking voorgesteld in de vorm van verhoging van de dijk en verbreding van de berm. Het waterschap heeft op basis van het grondwatermodel MORIA en grondwatermetingen een voorlopige aanname gedaan voor de weerstand in het voorland en de effectieve kwelweglengte (dit is nog een onderdeel van een lopende studie). Op basis daarvan wordt op traject DT160 een pipingmaatregel voorlopig uitgesteld.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

75

WILLEMSPOLDER FASE 1

Basisalternatief In de basisvariant is er geen sprake van relevante vernatting (kwel) of verdroging. De grondwatersituatie conform de referentiesituatie kan worden hersteld of zelfs worden verbeterd. Omdat er sprake is van stabiele taluds en er geen significante zettingen bij de waterkering optreden heeft de basisvariant geen invloed op de aspecten stabiliteit en hoogtetekort. Nadelige effecten ten gevolge van golfslag en stroming tegen de Waalbandijk ten gevolge van de aanpassing van de zomerkade worden niet verwacht. De golfslag bij de dijk wordt met name bepaald door de windkracht, windrichting, strijklengte en waterdiepte. De strijklengte over het aangepaste deel van de zomerkade is beperkt, en de windrichting is tegengesteld aan de stroomrichting waardoor de golfslag wordt geremd. Aanpassing van de zomerkade heeft alleen op het gedeelte dwars op de stromingsrichting een relevante invloed op het stroombeeld bij maatgevend hoogwater. Aangezien dit een beperkt gedeelte betreft zijn de effecten op het totale stromingsbeeld gering. Voor de locatie Echteld DT150 (ter hoogte van de 1e en 2e Run) is gelet op de huidige insnijdingen (zoals sloten) en verstoringen in het voorland (zoals poelen) weinig weerstand in het voorland aanwezig. De ingreep conform het basisalternatief brengt geen verandering aan in de effectieve kwelweglengte.

Voor de locatie DT160 (tussen poelen en Heersweg) wordt in de eindsituatie meer weerstand in het voorland aangebracht doordat gemiddeld met fijner en minder doorlatend materiaal wordt aangevuld dan in de referentiesituatie aanwezig is. Dit heeft naar verwachting een positief effect op de pipingopgave. Voorkeursalternatief Bij verdieping van de Oostplas tot -45 m-NAP met talud 1:3 blijft de taludstabiliteit gewaarborgd. Er treden geen andere nadelige effecten op. De meestromende geul wordt voldoende erosiebestendig uitgevoerd zodat geen nadelige effecten voor de waterkring optreden [zie bijlage 6]. De effecten ten aanzien van de waterkering komen in het Voorkeursalternatief overeen met het Basisalternatief. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie zijn de grondwatereffecten het grootst. Op basis van beschikbare sonderingen en waterspannings-metingen de vanuit Dijkversterking Neder-Betuwe is een zettingsberekening op basis van de worst-case grondwatereffecten gemaakt. De verwachte zettingen van de dijkkruin zijn in de worst case situatie maximaal 1 cm en worden aanvaardbaar geacht. Op basis van geotechnisch onderzoek blijken de taluds in de tijdelijke situatie stabiel. Door bij de uitvoering (winmethode) tevens rekening te houden met het voorkomen van bresvloeiing blijft de standzekerheid van de waterkering gewaarborgd.

Voor de locatie DT160 (tussen poelen en Heersweg) stelt WSRL een pipingmaatregel voorlopig uit op basis van aannames over de weerstand in het voorland en de effectieve kwelweglengte. In de tijdelijke situatie wordt de door het WSRL aangenomen effectieve kwelweglengte door de ontgronding met ongeveer 50 meter beperkt verkort gedurende een periode van circa 2 jaar. Op basis van het wettelijk instrumentarium voor de beoordeling van de veiligheid van primaire keringen (WBI 2017) ligt het intredepunt voor piping op een afstand van 1 x de dijkbasis, gerekend vanaf de buitenteen van de primaire kering. Dat resulteert in dit geval in een zone van 55 meter vanaf de buitenteen. Binnen deze zone vinden geen ingrepen plaats. Daardoor is de veiligheid (standzekerheid) van de waterkering niet in het geding. Ten aanzien van het aspect pipng zijn in de tijdelijke situatie conform het WBI2017 geen effecten vanwege op de waterkering te verwachten. Gebiedsvisie Midden-Waal Voor de gehele Willemspolder zijn de effecten in beeld gebracht door middel van een kwantitatief grondwateronderzoek. De effecten komen overeen met de basisvariant. Voor de Gouverneurspolder is nog geen modelberekening gedaan. Op basis van expert judgement worden voor de eindsituatie van Gebiedsvisie

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

76

WILLEMSPOLDER FASE 1

Midden-Waal aanvaardbare grondwatereffecten verwacht. In het later stadium dient dit op basis van grondwatermodelering en monitoring verder in beeld te worden gebracht.

5.2.4 Conclusie effectbeoordeling Water

MILIEUEFFECTEN WATER

REFERENTIE SITUATIE

BASIS ALTERNATIEF

VOORKEURS ALTERNATIEF

TIJDELIJKE SITUATIE

GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL

Rivierkunde

0

+

+

+

++

Grondwater

0

0

0

-

0

Waterkering

0

0

0

0

0

5.3 Natuur De effecten op Natura 2000 gebieden zijn door middel van een passende beoordeling door SOVON inzichtelijk gemaakt [bijlage 7]. Daarbij is beoordeeld of er sprake is van significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. De effecten op het Nederlands Natuurnetwerk (NNN), zijn door SOVON in beeld gebracht [bijlage 8]. Hierbij zijn de effecten op de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) beoordeeld. Het natuurbeheertype N02.01 (rivier) valt formeel onder verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Het natuurbeheertype N02.01 (rivier) is daarom formeel NNN en geen GNN. In de beoordeling wordt voor dit NNN-gedeelte zo veel mogelijk aangesloten bij het toetsingskader zoals van toepassing op het GNN. Om het overzichtelijk te houden wordt het natuurbeheertype N02.01 (rivier) in dit MER ook betiteld als GNN. In de Gelderse Omgevingsvisie zijn de plassen en gedeelten van de oeverwal als GO en niet als GNN aangemerkt. Bij de effectbeoordeling is een worst case benadering gekozen. Deze onderdelen worden beoordeeld als ware het GNN. De effecten op beschermde soorten zijn in beeld gebracht Kurstjens Ecologisch adviesbureau [bijlage 9]. Op basis van meerjarig soortenonderzoek zijn de effecten getoetst op basis van de Wet natuurbescherming.

De effecten op de ecologische waterkwaliteit zijn op basis van expert judgement vastgesteld door rivierecoloog Gijs Kurstjens. De effectiviteit van maatregelen ten behoeve van de kaderrichtlijn Water (KRW) is in overleg tussen het KRW-team van Rijswaterstaat, rivierecoloog Gijs Kurstjens en rivierkundige Ron Agtersloot nader afgestemd.

5.3.1 Natura 2000 Referentiesituatie In de Passende beoordeling wordt de referentiesituatie in het kader van Natura 2000 overeenkomstig de jurisprudentie gezien als de feitelijke, legale actuele situatie, dus exclusief autonome ontwikkelingen. Het projectgebied Willemspolder fase 1 vormt onderdeel van het centrale rivierenlandschap, wat opgebouwd is uit uiterwaarden, stroomruggen en kommen. De inrichting bestaat momenteel vooral uit grasland (ca. 70 ha) met drie voormalige zandwinplassen (ca. 50 ha). De twee oostelijke plassen staan in open verbinding met de rivier en hebben een diepte van ongeveer 20 meter. Het merendeel van de oevers van de plassen bestaat uit zandige stranden. Om de plassen heen is een ruige vegetatie ontstaan van gras, kruiden en fragmenten

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

77

WILLEMSPOLDER FASE 1

van zachthoutooibos. Het huidige reliëf van het projectgebied is voor het overgrote deel bepaald door menselijk ingrijpen. Alleen direct langs de Waal ligt een smalle natuurlijke rivierstrandglooiing en iets meer landinwaarts ligt een kleine welving van rivierafzettingen. De oevers langs de Waal worden gekenmerkt door zandige stranden die door kribben van elkaar gescheiden zijn. Iets meer landinwaarts bevindt zich een pioniervegetatie op de oevers. In de meest oostelijke hoek van het projectgebied gaan deze over in vochtig grasland dat sterk onder invloed van de rivier staat. Ten zuiden van de plassen, rondom het bedrijfsterrein met de restanten van een voormalige steenfabriek, ligt typische uiterwaardennatuur, gekenmerkt door stukken wilgenbos, meidoornstruweel en begraasde weilanden. Ten noorden van de plassen en in het zuidwesten van het gebied is het overgrote deel van de uiterwaard agrarisch in gebruik. Het merendeel van deze gronden is in gebruik als grasland, maar vooral ten noorden van de Waardweg zijn ook percelen bouwland gelegen. De Waardweg is toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. In de zomer wordt in zowel de westelijke plas, ’t Spijker, als de twee oostelijke plassen gezwommen of verpoosd langs de zandige oevers. Rondom de plassen wordt gewandeld en lopen regelmatig honden los. Het betreft kleinschalig recreatief gebruik.

Met hoogwater fungeert het gebied als stroom- en bergingsgebied. Met uitzondering van de hoog gelegen delen (bedrijventerrein), kan het gehele projectgebied onder water staan bij hoogwater. Alleen de toppen van bomen verraden dan nog de contouren van de ooibosfragmenten. Basisalternatief De algemene conclusie is dat negatieve effecten van de realisatie van Willemspolder fase 1, conform het Basisalternatief, op de instandhoudingsdoelstellingen niet zijn uit te sluiten. Omdat deze maatregelen als nadere uitwerking zijn opgenomen in het voorkeursalternatief is het basisalternatief niet zonder meer vergunbaar in het kader van de Wet natuurbescherming [zie bijlage 7]. In figuur 56 zijn voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels afzonderlijk de conclusies weergegeven. Voorkeursalternatief In het VKA wordt het oppervlakteverlies van leefgebied van de Wulp (niet-broedvogel) deels te niet gedaan door het omzetten van bouwland in grasland tussen de Waardweg en de dijkzone. Daarnaast wordt in deze zone vochtig soortenrijk grasland ontwikkeld. Door in dit iets intensiever te beheren wordt het gras niet te lang en is de habitat geschikt voor de wulp. Door het doorgaande pad eenzijdig langs de dijkzone te leiden wordt de

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

78

WILLEMSPOLDER FASE 1

HABITATTYPE / SOORT

GEBIEDSONTWIKKELING

AANLEGFASE

habitattypen en leefgebieden van soorten

Aantasting door stikstofdepositie

Verkenning brongerichte maatregelen w.o. inzet van elektrisch materieel. Voorts inzet op interne of externe saldering. Als dit niet mogelijk is dan dient verbetering leefgebied voor Kwartelkoning en Watersnip te worden uitgewerkt waardoor ondanks additionele N-depositie een kwaliteitsverbetering resteert.

Meervleermuis

Verstoring door kunstlicht en geluid

In de actieve periode (tussen april en september, tussen zonsondergang en zonopkomst) dienen geen werkzaamheden plaats te vinden waarbij de wateren in het projectgebied beschenen worden en/of piekgeluiden optreden.

Geen maatregelen nodig

Aalscholver, Oeverzwaluw (broedvogel)

Risico op aanvaring met windturbines, maar de 1%-mortaliteitsnorm zal ook cumulatief niet overschreden worden

Hoewel niet noodzakelijk kan een oeverzwaluwwand tot een plus leiden.

Nadere risicobeoordeling is nodig als gekozen wordt voor een turbine met een lagere tiplaagte.

Wulp (niet broedvogel)

Oppervlakteverlies leefgebied

In de omgeving van het projectgebied dient het verlies aan foerageergebied voor Wulp te worden gemitigeerd.

Wulp (niet broedvogel)

Verstoring door geluid

In de omgeving van het projectgebied dient het verlies aan foerageergebied voor Wulp te worden gemitigeerd.

Aalscholver, Scholekster (nietbroedvogel)

Risico op aanvaring met windturbines), maar de 1%-mortaliteitsnorm zal ook cumulatief niet overschreden worden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595315/1