Bijlage 1 - MER
Tekst van het document
Geen maatregelen nodig (in de aanlegfase zijn geen slachtoffers te verwachten)
GEBRUIKSFASE
Nadere risicobeoordeling is nodig als gekozen wordt voor een turbine met een lagere tiplaagte.
Figuur 56 Beoordeling Natura 2000 basisalternatief
recreatiedruk laag gehouden en verstoring tegengegaan. De overige mitigatie wordt ingevuld door het huidige leefgebied in de zuidwesthoek van de oeverwal te vrijwaren van bos om de openheid te behouden. Significante gevolgen voor de instandhoudings-doelstelling van de Wulp zijn dan met zekerheid uit te sluiten. Het water waarop de drijvende zonnepanelen worden aangelegd is te diep om van waarde te kunnen zijn voor foeragerende watervogels. Het centrale deel van de Oostplas is ook geen rustgebied van betekenis, terwijl bovendien nieuw rustgebied ontstaat. Effecten van het drijvende zonneveld van 6 ha zal de instandhoudingsdoelstellingen voor natura 2000-gebied Rijntakken dan ook met zekerheid niet in gevaar brengen. De plaatsing van twee windturbines leidt niet tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor natura 2000-gebied Rijntakken [zie bijlage 7]. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie is in het gebied sprake van delfstoffenwinning en herinrichting van het gebied. Door het project gefaseerd te ontgronden blijven de effecten steeds beperkt tot een deel van het gebied. Door deze deelgebieden aansluitend ook weer in te richten en in beheer te nemen komt er gedurende de realisatiefase nieuwe natuur beschikbaar.
Dit heeft tot gevolg dat bestaande natuurwaarden de gelegenheid krijgen om zicht tijdens de realisatiefase op een geschikte plaats te vestigen. Een goed voorbeeld is het gefaseerd verwijderen van begroeiing en het op basis van het beheerplan weer laten ontstaan van nieuw bos en vegetatie. Soorten als de Bever, Buizerd, Havik en Vleermuizen kunnen zo op het ontstaan van een nieuwe situatie
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
79
WILLEMSPOLDER FASE 1
inspelen. In de actieve periode van de Meervleermuis (tussen april en september, tussen zonsondergang en zonopkomst) worden werkzaamheden vermeden waarbij de wateren in het projectgebied beschenen worden en/of piekgeluiden optreden. Door de inzet van elektrisch materieel voor de bouwgrondstoffenwinning wordt stikstofdepositie voorkomen. Vanwege het droog grondverzet is nog steeds sprake van stikstofdepositie vanwege de realisatie. Omdat de bestemming agrarisch wordt omgezet naar natuur verdwijnt een significante stikstofdepositie, voornamelijk door het achterwege laten van bemesting en intensieve beweiding. Daardoor ontstaat een grote netto reductie van de stikstofdepositie. Op basis van de Wijziging Beleidsregel intern en extern salderen (d.d. 16 juni 2020, zaaknummer 2019-013422) kunnen Gedeputeerde Staten interne saldering toestaan indien de beëindiging van de N-emissie veroorzakende activiteit uit de referentiesituatie rechtstreeks verband houdt met het voornemen voor de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt. In het onderhavige geval wordt de N-emissie veroorzakende activiteit vanwege het agrarische gebruik uit de referentiesituatie beëindigd. De omzetting naar natuur, door ontgronding en herinrichting, is de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt.
Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden op basis waarvan intern gesaldeerd mag worden en kan een ADC toets achterwege blijven. Gebiedsvisie Midden-Waal Realisatie van de gehele gebiedsvisie Midden-Waal betekent dat over een areaal van 600 hectare uiterwaard het agrarisch gebruik wordt weggenomen, waarvoor natuur in de plaats komt. De reductie van de stikstofdepositie vanwege Willemspolder fase 1 wordt dan in totaal ongeveer verdrievoudigd. Dit heeft een groot positief effect ten gevolg. Naar verwachting kunnen ook voor Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder de negatieve effecten voor het Natura2000 gebied Rijntakken worden gemitigeerd. Hoewel de opgave ten aanzien van het ganzenfoerageergebied voor Willemspolder fase 1 oplosbaar is gebleken is op voorhand niet zeker dat de kerngebiedenbenadering op dezelfde wijze voor Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder uitpakt. Het omzetten van een groot areaal bouwland (mais) naar grasland is nog beschikbaar als maatregel om de volgende fase in de gebiedsontwikkeling mogelijk te maken. Verwacht wordt dat in de komende jaren een beter gebalanceerd natuurbeleid voor Natura2000 gebied Rijntakken wordt ontwikkeld, waarin minder naar specifieke vogelsoorten en meer naar biodiversiteit wordt gekeken.
5.3.2 Natuurnetwerk Nederland Referentiesituatie De referentiesituatie voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) komt grotendeels overeen met de beschrijving in het kader van de passende beoordeling / Natura 2000. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar de rapportage van Sovon. Van de 160 ha die het projectgebied omvat behoort 67,9 ha tot het NNN. De voormalige zandwinplassen (exclusief plas ’t Spijker) vallen onder natuurbeheertype N02.01 (rivier) en behoren tot het NNN (45,7 ha) waar het Rijk verantwoordelijk voor is: de grote wateren. De provincie Gelderland is verantwoordelijk voor het NNN op land: het GNN (22,2 ha). In dit MER is het natuurdoeltype N02.01 (rivier) beoordeeld als ware het GNN. Binnen de grens van het projectgebied, kent het GNN de natuurbeheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, naast het agrarisch natuurbeheertype A02.01 botanisch waardevol grasland. Binnen het projectgebied ligt daarnaast ook het natuurbeheertype N02.01 Rivier dat behoort tot de grote wateren.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
80
WILLEMSPOLDER FASE 1
De bestaande natuurwaarden binnen het gebied zijn slechts beperkt ontwikkeld. In het GNN binnen de projectbegrenzing zijn geen op grond van de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen (Kurstjens & De Jong 2018) en komen slechts vier soorten voor: Bever, Buizerd, Havik en Ruige Dwergvleermuis (Kurstjens 2020.) waarvoor eventueel ontheffing moet worden aangevraagd. Het grasland van natuurbeheertype A02.01 leent zich in de referentiesituatie voor de ontwikkeling van stroomdalgrasland, wat past bij het ontwikkelingsdoel: “Ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden”. Dat kan overigens alleen als het huidige reliëf van de oude oeverwal behouden blijft, wat past bij ontwikkelingsdoel: “behoud reliëf oeverwallen, strangen en andere stromingspatronen”. Bij verdere extensivering van het beheer leent het grasland zich ook voor het ontwikkelingsdoel: “Ontwikkelen van weidevogel populaties”. In de winter kunnen watervogels zoals Grauwe Ganzen hier foerageren, wat past bij het ontwikkelingsdoel: “ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels; behoud foerageer gebied voor ganzen, zwanen en smienten”. De zandwinplassen van natuurbeheertype N02.01 kunnen zich in de referentiesituatie ontwikkelen als biotoop voor vissen.
Het kruiden- en faunarijk grasland van natuurbeheertype N12.02 lijkt zich in de referentiesituatie vooral te ontwikkelen als ruigterand, zoals past bij ontwikkelingsdoel: “ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden”. Aan de zuidzijde van de meest oostelijke zandwinplas is sinds kort een beverterritorium gevestigd [zie bijlage 8]. Dat past bij het ontwikkelingsdoel “ontwikkeling populatie bevers (en otters)”.
Figuur 57 Ligging GNN (waarvan water tot NNN behoort) en GO
In de referentiesituatie zijn binnen het GO bij voortzetting van het huidige beheer en gebruik weinig ontwikkelingen te verwachten die passen bij de ontwikkelingsdoelen die zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Van belang is de aanwezigheid van een rustgebied voor winterganzen. Daarvoor bestaan Figuur 58 Natuurbeheertypen Referentiesituatie
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
81
WILLEMSPOLDER FASE 1
Figuur 59 Rustgebied voor winterganzen
geen ontwikkelingsdoelen maar is een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid voor het foerageergebied voor ganzen, zwanen en smienten. Basisalternatief Effecten op de kernkwaliteiten van het GNN Herinrichting op grond van het basisalternatief heeft de volgende effecten op het GNN: • 2,0 ha van de natuurbeheertypen in het GNN worden omgevormd naar bedrijventerrein. Opgemerkt dient te worden dat dit gebied in het vigerende bestemmingsplan als bedrijfsterrein is bestemd maar in het huidige situatie niet als zodanig in gebruik is. Omvorming naar een andere bestemming dan natuur binnen de GNN begrenzing is in beginsel strijdig met artikel 2.39 van de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Daarin is bepaald dat een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk is als er sprake is van een groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieven en het beperken en compenseren van de negatieve effecten. Ook het spoor van herbegrenzing van het GNN, zoals bedoeld in artikel 2.42 van de Omgevingsverordening, kan worden verkend. • 0,3 ha van de natuurbeheertypen wijzigen naar paden, wegen en bermen. Wanneer deze paden en wegen onverhard blijven zal dit gezien het zeer geringe oppervlak geen consequenties hebben voor het functioneren van de natuurbeheertypen.
• Het afgraven de zomerkade en oeverwal op de locatie waar natuurbeheertype A02.01 (Botanisch waardevol grasland) heeft een negatief effect dat voorkomen moet worden. Behoud van de eigenschappen m.b.t. reliëf en bodem zijn van belang voor de soortenrijkdom, zodat het natuurbeheertype als dusdanig kan functioneren. Wel kan de uitgangssituatie voor natuurontwikkeling worden verbeterd door de voedselrijke toplaag (50-100 cm) te verwijderen. • Een deel van de natuurbeheertypen zal veranderen in een andere vorm van natuur. Het gaat hierbij om een wijziging van een deel van het kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) naar ‘zandige oever rivierduin’ en ooibos. Afhankelijk van het beheer kan de natuur van ‘zandige oever rivierduin’ zich ontwikkelen naar natuurbeheertypen N11.01 Droog schraalland of N12.06 Ruigteveld. Uit bijlage 8 van de Omgevingsverordening blijkt dat de natuurbeheertypen N11.01 en N12.06 beschouwd kunnen worden als beheertypen van een hogere categorie. Hardhoutooibos wordt zelfs beschouwd als topnatuur.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
82
WILLEMSPOLDER FASE 1
Effecten op de kernkwaliteiten van de GO Bij herinrichting op grond van het basisalternatief kan aantasting van de kernkwaliteiten van het GO kunnen worden uitgesloten. Het areaal ganzenrustengebied (in de praktijk foerageergebied voor overwinterende ganzen) blijft op peil als ook de GO binnen het projectgebied maar buiten het gebied met de bestemming ganzenrustgebied wordt Figuur 60 Natuurbeheertypen Basisalternatief beschouwd. De oppervlakte ganzenrustgebied blijft op peil maar de kwaliteit neemt wel af door afname van de openheid en de omzetting van productiegrasland naar natuurlijk grasland. Deze graslanden hebben een lagere calorische waarde; ze zijn dus minder voedzaam voor overwinterende ganzen. In het zuidwestelijke deel van het projectgebied is het reliëf en de bodem van bijzondere aardkundige waarde, hetgeen zich ook uit in het voorkomen van indicatieve soorten van oeverwallen. Het ontwerp kan dusdanig aangepast worden, dat het reliëf en de bodemeigenschappen ter plaatse behouden blijven. Het GNN en GO kennen formeel geen externe werking. Er kan een beperkte externe werking optreden op omliggende GNN- en GO-gebieden. Het gaat hierbij om tijdelijke stikstofdepositie met name binnen vijf kilometer rondom het projectgebied, tijdelijke geluidsverstoring direct rondom het projectgebied en verstoring van de weidsheid, rust en duisternis van de windturbines.
De windturbines zorgen ook voor enige barrière-werking bij watervogels. Aantasting van de broed- rust- en foerageerfunctie voor vogels zal niet of nauwelijks optreden. Voorkeursalternatief In het voorkeursalternatief wordt omvorming van natuurbeheertypen in het GNN naar bedrijventerrein zoveel mogelijk voorkomen. Enig ruimtebeslag op het GNN is door aanleg van een haven onvermijdelijk. Door uit te gaan van een kleinere haven wordt het ruimte beslag van 2,0 ha teruggebracht naar 0,9 ha. Door aanpassing van de vormgeving van bedrijfsbestemming blijft het GNN ten oosten van het bedrijventerrein gespaard. Er blijft ook in beperkte mate sprake van kwaliteitsverlies in het gebied rond de invaart en haven. Door toegenomen bedrijvigheid wordt het kwaliteitsverlies geraamd op 2,6 ha GNN, dat wordt gerekend tot natuurbeheertype N02.01 (Rivier). Dekker wil een bijdrage leveren aan de transitie naar een duurzame energievoorziening door op de Oostplas maximaal 6 hectare aan drijvende zonnepanelen te installeren. Hoewel het gaat om een al diepe plas (ca. 20 m) die verder wordt uitgediept, kan enig kwaliteitsverlies hierdoor niet worden uitgesloten.
Omdat kwaliteitsverbetering van de natuur een projectdoel is, wil Dekker naast oppervlakteverlies ook alle (mogelijke) vermindering van kwaliteit te niet doen door uitbreiding van de totale oppervlakte GNN en - na herinrichting - ook door kwaliteitsverbetering van de nieuwe natuur.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
83
WILLEMSPOLDER FASE 1
De wijzigingsbepalingen binnen de provinciale Omgevingsverordening maken het wijzigen van de begrenzing van het GNN onder voorwaarden mogelijk. Belangrijke voorwaarden zijn verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van het GNN, behoud van de kernkwaliteiten van het GNN en het voorkomen van oppervlakteverlies. Aan de voorwaarden van verbeterde samenhang en inpassing wordt ruimschoots voldaan door ruim 74,1 Figuur 61 Vergelijking beheertypen GNN tussen voorkeursalternatief en ha GO toe te voegen aan het GNN. referentiesituatie Dat is een areaalvergroting van het NNN van provinciale en landelijke betekenis. Aan de nieuwe GNN-natuur zijn natuurbeheertypen gekoppeld. Het gaat om de onderstaande natuurbeheertypes:
Door de herinrichting volgens het voorkeursalternatief wordt 74,1 ha GO toegevoegd aan het GNN. Door deze omzetting én het beheer van de gronden als natuurgebied, wordt de ecologische samenhang van de natuur in het GNN per saldo substantieel versterkt.
NATUUR- NATUURBEHEERTYPE BEHEERTYPE
OPPERVLAKTE GNN REFERENTIESITUATIE (HA)
A012.01
Botanisch waardevol grasland
2,1
N012.01
Rivier
45,7
NOc4.02
Zoete plas,
N 11.01
Droog schaalgrasland
N 12.01
Broemdijk
N12.02
Kruid- en faunarijk Grasland
N1 4.01
Rivier- en Beekbegeleidend bos
Totaal
OPPERVLAKTE- TOENAME GNN EN KWALITEITS VKA VERLIES (HA) VKA (HA)
2,6
OPPERVLAKTE GNN VKA (HA)
TOELICHTING
0,0
Transitie naar N 11.101
25,7
68,8
0
2,1
2,1
0
7,7
9,8
0
2,7
2,7
15, 1
28, 1
13,9
0,9
6,2
0,2
20,8
26,8
67,9
3,7
74,1
138,3
Figuur 62 Toename Natuurbeheertypen GNN in VKA
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
84
WILLEMSPOLDER FASE 1
incl. 2, 1 ha A02.101
Tijdelijke situatie In de aanlegfase is enige verstoring niet uit te sluiten. De verstoring door de realisatie van het project is plaatselijk en tijdelijk (totaal maximaal 10 jaar). Het werkproces heeft een voortschrijdend karakter en schuift geleidelijk naar het westen op. Direct nadat de werkzaamheden gereed zijn gaat de herinrichting van start. Dat wil zeggen dat de verstoring op een locatie maximaal 1 - 2 jaar duurt.
Figuur 63 Herbegrenzing GNN
Gebiedsvisie Midden-Waal Realisatie van de gehele gebiedsvisie Midden-Waal betekent dat over een areaal van 600 hectare uiterwaard het agrarisch gebruik wordt weggenomen, waarvoor natuur in de plaats komt. Daarmee kan er een groot areaal aan waardevolle natuurbeheertypen aan het GNN worden toegevoegd.
5.3.3 Beschermde soorten Referentiesituatie In de referentiesituatie is sprake van reguliere intensieve landbouw rondom de plassen in het plangebied. De potentie voor kenmerkende riviernatuur komt hierdoor nauwelijks uit de verf. Wel vervult het open agrarische gebied een rol als overwinteringsgebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (zoals Wulp en ganzen, zie passende beoordeling). Binnen fase 1 van de Willemspolder komen een aantal soorten voor waarvoor een conflict met het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming wordt verwacht. Het betreft volgende soorten voor: bever, buizerd, havik en ruige dwergvleermuis. Van buizerd en havik komt van elke soort een horst voor. Van de bever zijn drie territoria aanwezig. Van de ruige dwergvleermuis is een paarverblijfplaats vastgesteld bij de plas ‘t Spijker. Beschermde amfibieën, vissen, insecten en plantensoorten zijn afwezig in fase 1. Basisalternatief In het basisalternatief wordt het verlies van een beverterritorium te niet gedaan door natuurlijke oevers en ooibos te realiseren, zodat voldoende foerageergebied beschikbaar blijft. Per familie wordt doorgaans gerekend met 2 km natuurlijke oever waarvan 40% (800m) bestaat uit zachthoutooibos (Richtlijn inzake bever Project Stroomlijn; Kurstjens e.a., 2014).
Voor de nestlocatie van de Buizerd die door de ingreep verdwijnt ontstaat in de basisvariant nieuw geschikt broedgebied. Voor deze algemeen voorkomende soort zijn er ook alternatieve locaties voorhanden. De Havikshorst en het ooibos in de directe omgeving daarvan blijft gespaard. Het verlies van de paarverblijven van de Ruige dwergvleermuis in de bomen langs de bestaande plas ’t Spijker wordt in het basisalternatief te niet gedaan door de ontwikkeling van nieuw ooibos, waarvan het totale areaal groter is ten opzichte van de referentiesituatie.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
85
WILLEMSPOLDER FASE 1
De plaatsing van windturbines kan effecten hebben op vogels en vleermuizen. Ten aanzien van vogels zullen de windturbines niet leiden tot een zodanige aantasting van leefgebieden, tot een zodanige barrièrewerking of tot een zodanige sterfte, dat verslechtering van de staat van instandhouding van bepaalde soorten aan de orde is. De windturbines zullen niet leiden tot verstoring van vaste verblijfsplaatsen of belangrijke foerageerroutes van vleermuizen. Sterfte door aanvaringen met draaiende rotorbladen voldoet aan de 1%-mortaliteitnorm. Figuur 64 Locaties waar beschermde soorten voorkomen Wel is voor vleermuizen (3 soorten) een ontheffing nodig. Het verdient aanbeveling om in de ontheffingsaanvraag eventuele mitigerende maatregelen (stilstandvoorziening) en de cumulatie met andere windparken uit te werken op basis van het definitieve ontwerp (o.a. keuze turbinetype en exacte positionering). Door de omvorming van intensief agrarisch gebruik naar natuur zal de biodiversiteit in het basisalternatief toenemen. Er wordt winst voor de natuur geboekt door de ontwikkeling van kenmerkende rivierhabitats (slikkige oevers, extensief grasland, meer ooibos en ruimte voor oeverwalontwikkeling met stroomdalflora). Daardoor zal het aantal beschermde soorten naar verwachting toenemen. In die zin heeft het basisalternatief een positief effect op beschermde soorten.
De negatieve effecten op soorten zijn tijdelijk en worden gemitigeerd. In samenhang beschouwd is het effect van het basisalternatief op beschermde soorten neutraal. Voorkeursalternatief In het voorkeursalternatief neemt het positief effect op de soortenrijkdom significant toe door toevoeging van ruim 70 hectare waardevolle natuurbeheertypen aan het GNN. Met name de stromende geul, het vochtig soortenrijk grasland, hardhoutooibos en de dynamische oeverwal dragen daar aan bij [zie bijlage 9]. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie verdwijnt een vaste verblijfplaats van de Bever, een nestlocatie van de Buizerd en paarverblijven van de Ruige Dwergvleermuis. Hiervoor is in het kader van soortbescherming een ontheffing nodig van de Wet Natuurbescherming, inclusief mitigatieplan. Voor andere soorten is geen ontheffing nodig mits ingrepen zoals het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen van vogels plaats vinden en de locaties waar bovengrond moet worden verwijderd tijdig ongeschikt gemaakt worden voor de vestiging van broedvogels.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
86
WILLEMSPOLDER FASE 1
Door gefaseerd te werken (van oost naar west) blijft er voldoende leefgebied voor de Bever, Buizerd en Ruige dwergvleermuis bestaan. Ook zal er gedurende de realisatiefase weer jong ooibos voor deze soorten ontstaan dat als leefgebied kan dienen. Negatieve effecten op beschermde soorten worden daardoor gemitigeerd. Deze werkwijze wordt nader uitgewerkt in een mitigatieplan bij de ontheffingsaanvraag Wet Natuurbescherming. Voor de bestaande soorten in het gebied is er een tijdelijk negatief effect. Pionier soorten (zoals Oeverzwaluw en Kleine plevier) kunnen tijdelijk profiteren in deze fase. Daardoor zou het effect op beschermde soorten in het algemeen ook als neutraal kunnen worden beschouwd. Gebiedsvisie Midden-Waal Door het huidige intensieve agrarische gebruik is het plangebied van gebiedsvisie Midden-Waal minder geschikt voor beschermde soorten. Als zowel de Willemspolder als de Gouverneurspolder zijn omgevormd naar natuurgebied wordt aanzienlijke winst voor de natuur geboekt. Sleutelfactoren voor de natuurwinst zijn een goede balans tussen hoogdynamische en laagdynamische natuur (o.a. in Schipperswaard en bekade deel van de Gouverneurspolder), natuurlijke oeverwalontwikkeling onder invloed van rivierdynamiek, ontwikkeling van hardhoutooibos onder invloed van extensieve begrazing en de ontwikkeling van tijdelijke overstromingsvlakten (achter zomerkades).
Naar analogie met de effecten op het natuurnetwerk Nederland betekent realisatie van de gehele gebiedsvisie Midden-Waal dat over een areaal van 600 hectare uiterwaard het agrarisch gebruik wordt weggenomen, waarvoor natuur in de plaats komt. Daarmee kan er een groot areaal aan waardevolle natuurbeheertypen aan het GNN worden toegevoegd. Daardoor neemt de biodiversiteit en ook het voorkomen van beschermde soorten toe. Gelet op het areaal van deze natuurontwikkeling is sprake van een groot positief effect.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
87
WILLEMSPOLDER FASE 1
5.3.4 Ecologische waterkwaliteit Referentiesituatie In de referentiesituatie (zie beschermde soorten) ontbreken beschermde watergebonden soorten in het gebied. In de plassen zijn algemeen voorkomende vissoorten aanwezig zoals voorn, brasem, karper, baars en snoek. In de poelen tussen de waardweg en de dijkzone komt een goed ontwikkelde vegetatie voor met verschillende soorten waterplanten en riet. Stromend water voor stroom minnende soorten ontbreekt in het gebied. Doordat de plassen in open verbinding staan met de Waal is er wel verversing van het water mogelijk. Basisalternatief In het basisalternatief wordt tussen de huidige Waardweg en de plassen een ‘systeem van lagunes met natuurlijke vooroevers’ aangelegd. De poelen tussen de Waardweg en dijkzone blijven gehandhaafd. In geschikt leefgebied voor stroom minnende soorten wordt niet voorzien. De ‘stroomversnelling met stapstenen’ en het schiereiland bij de huidige plas ’t Spijker functioneren in fase 1 nog niet als stromende geulen voor KRW-doelen. Er is niet voorzien in een in- en uitstroom, waardoor het verhang op de rivier niet ingezet kan worden om stroming te genereren.
In januari 2020 heeft RWS Oost Nederland het basisalternatief beoordeeld en gesteld dat het plan in deze vorm zal bijdragen aan KRW-doelen, met name voor de punten: 1. Laagdynamisch gebied (tussen waardweg en dijkzone), mits zomerkade niet té hoog blijft waardoor deze nooit overstroomt; 2. Systeem van lagunes met zandige vrij eroderende oevers, waarbij zelferoderende oevers sterk afhankelijk zijn van mate en frequentie van overstromen van dit deel van de uiterwaard. Er moet wel voldoende dynamiek zijn om erosieproces op gang te brengen. Maar de ondiepe, laagdynamische en begroeide lagunes bieden ook al meerwaarde; 3. Hoofdgeul met zandige vrij eroderende oevers. Hebben in principe wel meerwaarde maar deze is ook afhankelijk van de einddiepte van de plassen. Het plan is aangemerkt als een autonoom project voor KRW-doelen, met als randvoorwaarden: • de KRW-maatregelen moeten uiterlijk 2027 gereed zijn; • de maatregelen vergunbaar moeten zijn ingevolge de Waterwet/RBK; • Het plan in samenhang met Natura 2000 (provincie Gelderland) wordt beoordeeld; • Er geen financiële bijdrage van RWS is als gevolg van aanbestedingsregels. Voorkeursalternatief In het voorkeursalternatief wordt het ‘systeem van lagunes met natuurlijke vooroevers’ omgevormd tot een 1,4 km lange stromende geul.
Door een inlaatwerk aan te leggen door de Nieuweweg en de invaart naar de Waal open te laten wordt het verhang op de rivier maximaal benut voor stroming in de geul. In juni 2020 is het ontwerp van de stromende geul in het voorkeursalternatief in overleg met de Coördinator, technisch manager en omgevingsmanager van het KRW-programma van RWS Oost Nederland verder uitgewerkt. Voorwaarden hierbij zijn dat de geul liefst altijd, maar minimaal 10 maanden per jaar moet stromen, de stroomsnelheid ongeveer 30 cm/s is en lokale dieptes worden ingebouwd om volledige droogval te voorkomen. Ten aanzien van de vergunbaarheid moeten de neveneffecten uit het RBK nog aanvaardbaar zijn. Als vuistregel daarbij geldt dat niet meer dan 1% van de hoofdstroom op de rivier wordt gebruikt om
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
88
WILLEMSPOLDER FASE 1
de geul te laten stromen. In deze ontwerpsessie hebben rivierecoloog Gijs Kurstjens en rivierkundige Ron Agtersloot aangetoond dat in het voorkeursalternatief een goed functionerende stromende geul kan worden gemaakt die aan alle ontwerpcriteria voldoet. Dit is nader onderbouwd in het rivierkundig rapport in de bijlagen. Daarbij is het idee geopperd om de instroomvoorziening regelbaar of deels afsluitbaar te maken om flexibel in te kunnen spelen op het zich ontwikkelende thema van morfologie en zomerbederosie. Dit kan in de detailuitwerking bij de vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet worden meegenomen. 9,00 8,00 7,00 6,00 5,00 4,00 3,00 2,00
waterstand 222 dagen/jaar profiel inlaatwerk ontwerp natte sectie
1,00 0,0 -60,0
-40,0
-20,0
0,0
20,0
40,0
60,0
Figuur 65 Principe stromende geul en inlaatwerk (hoogte en breedte in m)
Q_WAAL
H_BOVENSTROOMS
H_BENEDENSTROOMS
Q_GEUL (MAX 1,5%)
810
3,12
3,02
1,00
1003
3,75
3,65
1146
4,19
1416
ANAT
De aanleg van een stromende geul heeft een grote meerwaarde voor de ecologische waterkwaliteits-doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de Programmatisch aanpak grote wateren en past bij de ontwerpcriteria van Smart Rivers en Ruimte voor Levende Rivieren. Goed functionerende stromende nevengeulen zijn zeldzaam in de Midden-Waal. De maatregel heeft vooral een groot positief effect op stroom minnende vissen en macrofauna.
V_GEUL
A_DUIKER
Q_DUIKER
PERCENTAGE
7
0,14
2,16
1,0
0,1%
4,98
20
0,25
12,16
5,0
0,5%
4,09
8,41
28
0,30
21,03
8,4
0,7%
4,76
4,65
13,55
40
0,34
27,00
13,6
1,0%
1575
5,02
4,91
15,56
45
0,35
27,00
15,6
1,0%
1689
5,20
5,09
18,71
54
0,34
27,00
18,7
1,1%
2049
5,84
5,74
26,57
93
0,29
27,00
26,6
1,3%
2648
6,85
6,75
33,91
160
0,21
27,00
33,9
1,3%
3920
8,46
8,34
37,15
242
0,15
27,00
37,2
0,9%
Figuur 66 hydraulische kenmerken stromende geul
Tijdelijke situatie Om meerwaarde voor de ecologische waterkwaliteit te laten renderen voor de KRW-opgave moet de stromende geul uiterlijk 2027 gereed zijn. De planning en fasering van het project is hierop ingericht. Gebiedsvisie Midden-Waal Nadat Willemspolder fase 2 wordt gerealiseerd gaat het hele ensemble van een centrale hoofdgeul en stromende nevengeulen optimaal functioneren. De ‘stapstenengeul’ in Willemspolder fase 1 gaat dan ook goed functioneren als stromende geul. Het hele systeem is dan doorstroombaar gemaakt door een instroom- en uitstroomvoorziening aan te leggen. Realisatie van de gehele visie Midden-Waal, waarvan zowel Willemspolder
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
89
WILLEMSPOLDER FASE 1
Figuur 67 Stromende geul en inlaatwerk
Gouverneurspolder deel uitmaken, voegt meerdere stromende geulen en natuurlijke oevers aan het ecologisch riviersysteem toe (circa 80 hectare ondiep water en riet). Dit ten gunste van de ecologische waterkwaliteit, met name voor stroom-minnende vissen en macrofauna. Dit draagt in significante mate bij aan het doel van de PAGW door het creëren van “toekomstbestendige grote wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie”.
5.3.5 Conclusie effectbeoordeling natuur
MILIEUEFFECTEN LANDSCHAP
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Natura 2000-gebieden
-
-
0
-
0
GNN en GO
0
-
++
-
++
Beschermde soorten
0
0
+
-
++
Ecologische waterkwaliteit
0
+
++
+
++
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
90
WILLEMSPOLDER FASE 1
5.4 Landschap De landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden zijn door Jan Bruyn Landschapsarchitectuur beschreven in een onderbouwing van de ontwerpkeuzes die ten grondslag liggen aan het Landschapsplan voor de Willemspolder, waaruit het basisalternatief is voortgekomen [bijlage 10]. De cultuurhistorische waarden van het plangebied zijn door RAAP nader uitgewerkt in de rapportage ‘Heerlijkheid op moderne leest’ [bijlage 11] . De archeologische waarden zijn beschreven in het bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend/karterend booronderzoek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie [bijlage 12]. In de bij het MER gevoegde kaarten is het grondgebruik door Buro Waalbrug inzichtelijk gemaakt. Onderstaande tabel maakt de verschillen per te beoordelen situatie inzichtelijk. Figuur 68 Grondgebruik per scenario GRONDGEBRUIK (in ha)
WILLEMSPOLDER - FASE 1 160 ha
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL 600 ha
BESTAANDE SITUATIE
BASISALTERNATIEF
VOORKEURSALTERNATIEF
BESTAANDE SITUATIE
BASISALTERNATIEF
Land (totaal)
107
88
87
482
346
Water (totaal)
53
72
73
118
254
Bodemput
-
19
19
-
39
Diep water
47
33
33
69
141
Ondiep water
6
20
21
49
74
Riet / ruigte
1
1
1
2
7
Bouwland
12
-
-
119
-
Grasland
72
-
-
304
-
Gras / kruidenvegetatie
-
37
34
-
203
Struweel en singels
1
-
-
4
-
Zachthoutooibos
8
10
14
15
39
Hardhoutooibos
-
10
12
-
18
Zandige oever en rivierduin
5
16
14
20
57
Paden, wegen en bermen
3
2
2
11
11
Zomerdijk
-
4
3
-
-
Bedrijf/wonen/windturbines
5
7
7
7
9
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
91
WILLEMSPOLDER FASE 1
5.4.1 Landschap en cultuurhistorie Referentiesituatie In het Landschapsplan Willemspolder (Jan Bruyn, december 2018) is de referentiesituatie van het landschap beschreven aan de hand van de meest bepalende thema’s Geomorfologie, Cultuurhistorie, Landschap, Hoogwaterveiligheid en Natuur. Verder wordt verwezen naar de beschrijving van de bestaande situatie en referentiesituatie in hoofdstuk 1. Het landschap van de Willemspolder, hoewel van oorsprong agrarisch van karakter, toont een sterk door industrieel gebruik bepaald beeld. Het oostelijk deel van de Willemspolder toont ingrepen, die volledig afwijken van de meer traditionele ontwikkelingsgang van het uiterwaardenlandschap. De winning van zand gaat nu eenmaal gepaard met de inzet van robuuster middelen en verloopt volgens andere wetmatigheden, waardoor een ander schaalbegrip in het landschap wordt geïntroduceerd. Hierbij is dan ook sprake van een landschappelijke transformatie; geen evolutie, maar een revolutie. Het ontstaan van een aantal omvangrijke zandwinputten is hier gecombineerd met de aanleg van een grote overnachtingshaven en het integraal ophogen van een deel van de uiterwaard (destijds beoogd bedrijventerrein). Dergelijke grootschalige ingrepen bouwen niet voort op de bestaande patronen, maar veranderen het bestaande landschap radicaal.
De aanleg van de Prins Willem Alexanderbrug sluit aan op dit robuustere schaalbegrip. Basisalternatief In de ‘Notitie over de onderbouwing ontwerpkeuzes Willemspolder’ worden de keuzes in het landschapsplan die ten grondslag liggen aan het basisalternatief gemotiveerd aan de hand van de meest bepalende thema’s Geomorfologie, Cultuurhistorie, Landschap, Hoogwaterveiligheid en Natuur. De keuze voor de grens tussen Willemspolder fase 1 en 2 is gekozen op basis van de eigendomspositie van Dekker. Het leidend ontwerpprincipe van het basisalternatief is om vanuit het bestaande robuuste schaalbegrip van het landschap een toekomstbestendige Willemspolder te realiseren. Leidende ontwerpuitgangspunten Geomorfologie • Restgeulen zijn leidend bij hertracering watersysteem t.b.v. doorstroming bij hoge afvoeren; • Bestaande zandwinplassen opnemen in nieuw stelsel van stroomgeulen; • Hoge oeverwallen handhaven als scheidend element tussen uiterwaard en vaargeul. Leidende ontwerpuitgangspunten Cultuurhistorie • Stroomgeulen en strangresten zoveel mogelijk volgen; • Nieuweweg handhaven en accentueren; • Steenovenlocaties als stedelijke focuspunten; • Afgelegen bewoningsplaats verbijzonderen; • Redoute als educatief attractiepunt inrichten. Leidende ontwerpuitgangspunten Landschap • Grootschalige historische ingrepen vanwege industrie (o.a.
zandwinning en baksteenfabricage) en infrastructuur (Kribben in de Waal, Amsterdam-Rijnkanaal en Prins Willem Alexanderbrug) bouwen niet voort op de bestaande patronen, maar veranderen het bestaande landschap radicaal; • Het landschapsplan wordt opgezet in lijn met dit robuustere schaalbegrip om in dat perspectief een toekomstbestendige Willemspolder te realiseren.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
92
WILLEMSPOLDER FASE 1
Leidende ontwerpuitgangspunten Hoogwaterveiligheid • Ontwikkeling van een nevengeul, voortvloeiend uit de bestaande plassen; • Zoeken naar landschappelijke continuïteit met als uitgangspunt de huidige schaal; • Dimensionering van in- en overlaten en drempelhoogten is op grond van rivierkundige expertise nader te bepalen en kan dynamisch van aard zijn (te beschouwen als ‘kranen’); • Benedenstrooms is een open verbinding met de Waal acceptabel; • Met meerdere uitstroomopeningen wordt een eventuele dwarsstroom in de vaargeul vermeden. Leidende ontwerpuitgangspunten Natuur • Reductie van intensieve agrarische gebruiksvormen; • Behoud en ontwikkeling van de laag-dynamische milieus; • Uitbreiding van de meer unieke hoog-dynamische milieus; • Agrarisch natuurbeheer, waarbij de gebruiksintensiteit (veebezetting) is afgestemd op ontwikkeling en instandhouding van de beoogde natuurdoeltypen.
Figuur 69 Visualisatie gebiedsvisie Midden-Waal
Voorkeursalternatief De ontwerp-optimalisaties vanuit de doelstelling Bouwgrondstoffenbehoefte hebben geen significante invloed op het landschapsontwerp. Het gaat om kleinschalige verschuivingen die in de schaalgrootte van het gebied geen merkbaar effect hebben. De land-water-verhouding blijft gelijk. Vanuit hoogwaterveiligheid zijn geen relevante aanpassingen in het voorkeursalternatief doorgevoerd die relevant zijn voor het aspect landschap. Om de ruimtelijke kwaliteit van het plan te borgen is bij het opstellen van het VKA nadrukkelijk gekeken naar de onderdelen waaruit ruimtelijke kwaliteit bestaat, namelijk:
Ruimtelijke Kwaliteit = Gebruikswaarde + Belevingswaarde + Toekomstwaarde. Gebruikswaarde De Gebruikswaarde is gericht op de toekomstige gebruikers van het gebied. In het VKA zijn de gebruiksmogelijkheden voor recreatief medegebruik verder afgestemd op de ingekomen wensen vanuit de gemeente, de klankbordgroep en overige stakeholders. De zonering van het gebied is uitgewerkt en
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
93
WILLEMSPOLDER FASE 1
Figuur 70 Voorkeursalternatief
de positionering van voorzieningen is daarop afgestemd. Daardoor worden eveneens knelpunten met de natuurdoelstelling voorkomen. Het realiseren van een stromende geul leidt tot een iets andere situatie voor recreanten (zoals vissers en struiners) maar niet tot afname van de gebruiksmogelijkheden. De Redoute komt op een eiland te liggen en is via stapstenen bereikbaar. Het trekpontje wordt gesitueerd bij de landtongen aan de Oostelijke plas en maakt zo een ‘rondje plas’ voor een breder publiek mogelijk. De bedrijfsbestemming heeft in het VKA een kleinere haven en gaat uit van drijvende installatie. De gebruikswaarde blijft voldoen voor de
Figuur 71 Zonering van het gebied van intensiever (rood) naar extensiever gebruik (groen)
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
94
WILLEMSPOLDER FASE 1
Figuur 72 Visualisatie Beweeg & Beleefroute
bedrijfsdoeleinden. Door de ontwikkeling van een Beleef & Beweegroute neemt de gebruikswaarde voor recreanten in het VKA significant toe. Belevingswaarde De belevingswaarde gaat om de sfeer en samenhang in het gebied. Het voorkeursalternatief gaat uit van een betere zonering en een samenhangende positionering van recreatieve elementen in het gebied. Dit leidt tot een logische routestructuur die de inrichtingselementen als een kralensnoer aaneenrijgt. Door gebruik te maken van natuurlijke beweeg-, beleef en verhaalaanleidingen sluit de gebiedsinrichting aan bij de sfeer van de polder zodat de beoogde gebruiker zich ‘op zijn plaats’ voelt. De Beweeg- en Beleefroute speelt in op het actuele maatschappelijke thema van ‘voldoende beweging voor een gezond gewicht’ en draagt positief bij aan de beleefbaarheid en gebruikswaarde van het gebied voor een brede lokale doelgroep. Op basis van QR-codes, een app en een lesprogramma voor scholen wordt de beleving van het gebied optimaal gestimuleerd. Het toevoegen van een stromende geul draagt positief bij aan de beleving van de Waaldynamiek in het gebied.
Figuur 73 Zone 1 avontuurlijk spelen
Figuur 74 Zone 2 ommetje en avontuurlijk ontdekken
Figuur 75 Zone 3 - struinen door de natuur
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
95
WILLEMSPOLDER FASE 1
De bedrijfsbestemming met een drijvende installatie in een kleinere haven is beter ingepast in het landschap, mede door het toevoegen van geluid-/zichtwallen. Daardoor wordt de gebiedsbeleving van recreanten niet verstoord door de aanwezigheid van de bedrijfsbestemming. Het toevoegen van ca. 6 ha zon op water en twee windmolens levert nieuwe elementen in het landschap op. Afhankelijk van de associatie van de beschouwer met deze vormen van duurzame energie gaat hier een negatieve of juist positieve beleving vanuit. Toekomstwaarde De toekomstwaarde gaat om het vermogen om de ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden op te vangen. In het Voorkeursalternatief wordt het eerste deel van een hoogwatergeul aangelegd als ‘no-regret-maatregel’. Er wordt nog niet gekozen voor rivierkundige maatregelen aan de Nieuweweg omdat momenteel de rivierkundige taakstelling daarvoor ontbreekt. Zodra de taakstelling vanuit het IRM-programma concreet is gemaakt kan de rivierkundige winst alsnog geeffectueerd worden door het resterende deel van de hoogwatergeul aan te leggen en aanpassingen aan de Nieuweweg door te voeren. Doordat Dekker zelf een belangrijke rol blijft vervullen in het beheer van het gebied wordt de natuurontwikkeling en het recreatieve gebruik op de voet gevolgd.
Indien de natuurwaarden zich niet volgens verwachting ontwikkelen kan direct worden ingegrepen door de beheeractiviteiten bij te sturen of fysieke aanpassingen (zoals afgraven / ophogen) te treffen. Mochten de recreatieve gebruiksmogelijkheden niet uit de verf komen dan kan meteen worden bijgestuurd door voorzieningen aan te passen, bij te plaatsen, te verwijderen of te verplaatsen. Omdat er bij de gebiedsinrichting wordt uitgegaan van natuurlijke, gebiedseigen materialen kan eenvoudig worden ingespeeld op veranderende omstandigheden en wensen. Door het gebied voor de lange termijn zelf te beheren kan tijdig worden bijgestuurd en blijft de toekomstwaarde verzekerd. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie wordt het gebied ontgrond en heringericht. In voorbereiding op de werkzaamheden wordt begroeiing en bovengrond verwijderd. De maximale insteek van de ontgronding groter is dan de contouren van het landschapsplan. Gelet op het werk in uitvoering is de landschappelijke beleving in de tijdelijke situatie minder dan in de referentiesituatie en de eindsituatie. Door de voorbereidende werkzaamheden, ontgronding en herinrichting gefaseerd uit te voeren worden de effecten steeds beperkt tot een deelgebied binnen het totale gebeid.
Door deelgebied zo spoedig mogelijk her in te richten en in gebruik en beheer te nemen wordt de meerwaarde voor het landschap al tijdens de realisatiefase beleefbaar. Gebiedsvisie Midden-Waal Door het landschapsplan voor de gehele gebiedsvisie Midden-Waal te realiseren ontstaat een samenhangend ensemble van geulen, eilanden, oeverwallen en natuurbeheertypen. De grootschalige historische ingrepen vanwege industrie en infrastructuur hebben een landschappelijke inpassing gekregen. Bij hoogwater is de doorstroming in de uiterwaarden beter ten gunste van de hoogwaterbescherming. Cultuurhistorische elementen zijn geaccentueerd en het gebied is ingericht en opengesteld voor recreanten. Het intensieve agrarische gebruik is sterk gereduceerd waarvoor riviernatuur met waardevolle natuurtypen in de plaats is gekomen. Het samenstel van maatregelen op heeft een groot positief landschappelijk effect op gebiedsniveau.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
96
WILLEMSPOLDER FASE 1
Ook voor de Gebiedsvisie Midden-Waal is de ruimtelijke kwaliteit van het plan gewaarborgd op basis van de definitie: Ruimtelijke Kwaliteit = Gebruikswaarde + Belevingswaarde + Toekomstwaarde. De vertaalslag die voor het VKA is gemaakt wordt in de nabije toekomst ook voor de overige gebiedsdelen in fase 2 en 3 in de detail uitgewerkt. Na realisatie van de gehele gebiedsvisie ontstaat dan een samenhangend landschappelijk ensemble. De synergie tussen de deelgebieden zorgt ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit van het totaal groter is dan de som van de onderdelen.
5.4.2 Archeologische waarden Referentiesituatie In de referentiesituatie is voornamelijk sprake van lage, deels van middelhoge en zeer lokaal van hoge verwachting voor archeologische resten (respectievelijk licht-, midden- en donkergroen). De gearceerde delen betreffen zones waar de bodem mogelijk tot onder het kansrijke archeologische niveau verstoord is. De archeologische verwachting in het gebied is gebaseerd op de ligging van oudere stroomgordels in het plangebied en de periode dat deze bewoonbaar geweest zijn. In de zones met een lage verwachting zijn geen stroomgordels in de ondergrond bekend. Hier bevinden zich onder de uiterwaardafzettingen sedimenten van de waal uit de periode van voor de bedijking in de late Middeleeuwen en/of komafzettingen. Er zijn twee vondstlocaties uit de Romeinse tijd bekend (rode stippen), een zone waar de resten van de historische kern van IJzendoorn verwacht kunnen worden (rode vlak) en een locatie met van oude kaarten bekende bebouwing (roze vierkant). Op basis van het bureauonderzoek en het archeologisch booronderzoek wordt bij de voormalige rentenierswoning aan het einde van de Koepelweg een inventariserend veldonderzoek (IVO-P) uitgevoerd door twee proefsleuven haaks op elkaar over de voormalige woning aan te leggen. Het doel van dit
Figuur 76 Archeologische vindplaatsen en verwachtingswaardenkaart
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
97
WILLEMSPOLDER FASE 1
onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van eventuele archeologische resten. Het onderzoeksvoorstel wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd in een Programma van Eisen (PvE). Na elke fase van het archeologische onderzoek wordt in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld wat de meest efficiënte wijze is om met zo min mogelijk inspanning zo gedegen mogelijk om te gaan met de (eventueel) aanwezige archeologische resten. Ook eventuele kleine planaanpassingen kunnen hierbij een instrument vormen (behoud in-situ). Voor het overige deel wordt het plangebied vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Hiervoor dient nog een selectiebesluit door het bevoegd gezag te worden genomen.
Basisalternatief, Voorkeursalternatief, Tijdelijke situatie, Gebiedsvisie Midden-Waal Er is geen wezenlijk verschil tussen de effecten in het Basisalternatief, voorkeursalternatief en tijdelijke situatie ten aanzien van archeologie. De beoogde ingrepen in gebieden met hoge verwachtingswaarde zijn zeer beperkt. Daar waar archeologische waarden voorkomen en behoud in situ niet mogelijk is vindt opgraving plaats. Dit heeft een verstoring van het archeologisch erfgoed in de bodem tot gevolg. Vandaar dat voor zowel het Basisalternatief, Voorkeursalternatief, Tijdelijke situatie als Gebiedsvisie MiddenWaal een negatief effect is toegekend. Het vervolgonderzoek zal uitwijzen of daadwerkelijk sprake is van verstoring van archeologische waarden. In het kader van het bestemmingsplan en de Ontgrondingenwet procedure wordt hierover een nadere afweging gemaakt.
MILIEUEFFECTEN LANDSCHAP
REFERENTIE SITUATIE
BASIS ALTERNATIEF
VOORKEURS ALTERNATIEF
TIJDELIJKE SITUATIE
GEBIEDSVISIE MIDDEN-WAAL
Landschappelijke en cultuurhistorie
0
+
+
-
++
Archeologie
0
-
-
-
-
5.4.3 Conclusie effectbeoordeling Landschap 5.5 Leefomgeving De effecten met betrekking tot geluid, laag frequent geluid en trillingen zijn door LBP|SIGHT inzichtelijk gemaakt op basis van metingen en berekeningen [bijlage 13]. Daarbij is getoetst aan de relevante Wet- en regelgeving, zoals de Wet geluidhinder, de Handreiking industrielawaai en vergunning van 1998 en de VNGpublicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Door LBP|SIGHT zijn de effecten op de luchtkwaliteit in beeld gebracht. De effecten vanwege Stikstofdioxide en Fijnstof zijn getoetst aan de luchtkwaliteitseisen uit de EU-richtlijn luchtkwaliteit, de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2), de regeling beoordeling luchtkwaliteit en het Besluit Niet in betekenende mate bijdragen [bijlage 14]. De Stikstofdepositie is met het rekenprogramma AERIUS in kaart gebracht waarna de effecten op Natura 2000-gebieden zijn bepaald [bijlage 15]. Externe veiligheidseffecten vanwege de productie, opslag en overslag van waterstof zijn door LBP|SIGHT beschouwd [bijlage 16]. De externe veiligheidseffecten van windmolens zijn door Pondera Consult inzichtelijk gemaakt [bijlage 17]. Daarbij bracht LBP|SIGHT de slagschaduw door windmolens in beeld [bijlage 18] en gaf Pondera Consult advies over een aantal specifieke vragen rond de inpasbaarheid van windmolens ten behoeve van het MER [bijlage 19].
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
98
WILLEMSPOLDER FASE 1
5.5.1 Geluid Referentiesituatie Bij het onderhavige project wordt het omgevingsgeluid voornamelijk bepaald door: - het verkeer over de Prins Willem Alexanderweg (N323) en de Waalbandijk; - de varende schepen over de Waal; - de huidige inrichting van Dekker aan de Waalbandijk 1; - de schepen in de overnachtingshaven IJzendoorn, nabij kilometerraai 874.500. De gemeten referentieniveaus van de geluidsituatie zijn, behoudens Waalbandijk 10, lager dan de richtwaarde van 40 dB(A) wat geldt voor het landelijk gebied en 45 dB(A) voor een rustige woonwijk. De referentieniveaus bij de woonboten en woningen aan de overzijde van de Waal sluiten aan bij of zijn lager dan de richtwaarde van 40 dB(A). Voor dit gemengd gebied (bedrijven en woningen kan ook uitgegaan worden van een richtwaarde van 45 dB(A). De geluidmetingen in en rond Figuur 77 Meetpunten referentieniveaus (L95) het plangebied zijn verricht op 7 mei 2020. Dit was een periode met weinig bedrijfsactiviteiten en mobiliteit ten gevolge van de Corona-crisis. De gemeten referentieniveaus kunnen bij een volledig draaiende economie van BV Nederland iets hoger liggen. Basisalternatief In het basisalternatief worden de blijvende geluidseffecten in het gebied ten opzichte van de referentiesituatie veroorzaakt door de Bouwgrondstoffen HUB.
In het basisalternatief wordt daarbij uitgegaan van een landinstallatie voor de productie van industriezand en grind en energieopwekking door middel van twee windturbines. In het basisalternatief wordt de grootste toename in geluidniveau berekend bij de woningen Spijkersestraat 1 en Zondagstraatje 1. De berekende geluidniveaus - van 42/43 dB(A) in de dagperiode - zijn echter zodanig laag dat er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat. De tijdelijke geluidseffecten van het basisalternatief - vanwege de bouwgrondstoffenwinning en gebiedsinrichting - worden beschreven onder ‘tijdelijke situatie’. Voorkeursalternatief In het voorkeursalternatief worden de blijvende geluidseffecten in het gebied ten opzichte van de referentiesituatie ook veroorzaakt door de Bouwgrondstoffen HUB. In het voorkeursalternatief wordt daarbij uitgegaan van een drijvende klasseerinstallatie in een kleinere haven en energieopwekking door middel van twee windturbines. In het voorkeursalternatief wordt de grootste toename in geluidniveau berekend bij de woningen Spijkersestraat 1 en Zondagstraatje 1. De berekende geluidniveaus – van 43/42 dB(A) in de dagperiode - zijn echter zodanig laag dat er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat [zie bijlage 13].
De tijdelijke geluidseffecten vanwege de bouwgrondstoffenwinning en gebiedsinrichting en de geluidbeperkende maatregelen die in het voorkeursalternatief zijn opgenomen worden beschreven onder ‘tijdelijke situatie’.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
99
WILLEMSPOLDER FASE 1
PUNT
OMSCHRIJVING
STARTTIJD
MEETTIJD [MIN]
LAeq dB(A)]
L95 [dB(A)]
GELUID AFKOMSTIG VAN
A
001 , Waalbandijk 10
11:45
15
55,2
41,5
Grasmaaien op meter, Prins Willem Alexanderweg, verkeer op de dijk (auto’s/motoren/fietsers).
B
150,Waalbandijk 4*
11:53
15
44,5
34,4
Prins Willem Alexanderweg, vogels, verkeer op de dijk (auto’s/motoren/fietsers).
C
002, Spijkersestraat 1
12:09
15
48,8
33,8
Grasmaaien in de willemspolder, verkeer op de dijk (auto’s/motoren/ fietsers), vogels.
D
003, Zondagsestraatje 1
12:30
15
52,2
34,8
Vogels, verkeer op de dijk (auto’s/ motoren/fietsers), tractor op afstand, weinig activiteiten.
E
BP001, J van Riemsdijkstraat
12:15
15
47,1
31,7
Buurtactiviteiten (o.a. spelende kinderen), vogels, verkeer op de dijk (auto’s/motoren/fietsers).
F
018, Dorpsstraat 36
12:36
16
55,8
36,4
Werkplaats Dekker, verkeer op de dijk Dorpsestraat (auto’s/ motoren/fietsers), grasmaaien in de Willemspolder.
G
Wb 005, Havenkade 4
13:13
15
45,9
39,5
Prins Willem Alexanderweg, scheepvaart, vogels.
H
104, Waalbandijk 58a
13:54
14
59,7
40,2
Verkeer op de dijk (auto’s/motoren/ fietsers/brommers), vogels, klein bootje op het water.
I
Wb 014, Strangkade 22
13:18
15
45,7
32,7
Fietsers op de dijk, scheepvaart in de Waal.
Wb = woonboot
* Woning is vervallen en in het bestemmingsplan is voor deze locatie geen woonbestemming opgenomen.
Figuur 78 Gemeten referentieniveau
Tijdelijke situatie In de tijdelijke geluidseffecten worden de geluidseffecten veroorzaakt door de winning van bouwgrondstoffen en de herinrichting van het gebied. Het project zal binnen een tijdsbestek van 10 jaar gefaseerd worden uitgevoerd. Binnen het project zal sprake zijn van het verwijderen van dekgrond en klei door grondverzetmachines, het winnen en klasseren van zand en grind, de afvoer van zand en grind met schepen en herinrichting van het gebied met een reconstructiezuiger en grondverzetmachines. De ontgrondings- en herinrichtingswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode tussen 07.00 - 19.00 uur plaats. Om na te gaan of er sprake is van een vergunbare situatie in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning zijn de berekende geluidniveaus getoetst volgens de systematiek van de handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
100
WILLEMSPOLDER FASE 1