CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 RV bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021 -Toelichting

Raadsvergadering 10 november 2021, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Bestemmingsplan De Kleine Lier19.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2 november 2018 wordt geconcludeerd dat het landgoed De Kleine Lier met haar 5,3 hectare een klein bescheiden landgoed is dat door haar landschappelijke ligging al een unieke uistraling heeft. Het landgoedontwerp kan hierdoor eenvoudig van opzet zijn. Het landgoedontwerp ('Landgoed De Kleine Lier, Definitieve uitwerking vervolgplan 2018', zie ook Bijlage 1) behoeft op enkele punten nadere uitwerking of specificering, zoals: blijvend zicht vanaf de randen, afrastering westgrens, landschappelijke beplanting rondom landgoedwoning en toegangspoorten. Door de realisatie van het landgoed zal de natuurlijke, landschappelijke en recreatieve functie van het buitengebied blijvend versterkt worden en met de aanvullende kwaliteitsbijdragen kan men spreken over een landgoed met kwaliteiten. Tot slot voldoet het landgoedplan aan de kwantitatieve normering conform de LKM-module nieuwe landgoederen, bestaande bebouwing. Immers, er wordt 5 ha nieuwe natuur gerealiseerd en het landgoed is voor 90% openbaar toegankelijk. Ook aan de voorwaarden van hergebruik en van een enige uitbreiding en ondergeschikte nieuwbouw wordt voldaan. Uitgaande dat het landgoedplan op enkele punten goed wordt uitgewerkt, wordt landgoedontwikkeling De Kleine Lier positief beoordeeld. Advies LKM, 17 februari 2021 (zie ook Bijlage 5) Naar aanleiding van het advies van de LKM-commissie d.d.

2 november 2018 is het landgoedplan voor landgoed De Kleine Lier op een aantal onderdelen nader uitgewerkt. De nadere uitwerking is beschreven in het rapport 'Landgoed De Kleine Lier, Nadere uitwerking landgoedontwerp, 2021' (zie ook Bijlage 2). Deze nadere uitwerking van het landgoedplan is op 17 februari 2021 door de LKM-commissie beoordeeld. Op basis van navolgende vier voorwaarden, kan de LKM-commissie instemmen met het nader uitgewerkte landgoedplan: 1. Het zicht vanaf de randen van het plangebied op het lager gelegen landgoed dient behouden te blijven. In de exploitieovereenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente Mook en Middelaar dient nader gespecificeerd c.q. gekwantificeerd te worden op welke wijze het zicht behouden blijft; 2. Voor wat betreft de landschappelijke beplanting rondom de landgoedwoning is een beplantingsplan opgesteld. De commissie oordeelt het beplantingsplan te summier, omdat alleen het sortiment wordt aangegeven en niet de leverhoogte en plantafstand. Geadviseerd wordt om voor de boomsoorten een maat 16/18 cm (stamomtrek) aan te houden; 3. De commissie adviseert dat de boomgroepen in het weiland van het landgoed gevormd worden door (statige) bomen van de 1e orde (grootte) die passend zijn voor het landgoedkarakter. Statige boomgroepen in het weiland van het landgoed verdelen het landschap in kamers en geven verrassende doorzichten;

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

35

4.

De commissie stemt in met de keuze om de poort naar het woonerf rijker vorm te geven dan overige (houten) klap- en landgoedhekken. Omwille van de stabiliteit en het beeld worden de zuilen van de toegangspoort in natuursteen of in het gevelmateriaal van het huis voorgestaan. Alle voorgaande punten van de LKM-commissie zijn nader uitgewerkt. De nadere uitwerking van de landschappelijke inpassing en de boomgroepen is als Bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting en maakt onderdeel uit van de voorwaardelijke verplichting om de landgoedwoning met schuur als zodanig te mogen realiseren en in gebruik te nemen.

Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat de LKM-commissie positief tegenover het planvoornemen voor de landgoedontwikkeling staat. Zoals reeds aangegeven zijn de uitwerkingen en volledige adviezen van de LKM-commissie als bijlagen bij deze toelichting opgenomen. 4.3.4 Provinciale omgevingsvisie (POVI) In de (ontwerp) provinciale omgevingsvisie is het plangebied aangemerkt als 'groenblauwe mantel'. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar goede combinatiemogelijkheden gezien worden voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen.De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Op veel plekken zijn in de rivier- en beekdalen in de loop der tijd steden en dorpen tot ontwikkeling gekomen. Die bebouwde gebieden maken geen deel uit van de groen- blauwe mantel, maar staan er wel mee in verband.

De rol van de provincie is hierbij gericht op het behouden, beheren, ontwikkelen en beleven van de landschappelijke kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel. Ontwikkelingen binnen de ruimte van het beleid voor de verschillende thema’s zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden. Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Voor de groenblauwe mantel is het beleid ook gericht op het faciliteren en ondersteunen van de verbindingsen bufferfunctie voor aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Via de Omgevingsverordening wordt compensatieplicht gecontinueerd wanneer aantasting van de verbindende of bufferende functies bij ontwikkelingen niet voorkomen kan worden. In het belang van een kwaliteitsvol landschap is ervoor gekozen om de grote ruimtelijke opgaven op het gebied van natuur, water, energie, landbouw en landschap in samenhang te bezien en aan te pakken via een integrale, gebieds- gerichte benadering. Dit samen met de verschillende maatschappelijke partners.

Hierbij wordt aangesloten bij de brede benadering van omgevingskwaliteit in de Omgevingswet. Beken, beekdalen, droogdalen en steilere hellingen vormen een belangrijk onderdeel van de groenblauwe mantel. Het Waterschap, gemeenten en andere stakeholders worden gestimuleerd om klimaatadaptieve en ecologisch duurzame maatregelen te treffen in deze delen van de groenblauwe mantel. Wij zien hier belangrijke kansen voor het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten door onder andere de aanleg van kleine landschapselementen en bosontwikkeling. Hiermee krijgen veel dorpen een betere (recreatieve) verbinding met het landelijk gebied. Dit geldt ook voor de verbinding tussen de Nationale en grensoverschrijdende Parken.

36

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Conclusie De ontwikkeling van het landgoed voorziet nadrukkelijk aan het invulling geven van en versterken van de kernkwaliteiten ter plaatse van het plangebied. Bij de inrichting van het landgoed is aandacht voor de verhouding openheid versus geslotenheid, het reliëf en de aanleg van kleine landschapselementen. Door de natuurlijke inrichting vormt het landgoed een schakel met de aangrenzende natuurgebied in het natuurnetwerk van Limburg. Het agrarische gebied wordt omgezet in een natuurlijke omgeving die een verbindings- en bufferfunctie heeft in het geheel. De te realiseren landgoedwoning met schuur wordt hierin geïntegreerd in het geheel en landschappelijke ingepast en vormt daarmee een eenheid met het landgoed. Het planvoornemen is daarmee ook passend in de (toekomstige) provinciale omgevingsvisie.

4.4

Regionaal en gemeentelijk beleid

4.4.1 LandschapsontwikkelingsplanMook en Middelaar Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) geldt als belangrijk hulpmiddel voor het garanderen en verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Het LOP moet dan ook gezien worden als structuurvisie gericht op het landschap. Het LOP geldt als input voor het bestemmingsplan voor de buitengebieden, in deze voor Landgoed De Kleine Lier. Het landgoed is gelegen in de 'overgangszone', de zone tussen de stuwwal en de Maas. Dit is een zone waar bebouwing, infrastructuur en recreatieterreinen dicht op elkaar liggen. Hiertussen zijn nog enkele open plekken met landbouw- en natuurgebieden. Voor deze zone geldt dat het landschap meer beleefbaar gemaakt moet worden. De zone speelt daarnaast een belangrijke ecologische rol bij het verbinden van de Maas met de stuwwal. Het landschapsbeleid en de ontwikkelingsrichting voor dit gebied is verder vastgelegd in de Gebiedsvisie Lierdal (zie paragraaf 4.4.2). De landschapsvisie in het LOP houdt voor het plangebied in dat dit is gelegen op een 'markante aardkundige overgang'. Voor deze locatie is de opgave tweeledig: een bijzondere aardkundige overgang die moet worden behouden, ontwikkeld en beleefbaar gemaakt; behoud en ontwikkelingen van de kenmerkende contrasten. Door middel van het planvoornemen wordt voor wat betreft het plangebied invulling gegeven aan deze opgaven.

Landgoed De Kleine Lier ligt juist op de overgang tussen de vlakte van de Maas en de stuwwal en de daardoor aanwezige contrasten worden met de landgoedontwikkeling verder uitgebouwd en waar mogelijk versterkt. 4.4.2 Gebiedsvisie Het Lierdal Het Lierdal is gelegen tussen de kernen Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar, en Malden, gemeente Heumen. Voor dit gebied is in 2009 de 'Gebiedsvisie Het Lierdal' opgesteld. De algemene opgave voor dit gebied is 'het ontwikkelen van een gedragen toekomstvisie voor het hele tussengebied, primair ten behoeve van de bewoners en de nabije omgeving. Het versterken van de samenhang in beleving, landschapsbeeld en toegankelijkheid voor het gehele gebied, waarmee tevens de samenhang tussen het gebied en het regionale landschap wordt versterkt en in betekenis toeneemt'.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

37

Ligging plangebied (geel omkaderd) op kaart Gebiedsvisie Lierdal

Het Lierdal is opgedeeld in drie delen: 'de Kuil', de 'Rijksweg' en 'de Kanaalzone'. Binnen de gemeente Mook en Middelaar zijn onderdelen van alle drie de deelgebieden gelegen. Het plangebied is gelegen in de zone 'de Kuil' Voor de drie deelgebieden zijn aanvullend op de algemene opgaven meer specifieke opgaven benoemd. Voor deelgebied 'de Kuil' is de integrale opgave 'het ontwikkelen en duurzaam in stand houden van landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten en potenties'. Het accent in dit gebied ligt op ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, met ruimte voor extensieve recreatie. Met de ontwikkeling van het landgoed wordt bij deze accenten aangesloten. 4.4.3 Structuurvisie Het Lierdal 2010-2020 De Gebiedsvisie Het Lierdal vormt de basis voor de structuurvisie 'Het Lierdal 2010-2020'. Tevens zijn de ambities voor beleidsthema's waarin de gebiedsvisie geen uitspraken over worden gedaan helder gesteld. De structuurvisie bevat ontwikkelingen die moeten kunnen plaatsvinden (PLICHT), ontwikkelingen die de gemeente graag zou willen (AMBITIE) en ontwikkelingen waarop de gemeente wil kunnen anticiperen (KANS). De ontwikkelingen die moeten plaatsvinden zijn in beginsel doorvertaald naar het vigerende bestemmingsplan en dit bestemmingsplan.

De ambities en kansen worden indien nodig en voor zover mogelijk met een afwijking of wijziging in het bestemmingsplan meegenomen. Waar dit niet mogelijk is, dient dit met een apart bestemmingsplan geregeld te worden.

38

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Uitsnede kaart Structuurvisie Lierdal (plangebied bij gele contour)

Op basis van de kaart behorende bij de structuurvisie wordt geconcludeerd dat het plangebied binnen het zoekgebied voor te realiseren landgoederen ligt. Verder is voor het Lierdal als geheel een aantal ontwikkelingsrichtingen bepaald. Daarvan zullen de ontwikkelingsrichtingen die verband houden met het plangebied kort worden toegelicht.

Landschaps- en natuurwaarden Basisinspanning: behoud van bestaande landschaps- en natuurwaarden in het Lierdal en voorkomen van ongewenste effecten op aangrenzende (natuur)gebieden Ambities: versterken (belevings)waarden landschap en van de aanwezige natuurwaarden, tegengaan verstening en verrommeling Kansen benutten: diverse initiatieven ter versterking van natuurwaarden en belevingswaarde landschap Wonen Basisinspanning: behoud van de kwaliteit van de woonomgeving en van de mogelijkheid om de woning aan te passen Ambities: geen verdere ontwikkeling en uitbreiding van de woonfunctie, met uitzondering van de onder de 'kansen' genoemde ontwikkelingen Kansen benutten: ontwikkeling landgoederen en hergebruik VAB locaties ten behoeve van wonen Voorzieningen en recreatie Basisinspanning: behoud extensieve recreatieve functie Ambities: aanbrengen ondersteunende voorzieningen ten behoeve van kleinschalige toeristisch-recreatieve functies (extensief) Kansen benutten: in 'de Kuil' verdere ontwikkeling extensieve (verblijfs)recreatie. Enkele kleinschalige initiatieven zijn mogelijk

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

39

Bedrijvigheid Basisinspanning: respecteren bestaande rechten agrarische en niet agrarische Ontwikkelingsruimte wordt slechts geboden aan bedrijven die passen in de omgeving Ambities: verbetering landschappelijke inpassing bedrijven Kansen benutten: enkele ontwikkelingen m.b.t. verbreding landbouw/hergebruik VAB

bedrijven.

Mobiliteit Basisinspanning: nastreven goede bereikbaarheid en veilig routenetwerk Ambities: verbeteren bereikbaarheid door versterken bestaande recreatieve infrastructuur Kansen benutten: De ontwikkeling van landgoed De Kleine Lier sluit volledig aan bij de ontwikkelingsrichtingen zoals bepaald in de Structuurvisie. Het zoekgebied voor nieuwe landgoederen in 'de Kuil' valt samen met de locatie waar het het planvoornemen plaatsvindt. Met de ontwikkeling van het landgoed worden een aantal ambities gerealiseerd en benut. Met name met betrekking tot landschaps- en natuurwaarden, voorzieningen en recreatie en ondergeschikt daaraan wonen, waarbij de module 'nieuwe landgoederen' uit het Limburgse KwaliteitsMenu van toepassing is (zie paragraaf 4.3.3). Het planvoornemen is passend binnen het gemeentelijk beleid.

40

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Milieuaspecten mogen niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van een ontwikkeling. Het is van belang dat de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier plaats vindt binnen een goed landschappelijk, woon- en leefklimaat en dat de verandering niet leidt tot onevenredige (milieukundige) gevolgen voor bestaande waarden en functies. Dit hoofdstuk gaat hier nader op in.

5.2

Bodem

Onderhavig planvoornemen ziet toe op ontwikkeling van een landgoed waarbij o.a. één landgoedwoning met ondergeschikte opslagschuur wordt gerealiseerd ter plaatse van gronden die nu bestemd zijn als 'Agrarisch met waarden'. Conform de Wet ruimtelijke ordening, is het noodzakelijk inzichtelijk te maken of de kwaliteit van de bodem hier geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Middels een verkennend bodemonderzoek voor het deel van het plangebied waar de landgoedwoning (ter plaatse van de paardenstal) is voorzien, is de bodemkwaliteit onderzocht. Het bureau Bodeminzicht heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnummer B2656, d.d. 12 maart 2021). De bevindingen en conclusies uit het onderzoek zijn in onderstaande overgenomen. De onderzoeksrapportage is tevens toegevoegd als Bijlage 6 bij deze toelichting.

Resultaten In het mengmonster van de visueel schone bovengrond van de vaste bodem (BG1) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de visueel schone ondergrond van de vaste bodem (OG1) zijn eveneens geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden.

Gevolgen planvoornemen De resultaten van het onderzoek stemmen overeen met de hypothese (onverdacht). De resultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van de locatie van de landgoedwoning zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde sloop van een stal en bouw van een woning. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. De gronden die ontwikkeld worden als natuur zijn niet nader onderzocht. Het betreft hier enkel het omzetten van agrarische gronden in natuur. Er zijn hier geen gevoelige functies voorzien. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

41

5.3

Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien de ontwikkeling een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. 5.3.1 Wegverkeerslawaai Dit planvoornemen voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouw van één vrijstaande landgoedwoning met opslagschuur als onderdeel van de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier. Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald welke wegen zoneplichtig zijn en welke omvang een zone van de betreffende weg heeft. Een weg is niet zoneplichtig indien deze is gelegen binnen een woonerf of indien er sprake is van een maximum snelheid van 30 kilometer per uur. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat sprake kan zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Gevolgen planvoornemen Dit planvoornemen gaat uit van de bouw van een nieuwe geluidsgevoelig object (een landgoedwoning), aan een weg die deels onderdeel is van een 30 km/u-zone en deels een zandweg betreft. Doordat het plangebied tevens buiten het onderzoeksgebied van 200 meter van de N271 is gelegen, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai of het toekennen van een hogere grenswaarde niet nodig. Aangezien de nieuwe woning op afstand van de (voor autoverkeer doodlopende) weg is gelegen, wordt redelijkerwijs aangenomen dat bij de nieuw te bouwen woning een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. 5.3.2 Spoorweglawaai Ten oosten van het plangebied, op ca. 110 meter afstand tot de geprojecteerde landgoedwoning, loopt de spoorlijn Roermond - Nijmegen. De spoorlijn is gezoneerd en de zone bedraagt hier 100 meter. De landgoedwoning is aan te merken als een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder maar is gezien de afstand buiten deze onderzoekszone gelegen.

Gevolgen planvoornemen De binnen het plangebied te realiseren landgoedwoning zelf is buiten de onderzoekszone van de spoorlijn gelegen. Er zijn binnen de zone ook geen bouwmogelijkheden voor andere geluidgevoelige functies aanwezig. Hier is enkel spake van de bestemming 'Natuur'. Om deze reden wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek spoorweglawaai niet nodig geacht. Gezien de afstand van de landgoedwoning tot het spoor, wordt ook redelijkerwijs aangenomen dat de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over het spoor niet leidt tot een verslechterd woon- en leefklimaat. 5.3.3 Overige geluidsbronnen Het plangebied is ruim buiten de zonering van gezoneerde industrieterreinen gelegen en ligt evenmin in een zone voor luchtverkeerslawaai. Andere relevante geluidsbronnen zijn daarmee niet aan de orde.

42

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

5.4

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. NIBM Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Gevolg planvoornemen Dit planvoornemen voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van o.a. de bouw van slechts één vrijstaande landgoedwoning met opslagschuur als onderdeel van de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier. Het mogelijk maken van slechts één woning valt binnen het niet in betekenende mate criterium van de Wet milieubeheer. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van een verkeersintensieve (auto)weg, zware industrie of een concentratiegebied van intensieve veehouderijen. Daarom wordt redelijkerwijs aangenomen dat ten aanzien van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te realiseren landgoedwoning binnen het plangebied.

Wel neemt naar verwachting de verkeersaantrekkende werking van het gebied toe als gevolg van de ontwikkeling van het landgoed. Op basis van de verkeersaantrekkende werking van 60 verkeersbewegingen volgt uit de NIBM-tool dat het planvoornemen wordt aangemerkt als NIBM.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

43

Uitsnede NIBM-tool

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit planvoornemen.

5.5

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen: 1. 2.

het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient derhalve rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven, om de kwaliteit van het leefmilieu te garanderen en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve afstand (zogenaamde richtafstand) hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve afstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald. Daarnaast geldt voor inrichtingen waar dieren worden gehuisvest geurspecifieke regelgeving, waarin milieuafstanden zijn bepaald.

Indicatieve afstand op basis van Handreiking Bedrijven en milieuzonering De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven.

44

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. De VNG-publicatie merkt bij stap 1 op dat overwogen kan worden om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter) in het geval dat de omgeving van de woning als een 'gemengd gebied' kan worden beschouwd. In voorliggend geval is echter sprake van een rustige woonomgeving.

Toetsing effecten van omliggende functies Een woning wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied nader beschouwd. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Molenhoek. Ten noorden, oosten en zuidoosten van het plangebied is natuurgebied gelegen. Hier bevinden zich geen hinderveroorzakende functies. Ten westen c.q. zuidwesten van het plangebied strekt de kern Molenhoek zich uit. De dichtstbij gelegen hinderveroorzakende functies betreffen een tandartsenpraktijk en een sportcomplex. De tandartsenpraktijk en bijbehorende bedrijfswoning is op respectievelijk ca. 175 meter en ca. 120 meter ten noorden van de geprojecteerde landgoedwoning gelegen. Een tandartspraktijk wordt ingeschaald onder de milieucategorie 1 met bijbehorende grootste richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het sportcomplex bestaat uit een aantal tennisbanen, een golfbaan en een sportcenter c.q. sportschool. De tennisbanen worden ingeschaald onder de functie 'veldsportcomplex' (milieucategorie 3.1) met bijbehorende grootste richtafstand van 50 meter. De kortste afstand tussen de tennisbanen en de geprojecteerde landgoedwoning bedraagt ca. 250 meter. Een golfbaan wordt ingeschaald onder de milieucategorie 1 met bijbehorende grootste richtafstand van 10 meter.

De kortste afstand tussen de golfbaan en de geprojecteerde landgoedwoning bedraagt ca. 110 meter. Tot slot geldt dat het sportcenter c.q. sportschool wordt ingeschaald onder de milieucategorie 2. Er geldt een grootste richtafstand van 30 meter. De kortste afstand tussen het sportcenter en de geprojecteerde landgoedwoning bedraagt ca. 310 meter.

Gevolg planvoornemen Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat ruimschoots aan de indicatieve richtafstanden op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering ten opzichte van hinderveroorzakende functies wordt voldaan. Omgekeerd vormt de te realiseren landgoedwoning geen belemmering voor de hinderveroorzakende functies / bedrijven in de omgeving, omdat reeds op kortere afstand woningen gelegen zijn die maatgevend zijn voor deze functies / bedrijven. Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.6

Externe veiligheid

Wettelijk kader Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het enerzijds om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

45

overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Om de mogelijke risico's in kaart te brengen is een inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de 'Risicokaart Nederland' - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Op basis van de risicokaart is inzichtelijk gemaakt welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden.

Uitsnede Risicokaart met plangebied bij paarse ster

Ten noordoosten van het plangebied zijn een gasontvangstation (GOS) van de Gasunie aanwezig, net als een aardgastransportleiding die naar dit GOS leidt. Voor het GOS gelden veiligheidsafstanden voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten van respectievelijk 4 en 15 meter, gemeten vanuit de gevel. De gasleiding (Z-576-76-KR-001) heeft een diameter van 4 inch en een ontwerpdruk van 40 bar. De 1%- en 100%-letaliteitsgrens liggen op respectievelijk 50 en 30 meter. Aangezien met dit bestemmingsplan binnen voornoemde afstanden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt, verandert de huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid door het planvoornemen niet. Ten zuiden van het plangebied is hotel Jachtslot Mookerheide gelegen. Op het terrein bevindt zich een propaantank met een bijbehorende risicoafstand (PR 10-6) van 55 meter. Het plangebied is ruimschoots buiten deze afstand gelegen (ca. 700 meter). In en direct rond het plangebied zijn geen andere inrichtingen gelegen die zijn opgenomen in de lijst met risicovolle bedrijven in de gemeente Mook en Middelaar en die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Ook zijn er geen andere kabels en leidingen gelegen waaraan een risicocontour is gekoppeld en/of die planologische bescherming vereisen die van invloed zijn op het plangebied. De Risicokaart bevestigt dit.

Ten oosten van het plangebied is de spoorlijn Roermond - Nijmegen gelegen. Over dit spoortraject vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

46

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Gevolgen planvoornemen Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen die het planvoornemen niet mogelijk maken.

5.7

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. 5.7.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning.

Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden 'St.-Jansberg' en 'De Bruuk' zijn op respectievelijk 3,5 kilometer en 5 kilometer afstand van het plangebied gelegen. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier (incl. de realisatie van één vrijstaande landgoedwoning en bijbehorende opslagschuur), zijn gezien de ruimte afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

Stikstof Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Pouderoyen Tonnaer een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist.

Natuurnetwerk Nederland De provincie Limburg heeft haar landschap en natuurgronden onderverdeeld in Bronsgroene, Zilvergroene en Goudgroene zones. Goudgroene zones maken deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied maakt deel uit van een Bronsgroene landschapszone (zie onderstaand figuur) en is daarmee geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

47

Ligging plangebied (gele pijl) in Bronsgroene landschapszone (lichtblauw) (bron: Econsultancy, rapportnr. 9536.001)

Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van gebieden, behorende tot het Natuurnetwerk Nederland. Ten noorden grenst een bosgebied behorende tot het Natuurnetwerk en ten oosten grenst een spoorlijn en is heidegebied 'Mulderskop' gelegen, welke tevens behoren tot het Natuurnetwerk. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Ligging plangebied (gele pijl) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (groene vlakken) (bron: Econsultancy, rapportnr. 9536.001)

48

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Een extern effect valt niet te verwachten, omdat door de ontwikkeling als landgoed de huidige aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden niet zullen veranderen maar juist versterkt worden. Het planvoornemen ziet juist toe op de ontwikkeling van natuur ter plaatse van agrarische gronden die nu, ecologisch gezien, betekenisloos zijn. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen binnen het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand binnen het plangebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Mogelijk geldt wel dat een omgevingsvergunning nodig is voor het vellen van houtopstand. De gemeente is hiervoor het bevoegd gezag. Echter van het vellen van houtopstanden is geen sprake. De bestaande houtopstanden worden juist onderdeel van en geintergreerd in de ontwikkeling van het landgoed. Waar mogelijk worden deze houtopstanden versterkt. Er zal uitsluitend sprake zijn van regulier onderhoud aan de houtopstanden.

Gevolgen planvoornemen Negatieve effecten ten gevolge van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden zijn, gezien de aard van het voornemen en de ruime afstand, op voorhand uitgesloten. Ook ten aanzien van stikstof geldt dat middels een Aeriusberekening is aangetoond dat het planvoornemen niet tot een toename van de emissie stikstof op Natura 2000-gebieden leidt (de drempelwaarde met betrekking tot stikstofdepositie wordt niet overschreden). Aangaande houtopstanden en Natuurnetwerk Nederland is er geen sprake van mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van gebiedsbescherming worden geen belemmeringen voor het planvoornemen verwacht. 5.7.2 Soortenbescherming Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnr. 9536.001, d.d. 20 mei 2021). In de conclusie van de quickscan is hierna overgenomen. De quickscan is tevens toegevoegd als Bijlage 8 bij deze toelichting. De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

49

Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen (bron: Econsultancy, rapportnr. 9536.001)

Conclusie Noordoostelijk natuurgedeelte Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Op basis van de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de plannen, die betrekking hebben op en de directe omgeving van de in het noordoostelijk gelegen natuurgedeelte, meer informatie te worden verkregen door middel van aanvullend onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van zandhagedis, gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis. Bij het aantreffen van gladde slang en/of zandhagedis is naar verwachting een ontheffingsaanvraag op de Wet natuurbescherming niet te vermijden. Maatregelen en uitgangspunten om verstoring van das te voorkomen, dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dient een nadere inspectie van de boomholte (aantroffen in het bosschage) verder uit te wijzen of deze mogelijk wordt gebruikt door boombewonende vleermuizen. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of een overtreding ten aanzien van vleermuizen mogelijk aan de orde is en of nader aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

Het ecologisch werkprotocol ten aanzien van de das en de inspectie van de boomholte ten aanzien van vleermuizen dienen tevens gereed/uitgevoerd te zijn voordat werkzaamheden met betrekking tot, of in de nabijheid van het noordoostelijk gelegen natuurgedeelte worden uitgevoerd.

50

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Sloop- en nieuwbouw Ten aanzien van de werkzaamheden ten behoeve van de voorgenomen sloop- en nieuwbouw op het zuidelijk gedeelte van het terrein, is geen aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk. Om een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van algemene broedvogels te voorkomen, dienen de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden, of er dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Tevens dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Algemene conclusie Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het binnen het kader van zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, de aard van de ingrepen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Voordat gestart wordt met de daadwerkelijke werkzaamheden omtrent het noordoostelijk gelegen natuurgedeelte, dient nader onderzoek worden gedaan naar de genoemde soorten en dienen maatregelen te worden getroffen om daarmee te voldoen aan de Wet natuurbescherming.

5.8

Water

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 5.8.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer: Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen: Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

51

water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden-bergen-afvoeren 2. schoonhouden-scheiden-schoonmaken Ruimte en water verbinden: Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten. 5.8.2 Beleid Waterschap Limburg Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Limburg. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 en nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water; Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving; Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand; Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit; Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit; Toepassen voorkeurstabel afkoppelen; Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 80 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur; Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid; Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.

5.8.3 Gevolg ontwikkeling Volgens het Waterschap Limburg hoeven kleine ruimtelijke plannen niet meer voor een wateradvies naar het watertoetsloket. Hiervoor is een bovengrens ingesteld van 1.000 m² nieuw bebouwd oppervlak, mits het plangebied niet binnen een (door het Waterschap aangegeven) speciaal aandachtsgebied valt. De ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier ziet toe op de ontwikkeling van ca. 5 ha natuur, de herbouw van een landgoedwoning met bijbehorende opslagschuur en de realisatie van een schaapskooi. Ten aanzien van het nieuw bebouwd oppervlak geldt dat de landgoedwoning wordt gebouwd binnen de footprint van de te slopen paardenstal. De paardenstal heeft een footprint van ca. 185 m2 . De beoogde landgoedwoning heeft een footprint van ca. 176 m2 . Verder geldt dat een opslagschuur wordt opgericht om de spullen die in de huidige situatie buiten zijn opgeslagen, overdekt en geclusterd op te slaan. De huidige buitenopslag beslaat een oppervlak van ca. 251 m2 . De beoogde opslagschuur beslaat een oppervlak van ca. 120 m2 . Daarnaast wordt een schaapskooi opgericht ter grootte van ca. 35 m2 . Tot slot geldt dat een klein gedeelte binnen het plangebied wordt verhard t.b.v. de ontsluiting van de landgoedwoning en de tuin / het terras bij de woning. Dit verhard oppervlak beslaat naar schatting ca. 100 m2 .

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het huidig bebouwd oppervlak en het toekomstig bebouwd oppervlak. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met het planvoornemen ruimschoots onder de grens van 1.000 m2 nieuw bebouwd oppervlak wordt gebleven. Er is zelf sprake van een kleine afname van 5 m2 als de buitenopslag als verharding wordt aangemerkt.

Bebouwing / verharding Huidig oppervlak Paardenstal Buitenopslag

52

185 m2 251 m2

Toekomstig oppervlak 0 m2 0 m2

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Toe-/afname bebouwd oppervlak - 185 m2 - 251 m2

Landgoedwoning 0 m2 Opslagschuur 0 m2 Schaapskooi 0 m2 Erfverharding 0 m2 Totaal 436 m2 Overzicht huidig en toekomstig bebouwd oppervlak

176 m2 120 m2 35 m2 100 m2 531 m2

+ 176 m2 + 120 m2 + 35 m2 + 100 m2 - 5 m2

Verder geldt dat het plangebied niet binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied valt. Op basis van vorenstaande hoeft het plan niet meer voor een wateradvies naar het watertoetsloket.

Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied.

Waterkwaliteit Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen (zijnde de landgoedwoning, de opslagschuur en de schaapskooi) geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Hemelwater- en afvalwater Als gevolg van de realisatie van de landgoedwoning, de opslagschuur en de schaapskooi met bijbehorende erfverharding neemt het verhard oppervlak in zeer geringe mate toe (zie ook bovenstaande tabel). Het van de daken en verharding afstromende hemelwater wordt afgekoppeld van het vuilwater en opgevangen in een infiltratievoorziening (vijver of wadi), alwaar het kan infiltreren in de bodem. Voor een dergelijke voorziening is binnen het plangebied (ca. 5,3 ha) ruim voldoende ruimte aanwezig. De dimensionering van de infiltratievoorzieningen wordt afgestemd op de eisen die het waterschap en de gemeente daaraan stellen (bergingseis 100 mm op basis van de keur). De exacte vorm, dimensionering en ligging van de infiltratievoorziening zal ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen nader worden uitgewerkt. Gedacht wordt aan één van navolgende opties: natuurlijk uitvloeien op maaiveld (wadi); aanleggen van infiltratiebuizen; aanleggen van infiltratieschachten plaatsen van infiltratiekratten Voor de de landgoedwoning met opslagschuur en verharding (396 m2 ) is een bergingscapaciteit van 40 m3 nodig. Hierin zal voorzien worden door de aanleg van een wadi in de directe omgeving van de woning en schuur dan wel wordt een compleet systeem (incl. biologische zuivering) aangelegd gericht op opslag en hergebruik van hemelwater.

De schaapskooi (35 m2 ) wordt als onderdeel van het landgoed gesitueerd in het landschap. Het hemelwater zal direct afwateren van het dak op de bodem (zogenaame druiplijn) waardoor het water ter plaatse rechtstreeks kan infiltreren in de grond. Hiervoor zal vanwege de ligging en het beperkte oppervlak geen wadi aangelegd worden. Zoals gezegd zal het hemelwater op het terrein zelf worden afgekoppeld van het vuilwater. Het huishoudelijk

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

53

afvalwater van de landgoedwoning (DWA) wordt afgevoerd naar een zelfstandig IBA-systeem dan wel afgevoerd naar een gemaal, welke het vuilwater richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie pompt. Aangezien het om een kleinschalige ontwikkeling gaat (vuilwater afvoer van één huishouden), wordt aangenomen dat de bestaande riolering voldoende capaciteit heeft om de afvoer van het vuilwater probleemloos te verwerken. Vooralsnog gaat de voorkeur uit naar een duurzame oplossing waarbij vuilwater na biologische zuivering vanuit opslag kan worden hergebruikt.

Conclusie Ten gevolge van de ontwikkeling van het landgoed De Kleine Lier neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied (ca. 5,3 ha) enigszins af. Het hemelwater dat op het nieuw verhard oppervlak valt wordt afgekoppeld van het vuilwater en opgevangen, opgeslagen en hergebruikt binnen het plangebied. Het vuilwater wordt afgevoerd naar een zelfstandig IBA-systeem dan wel naar het gemaal. Dit wordt als onderdeel voor het bouwplan van de woning nader uitgewerkt.

Ten aanzien van het aspect 'Water' worden er geen belemmeringen verwacht.

5.9

Archeologie en cultuurhistorie

5.9.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

54

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Uitsnede archeologische beleidskaart Mook en Middelaar

Het plangebied is op de archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar (april 2012) aangeduid als categorie 7. Dit betreffen gebieden zonder een archeologische verwachting of gebieden die reeds archeologisch zijn vrijgegeven. Hier geldt geen onderzoeksplicht. Uiteraard geldt wel een meldingsplicht indien bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologisch waardevolle resten opduiken. De kans daarop wordt echter niet groot geacht, aangezien de grond reeds is verstoord tijdens de zandwinningsactiviteiten en de aanleg van de fundering van de bestaande bebouwing van de paardenstal.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.9.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De binnen het plangebied aanwezige bebouwing betreft een verloederde paardenstal. Deze kent geen cultuurhistorische waarde. Binnen het plangebied zijn geen bestaande archeologische monumenten aanwezig. In het plangebied liggen evenmin gemeentelijke en/of rijksmonumenten. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is het plangebied aangeduid als 'Nieuw cultuurland 1890-1990'.

Conclusie Als gevolg van het planvoornemen worden geen bestaande cultuurhistorisch waardevolle elementen in of in

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

55

de omgeving van het plangebied aangetast. Het plan voor het nieuwe landgoed voorziet juist in het versterken van de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied door middel van een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.10

Kabels en leidingen

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van het project. Zoals genoemd in paragraaf 5.6 leidt de aardgastransportleiding die ten noordoosten van het plangebied loopt niet tot belemmeringen voor het planvoornemen. In het straatprofiel van de Lierdwarsweg zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals electra en telefonie. Gas ontbreekt. Echter dit is geen probleem aangezien de woning gasloos wordt uitgevoerd in het kader van duurzaamheid Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Kabels en leidingen' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

56

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische opzet

Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

6.2

Uitgangspunten

6.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken. 6.2.2 Planonderdelen Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.

6.2.3 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.

bestemmingsplan Landgoed De Kleine Lier 2021

57

6.3

Toelichting op de planregels

De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding.

De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.

Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze omgevingsvergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=1b9f6c0c-3af8-47a7-b38f-d5d57b98e042