Bodegraven-Reeuwijk-Onderzoek-Participatiewet.pdf
Tekst van het document
Wat de uitkeringslasten betreft, is als kader vastgesteld dat deze in balans moeten zijn met het Rijksbudget dat de individuele gemeenten daarvoor ontvangen. Cliënten die niet geen betaald werk kunnen verrichten, worden ondersteund om vrijwillig deel te nemen aan de samenleving. Naast deze hoofdprioriteit hebben de gemeenten enkele ondersteunende doelen geformuleerd. Zo staat expliciet in de kaderbrief dat er bij het stellen van doelen ruimte is voor differentiatie tussen de vier gemeenten. Van deze mogelijkheid maken de gemeenten beperkt gebruik; het merendeel van het beleid van de vier gemeenten is geharmoniseerd. Verder ligt er een accent op integraliteit: als er bij een inwoner vraagstukken spelen op meerdere leefgebieden, dan legt Ferm Werk actief de verbinding met ondersteuningsvormen uit het bredere sociaal domein. Daarnaast ligt er in het beleid een accent op werkleerlijnen als belangrijk instrument om de uitstroom te bevorderen. De doelstelling is om 40 procent van de deelnemers aan werkleerlijnen uit te laten stromen naar werk. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper op de werkleerlijnen in. Naast werkleerlijnen is methodische beroepsontwikkeling een belangrijk ijkpunt bij de uitvoering van de re-integratiedienstverlening.
Ook zijn er ondersteunende doelen voor de ondersteuning van nieuwe doelgroepen van de Participatiewet vastgesteld. Per gemeente zijn er concrete streefwaarden voor de inzet van nieuw beschut werk en het aantal garantiebanen.
Sommige prioriteiten van de vier gemeenten zijn vertaald in concrete streefwaarden en meetbare indicatoren, andere niet. Zoals benoemd, zijn er een streefwaarden voor de uitkeringslasten en voor de uitstroom naar werk via werkleerlijnen. Een andere indicator die we in de stukken hebben aangetroffen is de zogenoemde preventiequote aan de poort. De preventiequote betekent het aantal aanvragen aan de poort dat niet heeft geleid tot een uitkering, bijvoorbeeld omdat de kandidaat al snel aan het werk kon. Er is ook een overkoepelende doelstelling die op het niveau van de individuele gemeenten is vastgesteld. Dit betreft het aantal uitkeringen aan het eind van het begrotingsjaar. Deze doelstelling is opgenomen in de begroting, waar ook de raad zijn zienswijze op mag geven. Voor 2021 is de doelstelling om het aantal uitkeringen terug te brengen tot 277. Deze doelstelling is gelet op het aantal uitkeringen in 2019 een ambitieuze doelstelling.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
17/35
HOOFDSTUK 3.
Uitvoeringspraktijk 3.1
Vertaling van beleid naar uitvoering
Op welke wijze is het beleid vertaald naar de praktijk (onder andere in termen van werkprocessen, werkwijzen, handboeken, protocollen, et cetera)? Zoals benoemd, wordt het participatiebeleid door uitvoeringsorganisatie Ferm Werk vertaald naar de eigen uitvoeringspraktijk. Hierbij vormen de streefwaarden en indicatoren die het beleid concreet maken belangrijke uitgangspunten. Daarnaast zijn er verordeningen en uitvoeringsregels die medewerkers concrete richtlijnen bieden voor hun dagelijks handelen. Medewerkers uit de uitvoering worden betrokken bij de vertaling van het beleid naar de uitvoering. Andersom kunnen signalen over de uitvoerbaarheid van het beleid door de uitvoering worden doorgegeven aan de beleidsmedewerkers. Bij de afstemming tussen beleid en uitvoering speelt de afdeling kwaliteit een verbindende rol. De afdeling kwaliteit ondersteunt de uitvoering ook bij het verbeteren van de werkprocessen. Dit gebeurt onder andere door middel van één-op-één toetsing en door middel van steekproeven.
Bij de vertaling van het beleid naar de uitvoering maakt Ferm Werk een onderscheid tussen zes doelgroepen: cliëntgroep A1, A2, B1, B2, C en D. Cliëntgroep A is werkfit en kan onder voorwaarden uitstromen naar werk. Een deel van cliëntgroep A kan uitstromen naar een baan in het kader van de Banenafspraak. Cliëntgroep B is nog niet werkfit maar heeft mogelijkheden om, middels begeleiding en coaching, op termijn aan het werk te kunnen. Cliëntgroep C heeft op het moment van diagnose geen uitzicht op werk en kan vrijwillig participeren in de samenleving. Voor deze cliëntgroep worden activeringsinstrumenten ingezet. Door vrijwillige participatie ontstaat er op termijn mogelijk perspectief op werk. Cliëntgroep D heeft ook op langere termijn geen mogelijkheden. Cliënten uit deze groep kunnen een ontheffing van de arbeidsplicht krijgen. In de volgende paragraaf lichten we de dienstverlening voor elk van de cliëntgroepen in meer detail toe.
De afgelopen jaren heeft er bij de vertaling van het beleid naar de uitvoering een sterk accent gelegen op financiële doelstellingen. De achtergrond daarvan is dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk in 2020 bij het uitbrengen van de Kadernota geconfronteerd is geweest met een extra financiële bijdrage aan Ferm Werk van € 0,7 mln. Deze extra bijdrage was nodig voor de uitvoering van de Wsw en de Participatiewet. Deze gevraagde hogere bijdrage viel voor Bodegraven-Reeuwijk samen met taakstellingen op het terrein van Wmo en jeugd. De gemeente kreeg daarom plotseling te maken met een grote financiële opgave. Dit leidde tot een totale gemeentelijke ombuiging vanwege een niet sluitende meerjarenbegroting. Gelet op de financiële situatie en gelet op de omstandigheid dat de gemeente de extra bijdrage door ontoereikende financiële informatie niet zag aankomen, heeft de gemeente Ferm Werk een financiële taakstelling meegegeven. Die vereenvoudiging van de governance is inmiddels een feit en heeft eveneens geleid tot een vereenvoudiging en verbetering van de financiële informatievoorziening. Deze stappen hebben ertoe geleid dat de samenwerking en verstandhouding tussen de gemeente en Ferm Werk is verbeterd. De gemeente en Ferm Werk willen deze stappen vasthouden en bestendigen. Daarbij moet rekening gehouden worden met een blijvende financiële uitdaging.
Het uitvoeringsbudget dat Bodegraven-Reeuwijk aan Ferm Werk ter beschikking stelt is ten opzichte van de situatie in het verleden substantieel afgenomen (voor een financieel overzicht, zie paragraaf 4.4). De beleidsdoelstelling is om met minder middelen een vergelijkbaar aantal cliënten te blijven bedienen. Aan die doelstelling wordt
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
18/35
dagelijks gewerkt. Tegelijkertijd is het bij een dusdanig grote taakstelling onvermijdelijk dat Ferm Werk bepaalde dienstverlening niet meer kan leveren met de kwaliteit en intensiteit die in de oude situatie mogelijk was. Die contextinformatie is relevant bij de interpretatie van de bevindingen uit de rest van dit rapport.
3.2
3.2.1
Uitvoering werkzoekendendienstverlening Algemene inrichting werkprocessen
Hoe zijn de werkprocessen ingericht? Hoe ziet de cliëntenpopulatie eruit? Welk beleid voeren gemeenten om de potentiële synergie tussen de Participatiewet en de Wsw te benutten? De werkprocessen beginnen bij de toegang. Als een cliënt zicht meldt, dan vindt er eerst een telefonische screening plaats. Daarna wordt het aanvraagproces voor de uitkering in gang gezet door de poortconsulent. De poortconsulent is de consulent die verantwoordelijk is voor het uitkeringsproces en de rechtmatigheid. Parallel aan dit proces begint ook het werkproces gericht op re-integratie. Dit werkproces wordt uitgevoerd door de consulent re-integratie. De consulent re-integratie vraagt bij de cliënt uit wat er nodig is. Daarnaast vindt er intern een diagnosetraject plaats bij het organisatieonderdeel Test en training. Soms is er ook een praktijkdiagnose nodig. Bij het uitvoeren van de diagnose maakt Ferm Werk gebruik van de infrastructuur van de sociale werkvoorziening, die Ferm Werk ook organiseert. De diagnose mondt uit in een advies. De consulent re-integratie stelt op basis van dit advies een plan van aanpak op. In sommige gevallen wordt er een ontheffing verleend. Bij de werkzoekendendienstverlening wordt er voor elke cliëntgroep zoveel mogelijk maatwerk geboden. Veel van de ontwikkelmogelijkheden die Ferm Werk biedt, worden in eigen huis georganiseerd.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan sollicitatie-ondersteuning. De cliëntgroep die na een traject kan uitstromen naar werk, cliëntgroep B, kan werkritme opdoen binnen de sociale werkvoorziening, die eveneens door Ferm Werk georganiseerd wordt. De interne trajecten hebben de vorm gekregen van werkleerlijnen. Werkleerlijnen houden in dat cliënten in een concrete werkomgeving werkervaring en werknemersvaardigheden opdoen. Er zijn werkleerlijnen horeca/catering, groen buiten, logistiek en schoonmaak. Deze leerlijnen passen bij de mogelijkheden van de meeste cliënten, namelijk praktisch opgeleide mensen. De ontwikkeling van de cliënt bepaalt de snelheid waarmee de cliënt leerlijn doorloopt. Daarnaast wordt er ingezet op individuele begeleiding door de consulent. In verband met de beperkte middelen (zie paragraaf 3.1 voor de contextinformatie) worden er weinig externe trajecten ingezet.
Naast werkleerlijnen biedt Ferm Werk ook participatieplaatsen. Deze plekken zijn bedoeld voor cliënten die langer de tijd nodig hebben om werkritme op te bouwen en werkfit te worden (tot 24 maanden). In de praktijk worden participatieplaatsen nauwelijks ingezet, omdat andere voorzieningen passender blijken te zijn voor cliënten. Verder biedt Ferm Werk werkervaringsplaatsen. Deze plekken zijn juist bedoeld voor cliënten met een relatief kleine afstand tot de arbeidsmarkt. De ontwikkeling van cliënten wordt op individueel niveau bijgehouden via het ondersteunende systeem CompetenSYS. Zoals de naam al aangeeft, is het systeem gericht op het bijhouden van competenties die cliënten aanleren. De medewerkers die de begeleiding op de werkleerlijnen verzorgen kunnen de ontwikkeling van de cliënt in dit systeem zetten. Bij de uitvoering van een werkleerlijn of traject is het van belang dat één functionaris de regie over het hele re-integratieproces houdt. Binnen Ferm Werk is dat de consulent re-integratie. De consulent kan via CompetenSYS de ontwikkeling van de cliënt volgen en bijsturen waar nodig. Als er sprake is van een extern traject, dan sluit Ferm Werk een samenwerkingsovereenkomst af waarin afgesproken wordt op welke wijze Ferm Werk een terugkoppeling ontvangt over de ontwikkeling van de cliënt gedurende een traject.
Het sluitstuk van het werkfitproces is het maken van de match tussen een kandidaat en een werkgever. De match wordt tot stand gebracht door de accountmanagers van Ferm Werk, die ook de contacten met
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
19/35
werkgevers onderhouden. In paragraaf 3.3 beschrijven we hoe de werkgeversdienstverlening georganiseerd is.
Zoals toegelicht in hoofdstuk 2, wordt voor kandidaten die geen betaald werk kunnen verrichten gestreefd naar vrijwillige deelname aan de samenleving. In verband met de beperkte middelen wordt de laatste tijd de meeste inzet geleverd voor doelgroep A en B. Voor doelgroep C en D zoekt Ferm Werk de samenwerking met onder andere SAM, Vluchtelingenwerk en de sociaal teams van de gemeenten, waaronder het sociaal team van Bodegraven-Reeuwijk. Zo kan ook, indien dat past bij de cliënt, de verbinding gelegd worden met de Wmo, bijvoorbeeld arbeidsmatige dagbesteding die vanuit de Wmo of Wlz georganiseerd wordt. De sociaal teams van de gemeente kunnen dergelijke voorzieningen indiceren. Ook kan een sociaal team een rol spelen bij het vinden van vrijwilligerswerk voor cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Bodegraven-Reeuwijk heeft een actief maatschappelijk middenveld. Er zijn dus in potentie genoeg plekken om vrijwillig deel te nemen aan de samenleving. Tijdens de interviews is genoemd dat de samenwerking met de sociaal teams verder verbeterd kan worden. Tot slot: gedurende het re-integratieproces blijft de zorg voor rechtmatigheid onder de aandacht. Zodra een consulent, bijvoorbeeld een consulent re-integratie, twijfelen over de rechtmatigheid van een uitkering, kan de consulent een signaal afgeven.
De handhavers pakken dit signaal op en onderzoeken de rechtmatigheid van de uitkering. Ook is er bij de poort – het eerste gesprek – al een handhaver aanwezig als daar aanleiding toe is. De handhavers kunnen ook meer systemen inzien dan consulenten, waardoor ze een completer beeld kunnen opbouwen, zodat er onderbouwd gehandhaafd wordt.
3.2.2
Aandacht voor specifieke doelgroepen
Wat is het beleid van de gemeenten voor bijzondere doelgroepen, zoals mensen met een arbeidsbeperking, op het gebied van participatie? Er is een aantal specifieke doelgroepen waar de gemeente Bodegraven-Reeuwijk en uitvoeringsorganisatie Ferm Werk bijzondere aandacht aan besteden. De werkwijze kan voor deze doelgroepen afwijken van het algemene beeld dat we in de vorige paragraaf hebben geschetst. In deze paragraaf lichten we de belangrijkste verschillen toe. De eerste doelgroep waar de sociale dienst specifiek aandacht aan besteedt, betreft jongeren tot 27 jaar. Voor deze doelgroep zet Ferm Werk het programma JIP in. Deze jongeren ontvangen in eerste instantie nog geen uitkering. Er wordt geprobeerd om de jongere middels intensieve begeleiding zo snel mogelijk naar school of werk te bemiddelen. BodegravenReeuwijk neemt nog niet aan het programma deel, maar het is wel de bedoeling dat op termijn alle Ferm Werk gemeenten eraan deelnemen. Bodegraven-Reeuwijk en de Ferm Werk hebben ook bijzondere aandacht voor statushouders. In het bijstandsbestand van Bodegraven-Reeuwijk zitten relatief veel statushouders. Vandaar dat er extra inspanningen verricht worden voor deze doelgroep. Ferm Werk voert voor de gemeenten de Nieuwe Wet Inburgering (NWI) uit.
Voor dit doel heeft de sociale dienst een apart team ingericht, met consulenten die gespecialiseerd zijn in de begeleiding van nieuwkomers. Specifiek is de taak van Ferm Werk om regie te voeren op het proces van inburgering. De ondersteuning wordt ook deels geboden door externe partijen, bijvoorbeeld partijen die taalonderwijs geven.
Ten slotte wordt er ook bijzondere aandacht besteed aan mensen met een arbeidsbeperking. Zo kunnen mensen met een arbeidsbeperking die niet bij een reguliere werkgever kunnen werken in aanmerking komen voor nieuw beschut werk. Deze voorziening wordt door Ferm Werk georganiseerd. Mensen met een arbeidsbeperking die wel aan de slag kunnen bij een reguliere werkgever worden bemiddeld naar een garantiebaan in het kader van het Banenafspraak. De Banenafspraak is in 2013 gemaakt tussen de sociale partners en de overheid, waarbij publieke en private werkgevers hebben toegezegd om 125.000 banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Ferm Werk kan daarbij instrumenten inzetten die de
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
20/35
kandidaat en de werkgever ondersteunen om tot een duurzame plaatsing te komen, zoals loonkostensubsidie, een werkplekaanpassing of jobcoaching.
Uit landelijke ervaringen met de Participatiewet blijkt dat cliënten die niet in aanmerking komen voor nieuw beschut werk en tegelijkertijd onvoldoende in staat blijken om bij een reguliere werkgever te werken tussen de wal en het schip kunnen vallen. Bij Ferm Werk is men zich van dit probleem bewust. Er is een pilot uitgevoerd waarbij vijf jongeren in dienst zijn genomen door het werkbedrijf. Bij Ferm Werk kan intensieve begeleiding worden geboden die op de werkvloer bij een reguliere werkgever niet altijd geboden kan worden. Soms is uiteindelijk toch doorstroom naar een reguliere werkgever mogelijk. Uit de pilot is gebleken dat deze ‘tussenvoorziening’ (i.e. tussen beschut werk en een garantiebaan in) in een behoefte voorziet. Bij Ferm Werk wordt nu onderzocht in hoeverre het mogelijk is om op basis van de resultaten een meer permanente oplossing in te voeren.
3.3
Uitvoering werkgeversdienstverlening
Hoe is de werkgeversdienstverlening vormgegeven? Is er sprake van een effectieve samenwerking? Zoals benoemd in hoofdstuk 2, is de werkgeversdienstverlening van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk belegd bij Ferm Werk. De accountmanagers van Ferm Werk opereren in twee arbeidsmarktregio’s: het WSP Midden-Holland en het WSP Midden-Utrecht. Geografisch gezien hoort Bodegraven-Reeuwijk bij de arbeidsmarktregio Midden-Holland en de andere drie deelnemende gemeenten van Ferm Werk bij de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht. De accountmanagers van Ferm Werk kunnen werkzoekenden van Ferm Werk bemiddelen in twee regio’s. Wel is het zo dat de vervoersmogelijkheden van Participatiewetcliënten meestal beperkt zijn, wat het logisch maakt om cliënten te bemiddelen naar werkgevers dichtbij hun eigen woonplaats. Om deze reden is er binnen Ferm Werk voor gekozen dat de cliënten uit Bodegraven-Reeuwijk in de regel bemiddeld worden door een accountmanager die zich richt op de arbeidsmarktregio Midden-Holland. Cliënten uit andere gemeenten worden door de andere accountmanagers van Ferm Werk bemiddeld binnen de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht.
Ferm Werk beschouwt het niet als een nadeel dat men in twee arbeidsmarktregio’s opereert. Een voordeel van werken in twee arbeidsmarktregio’s dat men noemt is dat de werkwijze in de twee regio’s onderling vergeleken kan worden, zodat ze van elkaar kunnen leren. Ook ziet men voor de toekomst mogelijkheden om meer kandidaten over de grenzen van één arbeidsmarktregio heen te bemiddelen, wat de werkkansen van deze kandidaten vergroot. Nu is dat alleen mogelijk voor kandidaten van Ferm Werk.
Omdat de cliënten uit Bodegraven-Reeuwijk primair bemiddeld worden naar werkgevers uit de regio Midden-Holland richten we ons in de rest van deze paragraaf primair op de inrichting van de werkgeversdienstverlening in Midden-Holland. Drie jaar geleden was er nog beperkt sprake van regionale samenwerking binnen het WSP Midden-Holland, waardoor er sprake was van een achterstand, zo bleek uit een onderzoek van Berenschot 3 naar de harmonisatie in dienstverlening in alle 35 arbeidsmarktregio’s (zie bijlage 2). Het WSP is daarom bezig met de uitvoering van een projectplan met als hoofddoel om de dienstverlening aan werkgevers in de regio te harmoniseren.
Het hoofddoel is vertaald in een aantal concrete subdoelen. Zo werken de werkgeversadviseurs van de deelnemende organisaties sinds januari 2020 samen onder één functioneel leidinggevende. Functioneel leidinggevende wil zeggen dat de leidinggevende de dagelijkse aansturing van de werkgeversadviseurs doet. De werkgeversadviseurs zijn nog wel in dienst bij hun eigen organisaties. Eén keer per twee weken is er met alle adviseurs uit de regio een overleg, waarin de werkzaamheden worden gecoördineerd. Een
3 Schenderling, P.J., et al. (2019), ‘Inventarisatie regionale dienstverlening aan werkzoekenden (met en
zonder een arbeidsbeperking) en aan werkgevers’. Onderzoek in opdracht van het Ministerie van SZW.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
21/35
ander belangrijk subdoel is dat er één gezamenlijk CRM-systeem ingevoerd wordt, waarin de werkgeversadviseurs werkgeverscontacten en kandidaatprofielen kunnen bijhouden.
Verder zijn de werkwijzen en de inzet van instrumenten geharmoniseerd. Dat wil zeggen dat de werkgeversadviseurs op dezelfde manier werken en dat instrumenten die werkgevers ondersteunen om iemand uit de doelgroep werk te bieden tegen dezelfde voorwaarden worden verstrekt. Ook werkt het WSP met vaste contactpersonen. Daarnaast is er, zoals benoemd, regiobreed een Werkpunt ingericht, van waaruit branchetrajecten worden georganiseerd, die de match tussen werkgever en werkzoekende bevorderen. Ten slotte is er een verkenning uitgevoerd voor de harmonisatie van social return en is er gestart met de invulling van een regionaal mobiliteitsteam (RMT). De RMT’s zijn ten tijde van corona door het Rijk in samenwerking met gemeenten, UWV, SBB, MBO Raad, vakbonden en werkgeverorganisaties ingericht om de matching op de regionale arbeidsmarkt te verbeteren, ongeacht doelgroep (cliënten van gemeente en UWV of niet-uitkeringsgerechtigden). Binnen dit regionale raamwerk kunnen gemeenten ook eigen accenten leggen.
Uit onderzoek van Berenschot onder grote groepen werkgevers blijkt dat werkgevers naast de inhoud van de dienstverlening ook veel waarde hechten aan het proces van dienstverlening. 4 Hierbij kan gedacht worden aan de snelheid van dienstverlening en de eenvoud van de administratieve afhandeling. Er wordt overigens op het moment van schrijven gewerkt aan dit verbeterpunt. Er zijn in de regio Midden-Holland service-afspraken om werkgevers te ontzorgen. Deze zijn geënt op de voorkeuren van werkgevers die geformuleerd zijn door DeNormaalsteZaak, een netwerkorganisatie voor werkgevers die werk bieden aan mensen uit de doelgroep.
3.4
Ervaren succes- en knelpunten
Zijn er bij de uitvoering van de Participatiewet knelpunten? Zo ja, welke bijsturingsmaatregelen treffen de gemeenten? Tijdens de interviews hebben we aan gemeenten, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke partners gevraagd wat de succes- en knelpunten van de uitvoering van het beleid van Bodegraven-Reeuwijk zijn. De ervaren succes- en knelpunten zijn begrijpelijkerwijs nauw verweven met de uitvoering die belegd is bij Ferm Werk. Een eerste succespunt is dat Ferm Werk cliëntdoelen op maat vaststelt en als een van de weinige sociale diensten de ontwikkeling van cliënten meet, via het eerder genoemde systeem CompetenSYS. Hierdoor komt niet alle focus te liggen op het doel van uitstroom naar werk, hoe belangrijk dat doel ook is, en is er ook aandacht voor mensen die niet meteen aan de slag kunnen maar wel ontwikkelstappen kunnen zetten. Een tweede succespunt is dat Ferm Werk, ondanks een forse reductie van de uitvoeringsmiddelen, erin slaagt om een redelijk groot deel van de gestelde doelen te behalen. Hierbij kan bijvoorbeeld verwezen worden naar de realisatie van de overkoepelende financiële doelstelling, namelijk dat de uitkeringslasten het budget voor uitkeringen niet overschrijden. In het volgende hoofdstuk lichten we de mate waarin de beleidsdoelen zijn gerealiseerd nader toe.
Een derde succespunt is dat de samenwerking tussen Ferm Werk en de gemeente de afgelopen tijd aanmerkelijk is verbeterd. Inhoudelijk gezien is met name de financiële stuurinformatie die Ferm Werk aan de gemeente biedt er beter op geworden. Aan de proceskant is gewerkt aan meer onderling contact op ambtelijk en bestuurlijk niveau, waardoor het onderlinge vertrouwen groter is geworden.
Het onderwerp onderling vertrouwen brengt ons op een eerste knelpunt dat tijdens de gesprekken geconstateerd is. Hoewel de verstandhouding op ambtelijk en bestuurlijk niveau verbeterd is, is er nog potentieel om het contact tussen Ferm Werk en de raad te verbeteren. Er wordt op dit moment door Ferm
4 Bron: Adelmeijer, M., Schenderling, P.J. & A. van Rossum (2019), Ervaringsonderzoek werkgevers in het
kader van de evaluatie van de Participatiewet, in opdracht van het ministerie van SZW.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
22/35
Werk veel verantwoordingsinformatie (op papier) geleverd aan de raad, zonder dat dit vaak genoeg tot onderling gesprek leidt. Meer gesprekken met de raad kunnen een bijdrage leveren aan het wederzijdse begrip en kan de raad helpen bij de interpretatie van de verantwoordingsinformatie.
Een tweede ervaren knelpunt is het bieden van vrijwilligerswerk aan cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Zoals toegelicht in paragraaf 3.2, voert Ferm Werk hierover de regie, waarbij men contact legt met het sociaal team van de gemeente. Het sociaal team heeft het echter druk met veel aanvragen, bijvoorbeeld op het terrein van de Wmo, waardoor Ferm Werk ervaart dat er niet altijd de capaciteit is om Participatiewetcliënten naar vrijwilligerswerk te bemiddelen, ook al zijn er in Bodegraven-Reeuwijk voldoende kansen voor inwoners om vrijwillig te participeren. Ferm Werk ervaart ook onduidelijkheid over de regie. Als er sprake is van meervoudige problemen (dat wil zeggen problemen op meerdere leefgebieden), dan heeft het sociaal team formeel de regie en als iemand arbeidsfit kan worden, dan ligt de regie bij Ferm Werk. In de praktijk is het echter niet altijd makkelijk om dit onderscheid te maken. Het risico bestaat daarom dat cliënten gaan ‘zweven’ tussen de beide organisaties. Een nuance bij dit knelpunt is dat bij de uitvoering van een wet door meerdere organisaties altijd de verbinding gelegd moet worden en een grijs gebied bestaat tussen de verantwoordelijkheden van de beide organisaties. In dat opzicht is het ervaren knelpunt niet uniek en wellicht ook niet volledig te vermijden. Wel lijkt gebrek aan capaciteit c.q.
uitvoeringsmiddelen, zowel bij het sociaal team als bij Ferm Werk, een belemmerende factor te zijn om de onderlinge verbinding nog duidelijker te leggen. Deze belemmerende factor hangt samen met de financiële uitdagingen in het sociaal domein waar de gemeente mee te maken heeft. Een praktisch knelpunt dat de uitvoering ervaart en dat samenhangt met de complexiteit van de wetgeving is dat het administratief ingewikkeld is voor cliënten als ze parttime gaan werken. Zo moet bij parttime werk de uitkering worden verrekend, wat om accurate en tijdige informatie vraagt van cliënten. Daarnaast is de afwikkeling van parttime werk fiscaal ingewikkeld. De uitvoering moet daarom veel moeite doen om cliënten te begeleiden bij deze ingewikkelde administratieve processen. Een andere nadelige consequentie is dat de administratieve rompslomp het voor cliënten niet aantrekkelijker maakt om parttime te gaan werken, terwijl parttime werk wel voordelen biedt voor zowel de cliënt (namelijk: werkervaring en werkritme) als de gemeente (namelijk: een gedeeltelijke besparing op de uitkeringslasten).
Ten slotte constateren we dat er wat de samenwerking in de arbeidsmarktregio’s betreft een aantal verbeterpunten bestaat. Zo is binnen het WSP Midden-Holland het subdoel van één gezamenlijk matchingssysteem nog niet behaald. Wel is in 2022 een gezamenlijk CRM-systeem ingevoerd waarin werkgeverscontacten worden bijgehouden. Het ontbreken van een systeem waarin werkzoekendenprofielen worden bijgehouden, heeft als praktische consequenties dat de overdracht van een kandidaat die werkfit is via een apart formulier plaatsvindt. Dat maakt het praktisch gezien relatief ingewikkeld om te matchen over gemeentegrenzen heen. Een ander verbeterpunt is dat de werkgeverscontacten en werkzoekenden bestanden vanwege vermeende obstakels in de privacywetgeving nog niet in aanpalende arbeidsmarktregio’s inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Dit betekent concreet dat er een praktisch obstakel is om een cliënt uit Bodegraven-Reeuwijk te bemiddelen bij een werkgever uit de aangrenzende arbeidsmarktregio Midden-Utrecht, ook al ligt deze regio geografisch gezien behoorlijk dichtbij. Dit betekent gemiste kansen. De kans op een goede match is groter naarmate de ‘vijver’ waarin gevist wordt groter is. Een gezamenlijk CRM-systeem en meer samenwerking over de grenzen van arbeidsmarktregio’s heen vergroot de vijver en daarmee de kans op een geslaagde match.
Deze verbeterpunten worden overigens in de beide arbeidsmarktregio’s herkend en er wordt aan gewerkt om deze verbeteringen door te voeren.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
23/35
HOOFDSTUK 4.
Resultaten 4.1
Overkoepelende resultaten
Wat zijn de voornaamste resultaten van het beleid? Hoe is de uitstroom naar werk? Wat valt op als we de resultaten vergelijken met andere gemeenten met een vergelijkbare sociaaleconomische structuur? In deze paragraaf rapporteren we de voornaamste resultaten van het beleid en vergelijken de resultaten met andere gemeenten (benchmark). Het voornaamste overkoepelende resultaat van het beleid is de mate van uitkeringsafhankelijkheid, gecorrigeerd voor de sociaaleconomische structuur van de gemeente. De uitkeringsafhankelijkheid, ook wel bijstandsdichtheid, betreft het aantal bijstandsuitkeringen ten opzichte van het aantal huishoudens. In de benchmark Participatiewet vergelijken we de bijstandsdichtheid van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk met een groep referentiegemeenten met een vergelijkbare sociaaleconomische structuur. Zo ontstaat zicht op de relatieve prestaties van de desbetreffende gemeente. De groep referentiegemeenten is door Berenschot met zorg samengesteld op grond van de belangrijkste sociaaleconomische kenmerken. Voor een overzicht van de referentiegemeenten, zie bijlage 1. Omdat we de bijstandsdichtheid van Bodegraven-Reeuwijk vergelijken met gemeente met een vergelijkbare sociaaleconomische structuur isoleren we de beïnvloedbare factoren – namelijk beleid, sturing en uitvoering – van de nauwelijks beïnvloedbare factoren – namelijk de sociaaleconomische structuur.
Zo ontstaat er inzicht in de prestaties van de gemeente op het terrein van beleid, sturing en uitvoering. 6.00% 5.00%
Bijstandsdichtheid Bodegraven-Reeuwijk
4.00% 3.00% 2.00% 1.00% 0.00%
2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 december december december december december december november Referentiegroep
Bodegraven-Reeuwijk
Nederland
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
2.20% 2.00%
24/35
Bijstandsdichtheid Bodegraven-Reeuwijk
1.80% 1.60% 1.40% 1.20% 1.00%
2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 december december december december december december november Referentiegroep
Bodegraven-Reeuwijk
Zoals blijkt uit de figuren, lag de bijstandsdichtheid in Bodegraven-Reeuwijk van 2015 tot eind 2019 lager dan het gemiddelde van referentiegemeenten. In 2020 is de bijstandsdichtheid in Bodegraven-Reeuwijk harder gestegen dan in referentiegemeenten en kwam de bijstandsdichtheid in Bodegraven-Reeuwijk boven het gemiddelde van de referentiegemeenten uit. Dit bleek echter een tijdelijke situatie te zijn. In 2021 is de bijstandsdichtheid in Bodegraven-Reeuwijk namelijk sterker gedaald dan in de referentiegemeenten. Eind 2021 is de bijstandsdichtheid in Bodegraven-Reeuwijk iets onder het gemiddelde van de referentiegemeenten uitgekomen. Wel is het verschil in bijstandsdichtheid eind 2021 een stuk kleiner geworden dan eind 2015, namelijk nauwelijks 0,1 procentpunt eind 2021 versus 0,4 procentpunt eind 2015. In de resultaten is dus terug te zien dat er in de afgelopen jaren minder geïnvesteerd kon worden in re-integratie. Als de gemeente in de toekomst ruimer onder het gemiddelde van referentiegemeenten wil blijven, dan zijn er nieuwe investeringen in re-integratie nodig.
Redenen om ruimer onder het gemiddelde van referentiegemeenten te blijven, zijn onder andere maatschappelijke impact en de BUIG-systematiek. De maatschappelijke impact van werkloosheid is hoog. Mensen die langdurig werkloos zijn voelen zich vaak ongelukkig en zijn vaker ziek. Door nieuwe investeringen in re-integratie te doen, kan de gemeente voor een deel van deze doelgroep positieve maatschappelijke impact maken. De BUIG-systematiek is ook een reden om te investeren in re-integratie. De BUIG-systematiek beloont namelijk gemeenten die tot de helft beter presterende gemeenten behoren. 5 Gelet op het positieve BUIG-saldo van Bodegraven-Reeuwijk (zie paragraaf 4.4) is dat momenteel het geval. Het is belangrijk voor de gemeente om in de toekomst tot de beter presterende gemeenten te blijven behoren.
Naast de overkoepelende resultaten biedt Ferm Werk deelnemende gemeenten inzicht in de realisatie van de streefwaarden en indicatoren die zijn vastgesteld (zie hoofdstuk 2). In 2021 was de doelstelling om het aantal uitkeringen terug te brengen tot 277. Deze doelstelling is niet gehaald, omdat er bij het formuleren van de doelstelling onvoldoende rekening gehouden kon worden met de effecten van de coronacrisis. Ten opzichte van referentiegemeenten is de uitkomst qua bijstandsdichtheid eind 2021 positief, zoals hierboven toegelicht. Een andere doelstelling is geweest om 40 procent van de deelnemers aan werkleerlijnen uit te laten stromen naar werk. Wij kunnen de resultaten voor deze doelstelling niet uit de
5 Zie het rapport van AEF in opdracht van Divosa (2019): ‘De besparing voor een gemeente als er iemand
uit de bijstand stroomt’.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
25/35
rapportages opmaken. Tot slot is het doel vastgesteld dat de uitkeringslasten van Bodegraven-Reeuwijk binnen het uitkeringsbudget moeten blijven. In 2021 is deze doelstelling behaald. 6 In paragraaf 4.4 gaan we nader in op de financiële resultaten.
4.2
Bijdrage aan uitstroom door inzet van instrumenten
Hoe worden de middelen over de doelgroepen verdeeld? Wat zijn de bijdragen van trainingen en trajecten op basis van registraties? Een van de belangrijkste factoren waarmee de gemeente het overkoepelende resultaat kan beïnvloeden is de inzet van re-integratie-instrumenten die bijdragen aan de uitstroom naar werk. Vanwege het belang ervan wordt de inzet van instrumenten door alle gemeenten op een redelijk hoog detailniveau geregistreerd. Berenschot heeft in het kader van deze opdracht een data-analyse uitgevoerd op de inzet van instrumenten door de gemeente Bodegraven-Reeuwijk in de periode 2019 tot en met 2021. De navolgende figuren geven een visuele weergave van de voornaamste uitkomsten van de analyse. In alle figuren is het aantal voorzieningen ten opzichte van het aantal bijstandsuitkeringen weergegeven, met uitzondering van de figuur met het aantal loonkostensubsidies (dat zijn absolute aantallen). Een sterretje achter de datum wil zeggen dat het CBS voor die maand alleen voorlopige cijfers biedt. 120% 100%
Coaching en training
80% 60% 40% 20%
0%
Coaching en training
6 Wij hebben inzicht gekregen in de resultaten tot en met Q3 2021.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
26/35
Vrijwilligerswerk en overige sociale activering
Vrijwilligerswerk en overige sociale activering
Loonkostensubsidie waarvan jobcoaching
Loonkostensubsidie (Participatiewet)
140 120 100 80 60 40 20 0
45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
Jobcoach/begeleiding op de werkplek
Loonkostensubsidie
Loonkostensubsidie
In de analyses maken we een onderscheid tussen verschillende typen instrumenten. Zo wordt voor de reguliere bijstandsdoelgroep veelal scholing en/of coaching naar werk of participatie ingezet. Voor
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
27/35
mensen met een arbeidsbeperking kunnen loonkostensubsidie en jobcoaching worden ingezet. Voor beide doelgroepen zijn proefplaatsingen en participatieplaatsen inzetbaar. Verder is er voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt de mogelijkheid om vrijwilligerswerk of overige sociale activering in te zetten.
Uit de analyses blijkt dat de inzet van re-integratieinstrumenten in Bodegraven-Reeuwijk sinds 2019 overwegend stabiel is gebleven, in elk geval wat de dienstverlening aan de reguliere bijstandsdoelgroep betreft. Zo ligt het aantal cliënten dat coaching naar werk of participatie of een training/scholing ontvangt begin 2019 op 210 voorzieningen (zo’n 80% van het bestand). Dit aantal is eind 2021 gedaald naar 180 (zo’n 60% van het bestand). Binnen dit totaal zien we de ontwikkeling dat het aantal mensen dat training/scholing ontvangt, is gestegen, terwijl het aantal mensen dat coaching naar werk of participatie ontvangt, vrij fors is gedaald, van 120 naar 30. De achtergrond hiervan is de beperkte beschikbaarheid van middelen om cliënten te coachen in combinatie met de effecten van coronamaatregelen (zie de volgende paragraaf). Ondanks de daling in het aantal contactmomenten met cliënten is het aantal cliënten dat vrijwilligerswerk doet of op een andere manier sociaal geactiveerd wordt redelijk op peil gebleven: het totale aantal ligt begin 2019 op 180 cliënten en eind 2021 nog steeds. Wat de dienstverlening aan mensen met een arbeidsbeperking betreft, blijkt uit de cijfers dat er sprake is van een stijgende trend: het aantal loonkostensubsidies liep op van 60 in 2019 naar 130 eind 2021 en het aantal cliënten met jobcoaching van 30 in 2019 naar 70 eind 2021.
In 2019 concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in haar evaluatie van de Participatiewet dat de baankansen van mensen met een arbeidsbeperking sinds de invoering van de Participatiewet nauwelijks verbeterd zijn. Loonkostensubsidie is een instrument dat bij uitstek geschikt is om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te helpen. Als nuance bij dit resultaat merken we wel op dat landelijk gezien het aantal loonkostensubsidietrajecten in 2019 sterk was achtergebleven bij de verwachting. Die verwachting is onder andere naar buiten gebracht door het ministerie van SZW en Berenschot en is gebaseerd op de geprognosticeerde omvang van de nieuwe doelgroepen. Aangezien de nieuwe doelgroepen afhankelijk zijn van ondersteuning van de gemeente is de prognose een goede indicator van de ondersteuningsbehoefte: alle cliënten hebben ondersteuning nodig, dus het aantal voorzieningen zou ongeveer even hoog moeten liggen als het geprognosticeerde aantal cliënten. Uit het prognosemodel van Berenschot blijkt dat er in 2021 plusminus 70 mensen uit de nieuwe doelgroep zouden zijn. Het aantal lopende loonkostensubsidietrajecten lag in 2019 nog iets onder dat niveau (namelijk op 60), terwijl het aantal eind 2021 ruim boven dat niveau lag (op 120).
4.3
Invloed coronacrisis
Welke invloed heeft corona gehad op de uitvoering en bestedingen? De coronacrisis heeft voor Bodegraven-Reeuwijk, net als in veel andere gemeenten, veel effect gehad op de werkprocessen en op de resultaten. Er zijn extra mensen ingestroomd, terwijl het door de coronamaatregelen lastiger was om mensen te re-integreren. Consulenten konden bijvoorbeeld vanwege de coronamaatregelen weinig mensen oproepen om te coachen naar werk of participatie. Verder konden re-integratietrajecten vanwege de maatregelen niet doorgaan.
Daarnaast is een deel van de capaciteit van de sociale dienst ingezet om een tijdelijke steunregeling van de Rijksoverheid uit te voeren, de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Het uitvoeren van de Tozo heeft uitvoeringsorganisaties veel extra werk heeft opgeleverd, waarvoor sociale diensten ook extra uitvoeringsmiddelen hebben gekregen. Met de extra uitvoeringsmiddelen had extra inzet gepleegd kunnen worden, zodat de uitvoering van de Tozo niet ten koste zou gaan van de uitvoering van de Participatiewet. In de praktijk hebben veel sociale diensten echter niet de extra capaciteit kunnen of willen inzetten. De capaciteit die is ingezet voor de uitvoering van de Tozo kon niet daardoor ingezet worden voor de uitvoering van de Participatiewet. Dit was ook in Bodegraven-Reeuwijk het geval.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
4.4
28/35
Financiële resultaten
Wat is het totale gemeentelijke budget voor de uitvoering van de Participatiewet en uit welke deelbudgetten bestaat dit budget? De financiering van de Participatiewet is als volgt georganiseerd. De Rijksoverheid biedt gemeenten een budget voor uitkeringen en loonkostensubsidies via de zogenoemde gebundelde uitkering (BUIG). Het budget voor uitkeringen wordt voor gemeenten groter dan 40.000 inwoners verdeeld middels een objectief verdeelmodel. Het budget van gemeenten met meer dan 15.000 maar minder dan 40.000 inwoners wordt gedeeltelijk objectief verdeeld en gedeeltelijk gebaseerd op historische uitgaven. Objectief verdeeld wil zeggen dat de omvang van het budget afhangt van statistische factoren die niet door gemeenten te beïnvloeden zijn, bijvoorbeeld de sociale structuur en de arbeidsmarktstructuur. Als gemeenten minder uitgeven dan het objectief bepaalde budget, dan mogen ze het overschot houden. Als ze meer uitgeven, dan moeten ze het tekort zelf oplossen. Het budget voor loonkostensubsidies wordt sinds kort door het Rijk verdeeld op basis van realisaties. Dat betekent dat het aantal daadwerkelijk ingezette loonkostensubsidietrajecten bepalend is voor het budget. De BUIG-budgetten en -realisaties zijn voor gemeenten transparant, want het BUIG-budget wordt apart overgemaakt door het ministerie van SZW en is geen onderdeel van het Gemeentefonds.
Een overzicht van BUIG-saldi als percentage van het jaarlijkse budget van de Groene Hart gemeenten van de afgelopen jaren (2017 tot en met 2021) staat in de navolgende tabel. Na de tabel hebben we ook nog enkele figuren opgenomen die de resultaten visueel uitlichten. Saldi BUIG als % van het budget
2017
2018
2019
2020
2021
Gouda
-12,68%
2,18%
7,14%
5,49%
0,99%
Waddinxveen
-7,71%
7,14%
19,25%
20,69%
6,14%
Zuidplas
-16,61%
-7,44%
-1,24%
8,86%
5,23%
Bodegraven-Reeuwijk
-11,60%
6,62%
7,43%
5,99%
1,44%
Uitgaven (lasten) BUIG
€ 5,500,000 € 5,000,000 € 4,500,000 € 4,000,000 € 3,500,000
2017
2018
2019
2020
2021
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
€ 400,000 € 200,000 €-
€ -200,000 € -400,000
29/35
Saldo BUIG - Bodegraven-Reeuwijk 2017
2018
2019
2020
2021
€ -600,000
Zoals blijkt uit de figuur, zijn de BUIG-lasten van de gemeente in 2020 en 2021 gestegen ten opzichte van 2019. Ondanks de stijgende BUIG-lasten is in 2020 een positief BUIG-saldo gerealiseerd. Het BUIG-saldo was in 2021 nog steeds positief, zij het lager dan in 2020.
Naast het BUIG-budget ontvangen gemeenten een apart budget voor re-integratie. Een deel van het reintegratiebudget is berekend op basis van de reguliere bijstandsdoelgroep die ook al vóór de invoering van de Participatiewet door gemeenten ondersteund werd. Daarbovenop stelt een extra budget ter beschikking voor de re-integratie van nieuwe doelgroepen. De re-integratiebudgetten zijn beide versleuteld in het Gemeentefonds. Het is voor gemeenten dus moeilijk om transparant te krijgen hoeveel geld ze voor deze taken ontvangen. Daardoor is het ook nauwelijks te achterhalen of een gemeente meer of minder uitgeeft dan het re-integratiebudget. Ook voor dit onderzoek is dat niet mogelijk gebleken. We kunnen alleen een overzicht bieden van de begrote uitgaven en de gerealiseerde uitgaven. Een overzicht daarvan staat in de navolgende tabel en figuur. Op het moment van schrijven zijn alleen de resultaten over 2019 en 2020 bekend. 2017
Bodegraven
2018
2019
2020
Begroot
Realisatie
Begroot
Realisatie
Begroot
Realisatie
Begroot
Realisatie
320
745
239
779
651
907
956
956
6.5 Arbeidsparticipatie
Arbeidsparticipatie
1200 1000 800 600 400 200 0
Realisatie
2017
2018
Begroot
2019
2020
Zoals blijkt uit de figuur, is er in 2017 en 2018 fors minder geld begroot aan re-integratie dan in 2019 en 2020. Dit hangt samen met de taakstelling die destijds is doorgevoerd en die we eerder in dit rapport toegelicht hebben. De realisatie was in 2017 tot en met 2019 substantieel hoger dan de begroting. De taakstelling is dus niet gerealiseerd. Er heeft indertijd ook discussie bestaan of de taakstelling reëel was of niet. In 2020 werd evenveel uitgegeven aan re-integratie als begroot. In 2020 waren er eveneens hogere uitgaven begroot dan in 2019. Los van de vraag of de taakstelling reëel was of niet, zijn de resultaten van Bodegraven-Reeuwijk in termen van bijstandsdichtheid en BUIG-saldo in de afgelopen jaren goed geweest, wat erop duidt dat de middelen doelmatig besteed zijn.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
4.5
30/35
Verantwoording
Hoe meten de gemeenten de effectiviteit van hun participatiebeleid? Voeren zij metingen uit of de gestelde doelen en streefwaarden worden bereikt? En hoe wordt de gemeenteraad meegenomen? De gemeente Bodegraven-Reeuwijk wordt door Ferm Werk op de hoogte gehouden van de resultaten via de kwartaalrapportages en via het jaarverslag. De kwartaalrapportages heten ‘kwartaal in zicht’ en bevatten informatie over de ontwikkeling van het aantal uitkeringen en van andere streefwaarden die in hoofdstuk 2 toegelicht zijn, zoals preventie bij de poort, de redenen voor in- en uitstroom, de samenstelling van het bestand en de uitkeringslasten ten opzichte van het uitkeringsbudget. Ook bevat de kwartaalrapportage informatie over de actuele bestandssamenstelling, de wijze van participeren van cliënten en de dynamiek binnen het bestand (bijvoorbeeld ontwikkelstappen die cliënten zetten). Al met al zijn de kwartaalrapportages heel inzichtelijk, met informatie op het juiste detailniveau, namelijk gericht op de mens en haar/zijn ontwikkeling. Over de kwartaalrapportages voert Ferm Werk het gesprek met de gemeente, hoofdzakelijk ambtelijk. Dit gesprek wordt wederzijds gewaardeerd. Ook waardeert de ambtelijke organisatie de informatievoorziening vanuit Ferm Werk. De wederzijdse gesprekken zorgen ervoor dat de processen rond de kaderbrief en de verantwoording constructief verlopen.
Zoals genoemd in hoofdstuk 3, heeft de informatievoorziening aan de raad nog niet met regelmaat geleid tot gesprekken met de raad.
Om de mening van de raad op te halen is een korte raadsenquête opgesteld met een aantal vragen over de kaderstelling en verantwoording. Hier hebben vier raadsleden op gereageerd, die allemaal ook vóór de recente verkiezingen al in de raad plaatsnamen. De raadsleden geven aan overwegend positief te zijn over in hoeverre zij worden meegenomen in het opstellen van kaders, alsook over de verantwoording van resultaten. Het gevoel bij de uitvoeringspraktijk hebben zij iets minder, maar ze zijn hier wel positief over. Men geeft aan dat het bezoeken van Ferm Werk bijvoorbeeld een mogelijkheid is. De kwaliteit van de verantwoordingsinformatie wordt overwegend positief beoordeeld. De timing van de verantwoordingsinformatie wordt als goed beoordeeld, hoewel men ook aangeeft dat dit vaak niet tijdig genoeg is om bij te kunnen sturen. Het onderwerp Participatie leeft niet heel sterk bij de Raad, zo geven zij dit op een schaal van 1 tot 10 gemiddeld een 5,75.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
31/35
HOOFDSTUK 5.
Cliëntervaringen 5.1
Inleiding
Om vast te stellen in hoeverre klanten tevreden zijn met de gemeente Bodegraven-Reeuwijk hebben we een beeld gevormd van de cliëntervaringen op basis van ervaringsonderzoeken onder zowel cliënten als werkgevers gedaan. We zien zowel werkzoekenden als werkgevers als klant van de gemeente, aangezien zij beide een dienst of ondersteuning ontvangen. Aangezien er in Bodegraven-Reeuwijk geen recent uitgevoerd ervaringsonderzoek beschikbaar is, hebben we zelf interviews afgenomen met cliënten. We hebben via de gemeente contact gezocht cliënten, van wie we er in totaal vijf hebben geïnterviewd. Daarnaast hebben we zelf een ervaringsonderzoek onder werkgevers uitgevoerd. Omdat een belangrijk deel van de werkgevers regionaal werkt en omdat er voor de vier Groene Hart gemeenten twee en niet vier werkgeversservicepunten zijn, hebben we in totaal twaalf interviews afgenomen.
Het is van belang om op te merken dat zowel het onderzoek voor de cliëntervaring als voor de werkgeverservaring een relatief beperkte omvang heeft en dat het beeld dat we op basis daarvan gevormd hebben wel illustratief is maar niet representatief. Dat wil zeggen dat we met het beeld uit de ervaringsonderzoeken wel onze andere bevindingen kunnen illustreren en nuanceren maar ze niet kunnen opvatten als eigenstandige bevindingen. Als er sprake is van een representatief aantal cliënten en werkgevers dan zou het aantal interviews hoger liggen en dan zouden de onderzoeken cliënttevredenheidsonderzoeken kunnen worden genoemd, waaruit eigenstandige conclusies kunnen worden getrokken.
5.2
Ervaringen van werkzoekenden
Zijn bijstandsgerechtigden tevreden met de ondersteuning van de gemeente? Welke effecten ervaren bijstandsgerechtigden van de ondersteuning van de gemeenten? Om een inzicht te krijgen in de cliëntervaringen in Bodegraven-Reeuwijk hebben we een vijftal interviews gehouden met cliënten. Dit is slechts een steekproef en niet volledig representatief, maar geeft een indicatie van de ervaringen. Rekening houdend met de omvang van de steekproef kunnen we stellen dat cliënten tevreden zijn met de dienstverlening van de gemeente en Ferm Werk. Men geeft aan dat de consulent behulpzaam is en dat zij het gevoel hebben dat ze hun best doen je aan het werk te helpen. Alle cliënten die we hebben geïnterviewd zijn tevreden over de ondersteuning die zij (hebben) ontvangen van de gemeente. Zo helpt de gemeente bijvoorbeeld bij het zoeken naar een stageplek. Ook geeft de gemeente snel antwoord indien er een hulpvraag is. Een cliënt gaf echter wel aan dat, hoewel ze goed geholpen werd aan werk, ze het gevoel had dat er niet volledig rekening werd gehouden met zijn/haar niveau. Dit komt doordat de gemeente de leerlijnen aanpast aan de mogelijkheden van de meeste cliënten, namelijk praktisch opgeleide mensen.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
5.3
32/35
Ervaringen van werkgevers
Hoe tevreden zijn werkgevers met de dienstverlening van de gemeenten (het aanleveren van kandidaten voor vacatures en het bieden van ondersteunende instrumenten om werkzoekenden aan de slag te helpen) en met het proces van de dienstverlening? De werkgeverservaringen van Bodegraven-Reeuwijk zijn zoals toegelicht gebaseerd op een kleine steekproef onder werkgevers in de regio, die ervaring hebben met de dienstverlening van Ferm Werk. Rekening houdend met de omvang van de steekproef hebben we hier ook een aantal ervaringen uit kunnen ophalen. De ervaringen van werkgevers zijn positief te noemen. Men geeft aan dat zij bij Ferm Werk een vaste contactpersoon hebben en indien nodig snel een reactie ontvangen bij vragen. Daarnaast levert Ferm Werk kandidaten aan waar men tevreden over is. In veel gevallen wordt er een goede match gemaakt. Daarnaast ervaart men weinig administratieve lasten.
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
33/35
Bijlage 1. Referentiegemeenten Bodegraven-Reeuwijk • • • • • • • • •
Altena Bernheze Castricum Dalfsen Kaag en Braassem Lansingerland Nunspeet Peel en Maas Teylingen
Bijlage 2. Midden-Holland
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
34/35
Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk
35/35
‘WIJ ZIJN BERENSCHOT, GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG’ Wij zien een Nederland dat altijd in ontwikkeling is. Zowel sociaal als organisatorisch verandert er veel. Al meer dan 80 jaar volgen wij deze ontwikkelingen op de voet en werken we aan een vooruitstrevende samenleving. Daarbij staan we voor duurzaam advies en de implementatie hiervan. Altijd gericht op vooruitgang én echt iets kunnen betekenen voor mensen, organisaties en de maatschappij. Alles wat we doen, is onderzocht, onderbouwd en vanuit meerdere invalshoeken bekeken. In ons advies zijn we hard op de inhoud, maar houden rekening met de menselijke maat. Onze adviseurs doen er alles aan om complexe vraagstukken om te zetten naar praktische oplossingen waar u iets mee kan. Wij geven advies en bieden digitale oplossingen waarbij we ons focussen op: • Toekomst van werk en organisatie • Energietransitie • Transformatie van zorg • Transformatie van openbaar bestuur
Berenschot Groep B.V.
Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG UTRECHT Postbus 8039, 3503 RA UTRECHT 030 2 916 916 www.berenschot.nl
TECHNISCHE REACTIE Onderzoek uitvoering Participatiewet Bodegraven-Reeuwijk 6 juli 2022 BETREFT: NOTA VAN BEVINDINGEN ONDERZOEK PARTICIPATIEBELEID GROENE HART REKENKAMER
Paginanummer en regelnummer
Opmerking
Pagina 6 regel 2628
Scope van het onderzoek 2019, 2020 en 2021.
Opmerking wel of niet overgenomen in rapport N.v.t.
We doen onderzoek om ervan te leren en een dominante factor binnen de scope van het onderzoek is COVID. Is dit een rem op de waarde van het onderzoek naar de toekomst toe? Pagina 11 regel 3
Pagina 11 regel 6
Pagina 11, schema en regel 14 t/m 21
Pagina 11, schema aanpassen
Het beleid en het uitvoeringsbeleid is bij Ferm Werk ondergebracht. Het strategisch beleid en de governance op de uitvoering ligt bij de gemeente. Richtsnoer is vooral het volgen van het rijksbeleid als kader. Regio = gemeenten deelnemend aan de GR Ferm Werk. NB: Met regio wordt doorgaans iets anders bedoeld dan de verzameling gemeenten in deze specifieke GR. Ferm Werk bedient 4 gemeenten die vallen onder 2 arbeidsmarktregio's: MiddenHolland en Midden-Utrecht. Dat weerspiegelt dit schema niet. Ook de tekst in regel 14 t/m 21 moet daarop worden aangepast. Deze legt nu een te sterke nadruk op de positionering van FW binnen de AMR MU, terwijl daar geen sprake van is. De positionering is zowél in de AMR MU als in die van MH. Het plaatje schept verwarring. Vul aan met Zuidplas in AMR Rijnmond en BoRe in MH. Plaats
Overgenomen
Toelichting
We hebben bij het uitvoeren van het onderzoek zoveel mogelijk gekeken naar de lessen die er te trekken zijn, ongeacht de coronacrisis. Daar waar de coronacrisis van invloed is geweest op de prestaties hebben we dit bij de desbetreffende bevindingen vermeld.
Overgenomen
Overgenomen
Niet overgenomen
Er staan in de figuur al duidelijk twee pijlen, naar WSP-MH en WSP-MU. De andere suggesties maken
Pagina 11, schema
Pagina 11, regel 22 t/m 26
Pagina 12, regel 16-18 Pagina 13, regel 15 en 16.
AMR MU naast het schema. Nu lijkt BoRe in AMR MU te vallen. Suggestie om FW te positioneren op de grens van de 2 AMR’s om duidelijk te maken dat er een relatie is met beide. Er wordt niet ingegaan op het Sociaal ontwikkelbedrijf in figuur 4. Suggestie: Hierover alsnog iets aangegeven. De partijen zijn niet in figuur 4 opgenomen. Zouden zij daarin niet alsnog een plaats moeten krijgen? Zin loopt niet: Herschrijven tot lopende zin. 6 doelgroepen: A1, A2, B1, B2, C en D.
de figuur alleen maar ingewikkelder.
Niet overgenomen
Het sociaal ontwikkelbedrijf wordt wel degelijk weergegeven in de figuur.
Niet overgenomen
Dat past simpelweg niet in de figuur. Het staat in de tekst benoemd wat de partijen zijn.
Overgenomen Overgenomen
De tekst die in deze alinea volgt kan blijven staan en past ook in het beeld van de hierboven genoemde 6 doelgroepen. Pagina 12 regel 25
Sociale domein = sociaal domein
Overgenomen
Pagina 12 regel 42
Deze zin bevat een waardeoordeel. Dat is hier prematuur. Suggestie is deze zin weglaten. Of neutraal weergeven ‘t.o.v. 2019 is dit een aanzienlijk verschil’.
Niet overgenomen
Pagina 13, regel 32 t/m 37
De tekst klopt niet helemaal en moet zijn:
Overgenomen
.......heeft de gemeente Ferm Werk een financiële taakstelling meegegeven. Daarnaast heeft de gemeente de wens uitgesproken om de governance te vereenvoudigen, een wens die ook de andere GR-gemeenten en Ferm Werk hadden. Die vereenvoudiging van de governance is inmiddels een feit en heeft eveneens geleid tot een vereenvoudiging van de financiële informatievoorziening. pagina 2
Dit oordeel is opgenomen op expliciet verzoek van de Rekenkamercommissie
Pagina 13, regel 26 Pagina 13, regel 29-31
Pagina 13, regel 31
Pagina 14, regel 1 Pagina 14, regel 39
Pagina 14, regel 21 en 22
Pagina 14, regel 31
Pagina 15, regel 3-12
Pagina 15 regel 5 en 6
(NB: Een formele taakstelling op het vlak van effectiviteit en efficiëntie is niet gegeven, al zijn dit uiteraard wel onderwerpen van gesprek (geweest) tussen de vier GR-gemeenten en Ferm Werk.) Concreter zijn hier. ‘In het verleden … vervangen door: in 2020. Na “Groote financiële opgave”, invoegen de zin: Dit leidde tot een totale gemeentelijke ombuiging vanwege een niet sluitende meerjaren begroting’. De zinsnede “.. de gemeente de extra bijdrage niet zag aankomen…” vervangen door: … de gemeente de bijdrage door ontoereikende … financiële informatie niet zag aankomen. Halvering van het budget graag concreet maken. Aan het eind van de regel voor het woord “de” het woord “dat” toevoegen om beide zinnen met elkaar te verbinden. Strikt genomen organiseert Ferm Werk geen sollicitatietrainingen intern, maar wordt ingezet op sollicitatie-ondersteuning, éénop-één of in groepsverband. In de praktijk worden deze participatieplaatsen zelden ingezet, omdat deze in mindere mate aansluiten op de ondersteuningsbehoefte van de cliënten die een traject doorlopen, dan alternatieve instrumenten/voorzieningen. Nu een sterke focus op het sociaal team. Terwijl de samenwerking ook is met SAM en Vluchtelingenwerk. Suggestie om dit in regel 6 concreet te benoemen. Sociale teams = sociaal teams.
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
pagina 3
Verwijzing opgenomen naar de desbetreffende paragraaf.
Herformuleren. Zoekt FW de samenwerking met de sociaal teams van de gemeenten, waarbij de indruk is dat deze relatie verdergaand zou kunnen worden verbeterd.
Pagina 15, regel 11
Pagina 15, regel 29 Pagina 19, regel 36 (en verder in het stuk waar CompetenSYS bij naam wordt genoemd) Pagina 15, regel 7 en 8 Pagina 15, regel 16
Pagina 15, regel 31 en 32 Pagina 16, regel 7 en 8
Pagina 16, regel 16 en 17
Pagina 16, regel 20 en 21
NB: Indruk is dat die samenwerking sterker zou kunnen zijn. Zin bevat een waarde oordeel “er zijn genoeg plekken. ”Dat past hier niet. Suggestie: schrappen.
Niet overgenomen.
On voetnoot reden vermelden anders voetnoot weglaten. Het is CompetenSYS ipv Competensis.
Overgenomen
Arbeidsmatige dagbesteding kan vanuit de Wmo, maar ook de Wiz worden geïndiceerd. Dat is niet standaard. Alleen als er een aanleiding toe is, wordt de handhaver betrokken bij het eerste gesprek. In de meeste gevallen is dat niet nodig. Zuidplas moet zijn BodegravenReeuwijk. De jongeren zijn met loonkostensubsidie in dienst genomen. Dat is een wezenlijk onderdeel van de genoemde pilot en dus het benoemen waard. Dat lees ik niet terug in hoofdstuk 2. Daarin wordt wel benoemd dat er twee WSP's zijn waar Ferm Werk aan deelneemt, maar niet dat er nog een intern WSP is dat voor verbinding met de regionale WSP's zorgt. Juist het interne WSP kan goed aansluiten op de meer lokale arbeidsmarkt. Het is wel mogelijk vanuit het interne WSP van Ferm Werk om
Overgenomen
Het is geen waardeoordeel, het is een ervaringsgegeven dat uit de interviews naar voren is gekomen.
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen Overgenomen
Het stond er overigens al.
Niet overgenomen
Hoofdstuk 2 schetst in grote lijnen de context, paragraaf 3.3 geeft de details van de werkgeversdienstverlening.
Overgenomen
pagina 4
Pagina 16, regel 23 t/m 27
Pagina 16, regel 30 t/m 32
Pagina 17, regel 4
Pagina 17, regel 24 t/m 26
Pagina 17, regel 35 t/m 37
Pagina 18, regel 2 en 5
cliënten uit de ene gemeente in de ene AMR naar werk in de andere gemeente en AMR te bemiddelen en dat gebeurt ook. In de regel, want Iemand uit Woerden kan natuurlijk ook in Bodegraven werken en andersom. Dit sluit Ferm Werk op voorhand allicht niet uit. In lijn met bovenstaande punten: dit ligt genuanceerder. Zoals gezegd kan dit voor cliënten van Ferm Werk (dus ook uit Woerden) wel. Deze worden immers allen door Ferm Werk begeleid naar werk. .. “dit jaar voor het eerst” ..: schrappen. NB: Dit valt buiten scope van het onderzoek. De werkgeverspremie is nu juist één van de in de arbeidsmarktregio geharmoniseerde instrumenten en inmiddels zo goed als gelijkgetrokken in de AMR. De werkgeverspremie kan ingezet worden vanaf een dienstverband van 6 maanden. "Voldoende" dekt hier niet de lading. Juist door het inperken van de financiële middelen door gemeenten (BodegravenReeuwijk staat daarin niet alleen), is het niet mogelijk om de dienstverlening voor de doelgroep die verder van de arbeidsmarkt af staat, op eenzelfde peil te houden als de dienstverlening voor cliënten met een kortere afstand tot de arbeidsmarkt. Dit kan niet zo worden weergegeven. Formeel heeft Bodegraven-Reeuwijk geen managementlagen (=zelfsturende organisatie zonder hiërarchie). Daarbij zijn
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
pagina 5
Pagina 18, regel 12 Pagina 20, regel 2 Pagina 20, regel 9
Pagina 21 regel 14 Pagina 22
ook de bestuurlijke verhoudingen in de afgelopen periode aanmerkelijk verbeterd. In zin 2 en 5 ‘management en beleidsniveau’ vervangen door: ambtelijk en bestuurlijk niveau. Hier staat 2x sociaal team. Figuur = figuren. Gaat om 2 figuren Het woord “positief” is een waardeoordeel en past hier niet. Suggestie: Schrappen. NB: Kwalificatie hangt af van meerdere zaken: Opbouw BUIG budget, verhouding tot bijstandsdichtheid. Grafiek is niet duidelijk. Nadrukkelijk aangeven wat uit deze grafiek spreekt. Alle grafieken vragen om een goede duiding.
Overgenomen Overgenomen Overgenomen
Overgenomen
Overgenomen
Bijvoorbeeld: de eerste grafiek: staat dit voor de inzet op het bestandsvolume van vrijwilligerswerk en sociale activering? Of op een deel van het bestand? Alleen groep C e/o D….. Wat zegt de Y-as