Bijlage 3 - Willeskop 67_67a, Montfoort_vastgesteld_1_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Zo is sprake van een duurzame voortzetting van het perceel en aanwezige bebouwing, zodat verdere verpaupering wordt voorkomen en zowel de locatie zelf als de directe omgeving aantrekkelijk blijft voor gebruikers van nu en in de toekomst. Daarnaast is het de intentie om waar mogelijk te voorzien in maatregelen en toepassingen die het duurzame karakter van het bedrijf vergroten. De mogelijkheden hiertoe zullen na planrealisatie worden onderzocht. 3.3.3 Nota parkeernormen Montfoort 2020 Het huidige beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de Nota parkeernormen Montfoort 2020. De doelstelling van het beleid is als volgt samen te vatten: 'Het actualiseren van de vastgestelde Nota Parkeernormen uit 2015 en daarmee het opnieuw vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen in de gemeente Montfoort om de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Montfoort te waarborgen.' Het meenemen van regels ten aanzien van parkeren in bestemmingsplan is nodig sinds de wijziging van de Woningwet per 1 juli 2018. Door deze wijziging is de borging van voldoende parkeerplaatsen op basis van het Bouwbesluit 2012 komen te vervallen.
Omdat het wenselijk blijft te voorzien in voldoende parkeerruimte bij ruimtelijke ontwikkelingen, dient in nieuwe bestemmingsplannen in de bestemmingsplanregels een artikel te worden opgenomen die regelt dat aan de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020' dient te worden voldaan, dan wel dat indien dit beleid wijzigt, van het gewijzigde beleid uit dient te worden gegaan. Bij bestaande bestemmingsplannen wordt dit geregeld middels het paraplubestemmingsplan "Parkeernormen Montfort" zoals vastgesteld op 29 september 2018. De parkeernormen in de parkeernormennota zijn gebaseerd op de landelijke parkeerkencijfers uit de meest recente CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, 10 december 2018). De parkeernormen zijn ingedeeld in zeven hoofdcategorieën: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
wonen; werken; winkel en boodschappen; sport, cultuur en ontspanning; horeca en (verblijfs)recreatie; gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen; onderwijs.
Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 1
Relatie tot bestemmingsplan De functies binnen dit bestemmingsplan die een mogelijke parkeerbehoefte met zich mee zullen brengen zijn wonen en werken. Afhankelijk van de uiteindelijke inrichting zal bij het verlenen van de vergunning voor het bouwen wordt beoordeeld hoeveel parkeergelegenheid gerealiseerd dient te worden. Daarnaast dient te worden voorzien in voldoende gelegenheid voor laden en lossen. Hiertoe is in de regels behorende bij het bestemmingsplan een parkeerregeling opgenomen. Conclusie Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is van belang bij de realisatie van functies die een parkeervraag met zich mee (kunnen) brengen. In de regels bij dit bestemmingsplan is een parkeerregeling opgenomen, op basis waarvan de functies niet in gebruik kunnen worden genomen, zonder dat wordt voorzien in het genoemde aantal parkeerplaatsen. Daarmee is de aanleg van voldoende parkeer- en laad- en losvoorzieningen geborgd. Voor een nadere toelichting op parkeren, wordt verwezen naar paragraaf 4.9 van deze toelichting.
Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 2
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Archeologie
Erfgoedwet Regels inzake archeologie waren voorheen geregeld in de Monumentenwet. Met het vervallen van deze wet in juli 2016, is een groot deel daarvan opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet betreft één integrale wet en bevat daarmee de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Daar waar relevant dienen mogelijk aanwezige waarden middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden beschermd. Daarnaast geldt de wettelijke meldingsplicht: indien per toeval een vondst wordt gedaan waarvan men vermoed dat deze archeologische relevantie kent, dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Een deel uit de Monumentenwet dat ziet op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming), zal opgenomen worden in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn de relevante artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Archeologiebeleid gemeente Montfoort Gelet op voornoemde verplichting voor gemeenten ten aanzien van de bescherming van archeologische waarden, heeft de gemeente Montfoort samen met Lopik, Oudewater en Woerden een beleidsnota in het kader van archeologie opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie wordt omschreven op welke manier de gemeente Montfoort archeologische waarden in de bodem wil beschermen. Doel van de beleidsnota is: 1. Het in kaart brengen van waar in de gemeente de kans op het aantreffen van archeologie groot is en waar klein. 2. Aangeven wanneer archeologisch onderzoek verplicht gesteld wordt en wanneer men hiervan vrijgesteld is. Het grondgebied van Montfoort is verdeeld in verschillende verwachtingsgebieden: Hoge verwachting Middelhoge verwachting Lage verwachting Geen verwachting De Beleidsnota Archeologie bestaat uit twee delen: A. Beleidsnota gemeentelijke archeologische monumentenzorg; B. Toelichting op de Archeologische Beleidskaart. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplan is dit gemeentelijk archeologiebeleid en de beleidskaart leidend. Situatie plangebied Voor dit bestemmingsplan is de Archeologische Beleidskaart geraadpleegd.
De planlocatie ligt deels ter plaatse van categorie 4, 5 en 6. Ter plaatse van categorie 4 is in de bestaande situatie reeds bebouwing aanwezig en wordt in onderhavig plan geen Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 3
bebouwing toegevoegd. Ter plaatse van categorie 5 wordt bebouwing opgericht, daar waar in de huidige situatie nog geen bebouwing aanwezig is. De gronden met categorie 6 ondervinden geen wijzigingen welke van invloed kunnen zijn op eventuele archeologische waarden in gevolge van dit bestemmingsplan.
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart. Planlocatie: oranje ster. (bron: Archeologische Beleidskaart Montfoort) Ter plaatse van de bestaande woning en omliggende gronden geldt categorie 4. Hierbinnen is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 200 m2, die tevens dieper reiken dan 100 cm -mv. Ter plaatse wordt enkel voorzien in een planologische wijziging, waarbij de bestaande agrarische bedrijfswoning wordt afgesplitst en wordt bestemd als 'Wonen'. Van (ver)bouwactiviteiten is geen sprake. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De ontwikkeling zoals met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt heeft betrekking op een bouwplan ter plaatse van categorie 5. Ter plaatse van deze categorie geldt dat alleen bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen en bodemingrepen een archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden. Er geldt namelijk een onderzoeksverplichting indien het plangebied groter is dan 2.500 m² én wanneer de bodemingreep dieper dan 100 cm beneden het maaiveld plaatsvindt. De nieuw op te richten bebouwing zoals in dit bestemmingsplan wordt toegestaan, overschrijdt deze oppervlaktemaat niet. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd.
De vigerende dubbelbestemmingen zijn in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen waarbij categorie 4 is vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', waarbij categorie 5 is vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en waarbij categorie 6 is vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Mogelijke archeologische waarden blijven hierdoor beschermd. Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 4
4.2
Cultuurhistorie
Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Nationaal Landschap het Groene Hart Het grondgebied van Montfoort maakt deel uit van het Nationaal Landschap het Groene Hart en is cultuurhistorisch waardevol. Kenmerkend is het contrast tussen de open polders, die volgens het vaste copesysteem ontgonnen zijn, en de besloten lintbebouwingen langs de weteringen en de waterlopen. Parallel aan de ontginningsassen liggen de tiendwegen en houtkades. De grote verscheidenheid aan wateren (natuurlijk en gegraven) en watergebonden elementen zoals sluizen, dijken, molens, forten en bruggen verlenen dit landschap zijn eigenheid. De restanten daarvan – zowel onder- als bovengronds – vormen namelijk het archief voor de geschiedenis van de afgelopen 1.000 jaar.
Er is sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren die zijn opgenomen op de thematische kaarten voor bewoning en waterstaat/verdediging. Cultuurhistorische atlas (CHAT) In de cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht (CHAT) zijn de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld gebracht. Het plangebied ligt in het agrarisch cultuurlandschap en het bebouwingslint. In het agrarisch cultuurlandschap wordt ruimte geboden voor ontwikkeling, gericht op het creëren van economische dragers voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van buitenplaatsen. Relatie tot bestemmingsplan Binnen het plangebied zijn geen gebouwde monumenten aanwezig. Ook ligt de planlocatie niet in een beschermd dorpsgezicht. Wel is de locatie onderdeel van een cultuurhistorisch waardevol gebied. Onderhavig plan heeft, door behoud van het agrarisch karakter van het bestaande erf, geen onevenredig nadelig effect op de bestaande verkavelingsstructuur en op het karakter van het bebouwingslint. De huidige bedrijfsbebouwing, welke het doorzicht aan een zijde van de woning naar het achterland belemmert, wordt gesloopt. Hierdoor wordt het cluster van bedrijfsbebouwing langer en smaller, in plaats van kort en diep. Dit is meer in overeenstemming met de kavelstructuur. Het beoogde plan voorziet in een verlenging van het bestaande te behouden en te renoveren bedrijfsgebouw.
Het totaal oppervlak aan bedrijfsbebouwing wordt hierbij niet uitgebreid. Daarnaast komt het doorzicht aan beide zijden van de woning vrij richting het achterland. Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 5
helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
tabel 4.1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. In dergelijke gebieden geldt dat toekomstige gebruikers meer milieuhinder kunnen ondervinden als gevolg van bedrijvigheid dan wanneer sprake is van een rustige woonwijk, maar dat dit gezien de gebiedstypering aanvaardbaar wordt geacht. Relatie tot bestemmingsplan In onderhavige situatie is sprake van een 'gemengd gebied', aangezien er sprake is van functiemenging in de omgeving. Het bedrijf bevindt zich tevens in de geluidzone van de provinciale weg N228, een 60km/u-weg waaraan meerdere bedrijven gelegen zijn. Dit betekent dat de richtafstand met één stap kan worden verlaagd. De opslag van werktenten staat niet expliciet in de VNG-publicatie genoemd, maar kan gelet op de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten worden beschouwd als een bedrijf in milieucategorie 2. De bedrijfsactiviteiten zijn namelijk vergelijkbaar met opslaggebouwen en verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g.
Beide bedrijfsactiviteiten uit de VNG-publicatie hebben een milieucategorie 2, waardoor dat voor onderhavige activiteit ook aangehouden wordt.
tabel 4.2 (fragment van) richtafstanden, excl. toepassing richtafstand 'gemengd gebied' (bron: VNG-brochure) Voor dit type bedrijvigheid geldt een richtafstand van 30 meter tot hindergevoelige Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 6
objecten voor het aspect geluid. Uitgaande van het omgevingstype 'gemengd gebied', kan in deze situatie echter een richtafstand van 10 meter tot hindergevoelige objecten worden aangehouden. Voor de overige aspecten, geldt dan een richtafstand van 0 meter. De bedrijfsactiviteiten bevinden zich in de nieuwe situatie op een afstand van ca. 6 meter tot het meest dichtstbijzijnde omliggende hindergevoelige objecten. Het betreft de woning per adres Willeskop 67 en 67A te Montfoort, die middels dit bestemmingsplan een reguliere woonbestemming krijgt. De bestaande woning gelegen aan de Willeskop 69 is gesitueerd op een afstand van ca. 20 meter. Het bouwvlak van de woning bevindt zich op een afstand van ca. 10 meter tot de afstand van het bouwvlak van het bedrijf. Het voorgaande betekent, dat voor zover het de woningen Willeskop 67 en 67A betreft, niet voldaan wordt aan de richtafstand in verband met het aspect 'geluid'. Ook het bouwvlak van de woningen Willeskop 71 en 71a bevindt zich, in tegenstelling tot de bestaande woningen, binnen de richtafstand van het aspect 'geluid'. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen of voldaan wordt aan de geluidgrenswaarden. Aan de richtafstanden voor de overige aspecten wordt wel voldaan.
Akoestisch onderzoek Omdat de meest nabijgelegen hindergevoelige objecten op minder dan 10 meter gelegen zijn, is de ontwikkeling alleen gemotiveerd mogelijk indien onder andere aangetoond wordt dat ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan geluidgrenswaarden. Daartoe is door bureau Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek opgesteld. Het onderzoek d.d. 15 april 2021 is opgenomen in Bijlage 2. De resultaten zijn hieronder integraal weergegeven. De oprit van de inrichting is op ca. zes meter van de dichtstbijzijnde woning gesitueerd. De minimale richtafstand voor het milieuaspect 'geluid' wordt hiermee overschreden. In de VNG-publicatie is aangegeven op welke wijze de toetsing op het geluidsaspect dient plaats te vinden, indien niet aan de richtafstand voldaan wordt. Voor die beoordeling is in de VNG-publicatie een kort stappenplan opgenomen, op basis waarvan bij stap 1 geldt dat in het geheel geen belemmeringen optreden en onderzoek nodig is, terwijl een ontwikkeling die geschaard kan worden onder stap 4 in principe geen doorgang kan vinden. Op basis van de stappen 2 en 3 kan, middels een akoestisch onderzoek en zo nodig een nadere motivatie, vrijstelling worden verleend van de richtafstanden die gelden voor het aspect geluid. De stappen 2 en 3 bevatten de maximaal toelaatbare geluidbelasting (etmaalwaarde) conform onderstaande tabel:
tabel 4.3 maximaal toelaatbare geluidbelasting stappenplan (bron: VNG-brochure) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden uit stap 2 worden overschreden. Aan stap 3 wordt wel voldaan. Dit betekent dat de ontwikkeling doorgang kan vinden, mits goed wordt gemotiveerd waarom de specifieke situatie acceptabel wordt geacht. Overeenkomstig stap 3 uit de VNG-publicatie kunnen maximale geluidniveaus ten gevolge van rijgeluid (onderbouwd) buiten beschouwing gelaten worden. Doordat op onderhavige projectlocatie sprake is van een hoog heersend achtergrondgeluid van 61-65 dB zal geen onderscheid te maken zijn in rijgeluid door Werktent of overige weggebruikers. Verbetering woon- en leefklimaat Aanvullend kan worden gesteld dat een verbetering plaatsvindt ten opzichte van de huidige planologische situatie, waarin ter plaatse van het te hergebruiken gebouw het houden van dieren is toegestaan. Daar waar in de vigerende situatie milieucategorie 3.2 is Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 7
toegestaan, wordt het vrijgekomen bedrijfsgebouw in de nieuwe situatie in gebruik genomen ten behoeve van een activiteit die valt binnen milieucategorie 2. Ook vanuit dat oogpunt kan daarom gesteld worden dat er geen sprake is van een negatief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nabij gelegen woningen.
tabel 4.4 (fragment van) richtafstanden (bron: VNG-brochure) Conclusie Voor de diverse nieuwe functies die aan het gebied worden toegevoegd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van bedrijven en milieuzonering. Er is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat voor bewoners van omliggende woonobjecten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt bovendien dat het aspect geluid geen belemmeringen oplevert, omdat vanuit de richtlijnen zoals opgenomen in de VNG-publicatie kan worden geconcludeerd dat sprake is van een acceptabele akoestische situatie. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.4
Bodem
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt onder andere af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Relatie tot bestemmingsplan In het kader van de planontwikkeling heeft Kwinfra een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het verkennend onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 3 (rapportnummer 20151-RAP-01 d.d. 29 juni 2021) bij voorliggende toelichting. Onderstaand worden de resultaten samenvattend weergegeven. In het verkennend en nader bodemonderzoek is onderscheid gemaakt tussen deelgebied I (bestaande woning met tuin, diverse opstallen/schuren en deels asfalt-/betonverharding) en II (huidig weiland). In het onderzoek is geconcludeerd dat in deelgebied I twee sterk verontreinigde spots aanwezig zijn, deze spots worden de westelijke en oostelijke spot genoemd. In totaal is ter plaatse van de westelijk gelegen spot circa 145 m³ grond boven de interventiewaarde verontreinigd met zink.
Ter plaatse van de oostelijke spot is in totaal circa 200 m³ grond boven de interventiewaarde verontreinigd met zware metalen en PCB. Derhalve is ter plaatse van beide spots meer dan 25 m³ grond boven de interventiewaarde verontreinigd. Uit de uitgevoerde risicobeoordeling blijkt dat bij het toekomstige gebruik als bedrijfsterrein/industrie geen sprake is van een spoedeisende saneringsnoodzaak. Indien de locatie ter plaatse van de oostelijke spot gebruikt gaat worden als moestuin (b.v. t.b.v. planten fruitbomen) dan is wel sprake van een spoedeisende sanering vanwege de aanwezigheid van humane risico’s. Verder is de boven- en deels ondergrond niet tot plaatselijk matig verontreinigd met zink, cadmium, koper, lood, nikkel en PCB. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, kwik, molybdeen en nikkel, en ook de ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 8
met molybdeen en nikkel. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat het grondwater matig tot plaatselijk sterk verontreinigd is met barium en plaatselijk licht verontreinigd is met zink, barium, molybdeen, minerale olie, naftaleen en xylenen. Ter plaatse van de oostelijke verontreinigde spot is dempings-/stortmateriaal aangetroffen vanaf circa 0,35 m-mv tot 1,5 m-mv. Dit betreft een gedempte sloot. Het materiaal bestaat o.a. uit afval, puin, plastic grofvuil, glasresten. Ter plaatse van de (achter)tuin is aanvullend een nader onderzoek naar asbest in de grond uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van 1 ruimtelijke eenheid (RE3) met een oppervlakte van circa 550 m². Er is hierbij asbest in de grond aangetoond in gehalten boven de interventiewaarde. In totaal is naar verwachting circa 85 m³ grond over een oppervlakte van circa 165 m² verontreinigd met asbest. In verband met de gebruiksfunctie van tuin ter plaatse van RE3 dient de aanwezige asbesthoudende grond gesaneerd te worden middels ontgraving en afvoer naar erkende verwerker/ acceptant. Het niet treffen van sanerende maatregelen betekent in de praktijk dat er in de tuin asbesthoudend plaatmateriaal in de bovengrond, en mogelijk in de contactzone (0-0,2 m - mv) indien de bodem onafgedekt blijft, aanwezig zal zijn in een mate die plaatselijk de interventiewaarde overschrijdt.
Voor uitvoering van saneringswerkzaamheden ter plaatse van de westelijke spot en RE3 kan volstaan worden met het indienen van een BUS-melding bij het bevoegd gezag. Voor graafwerkzaamheden en/of sanerende maatregelen ter plaatse van de oostelijk gelegen verontreinigde spot is een saneringsplan benodigd. Verder is in het onderzoek geconcludeerd dat in deelgebied II (het weiland) enkel sprake is van lichte verontreinigen in de grond. Het grondwater is sterk verontreinigd met barium en licht verontreinigd met zink. Samenvattend kan voor beide deellocaties worden geconcludeerd dat de vooraf gestelde hypothese “deels verdacht” gedeeltelijk bevestigd is. Kwinfra constateert dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan en de daarmee samenhangende aanvraag van een omgevingsvergunning. De benodigde melding en/of vergunning zal aangevraagd worden en vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Conclusie In het verkennend en nader bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit vastgesteld. Geconcludeerd is dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De benodigde melding en/of vergunning zal aangevraagd worden en vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 3 9
die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Relatie tot bestemmingsplan Inrichtingen In de directe omgeving hiervan zijn geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid. Dergelijke bedrijven in de omgeving zijn uitgesloten. De voorgenomen activiteit zelf betreft eveneens geen risicovolle activiteit.
Transport gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Binnen en rondom Montfoort is sprake van enkele transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De Rijksweg A12 vormt daarbij een belangrijke route, waarover structureel en grootschalig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A12 ligt hemelsbreed op een afstand van ca. 5,2 kilometer ten opzichte van het plangebied. Voor de A12 geldt een plaatsgebonden risicocontour van 26 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 200 meter vanaf weerszijden van de weg. Het plasbrandaandachtsgebied tot slot, bedraagt 30 meter gemeten uit de rand van de rechter rijstrook. Gelet op de ruime afstand ten opzichte van de projectlocatie, vormt het transport van gevaarlijke stoffen over de A12 geen belemmering voor de bestemmingswijziging. In aanvulling op het bovenstaande wordt vermeld dat het mogelijk is dat in de nabijheid van het plangebied transport plaatsvindt van niet-routeplichtige stoffen. De frequentie hiervan is echter dermate laag, dat geen ruimtelijk relevante risico's ontstaan. Mogelijk transport van dergelijke stoffen in de nabijheid van het plangebied, vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Buisleidingen Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gesitueerd waarvan de PR- of GR-contour over de locatie valt.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.6
Ecologie
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 0
libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de Regeling PAS (Programmatische aanpak Stikstof) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitstpraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen.
Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden, en kan al sprake zijn van een negatief effect op het moment dat de rekenresultaten meer depositie dan 0,00 mol/ha/jr weergeven. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Onderzoek In het kader van de planontwikkeling heeft ecologisch adviesbureau Bureau Buitenwaard een quickscan Wet natuurbescherming en een nader onderzoek naar de kerkuil uitgevoerd. Cauberg Huygen heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd naar de effecten op beschermde gebieden. De rapportages zijn opgenomen in de bijlagen bij voorliggende toelichting. Onderstaand worden de resultaten samenvattend weergegeven.
Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een beschermd natuurgebied. De projectlocatie is gelegen op ruim 7 kilometer van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van ruim 8 en 16 kilometer, en betreffen respectievelijk de gebieden Zouweboezem (zuidoosten) en Oostelijke Vechtplassen (noordoosten). Ten behoeve van de ontwikkeling is door Cauberg Huygen een stikstofdepositieberekening uitgevoerd naar de effecten op beschermde gebieden (notitie d.d. 24 juni 2020, Bijlage 4). Voor de invoer van de gegevens in het AERIUS-model wordt onderscheid gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de aanlegfase zijn de benodigde verkeersbewegingen en het materieel beschreven in het onderzoek. Daarnaast is voor de gebruiksfase meegenomen dat de woning gasloos worden opgeleverd en is uitgegaan van een worst case-scenario aan verkeersbewegingen. Met voormelde uitgangspunten van het rekenmodel in respectievelijk de aanlegfase en gebruiksfase zijn de berekeningen uitgevoerd in AERIUS. Uit de berekeningen blijkt dat in beide fases er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.
Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 1
NNN Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt ca. 50 meter ten noorden, aan de overzijde van de Hollandsche IJssel. Gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging en het gegeven dat de ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, worden negatieve effecten op het NNN niet verwacht. Soortenbescherming Voor de beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming heeft tevens is quickscan flora en fauna (Bijlage 5). Daarbij is de geschiktheid van de locatie voor beschermde soorten beoordeeld. Gelet op de biotoopkenmerken van de locatie, kan de aanwezigheid voor een groot deel van beschermde soortgroepen worden uitgesloten. Het gaat dan bijvoorbeeld om grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Voor vogels geldt dat onderscheid wordt gemaakt tussen soorten met jaarrond beschermde nesten en soorten met niet-jaarrond beschermde nesten. Daarnaast zijn er nog de zogeheten 'categorie 5' soorten, waarvoor geldt dat ze niet direct als jaarrond beschermd worden aangemerkt maar specifieke en zwaarwegende redenen een dergelijke status wel kunnen rechtvaardigen. Het plangebied is potentieel geschikt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart tot 15 juli) plaats te laten vinden.
Indien dit niet mogelijk is, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullende beoordeling plaats te vinden. Effecten op categorie 5-soorten kunnen gelet op de kenmerken van het plangebied, worden uitgesloten. Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten, geldt dat rekening dient te worden gehouden met de Kerkuil. Er is derhalve nader onderzoek naar de aanwezigheid van een nestplaats en/of de functioneel leefgebied van de kerkuil uitgevoerd (Bijlage 6). Uit dit nader onderzoek is gebleken dat in het onderzoeksgebied geen vaste rust of verblijfplaats van de kerkuil of andere voor deze soort essentiële gebiedsfuncties aanwezig is. Wel vormt het gebied onderdeel van het territorium van de bosuil en de ransuil. Het gebied wordt gebruikt als foerageergebied maar is niet van essentieel belang, aangezien de omliggende terreinen vergelijkbare kenmerken hebben. De rustplaats van de ransuil ligt buiten de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat uitvoering van het voorgenomen plan geen gevolgen heeft voor de kerkuil en ook negatieve effecten op andere uilensoorten kunnen worden uitgesloten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.7
Geluid
Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen onderwijsgebouwen ziekenhuizen verpleeghuizen verzorgingstehuizen psychiatrische inrichtingen kinderdagverblijven. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 2
voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Activiteitenbesluit milieubeheer Wanneer inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer worden gerealiseerd, dient er zorg voor te worden gedragen dat deze geen onacceptabele hinder richting de omgeving veroorzaken. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn daarom normen opgenomen waaraan een inrichting dient te voldoen. Daarbij gelden verschillende normen voor de dag-, avond- en nachtperiode. Relatie tot bestemmingsplan Onderhavig bestemmingsplan maakt de vestiging van een niet-agrarische opslagactiviteit mogelijk (bestemming 'Bedrijf'). Binnen de plangrenzen bevindt zich daarnaast een bestaande woning die voorheen onderdeel heeft uitgemaakt van de agrarische inrichting. De bedrijfswoning wordt middels onderhavig bestemmingsplan afgesplitst en zodoende omgezet naar een reguliere burgerwoning. De woning krijgt de bestemming 'Wonen' (met 'Tuin') en maakt geen onderdeel uit van de inrichting van het achtergelegen bedrijf. Bedrijf Binnen de bestemming 'Bedrijf' worden niet-agrarische opslagactiviteiten mogelijk gemaakt. Als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van Werktent B.V.
is sprake van een inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit, waardoor voor de toelaatbaarheid van de functie op deze plek getoetst dient te worden aan de daarin opgenomen normen en grenswaarden. Om die reden is door Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij middels een akoestisch rekenmodel de geluidsuitstraling van de inrichting richting woningen in kaart is gebracht. Daarin is onder meer rekening gehouden met de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie. Het onderzoek d.d. 15 april 2021 is opgenomen in Bijlage 2 bij voorliggende toelichting. De voor het akoestisch onderzoek relevante activiteiten van het bedrijf bestaan uit: het laden en lossen van vrachtwagens en/ of bussen op het achterste deel van het terrein met behulp van twee diesel aangedreven heftrucks; het parkeren door werknemers op het terrein; laden en lossen van bestelbussen op het terrein; werkzaamheden in de werkplaats, met behulp van handgereedschap;het schoonspuiten van materieel met behulp van een hogedrukspuit. De grenswaarden voor de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige gebouwen zijn opgenomen in tabel 4.5. Op grond van het Activiteitenbesluit kunnen piekgeluiden ten gevolge van laad- en losactiviteiten in de dagperiode buiten beschouwing worden gelaten.
tabel 4.5 Grenswaarden o.g.v. artikel 2.17a Activiteitenbesluit In aanvulling op bovenstaande normen geldt dat in het kader van de zorgplicht Activiteitenbesluit tevens de indirecte hinder als gevolg van de activiteiten beoordeelt dient te worden. De voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder is 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige bestemmingen aan de toegangsweg. De maximale grenswaarde bedraagt 65 dB(A). Voor de rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek en bijbehorende Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 3
bijlagen (zie Bijlage 2). Daarbij is ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie enkel de dagperiode relevant. Activiteiten in de avondperiode vinden slechts incidenteel plaats en vormen daarmee geluidbronnen bij de incidentele bedrijfssituatie. Activiteiten in de nachtperiode vinden niet plaats. Uit de het onderzoek volgt dat de berekende langtijdgemiddelde en maximale maximale geluidniveaus voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Daarnaast is gebleken dat de berekende indirecte geluidhinder eveneens voldoet aan voornoemde grenswaarden. Wonen Onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling vormt de afsplitsing van de voormalig agrarische bedrijfswoning. De woning aan de Willeskop 67 en 67A krijgt in de nieuwe situatie een woonbestemming. Indien sprake is van nieuwe woningen, dient te worden voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet geluidhinder. Het gaat daarbij om woningen binnen de geluidszones van: industrieterreinen; wegen; spoorwegen. De betreffende woning is niet gelegen binnen de geluidszones van een industrieterrein of spoorweg. Wel ligt de woning binnen de zone van de in de nabijheid gelegen provinciale weg N228. In dit geval hoeft echter niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor wegverkeerslawaai, omdat sprake is van reeds aanwezige woningen.
Deze woning was voorheen in gebruik als agrarische bedrijfswoning, waardoor het functioneel aan het agrarisch bedrijf was verboden en zodoende niet beschermd was tegen geluidhinder als gevolg van de activiteiten binnen de eigen inrichting. Voor wegverkeerslawaai geldt dit echter niet, omdat de geluidbelasting afkomstig van de N228 geen geluidhinder afkomstig van de eigen inrichting betreft. Aangezien die situatie in het nieuwe planologisch regime wordt voortgezet, is geen sprake van wijzigingen waarvoor een toets aan de Wgh nodig wordt geacht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.8
Luchtkwaliteit
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). AMvB 'niet in betekenendemate' In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3 ). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 4
m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van een opslaglocatie voor werktenten. Werktenten worden ter plaatse opgeslagen en van en naar de locatie getransporteerd. Mede in verband met het akoestisch onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit is het aantal vervoersbewegingen in kaart gebracht. Deze gegevens hebben als input gediend voor de NIBM-rekentool. Omdat de berekening ziet op de bijdrage als gevolg van extra verkeer, is de verkeersgeneratie afkomstig van de woning niet bij de berekening betrokken. Deze woning is immers in de huidige situatie ook al aanwezig en leidt daarmee niet tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. De uitkomsten van de worst-case berekening zijn weergegeven in onderstaande figuur.
figuur 4.2 Worst-case berekening NIBM-tool (https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/ ) Uit de berekening blijkt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Achtergrondconcentraties stikstofdioxide en fijnstof In het kader van een goede ruimtelijke ordening en met het oog op de gezondheid dient de luchtkwaliteit ter plaatse te worden beoordeeld. Hiertoe is gebruik gemaakt van de NSL Monitoringstool. De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 24 juli 2020) laat zien dat ter hoogte van het plangebied (rekenpunt ID: 167236) de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 15,6 µg/m3 , van fijnstof PM10 18,0 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,9 µg/m3 zijn. Deze achtergrondconcentraties lopen tot 2030 nog verder terug. De grenswaarde voor toetsing van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3 , voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 . De maximale bijdrage van het extra verkeer is niet van zodanige omvang dat de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide de grenswaarden zullen overschrijden. Dit betekent dat ook na planrealisatie voor omwonenden in het gebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
tabel 4.6 Achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide (bron: nsl-monitoring.nl) Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 5
Conclusie De ingrepen die met dit bestemmingsplan worden voorzien dragen niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarnaast kan gelet op de huidige achtergrondconcentraties en de maximale extra bijdrage als gevolg van de ontwikkeling, gesteld worden dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.9
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 en het paraplubestemmingsplan "Parkeernormen Montfoort". De Nota Parkeernormen Montfoort is reeds besproken in paragraaf 3.3.3 van deze toelichting. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke “Nota Parkeernormen Montfoort 2020”. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze parkeernota te voldoen. Nieuwe bestemmingsplannen dienen op basis van het parapluplan een regeling te bevatten, waarmee wordt geborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Deze regeling maakt onderdeel uit van de algemene bouwregels, zodat de gemeente bij het beoordelen van een ontwikkeling de juiste kaders in handen heeft voor het beoordelen van de parkeersituatie. Voorliggend bestemmingsplan bevat daarom een dergelijke regeling, op grond waarvan een omgevingsvergunning niet kan worden verleend zonder dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de vigerende parkeernota of diens rechtsopvolger. De stedenbouwkundige beoordeling ten aanzien van parkeren wordt daarmee doorgeschoven naar de beoordeling van de bouwaanvraag. Verkeersgeneratie In de vigerende situatie is een melkveehouderij toegestaan. Verkeersbewegingen van en naar de Willeskop 67 – 67a bestaan uit onder andere aan- en afvoer van vee, melk en krachtvoer, maar ook uit bewegingen in verband met de afvoer van o.a. drijfmest en bijvoorbeeld in het kader van het inkuilen van gras en maïs. Door het mogelijk maken van de opslag van niet-agrarische producten in de vrijgekomen agrarische opstallen ontstaan nieuwe verkeersbewegingen van en naar het perceel; aan- en afvoer van werktenten. Echter kan gesteld worden dat de verkeersbewegingen ten behoeve van de opslag van werktenten vergelijkbaar of lager zullen uitvallen in vergelijking met de verkeersbewegingen ten behoeve van de melkveehouderij.
Aangezien de beoogde bedrijfsvoering geen bezoekersfunctie kent, is uitsluitend sprake van verkeersbewegingen van eigen voertuigen. Er is geen toename van de verkeersintensiteit. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied gebeurt conform de huidige situatie op de Willeskop (N228). Van daaruit bereikt men in 6,5 km de snelweg A12. De verkeessituatie wijzigt niet zodanig dat een nieuwe of aangepaste ontsluiting noodzakelijk is. Conclusie Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 6
Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In lijn met het paraplubestemmingsplan "Parkeren Montfoort" wordt voorzien in een parkeerregeling, zodat de realisatie van afdoende parkeerplaatsen is geborgd. Van een toename van de verkeersintensiteit is geen sprake. Zodoende is het ook niet noodzakelijk de ontsluiting van het gebied aan te passen, zodat de ontsluiting gelijk blijft aan de huidige situatie.
4.10
Water
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering een rol. Het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer in het plangebied wordt uitgevoerd door het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR). Waterkwantiteit Bij de toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en watercompensatie nodig zijn om de gevolgen van de versnelde afvoer van het hemelwater als gevolg van de verharding op te vangen. De mate van compensatie is afhankelijk van diverse berekeningsfactoren en het gebied waarin een ontwikkeling plaatsvindt. Er hoeven geen compenserende maatregelen te worden getroffen indien het verhard oppervlak: in landelijk gebied met niet meer dan 5.000 m2 toeneemt; in stedelijk gebied met niet meer dan 500 m2 toeneemt. De locatie maakt onderdeel uit van het landelijk gebied (zie paragraaf 3.2.2). Het is afhankelijk van de uiteindelijke inrichting van een plangebied of sprake is van een toename van verharding waarvoor maatregelen getroffen dienen te worden.
Alleen wanneer de vrijgestelde oppervlakte wordt overschreden dient een watervergunning te worden aangevraagd en zijn compenserende maatregelen benodigd. In dit geval geldt dat het plangebied reeds voor deel verhard is. Om de bedrijfsactiviteiten op het perceel mogelijk te maken is het noodzakelijk extra verharding toe te voegen zodat voertuigen zich goed over het terrein kunnen bewegen. Deze extra verharding overschrijdt de vrijgestelde 5.000 m2 niet. Hierdoor is watercompensatie en een watervergunning niet benodigd, maar wordt dit door het Hoogheemraadschap wel geadviseerd. In dit kader is het van belang te vermelden dat een deel van het verhard terrein in de toekomstige situatie aangelegd wordt met graskeien en derhalve water voldoende in de bodem kan infiltreren. Verder blijven de bestaande duikers behouden. Waterkwaliteit Er is geen sprake van toepassing van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, waardoor dit ook niet in aanraking kan komen met schoon hemelwater. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatief op de waterkwaliteit. Riolering De bedrijfsbebouwing zal aangesloten worden op de riolering ter plaatse. Voor de af te splitsen woning geldt dat enkel de planologische status van de woning wijzigt. De bestaande situatie ten aanzien van riolering blijft daarmee gehandhaafd.
Veiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen een (beschermingszone van een) waterkering. Wel gelden op basis van provinciale regelgeving ten aanzien van de bescherming tegen mogelijke overstromingen. Dit aspect is reeds behandeld in paragraaf 3.2.2. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is geen sprake van een significante wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Oppervlaktewater Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 7
Rondom het plangebied is sprake van enkele kavelslootjes. Het betreft tertiaire watergangen, deze oppervlaktewateren zijn als het ware de haarvaten van het watersysteem en hebben onder meer een belang voor de waterberging. Ze hebben geen belangrijke door- of afvoerfunctie. Ter hoogte van de voorzijde van het perceel is een tertiaire watergang op de kaart opgenomen, die de bestaande woning van de rest van het perceel scheiden. Deze watergang is in het verleden al gedempt. Dit blijft ook in de toekomstige situatie zo. Er treden derhalve geen wijzigingen op ten opzichte van de huidige situatie.
figuur 4.3 Uitsnede Leggerkaart HDSR (https://www.hdsr.nl/werk/leggers-watergangen/) Conclusie Het bestemmingsplan voorziet niet in ingrepen die een negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse hebben. Het wateraspect vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.11
Duurzaamheid
Wet Voortgang Energietransitie In de Wet Voortgang Energietransitie is opgenomen dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Hieraan voorafgaand is de energieagenda gepubliceerd. De energieagenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij en stelt dat het beleid na 2023 moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in 2050 in Nederland. Bijna Energieneutraal Gebouw Een belangrijk wettelijk instrument voor het duurzaam bouwen is het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit is onder meer de energieprestatie in de vorm van BENG eisen (Bijna Energieneutraal Gebouw) opgenomen. Tot 31 december 2020 werd de energiezuinigheid uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficient (EPC), maar de EPC is met ingang van 1 januari 2021 vervangen door de BENG eisen. Montfoort Duurzaam Met de Duurzaamheidsvisie Gemeente Montfoort 2015-2020 'Montfoort Duurzaam' wil de gemeente Montfoort een koers uitzetten naar de toekomst waarbij de middelen efficiënt worden ingezet en waarbij de kracht van maatschappelijke partners het uitgangspunt moet zijn. De visie dient daarom als uitgangpunt voor nieuw te ontwikkelen milieubeleid, maar Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 8
ook om het aspect duurzaamheid te integreren in andere beleidsvelden, in projecten en activiteiten. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip. In het kader van deze visie is, naast acties voor het creëren van een stimulerende context, de keuze gemaakt om de focus te leggen op een aantal thema's. De concrete invulling van duurzaamheid in Montfoort bestaat uit: Duurzaam ondernemen Gebouwenbeheer en energiegebruik (incl. gemeentelijke projecten) De afvalketen Beheer van de openbare ruimte De keuze is gebaseerd op de mogelijkheden die de markt en de maatschappij bieden en initiatieven en ontwikkelingen die regionaal en lokaal actueel zijn. Relatie tot bestemmingsplan In het advies van de ervenconsulent is opgenomen dat de ontwikkeling moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Gezien het feit dat het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor de exploitatie van een niet-agrarische bedrijfsactiviteit, wordt een minder milieubelastende activiteit mogelijk gemaakt. Het advies ziet daarom ook vooral op het verduurzamen van de omgeving van het plangebied. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden met een aantal randvoorwaarden voor klimaatadaptie en ecologie, zoals: het aanleggen van natuurlijke, groene kruidenrijke grasoevers, al dan niet verstevigd met wilgentenen.
Geen gebruik van (hoge) beschroeiingen; gebruik van autochtone beplanting, bij voorkeur van biologische afkomst; gebruik van bij- en vlindervriendelijk zaadmengsel en het afstemmen van tijd en frequentie van het maaien op deze insecten; het niet-toestaan van het kappen of snoeien van bomen ten behoeve van zonnepanelen. Naast het vestigen van een minder milieubelastende activiteit op het perceel en het verduurzamen van de omgeving van het plangebied, wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met meerdere duurzaamheidsaspecten. Zo zal er sprake zijn van de verduurzaming van de bestaande bebouwing en wordt, voor de te realiseren bebouwing, voldaan aan de normen uit het Bouwbesluit. Verder wordt bij de keuze voor het materiaalgebruik rekening gehouden met het gebruik van duurzame materialen. Conclusie Geconludeerd kan worden dat met dit plan rekening wordt gehouden met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied, het verduurzamen van de omgeving en de verduurzaming van de bebouwing en het erf.
4.12
M.e.r - beoordeling
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 4 9
gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Procedure vormvrije m.e.r. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor projecten die beneden de drempelwaarden uit de D-lijst vallen, geldt de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals hierboven omschreven dient te worden doorlopen. Door het college van de gemeente Montfoort dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling ook daadwerkelijk volstaat. Dit besluit nemen zij aan de hand van een door initiatiefnemer in te dienen Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Relatie tot bestemmingsplan In het kader van het Besluit m.e.r.
is voor de ontwikkeling een Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Daarin is de planologische wijziging toegelicht en nader gemotiveerd aan de hand van de selectiecriteria. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt verwezen naar de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r., zoals opgenomen in Bijlage 7 van deze bestemmingsplantoelichting. Uit de behandeling van de diverse criteria blijkt dat gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op het milieu. Een m.e.r.-beoordeling wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Mees Ruimte & Milieu | Willeskop 67/67a, Montfoort
Pagina | 50
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Inleidende regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels. 5.1.1 Begrippen In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 5.1.2 Wijze van meten In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten.