Bijlage 1 - Natuurvriendelijk isoleren door particulieren onder het pre-SMP
Tekst van het document
60
Alle gebouwen
Alle gebouwen in de gemeente energielabel C-G en bouwjaar <1992
met
Grondgebonden (eengezins)woningen
Woningen in particulier eigendom
30% van woningen
deze selectie
zijn pre-SMP
Afbeelding 2 en 3: berekening van percentage pre-SMP gebouwen ten opzichte van het totaal en de visuele weergave in de GIS-applicatie voor de kern Leusden.
Daarvoor zijn de volgende uitgangspunten relevant: 1. Verblijfplaatsen zitten alleen in gebouwen met label C t/m G en bouwjaar <1992 De berekende aantallen verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen worden – veiligheidshalve – verondersteld uitsluitend te verblijven in gebouwen met een energielabel C t/m G met een bouwjaar tot 1992. Ook in duurzamere gebouwen kunnen waarschijnlijk vogels en vleermuizen verblijven maar in de berekening wordt ervan uitgegaan dat alle vogels en vleermuizen volledig afhankelijk zijn van de label C tot en met G gebouwen, om onderschatting te voorkomen. 2. Kraamverblijfplaatsen kunnen niet meer terecht in 20% van de relevante gebouwen In alle label C t/m G gebouwen met een bouwjaar tot 1992 kunnen we wel individuele verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels verwachten maar deze gebouwen zijn niet allemaal nog beschikbaar voor kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. We gaan er daarom van uit dat 20% van gebouwen met een energielabel C t/m G reeds geïsoleerd is of om andere redenen niet meer beschikbaar is voor kraamgroepen van vleermuizen. 3. Verblijfplaatsen zijn in al deze gebouwen te verwachten Bij elk woning met label C t/m G wordt de kans op het aantreffen van verblijfplaatsen in de woning even groot geacht. Op basis van gebouwkenmerken is het uiterst lastig om op voorhand type soorten of verblijfplaatsen uit te kunnen sluiten.
Kraamgroepen van vleermuizen worden vaak waargenomen op kopgevels, maar de kans bij tussenwoningen blijft ook aanwezig. Gierzwaluwen verblijven ook geregeld in de nok van een hoekwoning, maar tussenwoningen met toegangen bij de dakkapel zijn ook in trek. Een betrouwbaar voorspellingsmodel dat op basis van GIS-informatie woningen kansrijker of -armer acht is nog niet beschikbaar. Er is daarom vanuit gegaan dat alle woningen met een label C t/m G even geschikt zijn.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
61
Om te voorkomen dat toevallig juist alle zeer geschikte kopgevels gelijktijdig verdwijnen, en daarmee een heel netwerk van verblijfplaatsen verdwijnt, is het aantal deelnemende woningen binnen een CBS-buurt begrensd op 30% gedurende de twee jaar, met een maximum van 10% tijdens de eerste fase. Wat overblijft is de hoeveelheid huizen waar de komende jaren op basis van de Transitievisies Warmte geïsoleerd zou moeten worden. Dit zijn de pre-SMP-woningen waar mogelijk de komende twee jaar vogel- en vleermuisverblijfplaatsen verdwijnen. Hiervan mag 10% in fase 1 per CBS-buurt worden geïsoleerd, met een maximum van 30% per 24 maanden.
In de voorbeeldgemeente mogen in twee jaar tijd 1.995 woningen worden verduurzaamd onder de pre-SMP methodiek. Gedurende fase 1 mag maximaal 665 van deze 1995 woningen worden geïsoleerd.
Validatie en bijsturing De gehanteerde kenmerken waarop de geschiktheid van de gebouwen als verblijfplaats voor gebouwbewonende populaties worden ingeschat, bevatten veiligheidshalve diverse uitgangspunten. Dat neemt echter niet weg dat deze uitgangspunten in de toekomst zullen worden bijgesteld, indien zal blijken dat: 1. de focus op de gebouwen met een bouwjaar <1992 en een energielabel C t/m G te breed is; 2. er meer dan 20% van de energie-label C t/m G woningen reeds geïsoleerd; 3. er gebouwkenmerken aan te wijzen zijn waarmee onderscheid kan worden gemaakt op woningen met een lage of een hoge kans op kwetsbare verblijfsfuncties, zoals kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
62
Stap 4: Bereken het waarschijnlijke en het maximale verlies aan verblijfplaatsen bij isolatie van 30% van de particuliere woningen. Stap 1 en 2 gaven de berekende hoeveelheid verblijfplaatsen. Stap 3 geeft het aantal preSMP woningen ten opzichte van het totaal aan gebouwen per CBS-buurt. Bij sommige woningen zal alleen de spouw worden verduurzaamd, bij sommige alleen het dak, bij anderen beiden. Om geen te lage inschatting te maken van het effect van de geambieerde verduurzaming is er van uit gegaan dat alle pre-SMP woningen met een energielabel C t/m G zowel het dak, als de spouw volledig ongeschikt wordt. Door dit aantal pre-SMP woningen als percentage van het totaal aantal gebouwen weer te geven, is dat ook het percentage aan verblijfplaatsen wat naar verwachting maximaal zal verdwijnen tijdens de looptijd van het pre-SMP. De verwachte ecologische aantasting kan op basis hiervan worden berekend. Daarnaast kan ook de maximale ecologische aantasting worden berekend. .
Kansberekening Met de berekende cijfers van aantallen verblijfplaatsen in het totaal aan pre-SMP woningen is een formule voor kansberekening opgesteld die berekent hoeveel verblijfplaatsen worden aangetast wanneer een x-aantal woningen willekeurig en onafhankelijk van elkaar gaat na-isoleren. Uit deze kansberekening volgt dus hoeveel verblijfplaatsen waarschijnlijk en hoeveel verblijfplaatsen maximaal zullen worden aangetast ten opzichte van het totaal aan berekende verblijfplaatsen. Een deel van de verblijfplaatsen zullen zich in bedrijfspanden, meergezinswoningen en in corporatiewoningen bevinden en geen sowieso schade ondervinden binnen de kaders van het pre-SMP. Van de particuliere woningen mag maximaal 30% worden verduurzaamd, met een maximum van 10% in de eerste fase. De verblijfplaatsen in de resterende woningen blijft daardoor intact. De aantasting is in de eerste fase dus maximaal 10% per CBS buurt, maar in wijken waar ook andere gebouwen (flats, huurwoningen, scholen, utiliteitgebouwen etc.) aanwezig zijn is de daadwerkelijke aantasting lager.
Als in de voorbeeldgemeente maximaal 30% van de woningen wordt geïsoleerd, verdwijnen maximaal 522 van de 2.024 zomer- en winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, 131 van de 506 paarverblijfplaatsen en maximaal 5 van de 75 kraamverblijfplaatsen.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
63
Stap 5: Bereken het aantal alternatieve particuliere voorzieningen die per woning terugkomen Bij stap 3 is op basis van de GIS-applicatie bepaald hoeveel woningen in de pre-SMP periode mogen worden verduurzaamd. In hoofdstuk 4 is beschreven welke particuliere compensatie op elke woning moet worden aangeboden. De particuliere compensatie compenseert het verlies van zomer- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen, deels het verlies van kraamverblijfplaatsen, en het verlies van nestgelegenheid van de huismus en de gierzwaluw. Omdat een maximum gesteld is aan het aantal woningen dat geïsoleerd mag worden onder het pre-SMP, is ook te berekenen hoeveel voorzieningen per soort en per functie minimaal terugkomen door particuliere compensatie. De uitgevoerde berekeningen laten zie dat de gevraagde particuliere compensatie een ruime compensatie is voor het verlies van zomer- en paarverblijfplaatsen dat verdwijnt. Omdat onbekend is hoeveel van de te isoleren woningen hoekwoningen of tussenwoningen zijn en welke vorm van isolatie exact wordt toegepast is deze berekening slechts globaal te maken aan de hand van enkele scenario’s.
In de voorbeeldgemeente mogen 1.995 woningen worden verduurzaamd. Zijn dit allemaal tussenwoningen waar spouwmuurisolatie plaatsvindt, dan zijn er na twee jaar 3.990 kleine spouwverblijven gerealiseerd. Het maximaal aantal aan te tasten zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis betreft 653 (522 en 131) verblijfplaatsen. Elk zomer- of paarverblijf wordt dan meer dan 6 keer gecompenseerd. Voor de 5 te verliezen kraamverblijfplaatsen wordt dan echter niet gecompenseerd. Op de hoekwoningen komen naast deze 3.990 kleine spouwverblijven ook middelgrote spouwverblijven. Betreft 25% van deze woningen een hoekwoning dan zijn er na twee jaar 499 middelgrote spouwverblijven extra gecreëerd. Is slechts 10% van de te isoleren woningen een vrijstaande woning waar een groot spouwverblijf op komt, dan zijn er na 2 jaar 200 grote spouwverblijven beschikbaar voor de maximaal 5 kraamverblijfplaatsen die verloren zouden gaan. Daarmee worden deze 5 kraamverblijfplaatsen 40 keer gecompenseerd. Als 1.995 daken vanaf de buitenzijde in de voorbeeldgemeente worden geïsoleerd, worden in totaal 7.980 vogelvoorzieningen gerealiseerd. Het maximaal aantal aan te tasten nesten van de huismus en de gierzwaluw is 325. Elk nest wordt dan 25 keer gecompenseerd.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
64
Stap 6: Bereken het aantal alternatieve complexe voorzieningen die de gemeente moet compenseren. Ondanks het hoge aantal spouwverblijven door particuliere compensatie worden de verblijfplaatsen voor grote kraamgroepen, of kraamgroepen van de laatvlieger, meervleermuis of tweekleurige vleermuis hiermee mogelijk niet voldoende gecompenseerd. Extra maatregelen voor deze type verblijfplaatsen zijn zekerheidshalve nodig. Omdat het hier gaat om robuuste verblijfplaatsen, wordt deze taakstelling bij de gemeente neergelegd in plaats van bij de particuliere woningeigenaar. Om de gemeentelijke taakstelling ten aanzien van kraamgroepen te berekenen wordt ongeveer dezelfde methodiek gehanteerd als bij het berekenen van het effect van de verduurzaming van 30% van de woningen op zomer- en paarverblijfplaatsen en nesten van vogels, zoals uitgewerkt in stap 3 tot en met 5. Bij paar- en zomerverblijfplaatsen van vleermuizen en bij de nesten van vogels berekenen we hoeveel verblijfplaatsen worden aangetast bij het willekeurig isoleren 30% van de woningen. De verwachting is immers dat gedurende twee jaar 30% isoleert en daarmee 30% van de verblijfplaatsen in woningen worden weggenomen. Zoals weergegeven in hoofdstuk 6 speelt bij de compensatieopgave voor de kraamgroepen een bijzondere situatie die fundamenteel anders is dan bij particuliere compensatie.
Hier is reeds aangegeven dat er ten aanzien van kraamgroepen twee verschillende fasen in de pre-SMP periode te onderscheiden zijn. De 1e fase is de start van de gebiedsgerichte ontheffing, tot alle kraamgroepen met het SMP-onderzoek in beeld zijn gebracht. De 2e fase start vanaf het moment dat de kraamgroepen in beeld zijn, totdat de gebiedsgerichte ontheffing op grond van het SMP is afgegeven. Paar -en zomerverblijfplaatsen worden ook bij een regulier SMPveldonderzoek nooit volledig in kaart gebracht, maar kraamkolonies en enkele kraamverblijfplaatsen, die essentieel zijn voor de staat van instandhouding, nadrukkelijk wel. Alleen in de 1e fase is er een risico dat zonder inzicht kraamverblijfplaatsen verdwijnen en daarom is een voorspellingmodel relevant. In de 2e fase is dit voorspellingsmodel niet meer nodig. Kraamverblijfplaatsen kunnen dan ontzien worden of gericht gecompenseerd. Daarom wordt ten aanzien van het verlies van kraamverblijfplaatsen niet gerekend met 30%, maar 10%. Aan de hand van deze verwachtte ecologische aantasting kan een compensatietaakstelling voor de kraamverblijfplaatsen worden berekend.
In de 2e fase, als de kraamgroepen in beeld zijn gebracht, wordt in samenspraak tussen provincie en gemeente bepaald of en op welke wijze met terugwerkende kracht moet worden gecompenseerd als binnen 100 meter van die kraamgroep veelvuldig isolatie heeft plaatsgevonden. Deze compensatie gebeurt echter niet meer volgens het theoretische model, maar gericht nabij de locatie van de dan bekende gelokaliseerde kraamgroepen, afhankelijk van de uitgevoerde isolaties.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
65
De voorbeeldgemeente heeft 5 verwachtte kraamgroepen, en daarmee (5x15) 75 kraamverblijfplaatsen. Deze 75 verblijfplaatsen kunnen dus mogelijk binnen het pre-SMP worden aangetast, maar zitten niet allemaal in particuliere woningen en ook die worden niet allemaal daadwerkelijk geïsoleerd in de komende twee jaar. Als het percentage pre-SMP woningen gedurende de eerste periode 10% is van het totale aantal gebouwen dan is de verwachting dat er in de pre-SMP periode 5 kraamverblijfplaatsen worden aangetast. De maximale aantasting is 7 kraamverblijfplaatsen. De gemeente zou dan in de eerste fase 7 robuuste kraamverblijfplaatsen moeten compenseren. Deze kraamvoorzieningen dienen uiteraard in een gunstige verspreiding en ligging te worden aangeboden. Hier zal dan ook op worden getoetst. Deze gemeentelijke voorzieningen zijn aanvullend op de grote spouwverblijven worden gecreëerd. De middelgrote en grote spouwverblijven komen op elke hoekwoning en vrijstaande woning waarmee reeds een ruim aanbod van grote verblijfsruimten beschikbaar blijft. Na fase 1 zijn alle kraamgroepen in de gemeente in beeld. Bij twee kraamgroepen blijken in een straal van 100 meter drie kopgevels geïsoleerd. Mogelijk is bij deze woningen een kraamverblijfplaats uit het netwerk gehaald. Deze worden door de gemeente met terugwerkende kracht alsnog gecompenseerd om het netwerk te herstellen.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
66
Stap 7: Analyseer het effect van de ingrepen en de compensatie in relatie tot de staat van instandhouding. Centraal in de Wnb staat het steven om populaties in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te krijgen. Uitgangspunt bij de pre-SMP methodiek is dan ook dat deze bijdraagt aan dit streven. Omdat het vooraf natuurvrij maken een harde voorwaarde is binnen het pre-SMP, en er dus geen vleermuizen ingesloten worden, is er geen sprake van afname van populaties door directe mortaliteit. Dit heeft daarom geen invloed op de staat van instandhouding. Het wegnemen van verblijfplaatsen met als mogelijk gevolg het verdwijnen van netwerken, is wel een reëel gevaar voor populaties. Uit stap 1 tot en met 6 is naar voren gekomen dat de verwachte ecologische aantasting van vogels en vleermuizen, bij een deelname van 30% per twee jaar, waarvan 10% tijdens de eerste fase, beperkt is, maar hoe dan ook wel aanwezig.
Is de compensatie van het verlies van verblijfplaatsen voldoende? Om het verlies van verblijfplaatsen te compenseren worden in of op alle particuliere geïsoleerde woningen zomer- en paarverblijfplaatsen (en deels kraamverblijfplaatsen) voor vleermuizen en nestgelegenheden voor de huismus en de gierzwaluw gecompenseerd. Aanvullend op de compensatie van de particulieren realiseert de gemeente alternatieve voorzieningen voor grotere kraamgroepen en kraamgroepen van de laatvlieger, de meervleermuis en de tweekleurige vleermuis. Vogels Elk vogelnest dat verdwijnt wordt onder de pre-SMP methodiek 25 keer gecompenseerd. De betreffende vogelvoorzieningen(-kasten) worden al langere tijd gebruikt en mogen worden gezien als “bewezen effectief”. Bovendien blijft bij spouwmuurisolatie het dak toegankelijk en is in geval van dakisolatie het dak in de regel na de werkzaamheden weer beschikbaar. Voor de huismus en de gierzwaluw wordt daarom geconcludeerd dat deze werkwijze niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten. Sterker nog, door de mogelijkheid van deze werkwijze is de verwachting dat juist negatieve gevolgen van isolaties zonder de bescherming van soorten in acht te nemen worden voorkomen.
In het rapport van NatuurInclusief & Viridis (bijlage VI) wordt in meer detail deze methodiek getoetst aan de staat van instandhouding van de huismus en de gierzwaluw. Vleermuizen Ter compensatie van de berekende aantasting wordt voor vleermuizen gecompenseerd met kleine, middelgrote en grote spouwverblijven, eventueel opbouw vleermuiskasten en bovendien robuuste gemeentelijke voorzieningen. Voor zomer- en paarverblijfplaatsen (met mogelijk een verblijfplaats tijdens milde winterdagen) worden deze voorzieningen als zeer kansrijk tot bewezen effectief beoordeeld. Door deze voorzieningen bij elke woning toe te passen komt er een ruim aanbod aan verblijfplaatsen, wat qua spreiding en positionering voldoende is. Kraamverblijfplaatsen zijn moeilijker te compenseren en bewezen effectieve maatregelen zijn niet voor alle soorten voldoende voor handen.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
67
De (middel-) grote spouwverblijven worden als geschikt beoordeeld voor (kleine tot middelgrote) groepen gewone dwergvleermuizen omdat de verblijfsruimte behouden blijft en deze afmetingen ook kraamgroepen kunnen herbergen. Voor hele grote kraamgroepen van de gewone dwergvleermuis en kraamgroepen van de laatvlieger, de meervleermuis en de tweekleurige vleermuis is inzet van de gemeente wel nodig. Robuuste kraamvoorzieningen, die door de gemeente worden gerealiseerd, zijn voor de gewone dwergvleermuis te vervangen voor (potentieel) bewezen effectieve voorzieningen. Deze voorzieningen kunnen grote kraamgroepen van de gewone dwergvleermuis herbergen. Robuuste kraamvoorzieningen worden door de gemeente in de eerste fase met een factor 1 gecompenseerd en worden in fase 2 nog aanvullend ondersteund als op specifieke locaties relatief veel is geïsoleerd. Een hogere compensatiefactor wordt met oog op het zeer ruime aanbod aan (middel-) grote spouwverblijven niet nodig geacht. Met de 10% grens per CBS-buurt in fase 1 wordt het risico op het raken van essentiële onderdelen van het netwerk zo klein mogelijk gehouden. Mocht toch een kraamverblijf gedwongen moeten verhuizen, dan is 90% van de omliggende gebouwen met een label C t/m G nog beschikbaar en is er bij geïsoleerde woningen een ruim aanbod van spouwverblijven.
Middel- of grote spouwverblijven zijn niet bewezen effectief voor de laatvlieger, de meervleermuis en de tweekleurige vleermuis maar ook zijn er geen bewezen effectieve voorzieningen bekend die de gemeente kan plaatsen. De bekende kraamgroepen (en voor de meervleermuis zijn deze grotendeels bekend) worden uiteraard ontzien in de methodiek, maar het is niet uit te sluiten dat met de werkzaamheden kraamgroepen mogelijk worden aangetast zonder geschikte alternatieven in de buurt. Om die reden is er voor vleermuizen een nadere analyse gemaakt ten aanzien van de staat van instandhouding.
Nadere analyse verlies aan kraamverblijfplaatsen ten opzichte van de staat van instandhouding De staat van instandhouding wordt landelijk beoordeeld aan de hand van vier criteria: verspreiding, populatie, habitat en toekomstperspectief. Voor elk van deze vier criteria is bekeken wat het effect is van de werkzaamheden onder de pre-SMP methodiek. Door de reële populatie inschatting, het voorkómen van doden, de ruime compensatie, het maximumaantal deelnemende woningen per wijk en het vooruitzicht van een SMP, kan geconcludeerd worden dat werken met de pre-SMP methodiek geen negatieve invloed heeft op de staat van instandhouding. Voor het toekomstperspectief geldt zelfs dat dit verbetert ten opzichte van de huidige werkelijkheid, door het voorkómen van het wegnemen van verblijfplaatsen door isolatie.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
68
Tabel 1: Een overzicht van de invloeden van de huidige praktijd, het pre-SMP en het SMP op de toetsingscriteria van de Habitatrichtlijn.
Vervolgens is onderzocht wat er met de populatie zou gebeuren als geen enkele alternatieve voorziening in gebruik zou worden genomen. In het onverhoopte geval dat zowel de spouwverblijven als de gemeentelijke compensatie ongebruikt blijven, zal in de praktijk de kans beperkt zijn dat een kraamkolonie in zijn geheel sterft. Veel waarschijnlijker is dat er gekozen wordt voor een minder geschikte verblijflocatie, met mogelijk een kleiner voortplantingssucces. Dit zal mogelijk wel een daling van de populatie tot gevolg kunnen hebben. De variëteit aan verblijfplaatsen en de ruime verspreiding van de vleermuizen in de steden suggereert echter dat vleermuizen in staat zijn zich aan te passen aan veranderingen, mits ze niet gedood worden en er voldoende schuilmogelijkheden blijven. Een gebrek aan succes in kunstmatige voorzieningen kan komen door het op dit moment nog ruime aanbod aan “natuurlijke” verblijfplaatsen in gebouwen. Voor de toets aan de staat van instandhouding is echter onderzocht wat er met de criteria populatieomvang en verblijfplaatsen zou gebeuren, in het onverhoopte geval dat het verlies van een kraamverblijfplaats ook het verlies van de kraamgroep betekent.
De Europese Habitatrichtlijn, waar de Wnb de landelijke vertaling van is, heeft als doel “instandhouding”, wat betekent dat voor de soorten die onder de habitatrichtlijn vallen het jaar 1994 - waarin deze is vastgesteld - gezien wordt als het referentiejaar voor wat betreft populatieomvang en verspreiding. Daarmee geldt het als het absolute minimum wat betreft populatiegrootte en verspreidingsgebied. Dit worden de ‘gunstige referentiewaarden’ genoemd (favourable reference values). Deze landelijke referentiewaarden zijn omgerekend naar het grondgebied van de provincie Utrecht. Om te toetsen aan de staat van instandhouding is het volgende uitgangpunt gehanteerd: “Het totaal aan berekende verwachte verblijfplaatsen in 2021 minus het maximumaantal verblijfplaatsen wat onder de pre-SMP methodiek wordt aangetast, mag niet leiden tot een lager aantal verblijfplaatsen dan passend bij de in 1994 16 aangewezen gewenste populatieomvang”.
16
Deze cijfers zijn herbevestigd in 2014 als gewenste populatiegroottes. Ottburg, F. G. W. A., & van Swaay, C. A. M. (2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. (WOt-rapport; No. 124). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR. https://edepot.wur.nl/359115 NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
69
De provinciale referentiewaarden van 1994 worden binnen de pre-SMP methodiek gezien als de ‘norm’ die de absolute ondergrens vormt. In de pre-SMP methodiek wordt een reële inschatting gemaakt van de populatie anno 2021. Op basis van beide populatie inschattingen (1994 en 2021) kan eenvoudig worden berekend hoeveel verblijfplaatsen er nu zijn, hoeveel er minimaal nodig zijn voor een gunstige staat van instandhouding en dus hoeveel plekken maximaal verloren mogen gaan zonder dat de staat van instandhouding in het geding komt (aantal 2021 - aantal 1994 = maximale aantasting). Dit is een absolute ondergrens, en nadrukkelijk niet een wenselijke grens die wij als bevoegd gezag nastreven. Het is echter wel de enige norm die voor handen om de staat van instandhouding in wettelijke zin te toetsen. Als we per woonkern berekenen wat het mogelijke maximale verlies aan verblijfplaatsen is uitgaande van de populatie inschatting 2021 dan blijven ruim voldoende verblijfplaatsen over voor de populatie zoals die in 1994 in ingesteld als gewenste populatie. Daarbij worden bekende kraamgroepen ontzien en worden door de gemeente kansrijke robuuste kraamvoorzieningen aangeboden. Ook komen op alle hoekwoningen middelgrote en op alle vrijstaande woningen grote spouwverblijven die kansrijk zijn voor kleinere (en middelgrote) kraamgroepen.
Daarnaast wordt de kans op het aantasten van een kraamgroep zo klein mogelijk gehouden door een maximale deelname van 10% van de te isoleren particuliere grondgebonden woningen in de eerste fase, en doordat het SMP-onderzoek direct dient te starten. Bovendien is er na maximaal twee jaar een volwaardig SMP die de populaties niet alleen goed in beeld heeft, maar ook gericht stimuleert. Tot slot: de berekende compensatie binnen het pre-SMP gaat uit van een “worst case” scenario dat in de praktijk waarschijnlijk nooit zal voorkomen. Populaties zullen zich daarnaast ongetwijfeld aanpassen aan nieuwe situaties, maar bewijzen hiervoor ontbreken nog. Ook kunnen de woningen met een hoger energielabel nog diersoorten herbergen ondanks dat deze niet in de berekeningen zijn meegenomen. Isoleren conform de pre-SMP methodiek zal hoe dan ook geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van de soorten.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
70
BIJLAGE II JURIDISCHE ONDERBOUWING ONTHEFFINGEN OP GROND VAN HET PRE-SMP Om ontheffing van de Wet natuurbescherming te mogen verlenen dient een project aan drie onderdelen te worden getoetst. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt uitsluitend verleend indien (1) het project beschikt over een in de Wnb genoemd belang. Er mag verder (2) geen andere bevredigende oplossing bestaan die voor de soorten gunstiger uitpakt. Bovendien mag (3) de staat van instandhouding niet verslechteren. In deze bijlage wordt besproken of en in welke mate gebiedsgerichte ontheffingen op basis van de pre-SMP methodiek aan deze drie toetsingscriteria voldoen. §1 Belangenafweging: Is de ingreep van dermate groot belang dat dit mag zwaarder dan het belang om de soorten te beschermen? §2 Alternatievenafweging: Zijn er geen alternatieven mogelijk die wenselijker zijn voor de soort? Denk aan andere werkwijzen, andere planning? §3 Toets aan de staat van Instandhouding gebouwbewonende soorten: Wat is de staat van instandhouding van de soort (landelijk en lokaal) en welk effect heeft de ingreep hierop? Wordt dit effect verantwoord geacht? Na toetsing op deze criteria wordt in § 4 ingegaan op de juridische aspecten van een modelmatige voorspellingsmodel als alternatief voor de gebruikelijke veldonderzoeken.
Dit is bij de reguliere veldonderzoeken geen onderdeel van de juridische toetsing, maar aangezien gekozen wordt voor deze alternatieve werkwijze wordt hierop ingegaan.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
71
§1 Belangenafweging Een ontheffing van de Wnb wordt alleen verleend als het project beschikt over een in de Wnb genoemd belang; het zogenaamde wettelijk belang. Als bevoegd gezag toetsen provincies of het belang van een ingreep zwaarder mag wegen dan het beschermingsbelang van de soorten zoals is vastgelegd in de wet. Voor vogelsoorten zullen de gebiedsgerichte ontheffingen worden aangevraagd op grond van het belang genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onder b, aanhef en onder 1, van de wet: “In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid”. Voor vleermuissoorten zullen de gebiedsgerichte ontheffingen worden aangevraagd op grond van het belang genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de wet: “In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”. Onderbouwing belang verduurzaming particuliere woningvoorraad Er zijn verschillende nationale en internationale doelstellingen ten aanzien van het tegengaan van klimaatverandering. In het Klimaatakkoord van Parijs17, dat is gepresenteerd in 2013 en door Nederland is geratificeerd18, zijn afspraken gemaakt over het beperken van de opwarming van de aarde.
In 2021 zijn de gemaakte afspraken opnieuw bekrachtigd tijdens de Klimaattop in Glasgow. In Nederland zijn afspraken gemaakt in het Energieakkoord19 van 2013 en het Klimaatakkoord20 van 2019. Een belangrijk doel van het Energieakkoord is het tegengaan van het broeikaseffect, dat leidt tot klimaatverandering. Klimaatverandering kan leiden tot belangrijke gevaren als gevolg van: • zeespiegelstijging met risico op overstromingen; • vergroting weersextremen (extreme regenval en langere droogteperiodes); • beperkingen in zoetwatervoorzieningen; • toenemend risico op (infectie)ziekten en plagen; • bedreiging van de energievoorziening. Door verspilling van fossiele brandstoffen te beperken en duurzamere verwarmingstechnieken mogelijk te maken draagt de energietransitie bij aan het voorkómen of vertragen van klimaatverandering, luchtverontreiniging en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor volksgezondheid en openbare veiligheid. In het Energieakkoord is afgesproken dat alle burgers in 2050 in een energieneutraal huis wonen. In het nationale Klimaatakkoord staan afspraken over de verduurzaming op basis van een wijkgerichte aanpak van de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen in 2030.
17
http://unfccc.int/resource/docs/2015/cop21/eng/l09.pdf https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/stemmingsuitslagen/detail?id=2017P01147 19 http://www.energieakkoordser.nl/energieakkoord.aspx 20 https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP 18
72
Het verduurzamen van particuliere woningen is een onmisbaar onderdeel van de voorgenomen energietransitie. De overstap op hernieuwbare energie is alleen mogelijk als de energiebehoefte voor verwarming drastisch lager wordt. Tegelijkertijd zijn duurzamere verwarmingsmethoden zoals warmtepompen alleen inzetbaar in optimaal geïsoleerde gebouwen. Hiervoor moeten woningen dus veel beter geïsoleerd worden dan nu het geval is en, indien mogelijk, verwarmd worden met behulp van zonnepanelen. Het verduurzamen van particuliere woningen is daarom een essentieel onderdeel van de energietransitie ter voorkoming van verdere klimaatverandering. Het verduurzamen dient het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
73
§2 Alternatievenafweging Een ontheffing van de Wnb wordt enkel verleend als er voor het beoogde doel geen andere, meer bevredigende, oplossing voorhanden is. Ten aanzien van verschillende aspecten van de pre-SMP methodiek wordt daarom overwogen of dit het meest bevredigende alternatief is. §2.1 Locatie Isolatie van particuliere woningen kan niet elders gerealiseerd worden omdat elk verduurzamingsproject per definitie locatie gebonden is. Bovendien moeten op alle andere locaties ook vergelijkbare werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de energietransitie. De enige alternatieven voor de energietransitie zijn “niets doen” of als tussenvorm “minder doen”, maar daarmee worden de gemaakte afspraken in het Klimaatakkoord niet nagekomen. Er is daarom geen alternatieve locatie mogelijk voor het verduurzamen van particuliere woningen. §2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van gebiedsgerichte ontheffingen op grond van de pre-SMP methodiek richt zich hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, op de woningen binnen de rode contour (in de Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’). Het is van belang dat de begrenzing van de locatie van de pre-SMP-gebieden overeenkomt met de begrenzing van de locaties van de toekomstige SMP-gebieden, omdat in de SMP-periode de populaties duurzaam worden beschermd, en een eventuele tijdelijke dip in de populatie kan worden hersteld.
Het koppelen van de toepassingsgebieden onder het pre-SMP en het SMP is het voor de soorten meest gewenste alternatief. §2.3 Deelnemende panden Alleen grondgebonden woningen in particuliere eigendom mogen onder de pre-SMP methodiek worden geïsoleerd. “Gestapelde woningen” of hoogbouw zoals flatgebouwen zijn kansrijk voor de overwintering van grote groepen vleermuizen. Hierdoor is het risico dat populaties door isolatie schade ondervinden vele malen groter. Een modelmatige aanpak wordt bij gestapelde bouw vanwege dit ecologisch risico niet verantwoord geacht. Ook bij collectieve isolatie van corporatie-woningen is dit het geval; bij een collectieve aanpak verdwijnt tenslotte binnen één gebied in één keer een groot aantal verblijfplaatsen. Daarmee is de kans groot dat niet slechts één verblijf uit een netwerk wordt aangetast maar het gehele netwerk verdwijnt. De pre-SMP methodiek mag bij particuliere grondgebonden woningen zekerheidshalve voor maximaal 10% per CBSbuurt in de eerste fase, en 30% per CBS-buurt per 24 maanden gebruikt worden, om zo de populaties de kans te geven zich na een ingreep te herpakken.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
74
§2.4 Type werkzaamheden In overleg met in- en externe adviseurs en gemeenten is er in eerste instantie voor gekozen de pre-SMP methodiek te richten op spouwmuurisolatie en binnendakisolatie. Buitendakisolatie, waarbij het dak vanaf de buitenzijde wordt geïsoleerd, komt echter ook met grote regelmaat voor en het is onzeker of de impact op beschermde soorten groter is dan bij binnendakisolatie. De klimatologische omstandigheden veranderen namelijk in beide gevallen. In afwijking van het adviesrapport van Natuurinclusief & Viridis (bijlage VI) is daarom buitendakisolatie geïntegreerd in de praktische handreiking ”Natuurvriendelijk isoleren” en daarmee onderdeel van de pre-SMP methodiek. Ook het isoleren van borstweringen, het aanbrengen van voorzet-isolatiewanden en het plaatsen van zonnepanelen zijn na oplevering van het genoemde adviesrapport toegevoegd aan methodiek en de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Vloerisolatie en het vervangen van ramen worden niet ontheffingsplichtig geacht en hier worden geen regels aan gesteld. §2.5 Legalisatievorm Er zijn verschillende legalisatievormen van toestemmingsbesluiten onder de Wnb. Dat zijn; ‘ontheffingen’, ‘gedragscodes’, of ‘provinciale vrijstellingen’. In de eerste fase van het onderzoek21 zijn de verschillende legalisatievormen vergeleken (zie bijlage IV).
Allereerst is de mogelijkheid per individuele huiseigenaar een ontheffing van de Wnb te verlenen. Deze legalisatievorm is momenteel van kracht voor particulieren huiseigenaren, tenzij de gemeente een SMP heeft. Deze vorm heeft echter niet de eerste voorkeur door de onbekendheid van particulieren met de Wnb, de kosten van het bijbehorende onderzoek en ontheffingsaanvraag en het ontbreken van de bereidwilligheid ten aanzien van (onzekere) procedures. Naast de kosten gaat het ook om een tijdsinvestering van ca. 1,5 jaar. Beiden staan niet in verhouding staat tot de kosten- en tijdsinvestering van de isolatie zelf. Een ontheffing aan de isolatiebranchevereniging is juridisch een mogelijkheid waar de branche voor openstaat, maar kent onoverkomelijke praktische bezwaren. De branche is dan als ontheffinghouder verantwoordelijk voor de onderzoeksplicht, de plicht het voorkómen van doden en de plicht het verlies van verblijfplaatsen te compenseren. Deze situatie is niet wenselijk of reëel in de praktische uitvoering van de maatregelen én de handhaving. Een gedragscode is een vrijstelling aan een specifieke doelgroep en moet worden goedgekeurd door het rijk. De procedure hiervoor is omvangrijk en intensief, en duurt meerdere jaren. Dit terwijl ten aanzien van het vraagstuk dat voorligt juist een oplossing nodig is die op korte termijn inzetbaar is.
Bovendien kan een algemene vrijstelling voor particulieren de noodzaak voor het opstellen van een SMP verminderen. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld corporaties op middellange termijn niet profiteren van de gebiedsgerichte ontheffing.
21
Onder projectleiding van OverMorgen, in samenwerking met Arcadis, ENVIR Advocaten en Koolstra Advies NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
75
Een provinciale vrijstelling aan particulieren is ook een mogelijkheid en wordt door andere provincies verkend. Een vrijstelling kan opgenomen worden in de Omgevingsverordening maar het is niet mogelijk daar een lange termijn oplossing in de vorm van een SMP-verplichting aan te koppelen. Bovendien is er geen zicht op het gebruik van de vrijstelling en daarmee lastiger op toe te zien door de handhavende instanties. Hetzelfde geldt voor een programma (genoemd in artikel 1.13 lid 1 onder b Wnb) waarmee op populatieniveau maatregelen worden genomen om de populatie te versterken waardoor er ruimte kan worden vrijgegeven voor ontwikkelingen. Een dergelijk programma kan worden vastgesteld op regionaal of nationaal niveau, maar is complex in opzet en uitvoering. Om te voorkomen dat particulieren allemaal individueel een ontheffingsprocedure -met bijbehorende kosten- moeten doorlopen is een (tijdelijke) gebiedsgerichte ontheffing aan gemeenten als het meest kansrijk beoordeeld. Dit voorkomt individuele aanvraagprocedures, maar maakt het door de meldingsplicht wel inzichtelijk welke woningen onderdeel zijn van de legalisatie. Hierop kan ook toezicht gericht worden uitgevoerd en kan worden gehandhaafd op het niet nakomen van de afspraken. Een (tijdelijke) gebiedsgerichte ontheffing is daarmee het meest wenselijke alternatief.
§2.6 Voorkómen van doden De pre-SMP methodiek heeft als centraal uitgangspunt het voorkómen van doden van vleermuizen en vogels en het bieden van alternatieve voorzieningen. Omdat de pre-SMP methodiek belang hecht aan het voorkómen van het doden is het verplicht om alle spouwen voorafgaand aan het isoleren van de spouw altijd natuurvrij te maken. Het alleen natuurvrij maken als een voorspellingsmodel of een Quickscan daar aanleiding toe geeft, is met oog op de kwetsbaarheid van vleermuizen geen bevredigend alternatief. Het natuurvrij maken van spouwen voorafgaand aan werkzaamheden met hulp van de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren” kan worden uitgevoerd door het isolatiebedrijf zelf. Ecologische begeleiding is niet nodig, maar is ondervangen door de handreiking en een training. Aangezien doden wordt voorkomen, past dit binnen de wet en is geen alternatief nodig. §2.7 Planning Particuliere isolatie van spouwmuren kan jaarrond plaatsvinden als de woningen vooraf (buiten de kraamtijd) natuurvrij zijn gemaakt conform de handreiking “Natuurvriendelijk Isoleren”. In die zomer- en winterperiode kan alleen worden geïsoleerd als voorafgaand aan die perioden de woningen natuurvrij zijn gemaakt. Per ingreep zijn verschillende natuurkalenders opgesteld die aangeven wanneer de werkzaamheden ecologisch verantwoord zijn.
Datumgrenzen natuurvrij maken spouwmuren Het plaatsen van vleermuiswerende maatregelen in spouwmuren mag jaarrond plaatsvinden, met uitzondering van de kraamperiode. In die periode is de kans te groot dat zogende vrouwtjes het pand verlaten, maar jongen achterlaten. Deze situatie kan optreden vanaf 1 april tot 1 augustus. Vóór deze periode zijn nog weinig jongen geboren, na deze periode zijn de jongen veelal ‘vliegvlug’. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
76
Het plaatsen van deze maatregelen tijdens de winterperiode zal vleermuizen niet de kans ontnemen naar vorstvrije winterverblijfplaatsen uit te wijken, maar benut wel de mogelijkheid deze voorbereidende handeling uit te voeren in de winter. Deze gesloten periode korter maken (door ook werken in de winter uit te sluiten) is geen ecologisch wenselijk alternatief en ruimer maken staat de uitvoerbaarheid van de werkwijze te veel in de weg. Deze datumgrenzen zijn zo opgesteld dat de kans op doden zo goed mogelijk wordt voorkomen en de kans op naleving zo groot mogelijk te maken. De kwetsbare winterperiode start globaal de eerste week van november. Tot 1 november mag natuurvrij worden gemaakt en de woning na vijf dagen natuurvrij worden verklaard. Tussen 1 november en 7 november mag een woning natuurvrij worden verklaard als een ecoloog heeft bevestigd dat de temperaturen dermate hoog zijn dat vleermuizen nog actief zijn. Wachttijd van vijf dagen (actieve periode) en wachttijd tot na de winter (inactieve periode) Na het afdichten van woningen is na vijf dagen de woning vleermuisvrij te verklaren. In de reguliere projecten wordt drie dagen gehanteerd, maar daarbij dient een ecoloog – afhankelijk van de weersomstandigheden – de woning vleermuisvrij verklaren.
Voor de isolatiesector is het hanteren van vijf dagen (ongeacht de weersomstandigheden) uitvoerbaarder en dit is tevens ecologisch voorzichtiger. Het vleermuisvrij verklaren van woningen in de winterperiode mag niet na vijf dagen, aangezien vleermuizen dan maandenlang niet naar buiten gaan. Worden woningen afgedicht vijf dagen voorafgaand aan de winterperiode, dan is de woning de hele winter vleermuisvrij. Wanneer exclusion flaps tijdens de winter worden geplaatst, mag de woning pas vijf dagen na het einde van de winter natuurvrij worden verklaard. Pas dan hebben alle mogelijk aanwezige vleermuizen de spouw gegarandeerd verlaten. Deze verschillende werkwijzen gedurende de actieve en de inactieve periode is voor vleermuizen en vogels het meest wenselijkste alternatief. §2.8 Methode natuur vrijmaken In het rapport van LooPlan (bijlage V) zijn op basis van een literatuurstudie en ervaringen uit het werkveld alternatieve manieren van ongeschikt maken (dus naast de traditionele ‘exclusion flaps’) onderzocht. Op dit moment lijken drie innovatieve methoden qua toepassing kostentechnisch interessant; het toepassen van licht, tocht en geluid in de spouw. Deze methoden zouden, anders dan de exclusion flaps, ook ingezet kunnen worden tijdens vorstvrije winterdagen, waardoor de periode van werken verruimd wordt.
De genoemde innovatieve methoden kunnen de vleermuizen mogelijk uit de inactieve toestand halen. De effectiviteit van deze maatregelen is echter nog niet bewezen en deze mogen dus nog niet ingezet worden. Hierbij speelt ook dat nog onduidelijk is of vleermuizen voldoende reserves hebben om tijdens de winter geforceerd te moeten verhuizen. Deze methoden zijn echter wel kansrijk en verdienen nader onderzocht te worden door de markt. Mochten de resultaten positief zijn, dan wordt dit toegevoegd aan de handreiking Natuurvriendelijk isoleren.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
77
Het gebruik van exclusion flaps is vooralsnog vanuit ecologisch en dus wettelijk oogpunt de meest veilige en voorzichtige methode om het doden van vleermuizen bij spouwmuurisolatie te voorkomen en daarmee het gewenste alternatief. §2.9 Particuliere compensatie In elke woning die geïsoleerd wordt moeten compenserende voorzieningen voor vogels en vleermuizen worden aangeboden. Bij vleermuizen moeten deze in de spouw gerealiseerd worden, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is. Uitsluitend in dat geval zijn opbouwvoorzieningen acceptabel. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de grotere robuuste kraamvoorzieningen. De volledige compensatietaakstelling bij de particulier neerleggen is geen uitvoerbaar alternatief. Bij het compenseren van verblijfplaatsen worden doorgaans geruime tijd vooraf in de directe omgeving van de weg te nemen verblijfplaats, alternatieve voorzieningen opgehangen. Zo krijgen de diersoorten de kans de alternatieven te ontdekken. Komen alternatieve verblijfplaatsen echter op dezelfde locatie dan is een gewenningsperiode, ook bij reguliere procedures, niet noodzakelijk. Onder het pre-SMP krijgt elke te isoleren woning alternatieve zomer- en paarvoorzieningen (en deels kraamvoorzieningen) en is doordat het verblijf op dezelfde locatie blijft- een overlap tussen de oorspronkelijke verblijfplaatsen en de alternatieven niet noodzakelijk.
Wel moeten deze voorzieningen worden aangeboden op het moment (of voorafgaand) dat de woningen natuurvrij worden gemaakt zodat er geen periode ontstaat waarin de oorspronkelijke verblijfplaatsen ontoegankelijk zijn en de nieuwe verblijfplaatsen beschikbaar komen. §2.10 Verantwoording afwijking advies Natuurinclusief & Viridis Het advies ten aanzien van de particuliere compensatieverplichting is terug te vinden in het rapport van NatuurInclusief & Viridis (bijlage VI). Van dat advies wordt in de uiteindelijke pre-SMP methodiek echter op enkele onderdelen afgeweken. Hieronder wordt toegelicht waarom het overnemen van het advies, gezien in het licht van de gehele methodiek, geen bevredigend alternatief is. Afwijking a: Geschiktheid daken na binnendakisolatie In het genoemde advies wordt voorgeschreven dat bij binnendakisolatie elke gevel een dubbele vogelvoorziening krijgt. In het genoemde advies wordt aangenomen dat bij het isoleren van het dak aan de binnenzijde het gehele dak de waarde voor vogels verliest door oververhitting. In de pre-SMP methodiek wordt deze aanname niet overgenomen. Wij achten dit op de noord-georiënteerde daken onwaarschijnlijk, en achten de geschiktheid van zuidgeoriënteerd daken slechts beperkt verminderd.
De eerste resultaten van twee momenteel lopende onderzoeken22 naar temperatuuropbouw in geïsoleerde daken versus niet geïsoleerde daken laten vooralsnog geen grote verschillen zien.
22
Onderzoek is in 2021 uitgevoerd door Altenburg en Wymenga Ecologisch onderzoek en Advies, maar nog niet gepubliceerd. Deze conclusie lijkt te worden bevestigd door een vergelijkbaar onderzoek door Bureau Waardenburg (publicatie verwacht in 2022). NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
78
Daarom is tijdens een expertbijeenkomst23 op 2 december 2021 de voorlopige conclusie getrokken dat binnendakisolatie het dak niet per definitie ongeschikt maakt voor vogels. Overigens zijn er in de provincie Utrecht slechts tussen de 2 en de 6 tropische dagen (meer dan 30 °C) per jaar en deze vinden niet alleen maar plaats in de broedperiode.24 Een geïsoleerd dak volledig ongeschikt verklaren nemen we daarom niet over. Kan een vogel echter het dakbeschot passeren, dan verdwijnt mogelijk toch een nest en daarvoor wordt wel compensatie geëist. Als daken worden geïsoleerd aan de binnenzijde wordt geadviseerd ter compensatie op elke gevel een vleermuiskast te eisen. Bij binnendakisolatie zou ook ten aanzien van vleermuizen het dak immers erg warm kunnen worden. Ook dit advies wordt niet overgenomen. De functie die de vleermuiskasten moeten compenseren betreft zomer- en paarverblijfplaatsen. Bij paarverblijfplaatsen kan de problematiek echter niet spelen, aangezien de paartijd plaatsvindt in het najaar, wanneer de kans op oververhitting voorbij is. Bij zomerverblijfplaatsen kan de problematiek wel spelen.
De eerste resultaten van het genoemde pilotonderzoek van Altenburg en Wymenga Ecologisch onderzoek en Advies (publicatie verwacht in 2022) en het separate onderzoek van Bureau Waardenburg (publicatie verwacht in 2022) lijken de aanname, dat daken volledig ongeschikt worden voor vleermuizen, echter niet te ondersteunen. Individuele vleermuizen kunnen naar verwachting binnen het dak verplaatsen naar een koelere locatie. Bovendien zijn individuele zomerverblijfplaatsen niet limitatief beschikbaar. Daar komt bij dat vleermuiskasten op de zuidgeoriënteerde gevels eveneens veel te warm worden en daardoor onbruikbaar zijn. Een dak biedt verschillende klimatologische omstandigheden en wordt daarom voor zomer- en paarverblijfplaatsen geschikter geacht dan externe vleermuiskasten. Afwijking b: Geschiktheid middelgrote en grote uitsparingen voor kraamverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. In het advies van Natuurinclusief & Viridis wordt ingeschat dat spouwverblijven van 60 x 60 cm niet geschikt zouden zijn voor kraamgroepen van de gewone dwergvleermuis, omdat deze ruimten te klein zouden zijn. Hoewel niet optimaal, zijn wij van mening dat de spouwverblijven met een afmeting van 60x60 cm niet volledig ongeschikt zijn voor de kleinere kraamgroepen van deze soort. Wij zien deze in elk geval als “kansrijk”.
Daarnaast is na oplevering van het advies is in nader overlegd met branchevereniging VENIN overeengekomen bij vrijstaande woningen een spouwverblijf van 100x100 cm te creëren, zolang de te isoleren geveloppervlakte (metselwerk) groot genoeg blijft om de beoogde isolatiedoelstelling te behalen. Deze spouwverblijven beoordelen wij als zeer kansrijk voor diverse soorten kraamgroepen, aangezien deze afmeting algemeen als voldoende wordt gezien voor voorzieningen. Om isolatiewaarde te behouden, wordt voor vrijstaande woningen het aantal kleine spouwverblijven verminderd.
23
Een door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland georganiseerde kennisbijeenkomst met een groot aantal ecologische experts over het thema ‘Isolatie en vogels’. 24 https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/tropische-dagen NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
79
Zomer- en paarverblijfplaatsen komen echter op verschillende locaties voor en er gelden weinig kwaliteitseisen voor deze voorzieningen. Er is geen enkel reden om aan te nemen dat het aantal zomer- en paarverblijven limitatief beschikbaar wordt. Afwijking c: Type vleermuiskast Ter compensatie voor zomer-/paar- en milde winterverblijfplaatsen moeten, indien het realiseren van spouwverblijven technisch niet mogelijk is, op pandniveau vleermuiskasten worden geplaatst. In het genoemd rapport is geadviseerd dat er dan per gevel een drielaagse duurzame kast moet komen (paragraaf 4.3.2). Dit wordt “vleermuiskast pre-SMP” genoemd. In het overzicht van tabel 3.1 van het adviesrapport is echter aangegeven dat ook kleine externe kasten voldoende geschikt zijn om zomer- paar en milde winterverblijfplaatsen te compenseren. Twee-laagse kasten zijn veel meer voorhanden op de markt, zijn bewezen effectief en hebben een lagere prijs. Er wordt daarom gekozen om de eis van drie-lagen per kast niet over te nemen, maar een (minimaal) een tweelaagse duurzame kast te verplichten. De geadviseerde particuliere compensatie lijkt onevenredig zwaar te zijn voor de particulieren rekening houdend met het mogelijk geheel afwezige effect.
Om draagvlak te krijgen voor de bescherming van vogels en vleermuizen wordt het verminderen van de geadviseerde particuliere taakstelling het meest wenselijke alternatief geacht. §2.11 Onderzoeksinspanning Door diverse ecologisch adviseurs is onderzocht welke minimale onderzoeksinspanning naar de aanwezigheid van beschermde soorten geleverd moet worden. De reguliere intensieve werkwijze waarbij elke individuele woning achtmaal dient te worden bezocht in de periode april - september leidt ertoe dat geen enkele particulier deze werkwijze hanteert. Gedegen ecologisch onderzoek lijkt voor de particuliere huiseigenaar niet realistisch om conform de wet uit te voeren. De kosten voor ecologisch onderzoek (ca. € 5000,-) alleen al overstijgen de kosten voor de isolatie (ca. € 1.000- €1.700,-) in ruime mate. Bij grootschalige isolatiewerkzaamheden van woningcorporaties zijn de kosten voor ecologisch onderzoek door de gecoördineerde aanpak per huis aanzienlijk lager. Voor de particuliere eigenaar speelt daardoor sterk het ‘redelijkheidsbeginsel’ mee. Daarom zijn diverse alternatieve onderzoeksmethoden overwogen. De juridische verantwoording voor de gekozen variant is te vinden in paragraaf 4 van deze bijlage. In de hiernavolgende alinea’s wordt toegelicht waarom andere alternatieve onderzoeksmethoden geen bevredigender alternatief zijn.
Een alternatief is om alleen de kwetsbaarste verblijfsfunctie in kaart te brengen, namelijk de kraamfunctie van vleermuizen. Onderzoek in de periode half mei - half juli is dan vereist. Verblijft er geen kraamgroep in het huis, dan is de aantasting door het isoleren aanvaardbaar. Dit vergt echter een goede en tijdige planning van particulieren; wanneer iemand in augustus besluit te willen isoleren, dan moet hij wachten tot mei van het daaropvolgende jaar (9 maanden) voor er onderzoek gedaan kan worden. Maar belangrijker nog is dat kraamgroepen zeer regelmatig verhuizen; in sommige gevallen wel elke 5 dagen. Het niet aantreffen van een kraamgroep sluit dan alsnog niet uit dat de woning niet wel wordt door een kraamgroep. Veldonderzoek blijft altijd een momentopname. Mede om deze reden wordt deze optie minder geschikt geacht. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
80
Onderzoek op gebiedsniveau Gemeente-breed onderzoek voor SMP’s is een andere vorm van onderzoek. Dit brengt de populaties in kaart en onderzoekt de kwetsbare verblijffuncties. Dit onderzoek is dus niet per woning of gebouw, maar onderzoekt een heel gebied. Zoals vermeld is het onderzoek naar populaties tijdrovend en daarmee niet op korte termijn inzetbaar voor het pre-SMP. Dit is echter wel de voorkeursmethode waar het gaat om een duurzame lange termijn oplossing voor zowel de soortenbescherming als de voortgang van onder andere de verduurzaming. Een SMP kan daarnaast ook procedures rondom verbouw, transformatie en renovatie versnellen. Maar wachten met particuliere verduurzaming tot er in alle gemeenten volwaardige SMP’s zijn is geen bevredigend alternatief vanuit zowel de duurzaamheidsopgave als de ecologie. Ook als formeel gewacht zou worden met de uitvoering van de Transitievisies, zal particuliere isolatie op eigen initiatief altijd doorgaan, met ecologische schade tot gevolg. Een kortetermijnoplossing voor de komende twee jaar is noodzakelijk. Voorspellingsmodel per woning In het rapport van OverMorgen is geadviseerd een “voorspellingsmodel” te ontwerpen wat op basis van de gebouwkenmerken (bouwjaar, type dak, isolatiewaarde, bouwstijl, gevelbeslag etc.) per huis aan kan geven welke beschermde soorten te verwachten zijn.
Op basis van deze gebouwkenmerken in combinatie met omgevingskenmerken zouden huizen ingedeeld kunnen worden in de risico categorieën ‘laag’, ‘gemiddeld’, ‘hoog’ voor kwetsbare functies, zoals kraamgroepen. Het opstellen van een dergelijk model is samen met de onder andere Zoogdiervereniging in 2020 nader onderzocht. Deze mogelijkheid is op basis van nader ingewonnen advies van Natuurinclusief, Viridis en LooPlan echter als (te) weinig richtinggevend beoordeeld. Dit omdat (kraamgroepen van) gebouwbewonende soorten bij daken en spouwen nooit uit te sluiten zijn. Vrijwel alle woningen zouden in de categorie “hoog risico” vallen, waarmee het model niet werkbaar is. Op basis van wijkkenmerken lijkt het evenmin mogelijk de populaties adequaat te bepalen. Van een dergelijke onderzoeksmethode op basis van gebouw- of omgevingskenmerken is daarom afgezien. Hoewel ook door verschillende bureaus gewerkt wordt aan “voorspellingsmodellen per woning” zijn deze volgens het merendeel van de bevoegd gezagen en deskundigen nog onvoldoende betrouwbaar. Omdat ook hier de ontwikkelingen snel kunnen gaan, sluiten we niet uit dat in de toekomst dit wél het geval zal zijn. Indien dit zich voordoet, zal uiteraard bekeken worden of en hoe dit een plek kan krijgen in de pre-SMP methodiek.
Modelmatige berekening populaties en effecten Ondanks dat is afgezien van het voorstel om een voorspellingsmodel per woning te ontwikkelen, is een modelmatige aanpak met behulp van GIS wel verder onderzocht. Bij een regulier SMP worden populaties onderzocht op gemeenteniveau en daarmee is werken met een SMP veel efficiënter dan onderzoek op individueel pandniveau. Er wordt namelijk niet zozeer gekeken naar individuen maar naar populaties in een gebied waarmee de staat van instandhouding beter gediend is. Daarom is in dit traject onderzocht of het mogelijk is deze populaties op gemeenteniveau theoretisch te berekenen. Een voorspellingsmodel dus voor de hele gemeente. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
81
Geen ecologisch onderzoek op pandniveau, geen voorspellingsmodel op pandniveau én (tijdens de pre-SMP periode) geen ecologisch veldonderzoek op gemeenteniveau. Wél een theoretische populatieberekening, op basis van bestaande data en met ruimte voor maatwerk op basis van de specifieke gemeentelijke situatie en een veiligheidsmarge. Wanneer op deze wijze een beredeneerde inschatting van de verwachte populaties gemaakt kan worden, kunnen op basis daarvan de compenserende maatregelen uitgewerkt worden in een gemeentelijk plan. Deze methode is beoordeeld als het meest wenselijke alternatief voor een werkwijze die op korte termijn ingezet kan worden, de populaties voldoende bescherming biedt gedurende de looptijd van maximaal 2 jaar én geen belemmering vormt voor de verduurzamingsopgave. De theoretische inschatting van de populaties met de pre-SMP methodiek inclusief tijdelijke omgevingsgerichte ontheffing is een methode waarmee noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit het dichtst bij elkaar komen. Daardoor zal de naleving van de wettelijke vereisten voor particulieren veel eenvoudiger worden en de bescherming van gebouwbewonende populaties in werkelijkheid het beste gediend zijn. Deze methodiek is daarom beoordeeld als het meest wenselijke alternatief op de korte termijn.
§2.12 Toezicht en handhaving Bij het besef dat particulieren de wet niet naleven, moet uiteraard eerst de vraag gesteld worden of dit voorkomen kan worden met het intensiveren van toezicht en handhaving. Dit blijkt in de praktijk echter niet uitvoerbaar. Het aantal woningen dat dagelijks geïsoleerd wordt is niet inzichtelijk en de locatie van die woningen bovendien onbekend. Gerichte inzet van handhaving ter preventie is daardoor zeer complex. Bovendien is isoleren in enkele uren afgerond en kan plaatsvinden zonder steigeropbouw. Bij de achterzijde van de woning vindt het sowieso volledig buiten het gezichtsveld van de toezichthoudende instanties plaats. Wordt wél een verduurzaming ter plekke waargenomen, doorgaans gebeurt dit alleen na een handhavingsverzoek van buurtbewoners, dan is het maar de vraag of nog veel kan worden hersteld. Het voorkómen van alle particuliere isolaties die dagelijks onzichtbaar plaatsvinden is geen reële mogelijkheid. Gezien het bovenstaande zijn er geen redelijke alternatieven mogelijk die zouden leiden tot een kwalitatief gelijkwaardig resultaat.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
82
§3. Toets aan de staat van instandhouding gebouwbewonende soorten Het belang van een gedegen toetsing van het effect van de vergunde werkzaamheden op de staat van instandhouding wordt benadrukt met de uitspraak van de Raad van State van 21 april 2021 (Uitspraak 201900294/1/R2). Ontheffingen op basis van aannames zijn risicovol omdat het effect van de toegestane werkzaamheden op de staat van instandhouding van de soorten niet goed te beoordelen is. De Gedragscode Stroomversnelling Natuurinclusief Renoveren is door de Raad van State om onder meer die reden nietig verklaard. Bij de pre-SMP methodiek is dat risico zo veel mogelijk weggenomen door populaties per woonkern te berekenen op basis van dichtheden en vervolgens per gemeente een verwachte ecologische aantasting te berekenen. Daarnaast gaat de pre-SMP methodiek uit van het altijd voorkómen van doden. Bovendien is in de pre-SMP methodiek het aantal deelnemende woningen begrensd op maximaal 30% gedurende de twee jaar per CBS buurt, met een maximale aantasting van 10% tijdens de eerste fase. In het gerechtelijke proces rondom de gedragscode waren dit de belangrijkste speerpunten. Een uitgebreide verantwoording van deze methodiek met oog op de betreffende uitspraak van de Raad van State is te vinden in paragraaf 4 van deze bijlage.
De effectenanalyse met oog op de staat van instandhouding is uitgevoerd in het rapport van Natuurinclusief & Viridis (zie bijlage VI). Hieronder is per soort een korte samenvatting opgenomen. Per soort per woonkern vindt een gedetailleerdere toetst plaats bij de daadwerkelijke ontheffingverlening. 3.1
Baardvleermuis De baardvleermuis is vrij schaars verspreid in Nederland en het exacte vóórkomen van deze soort is vrij onzeker. De meeste waarnemingen zijn bekend uit wintertellingen. Vast staat dat in het buitengebied en langs de randen van (dorps)kernen verblijfplaatsen zijn. Baardvleermuizen verlaten de zomerkwartieren vanaf half juli en zijn in het najaar en in de winter dus niet te vinden in particuliere woningen. Werkzaamheden aan daken kunnen negatieve invloed hebben op baardvleermuizen. Er zijn geen voorbeelden bekend van baardvleermuizen in spouwmuren echter is het niet uit te sluiten dat deze hier wel kunnen verblijven. De uitgevoerde populatieberekening geeft een totaal van 1.456 dieren in de provincie Utrecht. Dit aantal is verdeeld over de woonkernen in de provincie Utrecht. Voor baardvleermuizen komt het erop neer dat er erg weinig dieren voor zullen komen in gemeenten, baardvleermuis staat bekend als zeldzaam in Nederland. De kans dat er daadwerkelijk schade plaatsvindt aan populaties baardvleermuizen in de provincie Utrecht door werkzaamheden binnen de scope van dit project wordt ingeschat als minimaal door de lage dichtheden. De baardvleermuis komt voornamelijk onder daken voor en de daken blijven in het pre-SMP toegankelijk. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
83
De temperatuur op de zonzijde zal waarschijnlijk veranderen maar de baardvleermuis is mobiel om zich over het dak te verplaatsen naar de koelere zijde. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten die door baardvleermuizen gebruikt zouden kunnen worden. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen. Ook worden op alle kopgevels bij de nok grotere ruimtes uitgespaard waar kraamgroepen in kunnen verblijven. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Een gemeentelijke taakstelling wordt per gemeente niet noodzakelijk geacht. Ondanks dat de kans op een negatief effect op de baardvleermuis erg klein is, dient de particuliere verduurzaming plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken en kleine spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. 3.2