Bijlage 1 - Natuurvriendelijk isoleren door particulieren onder het pre-SMP
Tekst van het document
Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis is vrij algemeen verspreid in de provincie Utrecht. Bij dakisolatie waarbij de buitenschil wordt aangetast is er risico op het vernietigen van verblijfplaatsen. Ook bij interne isolatie van oudere gebouwen (<1920) met open zolders is hier kans op doordat het open karakter van de zolder verloren gaat. Grootoorvleermuizen verlaten de zomerverblijfplaatsen vanaf augustus en zijn in het late najaar en in de winter dus niet te vinden in woningen. De totale populatie gewone grootoorvleermuis in de provincie Utrecht is ingeschat op 2.466 exemplaren. De 2.466 gewone grootoorvleermuizen zijn verdeeld over de gemeenten in de provincie Utrecht. Hiervan zal de helft in holtes van bomen verblijven en het grootste deel van de gebouwbewonende dieren op zolders van kerken, kastelen en andere oude gebouwen met open zolders. De gewone grootoorvleermuis komt voornamelijk onder daken voor en de daken blijven na de werkzaamheden grotendeels toegankelijk. De temperatuur op de zonzijde zal waarschijnlijk veranderen maar de gewone grootoorvleermuis is mobiel om zich over het dak te verplaatsen naar de koelere zijde. Gewone grootoorvleermuizen gebruiken ook spouwmuren en per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- (en paar-) verblijfplaatsen.
Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het preSMP mag worden geïsoleerd begrensd tot 10% per 12 maanden per CBS buurt in de eerste fase (maximaal 30% gedurende de looptijd pre-SMP). Een gemeentelijke taakstelling wordt per gemeente niet noodzakelijk geacht. Ondanks dat de kans op een negatief effect op de gewone grootoorvleermuis erg klein is, dient de particuliere verduurzaming plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode (voor zover relevant) en het behoud van toegang tot daken en spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
84
3.3
Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is algemeen verspreid in de provincie Utrecht. De kans is vrij groot dat er een willekeurige woning een functie heeft voor gewone dwergvleermuizen, zowel kraam- zomer- paar- en winterverblijfplaatsen. Gewone dwergvleermuizen bewonen grondgebonden woningen in potentie jaarrond, en zullen enkel met aanhoudende koude periodes (< -4 graden) massaal overwinteren op bepaalde massa-winterlocaties. Deze vallen echter buiten de scope van het pre-SMP omdat het type gebouw voor deze functie nooit in eigendom is van individuele particulieren. Het gaat daarbij namelijk om grote massieve (bakstenen) gebouwen, typische flatgebouwen bijvoorbeeld. De landelijke staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis wordt beoordeeld als gunstig. De trend en staat van instandhouding voor de gewone dwergvleermuis in de provincie Utrecht is onbekend. Op basis van het algemeen voorkomen in provincie Utrecht wordt geen aanleiding gezien de staat van instandhouding anders te beoordelen dan landelijk, dus gunstig. In Nederland is de totale populatie gewone dwergvleermuizen geschat op 300.000 tot 600.000. Dit komt neer op een gemiddelde dichtheid van 9-18 dieren per km2. Deze aantallen zijn gebaseerd op schattingen. In de uitgevoerde berekeningen wordt uitgegaan van hogere dichtheden met een schatting van 800.000 dieren voor heel Nederland.
In de provincie Utrecht komen op basis van deze dichtheid 35.651 gewone dwergvleermuizen voor. Deze zijn verdeeld over de woonkernen in de provincie Utrecht. Om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding zijn maatregelen ter voorkoming van doden en het rekening houden met de kraamperiode van belang. De particuliere verduurzaming dient daarom plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen waar ook tijdens milde winterdagen in kan worden verbleven. Ook worden op alle kopgevels bij de nok grotere ruimtes uitgespaard waar kraamgroepen in kunnen verblijven. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Om de kraamgroepen enkele grotere kraamvoorzieningen aan te bieden moet de gemeente enkele grotere kraamvoorzieningen realiseren. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken, kleine spouwruimtes en de gemeentelijke compensatietaakstelling geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt.
3.4
Kleine dwergvleermuis De kleine dwergvleermuis is slechts recent als separate soort opgesplitst van de gewone dwergvleermuis. Waarnemingen komen verspreid over geheel Nederland voor. Kolonies van kleine dwergvleermuizen zijn in Nederland zeldzaam, slechts één kolonie is bekend in een appartementencomplex in Wassenaar (400+ dieren, Zuid-Holland). NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
85
De soort is in Nederland niet als voortplantende populatie opgenomen op de rode lijst. In het buitenland is de kleine dwergvleermuis bekend grote (400+) kolonies te hebben en ook vaker voor overlast (geur) te zorgen. De kleine dwergvleermuis komt rondom de stad Utrecht voor, er zijn steeds meer waarnemingen van foeragerende dieren (voornamelijk via NEM-VTT). De kans dat er een kraamverblijf wordt aangetast binnen de scope van dit Pre-SMP is echter minimaal. Om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding zijn maatregelen ter voorkoming van doden en het rekening houden met de kraamperiode van belang. De particuliere verduurzaming dient daarom plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen waar ook tijdens milde winterdagen in kan worden verbleven. Ook worden op alle kopgevels bij de nok grotere ruimtes uitgespaard waar kraamgroepen in kunnen verblijven. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het preSMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt.
Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken en kleine spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. 3.5
Meervleermuis De meervleermuis is vrij algemeen rondom de gemeentes in het veenweidegebied. De plaatsen waar de kraamgroepen verblijven zijn redelijk bekend: Kamerik (Woerden), Vinkeveen (Ronde Venen) en Westbroek (De Bilt). Mannengroepen komen potentieel voor rondom dit gebied en langs de migratieroutes (grote wateren) in lagere aantallen, waarbij alle groepen bebouwing < 2.000 m van deze grote wateren zijn meegerekend. Meervleermuizen verlaten de kraamverblijfplaatsen vanaf begin juli en trekken dan richting zuid of oost via grotere wateren richting de overwinteringsgebieden. Langs deze routes hebben de mannen hun paarverblijfplaatsen. In de winter zijn meervleermuizen nagenoeg niet te vinden in woningen. Het geschatte aantal meervleermuizen is ongeveer 850 dieren in de provincie Utrecht. De locatie van de kraamgroepen zijn grotendeels in beeld. Buiten het veenweidegebied is de kans op kolonies meervleermuizen klein. De kans dat er daadwerkelijk schade plaatsvindt aan populaties meervleermuizen in de provincie Utrecht door werkzaamheden binnen de scope van dit project wordt ingeschat als minimaal door de lage dichtheden en de reeds in beeld zijnde kraamgroepen. De meervleermuis komt regelmatig onder daken voor en de daken blijven in het pre-SMP hoofdzakelijk toegankelijk.
De temperatuur op de zonzijde zal waarschijnlijk veranderen maar de meervleermuis is mobiel om zich over het dak te verplaatsen naar de koelere zijde. Meervleermuizen zullen naar verwachting niet worden gedood. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen. Mogelijk kunnen ook de grote uitsparingen gebruikt worden door (kraam)groepen, maar grote groepen zullen hier niet in passen. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
86
De woningen met bekende kraamgroepen mogen daarom niet worden geïsoleerd. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30%. Een gemeentelijke taakstelling wordt niet noodzakelijk geacht in de gemeenten buiten het veenweidegebied. Een gemeentelijke taakstelling is wel van belang voor de gemeenten in het veenweidegebied. Deze taakstelling is maatwerk. Ondanks dat de kans op een negatief effect op de meervleermuis beperkt is, dient de particuliere verduurzaming plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken en spouwruimtes, plus de gemeentelijke taakstelling geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. 3.6
Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis is algemeen verspreid in de provincie Utrecht. De kans is vrij groot dat er een willekeurige woning een functie heeft voor ruige dwergvleermuizen, zowel zomer- als paar- en winterverblijfplaatsen. De ruige dwergvleermuis is weinig kritisch wat betreft de keuze en inname van verblijfplaatsen. De populatie ruige dwergvleermuizen in Nederland bestaat in de gebouwde omgeving slechts uit mannetjes. Gedurende het najaar passeren de migrerende vrouwtjes (en jonge mannetjes) vanuit het voortplantingsgebied ons land en overwinteren hier. De voortplantende populatie is dus voor een groot deel afhankelijk van de voortplantingsgebieden in Noordoost Europa. Het is moeilijk in te schatten wat de populatie ruige dwergvleermuizen is en de aantallen kunnen wisselen per seizoen. Ruige dwergvleermuizen zijn absoluut niet kritisch wat betreft het innemen van paarverblijfplaatsen of winterverblijfplaatsen. Meer dan de helft van de dieren zoekt zijn toevlucht in bomen. Om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding zijn maatregelen ter voorkoming van doden van belang. De particuliere verduurzaming dient daarom plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten.
Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen waar ook tijdens milde winterdagen in kan worden verbleven. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Het voorkómen van doden en het behoud van toegangen tot daken en spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
87
3.7
Laatvlieger De laatvlieger is algemeen verspreid in de provincie Utrecht. De kans is redelijk dat er een willekeurige woning een functie heeft voor laatvlieger, hoewel de kans op gewone dwergvleermuizen aanzienlijk groter is puur door de grotere dichtheden van deze soort. Zowel kraam- zomer-, paar en winterverblijfplaatsen. Laatvliegers bewonen grondgebonden woningen in potentie jaarrond. Er is erg weinig bekend over de aantalsontwikkeling van deze soort en daarnaast laat de soort een negatieve populatietrend zien. De populatieberekening geeft een aantal van 5.924 laatvliegers en 149 kraamkolonies in de provincie Utrecht. Om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding zijn maatregelen ter voorkoming van doden en het rekening houden met de kraamperiode van belang. De particuliere verduurzaming dient daarom plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- en paarverblijfplaatsen waar ook tijdens milde winterdagen in kan worden verbleven, maar de grote spouwverblijven worden ook kansrijk geacht voor kleine kraamgroepen. Om de kraamgroepen enkele grotere kraamvoorzieningen aan te bieden dient de gemeente enkele grotere voorzieningen te realiseren.
Dit is maatwerk per gemeente en geldt als aanvulling op de grote spouwverblijven. Verblijfplaatsen van laatvliegers zijn moeilijker te compenseren dan die van de kleinere soorten. Onder de pre-SMP periode zal mogelijk een kraamverblijfplaats van de laatvlieger verdwijnen maar de kans op het aantasten van een heel netwerk wordt nihil geacht. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken en kleine spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt.
3.8
Tweekleurige vleermuis De landelijke voortplantende populatie tweekleurige vleermuizen is gezet op 100 individuen. De kraamgroep die bekend is uit Maarssenbroek bestaat ongeveer uit de helft van dit aantal. Mannelijke dieren in de paartijd zijn nog maar zelden in Nederland aangetroffen en het is onduidelijk of er mannen in Nederland jaarrond aanwezig zijn. De tweekleurige vleermuis is in de Provincie Utrecht vrij zeldzaam. Het risico op schade aan de populatie tweekleurige vleermuizen wordt beoordeeld als laag. Alleen in (de vogelwijken in) Maarssenbroek is risico op het vernietigen van kraamverblijfplaatsen (de huidige locatie wisselt regelmatig, ook vanwege eerdere verstoring). Een kraamverblijfplaats op een andere locatie in de provincie is niet uitgesloten echter is de kans hierop niet groot.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
88
Om geen afbreuk te doen aan de gunstige staat van instandhouding zijn maatregelen ter voorkoming van doden en het rekening houden met de kraamperiode van belang. De particuliere verduurzaming dient daarom plaats te vinden conform de werkwijze ‘Natuurvriendelijk isoleren’. Per particuliere woning worden daarnaast uitsparingen in de spouw gelaten. Dit is naar alle waarschijnlijkheid voldoende voor de zomer- (en paar) verblijfplaatsen waar ook tijdens milde winterdagen in kan worden verbleven. Ook worden op alle kopgevels bij de nok grotere ruimtes uitgespaard waar kraamgroepen in kunnen verblijven. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS buurt. Worden in Maarssenbroek particuliere woningen verduurzaamd dan zal de gemeentelijke taakstelling maatwerk zijn. Geschikte woningen in de vogelwijken in Maarssenbroek worden uitgesloten van deelname van het pre-SMP tot onderzoek heeft uitgesloten dat de woning onderdeel is van het netwerk kraamverblijfplaatsen. Het voorkómen van doden, het voorkómen van verstoring in de kraamperiode en het behoud van toegangen tot daken en spouwruimtes geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. 3.9
Gierzwaluw Gierzwaluwen komen algemeen voor in dorpen en steden. Het landelijk aantal broedparen is lastig te berekenen door de aanwezigheid van grote aantallen nietbroedende vogels en het kortstondige bezoek aan nestplekken. Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 40.000 tot 60.000 (SOVON, 2018), maar dit kan (veel) te laag zijn. In dorpen en kleinere steden ligt de verhouding tussen gierzwaluwen en inwoners namelijk op 1: 100. Dan zou de Nederlandse gierzwaluwpopulatie ongeveer 160.000 paren bedragen, bijna vier keer groter dan tot nu toe gedacht, maar cijfers voor de grote steden ontbreken. In enkele steden en dorpen zijn het aantal gierzwaluwen over een langere periode op gestandaardiseerde wijze geteld. Dit levert een stabiel beeld op en in een aantal gevallen zelfs een toename van het aantal gierzwaluwen. Wel zijn er afnames bekend van ingrijpend gerenoveerde buurten en gebouwen. Deze verdwijning van kolonies lijkt mogelijk (ten dele) gecompenseerd te worden door een meer verspreide (en minder opvallende) vestiging elders. Omvangrijke kolonies worden dus schaarser. De landelijke staat van instandhouding van de gierzwaluw als broedvogel wordt in Nederland gekarakteriseerd als gunstig. Voor niet-broedvogels is geen trend beschikbaar omdat de soort na het broedseizoen vrijwel direct uit Nederland verdwijnt.
De trend in verspreiding en populatie en de staat van instandhouding van de gierzwaluw in de provincie Utrecht zijn onbekend, maar er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze afwijken van de beoordeling van geheel Nederland. De staat van instandhouding voor de gierzwaluw in de provincie Utrecht wordt daarom beoordeeld als gunstig. Bij buitendakisolatie wordt op elke woning vier voor gierzwaluw geschikte vogelvoorzieningen aangeboden (al dan niet ingebouwd) of moet het dak nadien weer beschikbaar zijn. Daken die vanaf de binnenzijde worden geïsoleerd blijven toegankelijk. De zonzijde zal naar verwachting te sterk opwarmen maar de schaduwkant blijft wel geschikt. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
89
Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Om aantasting van broedsel te voorkomen mag buitendakisolatie niet plaatsvinden in het broedseizoen. Het voorkómen van aantasting van legsel en het behoud van verblijfplaatsen geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt. 3.10 Huismus De huismus is een algemene broedvogel die in 95% van de Nederlandse atlasblokken voorkomt. De verspreiding overlapt met die van menselijke bewoning. De broedpopulatie van huismus is in Nederland door SOVON geschat op 600.000 tot 1.000.000 broedparen (SOVON, 2018). Sinds 1975 is de populatie huismussen in Nederland ongeveer gehalveerd. Populaties zijn bovendien meer versnipperd geraakt en kleiner geworden. De achteruitgang is het grootst in steden en dorpen, vooral in Laag-Nederland (meest verstedelijkt), en minder in het agrarisch gebied. De huismus staat daarom als gevoelig op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Vanaf 2000 lijkt de populatie gestabiliseerd, maar vanuit de MUS-tellingen is de laatste jaren weer een geleidelijke afname ingezet (SOVON, 2019). Ondanks de enorme afname in aantallen is de landelijke verspreiding op het niveau van atlasblokken amper veranderd (-1%).
De landelijke staat van instandhouding van de huismus in Nederland is beoordeeld als matig ongunstig. De trend in verspreiding en populatie van de huismus in de provincie Utrecht is nog onbekend, maar er zijn geen directe redenen aan te nemen dat deze afwijken van de trends van geheel Nederland. De staat van instandhouding voor de huismus in de provincie Utrecht wordt daarom beoordeeld als matig ongunstig. Bij buitendakisolatie wordt op elke woning vier voor huismus geschikte vogelvoorzieningen aangeboden (al dan niet ingebouwd) of moet het dak nadien weer beschikbaar zijn. Daken die vanaf de binnenzijde worden geïsoleerd blijven toegankelijk. De zonzijde zal naar verwachting te sterk opwarmen maar de schaduwkant blijft wel geschikt. Bovendien wordt het aantal particuliere woningen wat onder het pre-SMP mag worden geïsoleerd begrensd op 30% per CBS-buurt. Om aantasting van broedsel te voorkomen mag buitendakisolatie niet plaatsvinden in het broedseizoen. Het voorkómen van aantasting van legsel en het behoud van verblijfplaatsen geven dat er de komende twee jaar geen negatief effect op de staat van instandhouding verwacht wordt.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
90
§4 Juridische aspecten van voorspellingsmodellen In de pre-SMP methodiek worden de reguliere achtdelige veldonderzoeken vervangen voor modelmatige berekeningen. Kan dat -juridisch gezien- zomaar? De verplichting tot het doen van veldonderzoek is op zichzelf als zodanig niet in de wet opgenomen. De huidige onderzoeksverplichting die gevraagd wordt als onderbouwing bij een ontheffingsaanvraag, vloeit voort uit de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.11 van de Wnb. Om de zorgplicht in acht te kunnen nemen is het nodig dat de aanwezigheid van beschermde soorten vooraf bekend is. Ecologisch veldonderzoek toont aan of sluit uit dat beschermde soorten door een project worden geraakt. Hiervoor zijn landelijke onderzoeksprotocollen afgesproken, waarin is vastgesteld hoe vaak, wanneer en met welke methoden dit onderzoek dient plaats te vinden. De invulling van de zorgplicht door middel van een “onderzoeksplicht” is inmiddels een algemeen gedeeld uitgangspunt. De ontwikkeling van de pre-SMP methodiek is gestart met onderzoek naar de vraag of er op basis van de Wnb daadwerkelijk gesproken kan worden van een -indirecte- ecologische of juridische verplichting tot ecologisch onderzoek om te voldoen aan de zorgplicht.
Of zijn er mogelijk ook andere manieren om te voldoen aan artikel 1.11 van de Wnb? Uitkomst van de genoemde onderzoeken is dat er juridisch mogelijkheden zijn om dit ecologisch onderzoek anders in te vullen. De onderzoeksverplichting conform de algemeen geaccepteerde richtlijnen is niet specifiek benoemd in de wet. Als op een andere manier invulling gegeven kan worden aan de (zorg)plicht om de beschermde soorten duurzaam te behouden, is het juridisch risico klein (zie bijlage IX juridische onderbouwing). Het staat of valt echter wel met een ecologisch sterke onderbouwing van de gehanteerde methode om aan de “zorgplicht” te voldoen. De gedragscode NOM Bij 2017 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de door vereniging De Brede Stroomversnelling opgestelde ‘Gedragscode natuurinclusief renoveren bestemd voor projecten met het NOM keur’ goedgekeurd. De Brede Stroomversnelling is een vereniging die zich inzet voor de energietransitie van woningen en wijken in Nederland, en richt zich op woningen van woningcorporaties. Deze gedragscode voorziet in een aangepaste werkwijze voor ecologisch onderzoek, waarmee de uitvoering van de verduurzamingsopgave sneller kan verlopen. Werken onder een gedragscode stelt woningcorporaties vrij van de reguliere onderzoeks- en ontheffingsplicht Wnb.
In plaats van het regulier vereiste onderzoek, wordt de zorgplicht in deze gedragscode ingevuld door een eenmalige omgevingscheck. Op basis hiervan wordt bepaald of woningen er wel of niet natuurvrij moeten worden gemaakt en zo ja, welke compensatie moet plaatsvinden.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
91
In een recente uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (dd. 21 april 2021, 201900294/1/R2) ten aanzien van deze Gedragscode Nul op de Meter (NOM) is dit goedkeuringsbesluit vernietigd. Door de eisers25 werd gesteld dat door het ontbreken van gegevens over exacte aantallen verblijven, functies en individuen per verblijf het effect op de staat van instandhouding niet bekend is. De Raad van State gaat daarin mee. De “onderzoeksinspanning” wordt daarin niet zozeer gekoppeld aan de zorgplicht genoemd in artikel 1.11 van de wet, maar er wordt benadrukt dat goedkeuringsbesluiten gebaseerd moeten zijn op een analyse van de gevolgen die het doden van individuen en beschadigen en vernielen van de voortplantings- en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen heeft voor het streven naar een gunstige staat van instandhouding van de populaties van deze soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. De alternatievenafweging moet hier ook op zijn afgestemd. De omgevingscheck wordt ook door de rechtbank onvoldoende geacht om het effect van de werkzaamheden op de staat van instandhouding in beeld te brengen. De gedragscode en het goedkeuringsbesluit toetsen de handelingen niet aan de staat van instandhouding, noch begrenzen ze de handelingen in ruimte en tijd.
Omdat woningen niet altijd natuurvrij zouden worden gemaakt buiten de kwetsbare kraam- en winterperiode, waarbij het doden van beschermde dieren niet wordt voorkomen, benadrukt de uitspraak de noodzaak inzicht te hebben in het effect van de ingreep. In het geval van de gedragscode is dit effect niet inzichtelijk. Voor een toets aan de staat van instandhouding dien je immers je additionele sterfte af te trekken van de totale populatie, om zo te bezien of de totale populatie in een gunstige staat van instandhouding blijft.
De effectenanalyse met het pre-SMP model De staat van instandhouding van populaties kan worden geschaad door enerzijds het doden van dieren, en anderzijds het vernielen van verblijfplaatsen zonder geschikte alternatieven. In de pre-SMP methodiek moeten alle woningen -in tegenstelling tot de gedragscode NOM- altijd, zonder uitzondering, buiten de kwetsbare kraam- en winterperiode natuurvrij worden gemaakt. Het verbod op het opzettelijk doden wordt daarom ook niet overtreden. Een effectenanalyse ten aanzien van het doden van beschermde dieren is daarmee niet aan de orde. De handelingen leiden er wél toe dat verblijfplaatsen worden aangetast. Welke onderzoeksinspanning minimaal nodig is om te onderzoeken wat het effect is van dat verlies ten opzichte van het totale aanbod aan verblijfplaatsen wordt in de uitspraak niet behandeld. Vast staat dat er een goede analyse moet zijn van het aantal aan te tasten functies in relatie tot het totaal en in relatie tot de staat van instandhouding van de soorten. In de pre-SMP methodiek wordt deze analyse modelmatig gedaan. 25
De eisers in de deze zaak waren Stichting De Witte Mus en SEVON (Stichting Ecologisch Vleermuisonderzoek Nederland)
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
92
De uitspraak van de Raad van State is in hoofdzaak gericht op de invulling en uitvoering van de gedragscode die tekortschiet, en lijkt het werken met modellen op zich niet uit te sluiten. Om dit te staven is extra juridisch advies ingewonnen over de vraag of de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het al dan niet onmogelijk heeft gemaakt om bij de verlening van een ontheffing gebruikt te maken van modelmatige berekeningen in plaats van veldbezoeken. Conclusie was dat op grond van deze uitspraak niet gesteld kan worden dat het in kaart brengen van de staat van instandhouding en het effect op soorten per definitie niet met een modelmatige berekening mag plaatsvinden Zie voor verdere juridische toelichting bijlage IX (“Interpretatie uitspraak ABRvS Gedragscode NOM”, ENVIR-advocaten, 2021). De Raad van State eist een gedegen toetsing van het project aan de staat van Instandhouding; dit ontbrak in de gedragscode. De Raad van State gebruikt het woord ‘inschatting’, wat ruimte laat voor een andere werkwijze dan wel onderzoeksinspanning dan slechts het traditionele veldwerk. De pre-SMP methodiek voorziet in een toetsing aan de staat van instandhouding, zij het niet op basis van veldonderzoek, maar op basis van een – onderbouwde - theoretische benadering.
Bovendien is in de pre-SMP methodiek het aantal deelnemende woningen begrensd op maximaal 30% gedurende de twee jaar per CBS buurt, met een maximale aantasting van 10% tijdens de eerste fase. Deze modelmatige effectenanalyse wordt slechts twee jaar toegestaan, onder voorwaarde dat in die twee jaar voor alle woonkernen in de gemeente de populaties en de essentiële verblijfplaatsen met hoogwaardig gebiedsdekkend veldonderzoek wordt aangevuld.
Omdat de pre-SMP methodiek juist op de gebreken in de gedragscode NOM kiest voor een andere invulling, wordt het juridisch risico klein geacht.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
93