Bijlage 1 - Natuurvriendelijk isoleren door particulieren onder het pre-SMP
Tekst van het document
11
Deze vaardigheid wordt aangeleerd tijdens de verplicht te volgen cursus “Natuurvriendelijk isoleren”. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
30
Vereisten
Was het dakbeschot niet passeerbaar voor vogels of vleermuizen, dan is er bij deze werkzaamheden geen particuliere compensatie nodig. Was het dakbeschot echter wel passeerbaar voor vogels of vleermuizen dan hangt de taakstelling af van de situatie in de spouw. Blijft er een beschikbare luchtspouw, met openingen via open stoofvoegen of via het dak van minimaal 20 x 50 mm dan is geen compensatie voor vleermuizen nodig. De spouwmuren bieden dan voldoende ruimte voor zomer- en paarverblijfplaatsen en mogelijk ook kraamverblijfplaatsen, ook van gewone grootoren. Wel moeten er twee vogelvoorzieningen worden aangeboden. Is de spouw niet (meer) beschikbaar, plaats dan twee vleermuiskasten en twee vogelvoorzieningen. Meer compensatie is niet nodig, omdat het dak verder beschikbaar blijft. Wordt gelijktijdig ook de spouw geïsoleerd dan zijn aanvullende voorzieningen voor vleermuizen niet nodig. Wél moeten twee vogelvoorzieningen per woning worden opgehangen, tenzij er reeds een verplichting voor vogelvoorzieningen van toepassing was. Extra vogelvoorzieningen zijn dan ook niet nodig.
Vereisten bij binnendakisolatie in het geval dat het dakbeschot passeervaar was voor vogels en vleermuizen: Er blijft een voor vleermuizen 2 vogelvoorzieningen per woning toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw
2 vleermuiskasten en 2 vogelvoorzieningen per woning
De spouw wordt ook geïsoleerd
2 vogelvoorzieningen per woning boven op de vereisten bij spouwmuurisolatie Geen extra kasten nodig als reeds vogelvoorzieningen verplicht zijn.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
31
4.3.3 Dakisolatie buitenzijde Definitie: Dakisolatie door het verwijderen van dakpannen, het bevestigen van isolatieplaten op het dak en het vervolgens plaatsen van regels en pannen. Het spuiten van isolatieschuim onder de pannen is niet toegestaan.
Effect
(1) Voorkómen van doden bij dakisolatie buitenzijde Bij buitendakisolatie worden de dakpannen (en mogelijk ook de regels) verwijderd. Vleermuizen die onder de dakpannen verblijven kunnen worden verwond of gedood als de werkzaamheden niet zeer voorzichtig worden uitgevoerd. Worden de daken geopend in het broedseizoen van vogels dan kan broedsel verloren gaan. Buitendakisolatie is dermate ingrijpend dat de daken en eventuele spouwmuren voorafgaand aan de werkzaamheden natuurvrij moeten worden gemaakt 12. Het natuurvrij maken van daken is een handeling die alleen door een ecologische deskundige mag worden uitgevoerd.
Vereisten
Aangezien deze handelingen afhankelijk zijn van de karakteristieken van de woning is de methode van het natuurvrij maken maatwerk. Hier worden geen andere spelregels opgenomen dan de natuurkalender. De werkwijze is naar inzicht van de ecologische deskundige. Is de woning tijdig natuurvrij gemaakt dan kan de buitendakisolatie jaarrond plaatsvinden.
Effect
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij dakisolatie buitenzijde Bij buitendakisolatie veranderen verblijfsruimten onder daken waardoor het dak mogelijk ongeschikt wordt voor vogels of vleermuizen.
12
Bij buitendakisolatie geldt op grond van de WABO een vergunningsplicht waarvoor de gemeente bevoegd is. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
32
Nesten van vogels en vleermuizen die mogelijk verdwijnen moeten door de particulier worden gecompenseerd. Hierin zijn twee opties: Optie 1: Het dak moet na de dakisolatie toegankelijk zijn voor vleermuizen en vogels door hen toegangen onder de pannen te bieden van minimaal 35 mm tussen pan en dakrand. Plaats onder deze daken geen vogelschroot onder de eerste drie rijen dakpan. De toegang tot het dak aan de zijkant moet lopen via de gevelpannen of de windveer en aan de onderkant via de daklijst of de muurplaat.. Gierzwaluwpannen zijn niet toegestaan. Tussen isolatiemateriaal en dakpannen moet minimaal 35 mm zitten. De dakisolatie moet aan de randen over een breedte van 50 cm ruw zijn afgewerkt om vogels en vleermuizen grip te geven. Bij deze werkzaamheden is het verplicht altijd een ecologisch deskundige in te schakelen.
Vereisten
Optie 2: Is het toegankelijk houden van het dak om technische redenen niet mogelijk plaats dan vier vogelvoorzieningen aan de schaduwzijde. Het inbouwen van vier voorzieningen in daklijsten is ook toegestaan. Is de spouw niet (meer) toegankelijk voor vleermuizen plaats dan aanvullend een vleermuiskast per gevel. Wordt ook de spouw geïsoleerd dan geldt dat per woning in totaal vier vogelvoorzieningen moeten worden opgehangen en moet op de gevels waar nog geen spouwverblijf verplicht was een klein spouwverblijf worden toegevoegd.
Vereisten bij het buitendaks isoleren in het geval dat het dak niet geschikt te houden is voor vogels en vleermuizen Tussenwoning of Hoekwoning Vrijstaande een lage woning woning Er blijft een voor vleermuizen 4 vogelvoorzieningen per woning toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw 4 vogelvoorzieningen per woning en 1 vleermuiskast per gevel De spouw wordt ook geïsoleerd
In totaal 4 vogelvoorzieninge n per woning en 1 klein spouwverblijf per gevel
In totaal 4 vogelvoorzienin gen plus 1 middelgroot spouwverblijf en 2 kleine per woning
In totaal 4 vogelvoorzienin gen plus 1 groot spouwverblijf en 3 kleine per woning
4.3.4 Borstwering isolatie NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
33
Definitie: Isoleren van de holle ruimte tussen (betonnen of houten) plaatmateriaal en binnenmuur.
Effect
(1) Voorkómen van doden bij borstwering isolatie Vogels worden niet verwacht in borstweringen, maar nesten zijn in algemene zin nooit volledig uit te sluiten. Vleermuizen verblijven wel geregeld achter borstweringen. Met het isoleren van borstweringen, zonder voorzichtige werkwijze, worden vleermuizen en mogelijk vogels gedood. Isolatie van borstweringen is alleen toegestaan als deze vrij zijn van vleermuizen en vogels.
Vereisten
Is de borstwering met een endoscoop volledig te inspecteren, dan kan de aanwezigheid van vleermuizen en vogels ter plekke worden uitgesloten. Direct voordat wordt gestart met het isoleren controleert een begeleidend ecoloog de borstwering met een endoscoop op de aanwezigheid van vleermuizen zitten. Hiervoor hoeft geen speciale training gevolgd te worden, maar wel moet er een ‘natuurvrij-verklaring’ worden ondertekend. Worden er geen vleermuizen of vogels waargenomen? Dan kan de borstwering direct (dezelfde dag) worden geïsoleerd of afgesloten. Indien er wel vleermuizen of vogelnesten worden aangetroffen moet gewacht worden met isoleren totdat de vleermuizen of vogels uit eigen beweging vertrokken zijn. Als alternatief voor een onderzoek met een endoscoop kunnen borstweringen voorafgaand aan de winterperiode en de kraamperiode natuurvrij worden gemaakt conform de spelregels van het natuurvrij maken van spouwmuren. Als de borstweringen niet volledig te inspecteren zijn door een ecoloog met een endoscoop moeten de borstweringen altijd eerst natuurvrij worden gemaakt. Voor het natuurvrij maken is wél verplicht dat de training is gevolgd.
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij borstwering isolatie
Vereisten
Effec t
Met het isoleren van borstweringen verdwijnen verblijfplaatsen van vleermuizen (en incidenteel vogels). Blijft de spouw beschikbaar voor vleermuizen dan is geen compensatie nodig. Er blijven dan ruimtes om in de zomer en de paartijd te verblijven. Is er geen toegankelijke spouw dan moet het verlies aan en zomer- en paarverblijfplaatsen door de particulier worden gecompenseerd. Het is daarom verplicht per borstwering één vleermuisvoorziening te plaatsen. Wordt tevens ook de spouw geïsoleerd, plaats dan enkel spouwverblijven. De extra vleermuisvoorzieningen zijn dan niet nodig. Elke woning behoudt immers verblijfsruimten in de zomer en paarperiode.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
34
Vereisten bij de isolatie van borstweringen Er blijft een voor vleermuizen Geen extra voorzieningen nodig toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw
1 vleermuiskast per borstwering
De spouw wordt ook geïsoleerd
Geen extra voorzieningen nodig op de compensatie voor het isoleren van de spouwmuur
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
35
4.3.5 Plaatsen voorzetwand binnenzijde gevel Definitie: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de gevel via de binnenzijde van de woning
Effect
(1) Voorkómen van doden bij het plaatsen van voorzetwanden aan de binnenzijde van de woning Bij het plaatsen van voorzetwanden tegen de gevel via de binnenzijde van de woning wordt het doden van vleermuizen of vogels uitgesloten.
Vereiste n
Bij het isoleren van de buitenmuren door het plaatsen van voorzetwanden aan de binnenzijde van de woning gelden geen vereisten om het doden van beschermde soorten te voorkomen.
Vereisten
Effect
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij het plaatsen van voorzetwanden aan de binnenzijde van de woning Bij het plaatsen van voorzetwanden tegen de gevel via de binnenzijde van de woning verandert het klimaat in een spouw van de buitenmuur. Een effect op vogels wordt uitgesloten aangezien vogels niet veelvuldig in spouwen nestelen en vogels minder afhankelijk zijn voor specifieke klimatologische omstandigheden in de spouw. Ook zomer- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen of verblijfplaatsen tijdens milde winterdagen blijven met binnenmuurisolatie functioneel. Een effect op kraamgroepen van vleermuizen wordt reëel geacht. Doordat de omstandigheden in de spouw veranderen kan een de ruimte minder geschikt worden om in de kraamtijd te verblijven. Er geldt voor deze werkzaamheden geen particuliere compensatieplicht voor kraamgroepen van vleermuissoorten. De gemeentelijke compensatie ten aanzien van de kraamgroepen van vleermuizen dekt voldoende het eventuele verlies.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
36
4.3.6 Plaatsen voorzetwand buitenzijde gevel Definitie: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de gevel via de buitenzijde van de woning
Vereisten
Effect
(1) Voorkómen van doden bij het plaatsen van voorzetwanden aan de buitenzijde van de woning Bij het plaatsen van voorzetwanden tegen de gevel via de buitenzijde van de woning kunnen verblijfsruimten worden afgesloten. Vleermuizen of vogels kunnen zo worden ingesloten en sterven. Ook kunnen eieren of jongen worden ingesloten. Verdwijnen er kieren, gaten, open stoofvoegen of open randen (bijvoorbeeld bij muurbetimmering of bij het dak) van 7 mm of groter dan zijn beschermde soorten niet uitgesloten. Om het doden van beschermde soorten te voorkomen moeten alle muren natuurvrij worden gemaakt conform de werkwijze genoemd in paragraaf 4.3.1 Spouwmuurisolatie.
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij het plaatsen van voorzetwanden aan de buitenzijde van de woning Bij het plaatsen van voorzetwanden tegen de gevel via de buitenzijde van de woning worden verblijfplaatsen van vogels of vleermuizen onbereikbaar. Vogels nestelen op de buitenmuur, maar ook soms in diepere spouwen (8 cm of meer). Er moeten dan wel open stootvoegen zijn van ten minste 2 cm breed of moet de spouw bereikbaar zijn via de dakrand.
Effect
Vleermuizen verblijven veelvuldig in de spouw en deze ruimte verdwijnt bij het plaatsen van voorzetwanden. In spouwen komen veel verschillende verblijfplaatsen voor, waaronder kraamverblijfplaatsen. Particulieren hebben een compensatietaakstelling ten aanzien van zomer- en paarverblijfplaatsen en deels ten aanzien van kraamverblijfplaatsen. Is er geen spouw aanwezig maar zijn er wel kieren bij kozijnen, muurbetimmering of de dakrand, dan kunnen vleermuizen daar ook verblijven.
Vereisten
Verdwijnen door het plaatsen van de voorzetmuur kieren in de muur, bij kozijnen of bij de dakrand van meer dan 2 cm breed, plaats dan per gevel een vogelvoorziening. Verdwijnen er kieren, gaten, open stoofvoegen of open randen (bijvoorbeeld bij muurbetimmering of bij het dak) van 7 mm of groter dan zijn verblijfplaatsen van beschermde soorten niet uitgesloten. Plaats dan een vleermuiskast per gevel.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
37
4.3.7 Plaatsen zonnepanelen Definitie: het plaatsen van zonnepanelen op al dan niet hellende daken
Effect
(1) Voorkómen van doden bij het plaatsen van zonnepanelen De kans op vogelnesten (van bijvoorbeeld visdieven of scholeksters) op platte daken in particulier eigendom (niet zijnde een gestapelde woning) wordt nihil geacht. Ook worden negatieve effecten op vleermuisverblijfplaatsen op platte daken uitgesloten. De kans op vogelnesten op hellende daken in particulier eigendom is wel groot. Door het plaatsen van zonnepanelen op hellende daken in particulier eigendom kunnen vogelnesten worden verstoord of vernield. Vleermuizen onder dakpannen kunnen tijdens de werkzaamheden worden verstoord of gedood tijdens het plaatsen van de panelen.
Vereisten
Het plaatsen van zonnepanelen op platte daken is jaarrond toegestaan. Wordt in het broedseizoen een nest op het dak waargenomen dan mag dit nest niet verstoord worden. Het nest mag niet zo dicht benaderd worden dat vogels opvliegen, verhinderd worden naar het nest terug te keren, of agressief gedrag vertonen. Het plaatsen van zonnepanelen op hellende daken dient plaats te vinden buiten het broedseizoen (1 april tot 1 augustus). Als op de daken moet worden gelopen dienen de pannen voorzichtig te worden verwijderd om het dooddrukken van vleermuizen te voorkomen.
Effect
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij borstwering isolatie Met het plaatsen van zonnepanelen kan de temperatuur onder de dakpannen veranderen (schaduwwerking). Er wordt geen (negatief) effect op vogels verwacht. Wel is een negatief effect op groepen van de meervleermuis of de laatvlieger mogelijk.
Vereisten
Laat bij het plaatsen van zonnepanelen aan de randen van het dak (zijkanten en rand van de dakgoot) een rand over waarop geen zonnepanelen worden gelegd. Deze randen zijn drie dakpannen breed of hoog. Is onder het dak een kraamkolonie van de meervleermuis of de laatvlieger bekend, dan is het plaatsen van zonnepanelen niet toegestaan.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
38
4.4
Schematisch overzicht compensatietaakstelling particulieren In tabel 6 wordt de compensatietaakstelling voor particulieren in één overzicht weergegeven, uitgesplitst per type woning. Tabel 6: schematisch overzicht van de compensatievereisten uitgesplitst per handeling en per woningtype Type Tussenwoning of Hoekwoning Vrijstaande woning isolatie een lage woning
Spouwmuurisolatie Spouw < 8 cm
Spouw > 8 cm met openingen van minimaal 2 cm breed of toegangen via de dakrand
1 klein spouwverblijf per gevel (30x30 cm) Alternatief: 1 vleermuiskast per gevel
1 groot spouwverblijf (100x100) per woning Alternatief: 1 middelgroot spouwverblijf (60x60) en 2 kleine spouwverblijven (30x30) Of: 1 klein spouwverblijf per gevel dan wel 1 vleermuiskast per gevel
1 groot (100x100 cm) spouwverblijf per woning Alternatief: 1 middelgroot spouwverblijf en 3 kleine Of: 1 klein spouwverblijf dan wel 1 vleermuiskast per gevel
2 vogelvoorzieningen extra op de compensatie voor het isoleren van een spouw < 8cm diep
Isolatie van het dak aan de binnenzijde in het geval dat het dakbeschot niet passeervaar was voor vogels en vleermuizen Geen compensatieverplichting
Isolatie van het dak aan de binnenzijde in het geval dat het dakbeschot passeervaar was voor vogels en vleermuizen Er blijft een voor vleermuizen toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw De spouw wordt ook geïsoleerd
2 vogelvoorzieningen per woning
2 vleermuiskasten en 2 vogelvoorzieningen per woning 2 extra vogelvoorzieningen op de compensatie voor het isoleren van de spouwmuur, tenzij reeds vogelvoorzieningen waren vereist
Isolatie van het dak aan de buitenzijde in het geval dat het dak wel geschikt te houden is voor vogels en vleermuizen NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
39
Toegangen van minimaal 35 mm tussen pan en dakrand. Geen vogelschroot onder de eerste drie rijen dakpannen. Tussen isolatiemateriaal en dakpannen dient 35 mm te zitten. De dakisolatie moet aan de randen over een breedte van 50 cm ruw zijn afgewerkt. Betrek bij deze werkzaamheden een ecologische deskundige. Vervolg Tabel 6: schematisch overzicht van de compensatievereisten uitgesplitst per handeling en per woningtype Type isolatie
Tussenwoning of een lage woning
Hoekwoning
Vrijstaande woning
Isolatie van het dak aan de buitenzijde in het geval dat het dak niet geschikt te houden is voor vogels en vleermuizen Er blijft een voor vleermuizen toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw
4 vogelvoorzieningen per woning
De spouw wordt ook geïsoleerd
In totaal 4 vogelvoorziening en per woning en 1 klein spouwverblijf per gevel
4 vogelvoorzieningen per woning en 1 vleermuiskast per gevel In totaal 4 vogelvoorzieningen plus 1 middelgroot spouwverblijf en 2 kleine per woning
In totaal 4 vogelvoorzieninge n plus 1 groot spouwverblijf en 3 kleine per woning
Isolatie van borstweringen Er blijft een voor vleermuizen toegankelijke spouw Er is geen toegankelijke spouw
Geen extra voorzieningen nodig
De spouw wordt ook geïsoleerd
Geen extra voorzieningen op de compensatie voor het isoleren van de muur
1 vleermuiskast per borstwering
Binnenmuurisolatie Geen compensatieverplichting
Buitenmuurisolatie Geen kieren > 7 mm
Geen compensatieverplichting
Kieren groter dan 7 mm
1 vleermuiskast per gevel
Kieren groter dan 20 mm
1 vogelvoorziening per gevel en 1 vleermuiskast per gevel
Zonnepanelen Geen compensatieverplichting
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
40
HOOFDSTUK 5 MELDINGSSYSTEEM Om de werkzaamheden aan te melden bij de gemeente, zodat de werkzaamheden onder de gebiedsgerichte ontheffing komen te vallen, is een GIS-applicatie ontwikkeld.
Afbeelding 4: GIS-applicatie voor het aanmelden van isolatiewerkzaamheden
Bij het openen van de applicatie zijn alle woningen die deel mogen nemen rood gekleurd (dit zijn de grondgebonden woningen in particulier eigendom met een energielabel C tot en met G met een bouwjaar vóór 1992). Door het klikken op een woning, en het invullen van relevante gegevens, wordt de woning ‘groen’ en daarmee onderdeel van de legalisatie van de ontheffing van de gemeente. Voor bedrijven die de training “Natuurvriendelijk isoleren” met succes hebben afgerond is een inlogcode beschikbaar om toegang te krijgen tot de applicatie. Ook ecologen kunnen de inlogcode ontvangen, voor werkzaamheden aan het dak vanaf de buitenzijde. Deze worden immers niet uitgevoerd door isolatiebedrijven, maar door dakwerkers.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
41
Bij deze melding moet binnen 24 uur na het natuurvrij maken de volgende fotobewijzen zitten: - 1. foto op de werklocatie waarin zichtbaar is wie het natuurvrij maken heeft uitgevoerd*. - 2. fotobewijs van het natuurvrij maken van de muren en; - 3. fotobewijs van het plaatsen van de compensatie - 4. bewijs als om technische redenen een uitsparing in de muur niet mogelijk is, en daarmee een vleermuiskast geplaatst is. Zowel de gemeente als de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (hierna: RUD) en provincie hebben inzicht in de GIS-applicatie. De RUD ziet toe op de naleving van de ontheffing door toe te zien op het natuurvrij maken. De gemeente monitort met de GIS-applicatie de deelname per CBS-buurt. Deze mag namelijk niet hoger worden dan 10% in fase 1 en niet hoger dan 30% per 24 maanden.
De volgende werkzaamheden zijn meldingsplichtig in de GIS-applicatie: Tabel 7: overzicht meldingsplicht Het invullen van de applicatie gebeurt voorafgaand aan het: Natuurvrij IsolatieTraining Melden 48 uur voorafgaand aan maken van bedrijf, of ‘Natuurvriendelijk natuurvrij maken, Inclusief (binnen 24 spouwmuur ecoloog isoleren’ verplicht uur na natuurvrij maken): voor Conform voorwaarden factsheets isolatiebedrijven Natuurvrij IsolatieTraining Melden 48 uur voorafgaand aan maken omdat bedrijf, of ‘Natuurvriendelijk natuurvrij maken, inclusief (binnen 24 de ecoloog isoleren’ verplicht uur na natuurvrij maken): borstwering voor Conform voorwaarden factsheets niet te isolatiebedrijven inspecteren is met endoscoop Natuurvrij maken bij buitendakisol atie Natuurvrij maken van ruimten in de muur bij buitenmuurisolatie
Ecoloog
Nee, een ecoloog begeleid de werkzaamheden
Meldingsplicht 48 uur voorafgaand aan het natuurvrij maken Conform voorwaarden factsheets
Isolatiebedrijf of ecoloog
Training ‘Natuurvriendelijk isoleren’ verplicht voor isolatiebedrijven
Melden 48 uur voorafgaand aan natuurvrij maken, inclusief (binnen 24 uur na natuurvrij maken): Conform voorwaarden factsheets
Is natuurvrij maken niet nodig, dan gebeurt het invullen van de applicatie voorafgaand aan het: Isoleren van IsolatieNee Melden voorafgaand aan het isoleren muur via de bedrijf binnenzijde NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
42
Isoleren van dak via binnenzijde
Isolatiebedrijf
Nee
Melden voorafgaand aan het isoleren, inclusief (binnen 24 uur): 1. fotobewijs van plaatsen compensatie
Isoleren van borstwering in geval deze volledig te inspecteren is met een endoscoop
Isolatiebedrijf
Nee.
Melden voorafgaand aan het isoleren, inclusief (binnen 24 uur): Conform voorwaarden factsheets
Het plaatsen van zonnepanelen
Installateur
Nee
Melden 7 dagen voorafgaand aan het plaatsen van zonnepanelen bij hellende daken. Bij platte daken geen meldingsplicht.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
43
HOOFDSTUK 6 GEMEENTELIJK PRE-SOORTENMANAGEMENTPLAN Voorwaarde 2 voor de gebiedsgerichte ontheffing is: “De gemeente beschrijft in een pre-Soortenmanagementplan (pre-SMP) hoe het verlies aan robuuste kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. De gemeentelijke compensatietaakstelling wordt door de provincie modelmatig berekend. Na twee jaar moet er een volwaardig SMP zijn.” De particulieren en de isolatiebedrijven moeten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorkómen dat vleermuizen of (broedsel van) vogels worden gedood en zijn verantwoordelijk voor het compenseren van de minder complexe verblijfplaatsen. In hoofdstuk 4 is toegelicht dat de meeste type verblijfplaatsen door een particulier kunnen worden gecompenseerd in de spouwverblijven, met eventuele externe vleermuiskasten en externe vogelvoorzieningen. Omdat elke gevel een ruimte openhoudt of een kast krijgt, is het aannemelijk om te veronderstellen dat er voldoende aanbod aan verblijfplaatsen te vinden blijft, ten minste voor de komende twee jaar waarin het pre-SMP geldt (zie voor een aanvullende onderbouwing bijlage I). Ook voor kraamgroepen van de kleinere vleermuissoorten worden de grotere spouwverblijven (100x100 cm) geschikt geacht en achten we deze ook voor de laatvlieger, tweekleurige en meervleermuis potentieel geschikt.
Toch is het noodzakelijk dat er door de gemeente aanvullend voorzieningen aangeboden worden voor de grotere kraamgroepen. Een spouwverblijf heeft maar beperkt ruimte voor grote groepen en biedt in microklimaat minder variatie dan een volledig toegankelijke spouw. Daarnaast zal een groot spouwverblijf naar verwachting minder geschikt zijn voor de laatvlieger en de meervleermuis, omdat deze soorten kritischer zijn ten aanzien van de verblijfplaatsen. Boven op de particuliere compensatie voor kraamverblijven door particulieren (in de vorm van grote spouwverblijven) geldt daarom een gemeentelijke compensatietaakstelling. De opgave voor gemeenten ten aanzien van de complexere verblijven is als volgt:
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
44
Tabel 8: soortfunctiecombinatie gemeentelijke compensatie Soort Functie Toelichting Meervleermuis Kraamverblijf Kraamverblijfplaatsen zijn in de provincie goed in beeld en zijn relevant bij pre-SMP’s in de gemeente Woerden, De Ronde Venen en De Bilt. De taakstelling wordt samen met de gemeente onderzocht.
6.1
Gewone dwergvleermuis
Kraamverblijf
Middelgrote kraamgroepen kunnen in de middelen grote spouwverblijven maar grote kraamgroepen zijn een gemeentelijke taak.
Laatvlieger
Kraamverblijf
Compensatie is een gemeentelijke taak. De grote spouwverblijven ondersteunen deze compensatie.
Tweekleurige vleermuis
Kraamverblijf
Zover bekend alleen aanwezig in Maarssenbroek. De taakstelling wordt samen met de gemeente onderzocht.
Gemeentelijke compensatietaakstelling Om te berekenen welke gemeentelijke compensatie noodzakelijk is voor het behoud van de vleermuis- en vogelpopulaties is een effectenanalyse noodzakelijk. Er moet worden bepaald hoeveel kraamverblijfplaatsen naar verwachting geschaad kunnen worden door de particuliere isolatie. In hoofdstuk 7 is uitgewerkt hoe de compensatietaakstelling voor een gemeente tot stand komt. Uit deze berekening volgt hoeveel kraamvoorzieningen de gemeente moet plaatsen voor de vier genoemde soorten. De gemeentelijke compensatie is opgedeeld in twee fasen. Gedurende de twee jaar dat een gebiedsgerichte ontheffing op grond van een pre-SMP geldt moet namelijk gestart worden met het gebiedsgericht onderzoek voor het volwaardige SMP. Paar- en zomerverblijfplaatsen worden ook met het veldonderzoek voor een volwaardig SMP niet volledig in kaart gebracht en hetzelfde geldt voor nesten van de huismus en de gierzwaluw. Zelfs met een gebiedsgericht veldonderzoek is het niet mogelijk alle individuele verblijfplaatsen in kaart te brengen, het richt zich dan ook voornamelijk op populaties. Kraamgroepen moeten wel altijd volledig in beeld zijn gebracht met het veldonderzoek voor een SMP en deze gegevens komen gedurende de pre-SMP periode beschikbaar. De kennis wordt zodra deze beschikbaar is toegevoegd aan de gemeentelijke compensatietaakstelling binnen de pre-SMP methodiek.
Om deze reden wordt specifiek voor kraamverblijfplaatsen (en de gemeentelijke taakstelling) een onderscheid gemaakt tussen de eerste periode van het pre-SMP (zonder data uit veldonderzoek) en de tweede periode (met data uit veldonderzoek). NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
45
Fase 1 van de pre-SMP periode duurt tot het onderzoek naar kraamgroepen is afgerond (uiterlijk half juli). Omdat de duur van fase 1 afhankelijk is van de startdatum van de preSMP ontheffing kan deze eerste fase tussen de 3 en 15 maanden duren. Dit is de periode waarin de aantasting ‘blind’ plaatsvindt. Tot het moment dat de kraamgroepen in beeld zijn kan elke woning in potentie een kraamverblijf zijn. Daarom mag maximaal 10% gedurende fase 1 worden aangetast. In hoofdstuk 7 is uitgewerkt hoe berekend wordt hoeveel kraamverblijfplaatsen waarschijnlijk in fase 1 zullen worden aangetast. Dit aantal zal de gemeente moeten compenseren. Deze kraamvoorzieningen dienen uiteraard in een gunstige verspreiding en ligging te worden aangeboden. Uiterlijk twee maanden na de start van de pre- SMP ontheffing dient een compensatieplan te zijn aangeleverd.
Afbeelding 5: Particuliere grondgebonden woningen (oranje) in Driebergen. De locatie van de te compenseren kraamvoorzieningen voor de gewone dwergvleermuis in de woonkern is globaal weergegeven (blauwe cirkels).
Fase 2 van de pre-SMP periode start zodra de kraamgroepen in beeld zijn. Zijn in fase 1 binnen een straal van 100 meter van de aangetroffen kraamgroep veel woningen geïsoleerd, dan is aanvullende compensatie wellicht noodzakelijk. Hierover dient uiterlijk 15 september van het lopende jaar een overeenkomst tussen de provincie en de gemeente te zijn. Aan het einde van fase 2 mag maximaal 30 % van de particulier woningen per CBS-buurt zijn verduurzaamd.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
46
Uitzonderingen De kraamgroepen van de meervleermuis zijn door eerder onderzoek in de hele provincie al grotendeels in beeld. Voor deze soort speelt waarschijnlijk dus alleen een “tweedefase”. De bekende kraamverblijfplaatsen van de meervleermuis moeten altijd worden ontzien. Deze woningen mogen niet worden verduurzaamd onder de pre-SMP methodiek. Vergelijkbare woningen direct naast een bekende kraamverblijfplaats voor meervleermuizen, moeten voorafgaand aan isolatie altijd onderzocht worden door een ecoloog. Ondanks het ontzien van de bekende kraamverblijfplaatsen, moet de gemeente aanvullende compensatie aanbieden. Dit omdat groepen meervleermuizen veel verhuizen tussen verschillende (niet altijd volledig bekende) kraamverblijfplaatsen. Welke taakstelling er volgt voor deze gemeenten wordt, afhankelijk van de situatie in de gemeente, door de provincie bepaald. De locatie van de enige bekende kraamgroep van de tweekleurige vleermuis in Maarssenbroek is sinds enkele jaren onbekend. Wordt deze groep weer gevonden, dan mogen de woningen waarin de groep verblijft niet worden geïsoleerd onder het pre-SMP. Ook als een kraamverblijfplaats van een andere vleermuissoort wordt aangetroffen (zoals van een rosse vleermuis) dan wordt die locatie niet verduurzaad onder het pre-SMP.
De in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bekende kraamgroepen worden in de GIS-viewer zichtbaar gemaakt om te voorkomen dat deze woningen worden geïsoleerd. De compensatietaakstelling is het beste te realiseren als de gemeente reeds in uitvoering zijnde projecten ‘natuurinclusief’ opleveren. Bouw bij renovatie van bijvoorbeeld de bibliotheek direct ruimtes in voor vleermuizen en vogels. Als nieuwbouw plaatsvindt, ontwerp deze dan natuurinclusief. Integreert de gemeente ‘natuurinclusief’ bouwen in haar beleid dan wordt een belangrijk deel van de compensatietaakstelling daarmee al behaald. De provincie zal ten aanzien van deze voorzieningen kwaliteitseisen stellen. 6.2
Monitoring Robuuste kraamvoorzieningen, die door de gemeente worden gerealiseerd, zijn voor de gewone dwergvleermuis te vervangen voor (potentieel) bewezen effectieve voorzieningen. Bewezen effectieve kraamvoorzieningen voor de laatvlieger, de meervleermuis en de tweekleurige vleermuizen zijn echter nog onvoldoende beschikbaar. De effectiviteit van alternatieve voorzieningen is echter wel van groot belang (zoals ook benadrukt in de uitspraak van de Raad van State van 21 april 2021 (Uitspraak 201900294/1/R2)). Indien de effectiviteit van de voorzieningen niet bewezen is, mag er – ten aanzien van de toets aan de staat van instandhouding – niet vanuit worden gegaan dat de voorzieningen het verlies van een verblijfplaats compenseren. In de methodiek van het pre-SMP worden wél diverse experimentele voorzieningen geplaatst, maar wordt in de toets aan de staat van instandhouding zekerheidshalve ervan uitgegaan dat deze niet of niet voldoende in gebruik worden genomen (zie bijlage I). Door wél een variatie van alternatieve voorzieningen aan te bieden kan kennis worden vergaard over de effectiviteit. Gemeenten zijn daarom verplicht om de voorzieningen tijdens de looptijd van het preSMP in het kraamseizoen te monitoren op ingebruikname. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
47
De voorzieningen moeten in de kraamperiode door een ecoloog onderzocht worden op (sporen van) gebruik door een kraamgroep, welke en in welke aantallen. Voor de compensatie die voor de eerste fase van het pre-SMP geldt, kan deze monitoring van de pre-SMP voorzieningen deels gelijktijdig plaatsvinden met en/of onderdeel uitmaken van het SMP-onderzoek. Na de pre-SMP periode gaat de monitoring van deze voorzieningen mee in de reguliere monitoringsverplichting van het SMP. De resultaten van de monitoring zullen openbaar worden gedeeld. Blijken voorzieningen niet in gebruik te zijn genomen, dan dient in het SMP te worden geanalyseerd in hoeverre het aanbod van verblijfplaatsen bijsturing nodig heeft. Naast deze monitoring van de voorzieningen zal ook populatiemonitoring in de gemeenten starten. Dit start met een 0-meting met het SMP-onderzoek tijdens de preSMP periode en krijgt een vervolg gedurende de SMP-periode. 6.3
Ontwikkeling Soortenmanagementplan Het pre-SMP is een opstap naar de ontwikkeling van een volledig SMP binnen een tijdspanne van twee jaar. Daar waar het pre-SMP slechts een kort plan betreft ten aanzien de gemeentelijke verantwoordelijkheden in de pre-SMP periode, is het SMP een zeer gedegen plan waarin beschreven dient te worden hoe de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente in goede samenhang zullen plaatsvinden met het behoud van beschermde populaties. Daarvoor gelden de volgende uitgangspunten: 1. Een SMP heeft tot doel bepaalde soorten in een gunstige staat van instandhouding te krijgen of te behouden, ondanks de ruimtelijke ingrepen die dienen plaats te vinden. 2. Een SMP leunt op een gedegen 0-meting van de natuurwaarden binnen het gehele grondgebied van een woonkern (gebieden uitzonderen van onderzoek is ecologisch niet verantwoord). Deze nulmeting is gebaseerd op intensief veldonderzoek. Dit SMP-onderzoek dient voor alle betrokken beschermde dier- en plantensoorten een volledig en betrouwbaar beeld te geven van: (a) de populatieomvang; (b) daarbij behorend essentieel foerageer- of migreernetwerk; (c) essentiële grote verblijfplaatsen van deze populaties. De locaties van de essentiële locaties mogen niet modelmatig worden onderzocht. Ten aanzien van vleermuissoorten zijn de essentiële verblijfsplaatsen de massawinterverblijfplaatsen en kraamverblijfplaatsen. 3.
Een SMP monitort gedurende de looptijd van het SMP de populatie en de essentiële functies en stuurt indien nodig bij om aan het eerste uitgangspunt te voldoen. Ontheffing op grond van een pre-SMP wordt alleen verleend als door de gemeente verzekerd kan worden dat een dergelijk kwalitatief SMP binnen 2 jaar kan worden ontwikkeld.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
48
HOOFDSTUK 7 ECOLOGISCH ONDERZOEK EN EFFECTENANALYSE Binnen de pre-SMP methodiek worden gebiedsgerichte ontheffingen van de Wet natuurbescherming verleend aan gemeenten. Maar ontheffing van de wet kan alleen verleend worden als ‘het effect van de ingreep toelaatbaar wordt geacht met oog op de staat van instandhouding van de soorten’. Veel beschermde soorten verkeren helaas in een zorgelijke staat van instandhouding. Werkzaamheden die als effect hebben dat bijvoorbeeld veel exemplaren van een soort worden gedood, zijn dan niet toelaatbaar. Een belangrijk onderdeel in het proces om tot ontheffing verlening te komen is daarom de effectenanalyse. Ook voor ontheffingen op grond van de pre-SMP methodiek is een effectenanalyse van groot belang; alleen zo kan worden bepaald of de verwachte aantasting toelaatbaar is. In dit hoofdstuk wordt toegelicht waarom wij zijn overgegaan tot het ontwikkelen van een nieuwe methodiek en hoe wij deze toetsen aan de staat van instandhouding van de beschermde soorten. In bijlage I wordt in detail uitgewerkt hoe deze ‘effectenanalyse’ in de pre-SMP methodiek wordt uitgevoerd. Reguliere werkwijze In de reguliere werkwijze is het startpunt voor de effectenanalyse het in kaart brengen van de aan te tasten verblijfplaatsen. De gebruikelijke methode hiervoor is een achtdelig veldonderzoek naar alle verblijfplaatsen in een gebied of pand.
In hoofdstuk 2 is aangegeven dat deze onderzoekslast vragen over de redelijkheid en proportionaliteit kan oproepen wanneer het gaat om individuele particuliere woningen. De ontwikkeling van de pre-SMP methodiek is gestart met de vraag of er daadwerkelijk gesproken kan worden van een -indirecte- ecologische of juridische verplichting tot ecologisch veldonderzoek om te voldoen aan de wettelijke vereisten. Na analyse van de wet is geconcludeerd dat een andere manier van onderzoek juridisch mogelijk zou moeten zijn, als aannemelijk kan worden gemaakt dat een goede effectenanalyse plaats kan vinden (zie paragraaf 4 ‘Juridische aspecten van voorspellingsmodellen’ in bijlage II, ‘Juridische onderbouwing gebiedsgerichte ontheffingen’). Verschillende alternatieve vormen van onderzoek zijn vervolgens met elkaar vergeleken. Een modelmatige voorspellingsmodel en analyse van de effecten van de verduurzaming werd bestempeld als de meest kansrijke alternatieve onderzoeksmethode. Zie voor nadere informatie hierover het rapport “Na-isolatie particuliere woningen in het kader van de Wet natuurbescherming” in bijlage IV (Overmorgen/Arcadis, 202013). Hierna zijn verschillende voorspellingsmodellen onderzocht en is gekozen voor één voorspellingsmodel, die hierna zal worden toegelicht. De afwegingen die hierin gemaakt zijn, zijn opgenomen in de Alternatievenafweging in bijlage II.
13 Onder projectleiding Overmorgen/Arcadis, met bijdragen van ENVIR Advocaten en Koolstra Advies. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
49
Modelmatige berekening populaties en effecten pre-SMP In de pre-SMP methodiek is gekozen voor een beredeneerde populatie-inschatting, op basis van bekende dichtheden van vleermuizen en vogels. Deze berekende aantallen vogels en vleermuizen zijn vervolgens te vertalen naar aantallen en typen verblijfplaatsen die horen bij de berekende populaties. Deze populatieberekeningen en berekeningen van aantallen verblijfplaatsen zijn uitgewerkt in de rapporten “Populatie inschatting en achtergronddocument gebouwbewonende vleermuissoorten” en “Populatie inschatting huismus en gierzwaluw” (Viridis, 2021, bijlage VII en VIII). Op basis van GIS-informatie over het vastgoed in de gemeente en een formule voor kansberekening kan worden berekend hoeveel verblijfplaatsen de komende twee jaar (waarschijnlijk en maximaal) worden aangetast. Deze ‘verwachte ecologische aantasting’ kan vervolgens gewogen worden ten opzichte van de particuliere en gemeentelijke compensatie in het licht van de staat van instandhouding van de verschillende soorten. In de pre-SMP methodiek wordt dat op de volgende manier gedaan:
Stap 1: Bepaal de totale aantallen vleermuizen en vogels per woonkern conform het preSMP model. Stap 2: Bereken op basis van deze populatiegrootte het aantal verblijfplaatsen dat hierbij hoort. Stap 3: Bepaal met GIS-applicatie hoeveel woningen deze soorten in theorie tot hun beschikking hebben. Stap 4: Bereken het waarschijnlijke en het maximale verlies van verblijfplaatsen bij isolatie van 30% van de particuliere woningen. Stap 5: Bereken het aantal alternatieve particuliere voorzieningen die per woning terugkomen. Stap 6: Bereken het aantal alternatieve complexe voorzieningen die de gemeente moet compenseren. Stap 7: Analyseer het maximale effect van de ingrepen en compensatie in relatie tot de staat van instandhouding.
In bijlage I wordt uitgewerkt hoe deze ‘effectenanalyse’ in de pre-SMP methodiek wordt uitgevoerd. Deze zeven stappen worden allemaal kort besproken. Om het concreet te maken worden de stappen in de bijlage doorlopen aan de hand van een voorbeeldgemeente.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
50
Bijlage I bundelt de hoofdlijnen van drie rapporten: “Populatie inschatting en achtergronddocument gebouwbewonende vleermuissoorten” en “Populatie inschatting huismus en gierzwaluw” (Viridis, 2021, bijlage VII en VIII). Het rapport “Effectenbeoordeling beschermde gebouwbewonende soorten bij particulieren bij het Pre-SMP voor de Provincie Utrecht.” (NatuurInclusief & Viridis, 2021, bijlage VI) gebruikt deze populatieberekeningen om vervolgens het effect op de staat van instandhouding te beoordelen, aan de hand van de genoemde 7 stappen. Wat zegt dit model? De verschillende populaties met hun verblijven zijn met dit model voor elke woonkern in de provincie Utrecht berekend. Deze populatieberekeningen zijn getoetst aan gebiedsgerichte onderzoeken in het binnen- en buitenland en blijken een reële inschatting te geven. Vervolgens is een GIS-applicatie ontwikkelt die (op basis van kenmerken van het vastgoed) filtert welke woningen nog geen duurzaam energielabel hebben. De berekende populaties worden zekerheidshalve verondersteld uitsluitend in die gebouwen aanwezig te zijn. Een groot deel van deze gebouwen betreft particuliere woningen. In fase 1 mag maximaal 10% van deze woningen per CBS-buurt worden aangetast en per 24 maande maximaal 30%.
Hiervoor is een spreadsheet met een kansberekening opgesteld die als output geeft hoeveel procent van de verwachte verblijfplaatsen waarschijnlijk zal worden aangetast. Aan de hand van de populatieberekeningen en de GIS-data van twee gemeenten is onderzocht hoeveel verblijfplaatsen naar verwachting zullen verdwijnen. Hieruit blijkt dat de verwachte ecologische aantasting (waar de particulier voor verantwoordelijk is) veel kleiner is dan de particuliere compensatie die gerealiseerd wordt; er vindt overcompensatie plaatst. Deze alternatieve voorzieningen worden beoordeeld als bewezen effectief voor de te compenseren functies. Veel kwetsbaardere functies zijn de kraamverblijfplaatsen van vier specifieke vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis). De grote spouwverblijven in de woningen zijn hiervoor waardevol maar aanvullende gemeentelijke compensatie is noodzakelijk. Op basis van het berekende waarschijnlijke verlies aan kraamverblijfplaatsen wordt de compensatietaakstelling van de gemeente bepaald. De gemeente dient die taakstelling in twee fasen te realiseren. Voor kraamverblijfplaatsen zijn niet voor alle soorten alternatieven bekend die aangemerkt kunnen worden als ‘bewezen effectief’. De gemeentelijke voorzieningen zijn grotendeels experimenteel en dienen te worden gemonitord.
Mocht onverhoopt geen van de aangeboden kraamvoorzieningen in gebruik worden genomen dan zou dat de populaties kunnen schaden. Daarom is ten aanzien van kraamverblijfplaatsen een nadere analyse uitgevoerd ten aanzien van de staat van instandhouding. De redeneerlijn is dat de populatie anno 2021 minus de maximale aantasting boven de gunstige referentiewaarden (1994/20114) dienen te blijven. Daarvoor wordt niet gerekend met de waarschijnlijke aantasting maar met de maximale aantasting. Uit de analyses blijkt er geen reden is te veronderstellen dat de staat van instandhouding van de Utrechtse vleermuissoorten door ontheffingen op grond van de pre-SMP methodiek zal worden geschaad. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
51
HOOFDSTUK 8 SAMENVATTING EN CONCLUSIE De particuliere verduurzaming van daken en spouwmuren staat op gespannen voet met de Wet natuurbescherming. De gangbare interpretatie van de vereisten op grond van de wettelijke kaders stelt particulieren voor een onevenredig zware opgave en wordt, gezien het uitblijven van ontheffingsaanvragen van particulieren, in de praktijk dan ook zelden nageleefd. Het gevolg is echter een (zeker op lange termijn) aantasting van de staat van instandhouding van gebouwbewonende soorten. Met de ontwikkeling van de pre-SMP methodiek zijn enerzijds de vereisten op grond van de wettelijke kaders opnieuw onderzocht en anderzijds verkend op welke manier de isolatiesector, de gemeente en wij als provincie particulieren kunnen ondersteunen in een ecologisch en juridisch verantwoorde werkwijze. In dit hoofdstuk wordt de methodiek samengevat door middel van een vergelijking tussen de reguliere werkwijze en de pre-SMP methodiek. Vervolgens wordt het proces van aanvraag van de tijdelijke ontheffing op grond van het pre-SMP tot aan de verlening van een ontheffing op grond van een volwaardig SMP geschetst. Dit traject duurt maximaal twee jaar en kent verschillende fases.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
52
8.1
De vergelijking In de tabel hieronder is een vergelijking gemaakt tussen de reguliere werkwijze en de preSMP-methodiek. Tabel 9: de vergelijking tussen de reguliere wnb-procedure en de pre-SMP-methodiek Regulier
Pre-SMP
Particulier
Provincie
Gemeente
Isolatiebedrijf
Particulier
Ontheffingsprocedur e 13 + 7 weken
De provincie verleent ontheffing
Gemeente vraagt eenmalig ontheffing
Isolatiebedrijf meldt particulier aan bij gemeente
-
Leges: €456,30
-
-
-
-
Activiteitenplan bij ontheffingsaanvraag ca. €700,- €1.500,-
De provincie stelt een format beschikbaar
De gemeente en provincie maken samen het activiteitenplan
-
-
Onderzoeksverplichting
Ecoloog brengt 8 maal, van april – september, een bezoek van 2 uur. Dit heeft een doorlooptijd van 6 tot 12 maanden en kost ca. €4.000,-
De provincie berekend modelmatig alle vogel- en vleermuispopul aties in alle woonkernen in de gemeenten.
De gemeente start direct met een volwaardig SMP-onderzoek
-
-
Voorkómen van doden
Natuurvrij maken van woning door ecoloog: €300,-
-
Isolatiebedrijf maakt alle woningen natuurvrij, meestal zonder ecoloog
Betaalt enkele honderden euro’s meer
Legalisatie
Natuurvrij maken kan maar enkele maanden per jaar
Compensatie van verblijfplaats
Eén verblijf moet vier keer gecompenseerd door duurzame alternatieve verblijfplaatsen
Natuurvrij maken kan maar enkele maanden per jaar De provincie bepaalt de compensatietaakstelling gemeente
De gemeente realiseert enkele robuuste vleermuisvoorzieningen
Isolatiebedrijf realiseert uitsparingen en plaatst vogelkasten
Uitsparingen in gevels voor vleermuizen en soms ook vogelkasten
In tegenstelling tot de reguliere werkwijze worden de vereisten die voortkomen uit de wet in het pre-SMP door de particulier, de isolatiebedrijven, de gemeenten en de provincie gezamenlijk gedragen. De kosten en tijd die deze werkwijze met zich meebrengt is hierdoor voor alle partijen werkbaar en reëel. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
53
8.2
Het proces van het pre-SMP Hoe werkt de pre-SMP methodiek in tijd? In navolgende afbeelding wordt het proces schematisch weergegeven:
Afbeelding 6: Het proces tijdens de looptijd van een pre-SMP ontheffing
Voorbereiding: Een gemeente met interesse in een SMP meldt zich bij de provincie en samen wordt de gemeentelijke compensatietaakstelling berekend voor het waarborgen van een gunstige staat van instandhouding. De gemeente gaat aan de hand van de compensatietaakstelling op zoek naar mogelijkheden om robuuste compensatie voor kraamgroepen aan te bieden. Samen met de provincie wordt dit uitgewerkt in een preSMP. Procedure: De aanvraag om een tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing op basis van het pre-SMP wordt ingediend. De tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing wordt verleend onder voorwaarde dat een opdrachtbevestiging is gegeven aan een ecologisch adviesbureau voor veldonderzoek om te komen tot een volwaardig SMP. Pre-SMP periode: De gemeente communiceert de pre-SMP methodiek actief richting inwoners en verwijst particulieren door naar isolatiebedrijven die werken conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Bij subsidie of andere ondersteuning door de gemeente bij particuliere isolatie is een bedrijf dat natuurvriendelijk isoleert een vereiste. Hoe de particulier zijn woning dient aan te melden om onderdeel te worden van de ontheffing van de gemeente wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5. In de pre-SMP periode start kwalitatief ecologische veldonderzoek voor de ontwikkeling van een SMP. Daarnaast realiseert de gemeente hun compensatietaakstelling. Dat gebeurt in twee fases.
Fase 1 van de pre-SMP periode duurt tot het onderzoek naar kraamgroepen is afgerond. Dit is de periode waarin de aantasting ‘blind’ (dat wil zeggen wel op aantallen maar niet op locatie van de werkzaamheden) plaatsvindt.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
54
Uiterlijk twee maanden na de verlening van de ontheffing moet een compensatieplan zijn aangeleverd. De ontheffing kan (deels) worden ingetrokken als twee maanden na inwerkingtreding van de ontheffing geen schriftelijk uitgewerkt voorstel wordt ingediend ten aanzien van de gemeentelijke compensatie (fase 1). In fase 1 mag maximaal 10% per CBS-buurt worden verduurzaamd. Ook kan de ontheffing worden ingetrokken als drie maanden na inwerkingtreding van de ontheffing geen overeenstemming is met de provincie Utrecht ten aanzien van de gemeentelijke compensatie (fase 1). Fase 2 van de pre-SMP periode start zodra de kraamgroepen in beeld zijn door het veldonderzoek voor het SMP. Zijn in fase 1 binnen een straal van 100 meter van een aangetroffen kraamgroep veel woningen geïsoleerd, dan is aanvullende compensatie wellicht noodzakelijk. Of dit nodig is en op welke wijze dit moment gebeuren wordt door gemeente en provincie in samenspraak bepaald, eventueel met advies van externe deskundigen. Op uiterlijk 1 september van dat jaar moet een aanvullend compensatievoorstel zijn toegezonden. De ontheffing kan ook nu (deels) worden ingetrokken als niet voor 1 september een compensatievoorstel is ingediend of hierover op uiterlijk 15 september van dat jaar geen overeenstemming tussen gemeente en provincie is bereikt. In fase twee mag aanvullend tot 30% per CBS-buurt worden verduurzaamd.
Voortgang SMP: Voortgang in de ontwikkeling van het SMP is van groot belang. Voor het ontwikkelen van een SMP is 24 maanden beschikbaar onder de tijdelijke ontheffing op grond van het pre-SMP. De ontheffing kan echter (deels) worden ingetrokken als na 15 maanden de ecologische onderzoeken voor het SMP niet voor 90% zijn afgerond. Na 18 maanden moet een aanvraag om ontheffing op basis van een SMP zijn ingediend. De tijdelijke ontheffing kan ook worden ingetrokken als er na 18 maanden, bij de toetsing van de aanvraag om een gebiedsgerichte ontheffing op grond van een SMP, er geen zicht is op een positieve beschikking voor alle deelnemende buurten en betreffende soorten waarop het SMP zou moeten zien. Einde: De gemeente ontwikkelt een volwaardig SMP gedurende de (maximaal) twee jaar. Na afronding van het veldonderzoek, verwerking van data en het opstellen van het SMP dient de gemeente de aanvraag in voor een gebiedsgerichte ontheffing. Met het verlenen van de gebiedsgerichte ontheffing wordt de tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing op grond van het pre-SMP ingetrokken.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
55
8.3
Conclusie Met de pre-SMP methodiek wordt een nieuwe werkwijze geïntroduceerd die enerzijds uitvoerbaar is bij particuliere isolatie en anderzijds zoveel mogelijk recht doet aan de wettelijke bescherming van gebouwbewonende soorten. Op basis van een modelmatige analyse van het effect van de particuliere verduurzaming op de gebouwbewonende soorten kan worden geconcludeerd dat de staat van instandhouding niet (of niet onaanvaardbaar) zal verslechteren. Met oog op de huidige schade aan de populaties door grootschalige isolatie buiten de wettelijke kaders om is daarom de verwachting dat de pre-SMP methodiek een vooruitgang betekent in het behoud van de soorten. De conclusie dat de staat van instandhouding niet geschaad zal worden door de verduurzaming onder het pre-SMP moet nadrukkelijk wél in het licht worden gezien van de volgende uitgangspunten: 1. De (modelmatige) methodiek geldt per gemeente slechts maximaal twee jaar. 2. De methodiek leidt binnen twee jaar tot een SMP met volledig gebiedsgericht veldonderzoek. 3. In fase 1 mag maximaal 10% van de particuliere grondgebonden (te isoleren) woningen per CBS-buurt deelnemen. Per 24 maanden mag maximaal 30% per CBS-buurt deelnemen. 4. Het doden of insluiten van vleermuizen of vogels wordt bij alle woningen altijd zo veel mogelijk voorkomen. 5. Elke woning krijgt nieuwe permanente voorzieningen voor vleermuizen en vogels.
Er komen per saldo ruim voldoende voorzieningen terug dan aan verblijfplaatsen verloren gaat. 6. De gemeentelijke voorzieningen ondersteunen het verlies aan kraamverblijfplaatsen, naast de grote uitsparingen op particuliere woningen, en worden gemonitord. Met de pre-SMP methodiek wil de provincie Utrecht een bijdrage leveren aan het behoud van de vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen binnen onze provinciegrens zoals wij verplicht zijn binnen de Wnb. Op die manier behouden wij deze diersoorten voor onze toekomstige generaties, nu de verduurzaming van het vastgoed op zo’n grote schaal moet plaatsvinden.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
56
BIJLAGE I: EFFECTENANALYSE IN DE PRE-SMP METHODIEK Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) kan alleen verleend worden als het effect van de ingreep toelaatbaar wordt geacht met oog op de staat van instandhouding van de soorten. In deze bijlage wordt onderzocht of het effect van het isoleren onder de pre-SMP methodiek toelaatbaar is. Een belangrijk onderdeel in het proces is de effectenanalyse. Vertrekpunt voor een goede analyse is doorgaans het in beeld brengen van de aanwezige flora en fauna. Daarmee kan het effect van de handeling gewogen worden in relatie tot de lokale en landelijke populatie. Bij particuliere verduurzaming roept dit achtdelige veldonderzoek vragen op over redelijkheid en proportionaliteit, en bovendien blijkt dit veldonderzoek op zich juridisch niet noodzakelijk, mits op andere wijze kan worden aangetoond dat het effect van de isolatie aanvaardbaar is (zie paragraaf 4 ‘Juridische aspecten van voorspellingsmodellen’ in bijlage II, ‘Juridische onderbouwing ontheffingen’). Om de verplichte effectenanalyse te doen is in de pre-SMP methodiek gekozen voor een beredeneerde populatie-inschatting, op basis van bekende dichtheden van vleermuizen en vogels. Deze berekende aantallen vogels en vleermuizen zijn vervolgens te vertalen naar aantallen en typen verblijfplaatsen die horen bij de berekende populaties.
Deze populatieberekeningen en berekeningen van aantallen verblijfplaatsen zijn uitgewerkt in de rapporten “Populatie inschatting en achtergronddocument gebouwbewonende vleermuissoorten” en “Populatie inschatting huismus en gierzwaluw” (Viridis, 2021, bijlage VII en VIII). Bijlage II ‘Juridische onderbouwing ontheffingen op grond van het pre-SMP’ geeft de juridische verantwoording van de methodiek en verklaart gemaakte afwegingen in het proces. Op basis van GIS-informatie over het vastgoed in de gemeente kan met een kansberekening worden berekend hoeveel verblijfplaatsen de komende twee jaar (waarschijnlijk of maximaal) worden aangetast. Deze ‘verwachte ecologische aantasting’ kan vervolgens gewogen worden ten opzichte van de particuliere en gemeentelijke compensatie in het licht van de staat van instandhouding van de verschillende soorten.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
57
In de pre-SMP methodiek wordt dat op de volgende manier gedaan:
Stap 1: Bepaal de totale aantallen vleermuizen en vogels per woonkern conform het preSMP model. Stap 2: Bereken op basis van deze populatiegrootte het aantal verblijfplaatsen dat hierbij hoort. Stap 3: Bepaal met GIS-applicatie hoeveel woningen deze soorten in theorie tot hun beschikking hebben. Stap 4: Bereken het waarschijnlijke en het maximale verlies van verblijfplaatsen bij isolatie van 30% van de particuliere woningen. Stap 5: Bereken het aantal alternatieve particuliere voorzieningen die per woning terugkomen. Stap 6: Bereken het aantal alternatieve complexe voorzieningen die de gemeente moet compenseren. Stap 7: Analyseer het maximale effect van de ingrepen en compensatie in relatie tot de staat van instandhouding.
Deze zeven stappen worden kort besproken en concreet gemaakt aan de hand van een voorbeeldgemeente. Deze voorbeeldgemeente heeft circa 30.000 inwoners die grotendeels in twee woonkernen wonen. Deze twee kernen hebben samen zo’n 18.000 gebouwen (woningen, bedrijfspanden, flats, kerken, scholen et cetera). Van deze 18.000 zijn er 6.650 grondgebonden woningen met een energielabel C t/m G in particulier eigendom. In dit voorbeeld wordt enkel een berekening gemaakt voor de populatie gewone dwergvleermuizen maar voor andere soorten in deze gemeente zal in een definitieve aanvraag een soortgelijke werkwijze worden gehanteerd.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
58
Stap 1: Bepaal de totale aantallen vleermuizen en vogels per woonkern conform het pre-SMP model In literatuur zijn dichtheden van huismus en gierzwaluw en vleermuizen per soort beschreven. Voor alle Utrechtse woonkernen is berekend welke aantallen daar, op basis van deze dichtheden, naar verwachting aanwezig zijn. In het rapport van Natuurinclusief & Viridis (zie bijlage VI) en de twee populatieberekeningen van Viridis (zie bijlage VII en VIII) zijn de berekeningen en de verdelingen over de woonkernen uitgebreid toegelicht. Deze inschatting is vergeleken met de resultaten van de gebiedsgerichte onderzoeken in gemeenten met een SMP en er werd geen (betekenisvolle) onderschatting of overschatting geconstateerd, wat een Afbeelding 1: Overzicht van de populatiegrootte (35.651) van de gewone indicatie is dat deze inschatting reëel dwergvleermuizen in de provincie Utrecht, verdeeld over iedere woonkern met minimaal 1 kolonie per woonkern. is. Een onderschatting zou maken dat het effect van de ingrepen onterecht te laag wordt ingeschat. Een overschatting zou echter maken dat onterecht werd gedacht dat de populaties groot en robuust zijn. Daarom is gezocht naar een zo accuraat mogelijke populatie inschatting. Deze ‘berekende populatiegrootte’ is voor alle gemeenten in kaart gebracht (zie bijlage VII14 en VIII15).
In de voorbeeldgemeente is berekend dat 1.012 gewone dwergvleermuizen aanwezig zijn. Validatie en bijsturing De gehanteerde dichtheden waarop de gebouwbewonende populaties worden ingeschat, worden op basis van de uitgevoerde gebiedsgerichte onderzoeken waarop de dichtheden zijn gebaseerd reëel geschat. Dat neemt echter niet weg dat deze parameter in de toekomst zal worden bijgesteld, indien tijdens de hierop volgende gebiedsgerichte SMPonderzoeken blijkt dat de gehanteerde dichtheden niet in alle situaties een goede inschatting geven. De inschattingen nemen de reeds uitgevoerde gebiedsgerichte SMPonderzoeken als uitgangspunt en worden bijgesteld indien de nog uit te voeren gebiedsgerichte SMP-onderzoeken daar aanleiding toe geven.
14
“Populatie inschatting en achtergronddocument beschermde gebouwbewonende vleermuissoorten bij particulieren. Pre-SMP voor de Provincie Utrecht”, Viridis 2021 15 “Populatie inschatting huismus en gierzwaluw. Pre-SMP voor de Provincie Utrecht”, Viridis 2021 NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
59
Stap 2: Bereken op basis van deze populatiegrootte het aantal verblijfplaatsen dat hierbij past. Nadat de populatiegrootte per woonkern is berekend, is het aantal daarbij horende verblijfplaatsen te bepalen. Bij het inschatten van populaties was het van belang dat dit reëel wordt ingeschat, omdat zowel overschatting als onderschatting mogelijk negatieve gevolgen kan hebben. Bij het bepalen van het minimaal benodigde aantal verblijfplaatsen per individu is het uitgangspunt juist wél een worst-case benadering. Het effect van de ingrepen mag immers nooit onderschat worden, en een overschatting zorgt voor een veilige benadering. Er wordt bij vleermuizen ervan uitgegaan dat elk mannetje één paarverblijfplaats heeft, ook al zullen niet alle mannetjes meedoen aan de paartijd. Ook wordt verondersteld dat alle mannetjes allemaal een netwerk van 4 unieke zomerverblijfplaatsen nodig hebben. Voor kraamgroepen, waarbij de vrouwtjes clusteren, wordt voor gewone dwergvleermuizen een netwerk van 15 kraamverblijfplaatsen aangehouden, voor laatvliegers 9. In werkelijkheid zullen minder verblijfplaatsen noodzakelijk zijn voor het functioneren van de kraamgroepen, maar hiermee wordt gerekend om het maximale potentiële verlies te kunnen bepalen.
Voor gierzwaluwen en huismussen geldt de simpele som dat alle vogels in paren meedoen aan het broedseizoen en het aantal nesten de populatie gedeeld door 2 is, ook al zullen niet alle vogels meedoen aan het broedseizoen. In de voorbeeldgemeente hebben de 1.012 gewone dwergvleermuizen 5 kraamgroepen met 75 kraamverblijfplaatsen, 506 paarverblijfplaatsen en 2.024 zomerverblijfplaatsen.
Stap 3: Bepaal met de GIS-applicatie hoeveel woningen deze soorten in theorie tot hun beschikking hebben. Na berekening van de populaties kan dit naast de bestaande situatie met betrekking tot de verduurzaming worden gelegd. In de ene gemeente zijn nog bijna geen huizen geïsoleerd, in andere gemeenten al veel meer. De specifieke situatie ten aanzien van particuliere verduurzaming wordt door veel gemeenten op dit moment in kaart gebracht voor de eerdergenoemde Transitievisies Warmte. In deze Transitievisies wordt doorgaans gebruik gemaakt van een GIS-analyse van de woningvoorraad, en daaruit voortvloeiend de verduurzamingsopgave per wijk. Woningen die potentieel onder het pre-SMP mogen vallen worden in een GIS-applicatie geselecteerd op basis van de specifieke eigenschappen van de woningen. Het betreft alleen grondgebonden woningen in particuliere eigendom, die een noodzaak hebben om te verduurzamen (energielabel C t/m G). Door op deze kenmerken te filteren, komen de “pre-SMP woningen” vanzelf naar voren.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP