Bijlage 1 - Natuurvriendelijk isoleren door particulieren onder het pre-SMP
Tekst van het document
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN VAN PARTICULIERE WONINGEN ONDER HET PRE-SOORTENMANAGEMENTPLAN
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
PROVINCIE-UTRECHT.NL
1
Rapportage
Natuurvriendelijk isoleren van particuliere woningen onder het pre-Soortenmanagementplan
Datum Vastgesteld door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 22 februari 2022 Aangepast op 22 september 2023 onder mandaat gedeputeerde Sterk, Natuur en Landbouw
Opgesteld door Provincie Utrecht, Domein Landelijke Leefomgeving, team Natuur en Landbouw
Adresgegevens Provincie Utrecht Postbus 80300 3508 TH Utrecht NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
2
www.provincie-utrecht.nl
INHOUDSOPGAVE INLEIDING
5
1. PARTICULIERE ISOLATIE EN DE WET NATUURBESCHERMING 1.1 Verduurzaming particuliere woningvoorraad 1.2 Wet natuurbescherming 1.3 Doel 1.4 Gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een SMP 1.5 Gezamenlijke verantwoordelijkheid 1.6 Afbakening
7 7 7 8 9 10 10
2. ONDERZOEK NAAR MOGELIJKHEDEN
13
3. DE GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFING OP GROND VAN HET PRE-SMP 3.1 Gekozen alternatief per thema 3.2 De pre-SMP methodiek
15 15 16
4. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN 4.1 Voorkómen van doden 4.2 Particuliere compensatie 4.3 Werkwijze ter voorkoming van doden en compensatietaakstelling 4.4 Schematisch overzicht compensatietaakstelling particulieren
18 18 19 24 39
5. MELDINGSSYSTEEM
41
6. GEMEENTELIJK PRE-SOORTENMANAGEMENTPLAN 6.1 Gemeentelijke compensatietaakstelling 6.2 Monitoring 6.3 Ontwikkeling soortenmanagementplan
44 45 47 48
7. ECOLOGISCH ONDERZOEK EN EFFECTENANALYSE
49
8. SAMENVATING EN CONCLUSIE 8.1 De vergelijking 8.2 Het proces van het pre-SMP 8.3 Conclusie
52 53 54 56
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
3
BIJLAGEN Bijlage I
Effectenanalyse in de pre-SMP methodiek
Bijlage II
Juridische onderbouwing ontheffingen op grond van het pre-SMP § 1 Belangenonderbouwing § 2 Alternatievenafweging § 3 Effectenanalyse aan de staat van instandhouding § 4 Juridische aspecten van voorspellingsmodellen
Bijlage III
Handreiking “Natuurvriendelijk Isoleren”
Bijlage IV
Rapport Arcadis en OverMorgen “Na-isolatie particuliere woningen in het kader van de Wet natuurbescherming”.
Bijlage V
Rapport LooPlan “Achtergronddocument ongeschikt maken van woningen binnen het pre-SMP.”
Bijlage VI
Rapport NatuurInclusief & Viridis “Effectenbeoordeling beschermde gebouwbewonende soorten bij particulieren bij het PreSMP voor de Provincie Utrecht.”
Bijlage VII
Rapport Ecologisch Adviesbureau Viridis “Populatie inschatting en achtergronddocument beschermde gebouwbewonende vleermuissoorten bij particulieren.”
Bijlage VIII
Rapport Ecologisch Adviesbureau Viridis “Populatie inschatting huismus en gierzwaluw.”
Bijlage IX
MEMO ENVIR-Advocaten “Interpretatie uitspraak ABRvS Gedragscode NOM”, 7 juni 2021
Bijlage X
Brochure Soortenmanagementplannen
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
4
INLEIDING In het klimaatakkoord (2019) heeft Nederland zich ten doel gesteld om per jaar minimaal 50.000 bestaande woningen te isoleren, dit aantal loopt op tot 200.000 woningen per jaar in 2030. Ook particuliere woningen moeten worden verduurzaamd. In spouwmuren en daken van de te isoleren woningen verblijven meestal echter vleermuisen vogelsoorten. Het verstoren en doden van deze gebouwbewonende soorten en het vernielen van hun verblijfplaatsen is op basis van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) verboden. Als er vooraf geen maatregelen worden getroffen vinden deze dieren de dood bij werkzaamheden als na-isolatie. De wettelijke bescherming van deze soorten staat - zeker bij particuliere verduurzaming - op gespannen voet met de energietransitie. Provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wnb en in het Beleidskader Wet natuurbescherming (2016) is voor de provincie Utrecht gesteld dat de oplossing voor deze tegenstelling (en ook voor andere ruimtelijke ingrepen) vooral gezocht moet worden in gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een Soortenmanagementplan (hierna: SMP). Gemeenten onderzoeken vooraf hun hele bebouwd gebied op de aanwezigheid van beschermde soorten (doorgaans vleermuissoorten, huismussen en gierzwaluwen) en voorzien op basis daarvan preventief in beschermende en compenserende maatregelen.
Binnen de wettelijke vereisten vormt een SMP de beste bescherming voor gebouwbewonende diersoorten omdat maatregelen zo op populatieniveau genomen kunnen worden. Maar ook voor inwoners en organisaties zoals woningcorporaties is een SMP de meest praktische oplossing om aan de vereisten van de Wnb te voldoen. De gemeente kan de gebiedsgerichte ontheffing namelijk doorschrijven naar inwoners of woningcorporaties waardoor zij in veruit de meeste gevallen vrij zijn van een individuele onderzoeks- en ontheffingsplicht. Een SMP heeft echter een ontwikkeltijd van 1-2 jaar en is daarmee niet op korte termijn inzetbaar. Om populaties gebouwbewonende soorten duurzaam in stand te houden én de geambieerde verduurzaming van particuliere woningen mogelijk te maken, is gezocht naar een op korte termijn inzetbare werkwijze die praktisch uitvoerbaar is bij particuliere isolatie en tegelijkertijd de lange termijn oplossing van een SMP stimuleert. In het proces tot het ontwikkelen van deze methode zijn alle juridische en ecologische vereisten van de Wnb bekeken voor wat betreft hun impact, doel en betekenis. Hiervoor is aanvullend op de binnen de provincie aanwezige deskundigheid, advies gevraagd aan externe juridische en ecologische adviesbureaus.
De uitkomst is een nieuw ontwikkelde methodiek met de naam “pre-SMP”, verwijzend naar de genoemde SMP’s die een duurzame oplossing bieden voor alle actoren in een gemeente. Omdat SMP’s een bepaalde ontwikkeltijd hebben, is de pre-SMP methodiek een vooruitlopend SMP als opstap tot een volwaardig SMP. Op grond van een ontheffingsaanvraag met een pre-Soortenmanagementplan verleent de provincie als bevoegd gezag een tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing van de Wnb aan een gemeente, waarmee de isolatie van grondgebonden particuliere woningen in die gemeente per direct wordt gelegaliseerd. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
5
Aan deze tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing op basis van het pre-SMP is de voorwaarde gekoppeld dat de betreffende gemeente de opdracht geeft aan een ecologisch bureau voor de start van het SMP-onderzoek. De pre-SMP-ontheffingen gelden maximaal 2 jaar; dit is de maximaal te verwachten periode voor het opstellen van een volwaardig SMP. Aan een tijdelijke gebiedsgerichte ontheffing zijn daarnaast twee andere voorwaarden verbonden: 1. Particulieren kiezen voor een isolatiebedrijf dat werkt volgens de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”, 2. Gemeenten hebben een pre-SMP om het verlies van (kraam-) verblijfplaatsen door particuliere isolatie te compenseren. In deze rapportage wordt de pre-SMP methodiek uitgewerkt. In hoofdstuk 8 van deze rapportage is een samenvatting van de methodiek weergegeven.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
6
HOOFDSTUK 1 PARTICULIERE ISOLATIE EN DE WET NATUURBESCHERMING 1.1
Verduurzaming particuliere woningvoorraad De provincie Utrecht wil uiterlijk in 2050 CO²-neutraal zijn. Om dit te bereiken wordt onder andere ingezet op het leveren van een bijdrage aan het verduurzamen van het woningbezit in de provincie. Wij zetten onder meer in op regionale samenwerking voor onderzoek, kennis en advies. Daarnaast stellen wij subsidies beschikbaar om deze processen te financieren. Eind 2019 is het programmaplan Energietransitie (2020-2025) vastgesteld. Energiebesparing in de gebouwde omgeving is een van de speerpunten van het programma, met in het bijzonder het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. Daar waar woningcorporaties landelijk afspraken hebben gemaakt over de verduurzamingsopgave is dat bij particuliere huiseigenaren niet het geval. Wel worden particulieren door zowel de landelijke als regionale overheden gestimuleerd hun huis te verduurzamen, door onder andere isolatie. Gemeenten moeten daarnaast op basis van het nationaal Klimaatakkoord (28 juni 2019) in 2021 een Transitievisie Warmte vaststellen. Voor de uitvoering van deze visie worden Wijkisolatieplannen1 gemaakt met daarin een aanpak om de isolatie van particuliere woningen (soms wijkgericht) te stimuleren. Bij deze uitvoeringsplannen zijn de vereisten van de Wet natuurbescherming (Wnb) echter niet vaak meegenomen.
1.2
Wet natuurbescherming In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming (Wnb, 2017) staat het beschermingsregime beschreven dat geldt ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De Wnb vormt op dit onderdeel de nationale implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze Europese afspraken zijn gemaakt om het biodiversiteitsverlies, wat in Europa op grote schaal plaatsvindt, te stoppen. De Wnb heeft daarom tot doel de beschermde soorten in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te houden of te krijgen en provincies zijn daarvoor binnen de provinciegrenzen het bevoegd gezag (en dus verantwoordelijk). Ten aanzien van vogels verbiedt de wet in het geval van (na-)isolatie het volgende: 1 opzettelijk doden of vangen; 2 opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, en nesten weg te nemen; 3 opzettelijk storen, tenzij de storing geen gevolgen heeft voor de staat van instandhouding.
1
Deze worden ook wel Wijkuitvoeringsplannen genoemd. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
7
Ten aanzien van vleermuissoorten verbiedt de wet in het geval van isolatie het volgende: 1 opzettelijk doden of vangen; 2 opzettelijk verstoren; 3 voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Isolatie van spouw of dak kan desastreuse gevolgen hebben voor gebouwbewonende beschermde diersoorten zoals vleermuissoorten, huismussen en gierzwaluwen. Daar waar het bij de genoemde vogelsoorten hoofdzakelijk gaat om het verlies van nestgelegenheid, speelt bij vleermuizen daarnaast mortaliteit een grote rol. Omdat het nacht-actieve dieren zijn, verblijven zij op het moment van (na-) isoleren -overdag- in de spouw, waardoor zij ingesloten en dus gedood of in elk geval verstoord kunnen worden. Boven op de vele sterfgevallen van vleermuizen worden, door de renovatie- en naisolatieprojecten, verblijfplaatsen van deze soorten vernietigd en daarmee mogelijk de staat van instandhouding provinciaal en landelijk bedreigd 2.
Tabel 1: In de provincie Utrecht voorkomende gebouwbewonende vogel- en vleermuissoorten Gebouwbewonende vogel- en Zeldzaamheid NL Rode lijst vleermuissoorten Huismus Uiterst talrijk Gevoelig Gierzwaluw Talrijk Thans niet bedreigd Baardvleermuis Zeldzaam Thans niet bedreigd Meervleermuis Zeldzaam Thans niet bedreigd Gewone grootoorvleermuis Vrij zeldzaam Thans niet bedreigd Gewone dwergvleermuis Algemeen Thans niet bedreigd Kleine dwergvleermuis Zeldzaam Thans niet bedreigd Ruige dwergvleermuis Mannetjes algemeen Thans niet bedreigd Laatvlieger Algemeen Kwetsbaar Tweekleurige vleermuis Zeer zeldzaam Gevoelig
1.3
Doel Ondanks de formele wettelijke bescherming die gebouwbewonende soorten genieten, worden op dit moment dagelijks vele particuliere huizen geïsoleerd zonder naleving van de wettelijke verplichtingen. Particuliere isolatie heeft dan ook negatieve gevolgen voor de beschermde soorten, vaak zonder dat de bewoners beseffen dat ze een overtreding begaan. Het doel van de pre-SMP methodiek is om op een praktisch uitvoerbare manier de gebouwbewonende soorten (zowel individueel als op populatieniveau) te beschermen bij de verduurzaming van particuliere woningen, zónder dat de voortgang van de verduurzaming daar grote hinder van ondervindt.
2 Arcadis, De staat van instandhouding (2018).
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
8
1.4
Gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een SMP De provincie Utrecht stimuleert sinds 2017, toen de Wnb in werking trad, het aanvragen van zogeheten gebiedsgerichte ontheffingen: één ontheffing voor de gehele gemeente, voor de duur van 10 jaar voor vrijwel alle ontheffingsplichtige ruimtelijke activiteiten. Om een dergelijk ontheffing aan te kunnen vragen moet de gemeente door middel van ecologisch onderzoek, de verblijfplaatsen van beschermde soorten in kaart hebben gebracht én een plan hebben om de aanwezige populaties duurzaam te behouden en te stimuleren. Dit is een Soortenmanagementplan (SMP, zie bijlage X voor de brochure SMP). De gemeente doorloopt eenmalig het ontheffingstraject en kan daarna zowel woningcorporaties, Verenigingen van Eigenaren, particulieren, projectontwikkelaars, verenigingen et cetera gebruik laten maken van deze ontheffing, naast uiteraard de toepassing voor hun eigen gemeentelijke projecten. Deze partijen hoeven dus voor hun projecten niet zelf nog afzonderlijk een ontheffingentraject te doorlopen voor zover deze projecten vallen binnen de reikwijdte van de ontheffing.
Bovendien kunnen alle ruimtelijke ingrepen waar een ontheffing voor nodig is onder een SMP worden gelegaliseerd, terwijl dat bij veelvoorkomende werkzaamheden (zoals het maken van een uitbouw) in een regulier ontheffingstraject zelden mogelijk is wegens het ontbreken van een wettelijk belang om de wet te mogen overtreden 3. Het werken met SMP’s binnen de Wnb past uitstekend binnen de gedachte van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Alhoewel een SMP de meest werkbare oplossing is om particulieren binnen de kaders van de wet te laten opereren, hebben nog lang niet alle gemeenten een vastgesteld SMP. De provincie stimuleert gemeenten om een SMP op te stellen omdat dit de meeste praktische manier is om aan de wettelijke eisen te voldoen. We creëren bewustwording te creëren over de vaak nog onbekende Wnb en helpen gemeenten bij het opstellen van het SMP door onder andere een aanzienlijk deel van de onderzoekskosten op ons te nemen door middel van subsidie. Maar als een gemeente besluit een SMP op te stellen is dit door de ontwikkeltijd van een SMP (1 – 2 jaar) wel een oplossing die relatief veel tijd vraagt. Uitgangspunt voor de pre-SMP methodiek is dat het op korte termijn inzetbaar moet zijn en eenvoudig toe te passen is.
Omdat op lange termijn deze SMP-werkwijze de meest wenselijke oplossing is, wordt aan de kortetermijnoplossing in de vorm van een pre-SMP de verplichting gekoppeld dat gemeenten, als meer structurele oplossing, een SMP opstellen. In hoofdstuk 3 wordt de pre-SMP methodiek toegelicht.
3 Formeel juridisch gezien is het isoleren van één woning geen zwaarwegend wettelijk belang, omdat de
voordelen van de energiebesparing door het isoleren van slechts één woning over het geheel bezien zo beperkt zijn, dat deze -juridisch gezien- niet opwegen tegen het verstoren van beschermde diersoorten. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
9
1.5
Gezamenlijke verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid ten aanzien van gebouwbewonende soorten ligt op basis van de Wnb hoofdzakelijk bij de initiatiefnemer, in dit geval dus de huiseigenaar. Deze verantwoordelijkheid, waarvoor de kosten kunnen oplopen tot duizenden euro’s, wordt door particulieren echter onbewust niet opgepakt. Om een probleem van deze omvang aan te pakken is het wenselijk dat ook andere partijen een rol gaan spelen in het behoud van de soorten. Wanneer isolatiebedrijven, gemeenten, en provincie Afbeelding 1: gezamenlijke verantwoordelijkheid gezamenlijk met de particulier de verantwoordelijkheid om aan de vereisten van de Wnb te voldoen oppakken, zijn de eisen voor de particulier in kosten, tijd en uitvoerbaarheid te overzien. Van de huiseigenaar kan zo een minimale inspanning gevraagd worden voor compensatie van de verloren verblijfplaatsen, zolang ook het voorkómen van doden in acht wordt genomen.
1.6
Afbakening De pre-SMP methodiek richt zich enkel op isolatiemaatregelen en zonnepanelen en niet op andere werkzaamheden zoals het plaatsen van een dakkapel of de uitbouw van een woning. De juridische grondslag voor (grootschalige) energetische werkzaamheden (wat wordt gezien als in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid) is significant anders dan andere particuliere werkzaamheden zoals het plaatsen van een dakkapel of een uitbouw. Voor kleine particuliere ruimtelijke ingrepen is (wanneer soorten worden geschaad die Europees beschermd zijn) doorgaans geen bij wet erkend belang voorhanden die ontheffingverlening op individueel projectniveau mogelijk maakt. Om die reden zijn particuliere ruimtelijke ingrepen die geen verduurzamingsbelang dienen geen onderdeel van de pre-SMP methodiek. Deze andere werkzaamheden kunnen te zijner tijd wél onder het volwaardige SMP vallen. Een volwaardig SMP dient, door het bevorderen van de staat van instandhouding van soorten en biodiversiteit in het algemeen, het bij wet erkende belang ‘van de flora en fauna’. De methodiek van het pre-SMP stelt regels ten aanzien van de volgende type werkzaamheden: • • • • • •
Spouwmuurisolatie Binnendakisolatie Buitendakisolatie Isoleren van borstweringen Het aanbrengen van isolatiewanden aan de binnen- en buitenzijde van de muur Het plaatsen van zonnepanelen
Vloerisolatie en het vervangen van ramen worden niet ontheffingsplichtig geacht en hier worden geen regels aan gesteld. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
10
De pre-SMP methodiek betreft uitsluitend individuele grondgebonden woningen in particulier eigendom. Dus geen “gestapelde” woningen in de vorm van appartementencomplex of flatgebouwen. Dit omdat hoogbouw vaak ruimte biedt aan massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen, die niet goed te compenseren zijn op basis van een pre-SMP. Voor corporatiewoningen geldt dat werkzaamheden per straat of blok plaatsvinden waardoor het risico op aantasting van volledige netwerken van populaties te groot is. Bovendien lopen volgens planning de ecologische onderzoeken al voor woningen waar in de komende 1,5 tot 2 jaar de verduurzaming zal plaatsvinden. De beschermde soorten zijn daar al in beeld waardoor gerichte maatregelen kunnen worden genomen. Zij kunnen uiteraard wel profiteren van het volwaardig SMP dat er komt. Essentieel voor de juridische en ecologische onderbouwing van het werken volgens de pre-SMP methodiek, is een goede gemotiveerde inschatting van de verwachte aantasting van de populaties door particuliere isolatie noodzakelijk. Hiervoor is logischerwijs ook een inschatting van het aantal woningen dat geïsoleerd wordt nodig. De landelijke klimaatdoelstellingen beogen een verduurzaming van zo veel mogelijk particuliere woningen in het jaar 2030 en beogen een wijkgerichte aanpak.
Verduurzamen van particuliere woningen onder het pre-SMP moet echter wel gefaseerd plaatsvinden. Zou een hele CBS-buurt in één keer onder het pre-SMP worden verduurzaamd, dan wordt het volledige natuurlijke aanbod van verblijfplaatsen in één klap aangetast, zonder exact te weten welke verblijfplaatsen in een wijk aanwezig zijn. In de eerste fase van de pre-SMP periode zijn namelijk essentiële verblijfplaatsen nog niet in beeld gebracht. Het is de verwachting dat de populaties dan in deze wijken verdwijnen. Een volledige wijk isoleren onder het pre-SMP is daardoor niet verantwoord. In de pre-SMP methodiek geldt de regel in fase 14 maximaal 10% van een CBS buurt mag worden verduurzaamd5. In de tweede fase, als de essentiële verblijfplaatsen wel in beeld zijn, mag aanvullend tot maximaal 30% per CBS-buurt worden geïsoleerd. In totaal, na maximaal 24 maanden, is daardoor altijd nog minimaal 70% van de te verduurzamen particuliere woningen onaangetast en wordt een te zware last op de populaties voorkomen. In de daaropvolgende jaren mogen de andere woningen onder een SMP worden verduurzaamd. Op basis van de te berekenen verwachte ecologisch aantasting wordt dus de benodigde compensatie berekend.
Dit betekent dat gedurende de looptijd van 2 jaar maximaal 30% van de woningen onder het pre-SMP kan vallen om mogelijke schade voor de populaties en de staat van instandhouding niet in gevaar te brengen. Op basis van de plannen in de gemeentelijke Transitievisies Warmte is dit percentage echter (ruim) voldoende om alle particulieren die gaan isoleren er gebruik van te laten maken.
4
Mocht fase 1 langer duren dan 12 maanden, dan geldt voor elke maand dat deze fase langer duurt een aanvullend maximaal aantal deelnemers van 1% per maand. 5 Kijkend naar de doelstelling om binnen 10 jaar de gehele woningvoorraad te verduurzamen, zal per jaar circa 10% verduurzaamd moeten worden om deze doelstelling te halen. Een fasering in ruimte en tijd zal dus waarschijnlijk uit zichzelf plaatsvinden. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
11
Het toepassingsgebied (grondgebied) van een pre-SMP moet gelijk zijn aan het toepassingsgebied van een op te stellen SMP. Veel SMP’s richten zich uitsluiten op het stedelijke gebied. Het pre-SMP ziet in dat geval ook uitsluiten op het stedelijk gebied. Mocht een gemeente echter een SMP maken mede gericht op het landelijk gebied, dan kunnen particuliere grondgebonden woningen in het landelijk gebied ook onderdeel zijn van een gebiedsgerichte ontheffing op grond van het pre-SMP.
Pre-SMP methodiek als onderdeel van de Aanpak Biodiversiteit in Stad en Dorp Het pre-SMP is onderdeel van de Aanpak Biodiversiteit in Stad en Dorp, de uitwerking van het biodiversiteitsbeleid van de provincie specifiek voor de gebouwde omgeving. Het is een nadere uitwerking en intensivering van de ingezette aanpak op basis van het Beleidskader Wnb en de Natuurvisie uit 2016, en de daaruit voortkomende “Utrechtse Aanpak”.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
12
HOOFDSTUK 2 ONDERZOEK NAAR MOGELIJKHEDEN Ondanks de bescherming die de Wnb zou moeten bieden voor de beschermde soorten, worden dagelijks vele particuliere woningen geïsoleerd zonder naleving van de wettelijke verplichtingen (het doen van ecologisch onderzoek, het aanvragen van een ontheffing, het voorkómen van doden en het compenseren van verblijfplaatsen die verloren gaan). De wettelijke verplichtingen, die ook voor particulieren gelden, zijn als basis voor dit onderzoek op een rij gezet, met daarbij een toelichting op de tijdsduur en kosten. Tabel 2: Overzicht onderzoeksthema’s
Legalisatie: Voor de meeste woningen zal een ontheffing van de Wnb moeten worden aangevraagd. Dit kost een particulier anno 2021 €456,30 aan legeskosten en kent een proceduretijd die kan oplopen richting de 5 maanden. Een ontheffingsaanvraag moet vergezeld worden door een Activiteitenplan waarvoor doorgaans inhuur van een ecoloog noodzakelijk is (ca. €700 - €1.500,-)
Onderzoeksverplichting: Binnen de huidige regelgeving geldt de verplichting voor elk te isoleren huis te onderzoeken of de isolatie invloed heeft op de mogelijk aanwezige vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Hiervoor dient een ecoloog volgens de geldende onderzoeksprotocollen ten minste 8 maal, verspreid over de maanden april – september, een bezoek te brengen van minimaal 2 à 2,5 uur. Hiervan moet een rapportage worden gemaakt. In totaal kent dit onderzoek een doorlooptijd van 6 tot 12 maanden en kost gemiddeld €4.000,-.
Voorkómen van doden: Wordt ontheffing afgegeven (iets dat geen zekerheid is) dan zal de particulier een deskundige moeten inhuren die de beschermde soorten buitensluit uit de woning om zo het doden te voorkomen. Er moeten tijdelijke voorzieningen en werende materialen worden geplaatst, waarvoor een steiger of een hoogwerker moet worden gehuurd. Per huis kost dit al snel meer dan €600 en daar komt bij dat de deskundige dit slechts in een paar weken van het jaar mag uitvoeren (de broedtijd van vogels en de winterslaap van vleermuizen moeten worden ontzien).
Compensatie van verblijfplaatsen: In of aan het huis moeten duurzame alternatieve verblijfplaatsen worden aangeboden. Per huis kan dit oplopen tot meer dan €300.
Deze opsomming van vereisten en kosten (totaal gemiddeld €6.000 - €7.000) kan de vraag oproepen of dit wel in redelijke verhouding te staan tot de kosten van de isolatie zelf (gemiddeld €1.000). En hoewel het een wettelijke verplichting is, wordt dit proces dan ook zelden doorlopen terwijl isolatie van particuliere woningen dagelijks plaatsvindt. De hoofdvraag bij het ontwikkelen van de pre-SMP methodiek was: ‘Hoe kunnen we op een praktisch uitvoerbare manier de gebouwbewonende soorten (zowel individueel als op populatieniveau) beschermen tijdens de verduurzaming van particuliere woningen, zónder dat de voortgang van de verduurzaming daar grote hinder van ondervindt?’ NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
13
Om te komen tot een praktische, laagdrempelige werkwijze voor particulieren zijn de verschillende aspecten van de Wnb door in- en externe adviseurs onderzocht op mogelijkheden voor een meer praktische invulling -binnen de wet- met betrekking tot de vier genoemde thema’s: Legalisatie
Onderzoeksverplichting
Compensatie
Voorkómen van doden
Dit heeft geleid tot een aantal adviesrapporten op specifieke onderdelen van de vragen waarop de pre-SMP methodiek is gebaseerd. De pre-SMP methodiek in dit rapport is een afgewogen voorstel van alle geleverde input van de betrokken partijen6. Voor meer detail zijn de rapporten van de externe adviesbureaus te vinden in de bijlagen.
6 Betrokkenheid bij een vraagstuk betekent niet automatisch dat alle adviseurs de volledige methodiek voor
onderschrijven. Zie hiervoor de adviesrapporten in de bijlagen. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
14
HOOFDSTUK 3 DE GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFING OP GROND VAN HET PRE-SMP 3.1
Gekozen alternatief per thema Op basis van alle adviezen op de genoemde onderzoeken is per thema het volgende besloten: Tabel 3: Gekozen alternatief per onderzoeksthema Legalisatie
“De provincie verleent een maximaal twee jaar geldende gebiedsgerichte ontheffing aan gemeenten, specifiek voor isolatie van een jaarlijks maximum percentage particuliere grondgebonden woningen, op basis van een preSMP.” Een gebiedsgerichte ontheffing die verleend wordt aan een gemeente heeft de voorkeur boven individuele ontheffingsprocedures die alle betrokkenen veel tijd en geld kosten. Een gebiedsgerichte ontheffing op basis van een SMP is daarbij het lange termijn doel, voor de korte termijn wordt gekozen voor de tijdelijke werkwijze van de pre-SMP methodiek. Deze werkwijze is gestoeld op de kenmerken van een SMP, als opstap tot een volledig SMP. Het starten met ecologische onderzoeken om te komen tot een volwaardig SMP is een bindende voorwaarde om een tijdelijke ontheffing op basis van een pre-SMP te kunnen krijgen.
Onderzoeksverplichting
“Een modelmatige effectenanalyse” In plaats van ecologisch veldonderzoek per woning, wordt de verwachte ecologische aantasting van populaties van vogel- en vleermuissoorten met het expert-model van Viridis berekend (zie bijlage VI, VII en VIII). Deze onderzoeksmethode is een andere invulling van de zorgplicht dan tot nu toe gehanteerd is, maar de wet biedt bevoegde gezagen hiervoor ruimte. Wel start de gemeente met een volwaardig SMP-onderzoek waardoor binnen afzienbare tijd velddata beschikbaar komt. De modelmatige analyse geldt dus nadrukkelijk slechts voor een beperkte periode.
Voorkómen van doden
“Natuurvriendelijk isoleren” Het zoveel mogelijk voorkómen van doden is ook onder het pre-SMP altijd verplicht, maar dit kan in de meeste gevallen worden uitgevoerd door de isolatiebedrijven zelf. Ecologische begeleiding kan dan achterwege blijven. De kwetsbare voortplantingsperiode van vogels en vleermuizen en de winterrust van vleermuizen moeten vermeden worden, tenzij vóóraf aan kwetsbare perioden de woningen natuurvrij zijn gemaakt.
Compensatie van verblijfplaatsen
“Particuliere en gemeentelijke compensatie” Per woning moeten voorzieningen voor vogels en vleermuizen worden aangeboden, maar dit zal voor enkele vleermuissoorten niet voldoende zijn met oog op de staat van instandhouding. Naast de voorzieningen in de woning zelf, is de gemeente verantwoordelijk voor het realiseren van de meer complexe compensatie van grotere kraamvoorzieningen. Hoe groot deze gemeentelijke compensatie opgave is en hoe de gemeente dit invult is onderdeel van het preSMP.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
15
3.2
De pre-SMP methodiek De gemaakte keuzes zoals deze zijn benoemd in voorgaande paragraaf zijn de puzzelstukken die samen de pre-SMP methodiek vormen. Deze methodiek is als volgt samen te vatten: De provincie verleent onder voorwaarden een maximaal twee jaar durende ontheffing aan gemeenten waarmee maximaal 30% van de particuliere isolatie wordt gelegaliseerd:
Voorwaarde 1: Huiseigenaren en isolatiebedrijven isoleren conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren” zoals opgenomen als bijlage III. Per woning worden voorzieningen aangebracht en wordt het doden van dieren zoveel mogelijk voorkómen (door tijdig natuurvrij maken). De particulier of het isolatiebedrijf namens de particulier meldt de isolatie bij de gemeente om te kunnen werken onder de ontheffing.
Afbeelding 2: rol in behoud biodiversiteit bij particuliere isolatie
Afbeelding 2: verantwoordelijkheden verdeeld in de sporen ‘natuurvriendelijk isoleren’ en ‘ontheffing pre-SMP’
Voorwaarde 2: De gemeente beschrijft in een pre-Soortenmanagementplan hoe het verlies aan robuuste kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. De gemeentelijke compensatietaakstelling wordt door de provincie modelmatig berekend. Na twee jaar moet er een volwaardig SMP zijn.
Maximumaantal deelnemende woningen: Per CBS-buurt mogen maximaal 30% van de te isoleren particuliere grondgebonden woningen worden geïsoleerd. Het maximale aantal deelnemende woningen van 30% over twee jaar tijd wordt onderverdeeld in maximaal 10 % in de eerste fase van de looptijd en in de tweede fase het aanvullend aantal deelnemers tot 30%. Mocht fase 1 langer dan 12 maanden duren dan is voor elke maand dat de fase langer duurt het maximaal aantal deelnemers 1% meer. Het maximum van 30% over 2 jaar blijft dan gelijk. In fase 1 mag enkel op de te isoleren woningen tevens zonnepanelen worden geplaatst. In fase 2 mag ook op niet te isoleren woningen zonnepanelen worden geplaatst. Op platte daken mogen altijd zonnepanelen worden geplaatst.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
16
Hoofdstuk 4 “Natuurvriendelijk Isoleren” beschrijft de verplichte werkwijze waarmee het doden van gebouwbewonende soorten wordt zoveel mogelijk wordt voorkomen en noemt per type isolatievorm een compensatietaakstelling (voorwaarde 1). Hoofdstuk 5 “Meldingssysteem” geeft vervolgens een overzicht hoe de particuliere isolatie moet worden aangemeld om gebruik te kunnen maken van de gebiedsgerichte ontheffing. Bijlage III betreft de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Hoofstuk 6 “Gemeentelijk pre-Soortenmanagementplan” werkt bovengenoemde ‘voorwaarde 2’ uit en geeft aan hoe gemeenten de gemeentelijke compensatietaakstelling kunnen realiseren. Hoe deze gemeentelijke compensatietaakstelling is berekend is uitgewerkt in hoofdstuk 7 “Ecologisch onderzoek en effectenanalyse”. Bijlage I “Effectenanalyse en de pre-SMP methodiek” gaat hier nog dieper op in. In bijlage II “Juridische onderbouwing van ontheffingen” is tenslotte de bredere verantwoording van deze methodiek in relatie tot de wettelijke kaders te vinden. Hierin is een uitgebreide ‘alternatievenafweging’ opgenomen die verantwoordt waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn en waarom andere opties onvoldoende tegemoetkomen aan de gestelde eisen voor de pre-SMP-methodiek.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
17
HOOFDSTUK 4 NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN De eerste voorwaarde 1 voor het verkrijgen van een gebiedsgerichte ontheffing betreft het “Natuurvriendelijk isoleren”. “Huiseigenaren en isolatiebedrijven isoleren conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren” zoals opgenomen in bijlage III. Per woning worden voorzieningen aangebracht en wordt het doden van dieren zo veel mogelijk voorkomen (door het tijdig natuurvrij maken). De particulier of het isolatiebedrijf namens de particulier meldt de isolatie bij de gemeente om te kunnen werken onder de ontheffing.” De methodiek van het ‘Natuurvriendelijk isoleren’ heeft de volgende twee doelstellingen: 1. Het doden van vogels (inclusief eieren) en vleermuizen zo veel mogelijk te voorkomen; 2. Het verlies van verblijfplaatsen te beperken. Beide doelen worden per woning noodzakelijk en haalbaar geacht. In bijlage III zijn de spelregels van het ‘Natuurvriendelijk isoleren’ uitgewerkt. In paragraaf 4.1 ‘Voorkómen van doden’ wordt toegelicht waarom dit een belangrijk onderdeel is van de pre-SMP methodiek. Paragraaf 4.2 ‘Particuliere compensatie’ beschrijft welke verblijfplaatsen met de verduurzaming worden geschaad en waarom compensatie hiervan belangrijk is. Ook de kwaliteitseisen aan de alternatieve voorzieningen worden toegelicht. In paragraaf 4.3 wordt zowel de werkwijze ter voorkoming van doden als de compensatieeis uitgelegd.
Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen de volgende isolatievormen: binnendakisolatie, buitendakisolatie, isolatie van borstweringen en isolatie van spouwmuren, isolatie van muren via voorzetisolatie aan de binnenzijde of aan de buitenzijde en het plaatsen van zonnepanelen. Een schematische samenvatting van de compensatietaakstelling is weergegeven in paragraaf 4.4. 4.1
Voorkómen van doden Verduurzamingmaatregelen kunnen gepaard gaan met fatale gevolgen voor vleermuizen en vogels. Ten aanzien van vogels speelt in het broedseizoen het risico dat door verstoring broedende vogels het nest verlaten. Alle vogels die broeden in huizen (dus niet enkel jaarrond beschermde nesten van de huismus en de gierzwaluw) zijn gevoelig voor verstoring. Ten aanzien van vleermuizen geldt dat deze soorten een zeer verborgen leefwijze hebben en diep in een spouw kunnen wegkuipen. Vaak wordt een plakkend isolatieschuim of met lijm vermengde isolatiekorrels gebruikt waarin vleermuizen vast komen te zitten en de dood vinden. Vleermuizen krijgen slechts één jong per vrouwtje per jaar en reproduceren daarmee langzaam. Daar komt bij dat de vrouwtjes in grote kraamgroepen samenkomen om te kramen. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
18
De aanwezigheid van een kraamgroep in een regulier woonhuis wordt meestal niet opgemerkt door de bewoner. Wordt dát huis in de kraamperiode geïsoleerd dan heeft dit enorme gevolgen voor de gemeentelijke populatie en in het ergste geval bij bijzondere soorten gevolgen voor een provinciale populatie. Bovendien zijn vleermuizen niet alleen in de kraamperiode erg kwetsbaar, maar zijn zij daarnaast in de winter inactief en verblijven dus lange aaneengesloten perioden in spouwmuren en onder daken. Het is daardoor van groot belang dat op het moment van isolatie geen vleermuizen in de woning aanwezig zijn. De spelregels hoe dit bewerkstelligt kan worden zijn uitgewerkt in bijlage III “De methodiek van het Natuurvriendelijk isoleren”. Met deze spelregels wordt voorkomen dat de betreffende verbodsbepalingen7 in de wet worden overtreden. Ontheffing van deze verbodsbepalingen kan zekerheidshalve verleend worden. Ontheffing van verbodsbepalingen ten aanzien van het vernielen van verblijfplaatsen is wel nodig. 4.2
Particuliere compensatie Bij het isoleren van particuliere grondgebonden woningen is er een reële kans dat verblijfplaatsen van vogels en gebouwbewonende vleermuissoorten (zoals laatvlieger, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis) worden aangetast. De kans op aanwezigheid van de verschillende vleermuissoorten is niet in alle situaties even groot. Met name in de gemeenten in westUtrecht is er kans op de aanwezigheid van meervleermuizen, zie tabel 4. In deze tabel geeft een X aan dat er een kans bestaat dat er negatieve effecten optreden voor werkzaamheden aan een specifieke woning, meer X-en geven een grotere kans weer. Tabel 4: Lijst met per soort de verblijfsfunctie die in particuliere grondgebonden woningen in provincie Utrecht kunnen voorkomen. ZV = zomerverblijf, KV = kraamverblijf, PV = paarverblijf, WV: winterverblijf. XXXX = algemeen, XXX = waarschijnlijk, XX = mogelijk, X = zelden, - = niet van toepassing, * = enkel te verwachten in west Utrecht, ** enkel te verwachten in WestUtrecht, ˜ Tweekleurige vleermuis komt voor in Maarssenbroek, (X) = in lage dichtheden, (?) = gegevens onbekend.
7 Artikel 3.1 van de wet: “Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als
bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen”. Artikel 3.5 van de wet: “Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.” NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
19
Bij het verdwijnen van beschikbare spouwen en geschikte daken verdwijnen ruimten waar de gierzwaluw en de huismus en gebouwbewonende vleermuizen verblijven. Het voortbestaan van populaties vogels en vleermuizen is afhankelijk van voldoende aanbod van verblijfsmogelijkheden. Aangezien het de doelstelling is op korte termijn een groot deel van de woningen te verduurzamen, heeft dit zoals benoemd in hoofdstuk 1 mogelijk ernstige gevolgen voor de populaties. Bovendien zijn de gebouwbewonende soorten doorgaans trouw aan hun gekozen locatie en wijken deze niet makkelijk uit naar andere gebieden. Voldoende aanbod van verblijfplaatsen gaat daarom over zowel aantallen, als om de ruimtelijke spreiding daarvan. Daarom gelden twee uitgangspunten: 1. Verduurzamen van particuliere woningen moet gefaseerd plaatsvinden. Zou een hele CBS-buurt in één keer onder het pre-SMP worden verduurzaamd dan wordt het volledige natuurlijke aanbod van verblijfplaatsen in één klap aangetast, zonder exact te weten welke verblijfplaatsen in een wijk aanwezig zijn. Het is de verwachting dat de populaties dan in deze wijken verdwijnen. Een volledige wijk isoleren onder het pre-SMP is daardoor niet verantwoord. In de pre-SMP methodiek geldt de regel dat in fase 18 maximaal 10% van een CBS buurt mag worden verduurzaamd.
In de tweede fase, als de essentiële verblijfplaatsen in beeld zijn, mag aanvullend tot maximaal 30% per CBS-buurt worden geïsoleerd. In totaal, na maximaal 24 maanden, is daardoor altijd nog minimaal 70% van de te verduurzamen particuliere woningen onaangetast en wordt een te zware last op de populaties voorkomen. In de daaropvolgende jaren mogen de andere woningen onder een SMP worden verduurzaamd. 2. Op elke woning moeten permanente alternatieve voorzieningen worden aangeboden zodat deze altijd binnen een redelijke range van de verloren verblijfplaats liggen.
Mocht fase 1 langer duren dan 12 maanden, dan geldt voor elke maand dat deze fase langer duurt een aanvullend maximaal aantal deelnemers van 1% per maand. 8
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
20
Pre-SMP-voorzieningen Bij woningen die onder de pre-SMP methodiek mogen worden geïsoleerd is het aantal mogelijkheden voor alternatieve voorzieningen beperkt door met name praktische uitvoerbaarheid en betaalbaarheid. Bij het vullen van de spouw met isolatiemateriaal wordt deze immers niet opengebroken, waardoor inbouwvoorzieningen als mogelijkheid afvallen. Door adviesbureau NatuurInclusief is een studie gedaan naar de verschillende eisen per soort en per functie en is geconcludeerd dat de meeste type verblijfplaatsen per soort goed te compenseren zijn in individuele woningen. Dat geldt echter niet voor de (grote) kraamverblijfplaatsen van vier vleermuissoorten, zoals weergegeven in tabel 5. Dergelijke voorzieningen zijn te complex om op elke woning te kunnen aanbieden. Hiervoor moet de gemeente robuuste compensatie verspreid over de gemeente realiseren. Massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen de bebouwde kom in particuliere woningen nagenoeg afwezig. Daar geldt geen compensatietaakstelling voor. Tabel 5: Verdeling compensatieplicht per vleermuissoort en verblijfsfuncties Soort
Zomerverblijf
Kraamverblijf
Paarverblijf
Kleine winterverblijf
Baardvleermuis Meervleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Tweekleurige vleermuis
Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier
Meeliftsoort Gemeente Particulier/Gemeente Particulier/Meeliftsoort Particulier/Gemeente Gemeente
Particulier Particulier Particulier Particulier ? -
Particulier Particulier Particulier Particulier -
Het compenseren van nestplaatsen van de huismus en de gierzwaluw is volledig een particuliere verantwoordelijkheid.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
21
Om aan zowel aan de eis van duurzaamheid, betaalbaarheid als ecologische kwaliteit tegemoet te komen, worden de volgende eisen gesteld aan de alternatieve voorzieningen:
Spouwverblijf Een spouwverblijf is een verblijfplaats die gecreëerd wordt door een met spouwborstels afgebakende ruimte in de spouwmuur vrij te houden van isolatiemateriaal. Daarin worden drie maatvoeringen gehanteerd; 30x30 cm (klein), 60x60 cm (middelgroot) en 100x100 cm (groot). In een lage gevel past een klein spouwverblijf van 30 x 30 cm en in hoge gevels (twee verdiepingen met bergzolder) Afbeelding 3: Groot spouwverblijf in nok van kopgevel (rode lijnen betreft de locatie van spouwborstels, met een nok een middelgroot (60x60 cm) of een groot blauwe vlak betreft een voorbeeld van een (100x100 cm) spouwverblijf. Het vrijhouden van een invliegopening) ruimte tot maximaal 100x100 cm heeft geen significante invloed op de isolatiewaarde, ook niet wanneer rekening wordt gehouden factoren als de binnentemperatuur en ventilatie (zie voor verdere uitwerking hiervan paragraaf 4.3 en 4.4). Deze afmetingen zijn groot genoeg om plek te beiden aan verschillende vleermuissoorten, maar klein genoeg om de isolatiewaarde van de woning op peil te houden9. De spouwverblijven dienen gecreëerd te worden aan de bovenzijde van de spouwmuur. Dit wordt gemaakt door bijvoorbeeld vanaf de bovenzijde een spouwborstel in een Uvorm in de spouw te brengen. Het verblijf blijft aan de bovenzijde open, zodat deze in verbinding staat met het dak en eventueel toegankelijk is via gevelpannen.
Daarnaast wordt een opening gecreëerd in de muur die toegang geeft tot het verblijf. Deze opening heeft een minimale afmeting van ca. 2 x 5 cm. De voorkeur gaat uit naar dit type verblijfplaatsen in plaats van naar externe kasten, omdat: • Een spouwmuur profijt heeft van de warmteopslagcapaciteit, waardoor deze stabieler in binnenklimaat is en ook in de winter langer vorstvrij blijft; • Een spouwmuur goed past bij het zoekbeeld van vleermuizen naar verblijfplaatsen, waardoor de acceptatiegraad hoog zal liggen; • Interne verblijven minder makkelijk in verval raken en daardoor een langere levensduur hebben.
Vleermuiskast type pre-SMP In sommige gevallen zal het technisch niet mogelijk zijn om in een woning het hierboven beschreven spouwverblijf te realiseren. Alleen in die specifieke gevallen mag er een externe vleermuiskast geplaatst worden. De volgende eisen worden gesteld aan een externe kast binnen de pre-SMP methodiek: • De kast heeft twee of meer lagen.
9
Naar berekeningen van Takkenkamp Groep B.V./VENIN, dd. 8-12-2021 en Atriensis dd. 29 maart 2023 NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
22
• •
•
Wanneer de gevel erg glad is (bijvoorbeeld beton) dient de kast een landingsplank te hebben, zodat vleermuizen de kast kunnen betreden. De kleur van de kast is bij voorkeur licht om de kans op oververhitting te verkleinen. Donkere kasten mogen alleen geplaatst worden op plekken waar de kasten grotendeels vrij zijn van zonbeschijning. Voor deze voorzieningen dient gebruik gemaakt te worden van duurzame materialen en wordt een levensduur van minimaal 15 jaar geëist.
Zowel de spouwverblijven als de vleermuiskasten type pre-SMP zijn geschikt voor alle type verblijven, genoemd in tabel 7 waar particulieren voor aan zet zijn deze te compenseren. De grote spouwverblijven worden geschikt geacht als kraamverblijf van de gewone dwergvleermuis. Mogelijk is de ruimte te beperkt voor een hele grote groep, al staat de ruimte in open verbinding met het dak. Of ander vleermuissoorten in de grote spouwverblijven zullen kramen is niet met zekerheid te zeggen, maar de grote spouwverblijven worden voor deze soorten tenminste als kansrijk ingeschat.
Vogelvoorzieningen De vogelvoorzieningen dienen zowel geschikt te moeten zijn voor de gierzwaluw als voor de huismus. Omdat gierzwaluwen niet broeden in huismuskasten, maar huismussen wel in gierzwaluwkasten, wordt er vanuit het oogpunt van efficiëntie gekozen voor verblijfplaatsen waar beide soorten gebruik van kunnen maken. De volgende eisen worden gesteld aan vogelvoorzieningen: • De binnenmaten van de nestruimte moet minimaal 30 cm (breedte) x 13 cm (diepte) x 13 cm (hoogte) zijn. • De opening moet 6,5 cm breed en 3 cm hoog zijn en niet hoger dan 2 cm boven de bodem gepositioneerd zijn. • Voor deze voorzieningen dient gebruik gemaakt te worden van duurzame materialen en wordt een levensduur van minimaal 15 jaar geëist. Verantwoording en afwijking In de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren” is uitgewerkt waar de voorzieningen in of op de woningen moeten worden gepositioneerd. Het adviesrapport ten aanzien van de particuliere compensatieverplichting is terug te vinden in het rapport NatuurInclusief & Viridis, zie bijlage VI. Op enkele onderdelen wordt echter, in een afweging binnen het totaal aantal inzichten, afgeweken van het genoemde rapport. De afwijkingen worden toegelicht in § 2 van de alternatievenafweging in bijlage II ‘Juridische onderbouwing ontheffingen.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
23
4.3
Werkwijze ter voorkoming van doden en compensatietaakstelling In deze paragraaf wordt per isolatievorm toegelicht welke werkwijze moet worden gehanteerd ter (zoveel mogelijk) voorkoming van (1) het doden van dieren en (2) welke compensatietaakstelling geldt. Bij elke isolatievorm zal steeds eerst worden weergeven welk effect de werkzaamheden naar verwachting hebben op het doden van dieren en op het verlies van verblijfplaatsen.
4.3.1 Spouwmuurisolatie Definitie: Het vullen van de bestaande spouw door het inspuiten van isolatiematerialen, inclusief het afdichten van kieren. (1) Voorkómen van doden bij spouwmuurisolatie
Effect
De kans op vogelnesten in spouwen onder de 8 cm is nihil. Nesten in spouwen ruimer dan 8 cm zijn mogelijk aanwezig als dwarsconstructies de nesten kunnen ondersteunen. Omdat een gemiddelde spouw 5 tot 7 cm breed is, nestelen vogels niet veelvuldig in de spouw. Wel broeden zij regelmatig boven op de spouw. Vleermuizen in een toegankelijke spouw zijn zonder veldonderzoek nooit uit te sluiten en worden bij aanwezigheid tijdens het vullen van de spouw ingesloten en gedood. Om die reden wordt veel belang gehecht aan het voorkómen van doden van vleermuizen bij isolatie.
Vereisten
Vereiste: Alle spouwen moeten altijd natuurvrij worden gemaakt voordat gestart mag worden met de spouwmuurisolatie. Alleen als er geen openingen zijn bij het dak, via stootvoegen of kozijnen kunnen vleermuizen worden uitgesloten, en is natuurvrij maken niet nodig. Is de woning tijdig conform de Natuurkalender natuurvrij gemaakt, dan kan jaarrond worden geïsoleerd. Ook in de kwetsbare kraamperiode (rood), het broedseizoen van vogels (rood) of in de winterperiode van vleermuizen (oranje) kan worden geïsoleerd, zolang de vleermuizen en de vogels vóór die kwetsbare periode zijn buitengesloten.
Natuurvrij maken van spouwmuren Het natuurvrij maken van spouwmuren is mogelijk door “het aanbrengen van een fysieke beperking van de toegankelijkheid tot de gebouwen voor vleermuizen en vogels”, uiteraard zonder ze in te sluiten. Voor vogels komt het erop neer dat buiten het broedseizoen (1 april – 1 augustus) de bovenzijde van de spouw wordt dichtgemaakt met bijvoorbeeld een horizontale spouwborstel. Het isolatiemateriaal komt dan niet verder dan de bovenzijde van de muur. Voor vleermuizen vergt het natuurvrij maken meer werk.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
24
De essentie is dat de toegang wordt afgedekt in combinatie met voldoende uitgangen waarbij vleermuizen hun verblijfplaatsen kunnen ontvluchten, maar niet meer kunnen terugkeren. Dit kan bijvoorbeeld door over uitvliegopeningen exclusion flaps te plaatsen. Het vleermuisvrij maken gebeurt door het plaatsen van vleermuiswerende maatregelen door het afdichten van kieren, gaten, et cetera die groter zijn dan 7 mm. Ook de toegang tot de spouw via aangrenzende gebouwen of via het dak moet worden afgesloten door middel van vleermuiswerende voorzieningen. Het belangrijkste aandachtspunt bij natuurvrij maken is dat deze methode zorgvuldig moet worden gepland. Het aanbrengen van vleermuiswerende maatregelen moet plaatsvinden conform de Natuurkalender. Worden spouwmuren volgens deze kalender natuurvrij gemaakt, dan is spouwmuurisolatie jaarrond toegestaan.
Deze natuurkalender is specifiek opgesteld voor spouwmuurisolatie en wijkt op een aantal onderdelen af van de natuurkalenders die van toepassing zijn bij sloop- en renovatiewerkzaamheden. Winterperiode: Vleermuizen zijn tussen 1 november en 1 maart inactief (vergelijkbaar met een winterslaap) en vliegen die maanden zelden uit om eten te zoeken. Het aanbrengen van vleermuiswerende maatregelen kan dan wel, maar pas na 1 maart worden vleermuizen weer actief en kan een woning dan ook natuurvrij worden verklaard. Dieren kunnen in de winter het pand wel verlaten zodat zij indien gewenst naar vorstvrije winterverblijfplaatsen kunnen uitwijken. Kraamperiode: In de kraamperiode (die globaal loopt van 1 april tot 1 augustus) als er nog geen “vlieg vlugge” jongen zijn, is het natuurvrij maken onverantwoord en mag niet plaatsvinden. Volwassen vleermuizen zullen het pand wel verlaten, maar de jongen blijven achter. Vleermuiswerende maatregelen mogen niet worden aangebracht in de periode van 1 april tot 1 augustus. Met oog op het broedseizoen van vogels dient de maatregelen vóór 1 april te zijn aangebracht. Deskundigheid: Het natuurvrij maken van spouwmuren is tot nog toe een handeling waarvoor de betrokkenheid van een ecoloog noodzakelijk wordt geacht.
Onze inschatting is echter dat de uitvoerenden binnen de isolatiesector hierin bekwaam gemaakt kunnen worden door middel van een korte opleiding. Het natuurvrij maken van spouwmuren mag binnen de methodiek van het pre-SMP daarom door het isolatiebedrijf zelf plaatsvinden, op voorwaarde dat de bijbehorende training met succes is afgerond. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
25
Effect
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij spouwmuurisolatie Vogels nestelen op de spouw, maar ook soms in diepere spouwen (8 cm of meer). Er moeten dan wel open stootvoegen of kieren bij kozijnen zijn van ten minste 2 cm breed of moet de spouw bereikbaar zijn via de dakrand. Ook kunnen openingen in de muur de invliegopening zijn voor nesten onder het dak. Vleermuizen verblijven veelvuldig in de spouw en deze ruimte verdwijnt bij het isoleren. In spouwen komen veel verschillende verblijfplaatsen voor, waaronder kraamverblijfplaatsen. Particulieren hebben een compensatietaakstelling ten aanzien van zomer- en paarverblijfplaatsen en deels ten aanzien van kraamverblijfplaatsen. Bij de compensatietaakstelling wordt allereerst onderscheid gemaakt op grond van de spouwdiepte. Is een spouw smaller dan 8 cm, of heeft een spouw geen toegangen van 2 cm breed, dan is aannemelijk dat er geen vogels aanwezig zijn. Er geldt dan enkel een compensatieplicht voor vleermuizen. Is de spouw dieper dan 8 cm, en toegankelijk voor vogels dan geldt ook een compensatieplicht voor het mogelijke verlies van verblijfplaatsen van vogels.
Vereisten
Bij de compensatietaakstelling wordt vervolgens onderscheid gemaakt tussen type woningen. Dit onderscheid is van belang omdat het geveloppervlak tussen de verschillende woningtypen verschilt. Een tussenwoning wordt gedefinieerd als ‘een woning waar doorgaans twee gevels worden gedeeld met de aangrenzende woningen’. Bij een tussenwoning worden dan maximaal twee gevels geïsoleerd. Een hoekwoning wordt gedefinieerd als ‘een woning waar doorgaans één gevel wordt gedeeld met een aangrenzende woning en is vergelijkbaar met een tweeonder-één-kapwoning’. Hier zijn in de regel drie te isoleren gevels aanwezig. Een vrijstaande woning beschikt over vier te isoleren gevels. De vereisten voor vleermuizen: • Maak bij tussenwoningen per gevel een klein spouwverblijf van 30x30 cm. Deze spouwverblijven zijn ter vervanging van zomer- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen. • Bij hoekwoningen moet één middelgroot spouwverblijf van 100x100 cm worden vrijgehouden in de nok voor kraamgroepen. • In geval van een vrijstaande woning moet in de nok een groot spouwverblijf van 100x100 cm worden aangebracht voor kraamgroepen. • Is de hoekwoning of vrijstaande woning echter lager dan twee bouwlagen met een vliering (zoals een seniorenwoning) dan geldt de verplichting van een klein spouwverblijf per gevel.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
26
Vereisten
Afwijkingen: Bij het isoleren van de spouw is naast het realiseren van spouwverblijven ook het plaatsen van externe vogel- en/ of vleermuiskasten als optie genoemd. Deze alternatieve optie komt alleen in beeld indien het technisch onmogelijk is een spouwverblijf te realiseren, door bijvoorbeeld de positionering van een raam. Spouwverblijven verdienen de voorkeur met oog op levensduur en stabielere temperatuur. •
Kan om technische redenen (met bewijslast via de meldingsapplicatie) geen klein spouwverblijf worden gerealiseerd, dan mag dit worden vervangen voor een vleermuiskast, zolang het aantal voorzieningen gelijk blijft. Een speciale inbouwkast (eventueel met isolatie achterwand) heeft de voorkeur, als er geen uitsparing in de muur gecreëerd kan worden.
•
Kan om technische redenen (met bewijslast via de meldingsapplicatie) in een hoekwoning geen groot spouwverblijf worden gerealiseerd dan mag dit worden vervangen voor één middelgroot spouwverblijf en twee kleine spouwverblijven of bij uitzondering drie vleermuiskasten of vleermuisvoorzieningen.
•
Kan om technische redenen (met bewijslast via de meldingsapplicatie) in een vrijstaande woning geen groot spouwverblijf kan worden gerealiseerd, dan mag dit worden vervangen door één middelgroot spouwverblijf met drie kleine spouwverblijven of als het echt niet anders kan een klein spouwverblijf per gevel. In uitzonderlijke gevallen is een vleermuiskast per gevel een optie (motivering verplicht). Op deze manier krijgt elke gevel een klein spouwverblijf en blijft er een ruim aanbod met variatie in expositie voor de zomer- en paarverblijfplaatsen.
Het vervangen van grote spouwverblijven voor meerdere kleine spouwverblijven of voor kasten lijkt nadelig voor het aanbod en de spreiding van kraamverblijfplaatsen, maar uit berekeningen (bijlage I ‘Effectenanalyse in de preSMP methodiek’) blijkt dat een mogelijk verlies van een kraamverblijfplaats in ruime mate wordt gecompenseerd. Het vervangen van grote verblijven voor kleine is daardoor, in gevallen dat het technisch noodzakelijk is, ecologisch aanvaardbaar geacht.
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
27
Vereisten
De vereisten voor vogels: Is de spouw 8 cm of dieper en is de spouw toegankelijk via stootvoegen van meer dan 2 cm breed of via de dakrand, plaats dan ook twee vogelvoorzieningen. Een groter aantal voorzieningen wordt, gezien de beperkte kans dat vogels daadwerkelijk nestelen in spouwen, niet nodig geacht. Afwijkingen: Het plaatsen van de twee vogelvoorzieningen mag geheel achterwege worden gelaten als de bovenzijde van de spouw open is (en voor vogels toegankelijk is via de dakranden) en de spouw tot 10 cm onder de rand wordt gevuld. Zo blijft er ruimte om boven op de spouw te kunnen broeden.
Vereisten spouwmuurisolatie Spouw < 8 cm
Spouw > 8 cm met open stoofvoegen van minimaal 2 cm breed of toegangen via dakrand
Tussenwoning of lage woning 1 klein spouwverblijf per gevel Alternatief: 1 vleermuiskast per gevel
Hoekwoning
Vrijstaande woning
1 groot spouwverblijf per woning Alternatief: 1 Middelgroot spouwverblijf en 2 kleine spouwverblijven Of: 1 klein spouwverblijf per gevel dan wel 1 vleermuiskast per gevel
1 groot spouwverblijf per woning Alternatief: 1 middelgroot spouwverblijf en 3 kleine spouwverblijven Of: 1 klein spouwverblijf dan wel 1 vleermuiskast per gevel
2 vogelvoorzieningen extra op de compensatie voor het isoleren van een spouw < 8cm
NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
28
4.3.2 Dakisolatie binnenzijde Definitie: het isoleren van pannendaken aan de binnenzijde door aan het dakbeschot isolatiemateriaal te bevestigen waarna de binnenwand-afwerking eroverheen wordt geplaatst. Het dak zelf mag hierbij niet beroerd worden. Ook een ruimte vullen tussen dakbeschot en binnenwandafwerking met gespoten isolatiemateriaal is niet toegestaan in de pre-SMP methodiek. (1) Voorkómen van doden bij dakisolatie binnenzijde Doden van vogels: Bij binnendakisolatie wordt het dak zelf fysiek niet aangepakt dus het direct doden van vogels of broedsel is niet aan de orde. Ook indirect wordt de kans op het doden van vogels of broedsel verwaarloosbaar geacht. Door binnendakisolatie kan het klimaat enigszins veranderen onder daken (de warmteafgifte richting zolder wordt immers belemmerd) maar de eerste onderzoeksresultaten lijken geen betekenisvolle verschillen waar te nemen tussen daken die van de binnenzijde zijn geïsoleerd en daken die niet zijn geïsoleerd 10. Op de schaduwzijde wordt enig effect geheel uitgesloten.
Effect
Doden van vleermuizen: Bij binnendakisolatie verandert de temperatuur onder het dak mogelijk, maar naar verwachting is dit niet van invloed op zomer- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen. Paarverblijfplaatsen zijn in gebruik buiten de perioden dat het erg warm of juist erg koud wordt onder daken. In de zomer verblijven vleermuizen in zeer veel verschillende type verblijfplaatsen. Het wordt erg onwaarschijnlijk geacht dat daken door binnendakisolatie een functie in de zomer verliezen. Voor kraamverblijfplaatsen is het microklimaat van groter belang, maar wordt de kans op het doden erg klein geacht. Vleermuizen zijn mobiel en kunnen ten tijde van de binnendakisolatie met hun jongen verplaatsen. Let op: zijn er in de huidige situatie mogelijkheden voor vogels om langs het dakbeschot in de zolder te komen, dan kunnen vleermuizen of broedende vogels ingesloten raken, zie hiervoor de volgende vereisten.
10
Voorlopige conclusie tijdens expertbijeenkomst ‘Na-isolatie en vogels, 2 december 2021’ op basis van de twee pilotonderzoeken in 2021 door Bureau Waardenburg en Altenburg en Wymenga. Onderzoeksresultaten worden in 2022 gepubliceerd en indien daar aanleiding voor is opgenomen in de pre-SMP methodiek. NATUURVRIENDELIJK ISOLEREN ONDER HET PRE-SMP
29
Vereisten
Binnendakisolatie kan jaarrond plaatsvinden, als het dakbeschot niet passeerbaar is. Is het dakbeschot wel passeerbaar, dan gelden de volgende vereisten: Ten aanzien van vogels mag het binnendak tijdens het broedseizoen (1 april tot 1 augustus) alleen worden geïsoleerd als een ecoloog verklaart dat er geen nesten worden afgesloten door de werkzaamheden. Buiten het broedseizoen kan het dak wel zonder aanwezigheid van een ecoloog worden geïsoleerd. Ten aanzien van vleermuizen moet er vóór of tijdens de binnendakisolatie gelet worden op vlindervleugels of makkelijk te verpulveren poepjes op de zolder 11. Worden deze aangetroffen dan moet een ecoloog worden ingeschakeld om te zoeken naar weggekropen vleermuizen. Wordt er een vleermuis gevonden, dan moet worden gewacht tot de veermuis uit eigen beweging vertrekt.
Effect
(2) Particuliere compensatietaakstelling bij dakisolatie binnenzijde Het dak wordt voor vleermuizen warmer in de zomer en kouder in de winter, maar paar- en zomerverblijfplaatsen worden hier niet mee geschaad omdat hier weinig eisen aan worden gesteld. Kraamverblijfplaatsen worden hier mogelijk wel door geschaad, maar het verlies van kraamverblijfplaatsen in daken valt niet onder de particuliere taakstelling voor compensatie. Kunnen vogels of vleermuizen echter langs het dakbeschot komen, en worden die openingen met binnendakisolatie gedicht, dan verdwijnt mogelijk een zomer- of paarverblijfplaats van een vleermuis of een nest van een vogel. Gewone grootoorvleermuizen verblijven bijvoorbeeld graag op zolders.