CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Park Rapijnen

Raadsvergadering 22 april 2024, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Park Rapijnen, Linschoten35.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

38

4.8

Water

4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

39 In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 Het provinciaal bodem- en waterbeleid is gebundeld in het "Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022- 2027". Er wordt invulling gegeven aan het wettelijk verplichte regionaal Waterprogramma en de ambities en het beleid uit de omgevingsvisie worden verder uitgewerkt. Eén van de beleidsthema's in de omgevingsvisie is een klimaatbestendig en water robuust watersysteem dat duurzaam wordt ingezet, en dat veerkrachtig kan omgaan met neerslag en droogte. Tevens richt het zich op voldoende en schoon drinkwater, de KRW-doelstellingen en veilig en verantwoord omgaan met duurzame energie. In het "Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027" staan verschillende doelen beschreven.

Als overkoepelend thema moet de ondergrond nu en in de toekomst duurzaam, zorgvuldig en veilig worden gebruikt, en moet het lineaire (drink)watersysteem zijn omgebouwd tot een circulair systeem. Tevens wordt er ingezoomd op schoon oppervlaktewater, een schone bodem en schoon grondwater, een goede bodemkwaliteit, voldoende water, waterveiligheid en tot slot energie uit bodem en water. Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 22 december 2021 heeft het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft de ambities en inzet van het hoogheemraadschap om de waterdoelen voor dit gebied te bereiken. Het is een wettelijk verplicht document dat zij elke zes jaar maken. Daarbij houden zij rekening met Europese en landelijke richtlijnen en plannen, en visies van andere overheden. Het hoogheemraadschap legt de focus op de nieuwere opgaven en ambities, maar geeft via zes ‘portretten’ van medewerkers ook een beeld van (de veranderingen in) haar reguliere beheertaken. Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

40

De koers voor 2022-2027 is samengevat als ‘stroomopwaarts samen voor de toekomst’. Het waterschap wil transparant, doelmatig en effectief bijdragen aan gezond leven in een toekomstbestendig gebied. Klimaatadaptatie, de energietransitie, circulariteit, bodemdaling, droogte en biodiversiteit hebben allemaal een watercomponent en vragen betrokkenheid. Het waterschap kiest in haar koers 2022-2027 voor een actieve rol in deze opgaven, volgens twee lijnen: • Stroomopwaarts samen voor het gebied. • Zuiver en duurzaam voor de toekomst. De koers is verder uitgewerkt in vier inhoudelijke thema’s. Per thema zijn in het WBP de hoofddoelen en operationele doelen opgenomen. De vier thema’s zijn: • Zuiver afvalwater. Energieneutraal en circulair. • Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied. • Waterveilige leef- en werkomgeving. • Waterbewust leven en genieten van water. Ook bevat het WBP een gebiedsuitwerking met bijbehorende wateropgaven en gebiedsaanpak. Het beheergebied van het waterschap is divers, van het natte veenweidegebied in het westen, via het stedelijke middengebied tot de hogere zandgronden in het oosten. Per deelgebied zijn de wateropgaven verschillend en werken we met andere partners. Het waterschap zoekt actief aansluiting op gebiedsontwikkelingen om te kunnen sturen op een robuust en gezond watersysteem en een klimaatbestendige inrichting.

Het WBP bevat de belangrijkste opgaven en aanpak voor het hele gebied en per deelgebied. Keur en legger In de keur van HDSR is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning hemelwater, afkomstig van nieuw verhard oppervlak, versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, dienen maatregelen te worden genomen om de negatieve effecten te voorkomen. De minimale oppervlakte waarvoor dit geldt bedraagt binnen de bebouwde kom 500 m 2 en buiten de bebouwde kom 1.000 m2 nieuw verhard oppervlak. Het hoogheemraadschap heeft een rekenmodel ontwikkeld om de wateropgave als gevolg van klimaatontwikkelingen in beeld te brengen. Uitgangspunten hierbij zijn: • de maximale afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha; • de maximale peilstijging van 15 cm voor veen, 20 cm voor klei en 30 cm voor zand, ten opzichte van waterpeil (2,06 m -NAP); • een maatgevende neerslagsituatie met een herhalingstijd T=100 jaar. In het handboek Watertoetsproces is door het HDSR beschreven hoe zij invulling geeft in waterhuishoudkundige aspecten. Bij een toename van verhard oppervlak van minimaal 500 m² in stedelijk gebied of 1.000 m² in landelijk gebied, is de algemene richtlijn dat er 15% van de toename aan verhard oppervlak door het graven van extra waterberging gecompenseerd wordt.

4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

41 Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Bestaande situatie Afbeelding 4.3 toont een uitsnede van de legger van het hoogheemraadschap, waarop het bestaande watersysteem in de omgeving van het plangebied te zien is. In en rondom het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Ten noordwesten van het plangebied loopt de Montfoortse Vaart, haaks daarop loopt een watergang langs de noordoostrand van het plangebied. Deze primaire watergangen vormen globaal de begrenzing van het huidige Sportpark Rapijnen, en vallen buiten het plangebied. Waar deze watergangen elkaar kruisen zijn een sifon en afsluiter aanwezig. De watergang tussen de woonwijk Rapijnen en het perceel 1929, die voor een deel door het plangebied loopt, is ook een primaire watergang. Bij de overgang van peilgebieden (op de hoek van de bestaande woonwijk) is een stuw aanwezig. De overige sloten in het plangebied zijn op de legger aangeduid als tertiair oppervlaktewater. Wat betreft de waterhuishouding, ligt het plangebied in hetzelfde peilgebied als het aangrenzende landelijk gebied. Het gebied heeft een flexibel peil van -1,83 m. t.o.v. NAP in de zomer en -1.93 m t.o.v. NAP in de winter.

Ondanks de lagere ligging van de polsstokaccommodatie valt het terrein in hetzelfde peilgebied als de woonwijk. Hierdoor blijft het waterpeil van de springbak op hetzelfde, gewenste niveau. Afbeelding 4.4 geeft de waterhuishouding en peilgebieden in de omgeving weer.

Afbeelding 4.3: Uitsnede legger Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

42

Afbeelding 4.4: bestaande situatie watersysteem in de omgeving van het plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, 3 november 2022).

Toekomstige situatie Voor het water vormt de oorspronkelijke landschappelijke structuur de basis. Ook in de huidige situatie is het oude slotenpatroon herkenbaar. In Park Rapijnen is het bestaande slotenpatroon zo veel mogelijk intact gelaten en is daar met nieuw water op aangesloten. Het groen en het water kunnen in het plan eigenlijk niet los van elkaar worden gezien. Het huidige water en het nieuw te maken water vormen samen met de oevers een doorgaande structuur. Het recreatieve groen sluit aan op deze structuur en vormt in zichzelf ook weer een aaneengesloten gebied. Door de groenstructuur wordt het gebied een eenheid met een duidelijke eigen identiteit. Bovendien zorgen boomsingels, watergangen en greppels voor een zachte overgang naar het aangrenzende open landschap.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

43

Afbeelding 4.5: toekomstige waterstructuur in het plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, 3 november 2022).

Watersysteem Voor een goede drooglegging wordt voor het Park Rapijnen een nieuw vast peil geïntroduceerd. Dit peil ligt lager dan het peil van de bestaande woonwijk Rapijnen. Dit betekent dat aan de oostzijde van het plangebied de nodige stuwende maatregelen moeten worden genomen. Om de waterkwaliteit in Park Rapijnen te verbeteren wordt een nieuwe inlaat bij de Montfoortse Vaart gerealiseerd. Dit leidt tot een nieuwe primaire watergang. Op de plek van het nieuwe honk- en softbalveld wordt de bestaande primaire watergang omgelegd naar de watergang ten zuiden van het plangebied. Alle watergangen in het plangebied worden bij onderbrekingen door bijvoorbeeld wegen met duikers met elkaar verbonden. In de bestemmingsplanregels is voor de primaire watergangen de bestemming ‘Water’ opgenomen. Secundair- en tertiair water valt binnen de bestemming ‘Groen’, met uitzondering van de watergang ten zuiden van de aaneengeschakelde woningen in de Dorpsrand.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

44

Afbeelding 4.6: toekomstige situatie watersysteem in de omgeving van het plangebied (bron: Fagus, 22 februari 2024)

Waterveiligheid Activiteiten binnen het beperkingengebied (kern- of beschermingszone) van een waterkering zijn veelal vergunningplichtig. De goede staat en werking van waterkeringen moet gewaarborgd blijven. Ook moet doelmatige inspectie mogelijk blijven en moet de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten in stand kunnen worden gehouden. Een gedeelte van het plangebied ligt in de beschermingszone van een waterkering. Deze zone wordt gerespecteerd in het toekomstige plan en de regels die hierbij gelden worden overgenomen in dit bestemmingsplan. Waterkwantiteit In de huidige situatie is 22.685 m2 van het plangebied verhard. In de toekomstige situatie bedraagt de totale verharding 32.292 m2, waarvan 6.098 m2 bebouwd. De overige verharding is ten behoeve van de wegen, parkeerplaatsen, tuinen en sportvoorzieningen. Door de toename van verharding in het gebied is extra water nodig om de door de toegevoegde verharding ontstane versnelde afvoer van regenwater op te vangen. De toename aan verharding leidt tot een watercompensatie-eis van 2.242 m2 (bij een piekbui van 70 mm). Door het dempen van een gedeelte van de bestaande watergangen dient daarnaast 640 m 2 aan water binnen het plangebied te worden gecompenseerd. In totaal dient er dus 2.882 m 2 water in het plan te worden gecompenseerd. In totaal is er ca. 3.500 m2 extra water in het plangebied voorzien.

Dit extra water heeft in het plan een plek gekregen door de primaire watergang deels te verbreden, nieuwe watergangen te maken en te verbinden, en door een grote waterpartij centraal in het park. Ook de bestaande waterstructuur heeft een belangrijke rol in de opvang, infiltratie en afvoer van het hemelwater. Zo heeft de watergang achter de twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen op de grens met het landelijk gebied ook een rol in de infiltratie en afvoer van hemelwater voor de betreffende woningen.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

45 Afvalwaterketen Binnen de gemeente wordt het afvalwater gescheiden ingezameld. Er zal dan ook een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Het huishoudelijk afvalwater wordt met een aparte leiding aangesloten op het gemeentelijke vuilwaterriool. Het hemelwater komend vanaf daken en wegen wordt met een apart stelsel rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. Om vervuiling van het oppervlaktewater tegen te gaan mogen geen uitlogende stoffen (zoals koper, zink, lood etc.) in het plan (dak- en gevelbedekking, dakgoten etc.) worden toegepast. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Klimaatadaptatie Door de verandering van het klimaat wordt het weer steeds extremer.

Meer en meer krijgen we te maken met hitte, droogte, wateroverlast door hevige regenbuien en kans op overstromingen. Binnen het plan is de verharding in het openbaar gebied tot een minimum beperkt, door het principe van shared space, open verharding en doorlatende halfverharding. Hierdoor wordt de opwarming van de openbare ruimte tot een minimum beperkt. In het plan is veel water opgenomen als buffer voor piekbuien. Het vele water en groen heeft ook een verkoelende werking bij extreem warme dagen. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer en onderhoud aan waterkeringen en hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. Voor de primaire watergangen is een onderhoudsstrook verplicht. Activiteiten binnen onderhoudsstroken zijn vergunningplichtig op grond van de keur. Onderhoudsstroken dienen (zwaar) onderhoudsmaterieel te kunnen dragen. Er mogen zich geen obstakels bevinden in de onderhoudsstroken. Afhankelijk van de breedte van watergangen worden deze varend of rijdend onderhouden.

De breedte van de onderhoudsstroken langs de watergang is afhankelijk van de breedte van de watergang en het soort onderhoud. In overleg met het waterschap is een onderhoudspad opgenomen. Deze zone heeft in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ gekregen. 4.8.3 Conclusie De verschillende waterthema’s leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Bro aan het waterschap voorgelegd en het waterschap heeft ingestemd met het plan.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

46 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen.

Gezien de voorgekomen ontwikkelingen is daarom onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Ecologische quickscan Door KP-Adviseurs is een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het woonhuis aan de Nieuwe Zandweg 23 mogelijk vaste verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen aanwezig kunnen zijn. Ter plaatse van het sportpark zijn mogelijk (essentiële) vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. Ten behoeve van een (eventuele) ontheffing op de Wet natuurbescherming is daarom nader onderzoek benodigd. Dit nader onderzoek is tevens uitgevoerd door KP-Adviseurs en opgenomen als bijlage 19 bij deze toelichting. De resultaten van het nader onderzoek worden hieronder samengevat: • Er zijn geen nestplaatsen of andere beschermde functies van de huismus aanwezig binnen of nabij Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

47

• • •

• • •

het plangebied. Er zijn geen nestplaatsen van de gierzwaluw aanwezig binnen of nabij het plangebied. Er zijn geen zomer-, kraam- of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen of nabij het plangebied. Ter plaatse van de Nieuwe Zandweg 28 is mogelijk een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Deze mogelijke verblijfplaats bevindt zich echter op ruime afstand van het plangebied en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen aanwezig ter plaatse van de lijnvormige structuren. Er zijn geen individuen of voortplantingsbiotoop aanwezig van de rugstreeppad. Er zijn geen verblijfplaatsen of andere functies van andere (beschermde) soorten aanwezig binnen het plangebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten is het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet nodig. Houtopstanden Door KP Adviseurs is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie is opgenomen in bijlage 9. De inventarisatie naar de bomen in het plangebied telt 145 bomen. Het betreffen grotendeels bomenrijen en struwelen met essen en elzen en sporadisch zomereiken. Over het algemeen hebben de aanwezige bomen een redelijke tot goede conditie. Aan de Laan van Rapijnen staan ter plaatse van de voorgenomen doorsteek vijf paardenkastanjebomen, deze hebben een goede conditie. Langs het Appellaantje staan 14 grote witte abelen (zilverpopulier). Deze bomen vormen een historische structuur en zijn in een goede conditie. Ditzelfde geldt voor de fruitbomen en de twee leilindes. Op het grasveld staan enkele Amerikaanse essen, een wilg (spec), Europese lork en een laurier (struweel). Ook deze zijn in een goede conditie. De struwelen met beuken, knotwilg en platanen aan de westzijde van het plangebied bevinden zich in verband met de groeibeperkingen in een redelijke conditie. Door de gemeente Montfoort is een aantal houtopstanden als waardevol beschouwd. Dit betreffen de bomenrijen van witte abelen, fruitbomen, leilindes en de struwelen ter plaatse van de polsstokclub (nrs. 6 t/m 29) en aan de oostzijde (nrs. 30 t/m 62).

Gelet op de huidige situatie zullen deze bomen geen gevaar opleveren. Voor de abelen is een Bomen Effect Analyse uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Uit deze analyse blijkt dat de kwaliteit van de bomen voldoende is, en er is een advies opgesteld hoe er gedurende de werkzaamheden met de bomen kan worden omgegaan. De Amerikaanse essen zijn niet aangewezen als waardevolle houtopstanden, indien wenselijk zouden deze gekapt of verplaatst kunnen worden. Ditzelfde geldt voor de Europese lork, laurier, struweel met beuken en struweel met platanen aan de westzijde van het plangebied. Om dit te kunnen verwezenlijken is toestemming van de huidige eigenaar (gemeente Montfoort) benodigd. Eventuele kapwerkzaamheden zullen worden voorgelegd aan de gemeente. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook maakt het plangebied geen deel uit van andere beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebied, beschermd weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Stikstof KuiperCompagnons heeft een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 11.

Hierin is beoordeeld of de bouw (aanlegfase) en het gebruik (gebruiksfase) van 98 nieuwe woningen en sportvoorzieningen in het plangebied leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

48

Rondom het project liggen diverse Natura 2000-gebieden. Voor het gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (circa 9 km afstand) geldt dat binnen dit gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 10 km afstand), Uiterwaarden Lek en Zouweboezem (circa 11 km afstand) en Oostelijke Vechtplassen (circa 13 km afstand). Uit het onderzoek blijkt dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de nieuwe woningen en sportvoorzieningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 4.9.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten naar beschermde dier- en plantsoorten blijkt dat het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet nodig is. Daarnaast is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling. Significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Gemeentelijk archeologiebeleid In 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Montfoort het Archeologiebeleid vastgesteld. Aanleiding is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.

Deze wet, die op 1 september 2007 van kracht is geworden, geeft aan dat de gemeente inzicht dient te hebben in de (te verwachten) archeologische waarden binnen haar grondgebied. Tevens is het voor de gemeente gewenst om bij geplande bodemingrepen en wijzigingen in bestemmingsplannen de archeologie al in een vroeg stadium bij de planvorming te kunnen betrekken. Hiertoe is het formuleren van een gemeentelijk archeologiebeleid essentieel. Voor het gehele grondgebied van de gemeente is een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische waarden en verwachtingenkaart en een maatregelenkaart opgesteld. Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

49 Op de waarden- en verwachtingenkaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachte archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologiebeleid opgesteld. De archeologische maatregelenkaart is afgeleid uit de archeologische waarden- en verwachtingenkaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Cultuurhistorie en landschap De gemeenteraad van Montfoort heeft op 14 maart 2011 de Erfgoedverordening gemeente Montfoort vastgesteld. Op grond hiervan kunnen gemeentelijke monumenten worden aangewezen, waarbij aansluiting is gezocht bij de omschrijving van een monument op grond van de Monumentenwet 1988. 4.10.2 Onderzoek Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied deels in een zone met een hoge archeologische verwachting, deels in een zone met een lage archeologische verwachting. Voor de zone met een hoge archeologische verwachting geldt dat ingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 50 cm -mv onderzoeksplichtig zijn. Voor de lage verwachting geldt dat alleen onderzoek benodigd is voor m.e.r.-plichtige ontwikkelingen.

Het noordelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Kern Linschoten’ (2011), en kent daarin de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Voor de hoge verwachting is daaraan de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 2’ toegekend, voor de lage verwachting ‘specifieke vorm van waarde – 4’, met dezelfde vrijstellingsgrenzen als op de beleidskaart. Het zuidelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012 geconsolideerd’ (2022). Voor de zone met de hoge archeologische verwachting is hierin de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen; voor de lage verwachting een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’, met dezelfde vrijstellingsgrens als op de beleidskaart. Naar verwachting wordt met de ontwikkeling de vrijstellingsgrens binnen het gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde overschreden. In dit kader heeft Vestigia een archeologisch (voor)onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder beknopt beschreven. Op basis van een eerder uitgevoerd bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde voor de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. In twee zones (zones 2 en 4) worden historische erven verwacht.

Een eventuele archeologische vindplaats uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen zal zich manifesteren als een archeologische laag; een humeuze, ontkalkte laag met daarin kleine fragmenten aardewerk en houtskool. Omdat de zones 1 en 5 naar verwachting deel uitmaken van de Linschotense stroomgordel geldt hier op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachtingswaarde en is daarom hier een karterend booronderzoek uitgevoerd. Zone 3 zal grotendeels in het komgebied hebben gelegen en daarom is hier een verkennend boorgrid gehanteerd. In het (zuid)westelijke deel van het plangebied zijn (oever- op) beddingafzettingen van de Linschotense stroomgordel aangetroffen. In het (noord)oostelijke deel van het plangebied bestaat het oorspronkelijke bodemprofiel uit komklei op veen. Het (zuid)westelijke deel van het plangebied maakte dus deel uit van de Linschotense stroomgordel en het (noord)oostelijke deel maakte deel uit van het komgebied. In de top van het bodemprofiel is in het zuidelijke weiland een 15 tot 50 cm dikke bouwvoor aanwezig. In het sportpark is dit een 20 tot 85 cm dik, heterogeen klei- en zandpakket. In zone 5 is in veel boringen een 60 tot 130 cm dik recent geroerd pakket aanwezig.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

50 In het bureauonderzoek werd aan de zones 1 en 5 een hoge archeologische verwachtingswaarde toegewezen vanwege de verwachte aanwezigheid van stroomgordelafzettingen van de Linschotense stroomgordel. Zone 3 kreeg een middelhoge archeologische verwachtingswaarde omdat eventuele archeologische waarden nog niet konden worden uitgesloten. Uit het booronderzoek blijkt dat de zones 3 en 5 deel hebben uitgemaakt van het komgebied en daarom is hier sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde. Zone 1 ligt weliswaar op de Linschotense stroomgordel, maar waarschijnlijk ontbreekt hier de top van de oeverafzettingen en de archeologisch kansrijke laag. Daarom geldt hier ook een lage archeologische verwachtingswaarde. In het sportpark en vooral in zone 5 is het oorspronkelijke bodemprofiel relatief slecht bewaard gebleven. Hier is sprake van een recente bodemverstoring die tot 85 a 130 cm onder het maaiveld reikt. In de zuidwestelijke zone ontbreekt echter de waarschijnlijk oorspronkelijk aanwezige sterk tot uiterst siltige kleilaag in de top van het bodemprofiel, de top van de oeverwal. Waarschijnlijk is deze laag gewonnen voor de baksteenfabricage. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren of archeologische lagen aangetroffen. In het gebied worden daarom geen archeologische waarden verwacht.

Advies In de zones 1, 3 en 5 worden geen archeologische waarden verwacht en daarom kunnen deze delen van het plangebied vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van de zone 6 is vastgesteld dat de ondergrond reeds tot ca. 1 m -mv is verstoord en dat hierbij de top van de verschillende afzettingen reeds is verstoord. Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat hier geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Voor het deel ter plaatse van Hoeve in ’t Veld (zone 2) wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd ter plaatse van de boringen waar archeologische indicatoren zijn aangetroffen om de vindplaats op een gedegen manier te kunnen waarderen. Deze zone is nog niet middels een selectiebesluit vrijgegeven. Voor de zone ter hoogte van de historische bebouwing (zone 4) wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd daar een booronderzoek eigenlijk niet geschikt is om historische bebouwing aan te tonen of uit te sluiten. Geadviseerd wordt om met twee á drie proefsleuven van ca. 25 x 4 m onderzoek uit te voeren naar eventuele resten van historische bebouwing. Hiermee wordt dan ca. 5 - 8 % van deze zone middels een proefsleuf onderzocht.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

51

Afbeelding 4.7: Archeologische advieskaart (bron: Vestigia)

Cultuurhistorie en landschap Cultuurhistorisch maakt de planlocatie deel uit van het uitgestrekte Hollands-Utrechtse veengebied in het nationale landschap Het Groene Hart. In de provinciale omgevingsverordening is het plangebied aangeduid als ‘CHS – agrarisch cultuurlandschap’. Het plangebied maakt daarnaast momenteel deels onderdeel uit van de polder Rapijnen, een open en weids landschap waarin de lange ontginningsslagen nog goed zichtbaar zijn in het slotenpatroon. Het gebied is ontgonnen vanaf de Nieuwe Zandweg, waarbij tussen deze weg en de Cattenbroekerdijk een wetering is aangelegd voor afwatering van de polder richting de Korte Linschoten. Dit cultuurhistorisch landschap is nog steeds in takt en dient binnen het plangebied als basis voor de stedenbouwkundige structuur van het langgerekte deel. Het oude slotenpatroon wordt gehandhaafd en opgewaardeerd zodat dit een natuurlijke grens vormt tussen de nieuwbouw en de wijk Rapijnen aan de ene kant en aan de andere kant de overgang vormgeeft tussen de nieuwbouw en het open landschap. Voor de bouw van de wijk Rapijnen, liep het open landschap door tot de historische dorpskern. Op enige afstand van de Nieuwe Zandweg lag, in een open veld, Hoeve In ’t Veld. Deze is na realisatie van de wijk Rapijnen nog een tijd gehandhaafd tussen de wijk en de sportvelden in, maar inmiddels verdwenen.

Het Appellaantje, die ook onderdeel in van de herontwikkelingslocatie, was de oorspronkelijke toegangsweg naar de hoeve. Dit laantje is opgenomen als groenstructuur met pad in de wijk en zal ook in Park Rapijnen gehandhaafd en opgewaardeerd worden. De nieuwbouw tast de cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet aan en wordt op landschappelijke wijze ingepast. Deze landschappelijke inpassing is verder beschreven in een beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage 14 bij deze toelichting is opgenomen. 4.10.3 Conclusie Vanuit archeologisch vooronderzoek wordt voor een beperkt gedeelte van het plangebied vervolgonderzoek aanbevolen (proefsleuvenonderzoek). Hiervoor dient eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag, de gemeente Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

52 Montfoort. Wanneer de resultaten van dit onderzoek beschikbaar zijn, zullen deze worden toegevoegd aan deze paragraaf. De overige delen zijn voldoende onderzocht en archeologisch vrijgegeven, waarvan zone 6 met de restrictie dat hier tot 1 meter minus huidig maaiveld mag worden gegraven. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. Dit is onder andere geborgd middels de archeologische dubbelbestemming in de regels.

4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Kader Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO 2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES).

De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers.

Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

53 komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm. Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht In 2022 hebben de provincie Utrecht, verschillende gemeenten en private partijen het Convenant duurzame woningbouw provincie Utrecht ondertekend. Vertrekpunt van dit convenant is de ambitie van de provincie Utrecht om de duurzaamheidsambities makkelijker en tegen lagere kosten onderdeel te maken van de grote woningbouwopgave. De provincie Utrecht staat namelijk voor een flinke bouwopgave. In de periode tot 2030 is de ambitie om jaarlijks 10.000 woningen te realiseren. Tot 2040 is er een opgave om tot 170.000 woningen te bouwen. Tegelijkertijd is er de taak om zo toekomstbestendig duurzaam mogelijk te bouwen. Het convenant brengt de belangrijkste duurzaamheidsthema’s samen en biedt een kader voor opdrachtgevende en opdrachtnemende partijen om de duurzaamheidsambities in de woningbouwopgave te integreren.

De thema’s waar het convenant zich op richt zijn: circulariteit, energie, klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, natuurinclusiviteit en gezondheid. Uitgangspunt zijn de landelijke doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, circulariteit en de energietransitie. Het convenant bestaat uit twee delen: de overwegingen en afspraken die de ondertekenaars onderschrijven en de bijlagen met daarin het toetsingskader. In het convenant zijn de afspraken, de intenties en het bijbehorend handelingsperspectief opgenomen. Om zoveel mogelijk gezamenlijk op te kunnen trekken, doet het convenant recht aan de verschillen in ambities van betrokken partijen. Daarom is één kader geïntroduceerd waarbinnen ruimte is voor de ambitieniveaus ‘brons’, ‘zilver’ en ‘goud’. Brons ligt dicht tegen het wettelijk minimum aan, zilver stijgt daar bovenuit en goud is echt een koplopers ambitie. In het convenant wordt een totaaloverzicht van het toetsingskader getoond (bijlage 1), waarna de inhoud van het kader verder is uitgewerkt (bijlage 2). Per onderwerp wordt beschreven wat het doel is, welke indicatoren daar onderdeel van uitmaken en welke normen passen bij brons, zilver en goud. 4.11.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt in ieder geval voldaan aan de wettelijke normen en vereisten.

Waar mogelijk wordt aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders onder meer vanuit gemeentelijk beleid en het Convenant Duurzame Woningbouw provincie Utrecht. In het stedenbouwkundig plan is al aandacht besteed aan verschillende duurzaamheidsaspecten en -maatregelen, die in deze paragraaf worden samengevat. In de uitwerking van de bouwplannen en inrichting van de openbare ruimte worden deze nog nader ingevuld. Klimaat De afgelopen decennia werd het warmer en zijn er hete zomers geweest. In het plan is rekening gehouden met het verminderen van hittestress. Het behouden van bestaande (grote) bomen en boomsingels zal ervoor zorgen dat er minder direct zonlicht de omgeving bereikt en er schaduwrijke plekken ontstaan om en rond de woningen. Daar waar het gebied open is, bijvoorbeeld in Het Park, zorgen grote solitaire bomen of boomgroepen voor schaduwrijke plekken. De verharding in het openbaar gebied is tot een minimum beperkt, door het principe van shared space, open verharding en doorlatende halfverharding. Hierdoor wordt de opwarming van de openbare ruimte tot een minimum beperkt. In het plan is veel water opgenomen als buffer voor piekbuien. Het vele water en groen heeft ook een verkoelende werking bij extreem warme dagen.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

54 Circulariteit De circulariteit van Park Rapijnen bestaat uit een aantal aspecten. Allereerst wordt in het plan zo veel mogelijk gestreefd naar een gesloten grondbalans. Het behouden van zoveel mogelijk bestaande bomen is de meest circulaire gedachte en is verder het uitgangspunt voor het plan. Hiernaast wordt bij de opstalontwikkeling onderzocht hoe er circulair gebouwd kan worden met verantwoord materiaalgebruik. Energie Nieuwe woningen in het gebied worden gerealiseerd volgens de nieuwe BENG-normen en zonder aardgasaansluiting. Er is dus alternatieve energieopwekking nodig. Door de zon- of schaduwrijke ligging van woningen zijn er verschillende mogelijkheden. Alle woningen in het plan liggen goed voor zonneenergie en kunnen verwarmd worden met individuele of collectieve warmtepompen. Voor alle technieken geldt dat er nader onderzoek noodzakelijk is welke techniek wordt toegepast en of het individueel of collectief moet worden uitgevoerd. Biodiversiteit De verschillende kwaliteiten van het landschap worden versterkt in het plan en dat vergroot de kansen voor biodiversiteit. De gradiënten van de taluds van de watergangen aan open weidelandschap worden verlengd. Het gebied wordt aangevuld met nieuwe bomen, zodat er een continue lijn voor vogels en insecten ontstaat.

De oevers van de waterpartij worden natuurlijk ingericht en door een extensief maaibeheer in Het Park ontstaan weelderige bloemen- en grasvelden met een grote aantrekkingskracht op insecten. De basis van de voedselketen wordt gestimuleerd en dat zorgt voor een vergroting van de biodiversiteit in de voedselketen daarboven. Diervriendelijke maatregelen Naast natuurlijke afwisselende beplantingen worden op de verschillende plekken in het plan natuurinclusieve objecten, zoals insectenhotels, mezenkasten, uilenkasten en/of houtrillen gerealiseerd. De houtwallen zorgen voor een natuurlijke overgang en zijn een broedplaats voor vogels en insecten. In het ontwerp worden natuurinclusieve maatregelen toegepast en in Het Park wordt een grote variatie aan beplanting gerealiseerd. Bij de woningen wordt aandacht besteed aan natuurinclusieve maatregelen van landschap naar woningen door het aanbrengen van beplante erfafscheidingen en gevelnestkasten voor huismus en/of gierzwaluw. 4.11.3 Conclusie Het plan voldoet aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders.

4.12 Mobiliteit 4.12.1 Verkeersstructuur en ontsluiting Autoverkeer De nieuwe woningen en de sportvelden in Park Rapijnen worden voor de auto ontsloten via twee routes. Afbeelding 4.8 toont de ontsluitingsstructuur zoals bedacht in het stedenbouwkundig plan, dat eind 2022 is vastgesteld door het college. Dit stedenbouwkundig plan is verder uitgewerkt in een voorlopig ontwerp. De route naar de voetbalvereniging en de korfbalvereniging en de noordelijke patiowoningen in Het Park loopt via de huidige route naar het sportpark via de De Beide Vlooswijkenlaan. De polstokvereniging, de honk- en softbalvereniging en de overige woningen in Park Rapijnen worden ontsloten via een nieuwe ontsluiting. Deze nieuwe ontsluiting sluit in ter plaatse van de bocht in de Laan van Rapijnen aan op deze laan en maakt direct een haakse bocht naar het oosten. De weg loopt tussen de bestaande wijk Rapijnen en de woningen in de nieuwe Dorpsrand. De ontsluitingsweg loopt door tot aan het appartementengebouw met sociale huurappartementen en heeft daar nog een kleine Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

55 aantakking richting de patiowoningen in het zuidelijke deel van Het Park. In het wegprofiel zijn verkeersremmende maatregelen opgenomen in de vorm van wegversmallingen, verkeersdrempels en/of verkeersplateaus. Doordat de beide ontsluitingen doodlopen zijn er in Het Park calamiteitenroutes opgenomen, ter plaatse van de (met grasstenen verbreedde) voetpaden, die aansluiten op de bestaande inrit vanaf de Oostwijk op het Appellaantje. De twee vrijstaande woningen in Het Nieuwe Erf worden ontsloten via de Nieuwe Zandweg.

Afbeelding 4.8: Ontsluitingsstructuur toekomstige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig plan, 3 november 2022).

Langzaam verkeer Voor het bereiken van de sportvelden per fiets kan zoals in de huidige situatie gebruik worden gemaakt van de bestaande en nieuwe wegen. Zo kunnen de voetbalvelden en korfbalvelden via de De Beide Vlooswijkenlaan worden bereikt en de polstokspringlocatie en het honk- en softbalveld via het Appellaantje, de Oostwijk en de nieuwe aansluiting op de nieuwe ontsluitingsweg van het zuidelijke deel van Park Rapijnen. Voor de fietsers zijn verspreid door het plan voorzieningen opgenomen voor het stallen van fietsen in de openbare ruimte. De aantallen zijn gebaseerd op het parkeerbeleid van de gemeente Montfoort. Park Rapijnen is met speciale aandacht voor de voetganger ontworpen. Naast voetpaden langs de toegangsweg zijn er vooral vrijliggende voetpaden in en rondom Het Park. Dit maakt het mogelijk om verschillende rondjes te lopen. Openbaar vervoer Linschoten is per bus verbonden met Woerden en Montfoort. De dichtstbijzijnde bushalte ligt aan de Laan van Rapijnen, op circa 190 meter van het plangebied.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

56 4.12.2 Verkeersgeneratie Mobycon heeft een verkeersonderzoek uitgevoerd om de verkeerskundige impact van de ontwikkeling te toetsen. Het rapport is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. Op basis van het woningbouwprogramma en de kencijfers uit de CROW-publicatie 381 is hierin de verkeersgeneratie van de ontwikkeling bepaald.

Tabel 4.2: Verkeersaantrekkende werking woningbouwprogramma (bron: Mobycon, 3 augustus 2023).

In de verkeerskundige toetsing wordt nog uitgegaan van een verouderde woningverdeling. Het huidige programma gaat uit van 21 middendure koopappartementen, in plaats van middenhuur. Conform de CROW-categorie ‘koop, appartement, midden’ kennen deze appartementen een kencijfer van 6 per woning. Met het huidige programma komt het aantal verkeersbewegingen daarmee uit 618,5 per weekdagetmaal en 686,5 per werkdagetmaal. Ondanks dit beperkte verschil blijven de conclusies uit het onderzoek in stand. Het verkeer dat de voetbalvereniging en de korfbalvereniging genereert, hoeft niet nader te worden onderbouwd. De voetbalvereniging krimpt iets qua velden, want er verdwijnt een oefenveld. Dit zal echter geen noemenswaardige impact hebben op de praktische verkeersaantrekkende werking van de voetbalvereniging. Aan de velden van de korfbalvereniging wijzigt niets. Wel is de verkeersaantrekkende werking berekend die de honkbalvereniging en de polsstokclub in theorie genereren, omdat dit verkeer via een andere ontsluiting zal rijden. Deze bedraagt in totaal 68 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Tabel 4.3: Verkeersaantrekkende werking sportvoorzieningen (bron: Mobycon, 3 augustus 2023).

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

57 Het plangebied wordt ontsloten via twee routes voor autoverkeer; één ontsluitingsroute aan de noordkant aan de De Beide Vlooswijkenlaan en één ten zuidwesten van het plangebied aan de Laan van Rapijnen. Beide routes ontsluiten een deel van het plangebied, onderling autoverkeer hiertussen is niet mogelijk. Ongeveer 10% van het verkeer ontsluit via De Beide Vlooswijkenlaan. Circa de helft hiervan zal richting het noorden rijden en de andere helft richting het zuiden om zo via de provinciale weg naar het noorden of naar het zuiden te rijden. Het overgrote deel van het verkeer, circa 90%, rijdt via de zuidelijke ontsluiting. Het grootste deel van het verkeer zal direct richting de N204 rijden, waarbij het grootste deel (60%) richting het noorden zal rijden en een kleiner deel (20%) richting het zuiden. Een relatief klein deel van het verkeer zal de Laan van Rapijnen gebruiken om richting het noorden te rijden, bijvoorbeeld om naar de supermarkt te rijden of uit gewoonte. Er wordt verwacht dat dit ongeveer 10% van de totale verkeersaantrekkende werking zal zijn. Afbeelding 4.9 en 4.10 tonen de verdeling van verkeer van en naar het plangebied via de noordelijke en zuidelijke ontsluiting.

Afbeelding 4.9: Verdeling verkeer van/naar plangebied via noordelijke ontsluiting (bron: Mobycon, 3 augustus 2023).

Afbeelding 4.10: Verdeling verkeer van/naar plangebied via zuidelijke ontsluiting (bron: Mobycon, 3 augustus 2023).

De polsstokclub en de honkbalvereniging ontsluiten in de toekomstige situatie via de nieuwe ontsluiting in plaats van via De Beide Vlooswijkenlaan. Dit leidt tot een kleine afname in verkeer op De Beide Vlooswijkenlaan en een kleine toename in verkeer op de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

58 Op basis van deze verkeersgegevens heeft Mobycon de toekomstige situatie beoordeeld. Daarbij gaat het onderzoek in op het leefbaarheidsaspect op wegvakniveau en op het doorstromingsaspect op het kruispunt Laan van Rapijnen/N204. Voor zover is onderzocht leidt de verkeerstoename op geen van de wegen binnen Linschoten tot knelpunten met betrekking tot verkeersleefbaarheid. Van de Van Rietlaan en Laan van Overvliet zijn geen verkeersintensiteiten beschikbaar. Gezien de zeer beperkte toename in verkeer op deze weg van 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal zal de ontwikkeling hier op zichzelf niet leiden tot een leefbaarheidsknelpunt. Het wijzigen van de ontsluiting van de polsstokclub en de honkbalvereniging leidt tot een daling van 68 motorvoertuigbewegingen op De Beide Vlooswijkenlaan en een toename van 68 motorvoertuigbewegingen op de nieuwe ontsluiting aan de zuidkant van de ontwikkeling. De impact hiervan op de rest van het wegennet is dermate marginaal dat er geen aanleiding is om dit nader te onderzoeken. Verder is de rotonde op het kruispunt van de Laan van Rapijnen met de N204 beoordeeld. Op de westelijke kruispunttak is te zien dat de wachtrijlengte tijdens het drukste avondspitsuur relatief hoog oploopt. Deze toename is echter grotendeels het gevolg van de toegepaste autonome groei.

De extra toename als gevolg van de ontwikkeling is zo klein dat de ontwikkeling op zichzelf niet tot verkeerskundige knelpunten zal leiden. Wel adviseert Mobycon de situatie goed te monitoren, met name met betrekking tot de hoeveelheid verkeer vanuit de westelijke kruispunttak. Al met al wordt in het verkeersonderzoek geconcludeerd dat het aspect verkeer de voorgenomen ontwikkeling in dit bestemmingsplan niet in de weg staat. 4.12.2 Parkeren De parkeerplekken voor de auto liggen verspreid door het hele plan. Alleen bij de voetbalvelden is een kleine concentratie opgenomen om geen parkeerplekken in Het Park te hoeven situeren. De parkeerplekken liggen zo veel mogelijk op die plekken waar ze nodig zijn. Dit leidt tot minimaal rondrijden van naar een parkeerplek zoekend autoverkeer. Aan het einde van de De Beide Vlooswijkenlaan liggen in de huidige situatie negen parkeerplekken nabij de brug over de Montfoortse Vaart. Om Het Park een sterke relatie te geven met de vaart en de overzijde van de vaart vervallen deze parkeerplekken en worden deze gecompenseerd door nieuwe parkeerplekken in Het Park. Bij het bepalen van het benodigde aantal parkeerplekken is uitgegaan van de geldende parkeernormen van de gemeente Montfoort, zie afbeelding 4.11 voor de parkeerbalans.

Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling

59

Afbeelding 4.11: Parkeerbalans (d.d. 11 oktober 2023).

Bij de twee-onder-een-kapwoningen en de vrijstaande woningen wordt vooral op eigen erf geparkeerd. Zo zijn er opritten waar twee auto’s naast elkaar kunnen staan en lange opritten voor twee auto’s achter elkaar. De brede opritten tellen voor 1,7 parkeerplek mee in de parkeerbalans en de lange opritten voor 1 parkeerplek. In de parkeerbalans is gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages. Het saldo is ruim positief. Dit betekent dat er op basis van de parkeerbalans geen extra parkeerdruk in de bestaande woonwijk is te verwachten en dat er voor de sportverenigingen ruimte is voor sportevenementen. Om zo min mogelijk verharding te realiseren, het hemelwater zo veel mogelijk de kans te geven direct in de grond te infiltreren en een groene uitstraling van de publieke ruimte te realiseren, worden de parkeerplekken in het park uitgevoerd met graskeien of een vergelijkbare groene oplossing. Voor de overige parkeerplekken is vooralsnog uitgegaan van een gesloten verharding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=08bcb633-4ab3-47b7-8c12-33bcc21dfe9a