Bijlage 1 - Bestemmingsplan Park Rapijnen
Tekst van het document
Groen Groeit Mee In de Omgevingsverordening Provincie Utrecht, die op 1 januari 2024 van kracht is geworden, is in artikel 9.15 opgenomen dat woningbouw in samenhang moet worden ontwikkeld met lokale en regionale groenontwikkeling. Bij meer dan 50 woningen moet de woningbouw in een evenwichtige verhouding staan tot de hoeveelheid te ontwikkelen natuur en recreatie. Daarnaast moet de realisatie en de duurzame instandhouding daarvan verzekerd zijn. De hiervoor te nemen maatregelen worden hieronder verder uitgewerkt. In dit kader is op 7 januari 2022 door uiteenlopende regionale partners binnen de provincie, waaronder alle gemeenten, met het ondertekenen van het Groen Groeit Mee Pact, intenties vastgelegd om aan deze opgave te kunnen voldoen. Doel van dit Pact is groen binnen de provincie naar een hoger niveau te tillen en te zorgen dat groen een wezenlijk onderdeel wordt van de ruimtelijke programmering naast wonen, werken, mobiliteit en energie. Deze ambities vinden hun plek in het provinciale programma Groen Groeit Mee. Het programma Groen Groeit Mee gaat uit van een brede waardecreatie. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het positieve effect van groen en landschap op de fysieke en geestelijke gezondheid, maar ook naar de bijdrage van groen aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en het creëren van een aantrekkelijk woon- en werkklimaat.
Binnen dit programma wordt gewerkt met de tool van de vijf ‘P’s’, te weten People, Planet, Profit, Place en Public. Hierbij is het Groen Groeit Mee Pact als leidraad genomen om de meer abstracte waardecreatie op de vijf ‘P’s’ zo concreet mogelijk te maken. Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
21 De aspecten die volgens de ambities van Groen Groeit Mee meegenomen moeten worden voor groen in nieuwe woongebieden, zijn onderverdeeld in de zogenaamde ‘Schijf van vijf van de provincie Utrecht. De te nemen maatregelen moeten antwoord geven op de aspecten van deze Schijf, uitgaande van 1) biodiversiteit, 2) toegankelijkheid van voordeur tot landschap, 3) waterbalans, 4) de gezonde mens en 5) identiteit. Initiatieven worden beoordeeld aan de hand van de hierboven genoemde uitgangspunten en tools. Doorwerking in het plangebied Bij de ontwikkeling van het plangebied Park Rapijnen is uitgegaan van het toevoegen van een groene randzone, aansluitend aan de huidige bebouwde kern van Linschoten, waarbinnen gewoond wordt. In het stedenbouwkundig programma zijn dan ook binnen de plangrenzen veel groene structuren opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de groene parkstructuur aan de noord-oostzijde van het plangebied, met daarbinnen in een parkachtige setting, de patiowoningen, aansluitend aan de sportvelden. Naast het vele groen binnen de plangrenzen zal ook ingezet worden op het toevoegen van groen in de omgeving van het plangebied, en het versterken van de beleving hiervan. Daarnaast wordt vanuit de gemeente ook ingezet op het versterken van de toeristische netwerken en verbindingen.
Vanuit het programma Groen Groeit Mee wordt ingezet op het bundelen van de diverse initiatieven, op zowel lokaal als regionaal niveau. In het kader van de realisatie van het plangebied Park Rapijnen, wordt ingezet op verschillende maatregelen en plannen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze plannen gerealiseerd kunnen zijn voor 2032. Voor deze ruime scope is gekozen om aan te sluiten bij de invoering van de Omgevingswet. In het kader daarvan moeten gemeenten uiterlijk voor 2032 een nieuw Omgevingsplan opgesteld hebben. In dit Omgevingsplan zal het onderhavige bestemmingsplan overgenomen worden, en zodoende ook de genoemde plannen. In het kader van het programma Groen Groeit mee wordt ingezet op de volgende maatregelen: 1. Met de ontwikkeling van Park Rapijnen wordt een nieuwe overgang gecreëerd tussen de huidige bebouwde kom van Linschoten en het omliggende landelijk gebied. Binnen het plangebied wordt aandacht besteed aan het ontwerpen van een groene overgang, onder meer door het toevoegen van streekeigen elementen als houtopstanden en rietkragen. Ter versterking hiervan worden gesprekken gevoerd over de inrichting van een kavel in de directe omgeving van het plangebied met verschillende kleine landschapselementen.
Hierdoor zou, bovenop de groene overgang binnen de plangrenzen, de overgang naar het landelijk gebied op een natuurlijker wijze vormgegeven kunnen worden, en wordt direct groene natuur toegevoegd aan het gebied. Bij het uitwerken hiervan zal erop aangestuurd worden dat een regionale ervenconsulent betrokken wordt, om de kansen en mogelijkheden in kaart te brengen. 2. Het dorp Linschoten en het landelijk gebied rondom de dorpskern zijn aangesloten op het landelijk fietsknooppuntennetwerk. In aanvulling daarop gaan we ervoor zorgen dat de ontwikkeling van Park Rapijnen hierop aangesloten wordt, waarbij de groene zones en de (fiets)paden in het plangebied aansluiten op dit netwerk. Daarmee is enerzijds voor de nieuwe bewoners het omringende groene gebied goed bereikbaar, maar worden daarnaast ook de sportvelden binnen het plangebied beter bereikbaar voor bezoekers uit de wijde omgeving, die voor een wedstrijd of training naar Linschoten komen. In 2024 zullen hiervoor nieuwe routes worden ontwikkeld en uitgezet. 3. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich overblijfselen van de Linie van Linschoten, als onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie. Mogelijkheden om deze historische structuren beter beleefbaar te maken worden onderzocht, en waar mogelijk wordt ingezet op het versterken van deze structuren.
Naast zichtbaarheid en beleefbaarheid is ook informatievoorziening van belang, bijvoorbeeld in de vorm van een informatiebord. Hieraan wordt gewerkt in samenspraak met lokale initiatiefnemers. 4. Het plangebied Rapijnen wordt omringd door een uitgestrekt groen gebied. In de omgeving van Linschoten is al een aantal klompenpaden aanwezig. In het kader van de ontwikkeling Rapijnen zullen in de directe omgeving van het plangebied, en zo mogelijk direct hierop aansluitend, aanvullende klompenpaden aangelegd worden. Daarbij kan worden gedacht aan het verbinden en Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
22 beleefbaar maken van de overblijfselen van de Linie van Linschoten, naast diverse andere mogelijkheden voor nieuwe routes en verbindingen. Bij het uitzetten van nieuwe klompenpaden zal ook aansluiting gezocht worden met de gewenste blauw-groene dooradering van het gebied. In het kader hiervan kan gedacht worden aan het gelijktijdig aanleggen van een nieuw pad door een grondstrook dat ingezaaid is met een bloemenrijk zadenmengsel. Dit verhoogt enerzijds de biodiversiteit van het gebied en versterkt anderzijds de recreatieve en educatieve waarde van de aan te leggen route. 5. Langs de snelweg A12 is een initiatief opgestart om een zonneveld te realiseren. Onderdeel van dit project is het aanleggen van een nieuw fietspad, dat in het kader van het initiatief ook gebruikt kan worden als onderhoudspad. In het kader van de ontwikkeling van Park Rapijnen wordt door de gemeente ingezet op het verlengen van dit fietspad, zodat een directe (fiets)verbinding ontstaat tussen Linschoten, de Cattenbroekerdijk met de Reijerscop, Harmelen en vooral Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn. Hiermee wordt het landelijk gebied rondom Linschoten en Landgoed Linschoten toegankelijker voor recreanten uit Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn (Utrecht).
Daarnaast geeft deze nieuwe fietsverbinding voor het plangebied een toegevoegde waarde door het toevoegen van nieuwe recreatieve fietsroutes in de directe omgeving en een betere verbinding met Utrecht, voor bijvoorbeeld woon-werkverkeer. Tevens biedt dit fietspad mogelijkheden voor de toevoeging van verschillende landschapselementen, zo kan het gecombineerd worden met bijvoorbeeld knotbomen en bloemrijke oevers. 6. Als uitwerking van een vraag van de huidige bewoners van Linschoten worden er twee recreatiebanken geplaatst: één ter plaatse van het Uilenbosje en één ter plaatse van het Ecopark, beide in de directe omgeving van het plangebied. De recreatiebanken worden in het tweede kwartaal van 2024 geplaatst. Naast de hierboven genoemde punten wordt ook ingezet op het versterken van de lokale en regionale recreatie. De ontwikkeling van recreatie en toerisme is een speerpunt van de gemeente Montfoort. Hierbij wordt de nadruk gelegd op wandelen, fietsen en varen, zoals onder meer vastgelegd in de visie recreatie & toerisme 2021. Vanuit het Platform de Utrechtse Waarden heeft de gemeente de regionale wensen in kaart gebracht. Er is behoefte aan een uitgebreider vaarnetwerk (fluisterbootjes, kajaks en SUP’s), fietspaden en vooral wandeltracés om een ‘ommetje’ te kunnen maken en daarmee het landschap en de natuur toegankelijker en beleefbaarder te maken.
Er wordt vanuit de gemeente gezocht naar zo veel mogelijk manieren om in deze behoeften te kunnen voorzien, maar de ambities krijgen onder meer vorm met de hierboven genoemde maatregelen. Hiermee wordt ingezet op meer recreanten naar de regio te halen, maar zeker ook om de directe omgeving ook voor inwoners aantrekkelijker te maken en te stimuleren om in beweging te komen. Conclusie Gezien het bovenstaande past de ontwikkeling binnen het beleid van de provincie Utrecht. Het provinciale beleid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Montfoort Op 13 december 2021 heeft de gemeenteraad van Montfoort de Omgevingsvisie Montfoort, ‘Vitale kernen in een waardevol landschap’, vastgesteld. Hiermee grijpt de gemeente de kansen die de Omgevingswet biedt om ruimtelijke vraagstukken anders op te pakken en smelt zij de verschillende belangen samen tot een integrale ontwikkelrichting voor de gemeente Montfoort. De gemeente wil haar bestaande identiteit en kwaliteiten behouden en verbeteren middels nieuwe ontwikkelingen. De kaders hiervoor worden in de omgevingsvisie geschetst. De visie kan worden gebruikt om een route uit te stippelen, en dienen als een uitnodiging om bij te dragen aan het behoud en verbeteren van de leefomgeving.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
23 Koers en strategische keuzes Aan de hand van een beschrijving van de Montfoortse identiteit, kernkwaliteiten en regionale positionering is toegewerkt naar de koers, oftewel richtinggevende ambities van de gemeente. Daarin beschrijft de gemeente wat zij bedoelt met een positionering als "toekomstbestendige gemeente met vitale kernen in een waardevol landschap", middels een aantal strategische keuzes. Deze strategische keuzes en bijbehorende ambities en doelstellingen zijn vervolgens in thematische en gebiedsgerichte hoofdstukken verder uitgewerkt. De koers van de omgevingsvisie is vertaald in de volgende tien strategische keuzes: 1. De leefomgeving moet passen bij onze identiteit, waarbij we onze landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten beschermen en verbeteren. 2. We kiezen voor een vitale, leefbare en inclusieve gemeente. 3. We bieden ruimte aan woningbouw. 4. We bieden ruimte aan de lokale maakindustrie. 5. Voor mobiliteit volgen we het adagium: "Lokaal vertragen, regionaal versnellen". 6. We bieden (zeer beperkt) ruimte aan energiebronnen in het buitengebied en op bedrijventerreinen. 7. We bouwen recreatieve en toeristische mogelijkheden uit. 8. We gebruiken klimaatadaptatie om de gemeente groener, gezonder en veiliger te maken. 9. We werken mee aan een toekomstbestendige landbouw met ruimte voor natuur. 10.
We sturen ook vanuit de fysieke leefomgeving op een gezonde en veilige samenleving. Woonwijken Linschoten Voor de kern Linschoten constateert de omgevingsvisie naast de autonome vraag van de eigen bevolking een aanvullende vraag van settelers, jonge stellen, moderne gezinnen en gearriveerde gezinnen die kiezen voor een rustige en goed bereikbaar woonmilieu. In Linschoten is woningbouw, naast inspelen op de lokale behoefte, bedoeld voor forensen en ter voorkoming van verdringing aan de onderkant van de markt. In de huidige woningvoorraad bestaat weinig ruimte voor herstructurering om de woningvoorraad aan te passen voor een brede bevolkingssamenstelling. Voor nieuw te ontwikkelen bebouwing geldt dat deze in schaal, maat en uitstraling moet passen bij het huidige dorp. Bij de bouw van woningen wordt aangesloten bij het huidige kleinschalige karakter van Linschoten. Hier is ruimte voor wat meer op privacy gerichte woonmilieus met modernere architectuur. De gemeente wil binnenstedelijke ruimte efficiënt gebruiken maar ook soepeler zijn met rode contouren. De woonwijken moeten toekomstbestendig (duurzaam en levensloopbestendig) zijn en bijdragen aan gezond gedrag. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van het groen, bereikbaarheid en veiligheid. De gemeente zet in op groene, gezonde, inclusieve en toekomstbestendige wijken voor jong en oud.
Uitgangspunten voor uitbreidingslocaties woningbouw (Montfoort en Linschoten) De leefomgeving moet voorzien in de mogelijkheden en de behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van de toekomstige generaties. Bij voorkeur dienen er zoveel mogelijk koppelkansen te worden meegenomen bij nieuwe uitbreidingen/ontwikkelingen die een positieve bijdrage leveren aan de maatschappelijke vraagstukken, zoals onder andere op het gebied van biodiversiteit, leefbaarheid, gezondheid, mobiliteit, klimaatverandering, energietransitie. Woninguitbreiding ziet de gemeente als een motor voor gebiedsontwikkeling. Door urgente opgaven in een gebied slim en integraal te koppelen ontstaat er meerwaarde voor de kernen en het landschap en wordt een prettige en gezonde leefomgeving gecreëerd. Specifieke aandachtspunten zijn: • Minder homogeen, meer wisseling in programma en buitenruimte. • Bij ontwikkelingen goed kijken naar de behoefte en aanwezigheid in de omgeving. • Goed nadenken over voortuinen, bruikbare buitenruimtes bij woningen. • Bij ontwikkeling rekening houden met historie van het gebied en zorgen voor uitstekende landschappelijke inpassing. • Nieuwbouw dient energiezuinig of energieneutraal te worden gebouwd.
In het ontwerp kan onder andere rekening worden gehouden met opwekking van duurzame energie, het zoveel Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
24
• •
mogelijk beperken van de warmte- en koudevraag, het kiezen voor oplossingen voor het opwekken van warmte die zo weinig mogelijk stroom vraagt en het bieden van mogelijkheden voor bijvoorbeeld laadpalen op eigen terrein. Met duurzame grondstoffen ontwikkelen is van meerwaarde. Koppeling doelen uit woonvisie en woningbouwprogramma.
Doorwerking in het plangebied De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een uitbreiding van de kern Linschoten met in totaal 98 nieuwe woningen. Met een gevarieerd woningprogramma wordt ingespeeld op de woningbehoefte die de omgevingsvisie voor Linschoten schetst. Gezien de beperkte binnenstedelijke ruimte wordt de ontwikkeling gerealiseerd grenzend aan het bebouwd gebied, als uitbreiding van de wijk Rapijnen. Door de ruime en groene opzet van het plan sluit de ontwikkeling aan bij het kleinschalige karakter van Linschoten. In het stedenbouwkundig plan is de nieuwe bebouwing qua maat, schaal en uitstraling afgestemd op het bestaande dorp. Rondom de woningen vormen de groen- en waterstructuren een samenhangend netwerk dat beeldbepalend wordt voor Park Rapijnen, ruimte biedt voor een klimaatbestendige en biodiverse woonomgeving en beleefbaar is door een fijnmazige padennetwerk. Daarnaast zorgt het voor een natuurlijke overgang tussen het woongebied en het naastliggende landschap. Op specifieke duurzaamheidsaspecten in relatie tot het plan gaat paragraaf 4.11 nader in. Woonvisie gemeente Montfoort 2019-2030 Op 8 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2019-2030 vastgesteld. Hierin legt de gemeente de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt.
Daarbij wordt concreet ingezet op de aankomende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2030. Op basis van een analyse van wat er speelt op het gebied van wonen schetst de woonvisie een toekomstscenario voor wonen in Montfoort. De gemeente zet zich in voor de vitaliteit van wonen en leven in Montfoort en Linschoten. Een passend woonaanbod vormt een onderdeel hiervan, binnen de integrale ruimtelijke ontwikkeling van de kernen. Vanuit de inbreng van inwoners, belanghebbenden en de raad zijn hiervoor de nodige bouwstenen aangereikt. Dit heeft mede de ontwikkelingsrichting voor het wonen in Montfoort bepaald. Met de woonvisie wil de gemeente toekomstgericht inspelen op de woonwensen en woonmogelijkheden voor de inwoners van Montfoort en Linschoten, en tevens haar bijdrage leveren aan het verminderen van de druk op de regionale woningmarkt. Dit laatste draagt ook bij aan een evenwichtige ontwikkeling van Montfoort en Linschoten. Differentiatie van woningen is daarbij nodig, om een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben waar doorstroming in plaats kan vinden. Op basis van dit vertrekpunt en afweging van de drie gepresenteerde scenario’s kiest de gemeente Montfoort voor een toekomstscenario dat ruimte biedt aan ontwikkelingen passend bij de lokale vraag, met een kleine plus voor nieuwkomers in de gemeente Montfoort.
Deze ambitie is nader uitgewerkt aan de hand van vijf pijlers, waarbij per pijler doelen zijn uitgewerkt: 1. Voorzichtige extra groei van de kernen. 2. Kernen verschillen in woonmilieus en leefstijlen. 3. Voorkomen verdringing kwetsbare groepen op de woningmarkt. 4. Toekomstbestendige kernen zijn duurzame en gezonde kernen. 5. Ruimte voor eigen initiatief en innovatie. Voor nieuwbouwontwikkelingen hanteert de gemeente een afwegingskader, waarmee zij vanuit de woonvisie woningbouwplannen toetst aan gemeentebrede kwalitatieve criteria voor strategische woningbouwplanning. In dit afwegingskader is het vertrekpunt toevoeging van circa 250 woningen, waarvan 130 op grond van de lokale behoefte. Met dit aantal woningen wil de gemeente ook enige onevenwichtigheid in de opbouw van de woningvoorraad rechter trekken. Dit betreft onder meer een relatief zwaardere inzet op sociale huur (ook passend bij de lokale behoefte) en voorkomen van Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
25 verdringing van groepen op de woningmarkt, starters en jonge gezinnen, die zijn aangewezen op segmenten die niet als vanzelf vanuit de ‘markt’ worden bediend maar van betekenis zijn voor de sociale opbouw van de kernen. Hiervoor zet de gemeente actief in op woningen in de middenhuur, goedkope koop en levensloopgeschikte woningen. Doorwerking in het plangebied In algemene zin voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een voorzichtige extra groei van de kern Linschoten. Het gevarieerde woningprogramma is zowel gericht op de lokale behoefte als op forensen en het voorkomen van verdringing aan de onderkant van de markt. Dit past bij de woonmilieus en leefstijlen die de woonvisie voor Linschoten schetst. Ook wordt de nieuwe bebouwing qua maat, schaal en ontwerp afgestemd op de bestaande woonmilieus en bebouwing van Linschoten. De ruime opzet met veel groen zorgt daarbij voor een goede landschappelijke inpassing en een aantrekkelijk en gezond woonmilieu. De oorspronkelijke plannen voor Park Rapijnen zijn ook opgenomen in de gemeentelijke woonvisie (2019) en het provinciale programma wonen en werken (2021). Gedurende de planvorming en op basis van participatiebijeenkomsten is gebleken dat er in Linschoten een grote behoefte is aan betaalbare woningen voor starters. Juist om in deze behoefte te voorzien is het programma enigszins uitgebreid met extra starterswoningen.
Daartoe zijn op de plek van twee rijen woningen in deelgebied De Dorpsrand in totaal 26 compacte studio’s en appartementen in het middensegment (en vijf stuks in het sociale segment) toegevoegd – zonder significante toename van het bebouwd oppervlak. Ingegeven door de actuele behoefte in Linschoten, bevat het uiteindelijke plan in totaal 98 woningen. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de grotere woningopgave die in de laatste provinciale programmering voor de gemeente Montfoort (295 woningen tot en met 2029) is opgenomen. In kwalitatief opzicht voorziet het plan voor Park Rapijnen in een grote variatie in woningtypen en segmenten. In de verdeling van typologieën en segmenten is rekening gehouden met het gemeentelijke woonbeleid. Door deze verscheidenheid is voor een groot aantal doelgroepen een passend woonproduct aanwezig. Deelgebied het Erf bestaat uit grondgebonden woningen in de vorm van een boerderij en een schuurwoning aan de Nieuwe Zandweg. Hierachter komen in totaal tien schuurwoningen en twee schuur-elementen. Deze bestaand uit zes woningen welke onder de NHG grens aangeboden zullen worden en vier iets kleinere woningen die in het middendure koopsegment vallen. Alle tien de woningen zijn standaard levensloopbesteding of kunnen optioneel levensloopbestendig gemaakt worden.
Deze woningen zijn op deze manier geschikt voor verschillende doelgroepen (bijvoorbeeld, ouderen die kleiner willen wonen of juist starters/ startende gezinnen). De Dorpsrand bestaat voor een groot deel uit vrije sector koopwoningen, in de vorm van ruime vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen. Daarnaast wordt hier een appartementen complex met 21 koopappartementen gerealiseerd. Dit zijn compacte woningen in het middenkoopsegment, waarmee in het bijzonder wordt gericht op starters. In het Park zijn clusters met patiowoningen voorzien, dit zullen vrije sector koopwoningen zijn. Een deel van de patiowoningen zijn eengezinswoningen, en een deel wordt ingericht voor senioren (met standaard een slaapkamer en badkamer op de begane grond).De patiowoningen zijn optioneel uit te breiden op de verdieping(en). Conclusie Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het plangebied goed binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
26
4
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.
4.2
Milieueffectrapportage
Voor de voorgenomen ontwikkeling dient op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van belangrijke gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag (in dit geval burgemeester en wethouders) de afweging te maken of een m.e.r.-procedure dient te worden gevolgd. In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van activiteiten en gevallen aangegeven die (mogelijk) m.e.r(beoordelings-)plichtig zijn. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is met betrekking tot de bouw van woningen de volgende activiteit geformuleerd: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (kolom 1); in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (kolom 2). De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van in totaal 98 woningen. De ontwikkeling kan daarom worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2); maar blijft ruimschoots onder de drempelwaarden in de tweede kolom.
De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag ook in overige gevallen dient na te gaan of de beoogde activiteit geen belangrijke gevolgen voor het milieu kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel deze vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Omdat niet het bevoegd gezag de initiatiefnemer is in dit project, moet de m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie moet door de initiatiefnemer worden ingediend bij het bevoegd gezag, dat vervolgens binnen zes weken na ontvangst een beslissing neemt omtrent de vraag of vanwege de mogelijke belangrijke gevolgen voor het milieu wel of niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit tevens bij de vergunningaanvraag voegen. In dit kader is door de initiatiefnemer een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 1. Uit de afweging van de verschillende milieuaspecten blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Nadelige effecten die eventueel (in beperkte mate) optreden zijn te compenseren.
Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
27
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
4.3.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de Regeling NIBM is aangegeven dat woningbouwlocaties met maximaal 1.500 woningen (en kantoorlocaties van 100.000 m2 bvo) aan één ontsluitingsweg zijn aan te merken als een ontwikkeling die ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 98 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling blijft daarmee ruimschoots onder de criteria voor woningbouwlocaties uit de Regeling NIBM, kan de
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
28 ontwikkeling als ‘NIBM’ worden aangemerkt. Onderzoek en toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 4.1 zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2023 in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CMILK-monitoringstool. Alleen ten zuiden van het plangebied aan de M. A. Reinaldaweg zijn meetpunten gelegen. Bij deze meetpunten worden de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. In de bijgaande tabel zijn de waarden weergegeven van de verschillende meetpunten weergegeven.
Afbeelding 4.1 Overzicht concentraties NO2, PM10, PM2,5 en het jaarlijks aantal overschrijdingsdagen PM10. (CMILK, 2023). Het plangebied is indicatief rood gemarkeerd.
4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
29
4.4
Geluid (Wet geluidhinder)
4.4.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van (zorg)woningen. Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). In het geval er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. 4.4.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek Wet geluidhinder wegverkeerslawaai uitgevoerd. De nieuwe geluidsgevoelige objecten (woningen) liggen in de zone van de M.A.
Reinaldaweg (N204) en de Laan van Rapijnen. Vanuit de Wgh is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zodoende noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn hierin ook de omliggende 30 km/u-wegen meegenomen. Ook worden de effecten inzichtelijk gemaakt van de extra verkeersgeneratie die de ontwikkeling genereert op de omliggende bestaande woningen. De ontwikkellocatie ligt niet in de onderzoekszone van een spoorlijn of gezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is daardoor niet aan de orde. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2, de resultaten hieruit zijn in deze paragraaf samengevat. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de M.A. Reinaldaweg en de Laan van Rapijnen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan voorkeursgrenswaarde. Uit het onderzoek blijkt verder dat door de aanwezigheid van de rotonde en het beperkte aantal woningen waarvoor een hogere waarde nodig is, geluidsreducerende maatregelen niet mogelijk zijn. De meest zuidwestelijke vrijstaande woning langs de Laan van Rapijnen heeft zonder maatregelen geen geluidsluwe gevel. Door de bouwvorm al dan niet in samenhang met bouwkundige maatregelen moet een geluidsluwe gevel en buitenruimte worden gerealiseerd. Voor deze woning zijn in de regels van het bestemmingsplan voorwaarden opgenomen.
Deze regels hebben tot doel dat door middel van maatregelen in de vorm van een scherm op de perceelsgrens of door schermmaatregelen ter plaatse van te openen delen wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid dat 30% van de verblijfsruimte geluidsluw zijn. De schermmaatregel betreft bijvoorbeeld een scherm met een hoogte van 1,65 en een lengte van 12 m op de zijdelingse perceelsgrens. Met deze maatregel kan worden voldaan aan een geluidsluwe zijde op de begane grond. Als alternatieve maatregelen kunnen ook bouwkundige maatregelen worden getroffen die er toe leiden dat ter plaatse van het te openen raam in de woon- of slaapkamer bouwkundige maatregelen worden getroffen die er toe leiden dat de geluidsbelasting ter plaatse van de opening voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op deze wijze kan geluidsluw worden gespuid. Voor Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
30 zover meerdere te openen ramen per verblijfsruimte aanwezig zijn, zijn slechts bij één te openen raam maatregelen noodzakelijk. Als laatste wordt geconcludeerd dat de planontwikkeling niet leidt tot een significante toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of hoger ter plaatse van bestaande woningen. De grootste toename bedraagt 0,6 dB ter plaatse van de bestaande woningen langs de Laan van Rapijnen in de richting van de N206. Ook het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg in het plan veroorzaakt geen geluidsbelasting van hoger dan de voorkeursgrenswaarde op nabijgelegen bestaande woningen. 4.4.3 Conclusie Omdat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde(n) aan de orde is bij een aantal nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen is een hogere waarde procedure in het kader van de Wgh doorlopen. Het college heeft besloten om in te stemmen met het ontwerpbesluit om een hogere grenswaarde (wegverkeerslawaai) vast te stellen als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. 4.5.2 Onderzoek Door ABO-Milieuconsult is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie. Het volledige onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat. De bovengrond bestaat uit zand en klei. De ondergrond bestaat uit zand, klei en veen tot 3,2 m-mv. (maximale boordiepte). In de vrijkomende grond zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met puin, baksteen of grind. In geen van de boringen welke in raaien zijn geplaatst ter plaatse van de gedempte watergangen zijn bodemvreemde bijmengingen in de dempingslaag aangetroffen.
Grond Overige terrein In negen grondmengmonsters van de boven- en ondergrond overschrijden de gehaltes nikkel, zink, lood, PAK en molybdeen plaatselijk de achtergrondwaarde. De gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. In zeven grondmengmonsters van de boven- en ondergrond wordt de achtergrondwaarde niet overschreden. In de grondmengmonsters van de bovengrond, ter plaatse van de Honk- en softbalvereniging Green Hearts, de ophoging / demping en het bouwland achter de Nieuwe Zandweg 23, zijn geen verhoogde gehaltes met OCB’s aangetroffen.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
31 Bovengrondse tank In grondmengmonster 101-8 ter plaatse van de bovengrondse tank is het gehalte minerale olie groter dan de Interventiewaarde. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. Middels afperkende boringen is de sterke verontreiniging met minerale olie in de grond in verticale- en horizontale richting afgeperkt. De omvang van de verontreiniging betreft circa 6,5 m3. Doordat de aangetroffen verontreiniging onder de grens voor een geval van ernstige bodemverontreiniging valt (<25 m3), is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Lekkage carbolineum in de werkschuur Ter plaatse van de bovengrond (uitpandig), direct grenzend aan de wand met aangetroffen lekkage met carbolineum is een achtergrondwaarde overschrijding van de parameter PAK aangetroffen. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. Gedempte watergangen In grondmengmonsters M18, M20 en M21 ter plaatse van de gedempte watergangen (grondlaag rond grondwaterstand) overschrijdt het gehalte molybdeen de achtergrondwaarde. De gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. In grondmengmonster M19 wordt de achtergrondwaarde niet overschreden.
Asbest in grond In het asbestverdachte monster AM1 van klei met puin bijmenging analytisch geen asbest aangetoond. Grondonderzoek asbestverdachte daken zonder goot Ter plaatse van schuur A en C is in het traject van 0,0 – 0,1 m-mv asbest aangetroffen in de fijne fractie. Doordat geen asbest is aangetroffen in de grove fractie is de verwachting dat het asbestgehalte < 50 mg/kg.ds, waardoor de noodzaak van nader asbestonderzoek niet aanwezig is. Bij schuur B in het traject van 0,0 – 0,1 m-mv en alle onderzochte trajecten van 0,1 – 0,5 m-mv is geen asbest aangetroffen in de grove of fijne fractie. In geen van de grondmengmonsters ter plaatse van de asbestverdachte daken zonder goot zijn achtergrondwaarde overschrijdingen aangetroffen met betrekking tot de parameter PCB’s. Grondwater Overige terrein In het grondwater van alle peilbuizen overschrijdt de concentratie barium de streefwaarde. Ter plaatse van peilbuis 06 overschrijdt de concentratie tetrachlooretheen (Per) tevens de streefwaarde. De concentraties van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de streefwaarden. Bovengrondse tank In het grondwater uit peilbuis 101, ter plaatse van de bovengrondse tank overschrijdt de concentratie naftaleen de streefwaarde. De concentraties van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de streefwaarden.
De hypothese "Het overig terrein ter plaatse van de onderzoekslocatie is onverdacht" dient, op basis van de licht verhoogde waarden in de bodem, verworpen te worden. De hypothese "De bovengrondse tank is verdacht" dient, op basis van de resultaten van het grond aanvaard te worden. Aanbevelingen Middels afperkende boringen is de sterke verontreiniging met minerale olie in de grond in verticale- en horizontale richting afgeperkt. De omvang van de verontreiniging betreft circa 6,5 m3. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Verder onderzoek of sanerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Momenteel zijn er geen contact mogelijkheden voor mens of dier. Hergebruik van sterk Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
32 verontreinigde grond (met een concentratie boven de Interventiewaarde) is niet toegestaan. Deze grond moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. De ODRU ziet namens de gemeente toe op een verantwoorde handelwijze bij gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging. Werkzaamheden op of in sterk verontreinigde grond binnen een niet-ernstig geval moeten worden afgestemd met de ODRU. Het Plan van Aanpak moet uiterlijk 10 werkdagen voor de start van de (graaf)werkzaamheden zijn ingediend. Ter plaatse van de lekkage met carbolineum zijn maximaal lichte verontreinigingen met PAK aangetoond. Verder onderzoek is niet noodzakelijk. De overige aangetoonde lichte verontreinigingen in de bodem zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In de vrijgekomen grond zijn visueel en analytisch geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op het voorkomen van asbesthoudende materialen. Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.6.2 Onderzoek Ten behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd door Aviv. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Deze resultaten van de quickscan worden hieronder nader beschouwd.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
33 Afbeelding 4.2 toont de risicobronnen in de omgeving van de planlocatie. Op circa 3,5 km en 1,5 km afstand liggen respectievelijk de spoorlijn Woerden - Gouda en de rijksweg A12. Daarnaast ligt een gedeelte van het plangebied binnen 200m van de N204, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Afbeelding 4.2: planlocatie ten opzichte van risicobronnen. Bron: quickscan externe veiligheid Aviv: bijlage 4
N204 Uit het onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt. Het groepsrisico is en blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Spoorlijn Woerden - Gouda Over de spoorlijn Woerden – Gouda vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De planlocatie bevindt zich buiten 200 m van de spoorlijn waardoor het groepsrisico niet verantwoord dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling ligt wel binnen het invloedsgebied van 4 km. Dit komt door het vervoer van zeer toxische vloeistoffen (stofklasse D4). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies hierover uit te brengen. Rijksweg A12 Over de rijksweg A12 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De planlocatie bevindt zich buiten 200 m van de A12 waardoor het groepsrisico niet verantwoord dient te worden.
Ook ligt de planlocatie buiten het invloedsgebied van LT2 (880 m), maar niet buiten het invloedsgebied van LT3 (4 km). De Veiligheidsregio dient in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Los van het advies van de Veiligheidsregio dient voldaan te worden aan de wettelijk vereiste bouwmaatregelen.
Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
34 Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Voor gifwolken gelden generieke eisen, die voor nieuw te bouwen gebouwen gelden. Bij het scenario van een toxische wolk is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied binnen blijven of zo snel mogelijk naar binnen gaan. Het handmatig kunnen afsluiten van automatische ventilatie is om deze reden verplicht gesteld het Besluit bouwwerken leefomgeving. Doordat deze maatregel generiek geldt, kan een gifwolk (tijdelijk) geweerd worden in een gebouw. Dit betekent dat mensen bij een gifwolk binnen veiliger zijn dan buiten. Het is van belang dat de toekomstige bewoners/aanwezigen zich bewust zijn van de mogelijke gevaren en hoe de risico’s kunnen worden verkleind. Een mogelijkheid daartoe is dat in de (huur)contracten van de appartementen de bewoners worden gewezen op de wijze van handelen c.q. zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Eenzelfde tekst kan worden opgenomen in de standaard opleveringsformulieren die bij de sleuteloverdracht aan de nieuwe bewoner overhandigd worden. Ook makelaars die de opleveringen verzorgen dienen geïnstrueerd te worden op het gebied van risicocommunicatie. 4.6.3 Conclusie Uit de quickscan naar de nabijgelegen risicobronnen is geconcludeerd dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld dient te worden om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
De veiligheidregio heeft hierover op 18 juli 2023 geadviseerd, dit advies is opgenomen als bijlage 18 bij deze toelichting. De adviezen zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de plannen. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen gehanteerd, namelijk het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In het geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden.
Tabel 4.1: Richtafstanden VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’.
4.7.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt, in de vorm van woningen. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aan de rand van het bebouwd gebied van Linschoten, tussen de bestaande woonwijk Rapijnen en de sportvelden van Sportpark Rapijnen. De Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
35 voorliggende verkavelingsopzet heeft niet alleen betrekking op het zonder meer toevoegen van woningen in de nabijheid van de sportvelden, maar er wordt een bewuste keuze gemaakt om een meer gemengd gebied te creëren waarin zowel sport als wonen een plaats krijgen. Daarnaast zijn verkeersen groenbestemmingen voorzien. Hiermee wordt bijgedragen aan een efficiënt ruimtegebruik en wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Wanneer vanuit het studiegebied naar de omgeving gekeken wordt, valt op dat naast wonen in de directe omgeving ook andere functies aanwezig zijn. Dit betreft de sportbestemming, de agrarische bestemming, diverse maatschappelijke bestemmingen, diverse groenbestemmingen en op iets grotere afstand de bedrijfsbestemming. Gezien de beoogde functiemenging is in onderhavige situatie daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele relevante – potentieel milieuhinderlijke – bestemmingen en functies, waarvoor geldt dat geluid de milieubepalende factor is. De VNG-publicatie omschrijft voor de beoordeling van geluidhinder het volgende stappenplan beknopt samengevat voor de gebiedstypering gemengd gebied): Stap 1: Indien de richtafstanden niet worden overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. Het plan is dan mogelijk.
Stap 2: (Vanaf deze stap is een geluidonderzoek noodzakelijk) Indien stap 1 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 70 dB(A) maximale geluidniveaus LAmax (etmaalwaarde); o 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk. Stap 3: Indien stap 2 niet toereikend is: Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: o 55 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 70 dB(A) maximale geluidniveaus LAmax (etmaalwaarde); o 65 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Stap 4: Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 dient de vrijstelling grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden. Omdat de voorgenomen ontwikkeling binnen de richtafstanden van de verschillende functies is gelegen, is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Zodoende is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige polsstokclub, de honk- en softbalvereniging en de voetbalvereniging.
Hieronder worden de belangrijkste resultaten van deze onderzoeken beschreven. Polsstokclub Omdat het plangebied voor wat betreft het aspect geluid gelegen is binnen de richtafstand van het perceel van de vereniging, is nader akoestisch onderzoek noodzakelijk. Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van 'Polsstokclub Linschoten'. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op trainingsdagen niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG publicatie. Omdat de overschrijding wordt veroorzaakt door stemgeluid, wordt wel voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op wedstrijddagen niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG publicatie en de grenswaarden uit Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
36 het Activiteitenbesluit en dat ook bij de bestaande woningen sprake is van een overschrijding. Deze geluidbelasting wordt bepaald door de omroepinstallatie. Het treffen van maatregelen aan deze installatie zal redelijkerwijs niet mogelijk zijn, waardoor het vaststellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit de meest logische oplossing is. Daarbij kan de situatie als een incidentele bedrijfssituatie aangemerkt worden. Gezien het aantal van 10 wedstrijddagen kan dit in beginsel aanvaardbaar geacht worden. Dit maatwerkvoorschrift is inmiddels voorgeschreven. Hiermee is ook de bestaande overschrijding ter plaatse van de bestaande woningen gelegaliseerd. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat voor wat betreft de maximale geluidsniveaus niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Omdat de overschrijding wordt veroorzaakt door stemgeluid en sportactiviteiten, wordt wel voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Honk- en softbalvereniging Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van honk- en softbalvereniging ‘Green Hearts’. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling zal het veld van ‘Green Hearts’ in oostelijke richting worden verschoven.
Omdat de toekomstige woningen voor wat betreft het aspect geluid gelegen zijn binnen de richtafstand van het (toekomstige) perceel van de vereniging, is nader akoestisch onderzoek noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt voor dit aspect de inrichting als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat voor wat betreft de maximale geluidsniveaus niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Omdat de overschrijding wordt veroorzaakt door stemgeluid, wordt wel voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Voetbalvereniging Akoestisch onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van de voetbalvereniging V.V. Linschoten. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat op trainingsdagen en op wedstrijddagen niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie.
Op wedstrijddagen wordt evenmin voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Gelet op de hoogte van de overschrijding zal een bestuurlijke afweging over de aanvaardbaarheid noodzakelijk zijn. Omdat voor stemgeluid bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, zal het treffen van maatregelen aan de gebouwzijde noodzakelijk zijn. In het plan dient waar mogelijk ervoor te worden gezorgd dat de woningen over een geluidsluwe zijde beschikken. Met het treffen van gevelmaatregelen wordt de geluidbelasting in de woning beperkt. Voor wat betreft de muziekinstallatie wordt opgemerkt dat op de bestaande woningen aan de Oostwijk eveneens sprake is van een overschrijding. Om de overschrijding teniet te doen worden in het akoestisch onderzoek een aantal mogelijke maatregelen aangedragen. De gekozen maatregel bedraagt het middels een maatwerkvoorschrift toestaan van een hogere geluidbelasting op de gevels binnen het plan waar sprake is van een overschrijding. Er is – wanneer getoetst wordt aan het Activiteitenbesluit – tijdens wedstrijddagen van de voetbalvereniging, sprake is van een overschrijding van 1 dB op enkele toekomstige woningen. De overschrijding wordt veroorzaakt door muziekgeluid tijdens wedstrijddagen Bestemmingsplan ‘Park Rapijnen, Linschoten’ Toelichting Vaststelling
37 (zaterdag). Een overschrijding van 1 dB op de toekomstige woningen, wordt als niet bezwaarlijk beschouwd, gezien de mate van overschrijding (slechts 1 dB, uitsluitend in de dagperiode, wat nauwelijks hoorbaar is), het betreft slechts 3 toekomstige woningen en het feit dat deze alleen op wedstrijddagen optreedt (zaterdagen). De wedstrijddagen zijn hierbij te beschouwen als een ‘regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie”, zoals beschreven in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (1998). Deze Handreiking maakt ruimere normen voor een “regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie” mogelijk. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het maximale geluidsniveau dat niet voldaan wordt aan de toetswaarden van de VNG-publicatie. De overschrijding wordt veroorzaakt door het stemgeluid en door het gebruik van het fluitje door de scheidsrechter. Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, zal het treffen van maatregelen aan de gebouwzijde noodzakelijk zijn. In het plan dient waar mogelijk ervoor te worden gezorgd dat de woningen over een geluidsluwe zijde beschikken. Met het treffen van gevelmaatregelen wordt de geluidbelasting in de woning beperkt. Lichthinder In het kader van de ontwikkeling is de verlichting op het naastgelegen sportveld van VV Linschoten onderzocht.
Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 17 bij deze toelichting. Binnen het onderzoek is voor de locatie van de woningen uitgegaan van het verkavelingsplan. Verder is uitgegaan van vervanging van de bestaande conventionele armaturen van veld 1 door nieuwe led-armaturen in de bestaande lichtmasten. Mocht het vervangen van de armaturen niet mogelijk of gewenst blijken, dan dient te worden onderzocht of er passende maatregelen kunnen worden genomen voor de bestaande armaturen Voor veld 2 van de voetbalvereniging is uitgegaan van nieuwe lichtmasten met een hoogte van 18 m met nieuwe led-armaturen. Voor de voetbalvelden is uitgegaan van de verlichtingseisen zoals gesteld door de KNVB ten aanzien van wedstrijdvelden in het amateurvoetbal. Op basis van de uitgevoerde lichtberekeningen kan worden geconcludeerd dat met het binnen het onderzoek beschouwde lichtontwerp: voldaan wordt aan de eisen die de KNVB stelt aan speelveldverlichting, en bij de woningen conform het verkavelingsplan voldaan wordt aan de grenswaarden met betrekking tot de verticale verlichtingssterkte (Ev) en lichtsterkte (I) zoals gesteld voor omgevingstype E2 in de Richtlijn lichthinder.
Uitgaande van het beschouwde lichtontwerp (of een lichttechnisch gelijkwaardig ontwerp) kan de lichtemissie van de veldverlichting van VV Linschoten bij de geprojecteerde woningen van het plan als maatschappelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. 4.7.3 Conclusie In bovengenoemde onderzoeken zijn de geluidbelastingen en de lichtemissie berekend op de grenzen van de woonbestemmingen zoals deze in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Uit het lichthinderonderzoek blijkt dat de lichtemissie als maatschappelijk aanvaardbaar wordt aangemerkt. De invulling en het programma zijn in de loop van het proces naar aanleiding van de uitkomsten uit de geluidonderzoeken verder uitgewerkt en geoptimaliseerd. In een aanvullende notitie (bijlage 16) is de geluidbelasting op het thans beschikbare concrete bouwplan berekend om te bepalen in hoeverre de woningen over een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte beschikken. Uit deze notitie blijkt dat met het treffen van maatregelen een aanvaardbaar akoestisch klimaat gerealiseerd kan worden. Deze maatregelen zijn geborgd in artikel 18 van de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt een maatwerkvoorschrift vastgesteld voor de muziekinstallatie van de voetbalvereniging en de omroepinstallatie van de polsstokvereniging. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.