240417-2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012_Regels
Tekst van het document
werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in dit lid onder a zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de aanleg van drainage in combinatie met de bakvulling van een paardenbak en paddock niet leidt tot afvoer van stoffen welke mogelijk kunnen leiden tot verslechtering van de grond of het grondwater en/of tot wateroverlast. 3.9 Wijzigingsbevoegdheid 3.9.1 Wijziging ten behoeve van vergroten agrarisch bouwvlak a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak, indien dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: 1. de vergroting is afgestemd op de voorgenomen bedrijfsuitbreiding; 2. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 3. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt; 4. de uitbreiding van het bouwvlak voorzien is van een landschappelijk inpassingsplan. b. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige en - indien wenselijk - een landschapsdeskundige.
3.9.2 Wijziging ten behoeve van opwekken duurzame energie a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak ten behoeve van het opwekken van duurzame energie, met dien verstande dat: 1. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 2. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt. b. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige. 3.9.3 Wijziging ten behoeve van fruitteeltbedrijven Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door aan gronden binnen de bestemming de aanduiding 'fruitteelt' toe te kennen, ten behoeve van de verplaatsing van een ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaand volwaardig fruitteeltbedrijf, indien deze verplaatsing noodzakelijk is in verband met de doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen, met dien verstande dat: a.
de afstand van de aanduiding 'fruitteelt' tot woningen van derden niet minder dan 50 m mag bedragen dan wel; b. een kleinere afstand indien op een andere wijze wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden bijvoorbeeld omdat sprake is van afscherming door een windhaag (of een constructie met gelijkwaardige filterende werking) of nieuwe technieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden. Bij de agrarisch deskundige dient advies ingewonnen te worden of sprake is van een volwaardig fruitteeltbedrijf en of de verplaatsing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 27
3.9.4 Wijziging ten behoeve van een plattelandswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de functie van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen door toevoeging van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' op de verbeelding ten behoeve van een zogenaamde plattelandswoning voor bewoning van een agrarische bedrijfswoning door (het huishouden van) een persoon die geen functionele binding heeft met het binnen het (gekoppelde) bouwvlak gevestigde bedrijf, onder de voorwaarde dat: a. de betreffende agrarische bedrijfswoning afgesplitst is van het agrarisch bedrijf en niet meer als zodanig in gebruik is; b. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van luchtkwaliteit. 3.9.5 Wijziging ten behoeve van vervolgfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de volgende vervolgactiviteiten:
Tabel 3.3. Wonen en/of hobbyboeren Agrarische bedrijf bij wijze van deeltijd Agrarische loonbedrijven Veehandelsbedrijven (met veetransport) Productiegerichte paardenhouderij Hoveniersbedrijf Opslag/stalling van niet-agrarische goederen in bestaande bebouwing, niet zijnde kassen Bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Kinderboerderij Maneges Pensionstal Kampeerterrein Kampeerboerderij Hotel en/of restaurant Dierenpension: hondenfokkerij Tentoonstellingsruimte: museum Zorgboerderij Kinderdagverblijf danwel vervolgfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de genoemde vervolgfuncties
Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de genoemde vervolgfuncties worden de volgende zaken in de belangenafweging betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 28
wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom; 2. het belang van de waterhuishouding; 3. de wenselijkheid van zinvol gebruik van gebouwen en onbebouwde gronden, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de belangen van omliggende (agrarische) bedrijven; de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt; 5. de aard en omvang van de nieuwe functie, mede in relatie tot de omvang en de situering van de aanwezige bebouwing; 6. de behoefte de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied zoveel mogelijk te versterken, met name in relatie tot nieuwe niet-agrarische functies ter plaatse van agrarische bouwvlakken, onder meer door landschapsbouw en landschappelijke inpassing, sanering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en stimulering van herstel/behoud van rijks- en gemeentelijke monumenten en MIP-panden en streekeigen karakteristieken; 7. voordat tot bestemmingswijziging over gegaan wordt, dient door middel van een mobiliteitstoets inzichtelijk gemaakt te zijn dat de bestemmingswijziging niet leidt tot een onevenredige belasting van het wegennet; b. Registratie: geen uitbreiding van bebouwing: 1.
in het wijzigingsplan wordt bij wijze van bouwregel bepaald dat de gebouwen in geen enkel opzicht mogen worden uitgebreid, behoudens voor zover daarvoor ingevolge de navolgende regels van kan worden afgeweken; 2. ter zake wordt een overeenkomst gesloten, voordat planwijziging wordt toegepast; 3. in het wijzigingsplan wordt door middel van een specifieke aanduiding aangegeven dat het een vervolgfunctie betreft op een voormalig agrarisch bouwvlak; c. Sloopregeling voor nieuwe functies: 1. met uitzondering van de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of agrarische bedrijfswoning wordt de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen gereduceerd met ten minste 50%, tenzij: het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht anders dan ter vervanging van bestaande bebouwing.
Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk wanneer de nieuwe bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is en deze noodzakelijk is voor een goede zorgverlening; het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve belevingsmogelijkheden waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; het omringende landschap wordt hersteld, de recreatiemogelijkheden worden verbeterd of de waterhuishouding wordt verbeterd; d. Wonen: 1. wijziging naar Wonen mag slechts tot stand komen op bouwvlakken waar ingevolge dit artikel woningen zijn toegestaan; het aantal woningen, zoals ingevolge dit artikel toegestaan, mag niet worden uitgebreid; van aanwezige woningen mag geen ander gebruik dan gebruik in combinatie met wonen worden gemaakt; 2. het wijzigingsplan kan voorzien in één extra woning in rijks- en gemeentelijke monumenten en MIP-panden indien hierdoor daadwerkelijk wordt bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze panden; 3.
het wijzigingsplan kan voorzien in vergroting van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 29
uitgebreid; e. Bedrijven: 1. het wijzigingsplan kan bedrijven toe laten in maximaal één categorie hoger, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze en getoetst aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de in de tabel genoemde algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. het wijzigingsplan kan bedrijven toe laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf geen inrichting is als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze) geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; f. Kampeerterrein: 1. planwijziging ten behoeve van een kampeerterrein mag uitsluitend strekken ten behoeve van een kampeerterrein met niet-permanente standplaatsen; 2. bij de planwijziging kunnen ook gronden buiten het betreffende bouwvlak worden betrokken, waarbij deze gronden uitsluitend gebruikt mogen worden ten behoeve van niet-permanente standplaatsen; deze gronden dienen in beginsel direct aansluitend aan het bestaande bouwvlak gesitueerd te worden; 3. de oppervlakte van een kampeerterrein mag in totaal maximaal 2 ha bedragen; g. Voorzieningen: 1.
het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken; 2. het plaatsen van lichtmasten en lichtbakken niet toegestaan, tenzij het buitenverlichting betreft bij een paardenbak en voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.5.2 onder d.; h. Buitenopslag: 1. voor de hier bedoelde functies is buitenopslag in geen geval toegestaan; i. Parkeergelegenheid: 1. er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; j. Agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd: 1. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen ten dienste van het agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd mag ten hoogste 450 m² bedragen. 3.9.6 Wijzigingsbevoegdheid woongelegenheid rustende boer Burgemeester en wethouders zijn – met toepassing van artikel 3.6 Wro – bevoegd de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - rustende boer' te verwijderen, indien deze tweede wooneenheid zijn functie ten behoeve van de 'rustende ondernemer' heeft verloren en de noodzaak daartoe is komen te vervallen.
3.9.7 Vergroting van de bedrijfswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de maximale inhoudsmaat van agrarische bedrijfswoningen te vergroten, met dien verstande dat: a. de inhoud niet meer dan 800 m3 mag bedragen; b. de grotere inhoud ter plaatse passend is binnen het landschap, hetgeen met een onderbouwing op basis van beeld- en landschapskwaliteit is aangetoond.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 30
Artikel 4 Agrarisch - Rivierzone 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch - Rivierzone aangewezen gronden, zijn bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven; b. akkerbouwbedrijven en intensieve veehouderij, uitsluitend als nevenactiviteit; c. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen, zoals een paardenbak; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kernrandzone' is in afwijking het bepaalde in dit lid onder i, een intensieve veehouderij als nevenactiviteit uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; e. de verkoop van door het eigen bedrijf op het betreffende perceel geproduceerde producten; f. mestvergistingsinstallaties ten behoeve van de mest van het eigen bedrijf ; g. windmolens; h. agrarische bedrijfswoningen; i. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', gelegen buiten de gronden die zijn aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - kernrandzone', is tevens een volwaardige intensieve veehouderij toegestaan; j. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast': tevens voor een bed & breakfast; k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf': tevens voor een kinderdagverblijf met een maximale oppervlakte van 300 m²; l.
ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting': tevens voor een ontsluitingsweg; m. ter plaatse van de aanduiding 'opslag': tevens voor de opslag van niet-agrarische goederen in de bestaande bebouwing; n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens; o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij': tevens voor een volwaardige gebruiksgerichte paardenhouderij; p. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwen; q. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling' geldt dat tevens het gebruik voor een zeilmakerij is toegestaan met in acht name van het bepaalde in lid 4.5.5; r. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen; s.
de in tabel 4.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie en – in voorkomende gevallen – het maximaal aantal m² dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfunctie: Tabel 4.1 Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan aard van de nevenfunctie
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 31
maxi maal oppe rvlak bebo uwin g
maxi maal opperv lak voor gebrui k
Verkoop agrarische producten Productiegerichte paardenhouderij Mestvergisting/co-vergistingten behoeve van de mest van derden Hoveniersbedrijf Opslag/stalling van niet agrarische goederen in bestaande bebouwing niet zijnde kassen Kano- roeiboot- of fietsenverhuur Kleinschalig kamperen Bed & breakfast Kampeerboerderij Kleinschalige horecagelegenheid Aan-huis-gebonden beroep Tentoonstellingsruimte: museum Kinderdagverblijf opvang Pensionstal
en
buitenschoolse
Hobbymatige paardenhouderij
180 m² 300 m² 300 m² 200 m² 300 m² 100 m² 100 m² 200 m² 200 m² 100 m² 50 m² 300 m² 150 m² 50 m2 50 m²
3.000 m²
waarbij geldt dat: t.
de nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar als deze functie(s) omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering; u. de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins; v. een paardenbak niet behoort tot de in tabel 4.1 genoemde maximaal aantal m² aan bebouwing. 4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 4.2.1 Algemeen a. hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw'; b. hoofdgebouwen en bijgebouwen dienen evenwijdig aan de kavelrichting te worden opgericht; c. nieuwbouw van hoofdgebouwen en bijgebouwen is niet toegestaan in geval de bestaande bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van niet-agrarische functies; d. herbouw van gebouwen die zijn aangeduid met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' is uitsluitend toegestaan, mits: Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 32
1. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, niet toeneemt; 2. de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw bij herbouw gehandhaafd blijft; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - nieuwbouw' mogen geen nieuwe gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderijen worden opgericht. Vervangende nieuwbouw is wel toegestaan, mits de oppervlakte van de vervangende gebouwen gelijk blijft aan de oppervlakte van de bestaande gebouwen; f. indien bouwvlakken middels het figuur 'relatie' met elkaar zijn verbonden, worden deze bouwvlakken gerekend als 1 bouwvlak; g. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' is uitsluitend de aangegeven nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw' geldt dat: 1. de aanwezige oppervlakte, goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar; 2. woningen niet zijn toegestaan; i. er mogen geen gebouwen worden gerealiseerd voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag. 4.2.2 Gebouwen a. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 12 m; c. de bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 5,5 m; d.
de afstand van gebouwen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; e. de afstand van gebouwen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bedrijf ten behoeve van intensieve veehouderij als nevenactiviteit, bedraagt ten hoogste 2.000 m2; g. de goot- respectievelijk bouwhoogte van een bed & breakfast bedraagt ten hoogste 3 m/5 m; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenstalling' mogen de gebouwen ten behoeve van paardenstalling gezamenlijk een oppervlakte hebben van maximaal 1.350 m². De aanwezige goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar. 4.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij agrarische gebouwen a. bijgebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd; b. de goot- respectievelijk bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw bedraagt ten hoogste 3 m/5 m, met dien verstande dat bestaande hogere hoogtes mogen worden gehandhaafd; c. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw mag ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen; d. de inhoud en oppervlakte van een mestbassin bedraagt respectievelijk ten hoogste 2.500 m3 en 750 m2; e.
de bouwhoogte van silo's bedraagt ten hoogste 15 m; f. de bouwhoogte van hooibergen bedraagt ten hoogste 15 m; g. op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke bouwbepaling' mag - in afwijking van het bepaalde voor de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw' - een nieuw gebouw worden gebouwd met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 m respectievelijk 4 m, indien de overige 3 bijgebouwen op het bijbehorende perceel zijn gesloopt; h. op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke bouwbepaling 1' mag - in afwijking van het bepaalde voor de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw' - een nieuw gebouw worden gebouwd met een Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 33
maximale goot- en bouwhoogte van 3 m respectievelijk 4 m en een oppervlakte van maximaal 50 m2, indien de overige 2 bijgebouwen op het bijbehorende perceel zijn gesloopt. 4.2.4 Bedrijfswoningen a. binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen agrarische bedrijfswoningen mogen worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezige, overige agrarische bedrijfswoningen toegestaan; c. de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar; d. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; e. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f. de goothoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 4,5 m; g. de bouwhoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 8 m; h.
dakkapellen op het dakvlak zijn aan de voorzijde van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat: 1. de dakkapel voorzien is van een plat dak; 2. de hoogte ten hoogste 1,75 m bedraagt, gemeten vanaf de voet van de dakkapel; 3. de onderzijde zich ten minste 0,5 m en ten hoogste 1 m boven de dakvoet bevindt; 4. de bovenzijde zich ten minste 0,5 m onder de daknok bevindt; 5. de zijkanten zich ten minste 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak bevinden; 6. de gezamenlijke breedte van de dakkapellen niet meer dan 50% van het dakvlak aan de voorzijde beslaat. 4.2.5 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen a. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; b. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; c. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen, behorende bij agrarische bedrijfswoningen, bedraagt ten hoogste 50 m2. 4.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nader aangegeven in Artikel 40 Algemene bouwregels; b. in aanvulling op het bepaalde onder a mag de hoogte van een hekwerk ten dienste van een paardenbak niet meer bedragen dan 1,8 m, met dien verstande dat dit hekwerk wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen en kleuren; c.
in aanvulling op het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van een mestbassin niet meer dan 7 m bedragen en mag de bouwhoogte van een mestvergistingsinstallatie niet meer dan 15 m bedragen; d. windmolens mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 1 windmolen per bouwvlak en met dien verstande dat de bouwhoogte van een windmolen niet meer dan 20 m mag bedragen; e. in aanvulling op het bepaalde onder a. zijn lichtmasten uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan. f. windmolens in de nabijheid van rijkswegen of waterkeringen dienen te voldoen aan de Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 34
beleidsregel "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; g. tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en bovengrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand te worden gehouden die minimaal gelijk is aan of groter dan de maximale werpafstand bij 2x normaal toerental; h. tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en ondergrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand van minimaal 25 meter tot de belemmerde strook te worden aangehouden; i. het realiseren van windmolens binnen de genoemde afstanden is alleen mogelijk na overleg met de netbeheerder. 4.2.7 Zoneilanden Grondgebonden installaties voor de opwekking van zonne-energie zijn slechts toegestaan binnen agrarische bouwvlakken.
4.2.8 Nevenfuncties a. voor alle rechtstreeks op grond van het bepaalde in lid 4.1 of met afwijking op grond van het bepaalde in lid 4.6.5 en/of 4.6.6 toelaatbare nevenfuncties tezamen mag per perceel maximaal 300 m² aan nieuwbouw van gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eenzelfde oppervlakte aan bestaande bebouwing wordt gesloopt; b. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan; c. het plaatsen van lichtmasten en lichtbakken ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan, tenzij het buitenverlichting betreft bij een paardenbak en voldaan wordt aan het bepaalde in lid 4.5.1 onder d. 4.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', nadat de monumentencommissie om schriftelijk advies is gevraagd, nadere eisen stellen met betrekking tot de uitwendige hoofdvorm zoals deze wordt bepaald door goothoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling teneinde te waarborgen dat de aan het pand eigen cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat deze nadere eisen een doelmatige bedrijfsvoering niet onevenredig mogen belemmeren.
4.4 Afwijken van de bouwregels 4.4.1 Uitbreiding agrarisch bouwvlak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1 onder a voor het veranderen en vergroten van een agrarisch bouwvlak tot ten hoogste 1,5 ha, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: a. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; b. het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden vergroot; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige of: 1. sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 35
4.4.2 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfsgebouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.2 onder a en b voor het verhogen van de goothoogte van het bedrijfsgebouw naar ten hoogste 8 m en de bouwhoogte naar ten hoogste 15 m, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.
4.4.3 Verkleinen bouwafstand Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.2 onder d en e voor de bouw van gebouwen op ten minste 1,5 m afstand naar andere gebouwen of perceelsgrenzen, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.
4.4.4 Verruimen inhoud en bouwhoogte mestbassins Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.3 onder d voor het vergroten een mestbassin tot een inhoud van ten hoogste 4.500 m3, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 36
4.4.5 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.4 onder f en g voor het verhogen van de goot- en bouwhoogte van de agrarische bedrijfswoning naar respectievelijk ten hoogste 5,5 m en 9 m, met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. 4.4.6 Tijdelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen worden gegeven, met dien verstande dat: a. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; b.
de goot- en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot- en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw; c. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen; d. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; e. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij een door hen aan te wijzen medisch adviseur; f. het bevoegd gezag trekt de verleende omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de vrijstelling bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer nodig is; g. De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt. 4.4.7 Nieuwbouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1 onder b.
voor het toestaan van het oprichten van gebouwen niet evenwijdig aan de kavelrichting, mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het landschap. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 37
4.4.8 Wijziging dak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1 ten behoeve van een kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting afwijkend van de voorgeschreven kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting zoals verbeeld in Bijlage 3 Kappenkaart mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de monumentale waarde van het pand. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend wordt de monumentencommissie gehoord met betrekking tot de vraag of de monumentale waarde niet onevenredig wordt aangetast.
4.4.9 Vergroting van een inpandige woning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien: a. het een woning betreft met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' en; b. het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid. 4.4.10 Bedrijfsgebonden windmolen 1. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.6 onder d voor het verhogen van de maximale toegestane bouwhoogte van windmolens naar 30 m, met dien verstande dat: a. de stroomleverantie van de windmolen (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is; b. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorische, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; c. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder b alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; d. binnen 100 meter van gebieden met de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - stiltegebied' een bedrijfsgebonden windmolen met een bouwhoogte hoger dan 20 m niet wordt toegestaan; e.
dient te worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoent, waarbij in ieder geval geldt dat de windmolen voldoet aan de eisen van het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfoort, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; f. afstanden tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen dient te voldoen aan de "Handreiking risicozonering windturbines"; g. nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van zichtlijnen en ter beperking van: visuele hinder; slagschaduw; geluidshinder. 2. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.2.6 onder d voor situering van windmolens buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. aangetoond is dat: de windmolen niet binnen het bouwvlak past; of, plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak afbreuk doet aan monumentale waarden; of, plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak de vrije windgang tot aan de Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 38
molen onevenredig hindert. b. de afstand van windmolen tot het bouwvlak niet meer mag bedragen dan één keer de ashoogte van de windmolen; c. de stroomleverantie van de windmolen (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is; d. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; e. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder d alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; f. dient te worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoet, waarbij in ieder geval geldt dat de windmolen voldoet aan de eisen van het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfoort, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; g. nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van zichtlijnen en beperking van: visuele hinder; slagschaduw; geluidshinder.
4.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 4.5.1 Paardenbakken a. paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens, zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'; b. de afstand van een paardenbak tot woning van derden bedraagt ten minste 50 m; c. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan, met dien verstande dat afhankelijk van het landschapstype wel/geen groen kan worden aangelegd; d. buitenverlichting is toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat: 1. de maximale hoogte van de lichtmasten is 6 meter; 2. maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan; 3. de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst; 4. maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 meter boven de bodem van de bak; 5. de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak; 6. de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur 's avonds; 7.
binnen 100 meter van gebieden met de bestemming 'Natuur', 'Bos' en/of gebiedsaanduiding 'Milieuzone - stiltegebied' lichtmasten niet zijn toegestaan, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan lichtmasten aanwezig zijn binnen 100 meter van de genoemde gebieden, dit wordt toegestaan; 8. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'. e. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 1.200 m2, met dien verstande dat: 1. een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij ten hoogste 800 m² bedraagt; 2. indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij meer bedraagt dan 800 m2, de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 39
f.
maximaal toelaatbaar.; het geven van instructie is toegestaan, met dien verstande dat: 1. het individuele instructie betreft en er geen sprake is van groepslessen; 2. geen sprake is van een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij; 3. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'.
4.5.2 Overig a. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is uitsluitend het gebruik in de vorm van een agrarische bedrijfswoning toegestaan; b. de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m; c. kuilplaten en opslag van kuilvoer zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan; d. in afwijking van het bepaalde onder d zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilopslag' tevens kuilplaten en opslag van kuilvoer buiten het bouwvlak toegestaan. 4.5.3 Opslag a. opslag van goederen is - met uitzondering van de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst - uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan; b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is de opslag van niet-agrarische goederen toegestaan, uitsluitend in bestaande schuren en tot een maximum van 1.100 m². 4.5.4 Nevenfuncties a. aan-huis-gebonden beroep: in een woning en/of de bijbehorende bijgebouwen zijn een aan-huis-verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1.
de activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de woonfunctie de primaire functie dient te blijven; dit betekent dat niet meer dan 50 m² van het vloeroppervlak van de woning of het bijgebouw ten behoeve van de activiteiten mag worden gebruikt; 2. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woonsituatie; 3. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving; 4. de activiteiten mogen geen detailhandel en/of horeca betreffen, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; 5. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk in het openbaar gebied veroorzaken; b. kleinschalige kamperen: het plaatsen van kampeermiddelen is toegestaan met inachtneming van het volgende: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode 1 maart tot 1 november; 2. per kleinschalig kampeerterrein zijn maximaal 15 kampeermiddelen toegestaan, met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan en binnen het toegestane aantal kampeermiddelen maximaal 3 trekkershutten aanwezig mogen zijn met een maximale oppervlakte van 25 m² per trekkershut; 3.
ten behoeve van kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd; Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 40
c. voor de nevenfuncties is buitenopslag in geen geval toegestaan. 4.5.5 Uitsterfregeling zeilmakerij In aanvulling op het bepaalde in lid 4.1 geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – uitsterfregeling' het volgende: a. deze gebouwen met een oppervlakte van 336 m2 zijn in strijd met het bestemmingsplan in gebruik genomen als zeilmakerij; uitsluitend dit gebruik mag worden voortgezet; b. uitbreiding van de bestaande gebouwen en behoeve van het gebruik als zeilmakerij is niet toegestaan; c. indien het gebruik als zeilmakerij gedurende één jaar of langer is gestaakt, is dit gebruik voor zeilmakerij niet meer toegestaan. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels 4.6.1 Opslag bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.1 om in geval van vrijkomende bedrijfsgebouwen, niet zijnde het hoofdbedrijfsgebouw, bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging, het tijdelijk gebruik voor opslag ten behoeve van elders gevestigde niet-agrarische bedrijven of caravanstalling toe te staan, met dien verstande dat: a. aan later ingediende aanvragen om agrarische bebouwing pas medewerking kan worden verleend nadat de voor niet-agrarische gebruik gebruikte opstallen weer voor agrarisch gebruik geschikt zijn gemaakt of zijn vervangen door een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw; b.
alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; c. indien een agrarisch gebouw, dat gebruikt wordt voor opslag, niet gebruikt kan worden voor hergebruik, kan medewerking worden verleend door het bevoegd gezag aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van nieuwe agrarische bebouwing onder de voorwaarde dat voorafgaand aan vergunningsverlening een agrarisch deskundige om advies gevraagd is. 4.6.2 Bedrijfsverplaatsing Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.1 door het aanwijzen van een nieuw bouwvlak ten behoeve van de verplaatsing van een elders in de gemeente gevestigde volwaardige veehouderij, fruitteelt-, sierteelt-, of tuinbouwbedrijf.
4.6.3 Paardenbakken a. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.1 onder a voor de situering van paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen elders binnen de agrarische bestemming, aangrenzend aan het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt, met dien verstande dat een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij ten hoogste 800 m² bedraagt; 2. het geen overdekte voorziening betreft, tenzij het gaat om een overdekte voorziening die al bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en die landschappelijk aanvaardbaar is; 3. aangetoond is dat deze voorzieningen niet binnen het bouwvlak passen; 4. geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op landschappelijke waarden, natuur en Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 41
cultuurhistorie, waaronder ook die van aangrenzende gronden; 5. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'. b. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.1 onder b voor de afstand van een paardenbak tot een woning van derden van tenminste 30 m, met dien verstande dat: 1. de paardenbak niet intensief wordt gebruikt; 2. er qua milieuhinder geen belemmeringen optreden. c. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de in tabel 4.1 genoemde oppervlakte ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij tot een oppervlakte van 75 m². 4.6.4 Spuitzones Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.2 onder b voor kleinere afstanden indien: a. een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking wordt gerealiseerd met een minimale hoogte van 2,5 m dan wel; b. op een andere wijze wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden bijvoorbeeld omdat sprake is van nieuwe technieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden. Voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid dient advies ingewonnen te worden bij een milieudeskundige.
4.6.5 Nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van het toestaan van de in tabel 4.2 genoemde nevenfuncties, met inachtneming van de tabel en de volgende voorwaarden:
Tabel 4.2.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 42
aard van de nevenfunctie
maxi maal opperv lak bebou wing
m a x i m a a l o p p e r v l a k v o o r g e b r u i k
Loonbedrijven Veehandelsbedrijven (met veetransport) Overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Kinderboerderij Pensionstal Dierenpension: hondenfokkerij Zorgboerderij Boerengolf
Poldersport
300 m2 200 m2 200 m2 300 m2 300 m2 200 m2 300 m2 200 m2
2
200 m2
h a 2 h a
Deltavliegen/paragliden
200 m2
2 h a
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 43
danwel nevenfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met genoemde nevenfuncties
200 m2
Voor de hier bedoelde nevenfuncties kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning ter afwijking verlenen, waarbij de volgende zaken in de belangenafweging worden betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de hier bedoelde functies zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins; 2. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom; 3. de wenselijkheid van de betrokken nevenfunctie, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de aard en omvang van de nevenfunctie; 5. de milieutechnische inpasbaarheid van de nevenfunctie, mede in relatie tot de mogelijke beperkingen voor (agrarische) bedrijven en de gevolgen voor omliggende woningen; b. Bedrijven: met betrekking tot de toelaatbaarheid van bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten geldt dat tevens zijn toegestaan: 1.
bedrijven in maximaal één categorie hoger, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze en getoetst aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge tabel 1 algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf geen inrichting is als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze) geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. Parkeergelegenheid: 1. er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; d. Kinderboerderij: 1. de nevenfunctie kinderboerderij is binnen dit bestemmingsplan Buitengebied 2012 uitsluitend toegestaan binnen een afstand van 500 m, gerekend vanaf de plangrens van de bestemmingsplannen voor de kernen Montfoort en Linschoten; e. Paardenbakken: 1. een paardenbak niet behoort tot de in tabel 4.2 genoemde maximaal aantal m² aan bebouwing. f. het bepaalde in lid 4.2.8 en lid 4.5.4 blijft van toepassing.
4.6.6 Bed & breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 met betrekking tot het maximaal toelaatbare oppervlak voor een bed & breakfast. Een maximaal toelaatbare oppervlakte van 300 m² is toegestaan indien: a. b. c. d.
de voorziening wordt gerealiseerd in een monument of beeldbepalend pand; sprake is van een gebouw dat een bouwkundige eenheid vormt; de te realiseren voorziening mede dient tot instandhouding van het gebouw; het bepaalde in lid 4.2.8 en lid 4.5.4 blijft van toepassing.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 44
4.6.7 Kuilplaten en kuilopslag Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.2 met betrekking tot het gebruik van gronden voor kuilplaten en voor de opslag van kuilvoer, met dien verstande dat: a. kuilplaten en de opslag van kuilvoer aansluitend aan het bouwvlak moeten worden gerealiseerd; b. kuilplaten en de opslag van kuilvoer noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse; c. de kuilplaten en de opslag van kuilvoer niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap. 4.6.8 Recreatief medegebruik Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan en recreatief medegebruik van gronden toestaan, met dien verstande dat: a. het gebruik uitsluitend is toegestaan indien hierover overeenstemming met de grondeigenaren is bereikt; b. het recreatieve medegebruik niet leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 4.6.9 Gebruiksgerichte paardenhouderij Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 en de vestiging van een volwaardige gebruiksgerichte paardenhouderij op een bestaand agrarisch bouwperceel toestaan, met dien verstande dat: a. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden en van het woon- en leefklimaat van bestemmingen en functies in de omgeving; b.
geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; c. dit niet leidt tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, het bevoegd gezag schriftelijk advies in kan winnen bij een agrarisch deskundige.
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.7.1 Omgevingsvergunning a. Het is verboden op of in de gronden als genoemd in lid 4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen van drainage ten behoeve van een paardenbak en paddock. b. Het verbod als bedoeld in dit lid onder a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in dit lid onder a zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de aanleg van drainage in combinatie met de bakvulling van een paardenbak en paddock niet leidt tot afvoer van stoffen welke mogelijk kunnen leiden tot verslechtering van de grond of het grondwater en/of tot wateroverlast.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 45
4.8 Wijzigingsbevoegdheid 4.8.1 Wijziging ten behoeve van vergroten agrarisch bouwvlak a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak, indien dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: 1. de vergroting is afgestemd op de voorgenomen bedrijfsuitbreiding; 2. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 3. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt; 4. de uitbreiding van het bouwvlak voorzien is van een landschappelijk inpassingsplan; b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige en - indien wenselijk - een landschapsdeskundige. 4.8.2 Wijziging ten behoeve van opwekken duurzame energie a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak ten behoeve van het opwekken van duurzame energie, met dien verstande dat: 1. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 2. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt. b.
Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige. 4.8.3 Wijziging ten behoeve van fruitteeltbedrijven Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door aan gronden binnen de bestemming een bouwvlak kunnen toe kennen, ten behoeve van de verplaatsing van een ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaand volwaardig fruitteeltbedrijf dat elders in de gemeente is gevestigd, indien deze verplaatsing noodzakelijk is in verband met de doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen. Bij de agrarisch deskundige dient advies ingewonnen te worden of sprake is van een volwaardig fruitteeltbedrijf en of de verplaatsing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.
4.8.4 Wijziging ten behoeve van een plattelandswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de functie van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen door toevoeging van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' op de verbeelding ten behoeve van een zogenaamde plattelandswoning voor bewoning van een agrarische bedrijfswoning door (het huishouden van) een persoon die geen functionele binding heeft met het binnen het (gekoppelde) bouwvlak gevestigde bedrijf, onder de voorwaarde dat: a. de betreffende agrarische bedrijfswoning afgesplitst is van het agrarisch bedrijf en niet meer als zodanig in gebruik is; b. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van luchtkwaliteit. 4.8.5 Wijziging ten behoeve van vervolgfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de volgende vervolgactiviteiten:
Tabel 4.3. Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 46
Wonen en/of hobbyboeren Agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd Agrarische loonbedrijven Veehandelsbedrijven (met veetransport) Productiegerichte paardenhouderij Hoveniersbedrijf Opslag/stalling van niet-agrarische goederen in bestaande bebouwing, niet zijnde kassen Bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Kinderboerderij Maneges Pensionstal Kampeerterrein Kampeerboerderij Hotel en/of restaurant Dierenpension: hondenfokkerij Tentoonstellingsruimte: museum Zorgboerderij Kinderdagverblijf danwel vervolgfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de genoemde vervolgfuncties
Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de genoemde vervolgfuncties worden de volgende zaken in de belangenafweging betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom; 2. het belang van de waterhuishouding; 3. de wenselijkheid van zinvol gebruik van gebouwen en onbebouwde gronden, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de belangen van omliggende (agrarische) bedrijven; de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt; 5. de aard en omvang van de nieuwe functie, mede in relatie tot de omvang en de situering van de aanwezige bebouwing; 6. de behoefte de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied zoveel mogelijk te versterken, met name in relatie tot nieuwe niet-agrarische functies ter plaatse van agrarische bouwvlakken, onder meer door landschapsbouw en landschappelijke inpassing, sanering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en stimulering van herstel/behoud van rijks- en gemeentelijke monumenten en MIP-panden en streekeigen karakteristieken; 7.
voordat tot bestemmingswijziging over gegaan wordt, dient door middel van een Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 47
b.
c.
d.
e.
f.
mobiliteitstoets inzichtelijk gemaakt te zijn dat de bestemmingswijziging niet leidt tot een onevenredige belasting van het wegennet; Registratie: geen uitbreiding van bebouwing: 1. in het wijzigingsplan wordt bij wijze van bouwregel bepaald dat de gebouwen in geen enkel opzicht mogen worden uitgebreid, behoudens voor zover daarvoor ingevolge de navolgende regels van kan worden afgeweken; 2. ter zake wordt een overeenkomst gesloten, voordat planwijziging wordt toegepast; 3. in het wijzigingsplan wordt door middel van een specifieke aanduiding aangegeven dat het een vervolgfunctie betreft op een voormalig agrarisch bouwvlak; Sloopregeling voor nieuwe functies: 1. met uitzondering van de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of agrarische bedrijfswoning wordt de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen gereduceerd met ten minste 50%, tenzij: het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht anders dan ter vervanging van bestaande bebouwing.