240417-2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012_Regels
Tekst van het document
REGELS PROJECT
2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
STATUS
vastgesteld
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.0335.BP2eHerzBg-VG01
DATUM
17-04-2024
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
5 Inleidende regels
6
Artikel 1 Artikel 2
6 12
Begrippen Wijze van meten
Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27 Artikel 28 Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 32 Artikel 33 Artikel 34 Artikel 35 Artikel 36 Artikel 37 Artikel 38
13 31 50 53 58 69 70 72 76 77 81 87 88 93 94 96 98 99 102 105 106 107 117 118 120 121 122 123 124 126 128 130 132 134 135 137
Agrarisch Agrarisch - Rivierzone Agrarisch met waarden - Landschap en natuur Agrarisch met waarden - Openheid Bedrijf Bedrijf - Gasontvangststation Bedrijf - Waterwinning Bedrijventerrein Bos Buitenplaats Detailhandel Groen Horeca Maatschappelijk Natuur Natuur - Oeverstroken en water Recreatie - Dagrecreatie Sport Tuin Verkeer Water Wonen Bedrijf - Voorlopig Leiding - Gas Leiding - Hoogspanningsverbinding Leiding - Riool Leiding - Water Waarde - Archeologie - 1 Waarde - Archeologie - 2 Waarde - Archeologie - 3 Waarde - Archeologie - 4 Waarde - Archeologie - 5 Waarde - Cultuurhistorie Waarde - Ecologie Waarde - Landgoed Waterstaat - Waterkering
Algemene regels
138
Artikel 39 Artikel 40
138 139
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 3
Artikel 41 Artikel 42 Artikel 43 Artikel 44 Artikel 45 Hoofdstuk 4
Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
140 141 145 146 148
Overgangs- en slotregels
149
Artikel 46 Artikel 47
149 150
Overgangsrecht Slotregel
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 4
Regels
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 5
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 met identificatienummer NL.IMRO.0335.BP2eHerzBg-VG01 van de gemeente Montfoort. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw/uitbouw een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw of deel van een gebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt en eenzelfde gebruik kent als het hoofdgebouw, zoals erkers, toega ngsportalen, (bij)keukens en woon- of slaapgedeelten van een woning. 1.4 aan huis gebonden beroep a. de uitoefening aan huis van een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen terrein; b. bedrijfsactiviteiten, voor zover die behoren tot categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. bedrijfsactiviteiten, die niet voorkomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op omgeving hiermee gelijk kunnen worden gesteld. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen. 1.8 agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd een agrarisch bedrijf met een omvang van minder dan een halve arbeidskracht en dat valt onder de werkingssfeer van de Wet Milieubeheer. 1.9 agrarisch hulpgebouw een agrarisch bedrijfsgebouw, zoals een melkstal, veldschuur of schuilgelegenheid voor dieren, gesitueerd op afstand van het agrarisch bouwvlak en noodzakelijk voor de doelmatige exploitatie van de agrarische gronden ter plaatse. 1.10 agrarische bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke woning kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 6
1.11 archeologisch (rijks)monument van rijkswege, op basis van de Erfgoedwet beschermde plaats in het landschap die waardevol is vanwege de aanwezige sporen uit het verleden. 1.12 ambachtelijk bedrijf a. een (producerend en/of verzorgend) bedrijf voor de uitoefening van ambachten, waarvoor een belangrijk deel in handwerkgoederen worden bewerkt, geïnstalleerd of hersteld, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker of verbruiker en welk wordt gekenmerkt door het geen hierna is vermeld onder b; b. een bedrijf waarvan de uitoefening plaatsheeft onder (één van) de volgende omstandigheden: 1. het productieproces wordt grotendeels 'met de hand' of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven, uitgevoerd; 2. voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid. 1.13 bed & breakfast het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning (hoofd- of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders.
1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.15 bebouwingspercentage het in het bestemmingsplan aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bestemmingsvlak, bouwperceel of bouwvlak dat maximaal mag worden bebouwd. 1.16 bedrijfswoning een woning in of bij een bedrijf, die slechts bewoond mag worden door (het huishouden van) een persoon die werkzaam is bij het bedrijf. 1.17 beheerschuur een bouwwerk in de vorm van een op zichzelf staand, niet geschikt voor bewoning, bedoeld voor het opslaan van landbouwwerktuigen, landbewerkingsmiddelen en onderhoudsmateriaal noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van een gebied met een recreatief gebruik. 1.18 bestaande bebouwing afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo. 1.19 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.20 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.21 bijgebouw een vrijstaand, afzonderlijk van het hoofdgebouw in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden gebouw.
1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 7
1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.27 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. 1.28 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. 1.29 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.30 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.31 erf- of terreinafscheiding een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan af te scheiden, zoals een (tuin)muur, een (tuin)hek of een rasterwerk waarlangs beplanting groeit; een erf- of terreinafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te zijn op een perceelsgrens om als zodanig te worden opgevat. 1.32 erker een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. een erker is gelegen aan de verblijfsruimte (woonkamer of keuken). Een erker heeft een beperkte diepte en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas. 1.33 fruitteeltbedrijf een bedrijf dat is gericht op het telen van fruit. Het rechtstreeks leveren van geteeld fruit van het eigen bedrijf valt onder de normale bedrijfsvoering. 1.34 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35 gebruiksgerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar het rijden c.q.
mennen met paarden, pony's en of veulens primair gericht is op de ruiter/ amazone/ menner en waar enkel individueel lesgeven is toegestaan, waarbij geldt dat per paardenbak maximaal één ruiter tegelijk les wordt gegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 8
1.36 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf. 1.37 hobbymatige paardenhouderij het kleinschalig houden van paarden waarbij tot een maximum van 5 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding, zonder winstoogmerk. Wanneer sprake is van een in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aangewezen milieubelastende activiteit is geen sprake van een hobbymatige paardenhouderij. 1.38 intensieve veehouderij het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden.
Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). De melkveehouderij en het houden van geiten worden niet als intensieve veehouderij beschouwd. 1.39 kinderdagverblijf De opvang van kinderen overdag, zonder de mogelijkheid tot overnachting en daaronder begrepen buitenschoolse opvang. 1.40 kuilopslag opslag van agrarische producten of veevoer afgedekt met zand of een ander materiaal. 1.41 kuilplaten verharding ten behoeve van kuilopslag. 1.42 longeercirkel ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waarin een paard onder begeleiding specifieke training gegeven kan worden. 1.43 (agrarisch) loonbedrijf een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven.
1.44 manege een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden en/of pony's in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en/of pony's en het bieden van huisvesting aan die paarden en/of pony's, het organiseren van wedstrijden en evenementen en waarbij ondergeschikt hieraan horeca is toegestaan. 1.45 mantelzorg Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.46 mestbassin een mestbassin als bedoeld in het Besluit mestbassins milieubeheer.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 9
1.47 mestvergistingsinstallatie kleinschalige mestvergister waarbij de mest afkomstig is van één bedrijf. 1.48 nevenfunctie functie welke ondergeschikt is aan een hoofdfunctie, uit de hoofdfunctie dient minimaal 50% van de bedrijfsinkomsten te worden gegenereerd met dien verstande dat deze bepaling over bedrijfsinkomsten niet geldt voor nevenfuncties bij de bestemming Wonen. 1.49 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en gebouwen voor telecommunicatie. 1.50 ontsluitingsweg een weg die uitsluitend dient om toegang te geven tot percelen en niet is ontworpen voor doorgaand verkeer. 1.51 opslag opslag van goederen en tastbare producten die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan. 1.52 opstelplaatsen parkeervoorzieningen ten behoeve van de op naastgelegen gronden gelegen woning. 1.53 paardenbak een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden.
1.54 paardenhouderij een agrarisch (grondgebonden) bedrijf wat zich richt op het productiegericht en/of gebruiksgericht houden van paarden, pony's en/of veulens, niet zijnde een manege. 1.55 paddock een ruimte voorzien van een bewerkte/aangepaste (zand)bodem waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen. 1.56 paden voet- en fietspaden. 1.57 peil Voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.58 pensionstal een bedrijf kan als pensionstal worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het houden van paarden van derden. Hieronder wordt verstaan de verhuur van stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van de paarden. 1.59 plattelandswoning Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden, en die niet worden beschermd tegen de milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf.
1.60 productiegerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en/of verhandelen van paarden, pony's en/of veulens; zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, paardenmelkerijen, africhtingsstallen, trainingsstallen, sportstallen, handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations. Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 10
1.61 recreatief medegebruik gebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, ondergeschikt aan de hoofdfunctie van de gronden, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie. 1.62 regeling voor parkeren en laden en lossen een regeling in een ruimtelijk plan waarbij de parkeervoorzieningen specifiek zijn vastgelegd door middel van: a. specifieke parkeernormen; of b. het minimum of maximum aantal parkeervoorzieningen. 1.63 silo een voorziening voor de een opslagplaats voor stort- of bulkgoederen in de vorm van poeders of korrelvormige producten zoals graan, veevoer, kunstmest, zand of grind. 1.64 stapmolen ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel (doorsnede circa 12 m) , waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast. 1.65 theetuin gelegenheid voor het schenken van dranken zonder dat daarvoor een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet nodig is. 1.66 trainingsmolen ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel (doorsnede circa 20 m), waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen, draven of galopperen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast.
1.67 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.68 volwaardige paardenhouderij een paardenhouderij in de omvang van tenminste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.69 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw op een perceel loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen. 1.70 werpafstand afstand die door een afbrekend rotorblad tijdens een overtoeren situatie overbrugd kan worden. 1.71 windmolen een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding. 1.72 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.73 zoneiland een aaneengesloten oppervlakte zonnecollectoren.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 11
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 afstanden onderling Afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erf scheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.7 oppervlakte van een overkapping Tussen de (neerwaarts geprojecteerde) buitenzijde van de afdekking van de overkapping. 2.8 de bouwhoogte van een windmolen Vanaf het peil tot aan de as van de windmolen.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 12
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, met uitsluitend als nevenactiviteit een intensieve veehouderij; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kernrandzone' de nevenactiviteit intensieve veehouderij uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; c. de verkoop van de door het eigen bedrijf op het betreffende perceel geproduceerde producten; d. mestvergistingsinstallaties ten behoeve van de mest van het eigen bedrijf; e. windmolens; f. agrarische bedrijfswoningen; g. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen, zoals een paardenbak; h. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt': tevens een volwaardig fruitteeltbedrijf; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd': tevens voor een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij tevens veehandelsbedrijf': tevens een volwaardige intensieve veehouderij en een veehandelsbedrijf; k.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loon-, aannemers- en verhuurbedrijf': tevens voor een loonbedrijf, tevens aannemersbedrijf en verhuurbedrijf behorend tot categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; l. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', niet zijnde gelegen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kernrandzone': tevens een volwaardige intensieve veehouderij; m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - opslag-loonbedrijf': tevens voor opslag ten dienste van een loonbedrijf; n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens; o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij': tevens een volwaardige gebruiksgerichte paardenhouderij; p. windmolens, behoudens ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed'; q. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwen; r. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen; s.
de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie, en – in voorkomende gevallen – het maximaal aantal m² dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfunctie: Tabel 3.1 Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 13
aard van de nevenfunctie
maxi maal opper vlak bebou wing
Verkoop agrarische producten Productiegerichte paardenhouderij Mestvergisting/co-vergisting behoeve van de mest van derden Hoveniersbedrijf
180 m² 300 m² 300 m ² 200 m ² 300 m ²
ten
Opslag/stalling van niet agrarische goederen in bestaande bebouwing niet zijnde kassen Kano- roeiboot- of fietsenverhuur Kleinschalig kamperen Bed & breakfast Kampeerboerderij Kleinschalige horecagelegenheid Aan-huis-gebonden beroep Tentoonstellingsruimte: museum Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang Pensionstal Hobbymatige paardenhouderij
100 m ² 100 m ² 200 m ² 200 m ² 100 m ² 50 m² 300 m ² 150 m ² 50 m² 50 m²
waarbij geldt dat: t.
de nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar als deze functie(s) omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering; u. de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins v. een paardenbak niet behoort tot de in tabel 3.1 genoemde maximaal aantal m² aan bebouwing. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Algemeen a. hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw'; b. hoofdgebouwen en bijgebouwen dienen evenwijdig aan de kavelrichting te worden opgericht; Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 14
maxi maal opperv lak voor gebrui k
3.000 m²
c. nieuwbouw van hoofdgebouwen en bijgebouwen is niet toegestaan in geval de bestaande bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van niet-agrarische functies; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd' mag de oppervlakte van alle bebouwing tezamen ten hoogste 100 m² bedragen; e. herbouw van gebouwen die zijn aangeduid met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' is uitsluitend toegestaan, mits: 1. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, niet toeneemt; 2. de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw bij herbouw gehandhaafd blijft; f. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' is uitsluitend de aangegeven nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; g. ter plaatse van de aanduiding 'kap' is uitsluitend de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw' geldt dat: 1. de aanwezige oppervlakte, goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar; 2. woningen niet zijn toegestaan; i. er mogen geen gebouwen worden gerealiseerd voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag.
3.2.2 Gebouwen a. indien bouwvlakken middels het figuur 'relatie' met elkaar zijn verbonden, worden deze bouwvlakken gerekend als 1 bouwvlak; b. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 12 m; d. de bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 5,5 m; e. de afstand van gebouwen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; f. de afstand van gebouwen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; g. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt' bedraagt het gezamenlijk grondoppervlak van kassen, inclusief boogkassen, ten hoogste 300 m2; h. de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - opslag-loonbedrijf' is een gebouw toegestaan ten behoeve van opslag met een maximale goot-/ bouwhoogte van 4m/6,5m en een oppervlakte van ten hoogste 313 m². 3.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij agrarische gebouwen a. bijgebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd; b. de goot- respectievelijk bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw bedraagt ten hoogste 3 m/5 m, met dien verstande dat bestaande hogere hoogtes mogen worden gehandhaafd; c.
de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw mag ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen; d. de inhoud en oppervlakte van een mestbassin bedraagt respectievelijk ten hoogste 2.500 m3 en 750 m2; e. de bouwhoogte van silo's bedraagt ten hoogste 15 m; f. de bouwhoogte van hooibergen bedraagt ten hoogste 15 m.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 15
3.2.4 Bedrijfswoningen a. binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen agrarische bedrijfswoningen mogen worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezige, overige agrarische bedrijfswoningen toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - rustende boer' tevens een kleine agrarische bedrijfswoning toegestaan ten behoeve van de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer; c. de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat: 1. indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar; 2. in afwijking van het hiervoor bepaalde de inhoud van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - rustende boer' ten hoogste 250 m³ mag bedragen; d. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; e.
de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f. de goothoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 4,5 m; g. de bouwhoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 8 m; h. dakkapellen op het dakvlak zijn aan de voorzijde van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat: 1. de dakkapel voorzien is van een plat dak; 2. de hoogte ten hoogste 1,75 m bedraagt, gemeten vanaf de voet van de dakkapel; 3. de onderzijde zich ten minste 0,5 m en ten hoogste 1 m boven de dakvoet bevindt; 4. de bovenzijde zich ten minste 0,5 m onder de daknok bevindt; 5. de zijkanten zich ten minste 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak bevinden; 6. de gezamenlijke breedte van de dakkapellen niet meer dan 50% van het dakvlak aan de voorzijde beslaat. 3.2.5 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen a. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; b. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; c. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen, behorende bij agrarische bedrijfswoningen, bedraagt ten hoogste 50 m2. 3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nader aangegeven in Artikel 40 Algemene bouwregels; b.
in aanvulling op het bepaalde onder a mag de hoogte van een hekwerk ten dienste van een paardenbak niet meer bedragen dan 1,8 m, met dien verstande dat dit hekwerk wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen en kleuren; c. in aanvulling op het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van een mestbassin niet meer dan 7 m bedragen en mag de bouwhoogte van een mestvergistingsinstallatie niet meer dan 15 m bedragen; d. windmolens mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 1 windmolen per bouwvlak en met dien verstande dat de bouwhoogte van een windmolen niet meer dan 20 m mag bedragen; e. in aanvulling op het bepaalde onder a. zijn lichtmasten uitsluitend binnen een bouwvlak Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 16
toegestaan; windmolens in de nabijheid van rijkswegen of waterkeringen dienen te voldoen aan de beleidsregel "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; g. tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en bovengrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand te worden gehouden die minimaal gelijk is aan of groter dan de maximale werpafstand bij 2x normaal toerental; h. tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en ondergrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand van minimaal 25 meter tot de belemmerende strook te worden aangehouden; i. het realiseren van windmolens binnen de genoemde afstanden is alleen mogelijk na overleg met de netbeheerder. f.
3.2.7 Zoneilanden Grondgebonden installaties voor de opwekking van zonne-energie zijn slechts toegestaan binnen agrarische bouwvlakken.
3.2.8 Nevenfuncties a. voor alle rechtstreeks op grond van het bepaalde in lid 3.1 of met afwijking op grond van het bepaalde in lid 3.7.3 en/of 3.7.4 toelaatbare nevenfuncties tezamen mag per perceel maximaal 300 m² aan nieuwbouw van gebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eenzelfde oppervlakte aan bestaande bebouwing wordt gesloopt; b. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan; c. het plaatsen van lichtmasten en lichtbakken ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan, tenzij het buitenverlichting betreft bij een paardenbak en voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.5.2 onder d. 3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', nadat de monumentencommissie om schriftelijk advies is gevraagd, nadere eisen stellen met betrekking tot de uitwendige hoofdvorm zoals deze wordt bepaald door goothoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling teneinde te waarborgen dat de aan het pand eigen cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat deze nadere eisen een doelmatige bedrijfsvoering niet onevenredig mogen belemmeren.
3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Uitbreiding agrarisch bouwvlak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het veranderen en vergroten van een agrarisch bouwvlak tot ten hoogste 1,5 ha, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: a. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; b. het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden vergroot; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige of: 1. sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 17
advies vragen bij een landschapsdeskundige. 3.4.2 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfsgebouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder b en c voor het verhogen van de goothoogte van het bedrijfsgebouw naar ten hoogste 8 m en de bouwhoogte naar ten hoogste 15 m, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.
3.4.3 Verkleinen bouwafstand Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder e en f voor de bouw van gebouwen op ten minste 1,5 m afstand naar andere gebouwen of perceelsgrenzen, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.
3.4.4 Verruimen inhoud en bouwhoogte mestbassins Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.3 onder d voor het vergroten een mestbassin tot een inhoud van ten hoogste 4.500 m3, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 18
3.4.5 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.4 onder f en g voor het verhogen van de goot- en bouwhoogte van de agrarische bedrijfswoning naar respectievelijk ten hoogste 5,5 m en 9 m, met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. 3.4.6 Tijdelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen worden gegeven, met dien verstande dat: a. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; b.
de goot- en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot- en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw; c. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen; d. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; e. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij een door hen aan te wijzen medisch adviseur; f. het bevoegd gezag trekt de verleende omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de vrijstelling bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer nodig is. 3.4.7 Nieuwbouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder b. voor het toestaan van het oprichten van gebouwen niet evenwijdig aan de kavelrichting, mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het landschap. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 19
3.4.8 Wijziging dak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 ten behoeve van een kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting afwijkend van de voorgeschreven kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de monumentale waarde van het pand. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend wordt de monumentencommissie gehoord met betrekking tot de vraag of de monumentale waarde niet onevenredig wordt aangetast.
3.4.9 Vergroting van een inpandige woning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien: a. het een woning betreft met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' en; b. het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid. 3.4.10 Bedrijfsgebonden windmolens 1. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.6 onder d voor het verhogen van de maximale toegestane bouwhoogte van windmolens naar 30 m, met dien verstande dat: a. de stroomleverantie van de windmolen (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is; b. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie waaronder ook die van de aangrenzende gronden; c. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder b alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; d. binnen 100 meter van gebieden met de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - stiltegebied' een bedrijfsgebonden windmolen met een bouwhoogte hoger dan 20 m niet wordt toegestaan; e.
dient te worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoet, waarbij in ieder geval geldt dat de windmolen voldoet aan de eisen van het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfort, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; f. afstanden tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen dient te voldoen aan de "Handreiking risicozonering windturbines"; g. nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van zichtlijnen en ter beperking van: visuele hinder; slagschaduw; geluidshinder. 2. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.6 onder d voor situering van windmolens buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. aangetoond is dat: de windmolen niet binnen het bouwvlak past; of, plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak afbreuk doet aan monumentale waarden; of, plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak de vrije windgang tot aan de Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 20
molen onevenredig hindert. b. de afstand van windmolen tot het bouwvlak niet meer mag bedragen dan één keer de ashoogte van de windmolen; c. de stroomleverantie van de windmolen (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is; d. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; e. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder d alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; f. dient te worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoet, waarbij in ieder geval geldt dat de windmolen voldoet aan de eisen van het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfoort, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk"; g. nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van zichtlijnen en ter beperking van: visuele hinder; slagschaduw; geluidshinder.
3.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 3.5.1 Opslag a. opslag van goederen is - met uitzondering van de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op de gronden met de aanduiding 'fruitteelt'- uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan; b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan; c. opslag van goederen die niet ten dienste staan van de uitoefening van het agrarisch bedrijf slechts is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag'. 3.5.2 Paardenbakken a. paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens, zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan; b. de afstand van een paardenbak tot woning van derden bedraagt ten minste 50 m; c. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan, met dien verstande dat afhankelijk van het landschapstype wel/geen groen kan worden aangelegd; d. buitenverlichting is toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat: 1. de maximale hoogte van de lichtmasten is 6 meter; 2. maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan; 3. de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst; 4. maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 meter boven de bodem van de bak; 5.
de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak; 6. de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur 's avonds; 7. binnen 100 meter van gebieden met de bestemming 'Natuur', 'Bos' en/of gebiedsaanduiding 'Milieuzone - stiltegebied' lichtmasten niet zijn toegestaan, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan lichtmasten aanwezig zijn binnen 100 meter van de genoemde gebieden, dit wordt toegestaan; Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 21
8. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'; e. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 1.200 m2, met dien verstande dat: 1. een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij ten hoogste 800 m² bedraagt; 2. indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij meer bedraagt dan 800 m2, de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar.; f. het geven van instructie is toegestaan, met dien verstande dat: 1. het individuele instructie betreft en er geen sprake is van groepslessen; 2. geen sprake is van een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij; 3. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'. 3.5.3 Gebouwen De woning met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - rustende boer' mag uitsluitend worden gebruikt door de voorheen aan het bedrijf verbonden ondernemer en zijn of haar huishouden (rustende boer).
3.5.4 Overig a. kuilplaten en opslag van kuilvoer zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan; b. in afwijking van het bepaalde onder a. zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilopslag' tevens kuilplaten en opslag van kuilvoer buiten het bouwvlak toegestaan. 3.5.5 Nevenfuncties a. aan-huis-gebonden beroep: in een woning en/of de bijbehorende bijgebouwen zijn een aan-huis-verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de woonfunctie de primaire functie dient te blijven; dit betekent dat niet meer dan 50 m² van het vloeroppervlak van de woning of het bijgebouw ten behoeve van de activiteiten mag worden gebruikt; 2. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woonsituatie; 3. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving; 4. de activiteiten mogen geen detailhandel en/of horeca betreffen, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; 5.
de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk in het openbaar gebied veroorzaken; b. kleinschalige kamperen: het plaatsen van kampeermiddelen is toegestaan met inachtneming van het volgende: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode 1 maart tot 1 november; 2. per kleinschalig kampeerterrein zijn maximaal 15 kampeermiddelen toegestaan, met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan en binnen het toegestane aantal kampeermiddelen maximaal 3 trekkershutten aanwezig mogen zijn met een maximale oppervlakte van 25 m² per trekkershut; Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 22
3. ten behoeve van kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd; c. voor de nevenfuncties is buitenopslag in geen geval toegestaan. 3.6 Voorwaardelijke verplichting Ter plaatse van Cattenbroekerdijk 34 mogen de gronden alleen gebruikt worden ten behoeve van de bestemming. Uiterlijk 11 mei 2024 dient een ringslootbosje en overige nieuwe beplanting te worden gerealiseerd en in stand gehouden volgens het inpassingsplan zoals opgenomen is in Bijlage 4. 3.7 Afwijken van de gebruiksregels 3.7.1 Opslag bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.1 om in geval van vrijkomende bedrijfsgebouwen, niet zijnde het hoofdbedrijfsgebouw, bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging, het tijdelijk gebruik voor opslag ten behoeve van elders gevestigde niet-agrarische bedrijven of caravanstalling toe te staan, met dien verstande dat: a. aan later ingediende aanvragen om agrarische bebouwing pas medewerking kan worden verleend nadat de voor niet-agrarische gebruik gebruikte opstallen weer voor agrarisch gebruik geschikt zijn gemaakt of zijn vervangen door een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw; b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1.
of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; c. indien een agrarisch gebouw, dat gebruikt wordt voor opslag, niet gebruikt kan worden voor hergebruik, kan medewerking worden verleend door het bevoegd gezag aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van nieuwe agrarische bebouwing onder de voorwaarde dat voorafgaand aan vergunningsverlening een agrarisch deskundige om advies gevraagd is. 3.7.2 Paardenbakken a. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.5.2 onder a voor de situering van paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen elders binnen de agrarische bestemming, aangrenzend aan het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt, met dien verstande dat een paardenbak ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij ten hoogste 800 m² bedraagt; 2. het geen overdekte voorziening betreft, tenzij het gaat om een overdekte voorziening die al bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en die landschappelijk aanvaardbaar is; 3. aangetoond is dat deze voorzieningen niet binnen het bouwvlak passen; 4.
er geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie; 5. er geen strijdigheid bestaat met 'de Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort'. b. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.5.2 onder b voor de afstand van een paardenbak tot een woning van derden van tenminste 30 m, met dien verstande dat: 1. de paardenbak niet intensief wordt gebruikt; 2. er qua milieuhinder geen belemmeringen optreden. c. Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de in tabel 3.2 Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 23
genoemde oppervlakte ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij oppervlakte van 75 m². 3.7.3 Nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties, met inachtneming van de tabel en de volgende voorwaarden:
Tabel 3.2. aard van de nevenfunctie
maxi maal opper vlak bebo uwing
Loonbedrijven
300 m
Veehandelsbedrijven (met veetransport)
200 m
Overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Kinderboerderij
200 m
Pensionstal
300 m
Dierenpension: hondenfokkerij
200 m
Zorgboerderij
300 m
Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 24
2
2
2
300 m 2
2
2
2
m a x i m a a l o p p e r vl a k v o o r g e b r u ik
Boerengolf
Poldersport
Deltavliegen/paragliden
200 m
2
200 m
h a 2
200 m
h a 2
2
2
2
h a danwel nevenfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met genoemde nevenfuncties
200 m 2
Voor de hier bedoelde nevenfuncties kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning ter afwijking verlenen, waarbij de volgende zaken in de belangenafweging worden betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de hier bedoelde functies zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins; 2. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom; 3. de wenselijkheid van de betrokken nevenfunctie, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de aard en omvang van de nevenfunctie; 5. de milieutechnische inpasbaarheid van de nevenfunctie, mede in relatie tot de mogelijke beperkingen voor (agrarische) bedrijven en de gevolgen voor omliggende woningen; b. Bedrijven: met betrekking tot de toelaatbaarheid van bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten geldt dat tevens zijn toegestaan: 1.
bedrijven in maximaal één categorie hoger, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze en getoetst aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge tabel 1 algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf geen inrichting is als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze) geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. Parkeergelegenheid: 1. er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; d. Kinderboerderij: 1. de nevenfunctie kinderboerderij is binnen dit bestemmingsplan Buitengebied 2012 uitsluitend toegestaan binnen een afstand van 500 m, gerekend vanaf de plangrens van de bestemmingsplannen voor de kernen Montfoort en Linschoten; e. Paardenbakken: 1. een paardenbak niet behoort tot de in tabel 3.2 genoemde maximaal aantal m² aan bebouwing. Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 25
f.
het bepaalde in lid 3.2.8 en lid 3.5.5 blijft van toepassing.
3.7.4 Bed & breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 met betrekking tot het maximaal toelaatbare oppervlak voor een bed & breakfast. Een maximaal toelaatbare oppervlakte van 300 m² is toegestaan indien: a. b. c. d.
de voorziening wordt gerealiseerd in een monument of beeldbepalend pand; sprake is van een gebouw dat een bouwkundige eenheid vormt; de te realiseren voorziening mede dient tot instandhouding van het gebouw; het bepaalde in lid 3.2.8 en lid 3.5.5 blijft van toepassing.
3.7.5 Kuilplaten en opslag van kuilvoer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.4 met betrekking tot het gebruik van gronden voor kuilplaten en voor de opslag van kuilvoer, met dien verstande dat: a. kuilplaten en de opslag van kuilvoer aansluitend aan het bouwvlak moeten worden gerealiseerd; b. kuilplaten en de opslag van kuilvoer noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse; c. de kuilplaten en de opslag van kuilvoer niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap. 3.7.6 Recreatief medegebruik Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan en recreatief medegebruik van gronden toestaan, met dien verstande dat: a. het gebruik uitsluitend is toegestaan indien hierover overeenstemming met de grondeigenaren is bereikt; b. het recreatieve medegebruik niet leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 3.7.7 Gebruiksgerichte paardenhouderij Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en de vestiging van een volwaardige gebruiksgerichte paardenhouderij op een bestaand agrarisch bouwperceel toestaan, met dien verstande dat: a.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bedrijfsvoering, van de ontwikkelingsmogelijkheden en van het woon- en leefklimaat van bestemmingen en functies in de omgeving; b. geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; c. dit niet leidt tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, het bevoegd gezag schriftelijk advies in kan winnen bij een agrarisch deskundige. 3.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.8.1 Omgevingsvergunning a. Het is verboden op of in de gronden als genoemd in lid 3.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen van drainage ten behoeve van een paardenbak en paddock. b. Het verbod als bedoeld in dit lid onder a is niet van toepassing op werken of Mees Ruimte & Milieu | 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 Pagina | 26