CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

01 BPDeBleekfase1_NL.IMRO.0335.BPDeBleekfase1-VG01_toelichting v2

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel De Bleek, vaststelling bestemmingsplan19.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Met onderhavig plan worden maximaal 210 woningen ontwikkeld. Derhalve is een verplichte m.e.r.-

26

beoordeling niet vereist. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden moet het bevoegd gezag nagaan aan de hand van de criteria: kenmerken van het project, plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten of er mogelijk sprake is van belangrijke effecten op het milieu. Als gevolg van de laatste aanpassing van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer gaat het zowel om positieve als negatieve effecten. Het gaat dan met name om externe effecten. Op basis van de eerste beoordeling neemt het bevoegd gezag een zogenaamd m.e.r.-beoordelingsbesluit. Een m.e.r.-beoordelingsbesluit kan genomen worden op grond van een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r.. In deze aanmeldnotitie wordt door de initiatiefnemer inzage gegeven in de beoogde ontwikkeling en de daarmee samenhangende milieugevolgen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Uit deze aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat er geen bijzondere omstandigheden zijn met betrekking tot de kenmerken en locatie van het plan die kunnen leiden tot belangrijke gevolgen voor het milieu op die specifieke locatie. Bovendien blijkt uit de beoordeelde milieuaspecten dat er geen significante effecten zullen optreden, of dat deze effecten beperkt kunnen worden door mitigatiemaatregelen te nemen en/of de vereiste vergunningen te verkrijgen.

De beoogde ontwikkeling heeft geen significante milieueffecten. Het is niet nodig om een m.e.r.-procedure te volgen, aangezien dit niet tot een andere conclusie zou leiden en niet vereist is voor deze ontwikkeling.

4.2 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het deelgebied bij elkaar passen. Planspecifiek Het stedenbouwkundig plan ziet op de ontwikkeling van circa 500 woningen. Deze ontwikkeling zal in verschillende fases lopen. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van fase 1 met de realisatie van circa 210 woningen. Het onderzoek is uitgevoerd op de volledige planlocatie. Dit heeft dus ook betrekking op fase 1. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft er een verkennend (asbest) bodemonderzoek plaatsgevonden (Inventerra, 21 maart 2022, rapportnummer 21-2395-R01AvH, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt het grootste deel van de planlocatie geschikt is voor de toekomstige woonbestemming.

Alleen ter plaatse van het aanwezige puinpad op locatie is de uitvoering van een nader asbestonderzoek en een aanvullend onderzoek naar lood noodzakelijk. Aanvullend wordt door Inventerra geadviseerd om gelijktijdig de bovengrond 0 – 0,5 m-mv) ter plaatse van boring 210 te onderzoeken op nikkel, om uit te sluiten dat ter plaatse sprake is van een sterke verontreiniging. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem voor het grootste deel van het plangebied geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

27

4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van meerdere woningen. Woningen worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht weergegeven. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging of ligt nabij een hoofdontsluitingsweg. Het plangebied is gelegen ten westen van De Bleek. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit woningen en (agrarische) bedrijvigheid. Er zijn enkele percelen met een bedrijfsbestemming en de N228 gelegen in de nabijheid van het plangebied. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. Activiteit

SBI-2008

Adres

Agrarisch bedrijf, melkveehouderij Timmerwerkfabriek Constructiebedrijf aanhangers

0141, 0142

Willeskop 5, Montfoort

162 281

Willeskop 30, Montfoort Beneden Kerkweg 1(B)

28

Milieucategorie Richtafstand (gemengd Minimale (maximaal gebied) afstand tot de toegestaan) woningen 50 m (Wgv / 250 m Verordening lokaal geurbeleid) 3.2 50 m 118 m 3.1 30 m 0m

Uit de bovenstaande tabel volgt dat voor de Timmerwerkfabriek aan Willeskop 30 voldaan wordt aan de richtafstand. Daarnaast volt uit de tabel dat de beoogde woningen niet voor alle milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie op voldoende afstand zijn gelegen. Deze activiteiten zullen daarom verder toegelicht worden. Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Willleskop 5 Voor de melkrundveehouderij aan de Willeskop 5 geldt in principe een minimale afstand van 100 meter tot woningen binnen de bebouwde kom op grond van artikel 3.117 Activiteitenbesluit. Op 11 november 2010 is de Verordening lokaal geurbeleid landelijk gebied Montfoort vastgesteld. Hierin is geregeld dat tussen een veehouderij waar vaste afstandsdieren worden gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter aangehouden moet worden. Aan deze afstand wordt voldaan voor de beoogde woningen in fase 1. Beneden Kerkweg 3 Aan de Beneden Kerkweg 3 was ook een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsvoering is al enige tijd terug gestaakt.

In het kader van de planontwikkeling is met de ontwikkelende partij afspraken gemaakt over de overdracht van grond alsmede het herbestemmen van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen naar wonen. Daarmee wordt dit object niet meer nader beschouwd in het kader van bedrijven en milieuzonering. Beneden Kerkweg 1b Aan Beneden Kerkweg 1b is een constructiebedrijf voor aanhangers gevestigd. Voor dit bedrijf geldt milieucategorie 3.1 waarbij een richtafstand van 30 m geldt. De beoogde woningen worden op korte afstand van dit bedrijf gerealiseerd. Voor het bedrijf aan de Beneden Kerkweg is in november 2020 akoestisch onderzoek uitgevoerd door Agel adviseurs in het kader van bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort, waarmee op ca. 3 m afstand van dit bedrijf een woning mogelijk gemaakt wordt. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting van het bedrijf beperkt is. De activiteiten op locatie zijn beperkt. Op locatie vindt onderhoud plaats, worden aanhangers verkoop klaar gemaakt en worden reparaties aan de aanhangwagens uitgevoerd. Deze activiteiten vinden inpandig plaats in het bestaande bedrijfspand. De uit te voeren werkzaamheden zijn vergelijkbaar met de werkzaamheden binnen een garagebedrijf. De werkzaamheden betreffen handmatige werkzaamheden waarbij in hoofdzaak handgereedschap wordt gebruikt. Binnen het bedrijf zijn 4 personen werkzaam.

Binnen de bedrijfslocatie worden geen aanhangwagens gefabriceerd. De recent opgerichte woning direct aan de zuidzijde van het bedrijf kent een gevel belasting in de dagperiode van 45,4 dB(A). Uitgaande van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bestaande bedrijfsvoering niet gehinderd wordt door de beoogde nieuwbouw en ter plaatse van deze nieuwbouw er een goed woon- en leefklimaat ontstaat. Door adviesburo Van der Boom is onderzocht wat de effecten zijn van de bedrijvigheid aan de Benedenkerkweg 1b op het plangebied (Van der Boom 17-11-2022, bijlage 2 bij de toelichting). In dit onderzoek is de gehele planontwikkeling (fase 1 en fase 2) beschouwd. Door Van der Boom is vastgesteld dat het bedrijf, als gevolg van de planontwikkeling, niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. Aan de eisen vanuit het Activiteitenbesluit kan ruimschoots worden voldaan. Bij enkele nieuwe kavels in fase 2 wordt op de kavelgrens het maximale geluidsniveau overschreden, dit als gevolg van heftruckbewegingen. Daarmee is er niet zonder meer sprake van een goed woon- en leefklimaat. Dat hangt samen met de uiteindelijke verkaveling. Met relatief eenvoudige middelen (plaatsen van een scherm) kan wel een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden. Het plan voorziet in een regeling dat ingeval in de nabijheid van het bedrijfs woningen worden gerealiseerd een geluidscherm gerealiseerd moet worden.

Hierbij is een extra marge van 5 meter aangehouden. Conclusie Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

29

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het onderliggende bestemmingsplan ziet op de realisatie van geluidsgevoelige objecten. Omdat de planlocatie gelegen is binnen gezoneerde wegen is door Adviesburo Van Der Boom akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij is de geluidssituatie voor zowel de nieuwe woningen onderzocht (om te beoordelen of de voorkeurwaarde wordt overschreden) als voor de bestaande woningen (om te beoordelen of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder). Uitgangspunt hierbij is dat de komgrens wordt verplaatst en dat de nieuwe ontsluitingsweg als 30 km/uur-weg wordt ingericht. Nieuwe woningen Uit de geluidcontouren in het onderzoek van Van der Boom blijkt dat bij de nieuw te realiseren woningen ten gevolge van de N228 de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Hiervoor zijn hogere waarden dus niet noodzakelijk. Uit de geluidcontouren blijkt ook dat, als gevolg van het verkeer op De Bleek de voorkeurswaarde wel wordt overschreden. De geluidbelasting is maximaal 53 dB.

Hiervoor dient een hogere waarde te worden vastgesteld. De geluidbelasting door 30 km-wegen in de omgeving blijft in het plangebied onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Daarentegen kan de geluidbelasting door de ontsluitingsweg de voorkeurswaarde overschrijden. Dit moet in overweging worden genomen bij het stedenbouwkundig ontwerp. Uit het akoestisch onderzoek kan nog niet worden geconcludeerd dat het plan aan het gemeentelijk geluidbeleid voldoet. Hiervoor is een planregel opgenomen waarin wordt afgedwongen dat bij de realisatie van de woningen alsnog wordt aangetoond dat aan het geluidbeleid wordt voldaan. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het geluid van 30 km/uur-wegen. De grenswaarde volgens het Actieplan Omgevingslawaai van de provincie bedraagt 61 dB, wat na een aftrek van 5 dB resulteert in 56 dB. Op de locatie wordt deze grenswaarde alleen overschreden wanneer de afstand tot de as van de N228 minder is dan 31 meter. In fase 1 ligt de geluidbelasting aanzienlijk onder deze waarde. Hogere waarden Voor zes woningen is een ontheffing hogere procedure opgestart. Vooruitlopend op de vaststelling wordt door het college de benodigde hogere waarde verleend. Strikt genomen dient het ontwerp besluit hogere waarden gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage te worden gelegd.

Dit gebrek kan gepasseerd worden indien het aspect geluid wel meegewogen wordt in het kader van het bestemmingsplan, zie hiervoor de uitspraakl van Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 13 april 2012 (201200904/2/R1). Hierin heeft de Afdeling overwogen dat uit de wetsgeschiedenis en in het bijzonder de memorie van toelichting bij de Wijziging Wet geluidhinder naar voren komt dat met artikel

30

110c, eerste lid, van de Wgh is beoogd de voorbereiding van het hogerewaardenbesluit zoveel mogelijk parallel te laten lopen aan de voorbereiding van het bestemmingsplan. Benadrukt wordt dat, gelet op de verplichting om bij het vaststellen van het plan de hogere waarden in acht te nemen, die hogere waarden in elk geval moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. In casu is hier sprake van nu het akoestisch onderzoek welke t.b.v. het hogere waarden besluit ook in het kader van dit bestemmingsplan in de besluitvorming betrokken is. Nieuwe ontsluiting Bij de herinrichting van de N228 wordt een rotonde aangelegd op de locatie waar de ontsluitingsweg van de wijk aansluit op de N228. Er is een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of deze herinrichting als een reconstructie volgens de Wet geluidhinder moet worden beschouwd. Na de herinrichting zal de toename van geluidbelasting door wegverkeer op de N228 ten opzichte van de toetswaarde niet meer dan 1 dB bedragen voor de omliggende woningen. Daarom kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een reconstructie volgens de Wet geluidhinder. Er is geen noodzaak om hogere geluidsnormen toe te kennen aan de bestaande woningen binnen het gebied van de herinrichting. Stilte gebieden Om de stilte te behouden en te beschermen zijn regels opgesteld.

De milieuregels voor stiltegebieden zijn opgenomen in de Provinciale Milieuverordening (PMV). Voor het plangebied en de directe omgeving geldt dat een groot gedeelte van Montfoort, waaronder ook de kern, is aangewezen als stilte gebied. De nieuwe toe te voegen woningen komen, net zoals de reeds bestaande woningen in de kern, binnen dit gebied te liggen (stille kern). Binnen deze stille kern geldt een vergunningsverplichting voor activiteiten die geluidsoverlast kunnen geven.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Onderhavig plan bestaat uit het realiseren van maximaal 210 nieuwe woningen, fase 1. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM 10),

31

fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,7 μg/m³ PM10, 9,26 μg/m³ PM2,5 en 13,5 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op beperking en beheersing van risico's door opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen de kans op grote calamiteiten met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied of een toetsingszone van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim, ook wel Activiteitenbesluit genoemd) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast zijn voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen respectievelijk de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb sluit aan bij het toetsingskader dat in het Bevi is opgenomen.

Inmiddels zijn ook het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het basisnet ingevoerd. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)

32

Transport gevaarlijke stoffen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat het plangebied niet in de nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen is gelegen.

33

Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt daarmee niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op ruim 3,0 km afstand. Wel ligt aan de zuidgrens van het plangebied een waterleiding. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren. Dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren. Hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.

34

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016 - 2021' Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil HDSR dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert HDSR rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.

Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

35

Planspecifiek Ten behoeve van de planontwikkeling is door Waterfeit een waterhuishoudingsplan opgesteld. Dit plan is opgesteld voor zowel fase 1 + 2. Op dit moment valt het plangebied in twee peilgebieden, namelijk peilgebied PG0432 Polder Kort Heeswijk Noord met een zomerpeil van -0,75 mNAP en een winterpeil van -0,90 mNAP en peilgebied PG0663 Kort Heeswijk west met een zomerpeil van -1,40 mNAP en een winterpeil van -1,55 mNAP. De ten oosten liggende woonwijk ligt in peilgebied PG0433 Hofland Montfoort met een vast peil van -1,10 mNAP. Ten noorden van het plangebied loopt de Hollandsche IJssel. De regionale waterkering met een beschermingszone ligt buiten het plangebied. Via een inlaat in een kleine zijtak van de Hollandse IJssel kan water worden ingelaten naar het peilgebied PG0432. Het plangebied gaat bebouwd worden en daarmee vindt er een toename plaats van verhard oppervlak. Dit leidt tot een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Omdat dat mogelijk kan leiden tot wateroverlast, moet dit gecompenseerd worden door de aanleg van extra waterberging. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft in de Keur bepaald dat wanneer de toename van verhard oppervlak meer dan 10.000 m² bedraagt, dan wordt door hen per geval beoordeeld hoeveel compensatie er nodig is en geldt een vergunningplicht. Het totaal oppervlak van het plangebied is ruim 19 hectare.

In overleg is bepaald om uit te gaan van een waterberging in het gebied van 70 mm zoals door het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden wordt geadviseerd in het “Handboek Water in ruimtelijke plannen”. Dit is vertaald in een percentage voor compensatie van 22,5% van het verhard oppervlak op basis van een toelaatbare peilstijging van 0,3 m. Van de 70 mm dient minimaal 45 mm te worden gerealiseerd in oppervlaktewater (15%). In de nieuwe situatie is er, voor fase 1 + 2, een toename aan verharding van circa 9,31 ha. Deze toename aan verharding wordt grotendeels gecompenseerd door de aanleg van oppervlakte water. Het plan voorziet in de aanleg van 1,94 ha aan water (fase 1 +2). Aanvullend worden in het groen bergende voorzieningen in de vorm van wadi’s gerealiseerd. Om te voldoen aan de eis is bij de huidige inrichting een oppervlak nodig van 1.564 m2, bij een gemiddelde waterdiepte in de voorzieningen van 0,3 m. Dit kan gerealiseerd worden door circa 3% van het groenoppervlak te bestemmen voor waterberging in de vorm van wadi’s. Het nieuwe watersysteem gaat in de basis uit van het bestaand watersysteem, maar deze wordt aanzienlijk uitgebreid. De hoofdwatergang die in noord-zuid richting door het gebied loopt zal de hoofdwatergang blijven en vormt een centrale as binnen het gebied. Ook blijft het gebied omgrensd door water.

De watergang aan de westzijde wordt verbreed en er worden verscheidene verbindingen gemaakt tussen deze watergang en de hoofdwatergang. De bebouwing aan de westzijde wordt gerealiseerd in kleine blokken met water rondom. Ook de ontwikkelvelden in de noordoost- en zuidoosthoek zullen omringd worden door water. Het gebied wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Daarbij zal het vuilwater (DWA) via vrijvervalriolering afvoeren naar een gemaal en vervolgens naar bestaande riolering in de kern. De locatie van de lozing moet nader worden bepaald. Hemelwater zal deels rechtstreeks of via HWA-riolering afvoeren naar oppervlaktewater. Daarbij worden aanvullende bergingsmogelijkheden gerealiseerd in het groen.

36

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het stedenbouwkundig plan ziet op de ontwikkeling van circa 500 woningen. Deze ontwikkeling zal in verschillende fases lopen. Dit betreffende bestemmingsplan maakt deel uit van fase 1 met de realisatie van circa 210 woningen. Het onderzoek is uitgevoerd op de volledige planlocatie. Dit heeft dus ook betrekking op fase 1.

37

Quickscan Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, 11 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Soortenbescherming Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, mol, ree, vos, wezel en woelrat. Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van beschermde zoogdieren. Er zijn wel holen van bruine rat aangetroffen aan een slootkant. Zoogdieren prefereren een leefomgeving waar voldoende rusten voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Op de planlocatie ontbreekt het aan veel vegetatiestructuren en opgaande vegetatie waardoor de aanwezigheid van functioneel leefgebied zeer beperkt aanwezig is. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen. Het is uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats. Wel bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Laatvliegers jagen boven open tot halfopen landschap en vliegen tevens over graslanden en weilanden.

In de afgelopen 10 jaar zijn er 6 waarnemingen van laatvlieger binnen een straal van 2 km van de planlocatie. Gezien het aantal waarnemingen en de grote hoeveelheid alternatief foerageergebied is er geen sprake van essentieel foerageergebied voor de laatvlieger. Binnen de planlocatie is geen sprake van opgaande vegetatie op enkele vrijstaande bomen na, derhalve is er ook geen sprake van essentieel foerageergebied of een vliegroute voor andere vleermuizen soorten. Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad. De heikikker is een kritische soort die voorkomt in drie habitattypen (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering). Het voorkomen van de heikikker binnen de planlocatie kan niet volledig uitgesloten worden. Gezien er mogelijk een groot oppervlak aan watergangen wordt gedempt, dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek.

Het habitat laat zich omschrijven als ruige, onbeschaduwde, laagbegroeide terreinen. Naar verwachting is er ook potentieel landhabitat aanwezig in de vorm van muizenholletjes. De aanwezigheid van rugstreeppad kan derhalve niet volledig uitgesloten worden. Ook hier is nader onderzoek naar nodig. De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. Binnen de planlocatie zijn mogelijk geschikte watergangen aanwezig. Wegens de mogelijke potentie en de omvang van de planlocatie kan de aanwezigheid van grote modderkruiper niet volledig uitgesloten worden. Aanvullend onderzoek dient de aan- of afwezigheid van de soort vast te stellen Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 7,3 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woonwijk. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten.

Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een grote toename in het aantal verkeersbewegingen. Gezien de aanzienlijke omvang van de

38

ontwikkeling waarbij een grote toename in het aantal verkeersbewegingen zal ontstaan, is door Blom geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden, samen met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering. Op grond daarvan was geen beoordeling meer nodig van de stikstofuitstoot in de bouwfase (‘bouwvrijstelling’). Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022, waarbij de ‘bouwvrijstelling’ is komen te vervallen, dient ook de aanleg-/aanlegfase berekend te worden. Op 25 november 2022 heeft de minister voor Natuur en Stikstof het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden vastgesteld. Hiermee zijn de aanwijzingsbesluiten van 101 Natura 2000-gebieden gewijzigd, bijvoorbeeld omdat habitattypen op het moment van aanwijzen aanwezig bleken te zijn, maar destijds niet zijn opgenomen in de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Deze nieuwe habitatrichtlijnen zijn opgenomen in de AERIUS Calculator.

De afstand tot het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’ bedraagt circa 7 km, terwijl de Natura 2000-gebieden 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' en 'Oostelijke Vechtplassen' op een nog iets grotere afstand liggen. Door Langelaar Milieuadvies is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouw- als gebruiksfase (zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura2000-gebieden. De grootste depositietoename reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden vindt plaats in Natura 2000-gebied "Oostelijke vechtplassen" en is maximaal 0,02 mol/ha/jr in de aanlegfase en 0,03 mol/ha/jr in de gebruiksfase. Door Langelaar Milieuadvies is voor fase 1 een stikstof berekening gemaakt voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura2000-gebieden.

De inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase leidt wel tot een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in meerdere Natura2000-gebieden. Op deze emissie mag de bestaande emissie als gevolg van het agrarisch grondgebruik in mindering worden gebracht. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik is het onlosmakelijke gevolg van uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan. Uit de verschilberekening tussen de agrarische emissies en de emissies in de aanlegfase volgt dat er geen berekenbare emissies optreden. In deze berekening zijn emissies van de landbouwmachines en de verkeersbewegingen buitenbeschouwing gelaten, waardoor de berekende positieve effecten een worstcase berekening in het licht van interne saldering is. Geconcludeerd kan worden dat stikstof niet in de weg staat aan de beoogde planontwikkeling. Aanvullend onderzoek ecologie Uit de quickscan is gebleken dat de aanwezigheid van leefgebied van grote modderkruiper, heikikker, poelkikker en rugstreeppad niet uitgesloten kon worden. Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten is aanvullend onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, 27 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5).

Grote modderkruiper In de periode augustus 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper aan De Bleek te Montfoort. Uit het eDNA onderzoek bleek dat er leefgebied van de grote modderkruiper in een van de sloten aanwezig is. Het dempen van de watergang zal derhalve leiden tot negatieve effecten op de soort. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor grote modderkruiper is daardoor noodzakelijk.

39

Heikikker In de periode augustus en september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van heikikker aan De Bleek te Montfoort. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Kennisdocument (BIJ12, 2017). Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat de watergangen in de planlocatie een functie hebben voor de soort, namelijk leefgebied c.q. voortplantingswater en overwinteringshabitat. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de Heikikker is daardoor noodzakelijk. Poelkikker In de periode augustus en september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van poelkikker aan De Bleek te Montfoort. Tijdens het scheppen is alleen de bastaardkikker aangetroffen. Het dempen van de watergangen zal derhalve niet leiden tot negatieve effecten op de soort. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor poelkikker is daardoor niet noodzakelijk. Rugstreeppad In de periode augustus 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van de rugstreeppad aan De Bleek te Montfoort. Uit het eDNA onderzoek bleek dat er geen leefgebied van de rugstreeppad aanwezig is. Het dempen van de watergangen zal derhalve niet leiden tot negatieve effecten op de soort. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor rugstreeppad is daardoor niet noodzakelijk.

Overige vogels Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot grote modderkruiper, heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in de planlocatie. Nesten van vogelsoorten zijn niet aangetroffen. De planlocatie biedt echter mogelijk wel nesten voor algemene soorten. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Conclusie Er zal voor de grote modderkruiper en de heikikker een ontheffing aangevraagd worden. Deze aanvraag is inmiddels ingediend bij het bevoegd gezag, de provincie Utrecht. Onderdeel van de aanvraag is een zogenaamd mitigatieplan. In dit plan is onderbouwd welk maatschappelijk belang er is om te vragen om een ontheffing en welke maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten te mitigeren. Vooralsnog voorziet het tijdspad dat de ontheffing eerder afgegeven zal worden dan dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.

Indien dit tijdstechnisch niet lukt zal in het bestemmingsplan bij de vaststelling voorzien worden in een passende voorwaardelijke verplichting.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

40

Voor het hele grondgebied van de gemeente Montfoort is de beleidsnota Archeologie van toepassing (Vestigia-rapport V673, Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, 23 september 2010). Op 14 maart 2011 is deze beleidsnota door de gemeenteraad vastgesteld. Op de bijbehorende archeologische beleidskaart is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Planspecifiek Om inzage te krijgen of en in welke mate archeologie voorkomt binnen het plangebied is door Transect een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Transect, 17 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit het onderzoek is gebleken dat de archeologische verwachting van het plangebied voor een groot deel samenhangt met te verwachten rivierafzettingen in de ondergrond. In het oosten van het plangebied is vanaf het Laat-Neolithicum-B de Stuivenberg stroomgordel actief geweest. De oeverafzettingen van deze stroomgordel zijn theoretisch gezien vanaf de vorming ervan bewoonbaar geweest. Vanaf het Laat-Neolithicum-B geldt dan ook een middelhoge archeologische verwachting. Specifiek voor de Romeinse tijd geldt een hoge verwachting, doordat uit deze periode – in tegenstelling tot alle andere perioden – reeds resten in de omgeving bekend zijn.

In het zuidwesten van het plangebied heeft de Stuivenberg stroomgordel op de overgang van het Neolithicum naar de Bronstijd een crevasse gevormd. De crevasse zal pas bewoonbaar zijn geworden nadat deze is verland. Ter plaatse van de crevasse geldt een lage verwachting voor het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd, een middelhoge verwachting voor de Midden-Bronstijd tot IJzertijd en de VroegeMiddeleeuwen en een hoge verwachting voor de Romeinse tijd. In het noordwesten van het plangebied zijn de afzettingen van de Stuivenberg stroomgordel vermoedelijk overdekt met jongere kom- en/of oeverafzettingen van de Hollandse IJssel. Door de beschermende werking van het jongere kleidek, is hier de verwachting op intacte vindplaatsen relatief het hoogst. Resten uit de Romeinse tijd kunnen hier zowel in afzettingen van de Stuivenberg stroomgordel als de Hollandse IJssel voorkomen. Het centraal westelijk deel van het plangebied maakte vermoedelijk deel uit van een komgebied. Hier heeft veenvorming opgetreden en dit gebied zal vanwege de relatief lage ligging en drassige condities, waarschijnlijk minder goed bewoonbaar zijn geweest. In dit deel van het plangebied geldt een algeheel lage archeologische verwachting. Voor de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting door het ontbreken van bebouwing op historische kaarten uit de periode 18e-20e eeuw.

Deze kaarten vormen mogelijk ook een indicatie voor vroegere perioden. De aanwezigheid van bebouwing aan de zuidkant van het plangebied – uit de periode 11e-begin 18e eeuw kan niet geheel worden uitgesloten (‘middelhoge verwachting’). Op de zuidrand van het plangebied bevindt zich namelijk een kade, waarlangs elders in de Polder Hofland bebouwing aanwezig is. Voor alle perioden voorafgaand aan het Laat-Neolithicum-B geldt een lage archeologische verwachting. Eventuele archeologische resten uit deze perioden zullen namelijk zijn geërodeerd, waardoor ze niet meer in situ worden verwacht. Transect adviseert voor het overgrote deel van het plangebied (15,4 ha) nader onderzoek uit te voeren. Circa 4,1 ha van het plangebied kan vrijgegeven worden. In het onderhavige bestemmingsplan is voor het nog te onderzoeken plandeel een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Daarmee is geborgd dat nader onderzoek ook uitgevoerd wordt voorafgaand aan de realisatie van woningbouw. De onderstaande advieskaart laat de ligging van de beschermde en vrij te geven gebieden zien.

41

Advieskaart (bron: Transect)

Het nog te onderzoeken plandeel zal in het kader van het vergunningtraject verder onderzocht worden. In het onderhavige bestemmingsplan zijn voor de 'groene gebieden' de archeologische dubbelbestemmingen overgenomen zoals deze nu gelden voor het gebied op grond van het bestemmingsplan 'Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012'. Voor de blauwe, vrijgegeven, gebied is geen archeologische dubbelbestemming meer opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

42

4.10 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek Uit raadpleging van de cultuurhistorishe waardenkaart van de gemeente Montfoort blijkt dat er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het plangebied bevindt zich, op basis van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht in het Agrarisch cultuurlandschap. De cultuurhistorische waarde van het Agrarisch cultuurlandschap ligt vooral in: 1. 2. 3.

de aanwezige ontginningsstructuur en de ontginningsrichting; de structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten; het waterbeheersingssysteem.

Bij ontwikkelingen in dit gebied vormt de cultuurhistorische waarde een uitgangspunt en inspiratiebron. Het uitgangspunt is behoud door ontwikkeling. De ontginningsstructuur en de ontginningsrichting is op locatie, gelegen in polder Kort Heeswijk, nog goed waarneembaar. De oorspronkelijke slotenstructuur is nagenoeg nog helemaal intact. Met de bebouwing van de oostelijk gelegen polder Blokland is het oorspronkelijke open karakter al wel deels teniet gedaan. Met de beoogde bebouwing van de locatie verdwijnt het oorspronkelijk karakter en wijzigt het van oudsher aanwezige agrarisch gebruik naar wonen. In het stedenbouwkundige plan wordt voortgeborduurd op de oorspronkelijke ontginningsstructuur en de ontginningsrichting. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de in het gebied aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Vorenstaande laat onverlet dat de te realiseren bebouwing tot gevolg zal hebben dat de oorspronkelijke ontginningsstructuur en de ontginningsrichting minder te beleven zal zijn binnen het plangebied. Buiten het plangebied is aan de noord-oostzijde een historische windmolen gelegen, Molen de Valk. Molen de Valk is een stellingmolen. De molen werd oorspronkelijk gebouwd in 1743 en heeft sindsdien verschillende restauraties ondergaan om in goede staat te worden gehouden.

Molen de Valk werd oorspronkelijk gebruikt voor het malen van graan en het produceren van meel. De molen speelde een essentiële rol in de voedselproductie en distributie in de regio. De molen heeft in de loop der jaren verschillende restauraties ondergaan om zijn oorspronkelijke staat te behouden. De laatste grote restauratie vond plaats in de jaren 1970. Tegenwoordig is Molen de Valk een museum, bekend als "Korenmolen De Valk." Bezoekers kunnen de molen bezichtigen en meer te weten komen over zijn geschiedenis en werking. Ter bescherming van de windvang is een zogenaamde molenbiotoop opgenomen in de planregeling.

43

4.11 Niet gesprongen explosieven Om te bepalen of ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven door gevechtshandelingen of dumpingen is door AVG Explosieven Opsporing Nederland een vooronderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie De Bleek te Montfoort. Het doel van dit vooronderzoek is om aan de hand van een breed scala aan historisch feitenmateriaal een zo genuanceerd mogelijk beeld met betrekking tot het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog te verkrijgen. Aan de hand van deze gegevens wordt antwoord gegeven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Er wordt daarnaast ingegaan op de te verwachten hoofdsoorten ontplofbare oorlogsresten, de verschijningsvorm en de mogelijke hoeveelheid.

44

Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is door AVG geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De volgende gevechtshandelingen/ontplofbare oorlogsresten gerelateerde handelingen hebben in en nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden:

•

bombardement door een jachtbommenwerper;

De volgende ontplofbare oorlogsresten kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen:

•

afwerpmunitie;

Het verdachte gebied is gelegen aan de zuidkant van het plangebied. Voor dit deel van het plangebied is het nodig om voorafgaand aan (graaf-)werkzaamheden in het verdachte gebied vervolgonderzoek uit te voeren, door detectie- en benaderingsonderzoek conform het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten. Bij het aantreffen van OO, zullen deze moeten worden geruimd. Voor draafwerkzaamheden in het onverdachte gedeelte adviseert AVG om de werkzaamheden onder reguliere condities uit te voeren. De kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten is net zo groot als de gemiddelde kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland. Een vooronderzoek na-conflictperiode is niet van toepassing.

4.12 Duurzaamheid 4.12.1 Algemeen beleid Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van 3 eisen: 1. 2. 3.

De maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.

MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=3abfa979-b5d4-4844-82e0-3771413ca461