CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

RAM257_Archeologie+en+verstoring+door+bodembewerkingen

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Archeologiebeleid25.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

19541970).61 Vriezenveen had vóór de ruilverkaveling een verkavelings- en dorpsstructuur die grofweg leek op de strokenverkaveling in het westen van het land maar dan met duidelijk smallere kavels van soms maar 7 m breed. Door de versnippe­ ring en door slechte waterafvoer was de agrarische productie er bijzonder laag. Om het gebied geschikt te maken voor moderne landbouw werden tal van maatregelen genomen zoals het samenvoegen van percelen, het verwij­ deren van sloten, de aanleg van nieuwe ontslui­ tingswegen en de bouw van nieuwe boerderijen op ruime huiskavels. Ook de bodem werd hierbij flink aangepakt om onder meer de afwatering te verbeteren. Door te diepploegen werden de stagnerende veenlagen gescheurd en verticaal gezet (afb. 2.9). Vervolgens werd het land ­geëgaliseerd met bulldozers en de bovenste decimeters verkruimeld met een spitmachine (afb. 2.10).

23 —

Afb. 2.9 Vriezenveen. Diepploegen voor de ruilverkaveling 1959 (bron: Nationaal Archief ).

2.3.9 Effecten die teruggaan op de ontginning

Jonge heideontginningen In het midden van de negentiende eeuw werden de Nederlandse zandgronden nog gekenmerkt door uitgestrekte, extensief gebruikte heide­ velden met plaatselijk zandverstuivingen. Om deze ‘woeste gronden’ productiever te maken is een groot deel ervan nog voor de Tweede Wereldoorlog omgezet in bos en landbouw­ grond. Daarbij vonden diverse cultuurtechnische maatregelen plaats die de weinig vruchtbare heidegronden geschikt moesten maken voor gebruik als bos, akker of weiland. Aan de heide­ ontginningen kwam een einde in de eerste helft van de jaren zestig nadat in de troonrede van 1961 was aangekondigd dat geen toestemming meer zou worden gegeven voor ontginning van de heidevelden.62 De ontginning van de heide begon doorgaans met het graven van ontwateringsgreppels. Vervolgens werd er geploegd. Dit gebeurde in eerste instantie vooral met ossen of paarden tot op een diepte van 35-40 cm.63 Vanaf 1906 zijn incidenteel ook stoomploegen ingezet (afb. 2.11 en 2.12). Dit heideploegen met stoomkracht

Afb. 2.10 Vriezenveen. Nabewerking met de spitmachine 1959. Op de voorgrond is het omgezette bodemprofiel te zien (bron: Nationaal Archief ).

werd voornamelijk uitbesteed aan de firma Ottomeyer uit Westfalen. Met de stoomploeg kon aanmerkelijk sneller en dieper worden geploegd dan met de ossenploeg. In principe kon op stoom met een eenscharige ploeg de bodem tot meer dan 90 cm diep worden omgezet maar gewoonlijk is niet dieper geploegd dan 45 cm (met een tweescharige ploeg) of nog minder diep met een vijfscharige ploeg.64 De stoomploeg bestond uit twee locomobielen van elk 20 ton waartussen de ploeg aan kabels heen en weer getrokken werd. De machines lieten zich maar moeizaam verplaatsen wat het gebruik ervan vooral rendabel maakte bij de ontginning van grotere oppervlakten ineens. Als niet te diep geploegd werd, kon een stoomploeg in dezelfde tijd het zes- tot tienvoudige van een ossenspan bewerkstelligen.65 Ossenploeg en stoomploeg zijn naast elkaar gebruikt waarbij de inzet van de dure stoomploeg gereserveerd zal zijn geweest voor bijzondere situaties. Vanaf 1912 verschenen de eerste tractoren. Deze waren veel flexibeler inzetbaar dan de stoomploeg en hadden een duidelijk hoger rendement dan de ossenspannen. Bij de Heidemij, speciaal opgericht om de woeste gronden te ontginnen, zijn de laatste ossen­ spannen in 1922 vervangen door trekkers.

62 63 64 65

Purmer 2018, 368. Thissen 1993, 177; Cockx 1981, 99. Thissen 1993, 135. Vera 2011, 93.

24 —

Afb. 2.11 Foto van de met behulp van kabels getrokken stoomploeg (bron: Nationaal Archief ).

Daarbij moet dan wel vermeld worden dat de Heidemij duidelijk voorop liep in de mechanisatie. Op de meeste boerenbedrijven verschenen de eerste trekkers pas na de Tweede Wereldoorlog. Naast dierlijke trekkracht en de inzet van machines moet ook de verstoring door handarbeid niet worden onderschat. In de jaren dertig kwam het grootste deel van de ontgin­ ningen onder de werkverschaffing waarbij het spitten het ploegen verving. De overvloed aan menselijke arbeid zorgde er ook voor dat terreinen werden omgespit waar eerder tijdens de ontginning nauwelijks grondverbeterings­ maatregelen hadden plaatsgevonden.66

66 Thissen 1993, 239.

De vraag is nu in hoeverre het bodemarchief bij de ontginning van de heide verstoord is. Van

belang is dat in ieder geval geen sprake is geweest van standaardmatig, vlakdekkend omploegen of omspitten tot op grotere diepte. Vaak zal de verstoringsdiepte van de ontginning dan ook niet dieper gaan dan de moderne bouwvoor. Niettemin kan plaatselijk het profiel tot meer dan een meter diep onder het maaiveld verstoord zijn, bijvoorbeeld op plaatsen waar een stagnerende oerbank werd gebroken door omspitten of omploegen. Over de exacte diepte en locatie van ontginningswerkzaamheden is gewoonlijk maar weinig bekend maar omdat het om een relatief jonge ontginning gaat, is het echter vrij eenvoudig om met behulp van topo­ grafische kaarten vast te stellen waar en wanneer de heide is omgezet in bos, gras of bouwland (afb. 2.13).

25 —

Afb. 2.12 Ploegen met de stoomploeg met verschillende machinecombinaties (bron: Winkler Prins Geïllustreerde Encyclopaedie, Amsterdam 1905).

Bron: TK, 2014

Bron: Bonneblad 688, 1952

26 —

Afb. 2.13 Jonge heideontginning. Welleneindse Heide Lage Mierde op topografische kaarten, links 1952 en rechts 2014.

67 D  e Boer 2013, 20. 68 Zie ook Willemse 2019, 33-34.

Ontginning IJsselmeerpolders Na de droogleging van de IJsselmeerpolders en de Wieringermeerpolder moesten deze geschikt worden gemaakt voor de landbouw (tabel 2.2). Van de Noordoostpolder is bekend dat de uit kanalen opgebaggerde klei met speciale schepen is vervoerd naar delen van de polder waar veel zand aan de oppervlakte lag. Een andere maatregel die werden genomen was diepploegen tot soms wel 2 m diepte. Daarbij werd kalkrijke klei of zavel uit de ondergrond naar boven gebracht en de onvruchtbare bovengrond – grof zand, veen en soms ook zure katteklei – naar beneden gewerkt (afb. 2.14). Belangrijk voor wat betreft de mate van verstoring is dat bij dit diepploegen uiterst efficiënt en selectief te werk werd gegaan. Dit betekent dat vaak niet het gehele perceel diep bewerkt werd maar slechts delen daarvan. Als tot op grotere diepte zand lag of als de bodem al dicht onder het oppervlak een gunstig zavelge­ halte had, werd diepploegen achterwege gelaten. Van sommige percelen is tot in detail bekend waar gediepploegd is. Zo is op kavel R11 (880 x 275 m) in de Noordoostpolder in oktober 1950 het deel tussen de 360 en 560 m vanaf de toegangsweg gediepploegd tot 120 cm onder het maaiveld. In november van datzelfde jaar is ook de laatste 320 m geploegd, dit keer tot 110 cm diepte.

Voor de kavels in de Noordoostpolder zijn omstreeks 1950 gedetail­ leerde kaarten gemaakt met drainageplan, bodemopbouw en soms ook te diepploegen terreindelen.67 Naast werktuigen waarmee

gediepploegd werd, is gebruik gemaakt van mengwoelers waarmee storende lagen schelpen en grof zand werden losgemaakt en dunne kleilagen en zand werden vermengd.

2.4

Conclusie effecten agrarische grondbewerking: een verstoring in lagen

Als we de in dit hoofdstuk beschreven effecten van agrarische bodembewerkingen samenvatten, valt op dat deze bodembewerkingen (van boven gezien) kunnen resulteren in grotere vlakvormige verstoringen en in lijnvormige of dambordachtige patronen van kleinere ver­storingen. De aard en intensiteit van deze verstoringen verschillen gewoonlijk met de diepte. Op iedere terrein dat gebruikt is of wordt voor landbouw zal dan ook sprake zijn van verschillende verstoringspatronen op verschillende niveaus in de bodem. Naar aard en frequentie van de in dit hoofstuk beschreven effecten, kunnen op (voormalige) akkers grofweg de volgende niveaus onderscheiden worden.68 I Gehomogeniseerde toplaag (tot 25-30 cm -mv). Deze bestaat uit de meerdere keren per jaar bewerkte teeltlaag (tot 5-10 cm -mv) en de met een iets lagere frequentie van één à twee maal per jaar bewerkte ploeglaag. Deze vormen samen een vlakdekkend geheel gehomogeni­ seerd verstoringsspoor.

27 —

Tabel 2.2 Oppervlakten grondverbeteringsprojecten in de IJsselmeerpolders (bron: Boelens & Koning 1999, tabel 4). Verbeteringstechniek

Wieringermeer

Noordoostpolder

Diepspitten

1074

9

Diepploegen

2954

Oostelijk Flevoland

Zuidelijk Flevoland

4321

3704

1523

Ondergrondploegen of woelen

7039

1945

20

Ondergrondmengen

13.049

3841

77

1782

4915

364

28.296

14.976

1984

Mengwoelen of woelploegen

8

Mengploegen

13

Diepfrezen totaal

3 4036

Afb. 2.14 Diepploegen in de Noordoostpolder in 1956 (bron: Nationaal Archief ).

28 —

II Tweede bewerkingslaag (van ca. 25 cm tot 50 cm -mv). Dit is het niveau waar verdichting optreedt die periodiek moet worden losgemaakt (decom­ pactie) en waar zich bijvoorbeeld de plantgaten van bomenteelt bevinden. Bij de decompactie ontstaan lijnvormige (soms kruiselingse) versto­ ringspatronen, door de bomenteelt in rijen gerangschikte kuilen. Na veelvuldige herhaling raakt ook deze laag op den duur volledig geho­ mogeniseerd. Daarbij is het uiteraard niet zo dat bij iedere herhaling van een bewerking het verstoorde oppervlak zich verdubbeld. Verder is de variatie in voorkomen en uitvoerings­ frequentie van deze periodieke grondbewer­ kingen erg groot en wisselt deze per bodemsoort, per regio en per teler.

III Grondverbeteringslaag (tot meer dan 1,5 m -mv). Dit is het niveau waar zich bewerkingsporen kunnen bevinden die gevolg zijn van eenmalige of incidentele grondbewerkingen zoals diep­ ploegen, diepspitten, ontgrondingen en de aanleg van drainage. Ook hiervoor geldt dat sprake is van een grote variatie in voorkomen en uitvoeringsfrequentie. Verder kan er niet van worden uitgegaan dat deze diepere grondbe­ werkingen zich uitstrekken over het gehele perceel. Dit omdat de verkaveling is veranderd of omdat bij die bewerking niet is uitgegaan van de perceelsgrenzen maar van locale verschillen in ondergrond.

3 Bodemveranderingen door andere activiteiten in het landelijk gebied 3.1

Inleiding

Naast de in het vorige hoofdstuk beschreven agrarische bodembewerkingen vinden in landelijk gebied andere activiteiten plaats die de bodem kunnen verstoren. Hieronder wordt eerst ingegaan op de effecten van bouw en sloop van gebouwen met een agrarische functie. Vervolgens komen de effecten van nietagrarische bebouwing, recreatieterreinen, windturbines, zonneparken, leidingen, ontgron­ dingen, natuurontwikkeling en beekherstel aan de orde. Afgesloten wordt met een conclusie.

3.2

Effecten van agrarische bebouwing

Al decennia lang is sprake van een toenemende grootte van de agrarische bedrijven. Als gevolg van deze voortgaande schaalvergroting is tussen 2000 en 2015 de agrarische bebouwing in het landelijk gebied toegenomen met ca. 2,2 miljoen m2.69 Het gaat daarbij om nieuwbouw van objecten als schuren, stallen, kassen en mest­ kelders. Tegelijkertijd zijn door de schaalvergro­ ting in deze periode juist enorm veel kleinere agrarische bedrijfsgebouwen vrijgekomen. Alleen in Noord-Brabant gaat het daarbij om ca. 3,7 miljoen m2.70 De verwachting is dat ook de komende jaren veel agrarische gebouwen hun functie gaan verliezen. Volgens een ruwe schatting zal tot 2030 nog 24 miljoen m2 agrarische bedrijfsruimte leeg komen te staan.71 Van belang voor de te verwachten mate van bodemverstoring is dat de nieuwe gebouwen over het algemeen duidelijk groter zijn en niet ter hoogte van de vrijkomende agrarische bedrijfsbe­

29 —

bouwing worden neergezet maar ergens anders. De oude bebouwing wordt om verschillende redenen niet gesloopt en zal naar verwachting nog vele jaren leegstaan. Voor veel van de nieuwe gebouwen geldt dat de omvang van de fundering beperkt is in verhouding tot de gebruiksopper­ vlakte. Wel kan bijvoorbeeld bij ligboxstallen sprake zijn van grote en diepe mestkelders.

3.3

Effect van de toename van niet agrarische-bebouwing en semibebouwde terreinen

Al decennia lang neemt het oppervlak dat ingenomen wordt door bebouwing, verkeer (wegen, spoor, vliegvelden) en semi-bebouwde terreinen toe. Semi-bebouwd terrein is voorzien van een zekere mate van verharding dat niet in gebruik is als verkeersterrein of als bebouwd terrein. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om stort­ plaatsen, autosloperijen en begraafplaatsen (tabel 3.1). Deze nieuwbouw vindt plaats ten koste van het voor landbouw gebruikt gebied. Aan de toename in de bebouwde oppervlakte is te zien dat de nieuwbouw die rond bestaande kernen wordt gerealiseerd gewoonlijk nog steeds plaatsvindt op landbouwgrond en niet binnen bestaande bebouwingsgrenzen. Vanwege de nabijheid van oude dorps- of stads­ kernen gaat het hierbij vaak om terreinen waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. De mate van verstoring door bebouwing is sterk afhankelijk van de bouwwijze. De effecten van woningbouw komen uitvoeriger aan de orde in hoofdstuk 4. De totale lengte van de verkeerswegen in Nederland bedraagt meer dan 141.000 km. De omvang van de verstoring door de wegen kan

Tabel 3.1 Percentage oppervlakte gebruikt voor verkeer, bebouwing en recreatie in Nederland 1996-2012 (bron: CBS 2016, Mutatiereeks Bodemgebruik 1996-2012). % oppervlakte toe- of afname

1996

2000

2003

2006

Verkeersterrein

100

100,5

101,6

Bebouwd terrein

100

104,4

Semi-bebouwd terrein

100

128,6

Recreatieterrein

100

Agrarisch terrein

100

2008

2010

2012

103,1

104,1

104,5

103,2

107,9

110,9

113,1

114,9

116,8

134

139,9

136

135,5

135

69 Centraal Bureau voor Statistiek 2016

103,1

108,7

111,8

113,3

114,7

119

98,5

97,6

96,8

96,4

95,9

95,4

(bouwvergunningen Landbouw 2000-2015). 70 Gies, Nieuwenhuizen & Smidt 2014, 26. 71 Gies et al. 2014, 17.

30 —

sterk verschillen maar is vooral bij autosnel­ wegen aanzienlijk. Om files te bestrijden zal de overheid ook de komende jaren rijstroken en nieuwe wegen aanleggen.72 Tot 2028 trekt de overheid ongeveer 25 miljard euro uit voor de aanleg en uitbreiding van wegen.

aanzienlijk zijn. Door het aanbrengen van het kunstmatig reliëf vindt zowel ophoging als afgraving plaats. Volkstuinen kunnen na jarenlang gebruik plaatselijk tot enkele decimeters diepte gehomogeniseerd zijn.

3.5 3.4

Ook het areaal dat gebruikt wordt voor verschil­ lende vormen van recreatie neemt al jaren toe (tabel 3.1). Het gaat daarbij om de aanleg van parken en plantsoenen, golfterreinen, sportter­ reinen en terreinen voor dag- en verblijfsrecre­ atie. Alleen het oppervlak dat ingenomen wordt door volkstuinen neemt af. Meestal krijgen deze vaak langs de stadsranden aangelegde volks­ tuincomplexen een bouwbestemming. Recreatieterreinen worden over het algemeen niet gekenmerkt door vlakdekkende diepgaande fundamenten. Wel is vaak sprake van de aanleg van drainagesystemen, egalisering en ontgron­ ding (bijvoorbeeld voor vijvers). Vooral bij de aanleg van golfterreinen kan de verstoring

Het rijk heeft de ambitie om samen met de provincies tenminste 6000 MW aan opgesteld vermogen windenergie in 2020 te realiseren.73 Dat betekent dat er tot dan bijna 4000 MW bijgebouwd moet worden. Hoewel inmiddels duidelijk is dat dit plan niet door alle betrok­ kenen is omarmd en soms zelfs hardnekkige weerstand oproept, zullen de komende jaren veel nieuwe windmolens worden gebouwd.74 Als fundering voor de windturbine wordt gewoonlijk een ronde betonnen sokkel aangelegd. De grootte ervan varieert met de hoogte van de turbine maar meestal meet de sokkel niet meer dan 20-30 m in diameter.75 Vanwege de enorme krachten die op de funda­ mentsokkel kunnen staan, is deze zwaar uitgevoerd en meerdere meters dik en diep

72 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ wegen (14-01-2019).

73 Ministerie van Infrastructuur en Milieu en Ministerie van Economische zaken 2013.

74 http://www.energieoverheid.

nl/2016/03/10/kopzorgen-kamp-kamer.

75 In het Windpark Noordoostpolder

bedraagt de diameter van de sokkels bijvoorbeeld 26 m (COBOUW Nieuws 21 feb 2014).

Effect van de bouw van windturbines

Effect van de aanleg van recreatieterreinen

Afb. 3.1 Aanleg fundament windturbine Windpark Gent (juni 2016).

31 —

(afb. 3.1). De sokkel rust meestal op betonnen heipalen. Gezien de constructie van de fundering zal de bodem onder turbines minstens tot aan de onderzijde van de fundamentsokkel geheel verstoord zijn.

3.6

Effect van de aanleg van zonneparken

Naast windkracht moet ook de zon worden ingezet om de klimaatdoelstellingen voor hernieuwbare energie te kunnen halen. Met alleen zonnepanelen op daken gaat het nog niet hard genoeg zodat de vraag naar landbouw­ grond voor de aanleg van zonneparken sterk is toegenomen (afb. 3.2).76 De zonnepanelen worden aangebracht op metalen frames met als fundering betonnen poeren of stelconplaten. De verstoring hiervan

reikt doorgaans niet dieper dan de gemiddelde bouwvoor. Een andere methode is dat de verticale staanders van de constructie worden geheid (afb. 3.3) of dat gebruik wordt gemaakt van een schroeffundering waarbij funderings­ palen door middel van een schroefbeweging in de grond worden gedraaid . Hierbij vindt in theorie nauwelijks grondverzet plaats. Wel worden op het terrein eenmalig smalle sleuven gegraven voor de elektriciteitskabels. Verder is voor de archeologie van belang dat op akkers met zonneparken gedurende vele jaren geen agrarische grondbewerkingen meer plaats­ vinden. Dit tegen de achtergrond dat voor de meeste zonnepanelen wordt uitgegaan van een technische levensduur van meer dan 25 jaar. Niettemin is nog weinig bekend over de schade die ontstaat aan het bodemarchief door de aanleg van zonneparken. In het Verenigd Koninkrijk en Ierland worden deze terreinen daarom van te voren archeologisch onderzocht.77

76 Tussen de € 600.000 en € 1 miljoen

Afb. 3.2 Energiepark Farmsum in 2019.

per hectare. Website vakblad Groente en Fruit, 24 november 2018 (https://www. gfactueel.nl/). 77 Informatie hierover is te vinden op een groot aantal Engelstalige websites.

32 —

Afb. 3.3 Aanleg zonnepark met geheide funderings­constructie bij Hoofddorp (foto: SolarEnergyWorks 2017).

Afb. 3.4 Aanleg van een gasleiding met een diameter van 120 cm.

3.7

Effect van de aanleg van leidingen

Nederland ken een bijzonder uitgestrekt netwerk van leidingen in de ondergrond en een belangrijk deel daarvan ligt in landelijk gebied.

Vaak verlopen deze langs de wegen maar soms ook dwars over het land. De afmetingen van de leidingen en dus ook van de leidingssleuven kunnen enorm verschillen. Van de smalle sleuven met elektriciteitleidingen op zonne­ parken tot de enkele meters brede sleuven met daarin gasleidingen, olieleidingen of bijvoor­

33 —

beeld persriolen. De verstoring kan nog aanzien­ lijk breder zijn dan de sleuf zelf.78 Bij grotere diameters is buiten de bebouwde kom gewoonlijk sprake van een tot wel twintig meter brede verstoring die niet veel dieper gaat dan de bouwvoor met daarin ergens in het midden de enkele meters diepe ontgraving van de sleuf waar de leiding in ligt. Dit vanwege het verwij­ deren van de bouwvoor om ruimte te creëren voor de bouwstraat en het stort. Door de berijding met zeer zware graaf- en pijptransport­ machines wordt ter hoogte van de bouwstraat de grond onder de bouwvoor vaak tot meerdere decimeters diep verstoord (afb. 3.4).

3.8

Ontgrondingen

Anders dan vaak gedacht wordt, gaat het bij ontgronden om een veel breder begrip dan het afgraven van enkele meters geel zand onder akkers. Delfstoffenwinning is lang niet altijd de belangrijkste reden om een ontgronding uit te voeren. Feitelijk is ontgronden niets anders dan de bodem tijdelijk of blijvend verlagen. Ontgrondingen bestaan niet alleen uit het afgraven van oppervlaktedelfstoffen zoals zand, klei of grind (afb. 3.5). Ook het graven van vijvers, kuilen of sloteen en het afgraven van dijken en terpen zijn ontgrondingen. In de landbouw worden grote ontgrondingen uitgevoerd om daarna nieuwe grond aan te brengen met gunstige eigenschappen voor de te verbouwen gewassen. Vaak dit soort ontgrondingen samen met egalisatie, maaiveldverlaging of diepploegen. Daarnaast vinden soms grootschalige ontgron­

dingen plaats bij de aanleg van recreatieterreinen, natuurontwikkeling en waterbergingen. Volgens de Ontgrondingenwet van 1965 is het wettelijk verboden om te ontgronden zonder vergunning.79 In de ontgrondingenwet is opgenomen dat de provincie via een verorde­ ning vrijstellingen mag verlenen. De provincie is vergunningverlener. Alleen voor afgravingen onder water is Rijkswaterstaat dat. Ieder provincie heeft een eigen beleid op het vlak van ontgrondingen. Zo heeft Noord-Brabant opgenomen dat een ontgrondingsvergunning nodig is bij ontgrondingen vanaf 2000 m3 en dieper dan 3 m terwijl bijvoorbeeld in de provincie Noord-Holland geen vergunning nodig is maar wel een meldingsplicht bestaat voor de aanleg van bouwputten of waterpartijen van meer dan 10.000 m3.80 Kenmerkend voor ontgrondingen is de relatief grote omvang en vaak ook de grote diepte van de verstoring. Vooral bij de winning van opper­ vlaktedelfstoffen gaat het doorgaans om omvangrijke verstoringen van meerdere meters diepte. Het effect op de archeologie is daarbij uiteraard afhankelijk van de diepteligging van de archeologische resten. Op de zandgronden wordt soms de teellaag inclusief eventueel daarin aanwezige archeologische vondsten afgegraven of weggeschoven om deze later weer terug te kunnen zetten.

Het gaat dan om verplaatste contextloze vondsten die dan gewoonlijk – voor wat betreft hun archeo­ logische informatiewaarde – ernstig aan belang hebben ingeboet. Ontgrondingen waarbij de grond niet wordt verwijderd maar wel tot diep onder de bouwvoor wordt omgezet met een kraan, veroorzaken een diep vlakvormig versto­ ringspoor dat niet altijd direct aan het oppervlak herkenbaar is (Afb. 3.6).

3.9

Afb. 3.5 Ontgronding zonder maaiveldverlaging ten behoeve van de glastuinbouw bij Someren 2004. Profielfoto van de rand van de ontgronding (bron: Lascaris, Hakvoort & Kerckhaert 2005, foto 2).

Natuurontwikkeling en beekherstel

Natuurbouw of natuurontwikkeling vindt zowel plaats op voormalige landbouwgrond als in bestaande natuurterreinen. Het gaat daarbij om het inrichten van gebieden waarbinnen gewenste ecosystemen zich kunnen ontwikkelen met een minimum aan menselijk ingrijpen. Van belang is dat bij het creëren van de voor de natuurdoelen gunstige uitgangssituaties vaak sprake is van (grootschalig) grondverzet. Niet

78 H  iddink & de Boer 2003. 79 http://wetten.overheid.nl/ BWBR0002505/2016-07-01.

80 http://www.brabant.nl;

https://www.noord-holland.nl

34 —

Afb. 3.6 Natuurontwikkeling na een ontgronding voor de baksteenindustrie in de Lobberdense Waard.

81 P  urmer 2018. 82 V  erdonschot, Van der Wal, & Van 83 84 85 86

Weeren 2011. Rensink, Gerritsen & Roymans 2007. Clevis et al. 2006. Wubs et al. 2016. Smit et al. 2007.

zelden zijn ook daarna nog verstorende maatre­ gelen nodig omdat de natuur zich lang niet altijd als vanzelf in de gewenste richting blijkt te ontwikkelen. Natuurontwikkeling heeft vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw een grote vlucht genomen. Voor die tijd was natuurbescherming vooral gericht op behoud van wat er nog aan natuur was. Inmiddels is natuurontwikkeling volkomen ingeburgerd en het palet dat bestreken wordt, is zeer breed. Het kan gaan om zeer kleinschalige projecten zoals de aanleg van poelen met natuurvriendelijke oevers door particuliere grondeigenaren maar ook om grootschalige herinrichtingen zoals van het Mantingerveld (plan Goudplevier) door Natuurmonumenten.81 Een voorbeeld van een maatregel met veel grondverzet is hermeandering om het water bovenstrooms langer vast te kunnen houden, gewoonlijk gecombineerd met natuurontwik­ keling. Daarbij worden met de graafmachine meanders aangelegd in eertijds rechtgetrokken beken vaak op plekken waar deze niet eerder gestroomd hebben (afb. 3.7). Soms worden dichtgegooide meanders weer open gegraven maar meestal is dat niet mogelijk. Op veel

plekken is dit ‘beekherstel’ al gerealiseerd. Ook de komende jaren worden in 300 km geka­ naliseerde beek meanders gegraven waarbij in totaal meer dan 700 ha grond op de schop gaat.82 Behalve door het graven van de meanders zal daarna ook de ‘natuurlijke’ ontwikkeling van de beek verstorend kunnen werken op eventueel aanwezige archeologische resten.83 Afhankelijk van de breedte van het stroomgebied ten opzichte van de breedte en diepte van de stroom wordt namelijk tussen de 10 en 45 procent van het ongestoorde sediment opgeruimd door het verleggen ervan.84 Een andere vaak bij natuurontwikkeling toegepaste ingreep is het verlagen van het fosfaatgehalte in de bodem. Op voormalige landbouwgronden wordt daarvoor de bouwvoor afgegraven, soms in combinatie met ‘grond­ transplantatie’ van elders.85 In de oude natuur­ terreinen op de pleistocene zandgronden wordt de bovengrond daartoe mechanisch afgeplagd wat kan leiden tot een vlakdekkend verlies aan artefacten in de bovenste 10-20 cm.86 Archeologische resten in deze gebieden liggen meestal dicht aan het oppervlak. Hierdoor is het informatieverlies aanzienlijk.

35 —

Afb 3.7 Nieuwe meanders voor de Kleine Beerze bij Vessem, april 2009.

Archeologievriendelijkere alternatieven waarbij er geen materiaal wordt afgevoerd of verplaatst zoals het uitmijnen van fosfaat87 worden nog niet veel toegepast. Hoewel natuurontwikkeling gewoonlijk als doel heeft zelfregulerende natuur te creëren, vinden ook na de eerste inrichtingsmaatregelen ingrepen plaats die potentieel bodemverstorend zijn. De uiteindelijke situatie in het natuurgebied ontwikkelt zich namelijk lang niet altijd in de richting van het gewenst natuurdoeltype.88 Hiervoor zal onderhoud moeten plaatsvinden waarbij gedacht moet worden aan het rooien van bomen89 (insporing; bodemverdichting), aanleggen of verwijderen van drainage, het aanleggen van geulen,90 of herhaaldelijk afplaggen om stuifzand in beweging te houden en vergrassing van heide tegen te gaan.91

3.10 Conclusie bodemveranderingen door niet-agrarische activiteiten

Op landbouwgrond worden veel activiteiten ontplooid die niet direct te maken hebben met

de teelt van gewassen maar wel gepaard gaan met grondverzet. Deze activiteiten kunnen een breed spectrum van sporen achterlaten in de bodem. De meest omvangrijke verstorings­ sporen zijn te verwachten onder nieuwbouw­ wijken en nieuwe infrastructuur. Ook de aanleg van recreatieterreinen, natuurontwikkeling en beekherstel kan grondverzet met omvangrijke (meerdere hectaren) en diepe verstoringssporen tot gevolg hebben. Geheel anders is de situatie bij de bouw en sloop van schuren, de aanleg van mestkuilen, de aanleg van windturbines en het graven van smalle leidingsleuven. De vlakvor­ mige of lijnvormige verstoringssporen die hierdoor ontstaan nemen gewoonlijk hooguit een klein deel van een perceel in beslag. Bij leidingssleuven van grotere diameter kan de verstoring echter aanzienlijk zijn. Voor wat betreft de mogelijke verstoring door de aanleg van zonneparken weten we eigenlijk nog niet veel. Op het eerste gezicht lijken de verstoringen hiervan niet dieper te gaan dan de bouwvoor. 87 88 89 90

T  immermans, Eekeren, & Bos 2010. Smit et al. 2007. Johnson 1998. Website ‘Voortgang Natuurspeelterrein Tiengemeten’. 91 Website Natuurmonumenten, project­ beschrijving ‘Wuthering Heaths’.

4 Verstoringen in stedelijk gebied

37 —

H.M.P. Bouwmeester, J.E. Abrahamse en A.M. Blom

4.1

Inleiding

Een groot deel van Nederland wordt ingenomen door bebouwing. Zowel de aard van het archeo­ logisch bodemarchief in bebouwd gebied als de aard van de te verwachten verstoringen wijken gewoonlijk af van de archeologie en verstorings­ sporen in het buitengebied. In dit hoofdstuk worden de resultaten beschreven van een onderzoek naar verstoringen in bebouwd gebied waarbij het zwaartepunt ligt op de uitbreidings­ wijken van na 1875.92 Eerst wordt kort ingegaan op hoe deze wijken tot stand zijn gekomen. Uitgaande van de veronderstelling dat een grotere bebouwingsdichtheid een grotere kans op verstoring van de bodem impliceert, vindt vervolgens een analyse plaats van de samenhang tussen bebouwingsdichtheid en het type wijk. Vervolgens wordt ingezoomd op de verstoringen die onder de bebouwing te verwachten zijn.

4.2

voortkwamen uit de industrialisatie van Nederland. Aangepast aan de structuur van het bestaande landschap en de doelgroep verschenen tussen 1850 en 1900 zeer uiteen­ lopende wijken. De arbeiders- en middenstands­ wijken uit deze periode kenmerken zich door een hoge bebouwingsdichtheid (afb. 4.1). Daarnaast ontstonden verspreid over het land ruim opgezette villawijken, zowel rond de grote steden als in goed per trein bereikbare en land­ schappelijk aantrekkelijke gebieden als het Gooi en de duingebieden. Tegen 1900 kwamen de stedenbouwkundige ontwerpen steeds meer los te staan van het onderliggende landschap, bijvoorbeeld door uit te gaan van een stervor­ mige hoofdopzet.

Ontwikkeling van woonwijken 1850-2016

Ontwikkeling tot 1850 Voor een goed begrip van de verstoring van de bodem die plaatsvindt tijdens bouw en gebruik van woonwijken, is het van belang om kort in te gaan op de wijze waarop die woonwijken tot stand zijn gekomen. De meeste steden in Nederland zijn ontstaan tussen 1100 en 1400, maar namen sindsdien lange tijd niet of nauwelijks toe in omvang. In de periode 1400-1700 breidde een klein aantal grote steden uit, vooral in West-Nederland. Na 1700 viel ook in het westen de stadsontwikkeling voor lange tijd stil. De meeste steden kenden dus een zeer lange periode van stagnatie, vanaf de late middeleeuwen tot ver in de negentiende eeuw. Alleen in de grote steden in de provincies Noorden Zuid-Holland en Groningen duurde deze periode korter, van de zeventiende tot de negen­ tiende eeuw.93 1850-1900 Na 1850 begonnen de steden weer te groeien, onder invloed van nieuwe infrastructurele, technische en economische ontwikkelingen die

Afb. 4.1 De Oude Pijp in Amsterdam: een voorbeeld van een urbane arbeiderswijk.

1900-1945 In het begin van de twintigste eeuw begon een periode waarin het stedenbouwkundige en architectonisch ontwerp steeds vaker onder één opdrachtgever kwam, waardoor meer groot­ schalige ontwerpen werden gemaakt en uitgevoerd. Onder invloed van de tuinstad­ gedachte werden groene, betrekkelijk ruim opgezette arbeiderswijken ontworpen, aan de rand van steden of op locaties buiten de stad (afb. 4.2). Deze kenmerken zich door een sterke, ontworpen samenhang en een geometrisch opgezette structuur die losstaat van het landschap. Voor een wat meer vermogend publiek werden dergelijke wijken ook ontworpen, maar dan met (veel) ruimere woningen.

92 Dit hoofdstuk is een bewerking van Bouwmeester, Abrahamse & Blom 2017.

93 Voor een overzicht van de ontwikkeling

van het stedenpatroon in Nederland en de gebouwde vorm van de stad zie Rutte & Abrahamse 2016.

38 —

Afb. 4.2 Tuindorp ’t Lansink – Hengelo: een voorbeeld van een op de tuinstad geïnspireerde suburbane gemengde wijk.

Na 1945 Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de stedenbouwkundige praktijk zeer drastisch onder invloed van modernistische ideeën die voor de oorlog al opgang maakten. Om licht, lucht en ruimte te creëren werd het modernisti­ sche ideaal van het bouwen in de open, groene ruimte algemeen ingevoerd, in combinatie met de wijkgedachte. De hoeveelheid openbare ruimte nam sterk toe, vooral na 1965 wat leidde tot een flinke vermindering van het bebouwde oppervlak. De introductie van de auto als massavervoermiddel met zeer ruim opgezette verkeersruimtes en hoogbouw droegen verder bij aan de afname van de dichtheid van het bebouwde oppervlak in de wijken. Vanaf de vroege jaren zeventig – er kwam steeds meer verzet tegen grootschalige modernistische standaardwijken – werden in zeer snelle opeen­ volging nieuwe typen woonwijken ontwikkeld. De bloemkoolwijken met woonerven en archi­ tectuur waarin onregelmatigheid en kleinscha­ ligheid het belangrijkste streven was, werden eind jaren tachtig, de tijd van de VINEX (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra), opgevolgd door wijken die weer een grotere schaal kregen en waarop het onderliggende landschap een stempel drukte (afb. 4.3). In die tijd werd archeo­ logisch vooronderzoek ook een norm bij de inrichting van de wijken.

De hoofdlijn is echter nooit veranderd: wijken worden nog altijd opgezet volgens de in de jaren veertig ontwik­ kelde wijkgedachte, vergelijkbare woningtypes (vooral eengezinswoningen en appartementen) en in vergelijking met de historische stad in zeer lage dichtheden van het bebouwde oppervlak.

Afb. 4.3 Kattenbroek – Amersfoort: voorbeeld van een suburbane VINEX-wijk.

4.3

Verstoringen op wijkniveau

Dynamiek van de wijken 1850-heden Zowel bij aanleg als bij aanpassing en sloop van de hierboven beschreven wijken kunnen archeo­ logische resten verstoord raken. Bij de bouw gaat het vooral om het bouwrijp maken en leggen van funderingen (zie verderop), maar ook om de aanleg van bijvoorbeeld nutsvoorzie­ ningen en wegen. Verder grondverzet vindt plaats bij renovaties en sloop. Op hoofdlijnen kenmerken de in de periode 1850-1940 gebouwde villawijken zich door weinig verandering. Niettemin zijn bijvoorbeeld de grotere villa’s en herenhuizen intussen vaak opgesplitst en worden ze gebruikt voor kantoren, zorginstellingen en appartementen. Daarnaast is op veel villaterreinen sprake van nieuwe bijgebouwen en parkeerplaatsen. Ook middenstands- en arbeiderswijken (1870-1940) kenmerken zich op hoofdlijnen door een lage dynamiek. Veel van deze woningen zijn vervangen en/of gerenoveerd in het kader van de periode van stadsvernieuwing in de periode 1975-2000. De oudere stadsvernieuwings­ projecten zijn inmiddels weer aan renovatie toe. Voor wat betreft de naoorlogse wijken (19451970) is vooral in wijken met sociale achter­ standen de dynamiek zeer hoog. In deze wijken bestaat het woningbestand voor 50-80 procent uit sociale huurwoningen wat veelal door gemeentebesturen en eigenaren onwenselijk wordt geacht. Inmiddels is een deel van deze

39 —

woningen vervangen door koopwoningen. Dit proces zal worden voortgezet nu de economie aantrekt, vooral in het westen van het land en in de grote steden. In krimpgebieden neemt de bebouwing af door sloop. Net als bij de oudere middenstands- en arbeiderswijken bestaat ook in de laat-naoorlogse wijken (1975-2008) een fors deel van de bebouwing (50-60 procent) uit sociale huurwoningen maar vanwege de geringe ouderdom is de dynamiek er betrekkelijk laag. Een voorbeeld van een wijk met een hoge dynamiek is de Zanden- en Riffenbuurt in Delfzijl die al jaren te kampen heeft met bevolkings­ teruggang. Sinds 2000 zijn delen van de wijk gesloopt. Een ander voorbeeld van een naoorlogse wijk met relatief hoge dynamiek is de wijk Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Hier vindt grootschalige vervanging en renovatie plaats vanwege de slechte toestand van de woningen.94 Bebouwingsdichtheid Een grove indicatie voor de te verwachten verstoring op wijkniveau is de verhouding tussen de bebouwde en onbebouwde oppervlakte. Zoals uit de voorgaande alinea’s naar voren komt, is de bebouwingsdichtheid per wijk afhankelijk van bouwperiode, bouwwijze, ontwerp en de sociaaleconomische achtergrond van de oorspronkelijke bewoners.

Iedere wijk heeft een eigen stedenbouwkundige structuur maar op hoofdlijn kan onderscheid gemaakt worden tussen de arbeiderswijken, midden­ standswijken, villawijken, hoogbouwwijken en gemengde wijken. Binnen deze wijken kan nog onderscheid worden gemaakt tussen urbane, suburbane en niet-urbane ligging, wijken met (overwegend) sociale huurwoningen en wijken waar dat niet het geval is. Hierbij gaat het uiteraard meer om kenmerken dan om een scherp afgebakende typologie waarbij het een het ander uitsluit. Op basis van genoemde kenmerken zijn twintig wijken geselecteerd die gebouwd zijn na 1874 (tabel 4.1). Deze selectie is statistisch niet representatief maar geeft een indicatie voor de te verwachten bebouwings­ dichtheid in vergelijkbare wijken. Ook zijn verschillen in de frequentie van de vervanging van de woningen buiten beschouwing gelaten. De bebouwingsdichtheid is weergegeven als het huidige percentage bebouwd oppervlak ten opzichte van de totale oppervlakte per wijk.

De bebouwingsdichtheid wordt vooral bepaald door de ligging en in tweede instantie door de wijktypologie en de periode. De hoogste dichtheid heeft de Oude Pijp in Amsterdam (arbeidersbuurt/urbaan) met 57 procent, gevolgd door Den Haag – Archipelbuurt (gemengd/urbaan) met een dichtheid van 34 procent en Utrecht – Zuilen-Elinkwijk (arbei­ dersbuurt/urbaan) met een bebouwingsdicht­ heid van 28 procent. Dat de ligging meer gewicht in de schaal legt dan de aard van de destijds voorziene bewonersgroep blijkt bijvoorbeeld uit de urbane villawijk als Groningen-Zuiderpark. Hiervan is de bebouwingsdichtheid aanzienlijk hoger (18 procent) dan van het voor arbeiders ontworpen dorp Budel-Dorplein (2 procent) en de suburbane arbeiderswijken in Brunssum (9 procent) en Emmen (9 procent). Overigens zegt de bebouwingsoppervlakte niets over het aantal woningen. Het aantal woningen per oppervlakte ligt in een wijk met enkel sociale huurwoningen beduidend hoger dan in een villawijk.

4.4

Bebouwing en verstoring

Verstoring tijdens het bouwrijp maken Tijdens het bouwrijp maken van een terrein kan de grond opgehoogd of vervangen worden. Het effect van ophogen kan voor de onderliggende archeologische resten zowel een positief als negatief effect hebben. Het grondpakket bovenop de archeologische resten kan fungeren als een conserverende deken. Anderzijds, alhoewel moeilijk te onderzoeken omdat dit het opgraven van gesloopte bebouwing inhoud, kan het ophogen archeologische resten in de bodem verdrukken en vervormen en kan het effect hebben op de grondwaterspiegel waardoor de conserverende eigenschappen van de bodem teruglopen.95 De kans op beschadiging van eventueel aanwezige archeologische resten is aanzienlijk groter bij grondvervanging. De niet voor bebouwing geschikte grond wordt hierbij gedeeltelijk of volledig weggegraven. Van belang is de omvang van het bouwrijp te maken terrein. Bij het bouwrijp maken van grotere gebieden wordt het reliëf vaak geëgali­ seerd, wat plaatselijk een grootschalige verstoring van de bodem tot gevolg kan hebben. Daarnaast is de terreininrichting van belang.

94 Nio, Reijndorp & Veldhuis 2008; Nio et al. 2016.

95 Huisman 2009, 23-28, 30-32.

40 —

Tabel 4.1 Wijkkenmerken en bebouwingsdichtheid voor twintig Nederlandse woonwijken. Naam

Bouw per.

Wijktype

Ligging

Bouwwijze

Huur/ koop (ten tijde van realisatie)

Opp. (ha)

Bebouwings­ dichtheid %

Amsterdam – Oude Pijp

1875-1900

arbeiders-wijk

urbaan

middelhoog

sociale huur

62,3

57

Amsterdam – Westelijke Tuinsteden

1950-1965

arbeiders-wijk

urbaan

middelhoog en laagbouw-wijk

overwegend sociale huur

379,4

12

Brunssum – div. Mijnkoloniën

1900-1940

arbeiders-wijk

suburb

laagbouw

overwegend sociale huur

187,5

9

Budel-Dorplein

1875-1930

arbeiders-wijk

dorp

laagbouw

huur

221,7

2

Emmen – Emmermeer, Angelslo, Emmerhout

1955-1960

arbeiders-wijk

suburb

overwegend laagbouwwijk

overwegend sociale huur

844,1

9

Heerlen – Vrieheide

1959-1970

arbeiders-wijk

suburb

laagbouw-wijk

sociale huur

33,4

15

Utrecht – Zuilen-Elinkwijk

1890-1920

arbeiders-wijk

urbaan

overwegend laagbouw

sociale huur

15,2

28

Amersfoort – Kattenbroek

1985-1995

vinexwijk

suburb

gemengd

overwegend koop

147,8

20

Arnhem – Geitenkamp

1920-1930

gemengd

suburb

laagbouw

huur

51,6

21

Hengelo – Tuindorp 't Lansink

1910-1930

gemengd

suburb

laagbouw

huur

42,5

14

Hilversum – Plan Oost

1920-1940 1945-1965

gemengd

urbaan

laagbouw

overwegend huur

104,2

20

Hoorn – Grote Waal, Buurt 13 07

1966-1984

bloemkool-wijk

suburb

laagbouw

sociale huur

36,9

13

Rotterdam – Ommoord

1960-1970

hoogbouwwijk

urbaan

hoogbouw

huur en koop

120,2

13

's-Gravenhage – Archipelbuurt

1870-1900

gemengd

urbaan

middelhoog- en laagbouw

huur en koop

30,9

34

's-Gravenhage – Ypenburg

1985-2000

vinexwijk

suburb

gemengd

overwegend koop

445,3

12

Delft – Agnetapark

1875-1900

gemengd (vooral arbeiders)

suburb

laagbouw

huur

2,8

17

Groningen – Korrewegwijk

1910-1940

gemengd (zuid: middenstandswijk, noord: arbeiders-buurt)

urbaan

middelhoog en laagbouw

huur

55

27

Amersfoort – Bergkwartier

1900-1940

villawijk

urbaan

laagbouw

koop

19,5

9

Apeldoorn – De Parken

1875-1940

villawijk

suburb

laagbouw

koop

107,5

13

Groningen – Zuiderpark

1880-1900

villawijk

urbaan

laagbouw

koop

39,5

18

Hiertoe behoren bijvoorbeeld de aanleg van wegen en ondergrondse infrastructuur in de vorm van kabels en leidingen. Verder worden tijdens de inrichting vaak groenzones en water­ partijen aangelegd. Dit alles kan leiden tot bodemverstoring.96

96 Huisman 2009, 23-28, 30-32; Roorda & Stöver, 2016, 5-6, 15-17.

97 Heijm 1982, 114.

Verstoring door de aanleg van funderingen Als voorbereiding op de bouw worden funda­ mentsleuven of een bouwput aangelegd. Bij de aanleg van een bouwput wordt de bodem tot op de draagkrachtige onderlaag ontgraven. In het geval van onderkeldering of de aanleg van souterrains kan plaatselijk nog meters dieper ontgraven zijn. Na de voorbereidingen worden de fundamenten aangelegd. Er bestaat een directe relatie tussen de aard van de fundering, de aard van de ondergrond en de bouwmassa.97

Zand- en grindgronden, klei- en leemgronden, veengronden en gemengde gronden hebben alle een verschillend draagvermogen. Zo vormt zand over het algemeen een relatief goede ondergrond voor bouwwerken, terwijl veen ongeschikt is om direct op te bouwen. Op hoofdlijnen kunnen de gangbare typen funde­ ringen onderverdeeld worden in twee catego­ rieën, namelijk de funderingen op staal en de funderingen op palen van beton of hout. Bij funderen op staal ligt de funderingsconstructie direct op de draagkrachtige ondergrond. Binnen deze groep funderingen kan verder onderscheid worden gemaakt naar sleuf- of strokenfundering (onder de dragende muren), fundering op poeren of pijlers en plaatfundering. Bij een sleuf- of strookfundering kan de ontgraving beperkt zijn tot de sleuven waarin de

41 —

Strip foundation

side view

top view top soil

brick

top soil archaeological feature

load-bearing layer

Friction pile

Disturbed Archaeological feature Layer containing archaeological remains

side view

top view

wood/concrete

top soil

compressible layer

Disturbance Archaeological feature Soil containing archaeology

load-bearing layer

Slab foundation

side view

concrete

top soil

load-bearing layer

Disturbance Archaeological feature Soil containing archaeology

top view

42 —

Foundations on pillars

side view

top view top soil

brick

top soil

Disturbance Archaeological feature Soil containing archaeology

load-bearing layer

End bearing pile

side view

top view

wood/concrete

top soil

load-bearing layer

Disturbance Archaeological feature Soil containing archaeology

Afb. 4.4 De meest voorkomende typen funderingen die onder gebouwen aangetroffen kunnen worden (bron: Bouwmeester, Abrahamse & Blom 2017).

funderingen moeten komen. Als de draagkrach­ tige laag te diep ligt voor een fundering op staal wordt op palen gefundeerd. Gewoonlijk liggen deze funderingspalen alleen ter hoogte van de dragende muren. Daarvoor hoeft dus niet de hele bouwput uitgegraven te worden. In ieder geval is op de plaats van de palen de bodem diep verstoord. De grond in een zone direct rond de paal kan verdrukt raken. Hoe omvangrijk de verstoring is, hangt vooral af van de hoeveelheid ingeslagen palen en de dikte ervan.98

98 Huisman et al. 2011, 18-19, 39-40; Roorda & Stöver, 2016, 23-27, 51.

Verstoringen tijdens gebruik Ook na het in gebruik nemen van de woningen vinden grondroerende activiteiten plaats omdat

de bewoners het huis en erf gedurende de tijd aanpassen. Het kan hierbij gaan om onder meer het slopen, verplaatsen of uitbreiden van schuurtjes, het plaatsen van aanbouwen aan het huis of het ontgraven van vijvers. Daarnaast veranderen in de loop van de tijd ook de voor­ zieningen rond het huis, zoals de aansluiting van gas en elektra. Locatie en omvang van deze verstoringen laten zich moeilijk voorspellen. Verstoring door sloop Bij sloop van gebouwen kan ervoor gekozen worden te slopen tot op de funderingen of de funderingen zelf ook te verwijderen met eventueel ook er tussen gelegen zones zonder

43 —

funderingen. Hoe er gesloopt wordt, is onder meer afhankelijk van het toekomstig gebruik van het terrein. Funderingspalen kunnen eruit worden getrokken of worden afgeknepen. Het laatste zal minder verstorend zijn. Het verwij­ deren van funderingen kan omliggende en onderliggende archeologische resten bescha­ digen; zeker als bij de sloop met groot materieel te werk wordt gegaan kan deze meer verstoren dan de bouw. Muren en poeren worden machinaal uitgetrokken of uitgegraven. Verstoring door versnippering Behalve directe fysieke verstoring is bij woonwijken ook sprake van indirecte verstoring door versnippering. Versnippering door de verspreide verstoringen als gevolg van de aanleg van leidingen, fundamenten en kelders is te vergelijken met een bladzijde uit een boek waarin allemaal gaatjes zijn geperforeerd (afb. 4.5). Afhankelijk van de hoeveelheid en de plaats van de perforaties is de tekst al dan niet leesbaar. Daarnaast bestaat ook nog de verstoring als gevolg van splitsing in eigendom. Wat voor nieuwbouw één groot kavel was met één eigenaar bestaat nu uit verschillende percelen met verschillende eigenaren. Dit heeft tot gevolg dat het onwaarschijnlijk wordt dat het oorspronkelijke grote kavel in zijn geheel

onderzocht kan worden terwijl dit vanuit archeologisch oogpunt te prefereren is boven het onderzoeken van delen van het perceel.

4.5

Conclusie verstoringen stedelijk gebied

Het effect van een verstoring hangt sterk af van de aard, omvang en informatiewaarde van een vindplaats. Niettemin kan kennis over de mate van verstoring een goede eerste indruk geven van de te verwachten conservering van een vindplaats. In deze studie is onder meer gekeken naar verschillen in bebouwingsdichtheid als indicatie voor de mate van verstoring. Daarbij werd de hoogste bebouwingsdichtheid waargenomen in de Amsterdamse Pijp (56 procent). Gewoonlijk neemt de bebouwing echter een aanzienlijk kleiner oppervlak in (30 procent of minder) wat in theorie op een geringere verstoring zou kunnen duiden. Duidelijk is echter dat een algemeen kenmerk als bebouwingsdichtheid slechts een zeer grove indruk geeft van de te verwachten verstoring. Kennis over de verstoringen zelf blijft essentieel. Eigenlijk kan alleen bij volledige ontgraving van

Afb. 4.5 De door moderne heipalen slechts in geringe mate verstoorde fundamenten van het middeleeuwse Geertruidengasthuis te Kampen.

44 —

diepe bouwputten en diepgaande constructies als kelders met enige zekerheid gezegd worden dat de bodem ter plaatse verstoord is. Bij minder rigoureuze graafactiviteiten – tijdens en na de bouw – kunnen nog volop behoudenswaardige resten in situ bewaard gebleven zijn. Dit geldt ook bij hogere bouwdichtheden. Een tot dusver wnauwelijks geattendeerd probleem is het gevolg van versnippering van eigendom wat de mogelijkheid voor het doen van goed archeolo­ gisch onderzoek op het terrein sterk vermindert. Daarnaast is er nog het probleem van de verstoring die optreedt bij de sloop van gebouwen. Bij de sloop wordt doorgaans geen

enkele rekening gehouden met het eventueel aanwezig archeologisch bodemarchief. Aanbevolen wordt dan ook om bij nieuwbouw of sloop in bebouwd gebied van te voren een goede inschatting te maken van de te verwachten archeologie maar ook van de te verwachten verstoringen. Dit kan bijvoorbeeld door eerst uit te zoeken hoe oud de wijk is, of en hoe vaak de bebouwing vervangen is, hoe het bouwrijp maken verliep en vervolgens te bestuderen hoe gefundeerd is en of sprake is van kelders en andere diepgaande constructies.

5 Informatie over onderzoek naar verstoringen

5.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de oorzaken van verstoringen en de effecten daarvan in de bodem. Duidelijk is dat sprake is van een breed scala aan verstoringssporen veroorzaakt door verschillende activiteiten die zich kenmerken door een grote variatie in voorkomen en uitvoeringsfrequentie. In de komende paragrafen staan methoden en strate­ giëen voor onderzoek naar deze verstoringen centraal. Zoals gebruikelijk in de archeologie wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen bureauonderzoek en veldonderzoek.

5.2

Bureauonderzoek

5.2.1 Bureauonderzoek verstoringen gemeentelijke archeologiekaarten

In verschillende gemeenten worden bodemver­ storingen meegenomen bij het maken van archeologische verwachtings- en beleidskaarten. In het kader van Verstoringen in Kaart heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het Convent van Gemeentelijke Archeologen (CGA) gevraagd om informatie aan te leveren. Op deze oproep is gereageerd door de gemeenten Lingewaard, Ede, Dordrecht, Heerlen, de Walcherse Archeologische Dienst en de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.99 Daarnaast is informatie over verstoringsonderzoek op gemeenteniveau beschikbaar via het RCE-project Waardenkaart in Veelvoud dat – net als Verstoringen in Kaart – deel uitmaakt van het programma Kennis voor Archeologie. In Waardenkaart in Veelvoud wordt aan de hand van enkele door het land verspreidliggende voor­ beeldregio’s gekeken naar hoe gemeentelijke waardenkaarten overeenkomen dan wel verschillen.100 Daarbij is ook bestudeerd hoe in de kaarten is omgegaan met het aspect van de bodemverstoringen. In tabel 5.1 is dit weerge­ geven voor 34 verschillende (op verzoek geano­ nimiseerde) gemeenten uit genoemde pilotge­ bieden.101

In tabel 5 is te zien dat in slechts zes van de 34 bekeken gemeenten niet nader is toegelicht of en hoe verstoringen zijn meegenomen bij het bepalen van de archeologische verwachting. Uit de omvraag bij het Convent van Gemeentelijke Archeologen kwam naar voren dat vrijwel iedere gemeente op een andere wijze met verstoringen omgaat. Zo zijn er gemeenten die buiten de historische stads- of dorpskern ruime diepte­ vrijstellingsgrenzen hanteren wat bijvoorbeeld te maken heeft met de aanwezigheid van een beschermend zand- en kleipakket. Op de betref­ fende verwachtingskaarten staan dan ook geen of bijna geen verstoringen. In de gemeenten waar een dergelijk afdekkend pakket ontbreekt, zijn de verstoringen meestal wel in kaart gebracht. Gewoonlijk zijn de verstoorde arealen dan geïntegreerd in de archeologische verwach­ tingskaart maar het komt ook voor dat afzon­ derlijke verstoringskaarten zijn gemaakt.102 Als naar de bronnen wordt gekeken, valt op dat in de dorps- en stadkernen vaak gebruik gemaakt wordt van informatie over de onderkeldering van de huidige gebouwen.

Deze is meestal terug te vinden in de vorm van tekeningen in het gemeentelijk bouwarchief wat uiteraard veel preciezer is dan bijvoorbeeld de signatuur ‘vergraven’ op de Bodemkaart van Nederland.103 Voor het buitengebied ontbreken dergelijk nauwkeurige bronnen gewoonlijk.104 Door de mindere kwaliteit van de bronnen is het dan ook riskant om alleen op basis daarvan uitspraken te doen over verstoringen in het agrarische buiten­ gebied. Gelukkig zijn de gemeentelijke archeolo­ gische diensten zich over het algemeen zeer bewust van de beperkingen van bureauonder­ zoek. Zo relativeerde een van de bij het Convent van Gemeentelijke Archeologen aangesloten archeologen de eigen kaart als volgt: ‘alleen door een meer gedetailleerd bureauonderzoek en/of verkennend booronderzoek is de mate van verstoring tot op perceelsniveau te specificeren. De inventarisatie van bodemverstoringen heeft zich daarom beperkt tot de bekende en meest ingrijpende vormen’.

5.2.2 Een zoektocht naar de beste methode van bureauonderzoek

In een eerder stadium van het project ‘Verstoringen in Kaart’ heeft de Rijksdienst aan

45 —

99 Vriendelijke mededeling R. Berkvens namens het CGA 9-4-2015.

100 Meer informatie hierover vindt u op www.cultureelerfgoed.nl onder archeologie. 101 Niet alle gemeenten hebben hun gegevens voor publicatie beschikbaar gesteld. 102 Separate verstoringskaarten zijn bijvoorbeeld gemaakt in ZuidoostBrabant (Berkvens et al. 2011). 103 Zie Lascaris 2019 voor een kritische beschouwing van deze bron. 104 Een uitzondering hierop vormen bijvoorbeeld de keurvergunningen voor het diep omwerken van grond voor de bloembollenteelt. In deze door het hoogheemraadschap van Rijnland verstrekte vergunningen is soms gedetailleerde informatie te vinden over de exacte locatie en diepte van deze verstoringen. Vriendelijke mededeling C.R. Brandenburgh 25 maart 2019.

46 —

Tabel 5.1 Ontgrondingen/verstoringen op gemeentelijke kaarten. Gemeente

Toegelicht in rapport

Overgenomen van de bodemkaart

Overgenomen van gemeentelijke en/of provinciale vergunningen

Overige bronnen

Toets d.m.v. AHN

Veldtoets (controle boringen)

1

ja

ja

ja

ja

nee

nee

2

ja

ja

ja

ja

ja

ja

3

nee

4

ja

ja

ja

ja

ja

ja

5

ja

nee

ja

nee

ja

ja

6

ja

nee

ja

ja

ja

nee

7

ja

nee

ja

nee

ja

ja

8

ja

nee

ja

ja

ja

ja

9

ja

nee

ja

ja

ja

nee

10

ja

nee

ja

nee

ja

ja

11

ja

ja

nee

nee

ja

nee

12

ja

ja

ja

nee

ja

nee

13

ja

nee

ja

nee

nee

nee

14

ja

nee

nee

ja

nee

nee

15

ja

nee

nee

ja

nee

nee

16

nee

nee

nee

ja

nee

nee

17

ja

ja

nee

nee

nee

nee

18

ja

nee

nee

ja

nee

nee

19

ja

ja

nee

nee

nee

nee

20

nvt

21

ja

ja

nee

nee

nee

nee

22

ja

ja

nee

nee

nee

nee

23

ja

ja

nee

nee

nee

nee

24

nee

25

nee

26

nee

27

ja

ja

nee

nee

ja

nee

28

ja

ja

nee

nee

ja

nee

29

ja

ja

nee

nee

ja

nee

30

ja

nee

ja

nee

onduidelijk

nee

31

ja

nee

ja

Ja

nee

nee

32

ja

ja

nee

Ja

ja

nee

33

ja

ja

nee

Ja

ja

nee

34

nee

47 —

drie organisaties opdracht verleend om onaf­ hankelijk van elkaar een methode te bedenken voor het in kaart brengen van verstoringssporen met als randvoorwaarde dat daarbij onder meer gebruik moest worden gemaakt van de in de webtoepassing Verstoringen in Kaart genoemde bronnen.105 De resultaten van deze onderzoeken en de evaluatie ervan komen uitvoerig aan de orde in het dossier ‘Verstoringen door landbouw’ onder archeologie op www.cultureelerfgoed.nl. Daar zijn ook de onderzoeksrapporten en een evaluatie te downloaden. In deze paragraaf worden alleen de belangrijkste resultaten samengevat. De met medewerking van verschillende interne en externe experts beoordeelde studies leverden geen nieuwe standaardmethodiek op. Ieder van de drie uitgewerkte methodieken heeft voor- en nadelen en is in de huidige vorm nog niet voldoende geschikt voor de praktijk. Duidelijk is dat het erg moeilijk is om alleen op basis van bureauonderzoek een goed beeld te krijgen van de op een terrein te verwachten verstoring. Niettemin zijn bij het onderzoek ervaringen opgedaan die relevant kunnen zijn voor archeo­ logen en andere professionals die bureauonder­ zoek naar verstoringen doen. Zo benadrukken de onderzoekers dat het belangrijk is om de lokale agrarische sector bij het project te betrekken.

In eerste instantie uiteraard de grondgebruikers of eigenaren maar – afhankelijk van de omvang van het gebied – eventueel ook mensen van de plaatselijke belangenorganisa­ ties zoals regionale afdelingen van de Land en Tuinbouw Organisatie (LTO). Van betekenis is ook de factor tijdsdiepte. Om enig idee te krijgen van de mogelijke verstoring ter plaatse is het uiterst zinvol om gebruik te maken van informatie over het grondgebruik in het verleden en veranderingen in het kavelpatroon.106 Verder moet het belang van reconstructie van verande­ ringen in de maaiveldhoogte op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland onderstreept worden. Door de combinatie van kennis over maaiveldhoogtemutaties met kennis over veranderingen in de percelering bij Pingjum (Friesland) werd bijvoorbeeld goed zichtbaar dat sloten gedempt waren met grond van hetzelfde perceel.107

5.2.3 Het project Verstoorde percelen: een bureauonderzoek achteraf

In de winter van 2016/2017 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met medewerking van de grondeigenaren, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en de gemeente SúdwestFryslân een onderzoek gedaan op enkele akkers bij Lage Mierde en Pingjum. Het betrof een vergelijkend methodeonderzoek ter bepaling van de meest efficiënte methode en strategie van veldwerk bij het opsporen van versto­ ringen.108 Ondanks dat de nadruk op veldwerk lag, vond hierbij tevens een beperkt bureauon­ derzoek plaats. Anders dan gebruikelijk in de archeologie gebeurde dit achteraf en niet voor­ afgaand aan het veldwerk. Dit om de interpreta­ ties tijdens het stapsgewijze methodeonderzoek in het veld zo zuiver mogelijk te houden. Na het bureauonderzoek bleek onder meer dat een van de percelen in zijn geheel ontgrond had moeten zijn, terwijl de veldwaarnemingen lieten zien dat dit slechts op een deel van het perceel het geval was. Op een ander perceel lag volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland een dicht­ geschoven sloot die niet was waargenomen tijdens het veldwerk. De gedeeltelijke verstoring en verdwenen sloot onderstrepen nog eens de conclusie van de vorige paragraaf, namelijk dat het belangrijk is om bij bureauonderzoek data over ontgrondingen te combineren met gegevens over veranderingen in het kavel­ patroon en het reliëf.

5.3

Veldonderzoek, methoden en strategieën

5.3.1 Algemeen

Verstoringen zijn van invloed op de archeo­ logische verwachting maar ook op de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van archeologische vind­ plaatsen. Tijdens regulier archeologisch veld­ onderzoek wordt dan ook altijd gekeken naar de mate van verstoring. Veldwerk speciaal om een op basis van bureauonderzoek of informatie van de gebruikers veronderstelde verstoring te toetsen, is veel minder algemeen. Zoals eerder

105 Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (Peekel, Van der Schoot, Beekmans & van Hout 2016); RAAP (Willemse et al. 2016) en Wageningen University Research (De Vries, Brouwer, Heidema & Maas 2016). 106 Zie hiervoor bijvoorbeeld de RCEVerstoringsbronnenkaart. 107 Lascaris 2019; Willemse et al. 2016. 108 Lascaris & De Kort 2017.

48 —

109 Berkvens et al. 2011. 110 Breimer & Brijker 2017; Breimer & Sueur 2014a; Ten Broeke 2012; Kroes & Kloosterman 2013; Wink & Sprangers 2014; Lascaris & De Kort 2017.

aan de orde kwam (paragraaf 5.2.1), is informatie over verstoringen op gemeentelijke archeologie­ kaarten gewoonlijk alleen afkomstig van bureauonderzoek, zonder veldtoets. Als een veldtoets wel deel uitmaakt van het kaartproject (tabel 5.1), zijn gewoonlijk alleen die percelen getoetst waarvoor gerede twijfels bestaan en gebeurde dit met slechts enkele controlebo­ ringen.109 Sinds 2012 is onderzoek uitgevoerd naar verstoringen waarbij intensiever veldwerk is verricht.110 Doel van dit onderzoek is meestal om op basis van de aangetoonde verstoring de bestaande vrijstellingsgrenzen te verruimen

zodat diepe bodembewerkingen mogelijk zijn zonder archeologische onderzoeksplicht. De werkwijze verschilt van project tot project maar gewoonlijk wordt gekozen voor booronderzoek, voor profielputten of voor een combinatie van beide methoden (tabel 5.2). Ook het aantal waarnemingen en de positionering van de waar­ nemingen is bij ieder project anders. In twee van de bovenstaande veldonderzoeken is geëxperimenteerd met methode, waarne­ mingsdichtheid en waarnemingsgrid. Bij het onderzoek in de Bollenstreek is bij wijze van

Tabel 5.2. Vergelijking methoden en waarnemingsdichtheden veldonderzoek naar verstoringen. Onderzoek

Methode

Aantal waarnemingen

2012 Verstoringsdiepteonderzoek Gemeente Peel en Maas (Ten Broeke 2012)

zandguts

afgebroken wegens onbevredigend resultaat

Edelmanboor 7 cm diameter

939

5 per ha in een verspringend boorgrid van 40 bij 50 m

profielkuilen ca. 50 x 50 cm (tot maximaal 100 x100 cm); machinaal aangelegd

537

minimaal 3 per ha

2013 Onderzoek naar agrarische verstoringsdiepten en vrijstellingen gemeente Woudenberg (Kroes & Kloosterman 2013)

guts 3 cm diameter

18 op vier percelen

geen opgave

profielkuilen 50 x 50 cm; handmatig aangelegd

2

1 per perceel

2014 LTO-onderzoek ‘Mag het een onsje minder zijn’ in de gemeenten Eersel, Teylingen, Midden-Drenthe en Neder-Betuwe (Breimer & Sueur 2014a, 2014b. Voor de gemeente Peel en Maas werd gebruik gemaakt van velddata van Ten Broeke 2012)

Edelmanboor en/of zuigboor 7 cm diam.

alleen in de gemeente Teylingen 36 boringen waarvan 12 in de profielkuilen

verschillend: ter aanvulling of vervanging van de profielkuilen

profielkuilen 100 x 100 cm; machinaal aangelegd

320

4 per perceel

Edelmanboor 7 cm en steekguts 3 cm diameter

10

locatie 1 (Loosterweg Zuid, Lisse); 10 boringen per ha; twee elkaar kruisende boorraaien;

Edelmanboor 7 cm en steekguts 3 cm diameter

20

locatie 2 (Zilkerduinweg Noordwijkerhout); 10 boringen per ha; twee parallel verlopende boorraaien in een verspringend grid

Edelmanboor 7 cm en steekguts 3 cm diameter

8

locatie 3 (Offem Zuid, Noordwijk) stap 1; verspringend 40 x 50 m boorgrid

Edelmanboor 10 cm diameter

9

locatie 3, stap 2; verdichten tot 20x25 m boorgrid (noordoostdeel perceel)

Edelmanboor 10 cm diameter

13

locatie 3, stap 3; verdichten tot 10x12,5 m grid (noordoostdeel perceel)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=eb00577c-a9b7-428f-b632-e41641bb1f1a