CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

RAM257_Archeologie+en+verstoring+door+bodembewerkingen

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Archeologiebeleid25.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapportage Archeologische Monumentenzorg

257

Archeologie en verstoring door bodembewerkingen Evaluatie van de effecten van grondbewerking in agrarisch en stedelijk gebied en het onderzoek daarnaar M.A. Lascaris

Archeologie en verstoring door bodembewerkingen Evaluatie van de effecten van grondbewerking in agrarisch en stedelijk gebied en het onderzoek daarnaar M.A. Lascaris

Colofon Rapportage Archeologische Monumentenzorg nr. 257 Archeologie en verstoring door bodembewerkingen Evaluatie van de effecten van grondbewerking in agrarisch en stedelijk gebied en het onderzoek daarnaar Auteur: M.A. Lascaris Met bijdragen van B.J.H. van Os, J. Bouwmeester, J.E. Abrahamse & A.M. Blom Redactie: M.A. Lascaris, R. C.G.M. Lauwerier en B.J.H. van Os Illustraties: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tenzij anders vermeld Autorisatie: E.M. Theunissen Opmaak en productie: Xerox/OBT, Den Haag ISBN/EAN:978-90-5799-322-0 © Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2019 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Postbus 1600 3800 BP Amersfoort www.cultureelerfgoed.nl

Inhoud

3 —

Samenvatting5 Summary6 1 Inleiding 1.1 Algemeen  1.2 Wat is een verstoring? 1.3 Verstoringen en archeologische resten: een nadere uitleg 1.4 Aanleiding, doel en onderzoeksvragen 1.5 Projectcontext 1.6 Verantwoording en dankwoord 1.7 Leeswijzer

7 7 7 7 8 9 9 9

2 Effecten van agrarische grondbewerking op archeologie 11 2.1 Inleiding 11 2.2 Reguliere grondbewerking 11 2.2.1 Algemeen 11 2.2.2 Effect op ondiepe vondsten 13 2.2.3 Effect op het (micro)reliëf 14 2.2.4 Effect van verdichting en periodieke structuur­ verbetering15 2.2.5 Effecten van de afvoer van gewasgebonden grond 15 2.2.6 Effecten van bemesting met dierlijke mest 16 2.3 Incidentele bodembewerkingen en grondverzet 16 2.3.1 Effecten van diepe kerende of mengende bewerkingen16 2.3.2 Effecten van egalisatie 18 2.3.3 Effecten van het dempen van sloten met van het perceel afkomstig materiaal 18 2.3.4 Effecten van het (uit)graven van sloten 19 2.3.5 Effecten van de aanleg van verschillende vormen van drainage 19 2.3.6 Effecten van het omzetten van akkerland in grasland21 2.3.7 Effecten van omzetten van grasland in akkerland 21 2.3.8 Effecten van ruilverkaveling en landinrichting 22 2.3.9 Effecten die teruggaan op de ontginning 23 2.4 Conclusie effecten agrarische grondbewerking: een verstoring in lagen 27 3 Bodemveranderingen door andere activiteiten in het landelijk gebied 3.1 Inleiding 3.2 Effecten van agrarische bebouwing 3.3 Effect van de toename van niet agrarischebebouwing en semi-bebouwde terreinen

29 29 29 29

3.4 Effect van de aanleg van recreatieterreinen 30 3.5 Effect van de bouw van windturbines 30 3.6 Effect van de aanleg van zonneparken 31 3.7 Effect van de aanleg van leidingen 32 3.8 Ontgrondingen 33 3.9 Natuurontwikkeling en beekherstel 33 3.10 Conclusie bodemveranderingen door niet-agrari­ sche activiteiten 35 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Verstoringen in stedelijk gebied Inleiding Ontwikkeling van woonwijken 1850-2016 Verstoringen op wijkniveau Bebouwing en verstoring Conclusie verstoringen stedelijk gebied

37 37 37 38 39 43

5 Informatie over onderzoek naar verstoringen 45 5.1 Inleiding 45 5.2 Bureauonderzoek 45 5.2.1 Bureauonderzoek verstoringen gemeentelijke archeologiekaarten45 5.2.2 Een zoektocht naar de beste methode van bureauonderzoek45 5.2.3 Het project Verstoorde percelen: een bureau­ onderzoek achteraf 47 5.3 Veldonderzoek, methoden en strategieën 47 5.3.1 Algemeen 47 5.3.2 Veldwerkmethoden: ervaringen met boren en profielkuilen49 5.3.3 Ervaringen met de waarnemings­dichtheid, praktijk en theorie 51 5.4 Conclusies onderzoek naar verstoringen 53 6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen Grondbewerkingen en grondverzet Onderzoek

55 55 55

Begrippenlijst57 Referenties59 Publicaties project Verstoringen in Kaart 59 Geciteerde websites 59 Literatuur60

Samenvatting

Dit rapport dient als naslagwerk voor archeo­ logen die onderzoek willen doen naar versto­ ringen door agrarische bodembewerking en niet-agrarisch grondverzet. Daarbij ligt het zwaartepunt op het agrarisch buitengebied hoewel ook kort wordt ingegaan op de te verwachten verstoring onder bebouwing. Tevens bevat het informatie over hoe je de mate van verstoring op een terrein het beste kunt onder­ zoeken. Het gaat om een literatuurstudie waarin onder meer gebruik wordt gemaakt van de verschillende (deel)studies die afgelopen jaren zijn verschenen in het kader van het project Verstoringen in kaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dit rapport en de verslagen van de (deel)studies zijn terug te vinden op de website van de Rijksdienst. Agrarische grondbewerkingen en ander grond­ verzet kunnen een breed spectrum aan versto­ ringssporen veroorzaken. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om verstoringen die een heel perceel kunnen innemen of juist een klein deel ervan, om regelmatige patronen uit lijnvormige ploegsporen of juist onregelmatige patronen zoals die ontstaan na egalisatie. Van belang is dat de variatie in het voorkomen van grond­ bewerkingen en de frequentie ervan enorm kunnen verschillen per regio, per grondsoort maar ook per uitvoerder.

Hierdoor is vaak geen sprake van een enkel verstoringspoor of een enkelvoudig patroon met bewerkingssporen maar van een complexe combinatie van meerdere verstoringssporen en patronen. Onderscheidend is ook het diepteverloop. Zo is op landbouwgronden over het algemeen sprake van een intensief bewerkte geheel gehomo­

5 —

geniseerde bouwvoor met direct daaronder vaak nog enkele decimeters grond die eveneens regelmatig bewerkt wordt, zij het minder intensief. Belangrijk is dat zelfs als bekend is dat op een perceel diepere grond­bewerkingen hebben plaatsgevonden, dit niet automatisch betekent dat het gehele perceel diep verstoord is. Dit omdat de verkaveling is veranderd of omdat bij die bewerking niet is uitgegaan van de perceelsgrenzen maar van lokale verschillen in ondergrond. Voor wat betreft onderzoek naar verstoringen is duidelijk dat het slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is om alleen op basis van bureauonderzoek een representatief beeld te geven van de verstoringssituatie op een perceel. Vaak is naast bureauonderzoek een veldtoets nodig voordat met enige zekerheid uitspraken kunnen worden gedaan over de verstoring ter plaatse. Uit de gegevens die in de loop van het project zijn verzameld, blijkt dat een onderzoek naar de verstoringsituatie op een perceel idealiter zou moeten bestaan uit een bureaudeel waarin aandacht is besteed aan veranderingen van het (micro)reliëf, veranderingen van het kavelpa­ troon, het gebruik van het perceel, en uit een veldtoets door middel van boringen en proef­ putjes. Op basis van deze kennis kan dan de juiste dichtheid en locatie van de waarnemingen voor de steekproef in het veld worden bepaald.

Hierbij kan afhankelijk van de doel­stelling van het onderzoek gekozen worden voor een meer generieke of een meer specifieke steekproef­ methode. Deze keuze moet dan uiteraard wel goed (statistisch) worden onderbouwd.

Summary

This report is a reference work for archaeologists wishing to research disturbances resulting from agricultural soil cultivation and non-agricultural earth-moving operations. It focuses on rural areas and provides information regarding how best to investigate the degree of disturbance on a site. The report comprises a literature study of various documents, including the various studies and substudies that have appeared in recent years in the context of the Cultural Heritage Agency of the Netherlands’ project Verstoringen in kaart (Analysis of disturbances). It, and the reports of the aforementioned studies and substudies, can be found on the Agency’s website. Agricultural soil cultivation and other soil-moving activities can cause a wide range of traces of disturbance. Such disturbances may occupy an entire plot or a tiny part of one and comprise regular patterns from linear plough tracks or irregular patterns such as those caused by ground levelling. The fact that the occurrence and frequency of cultivation can vary enormously from region to region depending on the type of soil and the party responsible is important. This means that there is rarely a single trace of disturbance or a simple pattern of traces of cultivation but rather a complex combination of multiple traces of disturbance and patterns. The variation in depth of cultivation is also a differentiating factor.

Agricultural lands, for example, generally feature an intensively cultivated, fully homogenized tillage layer, often

with several decimetres of soil immediately under it which are also regularly cultivated, though somewhat less intensively. A key point is that even if a plot is known to have been cultivated to a considerable depth, this does not automatically mean that the entire plot has been disturbed to this depth. This could be because the land division has changed or because the cultivation was not based on the plot boundaries but on local differences in subsoil. When it comes to studies of disturbances, it is clear that a representative picture of the distur­ bance situation on a plot can only be obtained solely on the basis of desk research under exceptional circumstances. In addition to desk research, a field test is often necessary before conclusions regarding disturbance on a site can be drawn with any certainty. The data that have been collected in the course of the project show that a study of the disturbance situation on a plot should ideally consist of desk research that focuses on the use of the plot and changes in the relief, micro-relief and land division patterns, as well as a field test comprising drilling and test pits. The correct density and locations for sampling in the field can then be determined on the basis of this knowledge. Depending on the objective of the research, a more generic or a more specific sampling method can be opted for.

This choice must, of course, be properly substantiated by means of statistics.

1 Inleiding

1.1

Algemeen

Voor u ligt het afsluitend rapport van het project Verstoringen in Kaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het gaat bij dit rapport om een literatuurstudie die dient als naslagwerk voor archeologen die onderzoek willen doen naar sporen van bodembewerking en grond­ verzet. Kennis over locaties waar de bodem vergraven of afgegraven is zorgt voor een betere afweging van de archeologische belangen binnen de ruimtelijke ordening. Door beter rekening te houden met de aanwezigheid van verstoorde bodems kan worden voorkomen dat onnodig archeologisch onderzoek plaatsvindt. Hieronder komt eerst aan de orde wat in dit rapport bedoeld wordt met een verstoring (paragraaf 1.2). Vervolgens is kort beschreven waarom kennis over verstoringen zo relevant is voor archeologen (paragraaf 1.3). Daarna wordt ingegaan op de aanleiding voor het rapport, het doel ervan en de onderzoeksvragen (paragraaf 1.4). Een beschrijving van de projectcontext staat in paragraaf 1.5. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een verantwoording, dankwoord (paragraaf 1.6) en leeswijzer.

1.2

Wat is een verstoring?

Wat voor een archeoloog een verstoring is van het bodemarchief is, kan voor een agrariër het opti­ maliseren van het grondgebruik zijn. Het is dan ook belangrijk om duidelijk te zijn over wat vanuit archeologische perspectief een verstoring is. De grond en de daarin aanwezige archeologische informatie (vondsten, constructies, grond­ sporen, botanische resten, etc.) kunnen om verschillende redenen verstoord zijn. Op hoofd­ lijnen zijn de verstoringen als volgt onder te verdelen: 1 de grond en de eventueel daarin aan­wezige archeologische informatie zijn verwijderd, bijvoorbeeld omdat de bodem afgegraven is. In dit geval is het bodem­archief geheel verwijderd tot op de diepte van de ontgraving;

7 —

2 de grond en de eventueel daarin aanwezige archeologische informatie zijn niet verwijderd maar omgewoeld omdat de bodem bijvoorbeeld vergraven, verploegd of door ander menselijk handelen geroerd is; 3 de grond en de eventueel daarin aanwezige archeologische informatie is niet verplaatst of verwijderd maar kwetsbare (organische) resten zijn verdwenen omdat deze door schimmels en dergelijke zijn aangetast na verlaging van het grondwaterpeil. Dit rapport handelt uitsluitend over de eerste twee categorieën verstoring. De vaak meer geleidelijke verstoring door grondwaterpeil­ verlaging wordt hier buiten beschouwing gelaten tenzij dit het directe gevolg is van een fysieke ingreep. Hoewel in dit rapport gebruik gemaakt is van het woord verstoring is het in de praktijk vaak beter om te spreken van de kans op verstoring. Dit omdat het over het algemeen zonder waar­nemingen in het veld niet duidelijk is in hoe­verre een bodemingreep daadwerkelijk een verstorend effect heeft gehad op bodemopbouw en eventuele archeo­logische resten. Het is dan wel van belang te beseffen dat het gebruik van het woord kans volgens sommigen een grotere statistische significantie suggereert dan reëel is. Dit geldt vooral als deze wordt uitgedrukt in een percentage dat feitelijk gebaseerd is op expert judgement en niet zozeer op waarnemingen.

Uiteraard zijn er ook situaties waarin het evident is dat sprake is van een sterk verstoorde of zelfs geheel verstoorde bodem. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grindplassen en zandgroeven.

1.3

Verstoringen en archeologische resten: een nadere uitleg

Archeologische vindplaatsen bestaan in essentie uit vondsten en grondsporen. Soms is ook sprake van zichtbare objecten zoals grafheuvels, terpen en hunebedden. In dit rapport gaat het vooral om de nog niet onderzochte onzichtbare archeologische vindplaatsen in de bodem. Deze dragen de informatie over vroegere samenle­ vingen en landschappen. Voor de kwaliteit van deze informatie is de exacte locatie van de

8 —

1

Z  oals het enkele jaren terug verschenen ‘Vergraven Gronden’ (Brouwer & Van der Werff 2012). Omdat aan de naar thema’s geaggregeerde verstoringen bronnen van sterk wisselende kwaliteit ten grondslag liggen, is dit overzicht niet erg geschikt voor gebruik in de archeologie.

archeologische resten van groot belang. Dit geldt zowel de ruimtelijke samenhang tussen de archeologische vondsten en sporen binnen een vindplaats als de locatie van die resten in het landschap. De locatie van de resten kan informatie geven over de wijze waarop de resten in de bodem zijn terechtgekomen (taphonomie). Is sprake geweest van bewuste depositie, of van natuurlijke processen die hebben plaatsge­ vonden na verlating van een vindplaats (zoals een overstroming gevolgd door sedimentaire afdekking). Wanneer de archeologische resten ernstig verrommeld zijn en niet meer op de oorspronkelijke plek liggen, levert de vindplaats gewoonlijk minder informatie op dan een vindplaats waar vondsten en sporen nog in samenhang te onderzoeken zijn. Niettemin geldt ook voor deze verstoorde vindplaatsen dat de archeologische waarde ervan niet alleen bepaald wordt door de kwaliteit van bedoelde context. De archeologische waarde van een vindplaats is namelijk afhankelijk van meer dan alleen de fysieke kwaliteit. Een verstoorde vindplaats met zeldzame archeologische resten kan archeolo­ gisch gezien relevanter zijn dan een onver­ stoorde vindplaats met archeologische resten van een veel voorkomend type. Van belang is verder dat zowel archeologische resten in de bodem als verstoringssporen een verschillende spreiding in de diepte kennen.

Alleen ingrepen of processen die dieper gaan dan de diepst liggende archeologische resten kunnen een vindplaats volledig verstoren. Als de resten (deels) dieper voorkomen dan de verstorings­ diepte, zal dus een deel van de archeologie bewaard zijn gebleven. Daarbij moet wel bedacht worden dat juist ondiepe grondsporen als wand­ greppels en erfafscheidingen veel informatie geven over de constructie van de verdwenen bovengrondse structuren. Deze zijn dus het meest kwetsbaar. Verder kan ook bij een ondiepe verstoring het microreliëf worden aangetast waardoor contextinformatie verloren gaat. Tenslotte is het goed om te beseffen dat versto­ ringen uit het verleden de archeologie van vandaag kunnen vormen. Wat ooit als verstoring werd gezien – zoals sporen uit de tweede wereldoorlog – kan tegenwoordig onderwerp zijn van archeologisch onderzoek. Sturend bij de waardering hiervan zijn zowel regionale en nationale onderzoekagenda’s als het gemeente­ lijk archeologiebeleid.

1.4

Aanleiding, doel en onderzoeksvragen

Ondanks het feit dat bewerkingen van de grond van grote invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het bodemarchief is de kennis over versto­ ringen en hoe je deze het beste zou kunnen opsporen beperkt. Bestaande overzichten met informatie over verstoringen van de bodem zijn niet zonder meer geschikt voor gebruik in de archeologie omdat ze niet met dat doel gemaakt zijn.1 Verder wordt welliswaar bij vrijwel ieder archeologisch onderzoek rekening gehouden met de mate van verstoring maar studies speciaal naar bodemverstoringen zijn schaars. Bovendien blijkt uit deze studies dat er nauwelijks consensus bestaat voor wat betreft de keuze van methoden en de te volgen strategie. Om in deze situatie verbetering aan te brengen, vindt bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het project Verstoringen in Kaart plaats. In het kader van dit project zijn inmiddels verschillende (deel)studies uitgevoerd (zie lijst achterin dit rapport). In deze deelstudies stond telkens een van de volgende twee onderzoeksvragen centraal: • welke potentieel verstorende bodembewer­ kingen kunnen worden onderscheiden en wat de effecten zijn van deze bewerkingen op de bodem in termen van vorm, oppervlak en diepte van het verstoringsspoor; • hoe kan de mate van verstoring het beste worden bepaald? Deze onderzoeksvragen worden in dit rapport zo goed mogelijk beantwoord.

Hiertoe zijn de resultaten van genoemde (deel)onderzoeken samengevat en waar nodig aangevuld met informatie afkomstig uit literatuurstudie. Tevens gaan we in op methoden en methodieken voor het traceren en interpreteren van sporen van bodembewerking en grondverzet op lokaal niveau. Zowel dit rapport als de resultaten van (deel)studies zijn gepubliceerd op de website van de Rijksdienst. Een derde relevante onderzoeksvraag komt in dit rapport slechts zijdelings aan de orde maar moet hier wel genoemd worden vanwege het belang voor onderzoek naar verstoringen, namelijk:

9 —

• welke bronnen zijn beschikbaar voor onderzoek naar verstoringen en wat is de kwaliteit van die bronnen voor gebruik in de archeologie? Deze bronnen komen in dit rapport kort aan de orde bij de beschrijving van de ervaringen die zijn opgedaan met bureauonderzoek (paragraaf 5.2) maar voor veel uitvoeriger informatie over bronnen wordt verwezen naar de uitleg en de achtergronddocumenten bij de RCE-Verstoringsbronnenkaart. Deze is eveneens te vinden op de website van de Rijksdienst.

1.5

Projectcontext

Verstoringen in Kaart maakt deel uit van een aantal projecten van de Rijksdienst, geïnitieerd in het programma Kenniskaart Archeologie, die bij moeten dragen aan een meer efficiënte archeo­ logie.2 Bij de overige projecten gaat het om Verwachtingen in Lagen: een archeologische verwachtingskaart die ook rekening houdt met dieper in de grond liggend archeologisch resten, Waardenkaarten in Veelvoud met een analyse van de gemeentelijke archeologiekaarten; Best Practices Prospectie met informatie over welke set van prospectiemethoden het best geschikt is voor specifieke situaties; een update van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) en als laatste Oogst voor Malta een set van publica­ ties waarin vanuit verschillende thema’s de kenniswinst van de afgelopen tien jaar aan archeologisch onderzoek wordt samengevat. Het programma Kenniskaart Archeologie is afgesloten in 2017 maar verschillende project­ activiteiten in het verlengde daarvan, zoals updates, aanvullingen en verbeteringen, worden voortgezet in het actuele programma Kennis voor Archeologie (2018-2021).

1.6

Verantwoording en dankwoord

Dit rapport had in deze vorm nooit tot stand kunnen komen zonder de medewerking van tal van mensen van buiten de Rijksdienst. Een groot aantal professionals op het vlak van archeologie en landbouw droeg bij aan een van de deelpro­ jecten of namen deel aan de discussies voor en tijdens de presentaties van de resultaten

daarvan. Onze dank gaat speciaal uit naar Jan Breimer (A=M), Fokko Kortlang (ArchAeO advies), Gilbert Maas (Wageningen Environmental Research), Huib-Jan van Oort (namens het CGA), Arno Peekel (ZLTO), Hans Simons (Den Haag), Carla Soonius (West-Friesland), Chris Sueur (Buro de Brug), Boudewijn Voormolen (Katwijk), Folkert de Vries (Wageningen Environmental Research) en Nico Willemse (RAAP) voor hun bijdragen en discussie tijdens een op 26 februari 2016 gehouden bijeenkomst over verschillende methoden en methodieken om van achter het bureau verstoringssporen in kaart te brengen. Dank aan Ria Berkvens (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) die voor ons aan de leden van het Convent van Gemeentelijke Archeologen (CGA) de vraag heeft voorgelegd of en hoe verstoringen zijn meegenomen op de archeolo­ gische verwachtings- of beleidskaarten. Verschillende medewerkers van de Rijksdienst hebben aan het rapport meegeschreven, meegediscussieerd tijdens interne en externe bijeenkomsten of hebben in de loop van het project gegevens verzameld die verweven zijn in de teksten. Speciaal te noemen zijn de leden van het projectteam namelijk: Bertil van Os, Guido Mauro, Fred Brounen en Menno van der Heiden. Jeroen Bouwmeester, Jaap-Evert Abrahamse en Anita Blom leverden de broodnodige inhoud voor wat betreft de te verwachten verstorings­ sporen onder bebouwd gebied.

Tenzij anders vermeld, zijn de teksten in het rapport afkomstig van Michel Lascaris die ook verantwoordelijk was voor de projectleiding. De redactie van het rapport was in handen van Michel Lascaris, Roel Lauwerier en Bertil van Os.

1.7

Leeswijzer

In de hoofdstukken 2 tot en met 4 wordt antwoord gegeven op de vraag welke potentieel verstorende grondbewerkingen kunnen worden onderscheiden en wat de effecten daarvan zijn op de bodem in termen van vorm, oppervlak en diepte. In hoofdstuk 2 komen de effecten van agrarisch grondgebruik aan de orde. Daarbij wordt onder­ scheid gemaakt tussen reguliere vaak herhaalde teelthandelingen zoals ploegen en eggen, en incidentele grondbewerkingen zoals diep­

2

Lauwerier et al. (eds.) 2017. Meer informatie hierover is te vinden op de website van de Rijksdienst.

10 —

ploegen en de aanleg van drainage. Een andere categorie potentieel verstorende activiteiten in het landelijk gebied vormen de niet-agrarische activiteiten zoals de aanleg van recreatie­ terreinen, de bouw van windmolens en de aanleg van nieuwe natuur. De eventuele effecten hiervan worden behandeld in hoofdstuk 3. Ondanks dat de nadruk in dit rapport ligt op het landelijk gebied kan in een in toenemende mate verstedelijkende samenleving als de Nederlandse niet voorbij gegaan worden aan

bebouwd gebied. In hoofdstuk 4 wordt dan ook kort ingegaan op de verstoringen die te verwachten zijn in stedelijk gebied. In hoofdstuk 5 ligt de focus op de beantwoor­ ding van de vraag welke ervaringen inmiddels zijn opgedaan bij het opsporen van verstoringen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bureauonderzoek vanachter de PC en ervaringen die opgedaan zijn met veldonderzoek. Afgesloten wordt een conclusie met enkele aanbevelingen.

2 Effecten van agrarische grondbewerking op archeologie

11 —

B.J.H. van Os & M.A. Lascaris

2.1

Inleiding

Het areaal dat ingenomen wordt door land­ bouwgrond is in Nederland nog steeds aanzien­ lijk. Dit ondanks dat al vele jaren sprake is van een geleidelijke afname. In 2012 ging het om 54 procent van het landoppervlak.3 Een groot deel van het archeologisch bodemarchief ligt dus op landbouwgrond. In dit hoofdstuk wordt dan ook ingegaan op de agrarische grondbewer­ kingen die van invloed kunnen zijn op bodem­ opbouw en eventueel in de grond aanwezige archeo­logische resten. Voor wat betreft agrarische grondbewerkingen kan grofweg onderscheid worden gemaakt in jaarlijks terugkerende bewerkingen die beperkt blijven tot de bouwvoor zoals eggen en ploegen en incidentele diepere grondbewerkingen. Voorbeelden van handelingen die tot de tweede categorie behoren zijn diepploegen en de aanleg van drainage. Al in 1995 verscheen een overzicht van de landbouwkundige bodemtechnische ingrepen en de effecten daarvan op de archeo­ logie in de grond.4 Hierin werd onder meer gecon­ stateerd dat vooral incidentele grondverbete­ rende bewerkingen effect kunnen hebben op het bodemarchief. Grondsporen kunnen worden uitgewist en artefacten worden vermengd, gefragmenteerd en verplaatst. De diepte en het oppervlak van deze bewerkingen verschillen sterk naar gelang de plaatselijke omstandigheden.

Ook werd geconstateerd dat de inzet van steeds zwaardere machines, een duidelijk toenemende bedreiging zouden gaan vormen voor de archeo­ logie in de bodem. Twee jaar na publicatie van dit rapport verscheen een studie die duidelijk maakte dat ook jaarlijks terugkerende bewerkingen als ploegen en eggen op den duur effect hebben op het reliëf en daarmee op archeologie en landschap. Uit deze studie kwam naar voren dat vanaf de jaren vijftig tot aan 1990 maar liefst 25 procent van het reliëf in Nederland verdwenen is.5 Niet alleen de incidentele diepgaande bodem­ bewerkingen kunnen dus gevolgen hebben voor de archeologie in de bodem maar ook het jaarlijkse ploegen en eggen. Inmiddels zijn sommige constateringen uit deze twee studies minder actueel vanwege veranderde landbouwkundige inzichten. Zo is sprake van een groeiende groep boeren die streeft naar een minder intensieve bewerking en

behoud van organische stof in de bouwvoor. Bredere luchtbanden onder de landbouwvoer­ tuigen moeten bodemverdichting tegengaan zodat de grond minder vaak gewoeld of geploegd dient te worden. Daarnaast is diep­ ploegen, woelen of keren duurder geworden vanwege het brandstofverbruik (landbouwdiesel is afgeschaft) en machinehuur van zwaardere apparatuur. Anderzijds lijkt het afvlakken van de akkers voor verbetering van afwatering en bodemstructuur de laatste jaren eerder toe dan af te nemen. De actuele stand van zaken op het vlak van bodemverstoring bij agrarische grond­ bewerking, is door Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) in opdracht van de Rijksdienst samengevat.6 Hieronder staat een op dit onderzoek gebaseerde beschrijving van de gevolgen van diverse veel voorkomende vormen van agrarische grondbewerking. In de komende alineas wordt eerst het effect van reguliere bodembewerking beschreven (paragraaf 2.2). Met reguliere grondbewerking worden hier de telkens herhaalde standaardbe­ werkingen bedoeld die gewoonlijk niet dieper gaan dan de bouwvoor maar ook de diepere periodieke maatregelen om verdichting tegen te gaan. Vervolgens gaan we in op eenmalige of hooguit incidentele agrarische bodembewer­ kingen zoals het aanleggen van drainage, diep­ ploegen, het dempen van sloten en egalisatie en ontginningen (paragraaf 2.3).

Afgesloten wordt met een conclusie waarin een kort resumé wordt gegeven van de effecten van het agrarisch grondgebruik op de bodem (paragraaf 2.4).

2.2

Reguliere grondbewerking

2.2.1 Algemeen

Reguliere grondbewerkingen dienen om het rendement van het zaaigoed te verhogen door de bodemstructuur te verbeteren, ongewenste planten te verwijderen en de voedingsstoffen beter te verdelen. Deze bewerkingen gaan gewoonlijk niet dieper dan de bouwvoor met uitzondering van de periodieke jaarlijkse of meerjaarlijkse grondverbeteringen die tot doel hebben om telkens weer de verdichte grond aan de onderzijde ervan los te maken. De meest voorkomende reguliere grondbewerkingen

3 4 5 6

 entraal Bureau voor Statistiek (CBS), C bodemgebruik in Nederland 2012. Heunks 1995. Dijkstra et al. 1997. Reuler et al. 2014. Deze studie is te downloaden op https:// cultureelerfgoed.nl

12 —

Afb. 2.1 Reguliere grondbewerking met de keerploeg (bron: Pixabay).

Afb. 2.2 Tril- of veertandcultivator (bron: Pixabay).

13 —

Afb. 2.3 Vaak worden in een arbeidsgang verschillende bodembewerkingen gecombineerd zoals hier een combinatie van een voorzetwoeler, rotorkopeg, drukrol en verkruimelrol (bron: Reuler et al. 2014, foto 17).

vinden plaats met een kerende ploeg, een woeler of een (triltand)cultivator. Zoals de naam al suggereert, wordt door een kerende ploeg de bovenste grond naar onderen gebracht en vice versa. Afhankelijk van de breedte van de ploeg­ schaar wordt de schralere, diepere grond gemengd met de organisch rijkere bovenlaag. Bij het woelen met een woeler of (triltand) cultivator blijft de bodemopbouw min of meer intact en verandert vooral de structuur van de bodem.7 Kenmerkend voor het regulier bewerkte deel van de bodem is gewoonlijk de vergaande homogenisatie.

2.2.2 Effect op ondiepe vondsten

Door ploegen en woelen wordt de geklonterde aarde verkleind en gemengd. Eventueel aanwezige archeologische resten ondergaan dezelfde processen. Kwetsbare anorganische artefacten zoals (pre)historisch aardewerk en bouwkeramiek kunnen hierdoor verkruimelen. Bij meer robuuste vondsten als vuurstenen artefacten en hard gebakken keramiek als steengoed, treedt verkleining minder snel op. Door kerend ploegen wordt de grond vooral

verplaatst in verticale zin maar is ook sprake van transport in horizontale zin. Inmiddels is bekend dat de grond bij keerploegen na drie jaar gewoonlijk tussen de nul en 90 cm verplaatst is met uitschieters tot wel 10 meter.8 Ook bij nietkerende grondbewerkingen zoals woelen kan materiaal over enkele meters worden verplaatst.9 Door verplaatsing wordt de oorspronkelijke relatie tussen de vondsten en grondsporen als cultuurlagen en kuilen verstoord. Niettemin kan het nog steeds zinvol zijn om deze verplaatste archeologische resten te onderzoeken.10 Voor de informatiewaarde is immers niet alleen de mate van verstoring van belang maar ook de aard van de vindplaats. Verder komt dankzij de reguliere bodembewer­ king een deel van de vondsten aan de opper­ vlakte te liggen wat de herkenbaarheid van nog onontdekte vindplaatsen ten goede komt. Wel zal de verdeling tussen kleine en grote voorwerpen van deze oppervlaktevondsten uiteraard anders zijn dan bij een opgraving.11 Kanttekening hierbij is dat vandaag de dag nog maar weinig veldkarteringen plaats vinden zodat de kans dat een nog onontdekte vindplaats op deze wijze aan het ligt komt gering is. Een aparte vondstcategorie vormen de metalen artefacten. Als deze door ploegen binnen bereik

7 8 9 10 11

Spandl et al.2009. Van Muysen, Van Oost & Govers 2006. Spandl et al. 2009. Diez-Martín 2010. Dunnell & Simek 1995.

14 —

van metaaldetectoren komen te liggen, kunnen deze meegenomen worden door metaal­ detectie-amateurs. Dit kan helpen bij de opsporing van vindplaatsen mits de vondsten geregistreerd worden. Koper, koperverbindingen zoals brons en messing en andere non-ferro artefacten blijven ook in de bouwvoor redelijk bewaard omdat deze vaak al zijn voorzien van een corrosiebestendig patina.12 IJzeren voorwerpen echter zullen in de bouwvoor snel gaan roesten waardoor deze al vrij snel vorm verliezen en uiteenvallen.

2.2.3 Effect op het (micro)reliëf 12 13 14 15 16

Van Os et al. 2014. Van Os et al. 2014. Meuwissen 2012. De Alba 2004. Heckrath et al. 2006.

Zowel ploegen als woelen en eggen zorgen op den duur voor het verminderen van hoogtever­

schillen maar bij ploegen verloopt dit proces aanzienlijk sneller.13 Door de herverdeling van grond vlakt de bodem af zodat het aanwezige (micro)reliëf geleidelijk verdwijnt. De mate waarin dat gebeurt, hangt onder meer af van de werkrichting.14 Als op hellingen evenwijdig aan de hoogtelijnen (contouren) wordt geploegd of zowel helling op als helling af, gaat de afvlakking minder snel dan als alleen van boven aan de helling naar omlaag wordt geploegd.15 De veran­ dering van het reliëf kan aanzienlijk zijn. Zo is aangetoond dat na slechts 30 ploegbewerkingen een reliëfverschil van meerdere meters verdwenen kan zijn.16 Hierdoor ontstaan verschillen in de dikte van de bouwvoor. Verder heeft dit uiteraard consequenties voor het bovengrondse deel van archeologische en cultuurhistorische objecten zoals terpen, motte­ heuvels, dijken, bolle akkers en grafheuvels.

Afb. 2.4 Sporen van woelers of frezen in het vlak van een opgraving bij Graetheide (Limburg). Omdat bij deze bewerking de bodem alleen losgemaakt en niet gekeerd wordt zijn deze verstoringssporen niet altijd zo duidelijk herkenbaar als hier op de foto.

15 —

Binnen één generatie kunnen deze door ploegen veel van hun herkenbaarheid verliezen of zelfs geheel verdwijnen.

2.2.4 Effect van verdichting en periodieke structuurverbetering

Landbouwmachines zijn de afgelopen dertig jaar steeds groter en zwaarder geworden. De tractoren die in de jaren zestig werden gebruikt wogen ongeveer twee ton. Tegenwoordig weegt een tractor al snel tussen de zes en 14 ton. Een bietenoogstmachine in combinatie met een bunkerwagen weegt zelfs meer dan 40 ton.17 Het hogere gewicht van de voertuigen gaat samen met grotere wielen en bredere banden maar niettemin is de druk op de grond sterk toegenomen. Bij een asdruk van meer dan 10 ton kan – afhankelijk van het bodemvochtgehalte en de grootte van het contactvlak tussen banden en grond – een compactie van de bodem optreden tot een diepte van wel 50 cm. De toegevoegde druk op 25 cm onder het maaiveld kan bij een moderne trekker makkelijk de 250 kPa te boven gaan. Uit proeven blijkt dat dan al het grotere aardewerk breekt.18 Omdat het bedrijfsecono­ misch gunstiger is om gewassen zoals mais, suikerbieten en aardappelen zo laat mogelijk te oogsten, vindt de oogst vaak in natte perioden in het najaar plaats.

Hierdoor wordt het effect van verdichting door berijden nog groter evenals de kans op insporing.19 Door de grondcom­ pressie treedt een irreversibele verandering in de porositeit op wat voor een afnemende gewas­ opbrengst zorgt.20 De verdichte bodemlaag wordt door veel boeren regelmatig weer losgemaakt.21 Dit gebeurt doorgaans met onder­ gronders aan de ploeg (35-40 cm diep), met een spitfrees (ca. 40 cm diep) of met een diepwoeler (40-60 cm diep). Ondanks dat deze bewerkingen lang niet altijd helpen om de vruchtbaarheid te verbeteren en soms de verdichting zelfs verergeren, worden ze veelvuldig toegepast.22 De variatie in voorkomen en uitvoeringsfre­ quentie van deze wat diepere grondbewerkingen is erg groot en wisselt per bodemsoort, per regio en per teler. Dit betekent dat ook de variatie in het effect op het bodemarchief groot is. In ieder geval is duidelijk dat bij het periodiek bewerken van de bodem om de verdichting te verminderen de dicht onder de bouwvoor

aanwezige grondsporen en artefacten verstoord kunnen worden. Het periodiek dieper bewerken met een spitfrees veroorzaakt een vlakdekkende roering van de bodem. Ondergronders en diepwoelers veroorzaken een patroon van evenwijdig verlopende lijnvormige verstoringen. Bij diepwoelen vindt vaak een tweede woel­ bewerking plaats loodrecht op de eerste wat een aanzienlijke toename van de hoeveelheid geroerde grond betekent.23 Na veelvuldige herhaling verdwijnen de lijnvormige patronen en raakt ook de grond onder de gebruikelijke ploegdiepte geheel gehomogeniseerd. Naast het regelmatig opheffen van verdichtingen aan de onderzijde van de bouwvoor is soms sprake van (in principe) als eenmalig bedoelde diepere grondbewerkingen tot meer dan 1,5 meter diepte die eveneens tot doel kunnen hebben om storende lagen te breken. Deze komen aan de orde in paragraaf 2.3.1.

2.2.5 Effecten van de afvoer van gewasgebonden grond

Tijdens de oogst wordt met ieder product ook wat aanhangende grond (tarra) afgevoerd. Als geen compenserende maatregelen worden genomen, zorgt dit uiteindelijk voor een verlaging van het perceel.De tarra kan variëren van 0,1 mm per jaar voor pootaardappelen tot 0,9 mm per jaar voor waspeen.24 In het geval van suikerbieten bestaat maar liefst 10 procent van de oogst uit tarra. Bij graszodenteelt maakt de grond onderdeel uit van het product en wordt per oogst wel tot 4 mm grond afgevoerd dat kan oplopen tot enkele centimeters per jaar. Zonder aanvulling leidt deze vlakdekkende verlaging van het maaiveldniveau tot een geringere dieptelig­ ging van de onverstoorde bodem met als conse­ quentie een jaarlijkse aftopping van de onver­ stoorde bodem en de daarin eventueel aanwezige vindplaatsen.

17 S  taps et al. 2015. 18 D  ain-Owens et al. 2013. Kanttekening is

De tarra bij (laan)bomenteelt is veel groter dan bij reguliere akkerbouw met ongeveer 6,75 mm per jaar (uitgaande van 4500 bomen per ha, een kluit van 50 cm diameter en een vierjarige cyclus).25 Aanvankelijk blijft op het perceel na bomenteelt een regelmatig patroon in de vorm van de parallelle rijen met ronde of hoekige plantgaten achter. Ter voorbereiding van de

dat de proeven zijn uitgevoerd met complete aardewerken potten, zonder hard gebakken varianten zoals steengoed. Verder was het betreffende aardewerk ook na het breken nog ‘archeologisch compleet’. Staps et al. 2015. Håkansson & Reeder 1994. Reuler et al. 2014. Batey 2009; Staps et al. 2015. Spandl et al. 2009. Reuler et al. 2014. Reuler et al. 2014

19 20 21 22 23 24 25

16 —

Afb. 2.5 Grondtarra aan een zojuist gelichte suikerbiet (bron: Reuler et al. 2014 foto 20).

volgende teelt worden de gaten dichtgeschoven en het perceel geëgaliseerd wat een min of meer vlakdekkende maaivelddaling veroorzaakt. Bij langdurige bomenteelt op hetzelfde perceel raakt de bodem op den duur geheel gehomo­ mogeniseert tot op de diepte van de plantgaten. Daarnaast zorgen bomen voor een meer doorluchte drogere bodem en het beschikbaar komen van voedingsstoffen (bladafval) wat gunstige condities schept voor een rijk bodemleven (micro-organismen, insecten, kleine zoogdieren) en daarmee voor een homo­ genisatie van de bodem (bioturbatie). Hierdoor worden grenzen tussen en binnen grondsporen en structuren steeds minder goed herkenbaar. Het onttrekken van water aan de bodem zorgt lokaal voor grondwaterpeilverlaging wat conse­ quenties kan hebben voor eventueel aanwezige kwetsbare organische archeologische resten (zie 2.3.5 drainage).26

26 27 28 29 30 31 32 33

Cox et al. 2001. Haan et al. 2009. Tymann 1996. Haan et al. 2009. Eghball 2002. Nord, Mattsson & Tronner 2005. Ward, Smith & Lawley 2009. Spandl et al. 2009.

2.2.6 Effecten van bemesting met dierlijke mest

In de huidige landbouwpraktijk worden grote hoeveelheden dierlijke mest op grasland en

maisakkers gebracht om het mestoverschot van de veeteelt kwijt te raken. Bemesten vindt op dit moment meestal plaats door zodenbemesting. Daarbij wordt tot een diepte van 5 cm en met een onderlinge afstand van ongeveer 20 cm mest in de bodem geïnjecteerd. Een andere vorm van mestinjectie, waarbij tot een diepte van 20 cm werd geïnjecteerd met een ganzenvoetschoffel, wordt inmiddels niet meer toegepast.27 Al in de achttiende eeuw werd geschreven over de mogelijk schadelijke invloeden van mest door corrosie van metalen artefacten in de bouwvoor.28 Moderne bemestingsmethoden injecteren de mest niet dieper dan 5 cm en hebben nauwelijks invloed op de bodemstruc­ tuur.29 Bijna alle organische stof wordt gemine­ raliseerd en ammoniak wordt omgevormd tot nitraat en opgenomen door de plant. Ammoniakhoudende mest heeft over het algemeen een hoge pH.30 Bij een pH > 10 kan ammonium koper oplossen; deze zuurgraad wordt echter nooit gehaald. Koperen voor­ werpen lossen vooral op in zure gronden.31 De bewering dat bemesting zorgt voor een versnelde achteruitgang van de kwaliteit van metaalvondsten klopt waarschijnlijk niet.32 De waargenomen achteruitgang van metalen artefacten blijkt niet zozeer het gevolg van de mest zelf maar van meerdere maatregelen samen die tot doel hebben om de opbrengst van de akker te verhogen.

Deze intensivering van de grondbewerking heeft tot gevolg dat de metalen voorwerpen uit hun beschermende omgeving in de bouwvoor terechtkomen.33

2.3

Incidentele bodembewerkingen en grondverzet

2.3.1 Effecten van diepe kerende of mengende bewerkingen

Diepe bewerkingen zijn grofweg te verdelen in kerende maatregelen zoals diepploegen en omzetten met een kraan, en in mengende bewerkingen als mengploegen, mengwoelen, mengroteren en machinaal diepspitten. Daarnaast kan sprake zijn van bezanden of opspuiten met zand dat ter plaatse van grotere diepte wordt gewonnen of dat van elders is aangevoerd. Oorspronkelijk waren deze diepe

17 —

Tabel 2.1 Advies voor verschillende diepe bewerkingen in de Veenkoloniën (bron:Van Balen, Bernaerts & Van Iperen 2008, tabel 1). Diepte waarop zand begint (in cm)

Werktuig

Maximale diepte (in meter)

<60 cm

mengploeg

2,0 meter

60-120 cm

diepspitmachine

1,2 meter

60-120 cm

diepploeg

1,80 meter

120-250 cm

bezandingsmachine

4,5 meter

250-350 cm

kraan

ca. 4 meter

350-700 cm

opspuiten

ca. 7 meter

Afb. 2.6. Diepploegen tot enkele decimeters onder de bouwvoor met behulp van gekoppelde tractoren in de Flevopolder in 2004 (bron: Agrifoto). Bij zwaardere bodems en dieper ploegen worden soms ook rups­voertuigen ingezet.

grondbewerkingen bedoeld als eenmalige maatregel bij ontginningen (zie ook paragraaf 2.3.8). Sinds het begin van dit millennium vinden deze diepe bewerkingen echter steeds vaker plaats op land dat al eerder tot op grote diepte bewerkt is. Doel is dan om de na tientallen jaren akkerbouw afgenomen bodemkwaliteit te herstellen door diepliggende storende lagen te breken en de structuur van de bodem te verbeteren waardoor een groter aantal teelten mogelijk wordt.34 De methode van diepe bewerking verschilt en hangt bijvoorbeeld af van de diepte, omvang en aard van de storende lagen en van de diepte

waarop zand ligt waarmee de kwaliteit van de bouwvoor verbeterd kan worden (tabel 2.1). De meest toegepaste diepe bodembewerkingen zijn diepploegen en mengwoelen. Zo wordt bijvoorbeeld in Flevoland momenteel jaarlijks ca. 150 ha gediepploegd.35 Diepploegen en mengwoelen zijn omstreden omdat ze weliswaar op korte periode zorgen voor een verbetering van de bodemvruchtbaarheid en structuur maar op langere termijn de bodem uitputten. Van belang is dat diepploegen niet alleen plaats vindt om de bodemstructuur te verbeteren of om storende lagen te breken. Het wordt ook gedaan om de bouwvoor (met de

34 S  taps et al. 2015. 35 S  taps et al. 2015.

18 —

36 Schneider et al. 2017; Alcántara et al. 2016.

37 Innovatiecentrum voor de veen­ koloniale landbouw. Praktijknetwerk Opheffen Bodemverdichting en Kwantificeren Bodemkwaliteit, verslag bijeenkomst 12 juni 2014; Booij & Van Essen 2015. 38 Balen, Bernaerts & van Iperen 2008; Booij & Kamp 2015; Reuler et al. 2014. 39 Dijkstra et al. 1997.

vruchtbare humus) onder te ploegen waarna de naar boven gekomen grond gebruikt wordt om te egaliseren (paragraaf 2.3.2) of om bijvoor­ beeld sloten mee te dempen (paragraaf2.3.3). Een voor de archeologie mogelijk zorgwekkende ontwikkeling is dat diepploegen wordt genoemd als een geschikte methode om aan het oppervlak gevormde koolstof dieper in de bodem vast te leggen en zodoende bij te dragen aan het halen van de klimaatdoelstellingen.36 Zowel bij diepploegen als bij mengwoelen worden de bodemlagen verticaal vermengd. Het mag duidelijk zijn dat het tot wel 2 m diepte omkeren van de grond door middel van diepploegen en diepwoelen, het homogeniseren van de bodem tot op 80 cm diepte met de mengrotor en het diep omzetten van de bodem met een graafmachine desastreus kunnen zijn voor eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen. Daarbij komt dat deze maatregelen gewoonlijk samengaan met de aanleg of vernieuwing van de drainage. Verlagen van de grondwaterspiegel door drainage zorgt voor een sterk verminderde conservering van eventueel aanwezige archeologische vondsten van organisch materiaal. Door een kerende bewerking als diepploegen ontstaat een vlakvormige verstoring die niet altijd direct als zodanig herkenbaar is.

Voor grondver­ betering in de veenkoloniën wordt bijvoorbeeld aangeraden dicht aan de oppervlakte liggende storende veen- of bodemlagen om te ploegen en één op één te vermengen met het onderliggende zand. Bij het ploegen wordt het bodemprofiel dan in stroken gekeerd met als resultaat een patroon van verticale banen afwisselend bestaande uit geel zand en de voormalige bovengrond.37 Van bijzonder belang voor de archeologie is het feit dat de sporen van dergelijke diepe bodem­ bewerkingen niet per definitie het gehele perceel beslaan. Dit is te verklaren doordat bijvoorbeeld het kavelpatroon veranderd kan zijn (paragraaf 2.3.8). Ook kan sprake geweest zijn van het doelbewust tijdens de ontginning omwerken van plaatselijk aanwezige bodem­ lagen die zich niet over het hele perceel uitstrekten (paragraaf 2.3.9). Verder ondergaat ook tegenwoordig niet altijd het hele perceel precies dezelfde bewerking omdat agrariërs zich doorgaans zeer bewust zijn van de bodemvari­ atie binnen een perceel die erg groot kan zijn.38 Zo worden soms zeer lokaal storende lagen omgegraven op plekken waar voorheen telkens water op het land bleef staan.

2.3.2 Effecten van egalisatie

Al in 1997 werd vastgesteld dat in Nederland sinds de jaren vijftig in maar liefst 25 procent van Nederland het reliëf verdwenen is.39 Duidelijk is deze vervlakking zich tot op heden heeft voortgezet. Een korte zoektocht op internet leert dat tegenwoordig het (micro)reliëf op land­ bouwgronden waarschijnlijk zelfs sneller en grootschaliger uitgevlakt wordt dan in 1997. Op tal van websites, voornamelijk van loonwerk­ bedrijven, wordt egaliseren en kilveren van akkers gepropageerd. Dit doet vermoeden dat het glad en vlak maken van akkers intussen een grote vlucht genomen heeft. Door egalisatie verdwijnen natuurlijke hoogtever­ schillen maar ook het (micro)reliëf dat samenhangt met eeuwenlang grondgebruik. Egalisatie is dan ook een bijzonder ingrijpende vorm van niet-teeltgebonden agrarische grond­ bewerking. Doel is het opheffen van de bodem­ variatie door een gelijkmatige verdeling van de grond over het perceel waardoor de vochtbalans beter onder controle is, erosie wordt verminderd en de teelteigenschappen op het perceel min of meer gelijk zijn. De landbouwkundig waardevolle teellaag wordt voorafgaand aan de egalisatie gewoonlijk tijdelijk aan de kant geschoven met een bulldozer of het voorblad van een kilverdozer.

Na afschuiven van de bouwvoor worden de hogere delen van de akker afgegraven, afge­ schoven of gediepploegd waarbij het vrijkomende gele zand gebruikt wordt om de lagere delen van de akker mee op te vullen. De machines zijn voorzien van moderne laser- en GPS techniek waarmee een voor de afwatering van het perceel gunstig verloop van het oppervlak wordt verkregen. Vervolgens wordt de bouwvoor teruggezet en gelijkmatig over het perceel verdeeld. De afwerking vindt gewoonlijk plaats met een lasergestuurd kilverbord. De aard en omvang van het grondverzet dat gepaard gaat met egalisatie heeft uiteraard gevolgen voor de bodem en de eventueel daarin aanwezige archeologische vondsten en grond­ sporen. Bij het tijdelijk verwijderen van de teellaag gaat de relatie tussen archeologisch materiaal in de bouwvoor en onderliggende archeologische fenomenen compleet verloren. Tijdens het vlak maken van de onderliggende bodem kunnen eventuele vindplaatsen, sporen

19 —

en artefacten worden afgetopt en beschadigd. Doorgaans is bij egalisering sprake van een onregelmatige verstoring. De aftopping van de hogere delen van de terreinen gaat gepaard met afdekking van de lagere delen. Afhankelijk van het aanwezige reliëf worden vooral de hogere delen afgeschoven. Dit zijn vaak locaties waar zich resten van prehistorische bewoning kunnen bevinden.40 Bij prospectie kan dit leiden tot een verkeerde inschatting over de gaafheid van een archeologische vindplaats. Ook betekent egalisatie dat de vaak aanwezige subtiele hoogte­verschillen (microreliëf) niet meer traceerbaar zijn via hoogtemodellen zoals het AHN.41 Verder is egalisatie, op plaatsen waar de ondergrond uit veen of klei bestaat, meestal geen eenmalige gebeurtenis maar moet deze herhaald worden omdat het reliëf wordt veroor­ zaakt door lithologische verschillen in de ondergrond. Als deze bestaat uit veen of klei zullen de reliëfverschillen na egalisatie na verloop van tijd weer tot expressie komen. Door de herhaalde egalisatie worden archeologische resten nog verder aangetast.

sche resten verder verstoord worden. Het graven of uitdiepen van sloten heeft echter ook een positief effect omdat hierdoor nog onbekende en moeilijk traceerbare vindplaatsen aan het licht kunnen komen. Dit geldt vooral voor permanent grasland. De grond uit de sloot wordt gewoonlijk over het perceel verspreid waardoor eventuele vondsten zichtbaar aan de oppervlakte komen te liggen. Verder zorgt de ophoging met baggerspecie voor een bescher­ mende laag die aanwezige archeologische resten beter beschermd. Anderszins kan de aanleg van een sloot een lagere grondwaterstand op het perceel tot gevolg hebben waardoor veen kan verdwijnen (oxideren) en wormen, mollen, aaltjes en schimmels zich tot op een dieper niveau kunnen handhaven.42 Dit leidt tot verdwijnen of vervagen van bodemsporen en -grenzen en aantasting van archeologisch materiaal zoals bot- en houtresten.43

2.3.3 Effecten van het dempen van sloten met van het perceel afkomstig materiaal

Drainage wordt gewoonlijk aangelegd om overtollig grondwater af te voeren, vooral in het vroege groeiseizoen, en om te kunnen oogsten in het natte najaar. Ook kan in droge perioden water worden toegevoerd. Drainage vindt meestal plaats door poreuze buizen of slangen op 60 cm onder het maaiveld of dieper aan te leggen, met een onderlinge afstand van tussen de 2 en 6 m afhankelijk van het type grond.44 Drainage is het meest effectief bij goed door­ latende gronden en rendeert bijvoorbeeld minder bij zware kleigronden. Op zware gronden moeten de drains ook veel dieper worden aangelegd (tot 1,5 m).45 Van belang voor een begrip van de omvang van deze bodemingreep is dat tussen 2003 en 2010 het areaal landbouw­ grond met drainage in Nederland toegenomen is van 14 tot 33 procent.46 Opvallend is dat deze toename vooral plaatsvond in gebieden met zware zeeklei, ondanks het genoemde lagere rendement. Van belang voor de mate van verstoring is de wijze waarop de drains worden aangelegd. In het geval van het aanleggen van drains in gegraven sleuven blijft de directe (fysieke) verstoring van archeologische resten hoofdzake­ lijk beperkt tot de sleuven zelf. Daarnaast kan bij

Op de huidige percelen wordt zoveel mogelijk gestreefd naar een gesloten grondbalans, dat wil zeggen zonder grond aan- of afvoer van elders. Dit betekent dat bij het dempen van sloten vaak gebruik gemaakt zal zijn van grond afkomstig van het naast de greppel liggende perceel. Aftopping van vindplaatsen is hier dan ook een risico. Daarnaast kan dichtschuiven van sloten met perceeleigen materiaal gevolgen hebben voor deels bovengronds cultuurhistorisch erfgoed zoals wallen, grafheuvels en dijken.

2.3.4 Effecten van het (uit)graven van sloten

Bij het opschonen van sloten wordt naast het op de bodem verzamelde slib, vaak ook een kleinere of grotere hoeveelheid ongeroerde grond meegenomen. Daarbij kunnen al eerder bij de aanleg van de sloot verstoorde archeologi­

2.3.5 Effecten van de aanleg van verschillende vormen van drainage

40 41 42 43 44 45 46

Wadsworth et al. 2003. Koomen & Exaltus 2003. Stein 1983. Holden et al. 2006. Van Wijk et al. 1988. Wesseling & Feddes 2006. Drains en bodembeheer tegen wateroverlast (De Boerderij 15-1-2016).

20 —

het graven kwetsbaar vondstmateriaal zoals aardewerk beschadigen onder het gewicht van de wel 20 ton zware machines. De drains worden gewoonlijk aangesloten op een hoofdafvoer. Meestal is dit een bestaande sloot maar soms moet deze nog gegraven worden wat een extra verstoring van de bodem veroorzaakt. Bij sleufloze aanleg wordt de drainagepijp als het ware in de grond geploegd met behulp van een speciale V-vormige bodemfrees (afb. 2.7). Daarbij ontstaan twee smalle freessporen en wordt de grond daartussen ongeveer 10-20 cm opgelicht terwijl de drain wordt gelegd. De sleufloze aanleg lijkt relatief weinig schade te veroorzaken maar niettemin ontstaan daarbij scheuren en verandert de structuur van de bodem.47 Verder vinden gewoonlijk graafwerk­ zaamheden plaats bij het plaatsen van de niveauregeling, aanleg van de putten en aanslui­ ting van de drainagebuizen op het hoofdkanaal. Het directe effect van de sleufloze aanleg op ondergrondse archeologische resten is nog niet helder maar vermoedelijk is dit vergelijkbaar het eerder beschreven woelen (2.3.1). De mate van doorwoeling hangt uiteraard samen met de afstand tussen de drains. Van belang is dat de

47 E  monds 2011. 48 B  jördal & Nilsson 2002.

gevolgen van sleufloze aanleg vaak al na enkele jaren niet of nauwelijks meer zichtbaar zijn in het bodemprofiel door de voortgaande bodemvor­ ming en bioturbatie. Een dergelijk profiel kan dus onterecht worden geïnterpreteerd als niet verstoord. Direct en indirect effect van de aanleg van drainage in veen en zeekleigebieden Aanleg van drainage in polders en gebieden met een hoge grondwaterstand heeft als gevolg dat het grondwater niet boven het drainniveau stijgt. Hierdoor wordt in natte perioden voorkomen dat het hele bodemprofiel water­ verzadigd raakt. Vooral in klei zal de bodem nog wel vochtig blijven omdat de doorlatendheid van deze gronden zeer laag is. Een gevolg van drainage is dat bodemleven zoals wormen en schimmels zich tot op grotere diepte kan handhaven wat een sterkere homogenisatie van de bodem tot gevolg heeft. Kwetsbaar organisch vondstmateriaal dat zich voorheen bevond onder permanent waterverzadigde condities zal door deze biologische activiteit kunnen vergaan.48 Niettemin zal door de combinatie van klei en organische stof ook boven de drains vaak

Afb. 2.7 Sleufloze aanleg van drainage te Ospel, provincie Limburg (bron: Stuyt 2013, fig. 68).

21 —

langere perioden sprake zijn van anaërobe condities wat de genoemde biologische afbraak van organische resten zal afremmen.49 Een indirect effect van de aanleg van drainage in veen- en zeekleigebieden is klink wat vooral te danken is aan het hoge gehalte aan organische stof dat boven het drainageniveau ligt. Archeologische resten kunnen daardoor binnen bereik van de ploeg komen te liggen. In het geval van een gevarieerde ondergrond, bijvoorbeeld bestaande uit een afwisseling van kreek-, geulen oeverwalafzettingen, zullen bij ontwatering door drainage voornamelijk de organisch rijke kreekvullingen inklinken. Dit fenomeen is bijvoorbeeld waargenomen in Zeeland50 en Noord-Holland.51 De in de (pre)historie voor bewoning aantrekkelijke kreekruggen en oever­ wallen zullen hierdoor boven het landschap gaan uitsteken, zoals goed te zien is op AHN-beelden. Ploegen en/of egalisatie zullen er uiteindelijk toe leiden dat materiaal van de hoge delen wordt verplaatst naar de lage delen in het landschap.52 De problemen die ontstaan na aanleg van drainage in veen- en zeekleigebieden kunnen deels worden voorkomen door te werken met onderwaterdrains. Deze kunnen het water zowel

af- als aanvoeren en zorgen ervoor dat de grond minder uitdroogt. In combinatie met een dynamisch peilbeheer zou het een geschikte techniek kunnen zijn om de maaivelddaling op veengronden significant te verminderen.53 Inmiddels is niet iedereen meer overtuigt van de voordelen van onderwaterdrainage.54 Het is dan ook nog moeilijk in te schatten in welke mate deze techniek de komende jaren door de Nederlandse agrariërs zal worden toegepast.

2.3.6 Effecten van het omzetten van akkerland in grasland

Omdat akkers regelmatig worden geploegd, er vaker wordt gedraineerd, tarra wordt afgevoerd en er soms ingrijpende activiteiten als diep­ ploegen, woelen, egalisatie en ontgronding plaatsvinden, lijkt het omzetten van akkerland in grasland op het eerste gezicht gunstig voor aanwezige archeologische resten. Dat dit enige nuance verdient, blijkt onder meer uit onderzoek van Meuwissen.55 Zo blijkt dat onder grasland, bio-irrigatie door wormen en de bioturbatie toeneemt door het hogere organische stof gehalte en de betere beluchting van de bodem.

49 H  uisman et al. 2009. 50 V  os & Van Heeringen 1997. 51 Brandt, Van der Leeuw & Van Wijngaarden-Bakker 1984.

52 H  eckrath et al. 2006. 53 H  oving, Vereijken, Van Houwelingen & Pleijter 2013, 25.

Afb. 2.8 Omzetten van grasland met een overtopfrees.

54 C  ouwenberg 2018. 55 M  euwissen 2012.

22 —

De toenemende wormenactiviteit heeft op verschillende manieren gevolgen voor de eventueel aanwezige archeologische resten. Artefacten worden verplaatst evenals modern materiaal (stenen en zaden) en daarmee vermengd, begraven horizonten en archeo­ logische sporen vervagen en worden omgezet. Ook ontstaan steenhopen en worden holten opgevuld met moeilijk van archeologisch botmateriaal te onderscheiden aggregaten uit calciumcarbonaat.56 Verder ontstaat door de toegenomen wormenactiviteit een bodemsitu­ atie waarin het voor schimmels makkelijker is om zich tot op grotere diepte te handhaven waardoor kwetsbaar organisch materiaal kan worden gemineraliseerd.

2.3.7 Effecten van omzetten van grasland in akkerland

Ook bij het omzetten van grasland in akker is sprake van aantasting van eventueel aanwezige archeologische vondsten en grondsporen door de daarmee verbonden bewerkingen als frezen, ploegen, woelen en kilveren. Daarnaast gaat een omzetting naar akkerland vaak gepaard met een verlaging van het grondwaterpeil. De verande­ ring van een anaërobe naar een aërobe omgeving kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van in de bodem verborgen archeo­ logische sporen en vondsten. Aan de andere kant kunnen op akkers door vruchtbaarheidsverschillen in de ondergrond ter hoogte van verborgen archeologische resten ‘cropmarks’ ontstaan die goed herkenbaar zijn op luchtfoto’s en satellietbeelden.57

2.3.8 Effecten van ruilverkaveling en landinrichting 56 Canti 2003; Armour-Chelu & Andrews 1994.

57 S  harp 2004. 58 N  iemeijer & Prins 2011; zie ook de kaartlaag Landrinrichting op de verstoringsbronnenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 59 Van den Bergh 2004, 38-40. 60 Hendrikx 1998, 140. 61 Vriezenveen is vanwege deze ruil­ verkaveling door het Rijk geselecteerd als een van de naoorlogse gebieden van bijzonder cultuurhistorisch belang (Blom et al. 2013).

Maar liefst driekwart van het Nederlandse land­ oppervlak heeft inmiddels één of meerdere landinrichtingsprojecten ondergaan.58 Van belang is dat hierbij vaak incidenteel grond­ verzet en bodembewerkingen plaats vinden zoals het dichtschuiven van sloten, egaliseren en diepploegen. Vanaf het einde van de negen­ tiende eeuw werd de grote mate van versnip­

pering van landbouwgronden in Nederland steeds meer als een probleem gezien voor de modernisering van het boerenbedrijf. De verspreide ligging van percelen van één eigenaar had verschillende oorzaken waaronder erfdeling en de opdeling van voorheen gemeenschappelijk beheerde gronden.59 De eerste kavelruilen verliepen geheel vrijwillig en kwamen al vanaf 1905 tot stand. Vanaf 1924 werd wettelijk geregeld dat de grondeigenaren door middel van een meerderheid bij stemming over konden gaan tot ruilverkaveling.60 Geholpen door de nieuwe wetgeving vonden al voor de Tweede Wereldoorlog tientallen ruilverkavelingen plaats. Het ging daarbij echter nog maar een zeer klein deel van Nederland en bovendien betrof het gewoonlijk administratieve herindelingen zonder grote veranderingen in het landschap. In de jaren vijftig werd echter het wettelijk instrumentarium aangepast om de agrarische productiestructuur van een gebied veel sterker te kunnen verbeteren. Sindsdien werd het steeds meer gebruikelijk om de kavelruil te koppelen aan cultuurtechnische maatregelen die onder meer de grond beter geschikt moesten maken voor modern agrarisch gebruik. Vooral tussen 1950 en 1975 vonden grootschalige ruilverkave­ lingsprojecten plaats waarbij het landschap integraal op de schop werd genomen. Een voorbeeld van een dergelijk ruilverkavelingspro­ ject is de ruilverkaveling Vriezenveen (ca.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=eb00577c-a9b7-428f-b632-e41641bb1f1a