Concept Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Nieuwe Veer 27, Streefkerk en Achterland 23, Groot-Ammers
Tekst van het document
onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. 2 In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. b. c. d.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herk enbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
3 Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46." Ad. artikel 7.43h, lid 1: Een ontwikkeling in het buitengebied moet vanuit artikel 7.43h, lid 1 gepaard gaan met een motivatie dat de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast en waarbij wordt ingegaan op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In lid 2 zijn vervolgens de kwaliteiten die bij deze motivatie moeten worden betrokken opgenomen. Verdere toetsing vindt dan ook plaats aan het tweede lid. Ad. artikel 7.43a, lid 2, onder a: Aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk wordt een nieuw bijgebouw opgericht. Op deze locatie zal het bebouwd oppervlak en het ruimtebeslag toenemen. Echter is deze locatie al in een bebouwingslint gelegen en niet in het open en groene landelijk gebied. Daarnaast is de nieuwe bebouwing ingesloten tussen bestaande erven en is het zicht daarop van buitenaf beperkt. Verder is het toenemende ruimtebeslag beperkt. Het gewenste nieuwe bijgebouw zal daarmee nagenoeg geen impact hebben op de openheid en de structuur van het landschap en/of op de vergezichten in het landschap. Aan het Achterland 23 te Groot-Ammers wordt bebouwing gesloopt. Deze locatie is wel in het relatief open buitengebied gelegen.
Op deze locatie zal de bebouwde oppervlakte afnemen. Tevens zal het huidige agrarische bouwvlak aanzienlijk worden verkleind, waarmee het maximaal mogelijke ruimtebeslag eveneens aanzienlijk zal afnemen. In de huidige situatie kan overal op het huidige bouwvlak nieuwe bebouwing worden opgericht. Dit kan in de gewenste situatie niet meer. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de openheid van het landschap en aan het behoud daarvan. De ontwikkeling aan het Achterland leidt daarmee niet tot een aantasting van de openheid en de structuur van het landschap en/of de vergezichten daarin, maar zal daar eerder een positief effect op hebben. Ad. artikel 7.43h, lid 2, onder b: De locatie aan de Nieuwe Veer is gelegen in een bebouwingsconcentratie, zijnde een bebouwingslint, in het buitengebied. Er is daarmee sprake van een meer stedelijke vorm van bebouwing in het buitengebied dan in het open agrarische landschap. Achter het bebouwingslint is echter wel een open agrarisch landschap gelegen. Het bebouwingslint verbindt de kernen Streefkerk en Groot-Ammers langs de rivier de Lek. Vanuit de Lek zorgt het bebouwingslint voor een soepele overgang van de harde grens die de rivier vormt in het landschap naar het open agrarische landschap dat achter het lint ligt.
In het bebouwingslint kan tot op zekere hoogte verdichting plaatsvinden, mits dat niet ten koste gaat van het open achterliggende veenweidelandschap. De nieuwe bebouwing is ingesloten tussen de bestaande erven en de aanwezige bebouwing daarop. Er zal sprake zijn van slechts een beperkte verdichting van het bebouwingslint, maar het zicht daarop van buitenaf is (zeer) beperkt. De ontwikkeling staat de transitie van de harde grens van de rivier via het meer stedelijke bebouwingslint naar het open agrarische landschap niet in de weg. Daarnaast zal het bijgebouw (deels) worden gebruikt voor het houden van schapen. Het houden van 29
schapen draagt bij aan het duurzaam en natuurlijk onderhoud van het open agrarisch veenweidelandschap. Het natuurlijk en duurzaam onderhoud van deze gronden is een belangrijk onderdeel van de instandhouding van het landschap. Het houden van schapen ten behoeve van het natuurlijk begrazen en onderhouden van de open agrarische weidegronden is gebonden aan het buitengebied. Vestiging in het bestaand stads- en dorpsgebied ligt daarmee niet voor de hand. De locatie aan het Achterland is gelegen in het buitengebied, niet binnen het bestaand stads- en dorpsgezicht en/of binnen een bebouwingsconcentratie. De locatie is in het open agrarisch gebied gelegen. Op de locatie zal het bebouwde oppervlak echter alleen maar afnemen. Dit wordt mede geborgd door de verkleining van het bouwvlak. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de versterking van de openheid en het groene karakter van het landschap. Daarnaast is de locatie aan het Achterland niet aansluitend aan het stedelijk gebied gelegen en is het van belang dat deze een landelijke uitstraling zal behouden. De woning zal met de omschakeling de verschijningsvorm van een plattelandswoning krijgen. Dit betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning die wordt bewoond door burgers die geen relatie (meer) hebben met het agrarisch bedrijf, maar die de uitstraling blijft houden van een agrarische bedrijfswoning (boerderij).
Dit is bij de voorgenomen ontwikkeling het geval. De woning heeft reeds een uitstraling van een agrarische bedrijfswoning en dit zal niet veranderen. De verschijningsvorm als plattelandswoning en de openheid van het landschap zullen nog extra worden geborgd door de bestemming 'Tuin' aan drie zijden van de locatie, waarbinnen de bouwmogelijkheden (zeer) beperkt zijn en geen nieuwe gebouwen mogelijk zijn. Ad. artikel 7.43h, lid 2, onder c: De locatie aan de Nieuwe Veer is gelegen in een bebouwingsconcentratie (bebouwingslint) in het buitengebied met daarachter gelegen het open agrarisch veenweidelandschap. De nieuwbouw vindt plaats in het bebouwingslint, waarin vrijwel uitsluitend woonfuncties gelegen zijn. Op de locatie is eveneens sprake van een woonfunctie, maar wordt voorzien in een groter bijgebouw om hobbymatige agrarische activiteiten mogelijk te maken in de vorm van het houden van schapen. Dit draagt weer bij aan het natuurlijk en duurzaam onderhoud van de achter het lint gelegen open agrarische veenweidegronden. De gecombineerde functie van wonen met natuurlijk onderhoud van de open agrarische veenweidegronden sluit goed aan bij de katakteristiek van het gebied.
In het lint blijft de woonfunctie behouden, wat goed aansluit bij de omliggende woningen, en in het achterliggende agrarisch gebied wordt ingezet op natuurlijk onderhoud van deze gronden, wat bijdraagt aan het behoud daarvan. De voorgenomen nieuwbouw is vrijwel geheel ingesloten door de naastgelegen erven en bebouwing en is van buitenaf slechts zeer beperkt zichtbaar. Daarnaast vindt de nieuwbouw plaats in het lint en niet in het open agrarisch landschap. In het open agrarisch landschap vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats, waarmee de voorgenomen ontwikkeling geen impact zal hebben op het open agrarisch veenweidelandschap. Het open en groene karakter van dit landschap zal daarbij behouden blijven, waarmee de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap niet onevenredig zullen worden aangetast. De locatie aan Het Achterland is gelegen in het buitengebied, in het open en groene agrarische landschap. Het is van belang dat de kenmerkende openheid en het groene karakter van dit landschap niet wordt aangetast en waar mogelijk zelfs wordt versterkt. Op deze locatie zal bebouwing worden gesloopt, waardoor het bebouwde oppervlak op deze locatie alleen maar zal afnemen. In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bouwvlak, waarbinnen nieuwe bedrijfsbebouwing zou mogen worden opgericht.
Om de afname van het bebouwde oppervlak te borgen wordt dit bouwvlak aanzienlijk verkleind tot een bij de woning en de te behouden daarbij behorende bijgebouwen passende omvang. De gronden rondom de woning worden bestemd tot 'Tuin' (aan drie zijden van de woning) en tot 'Agrarisch' zonder bouwmogelijkheden (aan de zuidzijde van de woning). Binnen de bestemming 'Tuin' zijn de bouwmogelijkheden zeer beperkt en worden geen nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt. Dit borgt het behoud van de openheid van het landschap. Tevens wordt bijgedragen aan een meer groene en open inrichting van het erf, wat het groene en open karakter van het omliggende landschap ten goede komt. Zoals reeds omschreven in het voorgaande (onder de toetsing aan het bepaalde in artikel 7.43h, lid 2, onder b) krijgt de om te schakelen woning aan het Achterland een verschijningsvorm van een plattelandswoning. Dit sluit goed aan bij het agrarisch karakter van het landschap. 30
De voorgenomen ontwikkeling draagt gezien het voorgaande bij aan het groene karakter van het landschap, de functies sluiten goed aan op het landschap en het behoud en de versterking van de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap. Ad. artikel 7.43h, lid 2, onder d: De locatie aan de Nieuwe Veer is gelegen in een bebouwinglint dat van oudsher is ontstaan als verbinding tussen de kernen Streefkerk en Groot-Ammers langs de rivier de Lek met daarachter een open agrarisch veenweidelandschap. Zoals reeds omschreven in het voorgaande zal de verschijningsvorm van zowel het lint als het achterliggende agrarische landschap niet worden aangetast. Daarmee blijft de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van zowel het bebouwingslint als het achterliggende agrarische landschap intact. De locatie aan Het Achterland is gelegen in het meer open agrarische landschap. Dit landschap heeft van oudsher de uitstraling van een open polderlandschap doorsneden met watergangen tussen de kavels met weidegronden. In dit gebied is de agrarische sector de grootste grondgebruiker. Zoals reeds omschreven in het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan het open en groene karakter van het agrarische landschap en zal het erf de verschijningsvorm krijgen van een plattelandswoning, wat goed past bij het agrarisch karakter van het gebied.
Ook hier zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting van de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien het voorgaande nagenoeg geen impact op het landschap en zal eerder leiden tot een positief effect op de landschappelijke waarden en kwaliteiten. Daarmee kan worden voldaan aan de voorwaarden voor ontwikkelingen in het buitengebied vanuit artikel 7.43h van de verordening. In artikel 7.41a van de verordening is verder opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag: De locatie aan de Nieuwe Veer te Streefkerk, waarop de nieuwbouw plaatsvindt, bevindt zich in een omgeving waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. De locatie ligt achter een dijk, die zorgt voor voldoende bescherming. Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5), niet leiden tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding.
Zoals nader toegelicht in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) zal, indien nodig (afhankelijk van de beoordeling van de afdeling vergunningverlening van het waterschap), in overleg met het waterschap worden voorzien in aanvullende waterberging door bijvoorbeeld het verbreden van sloten, het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en/of het graven van een dwarssloot. Daarmee worden aanvullende maatregelen getroffen voor het vasthouden (bergen) van water in het gebied. Daarnaast is sprake van een slechts zeer geringe toename van het verharde oppervlak op deze locatie, waarmee het risico op overlast door overvloedige neerslag hierdoor niet substantieel zal veranderen. Op de locatie aan het Achterland neemt het bebouwde en verharde oppervlak af. Tevens wordt het bouwvlak (aanzienlijk) verkleind, waarmee ook het maximaal mogelijk ruimtebeslag (aanzienlijk) afneemt. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding. Daarnaast is ook deze locatie gelegen in een omgeving waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn met in de nabije omgeving ook voldoende watergangen. De gewenste ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot wateroverlast door overvloedige neerslag. 31
Overstroming: De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. De locatie aan de Nieuwe Veer is direct achter een dijk gelegen. De dijk beschermt de planlocatie tegen de grootste overstromingsrisico's. De primaire waterkering heeft een norm van 1:10.000 per jaar op grond van de gegevens uit de Klimaatatlas Zuid-Holland. De kans op overstromingen zijn derhalve zeer klein. Daarnaast is de tweede verdieping van de woning veilig, waardoor er bij een overstroming toevlucht kan worden gezocht op de tweede verdieping en/of op het dak van de woning. De locatie aan het Achterland is niet nabij een dijk gelegen. Ook op deze locatie is de tweede verdieping van een woning veilig, waardoor er ook op deze locatie toevlucht kan worden gezocht op de tweede verdieping en/of het dak van de woning. Op beide locaties is men zich bewust van eventuele risico's voor overstromingen en deze worden geaccepteerd. Hitte: De locatie aan de Nieuwe Veer is gelegen in een bebouwingslint. Er is ter plaatse voldoende verspreid liggende bebouwing en voldoende hoge beplanting aanwezig voor schaduwwerking. Tevens is nabij voldoende water aanwezig. Er is daarmee op deze locatie al voldoende rekening gehouden met hittestress.
Daarnaast wordt ter plaatse een nieuw bijgebouw opgericht, wat leidt tot meer schaduwvorming. Dit bijgebouw zal eveneens worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie en wordt geïsoleerd, waarmee een aanvullende bijdrage wordt geleverd aan het verminderen van hittestress. De locatie aan het Acherland is gelegen in het buitengebied, waar hittestress een minder belangrijk rol speelt dan in het stedelijk gebied. Daarnaast is ook op deze locatie sprake van voldoende verspreid liggende bebouwing en opgaand groen voor voldoende schaduwwerking. Daarnaast is ook op deze locatie voldoende water nabij. Ook op deze locatie is daarmee voldoende rekening gehouden met hittestress. Droogte: Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond beide locaties.
Omdat op beide locaties het plangebied groen is ingericht, er voldoende watergangen in de omgeving zijn, en doordat de omringende graslanden goed infiltratievermogen hebben, wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt, gezien het voorgaande, voldoende rekening gehouden met de risico's voor klimaatverandering zoals zijn verwoord in artikel 7.41a van de verordening. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland.
32
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurplan Liesveld De gemeente Molenlanden (voorheen gemeente Liesveld) heeft in juni 2006 het Structuurplan Liesveld vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Liesveld staat voor 'landelijk, leefbaar en levendig'. Landelijk is de sfeer aan de noordrand van de Alblasserwaard in het Groene Hart, waar rust en ruimte de groene polders verbinden met de dynamiek van de Lek. Dat levert niet alleen een levendig beeld op van een typisch Hollands rivierenlandschap. Ook menselijke activiteiten in de dorpen, het bedrijventerrein en het buitengebied dragen hieraan bij. Dit alles zorgt voor een prettige en leefbare omgeving, waar het goed wonen, werken en recreëren is. Het is echter niet vanzelfsprekend dat dit in de toekomst zo blijft. Om de kwaliteiten en nieuwe kansen te benutten, heeft de gemeente besloten een integraal Structuurplan op te stellen. Met dit instrument in de hand wil de gemeente ook in de toekomst een vitale gemeente blijven en waar mogelijk de dreiging van neerwaartse ontwikkelingen afwenden.
De strategische hoofdlijnen van de visie luiden als volgt: behoud van de cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap, de oost-west openheid en mede daarmee het zicht op het open landschap vanaf de dijk langs de Lek; expliciet rekening houden met 'groenblauwe' aspecten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen; ruimte bieden voor een duurzame landbouw met mogelijkheden voor zowel schaalvergroting als verbreding; met nieuwe combinaties van functies inspelen op veranderingen in het grondgebruik, vooral daar waar de kwaliteit van het landschap dreigt te worden aangetast; versterking van de ecologische hoofdstructuur met de aanleg van ontbrekende verbindingen, mede met het oog op behoud van bestaande natuurgebieden en vergroting van de biodiversiteit; realisering van groene overgangen tussen de kernen, bedrijventerrein en het buitengebied; hierbij hoort ook 'het groen in de dorpen trekken' en verbetering van de recreatieve toegankelijkheid van het buitengebied; ontwikkeling van een landgoederenzone tussen Groot-Ammers en Gelkenes; zorgen voor een blijvend duurzaam veilige hoofdinfrastructuur; verbetering van de ontsluiting tussen het oostelijk en westelijk deel van de gemeente; integrale kwaliteitsverbetering van de rivieroever; dat kan door een goed afgewogen versterking van de recreatieve functie van de dijk langs de Lek en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de
uiterwaarden met nieuwe combinaties van water, ecologie en wonen in een lage dichtheid ter bevordering van de financiële uitvoerbaarheid; versterking van de recreatieve potenties met extensieve vormen van recreatie, verbetering van routestructuren en ontwikkeling van toeristisch-recreatieve knooppunten; versterking van de waterrecreatie bij Streefkerk, Groot-Ammers en Nieuwpoort; versterking van de beleving van de molencomplexen; behoud van het waterwingebied aan de oostzijde van de gemeente. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen direct raakvlak met de meeste van de in de visie opgenomen strategische hoofdlijnen. Derhalve is alleen getoetst aan de hoofdlijnen waarmee de voorgenomen ontwikkeling een relatie heeft. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard. Er is sprake van een kleinschalig nieuw bijgebouw bij een bestaande woning. Daarbij wordt aangesloten bij de stijl van de huidige woning. Tevens wordt het nieuwe bijgebouw goed ingepast in het landschap. De verkavelingsstructuur en de structuur van het lint waarin de locatie is gelegen wordt niet gewijzigd en/of aangetast. Op de slooplocatie wordt daarnaast gebiedsontsierende en verouderde bebouwing gesloopt, waarmee wordt bijgedragen aan een verbetering van de beeldkwaliteit ter plaatse.
Daarmee is geen sprake van gevolgen voor de cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap. 33
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met groene en blauwe waarden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan watergangen en/of aan het landschap. Er worden ten behoeve van het nieuwe bijgebouw wel enkele bomen gekapt, maar deze hebben geen monumentale of kenmerkende waarden. Daarnaast wordt het nieuwe bijgebouw goed ingepast op het erf en zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2), geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van ecologische waarden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van groene en/of blauwe waarden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden ingespeeld op veranderingen in het grondgebruik, met name waar de kwaliteit van het landschap dreigt te worden aangetast. Zoals omschreven in het voorgaande zal de kwaliteit van het landschap niet worden aangetast, maar zal deze, met name op de locatie aan het Achterland, juist worden verbeterd. Het gewenste nieuwe bedrijfsgebouw past binnen de karakteristiek van het lint waarin de locatie is gelegen. De omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een burgerwoning aan het Achterland past beter binnen het lint waarin deze locatie is gelegen dan een agrarisch bedrijf vanwege de hinder die een agrarisch (veehouderij)bedrijf zou veroorzaken op de omliggende woningen.
De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan op de linten waarin de locaties zijn gelegen en zal niet leiden tot aantastingen van het landschap. Voor het overige heeft de voorgenomen ontwikkeling geen directe relaties met de strategische hoofdlijnen in de visie. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit het Structuurplan Liesveld van gemeente Molenlanden (voorheen gemeente Liesveld).
34
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Gezien de aard van het gebied waarin de beide locaties zijn gelegen, de menging van functies in het gebied en de ligging aan een drukke ontsluitingswegen, kan het gebied waarin de beide locaties zijn gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een nieuw bijgebouw bij een bestaande woning en de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen veroorzaken geen milieuhinder aan de omgeving. Ook bijgebouwen bij een burgerwoning veroorzaken geen hinder aan de omgeving. Voor burgerwoningen en bijgebouwen gelden dan ook geen richtafstanden vanuit de handreiking van de VNG. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving.
Door de beëindiging van de melkrundveehouderij aan het Achterland 23 te Groot-Ammers zal de milieuhinder aan de omgeving juist eerder afnemen. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. De woningen zijn immers bestaande woningen en zijn reeds als gevoelige objecten aangemerkt. Er is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten die dichterbij omliggende functies komen te liggen. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
35
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een nieuw bijgebouw bij een burgerwoning en de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. Een burgerwoning of bijgebouw bij een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Er zal sprake zijn van het hobbymattig houden van dieren, namelijk schapen in de schaapskooi. Daarvoor gelden geen richtafstanden. Er wordt geen mestopslag gerealiseerd. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf aan het Achterland 23 te Groot-Ammers zal de geurhinder naar de omgeving alleen maar afnemen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van geur. De om te schakelen woning betreft immers een bestaande woning en het beschermingsregime van de om te schakelen woning verandert niet. Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur niet noodzakelijk.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese 36
grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van luchtkwaliteit. De om te schakelen woning betreft immers een reeds bestaande woning. Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.
De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 37
luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht. De beëindiging van de veehouderij aan het Achterland 23 te Groot-Ammers zal juist leiden tot een verbeterde situatie ten aanzien van de volksgezondheid. Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0. 4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee.
Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. 38
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van geluidshinder veroorzakende inrichtingen. Burgerwoningen en bijgebouwen daarbij veroorzaken immers geen geluidshinder. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing.
Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Er is immers sprake van reeds bestaande woningen. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid.
4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met 39
zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.
Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Overige wet- en regelgeving: 40
Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit Milieubeheer, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Voldaan wordt aan de in de voornoemde wet- en regelgeving opgenomen veiligheidsafstanden. Toetsing aan de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het plan. 4.1.6.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd. Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). In de volgende figuren is de risicokaart voor beide locaties weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart locatie Nieuwe Veer 27, Streefkerk. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).
41
Uitsnede Risicokaart locatie Achterland 23, Groot-Ammers. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving. Nabij de locaties zijn, zoals te zien in de voorgaande figuren, geen risicovolle inrichtingen gelegen. De locaties zijn daarmee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.6.2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
De locatie aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk is op ongeveer 340 meter van een transportroute over water gelegen. Hiermee is deze locatie mogelijk binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen. Om deze reden dient het groepsrisico nader te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). Op ongeveer 1,13 kilometer van de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers is een provinciale weg gelegen waarop mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De locatie is echter op dusdanig grote afstand van de betreffende weg gelegen, waarmee deze niet binnen het invloedsgebied van een transportroute is gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De planlocatie is binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee dient het groepsrisico nader te worden verantwoord. 42
Het is van belang te onderzoeken of de personendichtheid binnen het invloedsgebied onevenredig toeneemt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe verblijfsruimten en zal geen sprake zijn van een onevenredige groei van het personeel. Hiermee zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het groepsrisico.
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een feitelijke functiewijziging. De om te schakelen woning aan het Achterland 23 te Groot-Ammers is reeds in gebruik als woning. De gronden bij de woning aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk waarop het nieuwe bijgebouw wordt gebouwd is reeds in gebruik als tuin bij de bestaande woning. De functies veranderen daarmee niet. De locaties zijn reeds geschikt voor de gewenste activiteiten en dat zal in de gewenste situatie daarmee ook zo zijn. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.
Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de beide locaties is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het 43
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de beide locaties zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.
4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een bijgebouw bij een bestaande woning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Daarnaast is de drempelwaarde alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename met 2.000 of meer woningen en is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee de voorgenomen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
44
4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuren zijn de locaties niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied ten aanzien van de locatie Nieuwe Veer 27 te Streefkerk (zijnde gebied Donkse Laagten) is gelegen op een afstand van ongeveer 2,1 kilometer. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied ten aanzien van de locatie Achterland 23 te Groot-Ammers (zijnde gebied Uiterwaarden Lek) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,3 kilometer. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden vanuit locatie Nieuwe Veer 27, Streefkerk. Bron: Aerius Calculator.
45
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden vanuit locatie Achterland 23, Groot-Ammers. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt op de locatie Nieuwe Veer 27 te Streefkerk een nieuw bijgebouw opgericht bij een bestaande woning. Een bijgebouw bij een woning heeft geen emissie van stikstof en/of ammoniak en zal daarmee niet leiden tot een toenemende depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Op de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers wordt een melkrundveehouderij beëindigd, waarbij het voormalig agrarisch bedrijf wordt omgeschakeld naar een burgerwoning en waarbij een deel van de verouderde stallen wordt gesloopt. Door de beëindiging van de veehouderij zal de emissie van ammoniak aanzienlijk afnemen. Daarmee zal de depositie op de betreffende gebieden eveneens afnemen. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), niet onevenredig toenemen. Er is daarmee geen sprake van een toenemende emissie van stikstof bij de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee zal de depositie van stikstof in de betreffende gebieden niet toenemen. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden.
Om dit nader aan te tonen zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt van zowel de aanlegfase (bouw- en sloop werkzaamheden) als de gebruiksfase (het beoogde gebruik in de gewenste situatie). Uit deze berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op Natura 2000 gebieden (het projecteffect bedraagt niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Daarmee zal geen sprake zijn van een toenemende depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Naast de depositie van stikstof kunnen activiteiten die leiden tot een uitstraling van licht, geluid en/of trillingen eveneens nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die structureel een grote uitstraling van licht, geluid en/of trillingen tot gevolg hebben. Mogelijk is tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase sprake van de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten, gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden, in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. 46
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten.
Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.