Concept Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Nieuwe Veer 27, Streefkerk en Achterland 23, Groot-Ammers
Tekst van het document
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitatrichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de 47
bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.
Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is op beide locaties een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: Nieuwe veer 27: De realisatie van de schuur aan het Nieuwe Veer 27 in Streefkerk levert geen conflict op met de Wet Natuurbescherming, mits dat het kappen van de beide essen en het verwijderen van de beukhaag zal plaatsvinden in het winterseizoen (oktober-februari) en er rekening wordt gehouden met de zorgplicht. Achterland 23: Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van de twee stallen zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De te slopen stallen bestaan volledig uit niet-geïsoleerde wanden en daken en zijn hierdoor ongeschikt voor verblijf- schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten.
Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming met de sloop van de stallen. Door de geplande sloop zullen de schuil- en foerageermogelijkheden voor verschillende diersoorten niet afnemen. De drie overige stallen zullen behouden blijven. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te verbeteren zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Uit het voorgaande blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Er zijn dan ook geen ontheffingen nodig voor de voorgenomen ontwikkeling. Uiteraard houdt initiatiefnemer bij de realisatie-fase rekening met de zorgplicht. Voor de onderzoeksrapporten van de beide quickscans wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. In de quickscans wordt daarnaast nog een aantal ecologische aanbevelingen gedaan.
Deze zijn als volgt: Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel 48
en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen.
Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en het leefklimaat. In het kader van de zorgplicht gelden de volgende aanvullende adviezen: 1. De (bouw)werkzaamheden dienen zoveel mogelijk overdag te worden uitgevoerd (buiten schemerperioden). 2. Als (in afwijking van advies 1) het onvermijdelijk is werkzaamheden in de schemer of nachtperiode uit te voeren, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting (op bouwplaats gerichte geconvergeerde lichtbundels, niet zijwaarts gericht, gebruik van de juiste kleur verlichting, bijvoorbeeld amberkleurig). 3. Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. De initiatiefnemer zal deze aanvullende adviezen en maatregelen, voor zover mogelijk en haalbaar, in acht nemen. Verder maakt de ecologisch deskundige van de gemeente nog de opmerking dat in de woning, waaraan geen werkzaamheden plaatsvinden, vleermuizen zouden kunnen voorkomen.
Voor de werkzaamheden is geen nader onderzoek en/of een ontheffing nodig, maar wel wordt geadviseerd om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (op bouwplaats gerichte geconvergeerde lichtbundels, niet zijwaarts gericht, gebruik van de juiste kleur verlichting, bijvoorbeeld amberkleurig) indien sprake is van werkzaamheden tijdens de schemer- of nachtperiode. De initiatiefnemer zal dit advies eveneens in acht nemen.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de 49
natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN. De provincie Zuid-Holland heeft hiertoe specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening. Zoals te zien in de volgende figuren zijn de beide locaties niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 86 meter van de locatie aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk en op een afstand van ongeveer 769 meter van de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers.
Uitsnede kaart NNN ten aanzien van de locatie Nieuwe Veer 27, Streefkerk. Bron: Provincie Zuid-Holland.
Uitsnede kaart NNN ten aanzien van de locatie Achterland 23, Groot-Ammers. 50
Bron: Provincie Zuid-Holland. Het NNN heeft geen externe werking. De regels die worden gesteld ter bescherming van het NNN hebben daarom alleen betrekking op ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkelingen in een NNN gebied plaatsvinden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Daarnaast is geen sprake van een ontwikkeling waarbij uitstoot van ammoniak plaatsvindt. Met de beëindiging van de veehouderij aan het Achterland 23 te Groot-Ammers zal juist sprake zijn van een verminderde uitstoot van ammoniak, waarmee de voorgenomen ontwikkeling alleen maar een positief effect op de betreffende gebieden zal hebben. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Molenlanden heeft de archeologische verwachtingen vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. De locatie aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk is gelegen in een gebied met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde - Archeologie - 4'. Het nieuwe bijgebouw zal worden gebouwd binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2' vinden geen bodemingrepen plaats. Daarmee is het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' van toepassing. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. 51
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 250 m². Het nieuwe bijgebouw zal immers 240 m² groot worden. Wel is sprake van een ontwikkeling van meer dan 30 centimeter onder maaiveld (de fundering wordt op ongeveer 80 centimeter onder maaiveld gelegd). Omdat echter geen sprake is van een bodemingreep van meer dan 250 m² is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Verder heeft de archeologisch deskundige van de gemeente aangegeven dat op basis van resultaten van onderzoeken in de omgeving (waaronder aan de Nieuwe Veer 21) niet te verwachten is dat archeologische belangen onevenredig zullen worden geschaad. De locatie is niet ter plaatse van de zone waar mogelijk woonterpen te verwachten zijn gelegen. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan is daarmee relatief gering. Nader onderzoek wordt ook vanuit de archeologisch deskundige van de gemeente niet noodzakelijk geacht. De locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers is gelegen in een gebied met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 4', 'Waarde - Archeologie - 7' en 'Waarde - Archeologie - 8'. De sloop vindt plaats binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'. Binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 7' en 'Waarde - Archeologie - 8' vinden geen bodemingrepen plaats.
Daarmee is het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' van toepassing. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 250 m². De te slopen bebouwing is immers ongeveer 160 m² groot. Wel is bij de sloop mogelijk sprake van bodemingrepen van meer dan 30 centimeter onder maaiveld, omdat de fundering van de te slopen bebouwing mogelijk dieper ligt. Omdat echter geen sprake is van een bodemingreep van meer dan 250 m² is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Verder heeft de archeologisch deskundige van de gemeente aangegeven dat wanneer de geplande sloopen bouwwerkzaamheden afzet tegen de verschillende verwachtingswaarden er geen sprake is van een overschrijding van de vrijstellingsgrenzen. Nader onderzoek wordt ook vanuit de archeologisch deskundige van de gemeente niet noodzakelijk geacht. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Nieuwe veer 27: De locatie aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk is gelegen binnen de molenbiotoop van een windmolen. Het is van belang dat de werking van de windmolen niet wordt aangetast. Hiervoor zijn specifieke regels opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geldende bestemmingsplannen" (paragraaf 1.3) wordt aan de regels ter bescherming van de werking van de molen voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van de werking van de betreffende windmolen. De exploitant van de betreffende molen, zijnde de Molenstichting SIMAV, is als belanghebbende op de hoogte gebracht van de plannen. De locatie is daarnaast gelegen in een historische nederzetting met een hoge waarde. Het betreft het bebouwingslint, zijnde een dijklint, langs de Nieuwe Veer. Het is van belang dat het historische lint niet onevenredig wordt aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van slechts een kleinschalige ontwikkeling.
Het nieuw te bouwen bijgebouw zal slechts ongeveer 240 m² groot worden, waarmee de impact op de ruimte beperkt blijft. Daarnaast zal een deel van de bestaande bebouwing op de locatie (ongeveer 46,4 m²) worden gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe bijgebouw. Tevens zal het 52
nieuwe bijgebouw op een goede wijze worden ingepast op het erf en zal het qua karakteristiek goed aansluiten bij de bestaande woning op de locatie. Tevens vinden met de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen plaats aan het verkavelingspatroon en/of aan de watergangen. Hiermee zal geen sprake zijn van een aantasting van het historische lint en/of de structuur daarvan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de historische nederzetting met hoge waarde. Achterland 23: De locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers is gelegen in een historische nederzetting met een redelijk hoge waarde. Het betreft het bebouwingslint, zijnde een polderlint, langs het Achterland. Het is van belang dat het historische lint niet onevenredig wordt aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. Het polderlint waarin de locatie is gelegen is de afgelopen tijd getransformeerd tot een lint met een menging van functies, waarbij het wonen in burgerwoningen de boventoon voert. De voorgenomen omschakeling sluit hier goed op aan. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling gebiedsontsierende en verouderde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Dit draagt bij aan een versterking van de beeldkwaliteit van het historische lint.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee eerder een positief effect hebben op het polderlint. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de historische nederzetting met redelijk hoge waarde. De locatie is gelegen in een stiltezone met hoge waarde. Binnen deze zogenaamde stiltegebieden is het van belang dat de geluidsbelasting naar de omgeving beperkt blijft en de normen die daarvoor gelden niet overschrijden. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een voormalige melkrundveehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een burgerwoning. Een melkrundveehouderij heeft een aanzienlijk hogere geluidsbelasting aan de omgeving dan een burgerwoning, waarmee de voorgenomen ontwikkeling juist zal leiden tot een afname van de geluidsbelasting in het gebied. Dit heeft daarmee een positief effect op het stiltegebied. De voorgenomen ontwikkeling zal de stiltezone met hoge waarde dan ook niet onevenredig aantasten. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De beide locaties zijn niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locaties niet in een aardkundig waardevol gebied zijn gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de openbare weg. De locaties zijn beiden voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Beide locaties zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Het waterschap Rivierenland is daarmee de beheerder van de wegen in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. 53
Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontiwkkeling vinden geen aanvullende activiteiten plaats die parkeerbehoefte vragen. De om te schakelen woning is reeds een woning en het bijgebouw wordt opgericht bij een bestaande woning. Ook na realisatie van het project zal er daarmee op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een nieuw bijgebouw bij een bestaande woning en het beëindigen van een agrarisch bedrijf, waarbij de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgrerwoning. Het nieuwe bijgebouw voorziet niet in extra activiteiten die leiden tot een onevenredig grote verkeersaantrekkende werking. Het aantal verkeersbewegingen bij de woning aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk zal daarmee niet toenemen. Op de locatie aan het Achteland 23 te Groot-Ammers zal het agrarisch bedrijf worden beëindigd. De bedrijfswoning zal worden omgeschakeld naar een burgerwoning. De woning is in de huidige situatie reeds in gebruik als woning en dat zal zo blijven. Het aantal verkeersbewegingen bij de woning zal daarmee niet toenemen. Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf zullen aanzienlijk minder verkeersbewegingen nodig zijn voor de aan- en afvoer van dieren en producten. Met name het aandeel vrachtverkeer zal daarmee aanzienlijk afnemen. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen daarmee niet toenemen, maar juist afnemen.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Rivierenland (hierna: het waterschap). Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor, en werkt voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar rivierenland.
Dit is de missie van Waterschap Rivierenland. De visie van Waterschap Rivierenland bestaat concreet uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. Voor allerlei zaken die worden uitgevoerd rondom huis, tuin, erf of bedrijf krijgt men te maken met regels van de overheid. Voor bijvoorbeeld het bouwen van een huis of het slopen daarvan, dan is toestemming nodig van de gemeente. In bepaalde situaties gelden ook regels van het waterschap. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. 54
Waterschap Rivierenland mag de taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening), verder aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.). In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen. Hierbij zijn voor A-watergangen beschermingszones, welke obstakelvrij gehouden moeten worden, opgenomen van 5 meter. Voor B-watergangen bedragen deze obstakelvrije zones 1 meter. Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen. Voor bepaalde activiteiten vlakbij een watergang of waterkering die weinig invloed hebben zijn algemene regels opgesteld. Voldoen de uit te voeren activiteiten aan de voorwaarden in de algemene regels, is geen watervergunning nodig. Dit houdt in dat de uit te voeren activiteit alleen schriftelijk moet worden 'gemeld' bij het waterschap, waarna men een toestemmingsbrief ontvangt. Voor alle uit te voeren activiteiten die niet voldoen aan de algemene regels, kan een watervergunning worden aangevraagd.
Omdat het over een verbod gaat, wil het waterschap deze activiteiten eigenlijk niet. Daarom zal de aanvrager duidelijk moeten maken waarom de activiteit voor hem van belang is. Als dat belang niet duidelijk is, of het waterschap vindt het belang niet groot genoeg ten opzichte van het belang van het waterschap of derden (buren e.d.), zal een aanvraag voor een watervergunning worden geweigerd. De Waterwet stelt in dit verband dat een besluit op grond van de Keur het zogenaamde 'nee-tenzij' principe kent. Waterschap Rivierenland heeft een openbare taak. Deze komt onder andere voort uit de toepassing van de Keur en de legger, en richt zich vooral op de bescherming en instandhouding van de bestaande waterstaatswerken (wateren en waterkeringen). De Keur verbiedt allerlei werken en handelingen die waterstaatswerken nadelig kunnen beïnvloeden. Voor werken en handelingen die meestal onder voorschriften- toch kunnen worden toegelaten kent de Keur een watervergunningsmogelijkheid. Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken: zorg voor de waterkerende functie en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied; zorg voor het watersysteem, zowel kwalitatief als kwantitatief; Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies.
Het waterschap is daarnaast in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden ook wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde Rijks- of provinciale wegen. En het waterschap heeft ook een taak op het gebied van afvalwater en beheert de waterzuiveringen. Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden. Met het waterbeleid stelt het waterschap de volgende doelen: beschermen van de functie van watergangen; beschermen van het watersysteem. Om deze doelen na te streven heeft het waterschap beleidsregels in de Keur vastgesteld. Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven moet worden. Dit geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
55
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van een nieuw bijgebouw bij een bestaande woning aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk. In ruil daarvoor wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing bij een voormalige melkrundveehouderij aan het Achterland 23 te Groot-Ammers gesloopt. De voormalige agrarische melkrundveehouderij wordt daarbij omgeschakeld naar een burgerwoning, waarbij de bedrijfswoning in gebruik zal worden genomen als burgerwoning. Het nieuwe bijgebouw op de locatie aan de Nieuwe Veer zal 240 m² groot worden. Op deze locatie zal daarbij, om plaats te maken voor het nieuwe bijgebouw, ongeveer 46,4 m² aan bestaande bijgebouwen en/of bouwwerken worden gesloopt. Het bebouwde oppervlak zal daarmee met ongeveer 183 m² toenemen op deze locatie. Tevens wordt voorzien in ongeveer 110 m² aan nieuwe erfverharding. De totale toename van het verharde oppervlak zal daarmee toenemen met ongeveer 293 m². Op de locatie aan het Achterland 23 zal ongeveer 160 m² aan voormalige stallen worden gesloopt. Op deze locatie zal het verhard oppervlak daarmee afnemen met ongeveer 160 m². Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel.
Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Stenen bebouwing: 436 m³ per hectare. Kassen/glastuinbouw: 580 m³ per hectare. Maximale peilstijging oppervlaktewater: 0,2 meter. Maximale berging in bassin: 75%. Hierbij geldt een eenmalige vrijstelling tot een verhard oppervlak van 1.500 m². Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen met 293 m², waarvoor op de andere locatie ongeveer 160 m² aan bebouwing wordt gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het wenselijk gebruik te maken van de eenmalige vrijstelling van 1.500 m², omdat op de locatie nog niet eerder meer dan 1.500 m² aanwezig is en/of is geweest. De afdeling vergunningverlening van het waterschap bepaalt of hiervan inderdaad gebruik van kan worden gemaakt en of aanvullende compensatie nodig is.
De locatie aan de Nieuwe Veer is gelegen binnen de beschermingszone van een primaire waterkering. Binnen deze beschermingszone is nieuwbouw (en sloop) mogelijk op het maaiveld en buiten het profiel van vrije ruimte. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de nieuwbouw (en sloop) plaatsvinden op het maaiveld en buiten het profiel van vrije ruimte. Voor sloop en nieuwbouw in de beschermingszone is verder een Watervergunning nodig. Deze wordt gelijktijdig met de aanvraag van de noodzakelijke omgevingsvergunningen voor de sloop en bouw aangevraagd. Aan de oostzijde van de locatie, oostelijk van het gewenste nieuw te bouwen bijgebouw, is een C-watergang van het waterschap gelegen. Deze mag vanwege de functie daarvan als waterbergingsvoorziening niet zomaar worden gedempt. Het is van belang om op voldoende afstand van de watergang te bouwen, dit vanwege de stabiliteit van de oever en de ondergrond. Tevens dient de watergang te worden onderhouden, waardoor er voldoende ruimte beschikbaar moet zijn voor het noodzakelijk beheer. Om voldoende ruimte te behouden wordt het nieuwe bijgebouw op niet minder dan 1,5 meter van de watergang opgericht. De watergang zal niet worden gedempt en er is daarmee voldoende ruimte voor beheer en onderhoud. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden: 56
zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast. De locaties zijn aangesloten op een drukriolering, waar het afvalwater van de woningen op wordt geloosd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het drukriool, maar wordt via een berm- of bodempassage naar het oppervlaktewater afgevoerd. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Er is geen sprake van vervuilde oppervlakteverharding (er is immers geen sprake van bedrijfsmatige activiteiten), waarmee geen sprake is van de afkoppeling van verontreinigd hemelwater naar het oppervlaktewater. Op de locatie van het gewenste nieuwe bijgebouw is geen mogelijkheid om afvalwater af te voeren aanwezig, de capaciteit in de riolering is niet toereikend. In het nieuwe bijgebouw worden geen activiteiten uitgevoerd waarin afvalwater wordt geloosd op de riolering. Wanneer sprake is van afvalwater vanuit het nieuw te bouwen bijgebouw dan zal dit op afzonderlijke wijze worden afgevoerd en/of verwerkt, zonder dat het in het oppervlaktewater terecht komt en/of in het grondwater kan lekken. Er zal geen sprake zijn van het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig. Mocht uit de beoordeling van de afdeling vergunningverlening van het waterschap blijken dat geen gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige vrijstelling tot 1.500 m² dan zal alsnog in overleg met het waterschap worden gezocht naar een passende compenserende waterberging. Daarbij wordt gedacht aan het verbreden van de sloten met minimaal 0,5 meter over een voldoende grote lengte om de noodzakelijke capaciteit te realiseren, het aanleggen van een natuurvriendelijke oever en/of het graven van een nieuwe dwarssloot tussen twee bestaande sloten (zonder dat daarbij een kopsloot ontstaat). De definitieve uitwerking daarvan zal, indien nodig, in een later stadium plaatsvinden. Indien voor de betreffende voorziening een vergunning of melding in het kader van de Waterwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig is dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.
57
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels de Nota Kostenverhaal van de gemeente Molenlanden op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Liesveld" van gemeente Molenlanden en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen en/of op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.1 Zienswijzen Het ontwerp van het voorliggende bestemmingsplan heeft van 22 september 2023 tot en met 3 november 2023 ter inzage gelegen. Tijdens deze ter inzage termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen op het plan. Op het ontwerp bestemmingsplan zijn twee zienswijzen ingediend. In deze paragraaf zijn deze kort samengevat en is kort aangegeven op welke wijze deze zijn beantwoord.
58
5.2.1.1 Zienswijze 1 Een van de omwonenden in de buurt heeft een zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. In de ingediende zienswijze zijn, kort samengevat, de volgende punten aangedragen: 1. De nieuw te bouwen schuur is een exorbitante grote schuur, welke tweemaal zo groot wordt als de woning en boven de woning zou uitsteken. Dit leidt tot een verminderde lichtinval. 2. De nieuwe situatie wordt als nadelig beschouwd voor de indiener van de zienswijze. Verder is de nieuwe situatie volgens de indiener zonder enige inachtneming van diens belangen vormgegeven. 3. De indiener trekt de kwaliteitsverbetering door het inleveren van vierkante meters op de locatie aan het Achterland om de nieuwe schuur aan de Nieuwe Veer mogelijk te maken in twijfel en vindt dat de nieuwe schuur op ruimtelijk vlak behoorlijk afwijkt van de reeds aanwezige bebouwing in de omgeving. De indiener vindt dat een andere instantie een objectief oordeel zou moeten vellen over de kwaliteit van de nieuwe situatie. 4. De indiener vindt de intrekking van vierkante meters (en een agrarisch bouwvlak) niet geschikt voor een ontwikkeling aan de Nieuwe Veer, maar meer gepast voor een ontwikkeling aan het Achterland zelf. 5. De indiener vindt dat er geen goede en eerlijke dialoog met de omgeving is gevoerd door de initiatiefnemer. 6.
De indiener geeft aan dat door de initiatiefnemer steeds afwijkende gebruiksmogelijkheden zijn genoemd en deze niet stroken bij de bij de gemeente bekende beoogde gebruiksmogelijkheden. 7. De indiener vindt dat de nieuwe bebouwing qua hoogte en grootte extreem afwijkt van de reeds aanwezige bebouwing in de directe omgeving. 8. Door de grootte en hoogte van de nieuwe schuur zal de huidige groentetuin volgens de indiener volledig in de schaduw komen te liggen. 9. De indiener stelt dat sprake zal zijn van planschade door een verminderde mogelijkheid tot verkoop van diens woning en door eventuele waardevermeerdering daarvan. 10. De indiener stelt dat de nieuwbouw een gedeelte van diens woongenot ontneemt en dat deze daardoor verkoop van diens woning overweegt. De indiener stelt echter, zoals genoemd onder het voorgaande punt, dat de nieuwbouw zal leiden tot een verminderde verkoopbaarheid en een mogelijke waardevermindering van diens woning. 11. De indiener stelt dat deze teleurgesteld is door de wijze van handelen en communiceren van de initiatiefnemer en dat de indiener oprecht bereid was met een oprechte dialoog mee te denken aan compromissen en draagvlak. 12.
De indiener hoopt dat op basis van diens zienswijze de gemeente alsnog besluit niet mee te werken aan het voorliggende plan en kondigt aan beroep te zullen instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State als de gemeente alsnog besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Met de aangedragen punten in de ingediende zienswijze is, kort samengevat, op de volgende manier omgegaan: 1. De initiatiefnemer heeft begrip voor de zorgen van de indiener en heeft het ontwerp van de nieuwbouw opgezet met oog voor de structuren van het landschap en het erf. Daarbij is sprake van een relatief smal gebouw, zodat de breedte en hoogte in het aanzicht vanaf de dijk ook beperkt blijven. Daarnaast is de nokhoogte verlaagd met 0,643 meter ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Omdat de woning op een grondverhoging is gesitueerd zal de nieuwe schuur daar niet bovenuit steken. In gebruik, uitstraling en hoogte is de nieuwe schuur ook ondergeschikt aan de woning. De tekeningen zijn hierop ook aangepast. 2. De initiatiefnemer heeft in de voorbereidende fase persoonlijk contact gehad met de indiener over de plannen. Daarbij zijn door de indiener zorgen geuit over de lichtinval op diens tuin(kas).
Juist om tegemoet te komen aan de zorgen van de indiener heeft de initiatiefnemer ten opzichte van het eerste ontwerp de nieuwbouw verplaatst in de richting van de dijk en verder weg van de sloot. Daarmee zijn de belangen van de indiener wel degelijk meegewogen in de planvorming. 3. Op het moment van publicatie van het ontwerp bestemmingsplan paste het initiatief binnen het destijds geldende beleid. De aangehaalde argumenten van de indiener zijn subjectief van aard. De ruimtelijke kwaliteit aan het Achterland zal permanent en objectief verbeteren. Aan de Nieuwe Veer is 59
sprake van een niet beeldbepalend bijgebouw. Daartegenover staat de sanering van een compleet agrarisch erf, met de daarbij behorende winst op het gebied van milieu en ruimtelijke kwaliteit. Omdat het initiatief voldoet aan het destijds geldende beleid en er een aanzienlijke kwaliteitswinst wordt behaald is er ruimschoots voldoende kwaliteitsverbetering behaald om de nieuwe schuur mogelijk te maken en is een nader advies van een andere instantie niet nodig. 4. Het initiatief past binnen het geldende beleid ten tijde van de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. Het klopt dat op basis van het nieuwe, huidige beleid, een kwaliteitsverbetering op verschillende locaties bij één ruimtelijk initiatief niet langer mogelijk is. Vanuit de Omgevingswet geldt echter het overgangsrecht voor plannen die in ontwerp zijn gebracht vóór 1 januari 2024, waarmee voor die plannen getoetst wordt aan het destijds geldende beleid en niet aan eventueel later vastgesteld beleid. Op basis van het destijds geldende beleid kan het initiatief wel op deze manier mogelijk worden gemaakt als, op basis van ruimte-voor-ruimte, de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft of toeneemt. Door het saneren van het agrarisch bouwvlak aan het Achterland en het verdwijnen van het agrarisch bouwvlak wordt een nieuw agrarisch bedrijf, met bijbehorende geur-, geluid- en ruimtelijke contour, permanent uitgesloten.
Daarmee neemt de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving fors toe. Het initiatief past daarmee wel degelijk binnen het destijds geldende beleidskader, waarbij de winst aan het Achterland voldoende basis biedt voor de ontwikkeling aan de Nieuwe Veer. 5. De initiatiefnemer heeft een persoonlijk gesprek gevoerd met de indiener en daarin de plannen voor het bijgebouw in alle oprechtheid voorgelegd. Vanuit dit gesprek, waarin de indiener diens zorgen heeft geuit, zijn er ook wijzigingen aangebracht ten opzichte van het eerdere ontwerp. Er is daarmee een eerlijke en goede dialoog gevoerd met de indiener. 6. Het beoogde gebruik van de initiatiefnemer van de nieuwe schuur is een garage en het hebben van voldoende ruimte voor berging en hooiopslag voor het hobbymatig houden van schapen. Dit is ook wat op de tekening is aangegeven. Er zal geen sprake zijn van andere activiteiten dan aangevraagd. Indien dit wel het geval zal zijn in de toekomst dan kan daarop worden gehandhaafd door de gemeente. Bepaalde activiteiten, zoals het uitvoeren van een bed & breakfast door derden, worden in de gebruiksregels van dit plan uitgesloten en kunnen daarmee niet legaal worden uitgevoerd. 7. De nieuwbouw is opgezet met oog voor de omgeving en het landschap. Daarbij is bewust gekozen voor een relatief smal gebouw zodat het aanzicht vanaf de dijk wordt beperkt.
Daarnaast zijn schuren in de lengterichting, waarvoor bij het initiatief ook is gekozen, juist heel kenmerkend voor de lintbebouwing in de omgeving. 8. Het klopt dat er met de realisatie van de nieuwe schuur sprake zal zijn van minder zonlicht op de groentetuin van de indiener. Echter is de bewering dat deze volledig in de schaduw zal komen te liggen onjuist. Vanuit het oosten en zuiden krijgt deze nog voldoende zonlicht. Alleen vanuit het westen zal sprake zijn van een verminderde lichtinval. Het initiatief leidt daarmee niet tot een onevenredige vermindering van zonuren. Daarnaast bestaat er geen wettelijk recht op een vrij uitzicht of op voldoende zonuren in een (groente)tuin. 9. Het staat de indiener vrij om een verzoek tot planschade in te dienen. Dit zal dan afzonderlijk worden beoordeeld. 10. De indiener zou in enige mate minder woongenot kunnen ervaren door de komst van het nieuwe bijgebouw. Het woongenot zal echter niet in onevenredige mate worden aangetast. Daarnaast is er geen wettelijk recht op woongenot. 11. De initiatiefnemer heeft altijd transparant en oprecht gesproken over het initiatief. Bij de dialoog zijn ook de tekeningen besproken. Het voeren van een dialoog staat niet gelijk aan het vereisen van een positieve uitkomst. Uiteraard wil de initiatiefnemer dat ook de indiener positief, of in ieder geval neutraal tegenover de plannen kan staan.
Indien daar meer voor nodig is vanuit de indiener dan gaat de initiatiefnemer graag nogmaals het gesprek daarover aan. 12. Met de genoemde aanpassingen in het ontwerp (de tekeningen zijn hierop aangepast) is de gemeente van mening in voldoende mate tegemoet te zijn gekomen aan de ingediende zienswijze en ziet daarvoor geen redenen om geen verdere medewerking te verlenen aan de vaststelling van het voorliggende plan. Op basis van de ingediende zienswijze en de voorgaande beantwoording daarvan zijn concreet de volgende aanpassingen aan het plan gedaan: Het ontwerp van het gewenste bijgebouw aan de Nieuwe Veer is aangepast om meer tegemoet te 60
komen aan de wensen van de indiener. De situatietekening, welke is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting is hierop aangepast. De toelichting van dit plan is, in paragraaf 2.2, nader aangevuld met een motivatie van de indeling en de noodzaak van het nieuwe bijgebouw, waarin de noodzaak voor de gewenste functies daarin en de grootte daarvan verder is gemotiveerd. In de regels behorende bij dit plan zijn in artikel 13.1 gebruiksregels opgenomen die bepaalde activiteiten, waaronder het uitvoeren van een bed & breakfast die door derden wordt gerund, uitsluiten. 5.2.1.2 Zienswijze 2 Een van de omwonenden in de buurt heeft een zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. In de ingediende zienswijze zijn, kort samengevat, de volgende punten aangedragen: 1. De indiener stelt dat het bijgebouw niet in verhouding staat met de noodzakelijke ruimte voor het hobbymatig houden van schapen en vindt deze qua grootte meer geschikt voor bedrijfsmatige functies. Daarbij verwijst de indiener naar de inschrijving van het hoveniersbedrijf op het adres van de initiatiefnemer aan de Nieuwe Veer. 2. De indiener vindt de koppeling tussen de locaties aan de Nieuwe Veer en het Achterland niet geloofwaardig omdat deze geografisch geen binding hebben, behalve dat zij in dezelfde gemeente zijn gelegen. 3.
De indiener vindt de compensatie op de locatie aan het Achterland als kwaliteitsverbetering willekeurig en niet in verhouding staan met de grootte van het gewenste nieuwe bijgebouw. 4. De indiener stelt dat de noodzakelijkheid en de kwaliteitsverbetering op de compenserende locatie niet voldoende is aangetoond. 5. De indiener vindt de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan een onvoldoende motivering en het besluit van de gemeente om medewerking te verlenen onzorgvuldig. De indiener verzoekt het ontwerpbestemmingsplan hierop aan te passen. 6. De indiener acht het nieuwe bijgebouw onevenredig groot voor de gewenste functies en vindt de noodzaak hiervoor onvoldoende gemotiveerd. 7. De indiener vraagt zich af waarom er aan een eerdere invulling voor het initiatief destijds niet is meegewerkt door de gemeente. 8. De indiener vraagt zich af welke norm er is gehanteerd voor het hobbymatig houden van dieren en stelt dat de opzet van het nieuwe bijgebouw, in vergelijking met een locatie waarop bedrijfsmatig schapen worden gehouden, het bedrijfsmatig houden van dieren suggereert. 9. De indiener vraagt zich af of de omvang van het bijgebouw en de daarin aangevraagde functies, zijnde schapenkooi, garage en werktuigenberging, noodzakelijk is. 10.
De indiener vraagt zich af of de adviescommissie voor de landbouw heeft geadviseerd over de realisatie van dit bijgebouw in relatie tot het houden van enkele dieren. 11. De indiener stelt dat in de planregels een aanduiding moet worden opgenomen met betrekking tot aan te leggen erfverharding. 12. De indiener stelt dat in de planregels een bepaling opgenomen moet worden die eerst de sloop van de bebouwing aan het Achterland verplicht alvorens de nieuwe bebouwing aan de Nieuwe Veer opgericht mag worden. 13. De indiener vraagt zich af waarom in 2019 andere varianten op het initiatief zijn afgewezen en stelt daarvoor een afzonderlijk WOO-verzoek in te dienen. 14. De indiener vraagt zich af of enkel de sloop van 160 m² aan het Achterland de bouw van een nieuw bijgebouw van 240 m² rechtvaardigt op basis van het beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bedrijven en de regeling ruimte-voor-ruimte. Dit ook in vergelijking met andere locaties binnen de gemeente. 15. De indiener vraagt zich af op welke wijze de kwaliteitsverbetering in relatie tot het initiatief is beoordeeld. Daarbij vraagt de indiener zich af of de norm voor kwaliteitsverbetering zich wel verhoudt tot de realisatie van een schapenverblijf. 16.
De indiener vraagt zich af of en hoe de minimale afstanden van de te houden schapen en de daarbij behorende voorzieningen tot geurgevoelige gebouwen in de omgeving is gewaarborgd.
61
Met de aangedragen punten in de ingediende zienswijze is, kort samengevat, op de volgende manier omgegaan: 1. In de toelichting van dit plan is een aanvullende motivatie opgenomen voor de indeling van het bijgebouw en de verschillende functies daarvan. Er zal echter geen sprake zijn van bedrijfsmatige activiteiten in het bijgebouw. Het klopt dat het hoveniersbedrijf is ingeschreven op het adres, maar dit is uitsluitend bedoeld als correspondentieadres. De werkzaamheden vinden elders plaats en zullen elders plaats blijven vinden. Daarnaast zijn bedrijfsmatige activiteiten bij een woonbestemming niet toegestaan. De initiatiefnemer is bekend met het feit dat het bijgebouw niet bedrijfsmatig mag worden gebruikt. Indien dit toch gebeurt kan daarop gehandhaafd worden. Verder is in artikel 13.1 van de planregels behorende bij dit plan geborgd dat bedrijfsmatige activiteiten, behoudens ten behoeve van een kleinschalig beroep of bedrijf, niet mogen worden uitgevoerd. 2. Bij het initiatief gaat het over de meerwaarde die wordt behaald voor de ruimtelijke kwaliteit. Door de sanering van het agrarisch bedrijf, het slopen van 160 m² aan verouderde bedrijfsbebouwing en het verwijderen van een agrarisch bouwvlak wordt een forse bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit.
Daarnaast worden de planologische mogelijkheden voor hervestiging van een agrarisch bedrijf met bijbehorende geur-, geluid- en ruimtelijke contour ook verwijderd. Het klopt dat de locaties geografisch weinig binding hebben, maar bij het initiatief gaat het over een ruimtelijke kwaliteitswinst die in de gemeente wordt behaald ter compensatie van het toestaan van extra m² aan bijgebouwen. 3. Het initiatief is tot stand gekomen met maatwerk. Omdat er sprake is van een bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 in ontwerp is gebracht is het overgangsrecht van de Omgevingswet van toepassing. Van daaruit moet worden getoetst aan het destijds geldende beleid en niet aan het nieuwe huidige beleid. Vanuit de regelingen die destijds van toepassing waren kan een maatwerktraject worden ingezet als er per saldo sprake is van een gelijkblijvende of toenemende ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. Er is daarmee geen sprake van willekeur, maar van een initiatief dat, met de sanering van een agrarisch bedrijf elders binnen de gemeente, per saldo leidt tot een forse kwaliteitsverbetering in ruil voor maatwerk op de locatie. Het nieuwe bijgebouw heeft een lage ruimtelijke impact en vervangt verder losstaande objecten op het erf. Daarnaast wordt de nieuwbouw goed ingepast en wordt het ontwerp afgestemd op de opstallen in de naaste omgeving. Ook dit draagt bij aan een kwaliteitsverbetering. 4.
Vanuit het maatwerk en de regeling ruimte-voor-ruimte is de strekking dat de kwaliteitsverbetering per saldo voorop staat. Met het initiatief wordt dat bereikt. Naast de sanering van het agrarisch bedrijf aan het Achterland, waarbij 160 m² aan verouderde bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, een agrarisch bouwvlak wordt verwijderd en de mogelijkheden voor hervestiging van een agrarisch bedrijf worden verwijderd, wordt op de locatie aan de Nieuwe Veer ook 46,4 m² aan losstaande bijgebouwen op het erf verwijderd. Dit komt op de locatie ten goede aan de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit. Per saldo is er daarmee sprake van een aanzienlijke kwaliteitswinst. 5. De toelichting van het voorliggende plan is op de voornoemde punten aangevuld. 6. In de toelichting van het voorliggende plan is een aanvullende motivatie opgenomen van de noodzaak van de grootte en indeling van het bijgebouw in relatie tot de gewenste functies. 7. Aan de eerdere versies van het initiatief is destijds geen medewerking verleend omdat er op dat moment geen kwaliteitsverbetering als tegenprestatie plaatsvond. Destijds was daarom alleen sprake van een per saldo achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit door toevoeging van gebouwen zonder sloop of andere maatregelen daar tegenover.
Omdat het beleid van de gemeente stuurt op per saldo een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en dit met de eerdere initiatieven geen sprake van was, is er destijds voor gekozen geen medewerking te verlenen. 8. Op basis van vaste jurisprudentie zijn in het ruimtelijk spoor twee elementen in een vaste combinatie van belang om te bepalen zijn of er hobbymatig of bedrijfsmatig dieren worden gehouden. Dat is de combinatie van het aantal dieren en het winstoogmerk. Dit betreft doorgaans altijd maatwerk, waarbij iedere casus uniek is. Bij de beoordeling van het aantal dieren speelt daarbij ook de grootte van de mestopslag mogelijk een rol. Bij een beoordeling of sprake is van het hobbymatig houden van dieren speelt de omvang van de oppervlakte aan dierenverblijven geen rol. Als men meer ruimte wil bieden aan gehouden dieren dan moet dat in beginsel mogelijk zijn. Het plan waarmee een vergelijking wordt getrokken is, gezien de omvang en het winstoogmerk, aangemerkt als bedrijfsmatig, waarmee er geen goede vergelijking kan worden gemaakt met het initiatief, waarbij alleen hobbymatig dieren gehouden worden. Om te borgen dat alleen hobbymatig dieren gehouden mogen worden is in artikel 13.1 van de 62
regels behorende bij dit plan opgenomen dat bedrijfsmatige activiteiten, anders dan eventuele beroepen of bedrijven aan huis, niet zijn toegestaan. 9. In de toelichting van dit plan is een nadere motivatie opgenomen voor wat betreft de noodzaak van de omvang en de indeling van het gewenste bijgebouw. 10. Omdat geen sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren, maar alleen van het hobbymatig houden van dieren, is geen sprake van agrarische activiteiten. Daarom is de agrarische adviescommissie niet om nader advies gevraagd. 11. In de bestemming 'Tuin' is het aanbrengen van erfverharding mogelijk. Dit is een bij de bestemming behorende voorziening. Voor wat betreft de eventuele waterberging geldt vanuit het beleid van het waterschap een eenmalige vrijstelling van 1.500 m². Daar blijft het initiatief ruimschoots onder, waarmee geen compensatie nodig is voor de te realiseren erfverharding. Een aanduiding is daarmee niet noodzakelijk. 12. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin redelijke termijnen zijn opgenomen voor het slopen en bouwen. De initiatiefnemer wenst daarnaast om zo snel mogelijk na vaststelling van dit plan te starten met de sloop. 13. Het initiatief is in 2019 eerder ambtelijk beoordeeld op wenselijkheid. Destijds was alleen sprake van het grotere bijgebouw, zonder compensatie van sloop elders.
Er is destijds geen principeverzoek ingediend, waardoor er geen principeuitspraak is gedaan. Op basis van het geldende beleid ten tijde van de aanvraag van het initiatief kon maatwerk worden toegepast door een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente als tegenprestatie. Deze wordt behaald met de sanering van het agrarisch bedrijf aan het Achterland en het verwijderen van enkele losse bijgebouwen aan de Nieuwe Veer. Eerdere alternatieven die zijn besproken zijn daarmee niet relevant, omdat deze geen onderdeel uitmaken van dit traject. 14. Door het verwijderen van een agrarisch bouwvlak en daarmee het verwijderen van de mogelijkheden voor hervestiging van een agrarisch bedrijf is sprake van een aanzienlijk grotere kwaliteitswinst dan alleen de sloop van 160 m² aan verouderde bedrijfsbebouwing. Daarnaast wordt op de locatie Nieuwe Veer ook een aantal losse opstallen met een oppervlakte van 46,4 m² verwijderd. Op basis van het destijds geldende beleid was maatwerk mogelijk als sprake is van een voldoende kwaliteitsverbetering in de gemeente. Dit is met het initiatief het geval. Het nieuwe beleid, waarin de kwaliteitsverbetering niet meer elders binnen de gemeente kon worden behaald was nog niet in werking ten tijde van de aanvraag, waarmee de aanvraag nog moet worden afgehandeld onder het destijds geldende beleid.