CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Nieuwe Veer 27, Streefkerk en Achterland 23, Groot-Ammers

Raadsvergadering 20 mei 2025, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Streefkerk, Nieuwe Veer 27 en Groot-Ammers, Achterland 2329.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

NIEUWE VEER 27, STREEFKERK EN ACHTERLAND 23, GROOT-AMMERS bestemmingsplan

Nieuwe Veer 27, Streefkerk en Achterland 23, Groot-Ammers bestemmingsplan

Vast te stellen

NL.IMRO.1978.BPNv27SSKAcht23AMS-VA01

Projectleider Bouw Dhr. C. de Ruijter Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 18 februari 2025

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocaties 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Tekening op schaal Resultaten berekeningen Aerius Calculator Quickscans flora en fauna

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Tuin Artikel 5 Wonen Artikel 6 Waarde - Archeologie - 2 Artikel 7 Waarde - Archeologie - 4 Artikel 8 Waarde - Archeologie - 7 Artikel 9 Waarde - Archeologie - 8 Artikel 10 Waterstaat - Waterkering Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

6 6 7 8 13 14 14 17 22 22 24 33 35 35 44 51 53 54 58 58 58 64 65 65 65 67

69 70 72 92

135 136 136 142 143 143 146 147 150 152 154 156 158 159 159 2

Artikel 12 Algemene bouwregels Artikel 13 Algemene gebruiksregels Artikel 14 Algemene aanduidingsregels Artikel 15 Algemene afwijkingsregels Artikel 16 Algemene wijzigingsregels Artikel 17 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 18 Overgangsrecht Artikel 19 Slotregel

Bijlagen bij de regels Bijlage 1

Te slopen bebouwing

160 161 162 164 165 166 167 167 168

169 170

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Liesveld" en de (paraplu)herzieningen daarop van gemeente Molenlanden ten behoeve van het bouwen van een extra bijgebouw bij de woning aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk met als compensatie de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aan het Achterland 23 te Groot-Ammers. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer heeft een burgerwoning aan de Nieuwe Veer 27, waar deze geruime tijd woonachtig is. De initiatiefnemer werkt graag in het groen en met dieren, waardoor het voor de initiatiefnemer wenselijk is zelf op hobbymatige wijze enkele dieren te gaan houden. Omdat deze dieren een fatsoenlijke stalruimte nodig hebben wenst de initiatiefnemer een extra bijgebouw bij de woning op te richten van ongeveer 240 m². Vanuit het geldende bestemmingsplan is echter maximaal 50 m² aan bijgebouwen bij de woning toegestaan.

In overleg met de gemeente is overeengekomen dat een extra bijgebouw met de gewenste omvang mogelijk kan worden gemaakt op de locatie van de initiatiefnemer, mits daarvoor in voldoende mate een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit tegenover staat, vergelijkbaar met de regeling ruimte-voor-ruimte. In het kader van een aanvullende verbetering van de ruimtelijke kwaliteit heeft de initiatiefnemer met de eigenaar van het voormalig agrarisch melkrundveehouderij aan het Achterland 23 te Groot-Ammers afspraken gemaakt. De eigenaar van het voormalige melkrundveehouderijbedrijf is reeds gestopt met het houden van melkrundvee en houdt momenteel slechts enkel hobbymatig nog enkele koeien. Het is ook niet mogelijk op de locatie van de voormalige melkrundveehouderij nog een volwaardig agrarisch bedrijf uit te gaan voeren. De eigenaar van de voormalige melkrundveehouderij wil derhalve de bestemming ter plaatse wijzigen in een woonbestemming. Gezien de voormalige stallen in zeer slechte en verouderde staat verkeren dienen deze te worden gesloopt. De initiatiefnemer heeft met de eigenaar van het voormalige melkrundveehouderijbedrijf afgesproken dat de initiatiefnemer de sloopkosten van de voormalige stallen voor diens rekening zal nemen. Deze worden dan ingezet als bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. In totaal zal ongeveer 160 m² aan voormalige stallen worden gesloopt.

Daarnaast zal de initiatiefnemer op eigen locatie nog ongeveer 46,4 m² aan bestaande bijgebouwen/bouwwerken bij de woning slopen. Tevens wordt het agrarisch bouwvlak aan het Achterland 23 te Groot-Ammers aanzienlijk verkleind tot een bij de woonfunctie passende omvang. Met het herbestemmen (saneren) van de voormalige melkrundveehouderij en het slopen van de voormalige stallen wordt een voldoende grote kwaliteitsverbetering behaald om het extra bijgebouw bij de woning van de initiatiefnemer mogelijk te maken. Vanuit het geldende bestemmingsplan is het toestaan van extra m² aan bijgebouwen niet zomaar mogelijk. Ook de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie naar een burgerwoning kan niet zomaar mogelijk worden gemaakt. Voor de herbestemming van het agrarisch bedrijf naar een woonbestemming is in het geldende bestemmingsplan wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Omdat de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijf echter wordt ingezet als kwaliteitsverbetering voor het extra bijgebouw bij de woning van de initiatiefnemer dient dit in eenzelfde procedure te worden meegenomen. Omdat voor de extra bijgebouwen bij een woning geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen kan aan de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan in dit geval geen toepassing worden gegeven.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

6

1.2

Planlocaties

1.2.1 Nieuwe Veer 27 De locatie is gelegen aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk en ligt aan de noordoost kant van Streefkerk in het landelijk gebied van gemeente Molenlanden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Streefkerk, sectie E, nummers 85 en 1004. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.2.2 Achterland 23 De locatie is gelegen aan het Achterland 23 te Groot-Ammers en ligt aan de zuiddoost kant van Groot-Ammers in het landelijk gebied van gemeente Molenlanden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Groot-Ammers, sectie G, nummers 127 en 225. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

7

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Liesveld" van de gemeente Molenlanden (voorheen gemeente Liesveld), zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 maart 2013, onverkort van toepassing. Daarnaast is het bepaalde uit de parapluherzieningen "Parapluherziening Buitengebied Liesveld" (vastgesteld op 20 februari 2018), "Parapluherziening Parkeren" (vastgesteld op 27 oktober 2020) en "Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten" (vastgesteld op 26 oktober 2021), voor zover relevant, van toepassing. Nieuwe Veer 27: Op de locatie aan de Nieuwe Veer 27 zijn, zoals te zien in de volgende figuur de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2', 'Waarde - Archeologie - 4' en 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'maximum goothoogte 6 m', 'maximum aantal wooneenheden 5' en 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400' van toepassing.

8

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan locatie Nieuwe Veer 27, Streefkerk. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Binnen de bestemming 'Tuin' mogen geen bijgebouwen bij de woning worden gebouwd. Daarnaast is in de bestemming 'Wonen' opgenomen dat de oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning niet meer dan 50 m² mag bedragen. Bij de gewenste ontwikkeling wordt een nieuw bijgebouw voor het hobbymatig houden van dieren opgericht binnen de bestemming 'Tuin' van ongeveer 240 m². Dit past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' geldt voor bodemingrepen (waaronder bouw) van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dat middels archeologisch onderzoek moet worden aangetoond dat geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten. Bij de gewenste ontwikkeling is geen sprake van een bodemingreep binnen deze dubbelbestemming (de bouw vindt plaats binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'), waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' geldt voor bodemingrepen (waaronder bouw) van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dat middels archeologisch onderzoek moet worden aangetoond dat geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten. Bij de gewenste ontwikkeling is geen sprake van een bodemingreep van meer dan 250 m² (het nieuwe bijgebouw zal ongeveer 240 m² groot worden), waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' mag uitsluitend worden gebouwd indien wordt aangetoond dat de waterkerende werking van de waterkering niet onevenredig wordt aangetast. Hiertoe dient advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. De gemeente heeft in het kader van de voorliggende procedure advies opgevraagd bij de beheerder van de waterkering. Zij hebben positief geadviseerd op het voorliggende initiatief. Binnen het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' mogen maximaal 5 wooneenheden aanwezig zijn. In de huidige situatie zijn reeds 5 woningen in het vlak gelegen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet echter niet in nieuwe woningen, waarmee het maximaal toegestane aantal wooneenheden niet wordt overschreden.

Binnen de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400' geldt dat geen bebouwing mag worden opgericht met een hoogte van meer dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de 9

molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. De betreffende molen staat, gemeten vanaf het middelpunt van de molen, op een afstand van ongeveer 300 meter van het nieuw te bouwen bijgebouw. Dit betekent dat nieuwe bebouwing niet hoger mag zijn dan 3 meter, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. De onderste punt van de verticaal staande wiek staat op ongeveer 5 meter. Dat betekent dat de bouwhoogte van het nieuw te bouwen bijgebouw niet meer dan 8 meter hoog mag zijn. Het nieuwe bijgebouw zal niet hoger worden dan 8 meter. Achterland 23: Op de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers zijn, zoals te zien in de volgende figuur, de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 4', 'Waarde - Archeologie - 7' en 'Waarde - Archeologie - 8' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak' en 'milieuzone - stiltegebied' van toepassing.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan locatie Achterland 23, Groot-Ammers. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het wonen in een burgerwoning niet mogelijk. Er kan alleen gewoond worden in een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. Omdat ter plaatse geen agrarisch bedrijf meer aanwezig is past het wonen ter plaatse niet binnen het geldende bestemmingsplan. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' geldt voor bodemingrepen (waaronder bouw) van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dat middels archeologisch onderzoek moet worden aangetoond dat geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten. Bij de gewenste ontwikkeling is geen sprake van een bodemingreep van meer dan 250 m² (de te slopen bebouwing is ongeveer 160 m² groot), waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7' geldt voor bodemingrepen (waaronder bouw) van meer dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dat middels archeologisch onderzoek 10

moet worden aangetoond dat geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten. Bij de gewenste ontwikkeling is geen sprake van een bodemingreep binnen deze dubbelbestemming (de sloop vindt plaats binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'). Tevens is geen sprake van een bodemingreep van meer dan 500 m², waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 8' geldt dat bij bodemingrepen van meer dan 10.000 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld dat middels archeologisch onderzoek moet worden aangetoond dat geen sprake zal zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten. Bij de gewenste ontwikkeling is geen sprake van een bodemingreep binnen deze dubbelbestemming (de sloop vindt plaats binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'). Tevens is geen sprake van een bodemingreep van meer dan 10.000 m², waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Binnen de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' geldt dat geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten zijn die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel aantasten. Dit houdt in dat onder andere lawaaisporten, nieuwe intensieve recreatie, nieuwe niet-agrarische bedrijvigheid, laagvliegbewegingen, dierenpensions en hondenkennels niet zijn toegestaan.

Bij de gewenste ontwikkeling wordt de agrarische bedrijvigheid beëindigd en wordt voorzien in een burgerwoning. Daarmee zal de geluidbelasting aan de omgeving alleen maar afnemen. Daarmee is geen sprake van een activiteit die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel zal aantasten. Daarnaast is geen sprake van de in de regels op voorhand uitgesloten ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling past, gezien het voorgaande, niet binnen geheel de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan omdat het wenselijk is te bouwen binnen de bestemming 'Tuin' en omdat het wenselijk is te wonen in een burgerwoning waar een agrarische bestemming geldt. Voor de omschakeling van het agrarisch bedrijf en de daarbij behorende bedrijfswoning naar een woonbestemming voor een burgerwoning is in het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Omdat de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning gelijktijdig plaatsvindt met het realiseren van een nieuw bijgebouw met een grotere oppervlakte dan vanuit het geldende bestemmingsplan is toegestaan en hiervoor geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen kan geen toepassing worden gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. Echter biedt deze wel een goed toetsingskader voor de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een burgerwoning.

Derhalve is alsnog aan de wijzigingsvoorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid getoetst. Deze luiden als volgt: "3.7.1 Niet-agrarische vervolgfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming Agrarisch zodanig te wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een agrarisch bedrijf – de in tabel 3.3 genoemde vervolgfuncties toegestaan zijn, met dien verstande dat: a. de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien het agrarisch gebruik beëindigd is en is aangetoond dat op het betreffende perceel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is, hetgeen door de initiatiefnemer met een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige aangetoond dient te worden; b. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen optreden ten aanzien van zowel de bestaande situatie als de uitbreidings- en ontwik kelingsmogelijkheden; c. er na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid geen nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd en bestaande gebouwen niet mogen worden uitgebreid, met dien verstande dat bij wijziging naar wonen de bestaande gebouwen dienen te worden teruggebracht naar het voor de bestemming Wonen toegestane oppervlak; d.

in afwijk ing van het bepaalde onder b geldt dat indien bestaande vrijkomende bedrijfsgebouwen niet geschikt zijn voor de vervolgfunctie (anders dan wonen), de huidige bebouwing gesloopt mag worden, waarbij geldt dat maximaal 50% van het gesloopte bebouwingsoppervlak mag worden teruggebouwd tot een maximum van 500 m²; e. er mag geen sprake zijn van buitenopslag of andere bedrijfsactiviteiten die buiten de bebouwing plaatsvinden; f. bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1 onder b, in de 11

directe omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast; g. de aanvrager dient aan de hand van een schriftelijk advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder f wordt voldaan; h. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties dient niet onevenredig groot te zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit; i. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden; j. het aantal woningen niet mag toenemen; k. na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden de regels van de bijbehorende bestemming van toepassing verklaard." In tabel 3.3, welke is opgenomen onder artikel 3.7.1, is wonen met bijbehorende tuin opgenomen als mogelijke niet-agrarische vervolgfunctie. Ad. artikel 3.7.1, sub a: Er worden ter plaatse geen dieren meer gehouden. De aanwezige bebouwing is dusdanig verouderd en verkeert in dusdanig slechte staat dat hergebruik niet langer mogelijk is zonder forse investeringen te doen in het bedrijf. Op de locatie en met de huidige omvang van het bedrijf is het niet rendabel deze investeringen te doen en daarnaast te kunnen blijven voorzien in een duurzaam en volwaardig bedrijf. Agrarisch hergebruik is op de locatie dan ook niet langer mogelijk. Ad.

artikel 3.7.1, sub b: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zijn ten aanzien van het aspect milieu geen belemmeringen te verwachten. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee milieuhygiënisch inpasbaar. Ad. artikel 3.7.1, sub c: Er is geen sprake van nieuwbouw. Er wordt bestaande bebouwing gesloopt. Daarbij zal een oppervlakte aan bijgebouwen worden behouden die passend is bij een woning in het landelijk gebied. Om te borgen dat geen nieuwbouw zal plaatsvinden na bestemmingswijziging wordt het bouwvlak verkleind. Ad. artikel 3.7.1, sub d: Deze bepaling is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. artikel 3.7.1, sub e: Er is geen sprake van buitenopslag en/of bedrijfsactiviteiten. Ad. artikel 3.7.1, sub f en g: Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op de aanwezige waarden in de omgeving. Ad. artikel 3.7.1, sub h: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4) is geen sprake van een verkeers- en/of publieksaantrekkende werking. De bestaande infrastructuur is geschikt voor de gewenste activiteit (wonen). Ad. artikel 3.7.1, sub i: Parkeren vindt geheel op eigen terrein, binnen het bouwvlak plaats. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4). Ad. artikel 3.7.1, sub j: 12

Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Ad. artikel 3.7.1, sub k: De regels van de bestemming 'Wonen' zoals zijn opgenomen in de planregels van het voorliggende plan zijn van toepassing op de locatie na het in werking treden van voorliggend bestemmingsplan. Gezien het voorgaande kan (grotendeels) aan de wijzigingsvoorwaarden worden voldaan. Omdat echter sprake is van de gelijktijdige ontwikkeling op een andere locatie, waarbij een nieuw bijgebouw wordt opgericht bij de woning met een grotere oppervlakte dan vanuit het geldende bestemmingsplan is toegestaan en daarvoor geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, kan aan de voorgaande wijzigingsbevoegdheid geen toepassing worden gegeven. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

13

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locaties zijn gelegen in het landelijk gebied van gemeente Molenlanden. Nieuwe Veer 27: Deze locatie is gelegen in een bebouwingslint met burgerwoningen aan de dijk. Aan de achterzijde van het woonlint gaat het landschap over in een agrarisch weidelandschap dat van het woonlint wordt gescheiden met een structuur van watergangen en weteringen. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met in het woonlint een relatief kleinschalige opzet en in het achterliggende landschap een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door watergangen en/of groene lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Op grotere afstand van de locatie is een enkel agrarisch bedrijf gelegen. Op de locatie is momenteel een burgerwoning dat deel uitmaakt van het bebouwingslint aanwezig. Bij de woning is een aantal kleine bijgebouwen en/of bouwwerken aanwezig. Dit betreffen: kippenschuurtje (4,4 m²); Schuurtje (10,56 m²); Vogelhok (27 m²); Schuurtje (3,75 m²); kas (11,25 m²); Berging/zitje (11 m²); Schapenschuurtje (3,75 m²). De initiatiefnemer houdt momenteel hobbymatig 8 schapen. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1.135 m² (0,1135 hectare) groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

14

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Achterland 23: Deze locatie is gelegen in een voormalig agrarisch bebouwingslint. Het lint heeft zich echter in de afgelopen jaren getransformeerd tot een lint met een mening van verschillende functies. In het lint zijn momenteel voornamelijk burgerwoningen en enkele niet-agrarische bedrijven gelegen. Op grotere afstand van de locatie is nog een enkel agrarisch bedrijf gelegen. Omdat het lint steeds meer gevoelige functies heeft ontwikkeld leent het zich niet langer voor het uitvoeren van volwaardige agrarische (veehouderij)bedrijven. De eigenaar van deze locatie is dan ook reeds gestopt met het houden van melkrundvee. Op de locatie is daarmee sprake van een voormalige melkrundveehouderij. De aanwezige dieren werden toen het bedrijf nog in werking was gehuisvest in de bestaande stallen. De eigenaar van deze locatie houdt nog enkel ongeveer 5 stuks melkrundvee op hobbymatig gebied en niet langer bedrijfsmatig. Ter plaatse worden geen agrarische activiteiten meer uitgevoerd. In feite is daarmee sprake van een burgerbewoning van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische weidegronden. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een grootschalige opzet.

De onderlinge kavels worden gescheiden door watergangen en/of groene lijnen in het landschap. 15

In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen en enkele niet-agrarische bedrijven gelegen. Op grotere afstand van de locatie zijn nog enkele agrarische bedrijven gelegen, waaronder melkrundveehouderijen. Op de locatie is momenteel een voormalige melkrundveehouderij gevestigd. Ter plaatse worden echter geen dieren meer gehouden. Naast de bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen zijn ter plaatse nog enkele sterk verouderde stallen aanwezig. Daarnaast zijn nog enkele voorzieningen voor de opslag van ruwvoer aanwezig. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,5 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

16

2.2

Gewenste situatie

De initiatiefnemer is voornemens op de locatie aan de Nieuwe Veer 27 te Streefkerk een nieuw bijgebouw bij de woning te bouwen voor het hobbymatig houden van enkele dieren. In ruil daarvoor dient in voldoende mate een bijdrage te worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Om deze bijdrage te leveren zal de initiatiefnemer voormalige agrarische bedrijfsbebouwing slopen op de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers. Nieuwe Veer 27: De initiatiefnemer wenst op deze locatie een nieuwe schuur als extra bijgebouw bij de woning te bouwen. Deze nieuwe schuur wordt opgericht binnen de bestemming 'Tuin', behorende bij de burgerwoning van de initiatiefnemer. De nieuw op te richten schuur zal ongeveer 240 m² groot worden en zal qua ontwerp aansluiten bij de huidige aanwezige woning van de initiatiefnemer, waarmee een fraai aanzicht ontstaat. Op de plaats van het gewenste nieuwe bijgebouw is reeds bebouwing aanwezig. Omdat een groot deel van de huidige bijgebouwen en bouwwerken niet langer nodig zijn zal ter plaatse ongeveer 46,4 m² aan bebouwing op het terrein worden gesloopt. Dit betreffen het kippenschuurtje (4,4 m²), het schapen schuurtje (3,75 m²), de kas (11,25 m²) en het vogelverblijf (27 m²). Het nieuwe bijgebouw zal in de bestemming 'Tuin' worden opgericht. Het bestemmingsvlak/bouwvlak van de woning zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden gewijzigd.

Zoals te zien is op de situatietekening uit bijlage 1 zal er sprake zijn van een meerdere gebruiksfuncties van het nieuwe bijgebouw. Er is sprake de volgende verdeling: * Garage: 60 m² * Berging: 50 m² * Werktuigenberging voor weiland en schapen: 40 m² * Schaapskooi (half open constructie): 90 m² Totale gebruiksoppervlakte: 240 m². Zoals uit bovenstaande verdeling blijkt is de gebruiksverdeling tussen functies die direct passend zijn bij uitoefening van de woonfunctie, namelijk de garage en de berging, in balans met de functies voor het hobbymatig houden van schapen. Daarnaast is de schaapskooi slechts omgeven door een halfhoog hekwerk, waardoor het meer het karakter van een schuilvoorziening dan van een stal heeft. De in oppervlakte grootste gebruiksfunctie heeft derhalve de laagste ruimtelijke impact. Het nieuwe bijgebouw zal op een goede wijze op het erf worden ingepast, zodat er vanuit de dijk een fraai aanzicht ontstaat. Een sfeerbeeld hiervan is opgenomen in de volgende figuur.

17

Sfeerbeeld aanzicht locatie met nieuw bijgebouw vanaf de dijk. Bron: DLV Advies. Ter plaatse van het nieuwe bijgebouw zijn enkele bomen aanwezig. Deze zijn in het kader van de plannen ter compensatie van een te rooien es aangeplant. Momenteel zijn deze 3 jaar gegroeid. Om ruimte te maken voor het nieuwe bijgebouw zullen drie van deze bomen worden verplaatst. Daarmee blijven de bomen behouden. Voor het nieuwe bijgebouw dient in voldoende mate een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit te worden geleverd. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat zij een investering wensen vergelijkbaar met de regeling ruimte-voor-ruimte. Daarbij geldt dat voormalige stallen bij veehouderijen gesloopt dienen te worden in ruil voor nieuwe woningen of extra m² aan bijgebouwen. De initiatiefnemer is daarom met de eigenaar van de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers overeengekomen dat de initiatiefnemer de kosten zal dragen voor de sloop van de daar aanwezige voormalige melkrundveestallen. In totaal zal daarbij ongeveer 160 m² aan voormalige stallen worden gesloopt. In overleg met de gemeente is overeengekomen dat dit in voldoende mate een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit, waarmee het extra bijgebouw mogelijk kan worden gemaakt. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

De volledige tekeningen op schaal zijn als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.

18

Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Achterland 23: Op de locatie aan het Achterland 23 te Groot-Ammers is een voormalige melkrundveehouderij gevestigd. De eigenaar van de locatie houdt niet langer op bedrijfsmatige wijze melkrundvee, maar alleen nog hobbymatig ongeveer 5 melkkoeien. De aanwezige stallen op de locatie zijn sterk verouderd en niet langer geschikt voor het houden van melkrundvee. Daarnaast is deze locatie gelegen in een lint dat steeds meer is getransformeerd tot een gemengd lint met voornamelijk burgerwoningen. Het is daarom moeilijk om op deze locatie nog een volwaardig en duurzaam veehouderijbedrijf te exploiteren. De eigenaar van deze locatie heeft daarom aangegeven de bedrijfsvoering in zijn geheel te willen staken en de bedrijfswoning als burgerwoning te gaan bewonen. Daarvoor dient de bestemming ter plaatse te worden gewijzigd in een woonbestemming. Omdat de meeste stallen ter plaatse sterk verouderd zijn dienen deze te worden gesloopt. De eigenaar van deze locatie heeft met de initiatiefnemer, die een aanvullende bijdrage moet leveren aan de ruimtelijke kwaliteit om het gewenste bijgebouw bij diens woning mogelijk te maken, een overeenkomst gesloten dat de initiatiefnemer de sloopkosten zal voldoen. De sloop van de voormalige stallen zal daarmee ingezet worden als kwaliteitsverbetering ten behoeve van de initiatiefnemer.

In totaal zal ongeveer 160 m² aan voormalige stallen worden gesloopt. De bestemming van de locatie aan het Achterland zal worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Hiermee kan de eigenaar van deze locatie de woning blijven bewonen als burger. De bestemming zal 19

worden voorzien van een aanduiding, waarmee het hobbymatig houden van enkele stuks vee (ongeveer 5 melkkoeien) mogelijk kan worden gemaakt. In de volgende figuren zijn de te slopen stallen weergegeven. Het betreft een te slopen stal met zadeldak (voorgebouw) van ongeveer 55 m² en verouderde stallen daarachter van ongeveer 105 m².

Foto te slopen stal met zadeldak (ongeveer 55 m²). Bron: initiatiefnemer.

Foto te slopen gebouwen achteraan (ongeveer 105 m²). Bron: initiatiefnemer.

20

Luchtfoto met de te slopen bebouwing weergegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerkt).

21

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 22

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 23

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of andere stedelijke voorzieningen. Op basis van de definitie voor een stedelijke ontwikkeling is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De omgevingsvisie is op verschillende punten geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 mei 2024 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het bouwen van een extra bijgebouw bij een woning en de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. Binnen het thema wonen geeft de provincie aan dat zoveel mogelijk moet worden voorzien in voldoende woningen en passende woningen voor de verschillende doelgroepen. Daarbij wordt aangesloten bij de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma. De provincie streeft daarbij naar voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. 24

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe woningen. Er wordt voorzien in de behoefte van de huidige bewoners van de woningen. De voorgenomen ontwikkeling staat de doelstellingen uit de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma daarmee niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten van de provincie ten aanzien van het thema wonen. Voor wat betreft verstedelijking heeft de provincie in de Omgevingsvisie opgenomen dat zoveel mogelijk aangesloten dient te worden op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (er is immers sprake van reeds bestaande woningen). Daarnaast vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats in twee bebouwingslinten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de provincie ten aanzien van verstedelijking. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: Beide locaties zijn vanuit de laag van de ondergrond gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'rivierendeltacomplex - rivierklei en veen'. In het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei en veen' heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van het gebied. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Bij ontwikkelingen in dit gebied dient het verschil tussen de komgronden en oeverwallen herkenbaar te blijven.

De voorgenomen ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en betreft de realisatie van een nieuw extra bijgebouw bij een bestaande woning. In ruil daarvoor wordt elders bebouwing gesloopt. Door de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de kwaliteitsverbetering die tegenover het nieuwe bijgebouw wordt gezet zal de impact op het landschap zeer beperkt zijn. Het nieuwe bijgebouw wordt goed ingepast op het erf. Bij de voorgenomen ontwikkeling is verder geen sprake van een mogelijk aantasting van het herkenbare reliëf en/of het herkenbare verschil tussen de komgronden en oeverwallen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en/of een onevenredige aantasting van de herkenbaarheid van de landschappelijke elementen in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten voor het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei en veen'. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast tot een kwaliteitsslag in het gebied, omdat nieuwe, kwalitatief hoogwaardige bebouwing wordt opgericht die voldoet aan de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie en verouderde, gebiedsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Dit bevordert de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: 25

Beide locaties zijn vanuit de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'lint' en als 'veen(weide)landschap'. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Er zijn verschillende typen linten te onderscheiden. Het lint waarin de locatie aan de Nieuwe Veer 27 is gelegen betreft een dijklint. In een dijklint is de bebouwing op of tegen de dijk gelegen. Er is in het lint weinig ruimte voor uitbreiding van de bebouwing. Daarnaast dienen linten als onderscheidende bouwvorm herkenbaar te blijven in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling op de locatie aan de Nieuwe Veer betreft een kleinschalige ontwikkeling en zal niet leiden tot een aantasting van de vorm van het lint. Het lint blijft als onderscheidende bouwvorm herkenbaar in het gebied en de ruimte die wordt geboden voor bebouwing is bij de voorgenomen ontwikkeling beperkt. Het nieuwe bijgebouw krijgt een grootte van slechts ongeveer 240 m². In ruil daarvoor wordt op de locatie ongeveer 46,4 m² aan bebouwing gesloopt. De feitelijke uitbreiding bedraagt daarmee nog geen 200 m². Verder wordt ten behoeve van het nieuwe bijgebouw elders een kwaliteitsverbetering behaald.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een aantasting van het dijklint. Het lint waarin de locatie aan het Achterland 23 is gelegen betreft een polderlint. In een polderlint ligt de bebouwing op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door een differentiatie in de kaveldiepte. Binnen het polderlint zijn kansen voor ontwikkeling mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Het polderlint waarin deze locatie is gelegen bestaat voornamelijk uit burgerwoningen en enkele niet-agrarische bedrijven op (voormalige) agrarische erven. Een agrarisch bedrijf is minder passend in het lint dan een burgerwoning. De voorgenomen omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een burgerwoning draagt bij aan de karakteristiek van het lint. Daarnaast draagt de sloop van verouderde en gebiedsontsierende bebouwing bij aan de kwaliteit en uitstraling van het lint. De structuur in de veen(weide)gebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik.

Het agrarisch gebruik overheerst in deze gebieden. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een extra bijgebouw bij een bestaande woning in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen elders, waarbij de slooplocatie wordt omgeschakeld van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. Het gewenste bijgebouw wordt ingepast in het landschap en wordt zodanig vormgegeven dat het verkavelingspatroon herkenbaar blijft in het landschap en niet wordt aangetast. Daarnaast is de gewenste ontwikkeling zeer kleinschalig van aard, waarmee de impact op het landschap zeer beperkt blijft. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het veen(weide)gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: 26

Vanuit de laag van de stedelijke occupatie zijn de locaties gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is gelegen in een gebied waarvoor geen beschermingscategorie 1 of 2 geldt.

De locatie is wel in een gebied gelegen dat is aangemerkt als "buitengebied". Hiervoor heeft de provincie een aanvullende beschermingscategorie vastgesteld, namelijk beschermingscategorie 3. Hiervoor zijn in artikel 7.43h van de Omgevingsverordening vervolgens aanvullende regels opgenomen. Toetsing aan deze voorwaarden heeft plaatsgevonden in de paragraaf "Omgevingsverordening Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.2). Uit deze toetsing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden uit artikel 7.43h uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) zal de emissie van ammoniak met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. Daarnaast zal, zoals beschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Tevens wordt een veehouderijbedrijf gesaneerd en omgeschakeld naar burgerwoning, waardoor er zich op die locatie geen nieuwe veehouderij kan vestigen.

Daarmee zal de ammoniakemissie van het veehouderijbedrijf komen te vervallen en zal de depositie van stikstof eerder afnemen. De stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet toenemen. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 12 oktober 2022 de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie is op verschillende punten geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 januari 2025 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een nieuw bijgebouw bij een woning in ruil voor de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen elders. De slooplocatie zal worden 27

omgeschakeld van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. In feite is daarmee sprake van de ontwikkeling bij en van een woning. In de verordening zijn specifieke bepalingen opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het betreft immers bestaande woningen. Tevens vindt de ontwikkeling plaats in bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Daarin is de ontwikkeling bij of van woningen passend. Specifiek zijn er voor de realisatie van bijgebouwen bij een woning en het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning geen bepalingen opgenomen in de verordening. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de mogelijkheden uit de verordening, mits aan de algemene regels wordt voldaan. Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit de verordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen); 3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren). De voorgenomen ontwikkeling volgt de bestaande structuur van het landschap. Het kavelpatroon en de aanwezige watergangen bepalen in belangrijke mate deze structuur. Ten behoeve van dit project is het niet noodzakelijk om bestaande watergangen te dempen. Tevens vinden geen wijzigingen plaats aan de verkaveling en/of bestaande watergangen. Daarnaast wordt de nieuwe bebouwing opgericht volgens de karakteristiek van de bestaande woning, wat ten goede komt aan de beeldkwaliteit ter plaatse. Gelet op het voorgaande is er sprake van een zorgvuldige inpassing van het project waarbij voldoende aandacht is besteed aan beeldkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en zal een (zeer) beperkte impact hebben op de omgeving. De toetsing aan de kwaliteitskaart heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Omgevingsvisie Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.1). Daaruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Op de projectlocaties zijn reeds de bestaande woningen aanwezig. Er wordt daarnaast aangesloten bij het lint en de karakteristiek van het gebied.

De ontwikkeling past binnen de schaal van het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, die niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau en die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Ten aanzien van deze gebieden gelden aanvullende bepalingen. De locatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een beschermingscategorie 1 of 2 is aangewezen. Wel is de locatie in een gebied gelegen dat is aangemerkt als "buitengebied". Hiervoor heeft de provincie een aanvullende beschermingscategorie vastgesteld, namelijk beschermingscategorie 3. Hiervoor zijn in artikel 7.43h aanvullende regels opgenomen. De voorwaarden uit artikel 7.43h zijn als volgt: "Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied) 1 Een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=0867f585-ec6c-4ad7-88bb-3af9535e7f4a