Bijlage 4 Groot onderhoud bijlagen
Tekst van het document
- Maatregelen buizerd (par. 4.1.2). - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7). - Het naast het deelgebied gelegen voortplantings- en mogelijk overwinteringswater van de heikikker dient te worden ontzien. 4.4 SPECIFIEK DEELGEBIED 3: BRUG 38D18 In deelgebied 3 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen buizerd (par. 4.1.2). - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7).
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
32
4.5 SPECIFIEK DEELGEBIED 4: VAK 5, VAK 6, VAK 8 EN VAK 9 In deelgebied 4 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen buizerd (par. 4.1.2). - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7). 4.6 SPECIFIEK DEELGEBIED 5: N214/N216 In deelgebied 5 gaan een mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker en de grote modderkruiper verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen heikikker (par. 4.1.4). o Voor de heikikker dient in dit deelgebied minimaal 227 vierkante meter nieuw leefgebied te worden gerealiseerd, voordat het huidige habitat van de soort verloren gaat. - Maatregelen grote modderkruiper (par. 4.1.5). o Voor de grote modderkruiper dient in dit deelgebied minimaal 4.048 vierkante meter nieuw leefgebied te worden gerealiseerd, voordat het huidige habitat van de soort verloren gaat. - Maatregelen behoud mogelijk essentiële vliegroute vleermuizen (par. 4.1.6). - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7).
Hierbij dient specifiek rekening te worden gehouden met het voorkomen van (licht)verstoring/belemmering van de aanwezige paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis in het aanwezige elektriciteitshuisje. 4.7 SPECIFIEK DEELGEBIED 6: VAK 14 In deelgebied 6 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen roek (par. 4.1.3). - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7). 4.8 SPECIFIEK DEELGEBIED 7: MINKELOOS In deelgebied 7 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen grote modderkruiper (par. 4.1.5). o Voor de grote modderkruiper dient in dit deelgebied minimaal 4.600 vierkante meter nieuw leefgebied te worden gerealiseerd, voordat het huidige habitat van de soort verloren gaat. - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7). 4.9 COMPENSERENDE MAATREGELEN Het is niet noodzakelijk om op een andere locatie maatregelen te nemen om het negatieve effect voor de populaties van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, heikikker en grote modderkruiper op te heffen.
Dit wordt al bereikt door het treffen van mitigerende maatregelen op de locatie van de werkzaamheden, het realiseren van alternatieven op korte afstand van de aangetroffen beschermde elementen en door de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de omgeving. 4.10 ECOLOGISCH WERKPROTOCOL Ten behoeve van de borging van de mitigerende maatregelen wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te laten stellen, waarin de maatregelen (eventueel per deelgebied) op een praktische manier staan beschreven voor de aannemer. Indien in de ontheffing aanvullende voorschriften gesteld worden, dienen deze ook in het ecologisch werkprotocol te worden opgenomen.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
33
5. EFFECTANALYSE In dit hoofdstuk wordt uiteengezet wat de effecten zijn van de werkzaamheden op de aangetroffen beschermde elementen in het projectgebied en op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. Vervolgens wordt toegelicht of bepaalde werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden conform een vrijstellingsregeling, geldende gedragscode, algemene zorgplicht of dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. 5.1 EFFECT OP DE BESCHERMDE ELEMENTEN Door de werkzaamheden gaan een mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker en grote modderkruiper verloren. Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen, zoals beschreven in hoofdstuk 4, is geen sprake van een negatief effect op de aanwezige beschermde elementen. 5.2 EFFECT OP DE STAAT VAN INSTANDHOUDING Om het effect op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, heikikker en grote modderkruiper te beoordelen wordt het volgende toetsingscriterium gehanteerd: Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en andere soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Vleermuizen Qua ecologie is voor vleermuizen de afweging gemaakt om geen ontheffing aan te vragen, omdat de vliegroute ter plaatse van de kruising N214/N216 door een dusdanig klein aantal vleermuizen wordt gebruikt dat niet kan worden gesproken van een essentiële vliegroute. Vanwege de functie van de hele N214 als essentiële vliegroute is echter toch gekozen een ontheffing aan te vragen en een tijdelijke en permanente alternatieve vliegroute te realiseren. Het effect op de lokale populatie is hierdoor op voorhand reeds gering. Gewone dwergvleermuis In afbeelding 22 is een uitdraai uit het NDFF opgenomen voor wat betreft waarnemingen van de gewone dwergvleermuis in de afgelopen drie jaar. Langs de N214 en in de hele Alblasserwaard zijn diverse waarnemingen gedaan van gewone dwergvleermuizen.
Afbeelding 22: Uitdraai NDFF voor de gewone dwergvleermuis in de afgelopen drie jaar in het projectgebied in de directe omgeving. De rode lijn betreft de globale begrenzing van het projectgebied (de N214).
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
34
Door de werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren. De mogelijk essentiële vliegroute van de soort in deelgebied 5 ‘N214/N216’ blijft behouden door zowel in de tijdelijke als nieuwe situatie een alternatieve route te realiseren. Tijdens het soortgericht onderzoek vloog op deze locatie gemiddeld één gewone dwergvleermuis per bezoek langs. De route wordt echter als mogelijk essentieel beschouwd vanwege de essentiële functie van het hele tracé N214 (hogere aantallen vleermuizen) en het gebrek aan alternatieven. De aanwezige mogelijk essentiële vliegroutes in de andere deelgebieden worden niet aangetast door de werkzaamheden. Door het treffen van voldoende mitigerende maatregelen ontstaat, door het project, geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Ruige dwergvleermuis In afbeelding 23 is een uitdraai uit het NDFF opgenomen voor wat betreft waarnemingen van de ruige dwergvleermuis in de afgelopen drie jaar. Langs de N214 en in de hele Alblasserwaard zijn diverse waarnemingen gedaan van ruige dwergvleermuizen.
Afbeelding 23: Uitdraai NDFF voor de ruige dwergvleermuis in de afgelopen drie jaar in het projectgebied in de directe omgeving. De rode lijn betreft de globale begrenzing van het projectgebied (de N214).
Door de werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis verloren. De mogelijk essentiële vliegroute van de soort in deelgebied 5 ‘N214/N216’ blijft behouden door zowel in de tijdelijke als nieuwe situatie een alternatieve route te realiseren. Tijdens het soortgericht onderzoek vloog op deze locatie tijdens één bezoek slechts één ruige dwergvleermuis langs. De route wordt echter als mogelijk essentieel beschouwd vanwege de essentiële functie van het hele tracé N214 (hogere aantallen vleermuizen) en het gebrek aan alternatieven. De aanwezige mogelijk essentiële vliegroutes in de andere deelgebieden worden niet aangetast door de werkzaamheden. Door het treffen van voldoende mitigerende maatregelen ontstaat, door het project, geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
35
Baardvleermuis In afbeelding 24 is een uitdraai uit het NDFF opgenomen voor wat betreft waarnemingen van de baardvleermuis in de afgelopen drie jaar. In de afgelopen drie jaar zijn slechts 3 waarnemingen van de soort gedaan, ter plaatse van Fort Vuren. Dit betroffen dieren in winterslaap.
Afbeelding 24: Uitdraai NDFF voor de baardvleermuis in de afgelopen drie jaar in het projectgebied in de directe omgeving. De rode lijn betreft het projectgebied (de N214).
Door de werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen van de baardvleermuis verloren. De mogelijk essentiële vliegroute van de soort in deelgebied 5 ‘N214/N216’ blijft behouden door zowel in de tijdelijke als nieuwe situatie een alternatieve route te realiseren. Tijdens het soortgericht onderzoek vloog op deze locatie gemiddeld één baardvleermuis per bezoek langs. De route wordt echter als mogelijk essentieel beschouwd vanwege de essentiële functie van het hele tracé N214 (hogere aantallen vleermuizen) en het gebrek aan alternatieven. De aanwezige mogelijk essentiële vliegroutes in de andere deelgebieden worden niet aangetast door de werkzaamheden. Door het treffen van voldoende mitigerende maatregelen ontstaat, door het project, geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de baardvleermuis. Heikikker en grote modderkruiper Voor de heikikker en de grote modderkruiper is een afweging gemaakt qua mitigatie van leefgebied van deze soorten dat verloren gaat door de werkzaamheden. Gekozen is om minimaal eenzelfde hoeveelheid leefgebied terug te brengen. Daarnaast worden aanvullend voor beide soorten natuurvriendelijke oevers gerealiseerd bij de nieuwe watergangen.
Bij de oorspronkelijke watergangen zijn geen natuurvriendelijke oevers aanwezig, waardoor het leefgebied van de heikikker en de grote modderkruiper ter plaatse zelfs wordt versterkt door de realisatie van het nieuwe leefgebied. Heikikker In afbeelding 25 is een uitdraai uit het NDFF opgenomen voor wat betreft waarnemingen van de heikikker in de afgelopen drie jaar. De Alblasserwaard is een uitgestrekt en open veenweidegebied en één van de grootste aaneengesloten gebieden waar de heikikker voorkomt. Door de vele duizenden slootjes komt de heikikker in de Alblasserwaard in een lage dichtheid voor. Op basis van de ingevoerde gegevens is te zien dat de heikikker in de Alblasserwaard algemeen voorkomt. Duidelijk is te zien dat de heikikker niet in hoge dichtheden in de Alblasserwaard voorkomt, met uitzondering van de daarvoor aangelegde gebieden zoals Alblasserbos, De Donkse Laagte en Ameide, hier is een kleine concentratie van heikikkers te zien.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
36
Afbeelding 25: Uitdraai NDFF voor de heikikker in de afgelopen drie jaar in het projectgebied in de directe omgeving. De rode lijn betreft de globale begrenzing van het projectgebied (de N214).
Onderzoek Arvalis Natuur & Landschap Door Arvalis Natuur & Landschap is in de periode 2009 tot en met 2018 een verspreidingsonderzoek uitgevoerd naar de heikikker in de Alblasserwaard (Arvalis Natuur & Landschap, 2018). De data is verzameld door dhr. R. Slagboom en de waarnemingen zijn gevalideerd via daarvoor bestemde portalen. Gedurende 10 jaar is door een deskundig ecoloog, gedurende 15 geschikte avonden per jaar, geïnventariseerd op exemplaren van de heikikker. De resultaten van het onderzoek (verspreidingskaart) is weergegeven in bijlage 8. Op de kaart is te zien dat de heikikker in de afgelopen 10 jaar wijdverspreid over de Alblasserwaard is waargenomen. Gezien de inventarisaties door 1 persoon zijn uitgevoerd zijn veel waarnemingen van de soort gedaan, wat betekend dat een sterke lokale populatie van de heikikker in het gebied aanwezig is. Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen gedurende de werkzaamheden (voorkomen dat exemplaren van de heikikker worden gedood), de realisatie van nieuw leefgebied voor de heikikker, voordat huidig leefgebied verloren gaat, en door de vele geschikte alternatieven in de omgeving, ontstaat door het project geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Grote modderkruiper In afbeelding 26 is een uitdraai uit het NDFF opgenomen voor wat betreft waarnemingen van de grote modderkruiper in de afgelopen drie jaar. Op basis van de ingevoerde gegevens van NDFF is te zien dat de grote modderkruiper niet veel is waargenomen in de Alblasserwaard. De grote modderkruiper is een soort die maar moeilijk wordt gevangen waardoor het inventariseren van de soort erg moeilijk is. Het is dus erg afhankelijk hoe intensief deze soort wordt geïnventariseerd en wordt ingevoerd op NDFF. Het aantal grote modderkruipers in de Alblasserwaard is op basis van NDFF niet vast te stellen.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
37
Afbeelding 26: Uitdraai NDFF voor de grote modderkruiper in de afgelopen drie jaar in het projectgebied in de directe omgeving. De rode lijn betreft het projectgebied (de N214).
Onderzoek Stichting Ravon Door Stichting Ravon is in 2013 en 2016 een verspreidingsonderzoek uitgevoerd naar de grote modderkruiper in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland (Stichting Ravon, rapportnummer 2016.081, d.d. 20-01-2017). Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9. De Alblasserwaard is een van de tien onderzochte (deel)stroomgebieden, welke is onderzocht in 2016. Tijdens het onderzoek zijn in de Alblasserwaard 48 monsters genomen, waarbij op 10 locaties grote modderkruipers zijn aangetroffen. Op basis van de gegevens is geconcludeerd dat de soort in de Alblasserwaard met name in het oostelijk deel voorkomt. Gezien de hoge slootdichtheid in het gebied is het verspreidingsbeeld naar aanleiding van het onderzoek nog niet compleet. Het aantal sloten waar de soort voor zou kunnen komen op basis van habitat is groot, maar slechts een klein deel is onderzocht (48 monsters). Het niet aantreffen van de grote modderkruiper in een groot deel van de monsters in deze gebieden duidt erop dat de soort niet algemeen maar diffuus en waarschijnlijk in lage dichtheden voorkomt. Naar aanleiding van het onderzoek in de Alblasserwaard is geadviseerd om het leefgebied van de grote modderkruiper in dit gebied veilig te stellen en te versterken. Versterking vindt plaats door een aangepast beheer in de perceelsloten toe te passen (fasering en inrichting).
De meeste brede watergangen hebben hier een weinig structuurrijk water en oevervegetatie. Aanleg van natuurvriendelijke oevers en gefaseerd baggeren en slootschonen kunnen bijdragen aan het behoud en versterken van de populaties (Stichting Ravon, rapportnummer 2016.081, d.d. 20-01-2017). Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen gedurende de werkzaamheden (voorkomen dat exemplaren van de grote modderkruiper worden gedood), de realisatie van nieuw leefgebied voor de grote modderkruiper, voordat huidig leefgebied verloren gaat, en door de vele geschikte alternatieven in de omgeving, ontstaat door het project geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de soort. 5.3 CUMULATIEVE EFFECTEN In de omgeving worden diverse projecten uitgevoerd die invloed kunnen hebben op vliegroutes van vleermuizen en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker en de grote modderkruiper. Aan de oostkant van het projectgebied worden werkzaamheden uitgevoerd ter plaatse van het tracédeel tussen Noordeloos en de A27. Tussen Noordeloos en Minkeloos wordt een parallelweg gerealiseerd. Daarnaast worden langs de A27 Spitsstroken aangelegd. Bij elk van deze projecten wordt mogelijk leefgebied van vleermuizen, de heikikker en grote modderkruiper aangetast.
Voor ieder afzonderlijk project geldt dat rekening gehouden dient te worden met de aanwezige natuurwaarden in het gebied en dat leefgebied, indien nodig, dient te worden gemitigeerd/gecompenseerd. Voor onderhavig project wordt op zichzelf voorzien in voldoende mitigatie voor alle beschermde elementen die verloren gaan door de werkzaamheden. Projecten vanuit de omgeving hebben derhalve geen invloed op het aanwezige leefgebied van beschermde soorten binnen onderhavig project. Binnen onderhavig projectgebied (maar buiten de scope van dit project) worden bomen gekapt ten behoeve van het verjongingsplan. Voor de te kappen bomen wordt indien nodig in een later stadium een separate ontheffing aangevraagd. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
38
6. WETTELIJK BELANG EN ALTERNATIEVENAFWEGING Ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag dient een geldig wettelijk belang te worden aangedragen. Voor Habitatrichtlijnsoorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker) dient één van de volgende wettelijke belangen onderbouwd te worden: - De volksgezondheid of openbare veiligheid. - Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren. - Ter bescherming van flora of fauna. - Voor onderzoek of onderwijs. - Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 6.1 WETTELIJK BELANG De ontheffing wordt aangevraagd in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd vanwege behoud van verkeersveiligheid en de doorstroming op de N214. Diverse problemen zijn op deze locatie ontstaan voor de duizenden mensen die dagelijks gebruik maken van het tracé. Door de aanpassingen van het projectgebied is een groter ruimtebeslag nodig dan de huidige bestaande infrastructuur. Hieronder wordt voor de verschillende tracédelen toegelicht waarom deze dienen te worden toegepast.
Verbreding bestaand fietspad noordzijde N214 De verbreding van het fietspad (tussen de A15 en de N481 Peilmolenweg) is noodzakelijk vanwege de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N214. Het huidige fietspad ligt volgens het handboek Wegontwerp van Provincie Zuid-Holland te dicht op de hoofdrijbaan. Het fietspad betreft in de huidige situatie een officieel een in één richting bereden fietspad, maar dit wordt in 2 richtingen gebruikt omdat fietsers niet twee keer de N214 willen oversteken. Door het fietspad te verbreden kunnen fietsers zich veiliger in beide richtingen aan de noordkant van de N214 bewegen en hoeven ze bovendien niet over te steken. De nieuw te maken verkeersregelinstallaties (VRI’s) van de N214/A15 heeft baat bij zo min mogelijk overstekende fietsers, omdat de capaciteit voor doorrijdend verkeer dan zal toenemen. Het in twee richtingen fietsen op een te smal fietspad, dat bovendien te dicht op de weg ligt, is een zeer ongewenste en gevaarlijke situatie. Vanuit verkeersveiligheid moet het fietspad derhalve breder worden en op een grotere afstand van de N214 worden gelegd. Ombouwen enkelstrooksrotonde kruising N214/N481 naar turborotonde Het ombouwen van de bestaande enkelstrooksrotonde naar turborotonde is noodzakelijk vanwege de verkeersveiligheid en doorstroming op de N214.
Op deze betreffende kruising is in eerste instantie een te kleine capaciteit voor de hoeveelheid verkeer. Momenteel moet verkeer vanuit verschillende richtingen vaak te lang wachten. Een betere lokale doorstroming van het verkeer is hiervoor de oplossing. De meest verkeersveilige oplossing is, tevens vanuit het handboek Wegontwerp, de aanleg van een rotonde. Het aanleggen van een meerstrooksrotonde (turborotonde) zorgt tevens voor een vergroting van de capaciteit. Het uitbreiden van de N214/N216 gelijkvloerse kruising De huidige kruising op deze locatie is door een VRI geregeld, maar heeft weinig capaciteit. Hierdoor ontstaan in de spits ontoelaatbare lange vertragingen voor de automobilisten. De oplossing van Provincie Zuid-Holland (het aanleggen van een rotonde) zal in dit geval het probleem niet oplossen, omdat het verkeersaanbod hiervoor te groot is. De oplossing is het regelen van de kruising met een modernere VRI. Daarnaast worden extra opstelstroken aangelegd, die tevens worden verlengd. Op de kruising zullen in alle richtingen R-net-haltes worden aangelegd. Hierdoor wordt bij de kruising een nieuw Openbaar Vervoeroverstappunt gerealiseerd, waardoor de bereikbaarheid per OV van de Alblasserwaard sterk wordt verbeterd.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
39
Vervangen voorrangskruising aansluiting N214/Gorissenweg en aansluiting N214/Middenweg Het vervangen van deze kruisingen te Noordeloos en de aansluiting van dorpskern Hoornaar door enkelstrooksrotondes wordt uitgevoerd in verband met de verkeersveiligheid. Op beide kruisingen gebeuren regelmatig ongelukken, omdat ter plaatse te hard wordt gereden en het zicht bovendien niet optimaal is. De oprijdbaarheid vanuit verschillende zijwegen is moeilijk. Mensen moeten te lang wachten voor zij een mogelijkheid krijgen de N214 op te rijden. In dit geval is een enkelstrooksrotonde voor beide locaties de aangewezen verkeersveilige oplossing. Op verschillende plaatsen heeft deze oplossing zich bewezen. De bestaande kruisingsvlakken zijn dusdanig groot dat de rotondes nagenoeg binnen de bestaande infrastructuurgrenzen kunnen worden aangelegd. De ingreep op aanwezige flora en fauna is bij beide ingrepen derhalve minimaal. Verplaatsen aansluiting N214/Minkeloos richting westen De aansluiting dient verplaatst te worden om meer afstand te creëren tussen de A27/Ovonde en de aansluiting Minkeloos. De afstand tussen de A27/Ovonde en de aansluiting Minkeloos is te klein om goed een invoeger (van 2 naar 1 rijstrook) te herbergen. In de toekomst zal dit verkeersonveilige situaties opleveren. Voor een gebiedsontsluitingsweg als de N214 is dit een ontoelaatbare situatie.
Het alternatief om Minkeloos af te sluiten van de N214 is niet mogelijk, omdat voor deze aansluiting geen andere alternatieven zijn. De enige mogelijkheid is derhalve het creëren van meer afstand tussen de A27/Ovonde en Minkeloos. Door deze ingreep wordt tevens een veilige fietsoversteek bij de A27/Ovonde gerealiseerd. De huidige oversteek kan niet worden gehandhaafd, omdat in de toekomst ter plaatse te veel rijstroken aanwezig zijn voor de afwikkeling van het autoverkeer. Hierdoor is er bij de Ovonde geen veilige fietsoversteek meer. 6.2 ALTERNATIEVENAFWEGING Voor het project zijn qua locatie, werkwijze en planning diverse alternatieven overwogen, die eventueel minder effecten zouden kunnen hebben op de aanwezige beschermde elementen. Per onderdeel wordt hieronder onderbouwd waarom gekozen is voor de huidige variant en waarom alternatieven niet mogelijk zijn. 6.2.1 ALTERNATIEVE LOCATIE Het project is locatiegebonden. De veranderingen in infrastructuur worden uitgevoerd omdat op de huidige locaties onveilige situaties ontstaan. Het uitvoeren van deze werkzaamheden op een andere locatie is derhalve niet van toepassing. 6.2.2 ALTERNATIEVE WERKWIJZE Bij de belangenafweging is reeds onderbouwd waarom bepaalde tracédelen dienen te worden aangepast. De gekozen werkwijzen zijn economisch het meest voordelig en hebben het kleinste ruimtebeslag.
Door mitigerende maatregelen te treffen voor de heikikker en grote modderkruiper, en zorg te dragen dat de mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis behouden kan blijven, wordt ervoor gezorgd dat de dieren ook na de werkzaamheden op dezelfde manier gebruik kunnen blijven maken van het projectgebied. Er zijn geen alternatieven die hetzelfde doel kunnen bereiken (verbeteren van de verkeersveiligheid) en waarbij minder leefgebied van beschermde soorten verloren gaat. 6.2.3 ALTERNATIEVE PLANNING Voor de werkzaamheden is nog geen exacte planning opgesteld. De maatregelen en uitvoeringsperioden in onderhavig activiteitenplan worden meegegeven met de aannemer in het contract voor de uitvoering van de werkzaamheden. De planning wordt dus opgesteld met inachtneming van onderhavig plan. Daarmee is er geen betere planning voorhanden die minder effect heeft op de aanwezige diersoorten.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
40
7. ONTHEFFINGSAANVRAAG Op basis van het genoemde in bovenstaande hoofdstukken wordt ontheffing gevraagd voor de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2028. Deze periode wordt aangevraagd in verband met eventuele onvoorziene vertragingen. Ontheffing wordt gevraagd voor het overtreden van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5, lid 1, 2, 3, en 4, en artikel 3.10, lid van de Wet natuurbescherming, voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, heikikker en grote modderkruiper, te noemen: Artikel 3.5 van de Wet Natuurbescherming Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Door de werkzaamheden worden mogelijk exemplaren van de heikikker gedood wanneer deze aanwezig zijn in de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen ten tijde van de werkzaamheden. Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Door de werkzaamheden kunnen exemplaren van de heikikker worden verstoord als deze aanwezig zijn in de voortplantingsplaats of rustplaats ten tijde van de werkzaamheden.
Daarnaast worden exemplaren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker gestoord als de huidige vliegroute (voor vleermuizen) en verblijfplaatsen (voor de heikikker) niet meer bereikbaar zijn en de dieren moeten uitwijken naar een alternatief. Door het treffen van mitigerende maatregelen wordt zoveel als mogelijk voorkomen dat exemplaren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker worden verstoord tijdens de werkzaamheden. Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Door de werkzaamheden worden de huidige vliegroute, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker beschadigd/vernield. Artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming Lid 1b: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Door de werkzaamheden worden de huidige voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de grote modderkruiper beschadigd of vernield.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
41
REFERENTIES BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker BIJ12, 2017. Kennisdocument Roek Ottburg, F.G.W.A., R. Pouwels en H.A.H. Jansman, 2012. Heikikkers in Meerstad; Toepassing van het model LARCH op de heikikker (Rana arvalis) in het project Meerstad als onderbouwing voor een duurzame instandhouding van deze soort. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2342. 56 blz.; 15 fig.; 4 tab.; 47 ref. Philips, 2016. Luma, Public Lighting; Product guide Lighting on the move - Applications Stichting RAVON, 2015. Monitoring heikikker in Meerstad in 2015, rapportnummer 2015.063 Tauw B.V., kenmerk DL01-1260742XSO-V04, d.d. 21-03-2019 Tauw B.V., kenmerk DL03-1260742XSO-V02, d.d. 27-02-2019 Tauw B.V., kenmerk N006-1260742XSO-V03, d.d. 21-03-2019 Tauw B.V., projectnummer 1260742, tekeningnummer: 23, Project: N214/N2169 Gelijkvloerse kruising, Onderdeel: Openbare verlichting, d.d.21-03-2019 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2016. Kenmerk IVPA160765, Ecologische quickscan tracé N214 tussen de A15 en de A27 in de Alblasserwaard, d.d. 15-07-2016 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2017. Kenmerk 20170446, Ecologische quickscan kruising N214-N216 te Goudriaan, d.d. 20-04-2017 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2017.
Kenmerk 20171584, Ecologische quickscan groot onderhoud 3 kruispunten ter hoogte van Gorissenweg, Middenweg en Minkeloos te Noordeloos, d.d. 13-11-2017 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2017. Kenmerk IVPA161075, Soortgericht onderzoek vleermuizen, vissen, vogels en heikikker tracé N214 tussen de A15 en de A27 in de Alblasserwaard, d.d. 23-11-2017 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2017. Kenmerk 20170446. Soortgericht onderzoek vleermuizen, grote modderkruiper, vogels en heikikker kruising N214-N216 te Goudriaan, d.d. 23-11-2017 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2018. Kenmerk 20171584. Soortgericht onderzoek naar grote modderkruiper, rugstreeppad en heikikker ter hoogte van de Middenweg en Minkeloos te Noordeloos, d.d. 14-08-2018 VanderHelm Milieubeheer B.V., 2018. Kenmerk 20171584, Briefrapport mitigatie leefgebied grote modderkruiper en heikikker, d.d. 26-02-2019 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
42
BIJLAGE 1. REGIONALE SITUATIEKAART
= Projectgebied
BIJLAGE 2. HUIDIGE VERLICHTING TRACÉ N214
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 3. PLANNING WERKZAAMHEDEN
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 4. RAPPORTAGES ECOLOGISCHE QUICKSCANS
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 5. RAPPORTAGES SOORTGERICHTE ONDERZOEKEN
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 6. LICHTBEREKENINGEN, NOTITIE EN TEKENING KRUISING N214/N216
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 7. KAARTEN AANGETROFFEN BESCHERMDE ELEMENTEN
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 8. VERSPREIDINGSKAART HEIKIKKER 2009-2018 ALBLASSERWAARD
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 9. VERSPREIDINGSONDERZOEK GROTE MODDERKRUIPER WATERSCHAP RIVIERENLAND 2013 EN 2016
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 10. SOORTBESCHRIJVINGEN Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus De gewone dwergvleermuis is de op één na kleinste Europese vleermuissoort. Ze hebben een vrij spitse snuit en korte driehoekige oren. Hun rug is roodbruin, kastanjebruin of donkerbruin, terwijl hun buik eerder geel- tot grijsbruin is. Hun snuit, oren en vlieghuid zijn zwartbruin. De gewone dwergvleermuis leeft in vrijwel heel Europa en is in België en Nederland een algemeen voorkomende soort. Dit is de vleermuis die men veelal tijdens de zomerperiode in tuinen en straten zien. Ruige dwergvleermuis - Pipistrellus nathussi De ruige dwergvleermuis is een kleine vleermuissoort met korte, driehoekige oren. 's Zomers is hun rug rood- tot kastanjebruin en na de rui (juli/augustus) eerder donkerbruin met vaak een grijze tint. Ze hebben een licht- tot geelbruine buik. Hun staart, oren en vlieghuid zijn zwartbruin. Ruige dwergvleermuizen leven hoofdzakelijk in noordelijk Midden- en Oost-Europa. In Nederland is de soort voornamelijk vanaf de tweede helft van de zomer aanwezig. Kraamverblijfplaatsen van deze soort in Nederland zijn zeldzaam.
Baardvleermuis – Myotis mystacinus De baardvleermuis (Myotis mystacinus) is een kleine vleermuissoort. Hij heeft een lichte, grijzige buikvacht en een donkerbruine tot geelbruine rugvacht. De snoet en de onderarmen zijn donkerbruin tot zwart. De oren van de baardvleermuis zijn kort, donkerbruin en relatief spits uitlopend. De tragus van de baardvleermuis reikt bijna tot de helft van het oor en heeft een spitse punt. De baardvleermuis komt in heel Nederland voor, maar is over het algemeen een zeldzaamheid.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
Heikikker – Rana arvalis De heikikker (Rana arvalis) is een middelgrote kikker met een iets spitse snuit. De kleur is erg variabel van geelbruin tot rood/groenbruin op de rug met vaak een lichte lengtestreep over de rug heen. Ook heeft hij een patroon van donkere vlekken op de flanken en een lichte buik. En hij bezit een relatief grote graafknobbel op de achterpoot (ongeveer halve teenlengte). In de paartijd (eind februari, tot uiterlijk begin april met een piek in kooractiviteit in maart) kleuren mannetjes licht- tot fel blauw. Deze kleur is maar enkele dagen aanwezig. Heikikkers kunnen 8 cm groot worden. Grote modderkruiper – Misgurnus fossilis De grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) behoort tot de familie van de modderkuipers (Cobitidae) en heeft een langgerekt bijna rond lichaam dat bij de staart zijdelings afgeplat is. De rug is donkerbruin tot roodbruin van kleur en over de licht geel tot oranje gekleurde flanken lopen in de lengterichting donkere vlekkerige banen. Ook op de kop bevinden zich vlekjes, het patroon is per dier uniek en maakt individuele herkenning mogelijk. De buik is licht geelbruin en kleurt in de paaitijd oranjerood. Rond de bek bevinden zich tien bekdraden: vier op de bovenlip, vier op de onderlip en twee in de mondhoeken. Grote modderkruipers kunnen circa 30 centimeter lang worden.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 11. WETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING In Nederland wordt de bescherming van natuur geregeld met behulp van de Wet natuurbescherming. Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van enerzijds in het wild levende dieren (fauna) en planten (flora) en anderzijds de gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de vigerende wet- en regelgeving inzake de Wet natuurbescherming. WET NATUURBESCHERMING (01-01-2017) De Wet natuurbescherming is een samenkomst van drie voormalige natuurwetten: De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Onder de Wet natuurbescherming valt nu de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. SOORTENBESCHERMING (FLORA EN FAUNA) De Wet natuurbescherming beschermd kwetsbare en zeldzame flora en fauna. De wet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen. Daarbij is het niet van belang of dat specifieke gebied ook wettelijk beschermd wordt. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in Europees- en Nationaal beschermde dieren plantensoorten. Afhankelijk van de beschermde status van een soort dient bij de aantasting van exemplaren of nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort, bij activiteiten die de verbodsbepalingen overtreden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Belangrijk voor de toekenning hiervan is de status, maar ook of de duurzame instandhouding van de populatie wel of niet in het geding is. Indien geen verbodsbepalingen worden overtreden kan mogelijk worden volstaan met een mitigatieplan. Europees beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn en vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn Voor deze soorten dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, dwingende redenen van groot openbaar belang of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden.
Vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn Voor vogels dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Nationaal beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
Vrijstelling Middels een vrijstellingsregeling kan in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend worden voor nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten blijft wel de algemene zorgplicht van kracht. Per provincie wordt een vrijstellingslijst opgesteld. Elke provincie kan ervoor kiezen om verschillende soorten vrij te stellen. Per project zal gekeken moeten worden welke dier- en plantensoorten in de betreffende provincie zijn vrijgesteld. Voor soorten die niet zijn vrijgesteld dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode, of dient bij de aantasting van exemplaren nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort bij activiteiten die de verbodsbepalingen overtreden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Verboden handelingen Naast de zorgplicht zijn een aantal verboden handelingen opgenomen. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 3.1 Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Nationaal beschermde dier- en plantensoorten 1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
c.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscode Voor zowel Europees als nationaal beschermde soorten geldt dat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden volgens een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. De betreffende gedragscode moet voor de werkzaamheden en soort(groep) geschreven en beschikbaar zijn.
Dit geldt indien de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van: - een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of –bermen, of in het kader van natuurbeheer; - een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; - een bestendig gebruik, of - een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een gedragscode, mits de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten behouden blijft. Positieve afwijzing Als er maatregelen genomen worden om de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van zowel Europees als Nationaal beschermde soorten garanderen, is een ontheffing van de Flora- en faunawet niet noodzakelijk. Om er echter zeker van te zijn of de opgestelde mitigerende maatregelen voldoende zijn, kan op basis van deze maatregelen een ontheffing bij de betreffende provincie worden aangevraagd. Indien de provincie akkoord gaat met de mitigerende maatregelen en de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten hiermee behouden blijft, wordt de ontheffingsaanvraag positief afgewezen en mogen de werkzaamheden zonder ontheffing worden uitgevoerd. Zorgplicht De zorgplicht valt onder zowel de soortenbescherming (dier- en plantensoorten) als de gebiedsbescherming.
Onderstaand worden de maatregelen met betrekking tot zorgvuldig handelen weergegeven, zoals opgenomen artikel 1.11 en artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura-2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura-2000 gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
Artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming 3. Van zorgvuldig handelen is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: i. dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; ii. nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en iii. eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
GEBIEDSBESCHERMING Onder de gebiedsbescherming vallen de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Beschermde Natuurmonumenten, gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands) en houtopstanden. Natura2000 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elk Natura2000-gebied wordt door de betreffende provincie een beheerplan opgesteld, waarin de nodige instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen. Artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming stelt over Natura2000-gebieden het volgende: ‘ Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.’ De toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied gelegen is en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden. Als dit niet het geval is dan is verder onderzoek niet nodig.
Indien er wel sprake is van een effect op beschermde natuurwaarden is een aanvullende toetsing noodzakelijk, waarbij wordt vastgesteld in hoeverre er sprake is van een negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder het NNN vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij‟-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het "nee, tenzij‟- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij‟-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij‟-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming (houtopstanden) vallen: - alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. Wanneer voor het uitvoeren van werkzaamheden houtopstanden zoals hierboven beschreven gekapt moeten worden geldt een meldings- en herplantplicht. De kapmelding is geen kapvergunning. In sommige gemeenten is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Voordat gekapt wordt, is het raadzaam bij de gemeente na te vragen of een vergunning vereist is. Als dat zo is, moet die apart worden aangevraagd. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt. Binnen drie jaar nadat een bos is gekapt, moet het worden herplant. Deze termijn van drie jaar geldt ook als het bos door een calamiteit (brand, storm, ziekten of plagen) verloren gaat. Na drie jaar moet er een geslaagde herbebossing zijn uitgevoerd. Een herbeplanting die niet goed is aangeslagen moet, binnen 3 jaar na kap, worden ingeboet.
In de Wet natuurbescherming zijn verboden handelingen ten aanzien van houtopstanden opgenomen in artikel 4.2. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming 1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt; b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en c. de wijze waarop de melding wordt gedaan. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. De meldings- en herplantplicht is niet van toepassing: indien houtopstanden worden geveld ter uitvoering van instandhoudingsmaatregelen of ten behoeve van Natura2000-gebieden. - voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. In uitzonderingsgevallen kan een kapverbod worden opgelegd als het natuur- en landschapsschoon ernstig geschaad dreigt te worden door de voorgenomen kap.
In de praktijk gebeurt dit nagenoeg nooit. Er moet sprake zijn van opstanden of lanen van een uitzonderlijke natuurwaarde of landschappelijke waarde.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
BIJLAGE 12. MACHTIGING ONTHEFFINGSAANVRAAG
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
Bijlage
77
Bijlage 3
Compensatieplan NNN
Rho adviseurs voor leefruimte
COMPENSATIEPLAN NATUUR NETWERK NEDERLAND,
ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONE EN BELANGRIJK WEIDEVOGELGEBIED
M I L I E U B E H E E R
N214 IN DE ALBLASSERWAARD
COMPENSATIEPLAN NATUUR NETWERK NEDERLAND, ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONE EN BELANGRIJK WEIDEVOGELGEBIED N214 IN DE ALBLASSERWAARD
Colofon
Opdrachtgever:
Provincie Zuid-Holland Postbus 90602 2509 LP DEN HAAG
Adviesbureau:
VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs 010 -249 24 60 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl
Projectfoto's:
Dhr. A. Kolders
© VanderHelm Milieubeheer B.V.
Projectcode:
20180431
Status / versie
Concept, versie 2
Datum
7 januari 2020
Verantwoording
Auteur
Dhr. ing. A. Kolders
Kwaliteitscontrole
Mevr. ing. K.E. Orie-Vreugdenhil
Vrijgave
Mevr. M. Kortlever-Boer MSc
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 3 AANLEIDING .................................................................................................................................................................. 3 2. NNN KIPPENBOS ................................................................................................................................................ 4 3. BELANGRIJK WEIDEVOGELGEBIED ..................................................................................................................... 5 4. ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONE .................................................................................................................... 6 REFERENTIELIJST ................................................................................................................................................... 7
Compensatieplan naar NNN, ecologische verbindingszones en belangrijk weidevogelgebied N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20180431
2
1. INLEIDING VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van Provincie Zuid-Holland opdracht gekregen voor het opstellen van een compensatieplan ten behoeve van het groot onderhoud projectgebied N214 in de Alblasserwaard. AANLEIDING De oppervlakteverlies door ruimtebeslag en verstoring aan NNN, ecologische verbindingen en belangrijk weidevogelgebied dient met fysieke maatregelen gecompenseerd te worden. Om te bepalen wat het effect van de werkzaamheden op de natuurverbindingen en belangrijk weidevogelgebieden en het bepalen van de compensatieopgave is reeds een Nee tenzij toets opgesteld (VanderHelm Milieubeheer B.V. Nee tenzij toets. kenmerk IVPA161075). Voor wat betreft NNN dient deze compensatie plaats te vinden in:
nog niet gerealiseerde delen van de NNN of in de ecologische verbindingszones of aansluitend aan al bestaande natuur in de NNN; de nabijheid van het aangetaste gebied. Indien dit niet mogelijk is, dient dit aangetoond te worden; in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste gebied.
De compensatie dient de aangetaste wezenlijke kenmerken en waarden te compenseren en omhelst zowel de inrichting van het gebied ten behoeve van de gewenste natuur als het beheer voor tenminste vijf jaar (en in geval van bos tien jaar). Voor wat betreft weidevogelleefgebied dient deze compensatie plaats te vinden in de nabijheid van het aangetaste gebied. Indien dit niet mogelijk is, dient dit aangetoond te worden. De compensatie dient er voor te zorgen dat er netto geen verstoring is van het weidevogelleefgebied. De compensatie omhelst inrichtingsmaatregelen of actief weidevogelbeheer voor een bedrag gelijk aan de kosten voor beheer in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste weidevogelleefgebied, rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan van 1 april tot en met 15 juni voor een periode van 30 jaar. Indien fysieke maatregelen niet mogelijk zijn, of indien het te compenseren gebied niet groter is dan 3 hectare (NNN) of 5 hectare (weidevogelleefgebied) is een financiële compensatie mogelijk. Dit dient nader te worden omschreven in een compensatieplan.
Compensatieplan naar NNN, ecologische verbindingszones en belangrijk weidevogelgebied N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20180431
3
2. NNN KIPPENBOS Locatie De compensatie dient plaats te vinden in nog niet gerealiseerde delen van de NNN of aansluitend van al bestaande natuur. De locatie waar het NNN Kippenbos gerealiseerd kan worden dient afgestemd te worden met de Provincie Zuid-Holland. Inrichting De compensatiegronden binnen de NNN-begrenzing zullen indien nodig worden ingericht voor het in het Natuurbeheerplan 2017 vastgelegde ambitie beheertype ‘N14.02 Hoog- en Laagveenbos’ indien dit beter aansluit bij de naastgelegen percelen. Compensatiegronden buiten de NNN-begrenzing zullen worden ingericht gericht op het ambitie beheertype van het aangrenzende NNN-gebied. De kosten voor de basisinrichting is afhankelijk is van het natuurtype en de benodigde maatregelen, te berekenen volgens de standaardkosten zoals die in het Programma Groen zijn opgenomen, en bedragen €15.000 per hectare. (Bron: Uitvoeringsregeling Natuurcompensatie provincie Zuid-Holland). Met deze kosten is in de investeringsraming van het project rekening gehouden. Beheer De NNN-compensatie omvat een ontwikkelingstijd voor een duur van 30 jaar (conform de Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel). Compensatiegronden buiten NNN-begrenzing zullen worden en beheerd gericht op het ambitie beheertype.
De kosten voor de beheersmaatregelen betreffen een gemiddelde die over heel Nederland gezien nodig zijn om het beheertype in stand te houden. Afhankelijk van de regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype (Bron: BIJ12, prijspeil 2018). De kosten bedragen voor N14.02 Hoogen laagveenbos € 22,77 per hectare en per jaar (Bron: BIJ12, prijspeil 2018). Monitoring De structuur van hoog- en laagveenbossen loopt uiteen van heel gevarieerd tot eenvoudige bossen. Vanwege de grote variatie is daarom geen monitoring van structuurkenmerken opgenomen. Wel is het van belang om variatie in bosstructuur na te streven (open plekken, dode bomen en een goed ontwikkelde bosrand), dit is van groot belang voor broedvogels, dagvlinders en zoogdieren. Voor de planten en broedvogels dient 1x per 6 jaar een inventarisatie naar de kwalificerende soorten te worden uitgevoerd.