Bijlage 4 Groot onderhoud bijlagen
Tekst van het document
Op basis van deze gegevens kan aanwezigheid van beschermde elementen van de rosse vleermuis in het projectgebied worden uitgesloten. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
9
Lichtberekeningen Door Tauw B.V. zijn ten behoeve van aanwezige mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen ter plaatse van de kruising N214/N216 lichtberekeningen uitgevoerd voor de openbare weg en de (fiets)onderdoorgang en zijn een toelichtende notitie en tekening (ontwerp) opgesteld: Lichtberekening openbare weg: Tauw B.V., kenmerk DL01-1260742XSO-V04, d.d. 21-03-2019 Lichtberekening (fiets)onderdoorgang: Tauw B.V., kenmerk DL03-1260742XSO-V02, d.d. 27-02-2019 Notitie: Tauw B.V., kenmerk N006-1260742XSO-V03, d.d. 21-03-2019 Ontwerp: Tauw B.V., projectnummer 1260742, tekeningnummer: 23, Project: N214/N216 Gelijkvloerse kruising, Onderdeel: Openbare verlichting, d.d.21-03-2019 Ontwerp: Tauw B.V., projectnummer 1260742, tekeningnummer: 23, Project: N214/N216 Gelijkvloerse kruising, Onderdeel: Openbare verlichting, d.d. 21-08-2019 De uitgevoerde lichtberekeningen, notitie en het ontwerp zijn opgenomen in bijlage 6 (6-1 t/m 6-4). Het verlichtingsontwerp (bijlage 6-4) is aangepast ten opzichte van het ontwerp van 21-03-2019, ten gunste van de aanwezige mogelijk essentiële vliegroute van vleermuizen. De lantaarnpalen zijn verplaatst van de west- naar de oostkant van het fietspad, zodat de (reeds geringe) lichtuitstraling van de vliegroute af wordt gericht. De lichtberekening is hier niet op aangepast.
Op de bijgevoegde lichtberekening van de (fiets)onderdoorgang (bijlage 6-2) is te zien dat de lichtuitstraling niet tot aan de te behouden vliegroute rijkt. Het verplaatsen van de lichtmasten naar de oostzijde van de weg zal de uitstraling nog verder beperken. Aanvullend onderzoek heikikker en grote modderkruiper Voor de heikikker en grote modderkruiper is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een advies opgesteld met betrekking de uit te voeren mitigerende maatregelen, in de vorm van een briefrapport (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20171584, d.d. 26-02-2019). Dit briefrapport is verouderd en derhalve niet relevant voor onderhavig activiteitenplan. Naar aanleiding van het rapport is door mevr. ing. T. Deugd en dhr. ing. J. van Bussel op 12-03-2019 echter wel een aanvullende inspectie uitgevoerd voor het in kaart brengen van de verschillende habitattypen binnen het leefgebied van grote modderkruiper en de verbondenheid van de verschillende watersystemen ter plaatse van de Middenweg/Minkeloos. Door de waterdiepten en slibdiktes te meten is de aanwezigheid van geschikte delen voor voortplanting en overwintering van de grote modderkruiper ter plaatse van de te vergraven sloten in kaart gebracht. Door de opdrachtgever is de exacte omvang van de te vergraven watergangen, die leefgebied van de heikikker en grote modderkruiper betreffen, aangeleverd.
Met beide gegevens is de mitigatieomvang voor de heikikker en grote modderkruiper specifiek in kaart gebracht. Naar aanleiding van de resultaten van het aanvullende onderzoek is de mitigatieomvang bepaald en zijn de specifiek te nemen maatregelen opgesteld. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Monitoring 2020 In aanvulling op de reeds uitgevoerde ecologische onderzoeken wordt in 2020 een monitoringsonderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en broedvogels. Dit wordt uitgevoerd, op relevante locaties, om op de hoogte te blijven van de stand van zaken qua ecologie in het gebied, daar vleermuizen en vogels zich in de loop der tijd mogelijk verplaatsen naar andere verblijfslocaties. Daarnaast wordt op de hoogte gebleven van het actuele gebruik van de aangetroffen mogelijk essentiële vliegroute van de vleermuizen in het projectgebied. Afhankelijk van de resultaten van het monitoringsonderzoek kunnen mitigerende maatregelen, indien niet meer doeltreffend, worden aangepast in overleg met een deskundig ecoloog.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
10
3.1 RESULTATEN UITGEVOERDE ONDERZOEKEN Uit de uitgevoerde onderzoeken is gebleken dat in het projectgebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van buizerd, vleermuizen, heikikker, grote modderkruiper, categorie 5 vogels met voldoende alternatief, algemene broedvogels en algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen. In tabel 2 wordt per soort(groep) weergegeven welke en op welke locaties beschermde elementen ter plaatse van het hele tracé aanwezig zijn. Per beschermd element is met en * aangegeven als deze niet fysiek worden aangetast door de werkzaamheden. Tabel 2: Aangetroffen/te verwachten beschermde elementen Soort(groep) Aangetroffen/verwacht Deelgebied Vleermuizen Ruige dwergvleermuis Aangetroffen Deelgebied 2 Gewone dwergvleermuis Aangetroffen Deelgebied 4 Ruige dwergvleermuis Aangetroffen Deelgebied 4 Ruige dwergvleermuis Gewoneen ruige dwergvleermuis en baardvleermuis Vogels Buizerd Buizerd Buizerd Roek Roek Categorie 5 vogels, met voldoende alternatief Algemene broedvogels
Beschermd element 3 Paarverblijfplaatsen in bomen* 2 Paarverblijfplaatsen in bomen* 3 Paarverblijfplaatsen in bomen* 2 Paarverblijfplaatsen in een elektriciteitshuisje
Aangetroffen
Deelgebied 5
Aangetroffen
Hele tracé N214
Mogelijk essentiële vliegroute
Aangetroffen Aangetroffen Aangetroffen Aangetroffen Aangetroffen Aangetroffen
Deelgebied 2 Deelgebied 3 Deelgebied 4 Deelgebied 3 Deelgebied 6 Bomen en struiken, langs het tracé Bomen en struiken, langs het tracé
3 Nesten* 4 Nesten* 3 Nesten* 1 Nest* 5 Nesten*
Aangetroffen en verwacht
Nesten Nesten
Vissen Grote modderkruiper
Aangetroffen
Deelgebied 5
Grote modderkruiper
Aangetroffen
Deelgebied 7
Heikikker
Aangetroffen
Deelgebied 1
Heikikker
Aangetroffen
Deelgebied 2
Heikikker
Aangetroffen
Deelgebied 5
Voortplantings- en rustplaatsen en mogelijk overwinteringsplaatsen Voortplantings- en rustplaatsen en mogelijk overwinteringsplaatsen
Amfibieën
Overige soorten Algemene Bomen, struiken, bermen grondgebonden Verwacht en watergangen zoogdieren en amfibieën * Deze elementen worden niet fysiek aangetast door de werkzaamheden.
Voortplantings- en rustplaatsen en mogelijk overwinteringsplaatsen Voortplantings- en rustplaatsen en mogelijk overwinteringsplaatsen* Voortplantings- en rustplaatsen en overwinteringsplaatsen Verblijfplaatsen vrijgestelde soorten (zie paragraaf 3.2).
De exacte locaties van de beschermde elementen per soortgroep zijn opgenomen in de rapportages van de uitgevoerde onderzoeken. Een groot deel van de aangetroffen beschermde elementen van vleermuizen en vogels wordt niet aangetast/verstoord door de werkzaamheden. Veel bomen, die in eerste instantie gekapt zouden worden ten behoeve van onderhavig project, zijn na het uitvoeren van de soortgerichte onderzoeken buiten de scope geplaatst en zijn derhalve geen onderdeel meer van onderhavig activiteitenplan. Voor het kappen van deze bomen wordt een separaat traject gevolgd, met, wanneer kappen nodig blijkt, een separate ontheffingsaanvraag. Alle aangetroffen beschermde elementen zijn geprojecteerd op de huidige en vigerende situatietekeningen van het projectgebied. Deze kaarten zijn toegevoegd in bijlage 7. Door de werkzaamheden van onderhavig project worden de volgende beschermde elementen wel aangetast/verstoord: Een mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis. Voortplantings-, rust- en overwinteringsplaatsen van de heikikker. Voortplantings-, rust- en overwinteringsplaatsen van de grote modderkruiper.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
11
In paragraaf 3.1.1 tot en met 3.1.7 wordt per deelgebied (zoals aangegeven in afbeelding 1) alleen toegelicht welke beschermde elementen verloren gaan/verstoord worden door de geplande werkzaamheden van onderhavig project. De beschermde elementen zoals opgenomen in de situatiekaarten wijken enigszins af van de huidige situatie. De volgende beschermde elementen zijn in de loop der tijd op natuurlijke wijze verloren gegaan, waardoor deze geen onderdeel meer zijn van onderhavig activiteitenplan: - Tijdens de herfst/winterstorm van 2017/2018 zijn de bomen met daarin paarverblijfplaatsen van de gewone- en ruige dwergvleermuis uit boomvak 6 verloren gegaan. De verblijfplaatsen waren aanwezig in bomen met oude spechtgaten en die nagenoeg dood waren. Door de slechte conditie van de bomen zijn de verblijfplaatsen op een natuurlijke wijze verloren gegaan. - Tijdens de herfst/winterstorm van 2017/2018 is de aangetroffen nestboom van de ransuil (kruising N214/N216) verloren gegaan. Het nest was aanwezig in een gewone es waarin essentaksterfte was geconstateerd. Door de slechte conditie van de boom is het nest op een natuurlijke wijze verloren gegaan.
Aanvullend veldbezoek grote modderkruiper Naar aanleiding van de uitgevoerde aanvullende inspectie en de informatie van de opdrachtgever is een volledig beeld ontstaan van het habitat van de grote modderkruiper dat verloren gaat door de werkzaamheden. De resultaten van het veldbezoek zijn op kaarten weergegeven in paragraaf 3.1.1 t/m 3.1.7. Hieronder wordt voor de grote modderkruiper toegelicht welke habitattypen van de soort aanwezig zijn binnen het projectgebied. Overwinteringshabitat In de winter zoeken grote modderkruipers diepere en vorstvrije delen in de sloten met een dikke modderlaag op. Overwinteringsplekken zijn ook plekken waar grote modderkruipers perioden van droogte of zuurstofloosheid overbruggen. Deze zijn aanwezig in diepere delen die niet zo snel bevriezen of opdrogen. De watergangen die worden gedempt zijn vrij ondiep. Op sommige locaties is echter wel en dikke sliblaag aanwezig. De aanwezigheid van overwinteringshabitat van de grote modderkruiper binnen het projectgebied kan niet geheel worden uitgesloten, maar is tevens niet zeer aannemelijk. Waarschijnlijk bevinden overwinteringslocaties zich in de omgeving van de te dempen sloten. De watergangen fungeren mogelijk wel als migratieroutes tussen voortplantingshabitat en overwinteringshabitat. Voortplantingshabitat De watergangen zijn vanwege de geringe diepten wel zeer geschikt als voortplantingsplaats.
Door afwezigheid van beschutting zijn diverse wateren sterk zon-beschenen en rijk begroeid met onderwatervegetatie. Zoals in het Kennisdocument Grote modderkruiper genoemd maken deze ondiepe sloten, in agrarische gebieden, die in verbinding staan met de bredere sloten, onderdeel uit van het voortplantingshabitat. Verbinding watergangen Tijdens de inspectie is gebleken dat de watergangen ter plaatse van het onderzochte gebied Middenweg/Minkeloos middels een duiker in verbinding staan met elkaar. Ondanks dat ter plaatse van sample nummer 20185 geen e-DNA van de grote modderkruiper is aangetroffen kan de aanwezigheid van de soort hier niet geheel worden uitgesloten. Mogelijk wordt het tracédeel niet gebruikt als voortplantingsof overwinteringshabitat, maar wel als migratieroute. Dit zou de afwezigheid van e-DNA van de soort ten tijde van het onderzoek kunnen verklaren.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
12
3.1.1. DEELGEBIED 1: ROTONDE 1, VAK 3 EN OVERKANT VAK 3, KM 3.3 TOT KM 4.4 In deelgebied 1 gaan een stukje belangrijk foerageergebied van vleermuizen en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker verloren door de werkzaamheden (zie afbeelding 2). In het soortgericht onderzoek naar vleermuizen (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk IVPA161075, d.d.) is reeds aangegeven dat de te kappen bomen in het tracé, vanwege de geringe omvang, niet van belang zijn voor behoud van de mogelijk essentiële foerageerfunctie in het gebied. In het deelgebied blijven voldoende bomen over om de functie als volwaardig foerageergebied te behouden. In afbeelding 3 is te zien dat in de directe omgeving van de te kappen bomen voldoende bomen blijven staan die kunnen dienen als volwaardig foerageergebied voor vleermuizen. Berekend is dat op deze locatie 5.479 vierkante meter habitat van de heikikker verloren gaat (zie afbeelding 4). De overige aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient daarnaast rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van algemene broedvogels.
Afbeelding 2: Beschermde elementen deelgebied 1
Afbeelding 3: Te kappen bomen (rood gearceerd) i.r.t. hoeveelheid aanwezig groen in de directe omgeving.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
13
Afbeelding 4: Omvang habitat heikikker dat verloren gaat door de werkzaamheden deelgebied 1.
3.1.2 DEELGEBIED 2: DUIKER 38D04 In deelgebied 2 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren (zie afbeelding 5). De aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient wel rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen en habitat van de heikikker) en de broedperiode van de buizerd en algemene broedvogels.
Afbeelding 5: Beschermde elementen deelgebied 2.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
14
3.1.3 DEELGEBIED 3: BRUG 38D18 In deelgebied 3 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren (zie afbeelding 6). De aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient wel rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van de buizerd, roek en algemene broedvogels.
Afbeelding 6: Beschermde elementen deelgebied 3.
3.1.4 DEELGEBIED 4: VAK 5, VAK 6, VAK 8 EN VAK 9 In deelgebied 4 (deel 1 en deel 2) gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren (zie afbeeldingen 7 en 8). De aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient wel rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van de buizerd en algemene broedvogels.
Afbeelding 7: Beschermde elementen deelgebied 4, deel 1.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
15
Afbeelding 8: Beschermde elementen deelgebied 4, deel 2.
3.1.5 DEELGEBIED 5: N214/N216 In deelgebied 5 gaan een mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker en de grote modderkruiper verloren (zie afbeelding 9). In het soortgericht onderzoek ter plaatse van de kruising N214/N216 (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20170446, d.d. 23 november 2017) is in de conclusie opgenomen dat geen essentiële vliegroutes in het projectgebied aanwezig zijn, vanwege de geringe aantallen vleermuizen die er gebruik van maken (veelal slechts één exemplaar per soort per bezoek). De kruising betreft echter een lijnvormig geheel, dat in verbinding staat met het hele tracé N214. Door de werkzaamheden wordt de lijnvormige structuur onderbroken, wat een effect kan hebben op de aanwezige vleermuizen die gebruik maken van de N214. Gezien de essentiële functie van het gehele tracé N214 als vliegroute voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis is het van belang te allen tijde een verbinding te houden. Per veldbezoek ten tijde van het soortgericht onderzoek, ter plaatse van de hele N214, zijn 10-25 gewone dwergvleermuizen, 0-11 ruige dwergvleermuizen en 0-15 baardvleermuizen waargenomen.
Derhalve wordt ervan uitgegaan dat de kruising in dit deelgebied tevens een mogelijk essentiële functie heeft in het geheel, ondanks de geringe aantallen vleermuizen die zijn waargenomen tijdens de veldbezoeken van het soortgericht onderzoek op de locatie van de kruising N214/N216. Voor de overzichtelijkheid zijn op afbeelding 10 de beschermde elementen van vleermuizen en in afbeelding 11 de beschermde elementen van de heikikker en de grote modderkruiper die verloren gaan nader verbeeld. Berekend is dat op deze locatie 2.513 vierkante meter habitat van de grote modderkruiper verloren gaat. De overige aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient daarnaast rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van algemene broedvogels.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
16
Afbeelding 9: Beschermde elementen deelgebied 5.
Afbeelding 10: Beschermde elementen vleermuizen. Te behouden groen is groen gearceerd. Fysiek te behouden vliegroutes zijn aangegeven met gele pijlen en vliegroutes die verloren gaan zijn aangegeven met blauwe pijlen.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
17
Afbeelding 11: Omvang habitat grote modderkruiper dat verloren gaat door de werkzaamheden deelgebied 5.
3.1.6 DEELGEBIED 6: VAK 14 In deelgebied 6 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren (zie afbeelding 12). De aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient wel rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van de roek en algemene broedvogels.
Afbeelding 12: Beschermde elementen deelgebied 6.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
18
3.1.7 DEELGEBIED 7: MINKELOOS In deelgebied 7 gaan voortplantings- en rustplaatsen van de grote modderkruiper verloren (zie afbeelding 13). Berekend is dat op deze locatie 3152 vierkante meter en 1448 vierkante meter habitat van de grote modderkruiper verloren gaat (zie afbeeldingen 14 en 15). De overige aanwezige beschermde elementen worden niet aangetast door de werkzaamheden. In het gebied dient daarnaast rekening gehouden te worden met zorgplichtmaatregelen (zoals voorkomen van (licht)verstoring van vleermuizen) en de broedperiode van algemene broedvogels.
Afbeelding 13: Beschermde elementen deelgebied 7.
Afbeelding 14: Omvang habitat grote modderkruiper dat verloren gaat door de werkzaamheden deelgebied 7, deel 1.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
19
Afbeelding 15: Omvang habitat grote modderkruiper dat verloren gaat door de werkzaamheden deelgebied 7, deel 2.
3.2 GEBRUIK VAN VRIJSTELLINGEN OF GEDRAGSCODES De gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker zijn beschermde inheemse diersoorten die zijn opgenomen in bijlage IV, onderdeel a, van de Habitatrichtlijn. Het opzettelijk doden en opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker betreffen overtredingen van artikel 3.5, Lid 1, en artikel 3.5, Lid 2, van de Wet natuurbescherming. Het opzettelijk vernielen of rapen van eieren van de heikikker betreft een overtreding van artikel 3.5, lid 3, van de Wet natuurbescherming. Het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker betreft een overtreding van artikel 3.5, Lid 4, van de Wet natuurbescherming. De grote modderkruiper is een beschermde inheemse diersoort die is opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Onder lid 1a is opgenomen dat het verboden is om de grote modderkruiper opzettelijk te doden of te vangen. Onder lid 2b is opgenomen dat het verboden is om vaste voortplantingsof rustplaatsen van de grote modderkruiper opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Gedragscode De werkzaamheden, groot onderhoud aan de N214, vallen onder de noemer 'ruimtelijke ontwikkeling en inrichting'.
Voor zowel Europees als Nationaal beschermde soorten geldt dat werkzaamheden in het kader van 'ruimtelijke ontwikkeling en inrichting' uitgevoerd kunnen worden volgens een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode, mits de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de soorten behouden blijft en een gedragscode voor de betreffende soort beschikbaar is. Voor vleermuizen, grote modderkruiper en heikikker is een dergelijke gedragscode (nog) niet beschikbaar. Derhalve kunnen de werkzaamheden, met betrekking tot de aanwezigheid van vleermuizen, grote modderkruiper en heikikker, niet onder een gedragscode worden uitgevoerd. Als de verbodsbepalingen uit de artikelen 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming worden overtreden dient, bij werkzaamheden die in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting worden uitgevoerd, voor soorten die zijn opgenomen in bijlage IV, onderdeel a, van de Habitatrichtlijn en voor soorten die zijn opgenomen in artikel 3.10, een ontheffing te worden aangevraagd voor overtreding van de betreffende verbodsbepalingen.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
20
Vrijstelling Middels een vrijstellingsregeling kan in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend worden voor nationaal beschermde diersoorten (algemene en laag beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën). Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten blijft wel de algemene zorgplicht van kracht. Per provincie wordt een vrijstellingslijst opgesteld. Elke provincie kan ervoor kiezen om verschillende soorten vrij te stellen. In het projectgebied komen geen nationaal beschermde diersoorten voor die niet zijn vrijgesteld door de Provincie Zuid-Holland. Derhalve kunnen de werkzaamheden, met betrekking tot de aanwezigheid van nationaal beschermde soorten, worden uitgevoerd onder de vrijstellingsregeling. Voor deze soorten moet alleen rekening gehouden worden met de zorgplicht. Vogels met een jaarrond beschermde nest – categorie 2 en 4 Uit de uitgevoerde soortgerichte onderzoeken (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk IVPA161075, d.d. 23 november 2017; VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20170446, d.d. 23 november 2017) is gebleken dat in de omgeving van het projectgebied diverse buizerdnesten en roekennesten aanwezig zijn. Deze nesten zijn jaarrond beschermd, ook als deze niet in gebruik zijn om te broeden. De nesten zelf worden niet verwijderd door de werkzaamheden.
Door het uitvoeren van maatregelen kan worden voorkomen dat exemplaren van de buizerd en de roek worden verstoord door de werkzaamheden. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Vogels met een jaarrond beschermd nest – categorie 5 met voldoende alternatief Uit de uitgevoerde quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk IVPA160765, d.d. 15-07-2016) is gebleken dat in het projectgebied de volgende categorie 5 soorten aanwezig zijn: grote bonte specht, spreeuw, boomkruiper, koolmees en pimpelmees. Voor jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 geldt echter dat als in de omgeving voldoende alternatief aanwezig is, de nesten een gelijke beschermingsstatus hebben als niet-jaarrond beschermde nesten. In dit geval is voor alle aanwezige en te verwachten soorten voldoende alternatief in de omgeving en geldt de bescherming alleen wanneer een broedgeval aanwezig is. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Algemene broedvogels Er worden niet- jaarrond beschermde nesten verwacht van soorten die in bomen, struiken en watergangen broeden. Hierbij dient te worden gedacht aan soorten als de waterhoen, meerkoeten, fuut, wilde eend, spotvogel, tuinfluiter, fitis, houtduif, tjiftjaf, zwartkop, vink, rietzanger en kleine karekiet. De nesten van deze soorten zijn beschermd zolang ze in gebruik zijn om te broeden.
De bescherming van deze nesten is geregeld middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De periode dat er de meeste kans is op verstoring van niet- jaarrond beschermde nesten ligt in het voorjaar en de zomer. Als er in deze gevoelige periode wordt gewerkt moet rekening worden gehouden met broedvogels en moeten eventueel maatregelen worden uitgevoerd om verstoring te voorkomen. In het projectgebied broeden mogelijk algemene broedvogels. In het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting dient bij het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming een ontheffing te worden aangevraagd. Het verstoren van broedvogels betreft een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn opgenomen in box 2. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen (globaal van maart tot en met augustus) dient door middel van een broedvogelinspectie gecontroleerd te worden of broedende vogels aanwezig zijn. Indien mogelijk kunnen potentiële broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt voor algemene broedvogels om in te broeden. Dit dient te worden beoordeeld door een deskundig ecoloog.
Zo kan bij bijvoorbeeld bomen en struiken gekeken worden of een gepaste afstand genomen kan worden, of dat de locatie voor het broedseizoen ongeschikt moet worden gemaakt door bijvoorbeeld het plaatsen van een vogelnet of snoeien van het groen. Door voorafgaand maatregelen te treffen wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden en dient dus geen ontheffing te worden aangevraagd voor algemene broedvogels.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
21
Box 2: verbodsbepalingen artikel 3.1, 3.10 en artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming Lid 1: Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te verstoren. Lid 3: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Nationaal beschermde dier- en plantensoorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. In het in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
3.3 MOGELIJKE OVERTREDINGEN WET NATUURBESCHERMING Door het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen diverse verbodsbepalingen zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming overtreden worden. Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen kan het overtreden van een aantal verbodsbepalingen voorkomen worden. De uit te voeren mitigerende maatregelen staan beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 7 wordt beschreven voor welke verbodsbepalingen uiteindelijk een ontheffing aangevraagd dient te worden. Hieronder worden de mogelijk te overtreden verbodsbepalingen uiteengezet, indien geen aanvullende maatregelen worden getroffen. Artikel 3.1 van de Wet Natuurbescherming Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Door de werkzaamheden worden mogelijk nesten, rustplaatsen en eieren van de buizerd en de roek beschadigd of vernield. Verstoring tijdens gevoelige perioden kan leiden tot het beschadigen of vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren. Bij onderhavig project kan worden voorkomen dat artikel 3.1, lid 2 wordt overtreden door de werkzaamheden. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
Exemplaren van de buizerd en de roek kunnen worden gestoord wanneer de nesten of rustplaatsen in gebruik zijn tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast kunnen exemplaren van de soort worden gestoord als deze moeten uitwijken naar een alternatieve verblijfplaats. Bij onderhavig project kan worden voorkomen dat artikel 3.1, lid 4 wordt overtreden door de werkzaamheden.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
22
Artikel 3.5 van de Wet Natuurbescherming Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Door de werkzaamheden worden mogelijk exemplaren van de heikikker gedood wanneer deze aanwezig zijn in de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen ten tijde van de werkzaamheden. Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Door de werkzaamheden kunnen exemplaren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker worden verstoord als deze gebruik maken van vliegroutes, foerageergebied, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen ten tijde van de werkzaamheden. Daarnaast kunnen exemplaren van deze soorten worden verstoord als deze moeten uitwijken naar alternatieve vliegroutes, foerageergebieden of verblijfplaatsen. Lid 3: Het is verboden om eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Eieren van de heikikker kunnen worden vernield als de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens de gevoelige voortplantingsperiode van deze soort.
Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Door de werkzaamheden worden mogelijk vliegroutes, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en heikikker beschadigd of vernield. Verstoring tijdens gevoelige perioden of het ontbreken van voldoende alternatieven kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vliegroutes, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming Lid 1a: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Door de werkzaamheden kunnen exemplaren van de grote modderkruiper worden gedood wanneer deze aanwezig zijn in de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen ten tijde van de werkzaamheden. Lid 1b: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Door de werkzaamheden worden mogelijk voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de grote modderkruiper beschadigd of vernield.
Verstoring tijdens gevoelige perioden of het ontbreken van voldoende alternatieven kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
23
4. MAATREGELEN Om negatieve effecten op de aanwezige beschermde elementen zoveel als mogelijk te voorkomen en daarmee de lokale gunstige staat van instandhouding van de soorten te behouden worden mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen. Mitigerende maatregelen hebben als doel de negatieve effecten op de plaats van de handeling tot een minimum te beperken. Hierbij kan worden gedacht aan het tijdig ongeschikt maken van de aanwezige nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen en het waarborgen van de functionaliteit van deze verblijfplaatsen in zowel de tijdelijke als de definitieve situatie. Compenserende maatregelen worden op een andere locatie getroffen om de effecten op een populatie achteraf te herstellen. Hierbij kan worden gedacht aan het realiseren van nieuw geschikt en permanent leefgebied op een andere locatie. 4.1 MITIGERENDE MAATREGELEN In het projectgebied dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van vleermuizen, buizerd, roek, algemene broedvogels, heikikker, grote modderkruiper en algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen. Zoals in hoofdstuk 3 reeds aangegeven wordt in 2020 een monitoringsonderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en broedvogels.
Uit de monitoring kan blijken dat dezelfde beschermde elementen nog steeds aanwezig zijn of juist niet meer aanwezig zijn (door bijvoorbeeld bomen die op natuurlijke wijze verloren gaan, als genoemd in hoofdstuk 3), beschermde elementen zijn verplaatst (zoals buizerd met een andere nestlocatie) of dat nieuwe beschermde elementen worden aangetroffen. Naar aanleiding van deze monitoring worden de mitigerende maatregelen in overleg met een deskundig ecoloog indien nodig aangepast. Voor de paarverblijfplaatsen van vleermuizen, mogelijk essentiële vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen (met uitzondering van deelgebied 5: N214/N215), nesten van de buizerd, roek en algemene broedvogels en verblijfplaatsen van algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren dient rekening gehouden te worden met de broedperiode en zorgplichtmaatregelen. Voor deze beschermde elementen wordt voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd buiten de gevoelige perioden van de aanwezige zwaarder beschermde diersoorten. In tabel 4 is in een natuurkalender weergegeven wat gevoelige perioden zijn van de soorten waarmee rekening dient te worden gehouden. De kleuren in de tabel geven aan wanneer werkzaamheden onder bepaalde voorwaarden kunnen worden uitgevoerd. De weergegeven perioden fungeren als richtlijn.
De grenzen kunnen iets verschuiven als gevolg van bijvoorbeeld weersinvloeden. Dit is te bepalen door een deskundige op het gebied van de betreffende soort. Tabel 4: Natuurkalender Kwetsbare perioden
Jan
feb
Buizerd
Mrt
Apr
Mei
Juni
Juli
Aug
Sept
Okt
Nov
Dec
Broedperiode
Roek
Broedperiode
Algemene broedvogels
broedperiode
Vleermuizen, gebruik vliegroute en foerageergebied Heikikker Grote modderkruiper Algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren,
Actieve periode Winterrust Winterrust
Voortplantingsperiode
Winterrust
Voortplantingsperiode
Winterrust
amfibieën en vissen Kwetsbare periode, werkzaamheden kunnen niet uitgevoerd worden, behalve als uit een broedvogelinspectie blijkt dat geen broedvogels aanwezig zijn. Actieve periode, werkzaamheden kunnen overdag doorgang vinden. Verlichting/belemmering van vliegroutes en verblijfplaatsen in de nacht moet worden voorkomen. Kwetsbare periode, werkzaamheden kunnen niet uitgevoerd worden, behalve na ongeschikt maken en wegvangen van dieren voorafgaand aan de betreffende periode. Werkzaamheden kunnen doorgang vinden met inachtneming van (zorgplicht) maatregelen en werkzaamheden in het water buiten vorstperiodes. Meest geschikte periode voor de uitvoering van de werkzaamheden.
De meest geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is per deelgebied verschillend, omdat per deelgebied andere beschermde elementen aanwezig zijn. Hieronder zijn per soortgroep de algemene maatregelen opgenomen. Vervolgens wordt per deelgebied verwezen naar de uit te voeren algemene maatregelen uit paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.6., aangevuld met de specifieke maatregelen voor het betreffende deelgebied. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
24
4.1.1 MAATREGELEN ALGEMENE BROEDVOGELS Ten aanzien van algemene broedvogels worden de volgende maatregelen gehanteerd (hiermee wordt voorkomen dat artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voor algemene broedvogels wordt overtreden): Tijdens het broedseizoen worden in principe geen werkzaamheden uitgevoerd. Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van 1 maart tot eind augustus. Dit is echter afhankelijk van weersinvloeden en de vogelsoorten die in het projectgebied worden verwacht. De duur van het broedseizoen kan worden bepaald door een deskundig ecoloog. Indien tijdens de werkzaamheden nesten van vogels worden aangetroffen, worden de werkzaamheden direct gestopt en wordt contact opgenomen met een deskundig ecoloog. Vervolgens wordt gehandeld conform box 2. Ter voorkoming van het aantrekken van oeverzwaluwen worden in de periode van april tot en met september voorkomen dat steile zandwanden in het gebied aanwezig zijn. Steile wanden dienen te worden afgevlakt of afgedekt met bijvoorbeeld wegendoek. Box 3: Werkwijze bij aanwezigheid van broedende vogels De opdrachtgever en uitvoerder worden op de hoogte gebracht van de locatie.
Via de uitvoerder wordt het personeel op de locatie op de hoogte gebracht. Na het markeren worden de nesten niet meer gestoord. Het nest wordt na het ontdekken gevolgd (monitoren). Hierbij wordt gelet op aanwezigheid van broedende of alarmerende ouders. Het monitoren gebeurt van een afstand met behulp van verrekijker ( telescoop). Gedurende de broedperiode mag in de directe omgeving van het nest niet gewerkt worden. De afstand en periode worden per situatie door een deskundige bepaald. Nadat de jonge kuikens het nest hebben verlaten wordt doorgaans het nest niet meer gebruikt. Na het verlaten van het nest kunnen de werkzaamheden hervat worden.
4.1.2 MAATREGELEN BUIZERD Alle bomen met buizerdnesten in het projectgebied blijven behouden. Werkzaamheden binnen een verstoringsafstand van 75 meter rondom een nestlocatie van een buizerd worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van de buizerd loopt globaal van februari tot en met augustus. Hiermee wordt voorkomen dat artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voor de soort wordt overtreden. 4.1.3 MAATREGELEN ROEK Alle bomen met roekennesten in het projectgebied blijven behouden. Werkzaamheden binnen een verstoringsafstand van 75 meter rondom een nestlocatie van een roek worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van de roek loopt globaal van februari tot en met juli. Hiermee wordt voorkomen dat artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voor de soort wordt overtreden. 4.1.4 MAATREGELEN HEIKIKKER In het Kennisdocument Heikikker (BIJ12, 2017) is opgenomen dat als het gebied slechts een zeer gering aantal heikikkers herbergt en deel uitmaakt van een gebied met veel heikikkers, proportioneel gehandeld moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan kwaliteitsverbetering van bestaand gebied. In het projectgebied zijn op drie locaties heikikkers aangetroffen. Op één van de locaties wordt daadwerkelijk leefgebied aangetast.
Het aanwezige leefgebied van de heikikker in het projectgebied maakt onderdeel uit van een zeer omvangrijk geschikt leefgebied van de soort in de omgeving. Uit onderzoek door Arvalis Natuur & Landschap (Arvalis Natuur & Landschap, 2018) blijkt dat de heikikker wijdverspreid over de Alblasserwaard voorkomt en dat derhalve veel geschikt leefgebied voor de soort in de directe omgeving aanwezig is. Realisatie alternatief leefgebied Vanuit het Waterschap Rivierenland wordt geëist dat de watergangen in het projectgebied 1 op 1 worden gecompenseerd, voordat deze worden gedempt. Dit betekent dat voor de heikikker reeds alternatieve watergangen worden gegraven, voordat het huidige leefgebied binnen het projectgebied verloren gaat. Nadat de nieuwe watergangen zijn gegraven worden deze direct functioneel gemaakt als leefgebied voor de heikikker. In afbeelding 16 is een voorbeeld weergegeven hoe het nieuwe functionele leefgebied van de heikikker er in de nieuwe situatie uit moet komen te zien. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
25
Afbeelding 16: Voorbeeld geschikt leefgebied voor de heikikker (Stichting RAVON, 2015).
Voor het functioneel maken van het nieuwe leefgebied voor de heikikker worden de volgende maatregelen gehanteerd: Werkzaamheden die invloed hebben op habitat van de heikikker worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare perioden van de soort (voortplantingsperiode loopt globaal van 15 februari tot en met 15 juli en winterrustperiode loopt globaal van oktober tot en met 15 februari). De meest gunstige periode voor het dempen van de huidige watergangen betreft de periode 15 juli tot 1 oktober. Door het uitvoeren van werkzaamheden in deze periode wordt voorkomen dat artikel 3.5, lid 3 (opzettelijk vernielen of rapen van eieren), wordt overtreden door de werkzaamheden. Werkzaamheden in watergangen dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundig ecoloog, zodat geborgd wordt dat de maatregelen op een juiste manier worden uitgevoerd en exemplaren van de heikikker niet opzettelijk worden gestoord/gedood. Hiermee wordt voorkomen dat artikel 3.5, lid 1 (opzettelijk doden van exemplaren), wordt overtreden door de werkzaamheden. Voorafgaand aan het vergraven/dempen van watergangen wordt nieuw leefgebied gerealiseerd door de huidige watergangen aan één kant uit te breiden. De uitbreidingskant wordt dieper ontgraven dan de huidige watergang.
Aan de uitbreidingskant worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd, zodat diepere en ondiepere waterdelen worden gecreëerd voor voortplanting, maar ook landhabitat voor overwintering. Na het realiseren van nieuw leefgebied worden de oorspronkelijke watergangen gedeeltelijk richting open water gedempt (in de richting van het nieuw gerealiseerde leefgebied). Het aanwezige bodemleven, inclusief waterplanten, blijft (in de meeste watergangen) bestaan en worden door de werkzaamheden alleen een deel opgeschoven naar het nieuw gegraven (diepere) deel. Daar waar kleine delen van een watergang wel in zijn geheel gedempt worden zal het bodemleven zoveel als mogelijk behouden blijven en worden verplaatst naar nieuw gegraven water. De werkzaamheden worden vanwege de omvang van het projectgebied gefaseerd uitgevoerd, waardoor het aanwezige waterleven de kans krijgt om te vluchten naar omringend leefgebied. Door de gefaseerde uitvoering krijgt het water tevens de kans om te bezinken, waardoor het direct weer geschikt is als nieuw leefgebied voor de heikikker.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
26
4.1.5 MAATREGELEN GROTE MODDERKRUIPER In het Kennisdocument Grote modderkruiper (BIJ12, 2017) is opgenomen dat als de watergangen die gedempt worden slechts een zeer gering aantal grote modderkruipers herbergt en deel uit maken van een gebied met veel grote modderkruipers, proportioneel gehandeld moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan kwaliteitsverbetering van bestaande watergangen buiten de invloedsfeer van de activiteiten, bijvoorbeeld door aanleg van natuurvriendelijke oevers en het verplaatsen van de weggevangen exemplaren naar deze delen. In het projectgebied zijn op twee locaties grote modderkruipers aangetroffen. Op beide locaties wordt daadwerkelijk leefgebied aangetast. Het aanwezige leefgebied van de grote modderkruiper in het projectgebied maakt onderdeel uit van een zeer omvangrijk geschikt leefgebied van de soort in de omgeving. Uit onderzoek door Stichting RAVON (Stichting RAVON, rapportnummer 2016.081, d.d. 20-012017) blijkt dat het aantal sloten waar de soort voor zou kunnen komen, op basis van habitat, groot is. In het rapport wordt geadviseerd om natuurvriendelijke oevers aan te leggen en gefaseerd te baggeren en slootschonen, waardoor wordt bijgedragen aan het behoud en versterken van de populaties grote modderkruiper in het gebied.
Realisatie alternatief leefgebied Vanuit het Waterschap Rivierenland wordt geëist dat de watergangen in het projectgebied 1 op 1 worden gecompenseerd, voordat deze worden gedempt. Dit betekent dat voor de grote modderkruiper reeds alternatieve watergangen worden gegraven, voordat het huidige leefgebied binnen het projectgebied verloren gaat. Nadat de nieuwe watergangen zijn gegraven is het belangrijk deze functioneel te maken als leefgebied voor de grote modderkruiper. In afbeelding 17 is schematisch weergegeven hoe het nieuwe functionele leefgebied van de grote modderkruiper er in de nieuwe situatie uit moet komen te zien.
Afbeelding 17: Schematische tekening van de verschillende onderdelen van het functionele leefgebied van de grote modderkruiper, dwarsdoorsnede (BIJ12, 2017, Kennisdocument Grote modderkruiper).
Voor het functioneel maken van het nieuwe leefgebied voor de grote modderkruiper worden de volgende maatregelen gehanteerd: Werkzaamheden die invloed hebben op habitat van de grote modderkruiper worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare perioden van de soort (voortplantingsperiode loopt globaal van april tot en met augustus en winterrustperiode loopt globaal van november tot en met maart). De meest gunstige periode voor het dempen van de huidige watergangen betreft de periode 15 juli tot 1 oktober. Werkzaamheden in watergangen dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundig ecoloog, zodat geborgd wordt dat de maatregelen op een juiste manier worden uitgevoerd en exemplaren van de grote modderkruiper niet opzettelijk worden gestoord/gedood. Hiermee wordt voorkomen dat artikel 3.10, lid 1 (opzettelijk doden van exemplaren), wordt overtreden door de werkzaamheden. Voorafgaand aan het vergraven/dempen van watergangen wordt nieuw leefgebied gerealiseerd door de huidige watergangen aan één kant uit te breiden. De uitbreidingskant wordt dieper ontgraven dan de huidige watergang, zodat ook overwinteringshabitat wordt gerealiseerd. De oevers lopen flauw op, zodat deze geschikt zijn voor voortplanting. De nieuw te graven watergangen worden direct aangesloten op het waternetwerk, waardoor migratie van grote modderkruipers niet wordt belemmerd.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
27
Aan de uitbreidingskant dienen natuurvriendelijke oevers te worden gerealiseerd, zodat diepere en ondiepere waterdelen worden gecreëerd voor voortplanting en overwintering. Na het realiseren van nieuw leefgebied worden de oorspronkelijke watergangen gedeeltelijk richting open water gedempt (in de richting van het nieuw gerealiseerde leefgebied). Het aanwezige bodemleven, inclusief waterplanten, blijft (in de meeste watergangen) bestaan en worden door de werkzaamheden alleen een deel opgeschoven naar het nieuw gegraven (diepere) deel. Daar waar kleine delen van een watergang wel in zijn geheel gedempt worden zal het bodemleven zoveel als mogelijk behouden blijven en worden verplaatst naar nieuw gegraven water. De werkzaamheden worden vanwege de omvang van het projectgebied gefaseerd uitgevoerd, waardoor het aanwezige waterleven de kans krijgt om te vluchten naar omringend leefgebied. Door de gefaseerde uitvoering krijgt het water tevens de kans om te bezinken, waardoor het direct weer geschikt is als nieuw leefgebied voor de grote modderkruiper.
4.1.6 MAATREGELEN BEHOUD MOGELIJK ESSENTIËLE VLIEGROUTE VLEERMUIZEN Aanvullend op bovenstaande maatregelen dient in dit deelgebied gezorgd te worden dat de functionaliteit van de aanwezige mogelijk essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis zowel gedurende als na de werkzaamheden behouden blijft. De vleermuizen moeten te allen tijde in staat blijven om van en naar verblijfplaatsen en foerageergebieden te vliegen. De eisen waar zowel de tijdelijke als definitieve vliegroute aan dienen te voldoen zijn hieronder opgenomen. Onderstaande eisen worden meegegeven met de aanbestedingsdocumenten richting de aannemers. De aannemers dienen voorafgaand aan de uitvoering ter goedkeuring een plan van aanpak aan te leveren over op welke manier zij gaan voldoen aan de gestelde eisen voor de tijdelijke en permanente alternatieve vliegroute. Eisen tijdelijke alternatieve vliegroute: Het kappen van bomen met een functie als onderdeel van de mogelijk essentiële vliegroute wordt uitgevoerd in de periode november tot en met maart (buiten de actieve periode van vleermuizen). Ter tijdelijke mitigatie van de aanwezige vliegroute wordt een tijdelijke alternatieve vliegroute gerealiseerd, op de locatie zoals aangegeven in afbeelding 15 (de rand van het werkterrein).
De tijdelijke alternatieve vliegroute wordt gerealiseerd door het plaatsen van voorzieningen (schermen en/of palen). Deze voorzieningen dienen aan te sluiten op aanwezig en te behouden groen, ook qua hoogte en keuze voor enkel- of dubbelscherm. De locatie van de tijdelijke alternatieve vliegroute is met een roze stippellijn aangegeven in afbeelding 18. De tijdelijke alternatieve vliegroute dient te allen tijde minstens zo donker de zijn als de aan te tasten vliegroute in de huidige situatie. De te behouden vliegroutes dienen te allen tijde minstens zo donker te blijven als in de huidige situatie. In eerste instantie dient gebruik te worden gemaakt van schermen. Deze moeten minimaal 2 meter hoog zijn en op palen staan van minimaal 1.5 meter hoog (totale hoogte minimaal drie meter). Het scherm kan zowel van stuifzanddoek zijn als van gaaswerk met een maximale maaswijdte van 1,5 centimeter of gemaakt zijn van rietstengels of wilgentenen. De voorzieningen moeten minimaal een maand in de actieve periode (april t/m oktober) voorafgaand aan het verwijderen van de oorspronkelijke vliegroute aanwezig zijn. In het actieve seizoen wordt de tijdelijke alternatieve vliegroute regelmatig gecontroleerd op functionaliteit en indien nodig hersteld. Met name na stormachtig weer dient extra te worden gecontroleerd.
Het plan van aanpak vanuit de aannemer, inzake de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de tijdelijke alternatieve vliegroute, dient voorafgaand aan de uitvoering ter goedkeuring te worden voorgelegd aan een deskundig ecoloog.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
28
Afbeelding 18. Locatie tijdelijke alternatieve vliegroute met een roze stippellijn, ten opzichte van te behouden groen (groen gearceerd), fysiek te behouden vliegroutes (gele pijlen) en vliegroutes die verloren gaan (blauwe pijlen).
Eisen permanente alternatieve vliegroute: In de nieuwe situatie wordt nieuwe beplanting gerealiseerd, wat op termijn gaat fungeren als volwaardige alternatieve vliegroute. De beplanting dient te voldoen aan de volgende eisen (nader gevisualiseerd in afbeelding 19): o Een bomenrij wordt geplaatst parallel aan de geplaatste tijdelijke alternatieve vliegroute. o De bomen hebben een hoogte van minimaal 5 meter, met een onderste kroonbreedte van minimaal 2,5 meter. o De plantafstand is maximaal 7 meter. De permanente alternatieve vliegroute dient te allen tijde minstens zo donker de zijn als de aan te tasten vliegroute in de huidige situatie. De te behouden vliegroutes dienen te allen tijde minstens zo donker te blijven als in de huidige situatie. De tijdelijke voorzieningen blijven staan totdat de nieuwe beplanting functioneert als volwaardige vliegroute. Dit kan enkele jaren tijd in beslag nemen (een periode van minimaal 1 tot 2 jaar). Voorafgaand aan het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen, en na het door een deskundig ecoloog functioneel verklaren van de nieuwe beplanting als volwaardige vliegroute, wordt een gewenningstijd gehanteerd van minimaal één maand in de actieve periode (april tot en met oktober) waarin zowel de huidige vliegroute als de tijdelijke vliegroute beiden aanwezig zijn. Werkzaamheden worden in eerste instantie overdag uitgevoerd.
Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht wordt voorkomen. Indien nachtelijke verlichting noodzakelijk is wordt de toepassing voorafgaand aan de uitvoering afgestemd met een deskundig ecoloog. Verlichting dient bijvoorbeeld niet gericht te worden op de (alternatieve) vliegroute en groen in de omgeving. Het licht dient goed gericht te worden en/of aangepaste armaturen dienen te worden gebruikt, zodat licht niet naar boven uitstraalt. Het plan van aanpak vanuit de aannemer, inzake de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de permanente alternatieve vliegroute, dient voorafgaand aan de uitvoering ter goedkeuring te worden voorgelegd aan een deskundig ecoloog.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
29
Afbeelding 19: Visualisatie eisen permanente alternatieve vliegroute.
Maatregelen verlichting Het beoordelen van de effecten van de nieuwe verlichting op de aanwezige mogelijk essentiële vliegroute is gebaseerd op de gegevens van de huidige situatie (bijlage 2-7), de uitgevoerde lichtberekening van de kruising N214-N216 (bijlage 6) en aangeleverde informatie van de Openbaar verlichtingsadviseur van de Provincie Zuid-Holland. Huidige situatie In de huidige situatie zijn ter plaatse van de kruising lichtmasten geplaatst van het type ‘SGS 453 GB’ met lamptypen SON-T PIA plus 100W en 150W. Uitzondering hierop zijn twee lichtmasten met type ‘SRS 201’ met lamptypen SOX 135W. De locaties van de masten in de huidige situatie zijn opgenomen in bijlage 2. De lampen in de huidige situatie creëren een ‘deken van licht’ vanuit de masten, waardoor de gehele kruising N214-N216 wordt verlicht. Een voorbeeld van de uitstraling van de masten in de huidige situatie is opgenomen in afbeelding 20.
Afbeelding 20: Lichtuitstraling lichtmasten huidige situatie. Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
30
Nieuwe situatie – verlichting kruising In de nieuwe situatie worden lichtmasten met armatuurtype Philips Luma BGP625 LED geplaatst. De masten zijn 10 meter hoog en de lichtkleur is neutraal wit. In eerste instantie waren de masten aan de westzijde van het fietspad geplaatst. Om de minimale (in principe verwaarloosbare) lichtverstoring van de te behouden vliegroute voor vleermuizen nog verder te minimaliseren is gekozen de masten aan de oostzijde van het fietspad te plaatsen (van de vliegroute af). In tegenstelling tot de oude masten zijn de nieuwe masten beter stuurbaar en alleen op de weg gericht. Hiermee wordt lichtuitstrooiing naar achteren voorkomen. Op de nieuwe masten wordt bovendien een dimsysteem toegepast, waarbij de verlichting om 22:00 uur zal afnemen tot 70% en om 00:00 uur tot 50%. In de nieuwe situatie wordt de alternatieve vliegroute daarmee uiteindelijk minstens even donker (als niet donkerder) dan in de huidige situatie. Een voorbeeld van de uitstraling van de masten in de nieuwe situatie is opgenomen in afbeelding 21.
Afbeelding 21: Voorbeeld lichtuitstraling nieuwe situatie (bron: Philips, 2016).
Nieuwe situatie – verlichting (fiets)onderdoorgang De (fiets)onderdoorgang wordt geplaatst naast te behouden groen en fysiek te behouden vliegroutes. In de nieuwe situatie worden lichtmasten met armatuurtype Schreder NANO 8 LED 500mA geplaatst. De masten zijn 4 meter hoog en de lichtkleur is neutraal wit. Voor deze locatie geldt tevens dat de nieuwe masten, in tegenstelling tot de oude masten, beter stuurbaar zijn alleen op de weg gericht. Hiermee wordt lichtuitstrooiing naar achteren voorkomen. Op de nieuwe masten wordt bovendien een dimsysteem toegepast, waarbij de verlichting om 22:00 uur zal afnemen tot 70% en om 00:00 uur tot 50%. In de nieuwe situatie wordt de reeds bestaande en te behouden vliegroute daarmee uiteindelijk minstens even donker (als niet donkerder) dan in de huidige situatie.
Activiteitenplan vleermuizen, (buizerd, roek, ransuil), heikikker en grote modderkuiper tracé N214 in de Alblasserwaard Projectcode: 20171584
31
4.1.7 MAATREGELEN ALGEMENE ZORGPLICHT Werkzaamheden worden in eerste instantie overdag uitgevoerd. De aanwezige essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en baardvleermuis en de aanwezige paarverblijfplaatsen in bomen dienen te allen tijde functioneel te blijven. Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht wordt voorkomen. Indien nachtelijke verlichting noodzakelijk is wordt de toepassing voorafgaand aan de uitvoering afgestemd met een deskundig ecoloog. Verlichting dient bijvoorbeeld niet gericht te worden op groen in de omgeving, dient goed gericht te worden en/of aangepaste armaturen dienen te worden gebruikt, zodat licht niet naar boven uitstraalt. Structuren die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door dieren, waaronder hopen takken, puin en bladeren, boomstammen en stronken, worden zoveel mogelijk gespaard. Wanneer het sparen van dergelijke structuren niet mogelijk is worden deze vooraf gecontroleerd op aanwezigheid van dieren. Wanneer dieren (egels, padden, kikkers e.d.) worden aangetroffen worden deze direct en zorgvuldig verplaatst naar een vergelijkbare structuur buiten het werkgebied, maar binnen het leefgebied van deze soorten. Onnodige verstoring door betreding, licht en geluid van terreinen, waar planten en dieren (kunnen) verblijven wordt voorkomen. Werkpaden en werkomgeving worden zo beperkt mogelijk gehouden.
Het uitvoerend personeel dient alert te zijn op het verschijnen van dieren in het projectgebied. Aangetroffen dieren worden niet opzettelijk overreden, bedolven of gedood. Wanneer niet eerder genoemde zwaar beschermde soorten worden aangetroffen in het projectgebied dient onverwijld contact op te worden genomen met een deskundig ecoloog. Een deskundig ecoloog kan bepalen welke vervolgstappen dienen te worden genomen om overtreding van de wet Natuurbescherming te voorkomen. 4.2 SPECIFIEK DEELGEBIED 1: ROTONDE 1, VAK 3 EN OVERKANT VAK 3, KM 3.3 TOT KM 4.4 In deelgebied 1 gaan een stukje belangrijk (niet van essentieel belang) foerageergebied van vleermuizen en voortplantings- en rustplaatsen van de heikikker verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1). - Maatregelen heikikker (par. 4.1.4). o Voor de heikikker dient in dit deelgebied minimaal 5479 vierkante meter nieuw leefgebied te worden gerealiseerd, voordat het huidige habitat van de soort verloren gaat. - Maatregelen algemene zorgplicht (par. 4.1.7). 4.3 SPECIFIEK DEELGEBIED 2: DUIKER 38D04 In deelgebied 2 gaan geen voortplantings- en rustplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten verloren. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de volgende maatregelen: - Maatregelen algemene broedvogels (par. 4.1.1).