Bijlage 2d Bijlagen
Tekst van het document
36 36 35 35 36
06_A 06_B 06_C
westgevel westgevel westgevel
1,50 4,50 7,50
52 52 52
47 48 48
42 43 43
52 52 52
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2022.4 rev 1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
30-5-2023 11:39:58
Herontwikkeling Abbekesdoel 70 datum vestiging uw kenmerk ons kenmerk 2e lezer/secr.
23 november 2023 Arnhem M.2023.1476.00.N001 XMA|OZU
project betreft versie auteur contactpersoon e-mail/telefoon
Herontwikkeling Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf Onderbouwing externe veiligheid 1 drs. E. (Elias) den Breejen drs. E. (Elias) den Breejen edb@dgmr.nl/088 346 78 22
Onderbouwing EV herontwikkeling Abbekesdoel 70 1. Inleiding Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. is betrokken bij de herontwikkeling van de locatie Abbekesdoel 70 in Bleskensgraaf, gemeente Molenlanden. Op deze locatie zijn nu een transportbedrijf met een loods en een bedrijfswoning aanwezig. De initiatiefnemer wil deze locatie omzetten naar woningbouw. De bedrijfswoning wordt een burgerwoning en de bedrijfsloods wordt vervangen door een twee-onder-een-kapper. Figuur 1 toont een impressie van de voorgenomen ontwikkeling.
figuur 1: impressie van het voorgenomen plan. De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning en daarnaast komt een twee-onder-een-kapper
Om dit initiatief toe te staan, moet het bestemmingsplan Buitengebied Graafstroom d.d. 25 januari 2010 (op 15 september 2015 herzien) worden gewijzigd, waarbij voor deze locatie de bestemming wijzigt van bedrijf naar wonen. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. verzorgt de milieukundige onderzoeken voor deze planwijziging. DGMR heeft in opdracht van Van den Heuvel deze onderbouwing externe veiligheid opgesteld. In deze notitie beantwoorden wij de volgende vraag: Welke externe risicobronnen liggen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan de gemeente Molenlanden het groepsrisico als gevolg van deze risicobronnen verantwoorden?
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
2. Toetsingskader 2.1 Nationaal beleid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen als slachtoffer betrokken zijn bij een ongeval met die stoffen. Dit kan zowel een transportroute, buisleiding als een inrichting betreffen. De wetgeving voor externe veiligheid rondom inrichtingen staat beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de wetgeving externe veiligheid langs transportroutes in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en met betrekking tot buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid externe veiligheid is gericht op een verantwoorde situering van activiteiten waarbij ongevallen met effecten op de omgeving niet zijn uitgesloten. De mate van blootstelling is uitgedrukt in de kans op dodelijke effecten. Er zijn twee componenten om de grootte van dit gevaar uit te drukken. Ten eerste de grootte van het effect dat samenhangt met de gevaareigenschappen van een stof (giftigheid, brandbaarheid, hoeveelheid, en dergelijke). Ten tweede de kans dat een dergelijk effect optreedt, wat samenhangt met de activiteiten die tot een ongeval kunnen leiden (bijvoorbeeld opslag en/of overslag van geklasseerde goederen). Beide componenten worden tot uitdrukking gebracht wanneer gevaren worden uitgedrukt in risico’s.
Door een risico wordt een gevaar gekwantificeerd (in een getal uitgedrukt) en vergelijkbaar gemaakt met normen. De omvang van de gevaren voor de omgeving wordt uitgedrukt met twee risicobegrippen: plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Voor de mate van aanvaardbaarheid van deze risico’s zijn in het Bevi, Bevt en Bevb normen en richtwaarden vastgesteld.
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
2.1.1 Plaatsgebonden risico
Onder het plaatsgebonden risico (PR) wordt verstaan: de kans per jaar op het overlijden van één fictief persoon op een vaste locatie als gevolg van een ongeval. Het PR met een bepaalde waarde kan rond een inrichting of een vervoersas als lijn op de kaart worden weergegeven, de zogenoemde risicocontour. Voor het plaatsgebonden risico bij zo’n contour geldt een grenswaarde: in een nieuwe situatie mag een kwetsbaar object, zoals bijvoorbeeld de voorgenomen woningen niet binnen de 10-6/jaar-contour liggen (10-6/jaar is een verkorte schrijfwijze voor eens per miljoen jaar, vandaar het jargon ‘10 min 6’ voor de kans 1/1.000.000 jaar). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt ook de waarde van 10 -6/jaar, maar nu met de status van richtwaarde. Binnen die contour kan met een nieuw object of een uitbreiding van de inrichting alleen worden ingestemd, wanneer het bevoegd gezag met gewichtige redenen motiveert waarom een hogere waarde wordt toegestaan. 2.1.2 Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de cumulatieve kans per jaar, dat een groep van tien of meer personen dodelijk slachtoffer is van een ongeval. Zowel de bronkant (inrichtingen met gevaarlijke stoffen of vervoer van gevaarlijke stoffen), als de blootgestelde kant (personen in de omgeving) bepalen de hoogte van het groepsrisico. Dit is één van de resultaten voor de rampenbestrijding, waarbij vastgesteld wordt of de voorgenomen activiteit nog wel past binnen de beschikbare operationele prestatie van hulpverleningsdiensten. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde, die het bevoegd gezag gebruikt bij de motivering van de groepsrisicohoogte.
2
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
Als een bestemmingsplan of ander ruimtelijk besluit (deels) binnen het invloedsgebied van een risicobron ligt, moet de gemeente bij vaststelling van het bestemmingsplan of ruimtelijk besluit het groepsrisico verantwoorden. In geval van een industriële risicobron is altijd een volledige verantwoording nodig. Behalve de hoogte en verandering van het groepsrisico geeft het Bevi in artikel 13 aan welke aspecten in de ruimtelijke onderbouwing moeten worden vermeld. Dit zijn: • De maatregelen ter beperking van het groepsrisico. • De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting. • Mogelijkheden tot zelfredzaamheid. In geval van een transportroute of buisleiding kan in een aantal gevallen worden volstaan met een beperkte verantwoording bij voldoende afstand tussen plan en risicobron, als het plan weinig bijdraagt aan het groepsrisico of als het groepsrisico erg laag is. In hoofdstuk 3 van deze notitie blijkt dat de planlocatie op een zodanig grote afstand van de buisleidingen ligt, dat artikel 12 lid 1 onderdelen c, d en e uit het Bevb niet van toepassing zijn en een beperkte verantwoording volstaat.
Bij deze beperkte verantwoording hoeft het bevoegd gezag alleen in te gaan op de volgende criteria: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de transportroute en; b de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen wanneer zich op de transportroute een ramp voordoet. De veiligheidsregio (VRZHZ) heeft adviesrecht ten aanzien van deze criteria.
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
De gemeente kan de mate van detail vastleggen in een beleidsvisie externe veiligheid. De gemeente Molenlanden heeft dit niet gedaan en hier geen beleid voor opgesteld. 2.2 Omgevingswet Per 1 januari 2024 treedt per de Omgevingswet in werking. Deze wet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1 Omgevingsbesluit. 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 4 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het beschouwen van externe veiligheid bij ruimtelijke plannen zijn het Bkl en het Bbl van toepassing. Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het huidige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met externe risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en het bevoegd gezag rekening moet houden met de kans op tien of meer slachtoffers (voorheen groepsrisico). Als hulpmiddel bij de verantwoording van het groepsrisico gelden straks drie typen aandachtsgebieden: 1 Brandaandachtsgebied: de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is. 2 Explosieaandachtsgebied: de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 3
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
a
een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m 2 is; of b een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. 3 Gifwolkaandachtsgebied: de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt per inrichting bepaald en is maximaal 1.500 meter.
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
Voor het explosieaandachtsgebied en het brandaandachtsgebied kan de gemeente een explosievoorschriftengebied en een brandvoorschriftengebied aanwijzen, waarin de aanvullende bouwkundige eisen gelden volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, opvolger Bouwbesluit). Een gemeente is niet verplicht een dergelijk voorschriftengebied vast te stellen. Zij kan gemotiveerd afwijken door een kleiner of geen voorschriftengebied aan te wijzen. Wanneer een voorschriftengebied van toepassing is, zijn de bijbehorende bouwkundige maatregelen verplicht. Als binnen het aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw zoals een basisschool of een ziekenhuis is voorzien, wordt van rechtswege het voorschriftengebied aangewezen. In dat geval zijn de brandvoorschriften respectievelijk explosievoorschriften verplicht. Dat is bij de voorgenomen woningen niet het geval. Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied.
• Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: ∙ een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; ∙ de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; ∙ het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; ∙ vluchtmogelijkheden van de bron af; ∙ het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. • Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld.
3. Inventarisatie risicobronnen Figuur 2 toont de ligging van de planlocatie en van de risicobronnen in de omgeving van de planlocatie. Dit gaat om de volgende risicobronnen: • Het bedrijf Firma Nescio ligt op 900 meter ten zuidwesten van de planlocatie. • Het LPG-tankstation De Haan ligt 1 kilometer ten zuiden van de planlocatie. • Het bedrijf A. Heijkoop ligt 1,1 kilometer ten noordwesten van de planlocatie. • Gascompressorstation Wijngaarden ligt op 1,6 kilometer ten zuiden van de planlocatie. • Transport van aardgas per buisleiding; dit betreft leidingen van en naar het gasdrukverdeelstation. Leidingen A-518, A-553 en A-803 liggen het dichtst bij de planlocatie op 540 tot 560 meter afstand. • Er zijn geen transportroutes voor geklasseerde stoffen in de omgeving van de planlocatie.
4
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
figuur 2: ligging van planlocatie ten opzichte van risicobronnen in de omgeving. Bron: Atlas Leefomgeving d.d. 17 november 2023
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
3.1 Beschouwing risicobedrijven A. Heijkoop en firma Nescio: opslag propaan Deze twee bedrijven beschikken over een opslagtank voor propaan van maximaal 13 m3 (niet vergunningplichtig). Daarmee geldt vanuit het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van maximaal 25 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Daarmee vormen deze bedrijven vanuit externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op deze planlocatie. LPG-tankstation De Haan Voor LPG-tankstations geldt een invloedsgebied van 150 meter. Buiten dit invloedsgebied hoeft geen rekening te worden gehouden met externe risico’s. De planlocatie ligt op ongeveer 1 kilometer en daarmee ruim buiten deze afstanden. Daarmee vormt dit bedrijf vanuit externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op deze planlocatie. Gascompressorstation Wijngaarden Gascompressorstation Wijngaarden is één van de grootste gascompressorstations van Nederland en valt onder het Brzo (Seveso III). In de Atlas Leefomgeving zijn de PR-contouren opgenomen, waarbij de 10-6/jaar PR-contour tot circa 350 meter vanaf het midden van de inrichting reikt en de 10-8/jaar PR-contour tot circa 600 meter vanaf het midden van de inrichting. 5
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
Het invloedsgebied van dit gascompressorstation is niet opgenomen in de Atlas Leefomgeving. Gezien de aard van het gevaar (brandbaar en eventueel explosief) zijn grote effectafstanden niet te verwachten. De planlocatie ligt buiten de 10-6/jaar PR-contour. Daarmee wordt aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voldaan. De planlocatie ligt ook buiten de 10-8/jaar PR-contour. Daarmee is de bijdrage van het plan aan het groepsrisico verwaarloosbaar. Omdat geen toxisch effect wordt verwacht, ligt de locatie naar verwachting buiten het invloedsgebied en is geen verantwoording nodig. Daarmee vormt dit bedrijf vanuit externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op deze planlocatie. 3.2 Beschouwing buisleidingen Op 540 tot 560 meter ten westen van de planlocatie liggen drie hogedruk aardgasleidingen. Tabel 1 geeft een overzicht van deze leidingen en hun invloedsgebied. Dit invloedsgebied wordt binnen de omgevingswet gedefinieerd als brandaandachtsgebied. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van leiding A-803: de afstand tot de planlocatie is kleiner dan de afstand die voor het invloedsgebied wordt aangehouden. Voor deze leiding moet het groepsrisico worden afgewogen en verantwoord. Voor de andere leidingen is deze verantwoording niet nodig; hun effecten reiken niet tot de planlocatie.
De hoogte van het groepsrisico voor dit leidingtraject is niet apart berekend. Ook zijn voor andere plannen in de omgeving van dit traject geen berekeningen uitgevoerd. Gezien de open ligging van het gebied is echter aannemelijk dat het groepsrisico in dit geval laag (< 0,1 keer de oriëntatiewaarde) zal zijn. tabel 1: nabijgelegen leidingen Leiding
Werkdruk [bar]
Diameter [inch]
A-518 A-553 A-803
66 66 80
30 36 48
Invloedsgebied [m] 380 430 580
100% letaliteitsafstand [m] 160 180 220
Afstand tot planlocatie [m] 560 560 540
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
4. Aanzet tot verantwoording groepsrisico Zoals in hoofdstuk 3 aangegeven moet de gemeente bij een ruimtelijke procedure het groepsrisico verantwoorden. Bij de voorgenomen realisatie van twee nieuwe woningen en de omzetting van één bedrijfswoning naar burgerwoning aan de Abbekesdoel 70 in Bleskensgraaf gaat het om het externe risico van buisleiding A-803. Het groepsrisico is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en verandert niet als gevolg van het plan dat buiten de 100% letaliteitsafstand ligt. Voor deze situatie volstaat een beperkte verantwoording, waarbij alleen hoeft te worden ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De brandweer heeft adviesrecht ten aanzien van deze criteria. 4.1 Bestrijdbaarheid De buisleidingen liggen alle op zodanige afstand van de planlocatie dat de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een calamiteit hierdoor niet veranderen. Voor een fakkelbrand aan een hogedruk aardgasleiding is bestrijding echter niet mogelijk vanwege de hitte in de omgeving van de ongevalslocatie. De fakkelbrand kan alleen worden gestopt door de gasleiding op afstand af te sluiten.
6
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
4.2 Zelfredzaamheid Een fakkelbrand verloopt in twee fasen: een eerste fase van circa 20 seconden met zeer hevige warmtestraling en een tweede stabiele fase met een minder intense warmtestraling. Op 540 meter van de leiding is een warmtestraling in de eerste fase van circa 15 kW/m2 te verwachten. In de stabiele fase neemt deze straling af tot circa 8 kW/m 2. Bij deze warmtebelasting is - zeker vanwege de korte duur van de eerste fase - geen brandoverslag te verwachten. Bij een dergelijke calamiteit kan men dus inpandig schuilen. Voor de bestaande woning, die het ‘dichtst’ bij de buisleiding staat merken wij aanvullend op dat de gevels en daken van moeilijk brandbaar materiaal zijn gemaakt: dit gebouw heeft stenen muren en een pannendak. Daarnaast is aan de westelijke gevel een parkeergarage.
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
4.3 Afweging maatregelen Met het ingaan van de Omgevingswet komt de planlocatie binnen het brandaandachtsgebied te liggen van hogedruk aardgasleiding A-803. Omdat geen sprake is van een zeer kwetsbaar object zijn brandwerende maatregelen niet verplicht en moet de gemeente een afweging maken of deze maatregelen nodig zijn. Ermee rekening houdend dat: • de kans klein is dat nabij de planlocatie een fakkelbrand ontstaat; • de warmtebelasting van een fakkelbrand op deze afstand van de buisleiding zodanig is afgenomen dat ook met zonder brandwerende maatregelen geen secundaire brand zal ontstaan, stellen we voor geen aanvullende bouwvoorschriften te verplichten voor de planlocatie.
7
Herontwikkeling Abbekesdoel 70
5. Conclusie Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. is betrokken bij de herontwikkeling van de locatie Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf, gemeente Molenlanden. Op deze locatie zijn nu een transportbedrijf met een loods en een bedrijfswoning aanwezig. De initiatiefnemer wil deze locatie omzetten naar woningbouw. De bedrijfswoning wordt een burgerwoning en de bedrijfsloods wordt vervangen door een twee-onder-een-kapper. Om dit initiatief toe te staan, moet het bestemmingsplan Buitengebied Graafstroom d.d. 25 januari 2010 (op 15 september 2015 herzien) worden gewijzigd, waarbij voor deze locatie de bestemming wijzigt van bedrijf naar wonen. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. verzorgt de milieukundige onderzoeken voor deze planwijziging. DGMR heeft in opdracht van Van den Heuvel deze onderbouwing externe veiligheid opgesteld. In deze notitie beantwoorden wij de volgende vraag: Welke externe risicobronnen liggen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan de gemeente Molenlanden het groepsrisico als gevolg van deze risicobronnen verantwoorden?
k:\doc\m\2023\147600\m2023147600n001_onderbouwing_ev.docx 22-11-2023
In de omgeving van de planlocatie bevinden zich een LPG-tankstation, twee bedrijven met een propaantank en het gascompressorstation Wijngaarden. Op 540 tot 560 meter van de planlocatie liggen drie hogedruk aardgasleidingen. De afstand tot de bedrijven en tot twee van de drie buisleidingen is zodanig dat deze geen extern risico vormen voor de planlocatie. Wel ligt de planlocatie net binnen het invloedsgebied van hogedruk aardgasleiding A-803 en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van deze hogedruk aardgasleiding vereist. De gemeente Molenlanden kan hiervoor de aanzet gebruiken, zoals opgesteld in hoofdstuk 4 van deze notitie. De regionale brandweer heeft adviesrecht ten aanzien van de criteria bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
ing. M.H.M. (Michel) van Kesteren DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.
8
Quickscan Wet natuurbescherming Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0533
Datum:
29 juni 2023
Revisie:
15 november 2023
Samensteller:
E.M.C. Straathof MSc
Projectleider:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
Contactpersoon:
G. Kooijman
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf is een bedrijfsperceel met woning en loods gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning. Mogelijk wordt de groenstrook aan de noordzijde van de planlocatie verwijderd. Tevens wordt er een nieuwe watergang gegraven aan de oostzijde van het perceel. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een bedrijfswoning aan de westzijde van het perceel met rondom een aangelegde voor- en achtertuin. De oostzijde van het perceel bestaat uit een bedrijfsloods en containers, met rondom verharding in de vorm van klinkers. Aan de noordzijde van het perceel is een groenstrook aanwezig. Aan de noordzijde van het perceel grenst rivier De Alblas, aan de zuidzijde van het perceel de achterwetering gelegen. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door weidekavels, sloten en woningen. Grenzend aan de noordzijde van het perceel stroomt rivier De Alblas. Circa 2 km ten zuiden van de planlocatie is snelweg de A15 gesitueerd en circa 6 km ten zuiden van de planlocatie ligt natuurgebied Hollandsche Biesbosch gelegen.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de loods op het terrein te slopen ten behoeve van de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie; zicht vanaf de oostzijde van de planlocatie.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een bedrijfsloods ten behoeve van de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning. Mogelijk wordt de groenstrook aan de noordzijde van het perceel verwijderd. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bedrijfsloods: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie watergang; • realisatie twee-onder-een-kapwoning: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie waarbij de bedrijfswoning (links omkaderd) behouden blijft en op de huidige plaats van de bedrijfsloods een twee-onder-een-kapwoning wordt gerealiseerd (rechts omkaderd) (bron: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023 en is uitgevoerd door ing. M. Smit en E.M.C. Straathof MSc. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Vos
Bunzing
Huisspitsmuis
Wezel
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.
Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden.
De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. 10
Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie bestaat uit een bedrijfswoning, een bedrijfsloods, verharding en een goed onderhouden tuin. De planlocatie wordt daarnaast intensief gebruikt. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: buxus, Chinese bruidssluier, gewone esdoorn, kleefkruid, paardenbloem, rimpelroos, ruwe berk, smeerwortel, treurwilg en vogelkers. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat. (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en steenmarter. De bever leeft in het overgangsgebied tussen water en land, zoals moerassen, beken, rivieren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is daarbij een vereiste. Op de planlocatie zelf ontbreekt het aan deze combinatie van habitat. Derhalve kan aanwezigheid van de bever op de planlocatie worden uitgesloten. De steenmarter is in tweemaal waargenomen in 2020, circa 1,8 km ten noordwesten van de planlocatie (NDFF, 2013-2023).
Deze soort komt vooral voor in steenachtige biotopen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De bebouwing zelf is door het ontbreken van geschikte openingen niet toegankelijk voor steenmarters. Voor de steenmarter is het van belang dat er elementen zoals heggen, bosjes, greppels en groenstroken aanwezig zijn. Deze worden gebruikt om te migreren en naar voedsel te zoeken. De planlocatie bestaat uit bebouwing, verharding en een aangelegde tuin. Mogelijk biedt de naastgelegen groenstrook aan de noordzijde van de bedrijfsloods wel dekking en/of foerageermogelijkheden voor de steenmarter. Het verwijderen van deze groenstrook leidt echter niet tot een onderbreking van een migratieroute. In de directe omgeving zijn er voldoende alternatieve foerageergebied aanwezig. De loods is niet toegankelijk voor steenmarters. Van aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van de steenmarter is in de beoogde ingreep derhalve geen sprake.
12
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprak is van een essentieel functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, huismuis en huisspitsmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bedrijfsloods is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur.
Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bedrijfsloods bestaat uit prefab betonplaten zonder spouw. Het dak van de bedrijfsloods bestaat uit golfplaten, afgezet met vogelschroot. Er is daarnaast geen sprake van een vorm van dakbeschot. Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw of een dak met geschikt dakbeschot, is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het verwijderen van de groenstrook leidt niet tot een onderbreking in lijnvormige structuren. In de omgeving zijn voldoende alternatieve leefgebied aanwezig. Van aantasting van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied van vleermuizen is in de beoogde ingreep derhalve geen sprake.
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2013-2023). Voor de heikikker geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. 13
In 2020 is een roepende heikikker waargenomen op de noordoost grens van de planlocatie. Daarnaast zijn er in de afgelopen jaren vele waarnemingen van de heikikker geweest in een straal van 2 km rondom de planlocatie (NDFF 2013-2023). Deze vonden allemaal plaats rondom de afwateringssloten van de vele weidekavels en rivier De Alblas en op de graslanden hier rondom. Hoewel de planlocatie zelf niet geschikt is voor de heikikker, mede door het ontbreken van oppervlaktewater en de hoge mate van verstoring, is de omgeving rondom de planlocatie wel geschikt. De eerdergenoemde waarneming uit 2020 is vermoedelijk dan ook een passerende heikikker geweest, afkomstig uit naastgelegen omgeving. Bij de beoogde ingreep vinden geen dempwerkzaamheden plaats, wel wordt er een nieuwe watergang gerealiseerd aan de oostzijde van het perceel. De realisatie van een nieuwe watergang leidt niet tot aantasting van leefgebied van de heikikker. De huidige bebouwing en verharding wordt enkel vervangen door nieuwe bebouwing en verharding. Oftewel; essentieel leefgebied van de heikikker wordt met de beoogde ingreep niet aangetast. Om verstoring op de heikikker te voorkomen dienen de graafwerkzaamheden ten behoeve van de te realiseren watergang buiten de kwetsbare periode van de heikikker uitgevoerd te worden (zie H5.4).
Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker worden uitgesloten mits aan de maatregelen wordt voldaan. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie bestaat uit bebouwing, verharding in de vorm van klinkers en een aangelegde en goed onderhouden tuin. Daarnaast wordt de planlocatie intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Rondom de planlocatie zijn diverse sloten en rivieren aanwezig met rondom weilanden. Het is daarom niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend de muurhagedis (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
De muurhagedis is een soort welke in Nederland van nature alleen in Maastricht voorkomt. In 2022 is deze soort eenmaal waargenomen op circa 900 m ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Aangezien er geen populatie bekend is in de omgeving, is het aannemelijk dat dit individu met plantmateriaal of campingspullen is meegereisd. De muren van de bebouwing op de planlocatie bevatten geen scheuren en kieren. Daarnaast ontbreekt het op de planlocatie aan geschikt, goed opwarmende plaatsen met voldoende zonlicht als voorplantingsplaats. Derhalve is het voorkomen van de muurhagedis op de planlocatie uitgesloten. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater.
Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2013-2023). 14
Op circa 1,8 km ten zuidwesten van de planlocatie hebben in 2018 meerdere waarnemingen plaatsgevonden van de gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2013-2023). De soort komt vooral voor bij verlandingzones in laagveenmoerassen, bosplassen en verlandingzones van hoogveen- en heidevennen. Deze biotooptypen hebben met elkaar gemeen dat het water helder, ondiep (<1 m), matig voedselrijk en beschut gelegen is. Het oppervlaktewater rondom de planlocatie voorziet niet in het geschikt habitat voor de gevlekte witsnuitlibel, doordat het kanaal en de achterwetering dieper zijn dan 1 m en merendeels onbeschut liggen. Daarnaast is er bij de beoogde ontwikkeling geen sprake van aantasting van oppervlaktewater. Derhalve kan het voorkomen ven deze soort uitgesloten worden. De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart.
Het braakliggende terrein is volledig overgroeid met soorten zoals gewone braam, grote brandnetel, speerdistel, paarse dovenetel, gewone paardenbloem en straatgras. Op de planlocatie groeien geen waardplanten voor beschermde soorten zoals de teunisbloempijlstaart. Daarnaast wordt de kans dat waardplanten tot groei komen belemmerd door de voorkomende algemene soorten. Gezien het ontbreken van waardplanten voor de soort kan de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, halsbandparkiet, houtduif, kauw, knobbelzwaan, kwikstaart, meerkoet, merel, spreeuw en wilde eend.
Gedurende het veldbezoek zijn nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Het voorkomen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw op de planlocatie is door het ontbreken van een dakbeschot in de te slopen bedrijfsloods uitgesloten. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt mogelijk de groenstrook aan de noordzijde van het plangebied verwijderd.
In de directe omgeving blijven voldoende hagen behouden welke als leefgebied voor de huismus kunnen functioneren. Derhalve leidt de beoogde ingreep niet tot aantasting van essentieel leefgebied van de huismus.
15
In en rondom de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Daarnaast is de bebouwing ook niet toegankelijk voor uilen. De bomen op de planlocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten of horsten, deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie zelf bestaat uit bebouwing, verharding en een aangelegde en goed onderhouden tuin. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn er in de struiken en bomen geen nestlocaties aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een bedrijfsloods en realisatie van een tweeonder-een-kapwoning . Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (1,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang en het Natura 2000-gebied een lage mate van stikstofgevoeligheid kent, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
17
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 780 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 900 m ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3) en op een afstand van circa 6,6 km ligt de Groene buffer (geen kaart vervaardigd). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 780 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 900 m tot belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl).
18
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1