CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Scheepswerf Brickwave Gelkenes

Raadsvergadering 12 december 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 7a. Bestemmingsplan Scheepswerf Brickwave, Gelkenes22.760 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

de scheepswerf in Groot-Ammers en zijn zij niet genoodzaakt om een locatie elders te zoeken. Gezien beide bedrijven veel werknemers uit de directe omgeving in dienst hebben, is het van belang dat beide bedrijven zich op deze locatie blijven vestigen. De werkgelegenheid blijft hierdoor binnen de gemeente. De noodzaak naar de uitbreiding is beschreven in §2.2.2. Bestaand stads- en dorpsgebied De scheepswerf is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Doordat de uitbreiding plaatsvindt op het eigen bedrijfsterrein en de locatie is gelegen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, is er sprake van een duurzaam ruimtegebruik.

Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede kaart Bestaand stads- en dorpsgebied

Conclusie De stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en valt binnen het bestaand stedelijk gebied en daarmee in een duurzaam ruimtegebruik. Er wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

33

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie is nadien een aantal keer herzien/gewijzigd. Provinciale Staten hebben op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsvisie ZuidHolland. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.

Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

Middels het plan wordt de bebouwing op de scheepswerf uitgebreid, waarmee een efficiëntere bedrijfsvoering gerealiseerd kan worden. Voor de twee bedrijven ontstaat hierdoor 34

een toekomstbestendige bedrijfssituatie. Het plan voorziet in het verdichten van een bestaand bebouwd perceel en het beter benutten en in een intensiever ruimtegebruik van een bestaande scheepswerf binnen BSD. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

In de Omgevingsvisie heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen op gronden welke zijn opgenomen als ‘watergebonden bedrijventerreinen’. De kleinere natte bedrijventerreinen zijn gekoppeld aan binnenvaartwater (rijks- en provinciale vaarwegen). Watergebonden werkgebieden zijn een zeer karakteristiek Zuid-Hollands fenomeen. Hier is het industriële en logistieke karakter en de relatie land-water bepalend voor de karakteristiek, alleen aanmerkelijk kleinschaliger dan bij de mainports. De relatie tussen functie en vorm is duidelijk zichtbaar. Bij ontwikkelingen wordt gezorgd voor een versterking van de relatie tussen vaarwegen en watergebonden werkgebieden. Er wordt gewerkt aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. De relevante richtpunten voor het plan ter plaatse van ‘watergebonden bedrijventerreinen’ luiden als volgt: • Er wordt respectvol omgegaan met aanwezig cultuurhistorisch erfgoed; • Ontwikkelingen op en rond natte bedrijventerreinen sluiten aan bij het industriële en logistieke land-waterkarakter en dragen bij aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving; • Omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving.

Daarnaast is het plangebied gelegen op gronden welke in de Kwaliteitskaart zijn opgenomen als ‘steden en dorpen’. Relevant richtpunt voor het plan luidt als volgt: • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Het plan sluit aan bij de richtpunten voor ‘watergebonden bedrijventerreinen’ en ‘steden en dorpen’. Cultuurhistorische erfgoed is niet aanwezig. Het plan voorziet in een toekomstbestendige bedrijfssituatie voor de aanwezige watergebonden bedrijven, zodat verzekerd wordt dat het natte bedrijfsterrein ook daadwerkelijk gebruikt wordt door watergebonden bedrijven en daarmee het industriële en 35

logistieke land-waterkarakter behouden blijft. Door de groene omzoming en het verbeteren van de zichtlocaties naar de rivier toe, ontstaat er een gepaste overgang van scheepswerf naar omgeving. Uit milieukundige onderzoeken blijkt dat het plan milieutechnisch inpasbaar is. Voor een beschrijving van de beeldkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 2.2.4 van deze toelichting. De scheepswerf wordt thans al goed ontsloten via Gelkenes en via de Lek, dit blijft in de nieuwe situatie onveranderd. Het plan is in overeenstemming met de Kwaliteitskaart uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

Afbeelding 18: Verbeterde zichtrelaties en groene verbinding naar groene clusters

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale Staten op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening ZuidHolland. De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.

36

Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de

relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Inpassen De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een scheepswerf op een watergebonden bedrijventerrein aan de Lek in Groot-Ammers. Het plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid biedt ruimte aan ontwikkelingen zolang de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft dan wel verbeterd en er rekening gehouden wordt met de richtpunten uit de Kwaliteitskaart. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart.

Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied

37

ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft het slopen van oude kantoorgebouwtjes en het realiseren van nieuwe loodsen en kantoorgebouwen op een bestaande scheepswerf. Er vinden geen wijziging plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen Het plan voorziet in de realisatie van loodsen en kantoorgebouwen, zodat een toekomstbestendige bedrijfssituatie voor bestaande watergebonden bedrijven op een bestaande scheepswerf wordt gecreëerd. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling dat aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. De structuur van de scheepswerf blijft hetzelfde; het industriële en logistieke landwaterkarakter op de scheepswerf blijft behouden. Het vervoer blijft plaatsvinden over de rivier waardoor de relatie bedrijf-rivier, het karakteristieke element voor natte bedrijfsterreinen, behouden blijft.

Daarnaast is de scheepswerf al groen omzoomd (behoudens aan de rivierzijde) waardoor de overgang van scheepswerf naar de woonomgeving is verzacht. Stedelijke ontwikkeling In artikel 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft een ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan voorziet in de concrete behoefte naar extra ruimte om de vraag naar grotere tanks en jachtschepen te kunnen bedienen en deze tevens inpandig te laten plaatsvinden. Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.3 van deze toelichting).

38

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio een nieuwe visie, de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ (2012) benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het belangrijk dat bedrijven zich kunnen ontplooien.

Het plan biedt de bedrijven op de scheepswerf de mogelijkheid een toekomstbestendige situatie creëren en daarmee een concurrentiepositie in te nemen. Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken. Daarnaast worden de verouderde kantoorgebouwtjes gesloopt en vervangen door nieuwe kantoorgebouwen, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame vernieuwing van de scheepswerf. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.

39

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid Ten aanzien van economie en werkgelegenheid wenst de gemeente Molenlanden voldoende (kwalitatief) aanbod van bedrijventerreinen. Ruimte voor de vestiging of de uitbreiding is belangrijk om de werkgelegenheid het gebied van de gemeente te behouden en te stimuleren. Door de uitbreiding die dit plan mogelijk maakt kunnen de bedrijven hun werkzaamheden verder ontplooien op dezelfde locatie en een toekomstbestendige bedrijfssituatie creëren, waardoor de bedrijven niet op zoek hoeft te gaan naar een locatie elders. De werkgelegenheid blijft daardoor binnen de gemeente.

3.4.2 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Binnen oude bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel onderliggende bestemmingsplannen was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Het paraplubestemmingsplan is in de gemeenteraadsvergadering van 26 oktober 2021 vastgesteld. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten 2019 Molenlanden. De begrippen en algemene gebruiksregels die zijn opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan.

Zodoende blijven de begrippen en algemene gebruiksregels nog steeds gelden. 40

3.4.3 Parapluherziening Parkeren Molenlanden Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. De parapluherziening is in de gemeenteraadsvergadering van 27 oktober 2020 vastgesteld. De parkeerregeling die is opgenomen in het parapluherziening is overgenomen in dit bestemmingsplan. Zodoende blijft de parkeerregeling gelden. 3.4.4 Parapluplan ‘Geluidzone industrieterrein ‘Langs de Lek’’ Het industrieterrein 'Langs de Lek' is vanuit de Wet geluidhinder (Wgh) aangemerkt als gezoneerd industrieterrein voor de vestiging van grote lawaaimakers.

Bij Koninklijk Besluit van 14 augustus 1990, nummer 90.0180024 is het industrieterrein op de totale geluidbelasting gezoneerd. Rondom het industrieterrein bevindt zich een geluidzone, hetgeen het planologische aandachtsgebied van een industrieterrein aangeeft. De huidige geluidzone van het industrieterrein ligt op het grondgebied van de gemeente Molenlanden en aan de noordzijde binnen de gemeentelijke grens van de gemeente Krimpenerwaard. Bij wijziging van bedrijfsactiviteiten of het vernieuwen van een milieuvergunning wordt getoetst of binnen de geluidzone geluidruimte beschikbaar is, mede op basis van het gevoerde zonebeheer. Op het industrieterrein liggen enkele (vergunningen voor) grote lawaaimakers. Daarbuiten ligt een geluidzone om milieugevoelige functies te beschermen. Een herziening van de vigerende bestemmingsplannen is nodig, omdat de geluidzone in de herziening van het bestemmingsplan 'Dijkverzwaren Liesveld' niet correct is verwerkt. Om de geluidsituatie van bedrijven op het industrieterrein planologisch te repareren is het parapluplan opgesteld, waarin de geluidzone wordt hersteld. Gelijktijdig worden in het bestemmingsplan naast de bestaande bedrijven ook overige grote lawaaimakers mogelijk gemaakt. De regels en verbeelding van dit plan sluiten aan op de regels en verbeelding van het onherroepelijke parapluplan.

Wel is met dit plan het gezoneerd industrieterrein in de verbeelding uitgebreid over de gehele bedrijfsbestemming en ter plaatse van de beoogde bootlift. Dit is in lijn is met de zonebeheer en zonemodel van de Omgevingsdienst.

41

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan voldoet aan de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’. • Het plan zorgt ervoor dat de bedrijven zich kunnen blijven ontplooien op de locatie; • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het plan is afgestemd met het waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat.

42

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor het plan kan gesteld worden dat er geen directe m.e.r.-plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vallen binnen de in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2 - aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject). De planontwikkeling voorziet niet in het overschrijden van de bijbehorende drempel van 200.000 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak. Kenmerken van het plan Het plan voorziet in het toevoegen van circa 5.000 m² (fase 1 en 2) aan bedrijfsbebouwing, teneinde te kunnen voorzien in de vraag naar grotere tanks en schepen en de realisatie ervan inpandig plaats te kunnen laten vinden.

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,6 km is het Natura2000-gebied Uiterwaarden Lek gelegen. Het plangebied is gelegen naast het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van de strategische reservering natuur, belangrijk weidevogelgebied en de karakteristieke landschapselementen. Voor het plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.8 van deze toelichting). De werkzaamheden leiden niet tot een toename in stikstofdepositie op Natura2000-gebieden.

43

Afbeelding 19: Afstand plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden

Afbeelding 20: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

Kenmerken en potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de schaal van het plan in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied, en de onderbouwing van de verschillende milieuaspecten in de volgende hoofdstukken, kan worden gesteld dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op het milieu. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. 44

Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

45

4.2 Watertoets Beleidskader Het plangebied is buitendijks gelegen. Rijkswaterstaat is waterbeheerder van de Lek en de buitendijkse gebieden en ziet toe op een veilige en ongehinderde afvoer van water. Het Waterschap Rivierenland is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Beleidslijn grote rivieren Op buitendijkse gronden is de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) van toepassing. De Bgr bestaat uit de beleidsbrief ‘Beleidslijn grote rivieren’ (17 februari 2006) en de Beleidsregels grote rivieren. De Beleidslijn grote rivieren heeft als doelstelling om: • De beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; • Ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. De beleidslijn maakt onderscheid tussen twee afwegingsregimes. • Het 'stroomvoerend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar, op grond van rivierkundige overwegingen, in principe alleen specifiek omschreven 'riviergebonden' activiteiten zijn toegestaan ('Ja, mits').

Deze activiteiten moeten voldoen aan rivierkundige voorwaarden. Nietriviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan; alleen onder specifieke criteria zijn uitzonderingen mogelijk ('Nee, tenzij'). • Het 'bergend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar in principe alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden ('Ja, mits'). De Lek en de daarbij behorende buitendijkse gronden vallen onder het stroomvoerend regime. Voor riviergebonden activiteiten (zoals een scheepswerf) in het deel van het rivierbed waar het stroomvoerend regime van toepassing is, geldt een 'ja, mits'-toetsingsregime. Toestemming wordt gegeven indien: • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; • Er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en; • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; • Indien het plan voorziet in een belemmering van bovengenoemde punten, dient de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd. De aanwezige bedrijven op de scheepwerf betreffen riviergebonden activiteiten. Scheepswerf Groot-Ammers B.V.

bouwt, repareert en test schepen en is daarmee een riviergebonden activiteit. Gpi Tanks produceert diverse tanks, zoals opslagtanks, 46

druktanks en watertanks. Vanwege de omvang van deze tanks kunnen deze niet over de weg vervoerd worden en kunnen daardoor alleen over het water getransporteerd worden. Daarmee is dit bedrijf ook een riviergebonden activiteit. Tevens zal het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijven (zie kopje ‘Nautisch beheer’ in deze paragraaf). Het plaatsen van de botenlift en de gebouwen zijn een vergunningsplichtige activiteit in het kader van de Waterwet. Met de realisatie van de nieuwe bebouwing zal geen sprake zijn van een afname van het bergend vermogen van rivier de Lek (zie kopje ‘Waterberging en -compensatie’ in deze paragraaf). De effecten van het plan met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier worden tijdens de vergunningsfase (als alle gedetailleerde tekeningen van de bedrijfsgebouwen beschikbaar zijn) nader uitgewerkt. In het kader van de vergunningsaanvraag wordt tevens middels berekeningen aangetoond dat wordt voldaan aan de Bgr. De ruimte-inname vanwege de vervanging van de damwand is reeds gecompenseerd (zie kopje ‘Waterberging en -compensatie’ in deze paragraaf). Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden.

Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen; • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud. Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem.

Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen; 47

2. Water eerlijk verdelen; 3. Voorbereiden op extreem weer; 4. Schoon water; 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. Zwemwater; 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

Afbeelding 21: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen gelegen welke zijn opgenomen in de legger.

48

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (20181112-9-19223). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Waterberging en -compensatie Het plangebied is gelegen in het stroomafvoerend regime van een grote rivier. De effecten van de bedrijfsgebouwen met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier dient gecompenseerd te worden. Tevens wordt de in slechte staat zijnde damwand aan het noordoostelijk deel van het bedrijfsterrein vervangen door een nieuwe damwand voor de bestaande damwand te plaatsen. Op de betreffende locatie ligt de waterbergingsschijf tussen NAP +1.20 m (GHW-lijn) en NAP +4,14 m (Hoogwaterreferentie). De bovenzijde van de nieuwe damwandconstructie reikt tot NAP +3,00 meter. Hierdoor neemt de hoogte van de waterbergingsschijf ter plaatse af met 1,8 meter over een oeverlengte van circa 140 meter en waterbreedte. Ten gevolge van de aan te brengen damwandconstructie en de grondaanvulling neemt het bergend vermogen van het waterlichaam de Lek af met circa 236 m3. De afname wordt volledig gecompenseerd door op het bedrijfsterrein over een oppervlakte van circa 225 m2 het maaiveld te verlagen met circa 1,1 meter. Hiervoor is door Rijkswaterstaat een watervergunning verleend (zaaknummer RWSZ2020-00010433). De compensatie is reeds gerealiseerd.

Met de realisatie van de nieuwe bebouwing is geen sprake van een afname van het bergend vermogen van rivier de Lek. Conform de Beleidsregels Grote Rivieren (Bgr) dient de afname van het bergend vermogen van de rivier de Lek op een duurzame wijze te worden gecompenseerd. Dat is op deze locatie niet in grote volumes mogelijk. Kleine volumes zijn wel mogelijk en in de vergunningsfase zal dit nader worden uitgewerkt. Het nieuwe bedrijfspand wordt ‘doorstroombaar’ uitgevoerd. Alle installaties worden boven de hoogwaterlijn geplaatst zodat het water bij hoge waterstanden vrij in en uit kan stomen. In het ontwerp zal hiermee rekening worden gehouden. Zo blijft het pand onderdeel uitmaken van de waterberging. Dit is technisch goed uitvoerbaar, een vergelijkbaar ontwerp is bijvoorbeeld de scheepsbouwhal van NMC in Nieuw-Lekkerland uit 2021. Hiermee wordt voldaan aan de Bgr. Dit zal in het kader van de vergunningsaanvraag middels berekeningen worden aangetoond. Verder voorziet het plan in de wijziging van de bestemming ‘Water’ op het noordwestelijk deel van het bedrijfsterrein in ‘Bedrijf’. Omdat het bedrijfsterrein al bestaand is, wordt er feitelijk geen ruimte ingenomen van de rivier, waardoor compensatie niet nodig is.

Nautisch beheer Rijkswaterstaat is vaarwegbeheerder van de Lek en ziet toe op een veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer en draagt zorg voor het waarborgen van het functioneren van de vaarweg nu en in de toekomst. Conform het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dient rekening gehouden te worden met de vrijwaringzone (Wro art. 4.3, Barro 2.1.2). Voor de Lek geldt een vrijwaringszone van 25 meter. De vrijwaringszone dient in beginsel vrij te 49

blijven van bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in gevaar brengen. Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat het functioneren van de vaarweg niet in het geding is. Het gebruik van de gronden binnen de vrijwaringszone langs de vaarweg mag geen belemmeringen vormen voor: 1. De doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; 2. De zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; 3. Het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; 4. De toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en 5. Het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Het plan is getoetst aan bovenstaande uitgangspunten door AA Planadvies en heeft hier een notitie voor opgesteld. De conclusie luidt: ‘De schepenlift wordt in de binnenbocht van de rivier gesitueerd op ca. 40 meter vanaf de betonde vaargeul. De scheepvaart zal hiervan geen extra hinder ondervinden omdat er nu ook al een vergelijkbare afstand tot de loskade en de buispalen moet worden gehouden. Ook de zichtlijnen op de rivier zullen door de constructie niet significant veranderen. De bestaande kade, torenkraan, gebouw H en losse constructie blijven bepalend voor de zichtlijnen.

Het blijft altijd mogelijk om de constructie aan te varen, waardoor schade kan worden veroorzaakt, dit risico is even groot als dat nu de damwand kan worden aangevaren. Indien zo’n aanvaring tijdens het hijsen gebeurt is dat zeker risicovol, maar de gevolgen zullen kleiner zijn dan in de huidige situatie, omdat een schepenlift altijd stabieler is dan een mobiele hijskraan op een damwand. Een schepenlift is ook veiliger omdat deze constructie bij het hijsen minder gevoelig is voor de zuiging van passerende schepen.’ Wat betreft de nautische aspecten heeft er overleg plaatsgevonden Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat is betrokken bij het opstellen van de “Notitie bouw nieuwe productiehal te Groot-Ammers en de onderwerpen zijn in het bestemmingsplan verwerkt zoals onderling is afgesproken. Op het gebied van de nautische belangen gaat Rijkswaterstaat West- Nederland Zuid akkoord met dit bestemmingsplan. Daarnaast wordt de huidige in slechte staat zijnde damwand vervangen door een nieuwe damwand voor de oude damwand te plaatsen. De huidige damwanden kunnen namelijk hun functie als kademuur niet meer behouden. Door de nieuwe damwand kan het terrein weer veilig worden gebruikt.

De nieuwe damwand zorgt niet voor een onbevaarbare rivier, niet in het belemmeren van het contact van de scheepsvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten, niet in het ontoegankelijk maken van de rijksvaarweg en niet in het onmogelijk maken van het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de rijksvaarweg. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 2.1.2 van de Barro. De vrijwaringszone van de vaarweg is opgenomen middels een gebiedsaanduiding.

50

Riolering en hemelwater Voor lozing van afvalwater in de Lek, dient in het kader van de Waterwet een vergunning te worden aangevraagd. Het beleid van Rijkswaterstaat is erop gericht om hemel- en grondwater naar oppervlaktewater of de bodem af te voeren. Een voorwaarde daarbij is dat de plekken waar hemelwater valt schoon gehouden wordt. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Gezien de locatie buitendijks is gelegen zal het hemelwater afvloeien op de Lek. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding gelegen. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern, beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. De waterkering en de zogeheten (buiten)beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’.

Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.

Afbeelding 22: Uitsnede legger waterkeringen

51

De bouw- en sloopwerkzaamheden vallen buiten de kernzone van de primaire waterkering, maar wel binnen de beschermings- en buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland voor de werkzaamheden is hiermee vereist. Tevens dienen nieuwe gebouwen (inclusief eventuele kelders) buiten het profiel van vrije ruimte (pvvr) van de waterkering gebouwd te worden. Kwelstromen Buitendijkse werkzaamheden kunnen effect hebben op het waterbeheer binnendijks. Door toename van de kwelstroom kan de waterhuishouding binnendijks worden ontregeld. De ontwikkeling mag derhalve niet leiden tot extra kwelstromen. Bij de aanvraag van de vergunning dient onderbouwd te worden dat de werkzaamheden niet leiden tot extra kwelstromen. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Gelkenes ter hoogte van het plangebied. Het plangebied wordt thans ontsloten middels twee in- en uitritten op de Gelkenes. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. De compensatie voor het innemen van het bergend vermogen van de rivier door het aanpassen van de damwand is reeds gerealiseerd. Hiervoor is een vergunning verleend door Rijkswaterstaat.

Voor plaatsen van de botenlift en de gebouwen dient in het kader van de Waterwet een vergunning te worden aangevraagd bij Rijkwaterstaat. Bij de aanvraag van de vergunning dient onderbouwd te worden dat de werkzaamheden niet leiden tot extra kwelstromen.

52

4.3 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Jaargemiddelde Fijnstof (PM10) concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m³

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf januari 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de CIMLK-monitoringstool (2022) het volgende overzicht voor het jaar 2021 (Receptor wegverkeer: 27375169_ 16001278): • Een stikstofconcentratie (NO2) van 16,18 µg/m3; • Een fijnstofconcentratie (PM10) van 17,51 µg/m3 met niet meer dan 6,14 normoverschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie (PM2,5) van 10,34 µg/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

53

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Met de NIBM-tool kan worden berekend of de bijdragen van het extra verkeer als gevolg van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Worst-case is uitgegaan van de gehele verkeersgeneratie in de nieuwe situatie. Dit betekent dat zowel de verkeersgeneratie in de bestaande situatie alsook de extra verkeersgeneratie als gevolg van de uitbreiding in de berekening is meegenomen. Aangesloten is bij de verkeersgeneratie zoals genoemd in het stikstofdepositieonderzoek van Adromi B.V. Hierin is opgenomen dat het bedrijf 118 verkeersbewegingen per werkdag genereert, waarvan 13 (11%) zwaar verkeer. Tevens is uitgegaan dat het plan in het jaar 2024 wordt gerealiseerd.

Afbeelding 23: NIBM-berekening

Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen.

54

4.4 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 2 zijn de afstanden weergeven.

Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de realisatie van nieuwe loodsen en kantoorgebouwen. Hiermee is sprake van het toevoegen en wijzigen van milieubelastende functies. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele hinder van de nieuwe/gewijzigde milieubelastende functie ten opzichte van de omliggende milieugevoelige functies. Het plan is getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van de scheepswerf komt een mix van bedrijven en woningen voor. Zowel kleine bedrijven (zoals ten zuidoosten van de scheepswerf) alsook grootschaligere bedrijven zoals op de scheepswerf zelf en de betonmortelcentrale en betonwarenfabriek (ten oosten van de scheepswerf). Daarmee wordt gesteld dat er sprake is van een functiemenging en de omgeving daardoor getypeerd kan worden als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden voor ‘gemengd gebied’ worden gehanteerd.

De richtafstanden volgens de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen 55

mogelijk is. Woningen zijn conform het vigerend bestemmingsplan uitsluitend toegestaan binnen een woonbestemming en binnen een bouwvlak. Vergunningsvrije bouwwerken zijn volgens het Besluit omgevingsrecht uitsluitend op achtererven toegestaan. Volgens het vigerend bestemmingsplan kan de bestemming ‘Wonen’ aangemerkt worden als erf. De bestemming ‘Tuin’ kan volgens de bijbehorende bestemmingsomschrijving niet worden aangemerkt als erf. Om de afstand van de scheepswerf tot een milieugevoelig object dat mogelijk is volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij te bepalen, dient gemeten te worden vanaf de bedrijfsbestemming tot het bouwvlak binnen een woonbestemming of het achtererfgebied daarvan. 53 meter

35 meter

53 meter 130 meter Afbeelding 24: Afstand bedrijfsbestemming tot milieugevoelige functies

Categorie 2-bedrijven Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om categorie 2-bedrijven toe te staan. Voor deze bedrijven geldt een maximale richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Binnen 10 meter van de bestemming bedrijf zijn geen milieugevoelige functies gelegen, waardoor gesteld kan worden dat categorie 2-bedrijven met de bestemming bedrijf het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige functies niet aantasten. Specifieke bedrijven In aanvulling op de 2-bedrijven maakt het bestemmingsplan tevens specifieke bedrijven toe hoger dan categorie 2, te weten: • de bouw en reparatie van kunststof schepen, en; • de bouw en reparatie van metalen schepen <25 m, en; • de bouw en reparatie van metalen schepen >= 25 m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW; • Bouw en reparatie van houten schepen;

56

•

tank- en reservoirbouwbedrijven (max. cat. 5.1).

Voor deze bedrijven zijn in de VNG-Handreiking specifieke richtafstanden opgesteld. Het aspect geluid is hierin niet meegenomen, omdat ter plaatse van gezoneerde industrieterreinen specifieke toetsingskaders gelden voor het aspect geluid. Tabel 3: Richtafstanden specifieke bedrijven Categorie Bouw en reparatie van kunststof schepen Bouw en reparatie van metalen schepen <25 m Bouw en reparatie van metalen schepen >= 25m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW Bouw en reparatie van houten schepen Tank- en reservoirbouwbedrijven (max. cat. 5.1)

Richtafstanden ‘gemengd gebied’ Geur Stof Gevaar 50 m 30 m 50 m 30 m 50 m 30 m 50 m 50 m 50 m 10 m 30 m

10 m 50 m

10 m 50 m

Aan de richtafstanden voor de bouw en reparatie van houten schepen wordt voldaan. Voor de andere specifiek toegestane bedrijven wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof en gevaar. Er kan van de richtafstanden afgeweken worden indien dit goed wordt gemotiveerd. Daarnaast maakt de scheepswerf onderdeel uit van het gezoneerde industrieterrein ‘Langs de Lek’. Dergelijke gezoneerde industrieterreinen zijn geschikt voor de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers. Om te bepalen of de invloed van de wijziging van de scheepswerf op de omgeving acceptabel is, dient in het kader van geluid getoetst te worden aan de vastgestelde Maximaal Toegestane Grenswaarden (MTG’s) van het gezoneerde industrieterrein.

Afbeelding 25: Uitsnede kaart Geluidgezoneerde gebieden OZHZ

57

Om te bepalen of de specifieke bedrijven milieutechnisch inpasbaar zijn, zijn door Adromi onderzoeken uitgevoerd voor de aspecten geluid, stof en geur. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken op de aspecten geluid, stof en geur zijn hieronder beschreven. Daarnaast is voor het aspect gevaar een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. Hieruit blijkt dat het plan wat betreft het aspect gevaar inpasbaar is (zie paragraaf 4.6 Externe veiligheid). De onderzoeksrapportages zijn opgenomen in de bijlage van de toelichting. Geluid Door Adromi is een akoestisch onderzoek industrielawaai opgesteld vanwege de veranderingen op de scheepswerf. De conclusie van dit onderzoek luidt: Directe hinder: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Zoals blijkt uit de rekenresultaten bedraagt de hoogste waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op een woning 50 dB(A)-etmaalwaarde. Ter plaatse van het maatgevende zone informatiepunt Z_10 bedragen de hoogste waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de dag-, avonden nachtperiode respectievelijk 44, 33 en 29 dB(A). Met deze langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus wordt er zowel binnen het toetsingskader van het ruimtelijke spoor gebleven alsmede binnen het toetsingskader van het milieuspoor gebleven.

Gelet op voorstaande evenals het feit dat met dit bestemmingsplan formeel alleen de Scheepswerflocatie en de betoncentrale op het industrieterrein ‘Langs de Lek’ te beschouwen zijn als zogeheten grote lawaaimakers, mag worden verondersteld dat de gecumuleerde geluidbelasting inpasbaar is. Zeker aan de oostzijde van het industrieterrein, nabij de betoncentrale, is de bijdrage aan de geluidbelasting vanwege de Scheepswerf-locatie op woningen en zonebewakingspunten akoestisch gezien verwaarloosbaar. Directe hinder: Maximale geluidniveaus Het maximaal geluidniveau op een woning is in de dag-, avond- en nachtperiode gelijk dan wel lager dan respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A). Ook met deze maximale geluidniveaus wordt er zowel binnen het toetsingskader van het ruimtelijke spoor gebleven alsmede binnen het toetsingskader van het milieuspoor gebleven. Indirecte hinder: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Ter plaatse van de woningen aan de Gelkenes bedraagt de geluidbelasting vanwege de onderzochte verkeersaantrekkende werking van de planlocatie ten hoogste 49 dB(A)-etmaalwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde en de maximale grenswaarde van 65 dB(A)-etmaalwaarde op gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen.

58

Conclusie Op basis van voorstaande zijn de optredende geluidbelastingen ruimtelijk aanvaardbaar en is er vanuit akoestisch oogpunt derhalve geen beletsel om de beoogde veranderingen binnen de planlocatie te realiseren. Gesteld kan worden dat het plan voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen ondervind. De optredende geluidbelastingen blijven binnen het toetsingskader van het ruimtelijke alsmede het milieuspoor. Stof en geur Door Adromi is een onderzoek stof en geur uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek is: Samenvattend zorgen stof- en geuremissies in de maximale planologische invulling niet voor onaanvaardbare hinder voor gevoelige bestemmingen in de omgeving. Relevant hierbij is dat geur- en stofrelevante werkzaamheden inpandig plaatsvinden. Dit zorgt voor een situatie waarin de werkzaamheden goed en efficiënt kunnen worden afgeschermd. Gelet op de aard en omvang van de activiteiten is de beoogde bedrijvigheid op gebied van geur en stof daarmee inpasbaar. Het plan is voor wat betreft de aspecten geur en stof ook inpasbaar. Op basis van vorenstaande kan gesteld worden dat de specifieke 5.1-bedrijven op de scheepswerf zowel in het ruimtelijk spoor als het milieuspoor inpasbaar zijn.

Afwijken categorie 2-bedrijven Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om middels een omgevingsvergunning bedrijven toe te laten uit ten hoogste twee categorieën hoger dan categorie 2bedrijven. Ofwel, met een omgevingsvergunning is het mogelijk om categorie 3.2bedrijven toe te staan. Voorwaarde voor het toestaan van dergelijke bedrijven is dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot een categorie 2bedrijf. Omdat bedrijven die middels de afwijkingsbevoegdheid naar aard en invloed op de omgeving aan deze categorie 2-bedrijven gelijk moeten zijn, wordt gesteld dat deze bedrijven niet zorgen voor onevenredige negatieve effecten op de omgeving. Conclusie De in de bedrijfsbestemming opgenomen bedrijfscategorieën zijn thans al toegestaan op basis van het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Liesveld’. Binnen dit bestemmingsplan zijn namelijk bedrijven uit ten hoogste categorie 2 alsmede een scheepswerf toegestaan (scheepsbouw- en reparatiebedrijf: maximale categorie 5.1). Daarnaast is ook in dit bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van bedrijven uit ten hoogste twee categorieën hoger dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven. Het bestemmingsplan voorziet derhalve n iet in een verzwaring van de toegestane bedrijfscategorieën.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar diverse milieuaspecten, waaruit wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot onevenredige negatieve invloed op de omgeving. De functies die het bestemmingsplan zijn toegestaan zijn inpasbaar in het ruimtelijk spoor alsmede het milieuspoor. 59

4.5 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van bedrijfsgebouwen en kantoren. Hiermee is geen sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai op de nieuwe bedrijfsgebouwen en kantoren niet noodzakelijk. Het plan is wel getoetst op het aspect industrielawaai. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van deze toelichting. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen.

60

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=f0ebe87f-05d8-461f-8787-b9adf6cb75d5