Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Scheepswerf Brickwave Gelkenes
Tekst van het document
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Binnen één kilometer van het plangebied zijn de volgende 4 risicobronnen geïnventariseerd: • PGS15 opslag op het terrein van Akzo Nobel Decorative Coatings. • Koelinstallatie Koelcentrum Zederik. • Transport van geklasseerde stoffen over de Lek. • Transport van geklasseerde stoffen over de N210. Overige externe risicobronnen, zoals transport over de N216 en de brandstofopslag bij Den Hartog liggen op meer dan 1 km afstand van het plangebied. Externe risico’s van dergelijke bronnen zijn ter plaatse van het plangebied verwaarloosbaar en niet beschouwd.
61
PGS15 opslag De PSG15 opslag op het terrein van Akzo Nobel ligt op bijna 1.000 meter van de planlocatie. De externe veiligheidsrisico’s van dit bedrijf zijn bepaald in augustus 2015 in het kader van de aanvraag van de op 2 februari 2016 verleende omgevingsvergunning. De hierbij als voor de externe veiligheid relevante activiteiten betreffen: • Het magazijn gereed product van gebouw 40. • De PSG-kluis van gebouw 40. • De tankopslagen en verlading van brandbare gevaarlijke stoffen. De 10-6 PR-contour van de inrichting reikt niet over de beschouwde locatie en daarmee wordt voor deze locatie voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De opslaginrichtingen betreffen ruimten van 200 – 300 m² en 1.500 – 2.500 m², beide met beschermingsniveau 1. De wijze van brandbestrijding is in de algemene informatie van de risicokaart niet aangegeven. Uit de QRA die in het kader van het vergunningstraject voor dit bedrijf is opgesteld, volgen een groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en een invloedsgebied van 2.770 meter. De locatie ligt binnen dit invloedsgebied. Daarom moet het externe risico als gevolg van deze inrichting worden beschouwd en verantwoord met betrekking tot het voorgenomen plan. Gezien de afstand tot het plangebied, is het enige relevante externe risico vanaf deze inrichting een toxische wolk bij een grote brand.
Scheepsvaartverkeer over de Lek De planlocatie ligt direct langs de Lek. Deze vaarweg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als deel van de corridor Amsterdam – Rijn. De Regeling basisnet gaat voor deze vaarwegen uit van maximaal 8.303 schepen LF1, 9.063 schepen LF2 en 332 schepen met GF3. Er is geen 10-6/jaar PR-contour, zodat aan het plaatsgebonden risico wordt voldaan. GF3 is de stof met het grootste invloedsgebied: 90 meter vanaf de risicobron. Op de Lek zijn schepen van ten hoogste CEMT-bevaarbaarheidsklasse VIa toegestaan. Volgens de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (bijlage 1.4) wordt langs een vaarweg van deze klasse de grenswaarde van 10% van de oriëntatiewaarde alleen overschreden als binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden van meer dan 500 personen per hectare zijn en het transport van LT2 en GF3 samen meer dan 1.000 tankschepen per jaar is. Op basis van deze vuistregel kan worden gesteld dat 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en een berekening niet nodig is. Omdat de planlocatie binnen het invloedgebied van de transportroute ligt, moet het groepsrisico worden verantwoord. Daarbij moet het bevoegd gezag conform artikel 7 uit het Bevt in elk geval ingaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de Lek, en b.
de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de Lek een ramp voordoet. Omdat het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde, hoeft de gemeente conform het Bevt artikel 8.2a niet verder in te gaan op de overige punten 62
uit de verantwoording van het groepsrisico (dichtheid van personen in het invloedgebied, groepsrisico, maatregelen en mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico) en is een beperkte verantwoording voldoende. Het bevoegd gezag moet het groepsrisico verantwoorden als gevolg van het externe risico van het transport van geklasseerde stoffen over de Lek en als gevolg van een grote calamiteit bij de PGS15 opslag van Akzo Nobel. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de vrijwaringszone langs de rivier en worden toegelicht waarom het initiatief is toegelaten gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Wegverkeer over de N21 Volgens de risicokaart vindt transport van geklasseerde stoffen plaats over de N210. Deze transportroute ligt aan de andere zijde van de Lek op 550 meter vanaf het plangebied. Over deze weg gaan wat betreft gevaarlijke stoffen alleen brandbare vloeistoffen en brandbare gassen. Brandbare gassen hebben met 355 meter de grootste effectafstand. Daarmee vormt transport over deze weg geen extern risico voor het plangebied. Verantwoording groepsrisico De gemeente Molenlanden hoeft alleen in te gaan op de externe risico’s door het transport van geklasseerde stoffen over de Lek en op een toxische wolk bij een grote calamiteit bij Akzo Nobel.
Het groepsrisico is lager dan 10% van de oriëntatiewaarde en het bevoegd gezag hoeft met betrekking tot transport over de Lek alleen in te gaan op de punten uit artikel 7 van het Bevt: a. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de Lek, en b. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de Lek een ramp voordoet. Ten aanzien van een calamiteit bij Akzo Nobel moeten ook maatregelen ter beperking van het groepsrisico en de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico worden overwogen. De voorgenomen ontwikkeling leidt vooral tot aanwezigheid in de dagperiode en men is voornamelijk inpandig aan het werk. In de dagperiode zijn de weersomstandigheden doorgaans gunstiger, zodat een toxische wolk minder snel tot in het gebied reikt. Inpandig is men bovendien beschermd tegen een dergelijke wolk. Bij een calamiteit worden ramen en deuren gesloten en wordt ventilatie uitgeschakeld. De ontwikkeling is nodig vanuit bedrijfseconomische redenen. Omdat de voorgenomen locatie in bezit is van het bedrijf, zijn alternatieve locaties geen optie. Bestrijding calamiteit Het externe risico wordt veroorzaakt door het vervoer van brandbare vloeistoffen over het water. Daardoor kan een plasbrand ontstaan.
De wijze van bestrijden van een dergelijke calamiteit verandert niet als gevolg van het plan. Ook de bereikbaarheid van een incident op het water verandert niet ten opzichte van de 63
bestaande situatie. Ook voor de bestrijding van een calamiteit bij Akzo Nobel heeft de voorgenomen ontwikkeling geen gevolgen. Zelfredzaamheid Wanneer een plasbrand op het water optreedt en deze plasbrand ook nabij de oever ter plaatse van het plangebied brandt, moet men het gebied ontvluchten. De voorgenomen hal aan de westzijde beschikt over een uitgang richting de dijk (dus van de risicobron) af, zodat men deze mogelijkheid heeft. Vanuit de overige hallen en kantoren kan men via de uitgang aan de oostzijde verlaten naar buiten of via de zuidzijde naar de bedrijfshal en daarvandaan verder van de risicobron vandaan. Bovendien beschikt het bedrijf over een alarmering, waardoor gebouwen tijdig worden ontruimd en staan de panden niet direct op de oever, maar enkele meters daarvan af. Ten aanzien van een gifwolk als gevolg van een calamiteit bij Akzo Nobel moet men zoals eerder gesteld inpandig schuilen met ramen en deuren gesloten en ventilatie uitgeschakeld. Vrijwaringszone Het plan maakt het mogelijk dat binnen 25 meter van de oever twee bedrijfshallen en twee kantoren worden gerealiseerd. Deze realisatie binnen de vrijwaringszone lijkt acceptabel, omdat: a. Het plan geen belemmering vormt voor de doorvaart van de scheepsvaart in de breedte, hoogte en diepte b.
De voorgenomen bebouwing de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepsvaart nauwelijks vermindert. In de bestaande situatie staan tussen de voorgenomen hallen namelijk al een hal van vergelijkbare omvang en een kraan die zelfs hoger is. c. Het plan geen belemmering vormt voor het contact van de scheepsvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten. Dergelijke objecten, zoals sluizen en bruggen zijn niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. d. Het plan geen belemmering vormt voor de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten. Deze maken geen gebruik van het plangebied om de rivier te benaderen. Mochten hulpdiensten alsnog gebruik willen maken van het terrein, dan is de bereikbaarheid van de rivier vergelijkbaar met de bestaande situatie. e. Het plan geen belemmering vormt voor het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. De oevers binnen het plangebied veranderen niet noemenswaardig en het plangebied wordt niet gebruikt voor het onderhoud elders langs de Lek. Bovendien moet voor deze vrijwaringszone conform het Bevt artikel 10 in de toelichting van het bestemmingsplan de reden worden vermeld om het voorgenomen initiatief toe te laten in deze zone, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
De kans dat een dergelijk scenario optreedt met een risico voor de personen in de gebouwen is relatief klein, omdat de gebouwen niet direct op de oever staan. En mochten de gebouwen bij extreem hoogwater wel in het water komen, dan zijn zij niet in gebruik en is geen sprake van een kwetsbaar object. Zoals aangegeven zijn de hallen en kantoren relatief makkelijk te ontruimen, waardoor aanvullende maatregelen niet nodig zijn: 64
• • •
De medewerkers worden bij een calamiteit direct gealarmeerd. De medewerkers van de scheepswerf zijn allen zelfredzaam en bekend op de locatie; De nieuw te realiseren gebouwen beschikken over vluchtmogelijkheden van de risicobron af.’
De vrijwaringszone met bijbehorende regels zijn opgenomen in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen. Het groepsrisico als gevolg van het externe risico van transport van geklasseerde stoffen over de Lek en als gevolg van een calamiteit bij Akzo Nobel is verantwoord en de reden waarom het initiatief toegelaten is gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen is toegelicht. Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg toegestuurd naar de overlegpartner Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ). De VRZHZ heeft aangegeven in te kunnen stemmen met deze paragraaf. De Veiligheidsregio heeft verder aangegeven dat de aanduiding ‘vrijwaringszone – vaarweg’ met bijbehorende regels op het vrijwaringsgebied gelegd moet worden. Deze reactie is verwerkt in het bestemmingsplan.
65
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan toekomstige graafwerkzaamheden zal een klic-melding worden uitgevoerd.
66
4.8 Ecologie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora-en faunawet. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitat- richtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de Wet natuurbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura2000gebieden en bossen. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Floraen faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wet natuurbescherming geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Onderzoek Het plan voorziet in werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd.
De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Ten aanzien van rugstreeppad dient het plangebied ongeschikt en/of ontoegankelijk te worden gehouden gedurende de werkzaamheden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Desondanks zal, omdat het plangebied direct naast een gebied ligt dat deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland (NNN), tijdens de werkzaamheden voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht) teneinde verstoring van beschermde soorten te voorkomen.
67
Afbeelding 26: Afstand plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
Afbeelding 27: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de ( Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
68
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.
De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • De Japanse duizendknoop in de groenstrook langs de Lek aan de westzijde van de planlocatie dient op een passende manier verwijderd te worden alvorens de bouwwerkzaamheden starten om verdere verspreiding en schade aan bouwwerken en infrastructuur te voorkomen. Stikstofdepositie Om de invloed van de aanleg- en gebruiksfase van de ontwikkeling op Natura2000gebieden in kaart te brengen is door Adromi een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De stikstofdepositie is op Natura 2000-gebieden is onderzocht. In de gebruiksfase levert de bijdrage van de emissiebronnen een depositie op van 0,00 mol/ha/jaar.
Daar de depositie 0,00 mol/ha/jaar is, is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies van het plan op een relevant Natura 2000-gebied zullen zijn.’
69
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen, mits de te treffen maatregelen worden genomen: • •
•
•
•
•
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.
De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De Japanse duizendknoop in de groenstrook langs de Lek aan de westzijde van de planlocatie dient op een passende manier verwijderd te worden alvorens de bouwwerkzaamheden starten om verdere verspreiding en schade aan bouwwerken en infrastructuur te voorkomen.
Voor wat betreft stikstofdepositie ondervindt het plan tevens geen belemmeringen.
70
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Adromi twee bodem- en asbestbodemonderzoeken uitgevoerd. In het eerste onderzoek is de bodem ter plaatse van de beoogde bedrijfshal ten noordoosten en een westelijk deel van het terrein onderzocht. In het tweede onderzoek is de bodem ter plaatse van het nieuwe kantoor en de te onderheien betonvloer onderzocht. De conclusie van het eerste rapport luidt als volgt: Deellocatie 1: Westelijk deel van het terrein • De sterk puinhoudende bovengrond is licht verontreinigd met nikkel, zink en molybdeen; • De zwak puinhoudende bovengrond is sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium en lood.
Na uitsplitsing van het grondmengmonster is alleen nog een lichte verontreiniging met zink aangetoond; • De matig puinhoudende bovengrond is licht verontreinigd met PAK; • De indicatieve klassebepaling van de grond (BBK) is klasse Wonen en Industrie. Een onderzoek naar het grondwater en de aanwezigheid van asbest in de puinhoudende grond is vanwege de lage prioriteit van de nieuwbouw bedrijfshal niet uitgevoerd. De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen en PAK wordt bevestigd. De lichte verontreinigingen worden gerelateerd aan de aanwezigheid van puin in de bovengrond, maar overschrijden niet de toetswaarden voor nader onderzoek. Deellocatie 2: Nieuwbouw bedrijfshal ten noordoosten • De bovengrond met resten puin onder de betonlaag is licht verontreinigd met PAK en minerale olie; • De bovengrond met brokken puin onder de betonlaag is licht verontreinigd met PAK; • De grondlaag zonder bodemvreemde bijmengingen onder de verhardingslaag met • menggranulaat, sintels en baksteen is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; • De indicatieve klassebepaling van de grond is Wonen, Industrie en Altijd Toepasbaar; 71
• •
Het grondwater is licht verontreinigd met barium; In de puinhoudende bovengrond en de verhardingslaag met menggranulaat, sintels, slakken en baksteen is geen asbest aangetoond.
De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen en PAK wordt bevestigd. De lichte verontreinigingen worden gerelateerd aan de aanwezigheid van puin in de bovengrond, maar overschrijden niet de toetswaarden voor nader onderzoek. Ter plaatse van deellocatie 2 vormen de resultaten van het onderzoek geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw van een bedrijfshal. Ter plaatse van deellocatie 1 is aanvullend onderzoek noodzakelijk voordat hierover een uitspraak kan worden gedaan. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik. De conclusie van het tweede rapport luidt als volgt: Deellocatie 3 Nieuwbouw kantoor • De bovengrond met sporen puin is licht verontreinigd met PCB, PAK en minerale olie; • De bovengrond zonder bodemvreemde bijmengingen is licht verontreinigd met kwik en zink; • De indicatieve klassebepaling van de grond (BBK) is klasse ‘Industrie’ en ‘Altijd Toepasbaar’; • Het grondwater is licht verontreinigd met barium; • In de bovengrond is plaatselijk, graafgat 202, asbest aangetoond onder de interventiewaarde (100 mg/kg) en onder de norm voor nader onderzoek (> 50 mg/kg).
De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, PCB, PAK, minerale olie en asbest wordt bevestigd. De lichte verontreinigingen worden gerelateerd aan de aanwezigheid van puin in de bovengrond, maar overschrijden niet de toetswaarden voor nader onderzoek. Deellocatie 4 Te onderheien betonvloer • De ondergrond (55-110 cm-mv) met sterk baksteen, resten puin en sintels en sporen kalk is sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, lood, nikkel, PCB, PAK en minerale olie; • De ondergrond (200-250 cm-mv) met brokken puin is sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, koper, lood, nikkel, PCB, PAK en minerale olie; • De ondergrond (250-300 cm-mv) zonder bodemvreemde bijmengingen is licht verontreinigd met lood; • De ondergrond (150-200 cm-mv) met resten puin, kalk en slib is sterk verontreinigd met nikkel, zink en minerale olie en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, koper, lood, molybdeen PCB en PAK; • De indicatieve klassebepaling van de grond is ‘Niet Toepasbaar’ en ‘Altijd Toepasbaar’. 72
• •
Het grondwater is licht verontreinigd met barium, xylenen en naftaleen; In de puinhoudende bovengrond is geen asbest aangetoond.
De hypothese verdacht ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie wordt bevestigd. De sterke verontreinigingen worden gerelateerd aan de aanwezigheid van puin in de grond (oude ophooglaag tot circa 250 cm-mv) en overschrijden de toetswaarden voor nader onderzoek. Er is vermoedelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, de omvang van de sterk verontreinigde grond is geschat groter dan 25 m3. Aanbevolen wordt om voor de werkzaamheden ter plaatse van deellocatie 4 ‘het onderheien van de betonvloer’, een plan van aanpak sanering op te stellen en door middel van een BUS-melding in te dienen bij het bevoegd gezag. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik. Conclusie Voor het plan is aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. De aanvullende bodemonderzoeken en (eventuele) bodemsaneringen vinden plaats na de bestemmingsplanwijziging. De bodem is geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging, aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Ter plaatse van het westelijke terreindeel dient een asbestonderzoek uitgevoerd te worden teneinde de kunnen concluderen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt.
Dit zal tijdens fase 2 plaatsvinden. Ter plaatse van de te onderheien betonvloer dient een plan van aanpak sanering opgesteld te worden door middel van een BUS-melding. De bodemkwaliteit ter plaatse van de bedrijfshal ten noordoosten en het nieuwe kantoor aan de oostzijde van de scheepswerf vormt geen belemmering.
73
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologie- beleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied deels is gelegen op gronden met een: • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
74
Plangebied
Afbeelding 28: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het plan voorziet in ingrepen groter dan 250 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hiermee noodzakelijk. Om aan de onderzoeksplicht te voldoen is aan ADC ArcheoProjecten gevraagd een archeologisch onderzoek uit te voeren. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Op basis van het bureauonderzoek wordt verwacht dat de ondergrond bestaat uit restgeulen oever op beddingafzettingen van de Lek. Dit kon niet worden bevestigd door de controleboringen. Wel is aangetoond dat zich een ophogingspakket van tenminste 1,5 m en waarschijnlijk 2 m in het plangebied aanwezig is. •
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Er is tot een diepte van tenminste 1,5 m –mv geen natuurlijke bodemopbouw aanwezig.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) intacte bodemhorizonten bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De bouwplannen gaan uit van een verstoring van niet meer dan 1 m –mv. Daarbij komen geen natuurlijke bodemhorizonten, of eventuele archeologische waarden, in gevaar.
75
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht ten aanzien van de huidige bouwplannen. Archeologische waarden worden tot 2 m –mv niet verwacht. Eventuele waarden die dieper liggen worden niet verstoord bij de huidige bouwplannen en blijven in situ aanwezig.
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling tot een diepte van 2 m -mv. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland is te zien dat het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevat. Het plangebied is niet opgenomen in de beleidskaarten landschap waarden, nederzetting waarden, windmolens, kasteelbiotopen, landgoedbiotopen, kroonjuwelen, werelderfgoed, erfgoedlijnen en beeldbepalend erfgoed. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dienen eventuele archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid.
76
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De bedrijven op de scheepswerf zijn bewust van deze gemeentelijke ambitie. De scheepswerf gaat de mogelijkheid- en kostenafweging maken voor het plaatsen van zonnepanelen. Reeds heeft de scheepswerf hiervoor subsidie aangevraagd en verkregen. Tevens is de scheepswerf voornemens om de bedrijfshallen duurzaam te verwarmen middels een Nivolair-systeem. Het nieuwe kantoor op de scheepswerf zal worden gebouwd naar de huidige duurzame standaarden uit het meest recente Bouwbesluit. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. Wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. Overstroming; 3. Hitte; 4. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen.
Bij (hevige) regenbuien stroomt het water rechtstreeks op de grote rivier De Lek af. Er zal daardoor geen wateroverlast op het bedrijfsterrein voorkomen. Ter plaatse van het groen kan het hemelwater ook via de bodem geïnfiltreerd worden. De scheepswerf overweegt om de parkeerplaatsen te verharden met halfverharding (bijvoorbeeld grasbeton), zodat het hemelwater ook hier via de bodem geïnfiltreerd kan worden. Overstroming Omdat de scheepswerf buitendijks is gelegen, kan het bedrijfsterrein bij hoogwater en overstromingen onder water komen te staan. Dit is in de bestaande situatie echter niet anders. Om geen ruimte van de rivier in te nemen, kunnen de loodsen (automatisch) worden opengezet, zodat het water door de loodsen kan bewegen en zodoende de loodsen vrijwel geen ruimte voor het water innemen. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Er wordt geen extra verharding toegevoegd waardoor er meer hittestress zou kunnen ontstaan. Het aspect hittestress is bij de bedrijven onder de aandacht gebracht. Verder worden gebouwen voorzien van installaties die naast verwarmen ook kunnen koelen (zoals airconditioning of klimaatsystemen).
77
Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Omdat het plangebied naast de rivier de Lek is gelegen, zal de bodem van het bedrijfsterrein continu gehydrateerd worden door het water van de rivier. Opdroging van de bodem zal hier niet aan de orde zijn.
78
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van dit bestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Dijkverzwaren Liesveld’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’, ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ en ‘Geluidzone industrieterrein 'Langs de Lek'’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijf Het gehele bedrijfsterrein wordt bestemd met een bedrijfsbestemming. Het noordwestelijk deel van het bedrijfsterrein wat thans een waterbestemming heeft, zal ook bestemd worgen met de bestemming ‘Bedrijf’. Tevens wordt ten behoeve van het plaatsen van een nieuwe damwand de bedrijfsbestemming uitgebreid. Groen Ten plaatse van de groenstrook aan de oostzijde van het plangebied wordt de groenbestemming opgenomen. Hierin zijn parkeervoorzieningen niet toegestaan. Water Ten behoeve van de bootlift gelegen in de Lek wordt de bestemming Water opgenomen.
79
Waarde – Archeologie – 4 Ter bescherming van archeologische waarden is deze dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 4 opgenomen. Hiermee is juridisch geborgd dat graafwerkzaamheden dieper dan 2 m-mv onderzoeksplichtig zijn en minder diepe bodemingrepen zijn vrijgesteld. Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed Ten behoeve van de afvoer en doorstroming van rivierwater, voor het rivierbeheer noodzakelijke activiteiten en riviergebonden activiteiten, scheepvaartverkeer en beheerwerkzaamheden ten behoeve van de waterveiligheid wordt deze dubbelbestemming overgenomen uit het moederplan. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de primaire waterkering wordt deze dubbelbestemming uit het moederplan overgenomen.
5.4 Aanduidingen • • • • • • • • • • • • • • • •
Bouwvlak; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘nutsvoorziening’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – bootlift’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – gefundeerde betonplaat’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – mobiele torenkraan’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van water - proefdraaien scheepsmotoren’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – bootlift’; Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – gezoneerd industrieterrein’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – vaarweg’; Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied – 1’ Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied – 2’ Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’.
80