CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bestemmingsplan 'Giessenburg, Heideweg 8 Peursumseweg’ - Bijlagen bij toelichting

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 5 april 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Gewijzigd raadsvoorstel Bestemmingsplan Giessenburg, Heideweg 8 - Peursumseweg38.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

41

Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.

17

3.1.3 Monsternameplan Hoewel een verkennend booronderzoek niet als primair doel het opsporen van archeologische vindplaatsen en indicatoren heeft, zullen eventuele relevante archeologische vondsten wel worden verzameld en indien mogelijk globaal worden gedetermineerd.

3.2

Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

3.2.1 Lithologische beschrijving De locatie van de boringen is weergeven in afb. 8. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. De ondergrond van de westelijke en centrale deel van het plangebied bestaat uit een mineraalarm veenpakket. In dit pakket komen lagen met rietresten en houtresten voor. Het veen wordt doorsneden door enkele lagen zwak tot matig siltige, bijna ongerijpte klei met een grijze kleur. In het westelijk deel gaat het veenpakket geleidelijk over in een humeuze tot venige, matig siltige kleilaag of een sterk kleiige veenlaag. Deze tussenlaag gaat weer geleidelijk over in een pakket matig siltige, bijna gerijpte klei met roestvlekken. In boring 11 zijn hierin kleine fragmenten baksteen aangetroffen. De ondergrens van dit pakket bevindt zich op ca. 40 à 70 cm –mv. Het pakket loopt door tot aan het maaiveld. In het oostelijk deel van het plangebied is een andere stratigrafische opbouw aangetroffen. Hier is in boring 2 op 300 cm –mv een pakket sterk kleiig veen aanwezig met kleilaagjes. Dit pakket gaat geleidelijk over in een laag kalkrijke, uiterst siltige klei en vervolgens in een laag kalkarme, sterk siltige klei. Deze kleilagen zijn bijna ongerijpt en de sterk siltige kleilaag gaat op 200 cm –mv geleidelijk over in een laag zwak kleiig veen met rietresten.

Boven de veenlaag is van 180 tot 45 cm –mv een pakket humeuze, matig siltige, donkergrijze klei aangetroffen. De basis van dit pakket is kalkarm en de top kalkloos en bevat rietresten. In boring 3 is in de ondergrond een pakket sterk siltige klei aanwezig met zandlaagjes. Dit pakket gaat naar boven toe geleidelijk over in een pakket matig siltige klei met veenlaagjes. De matig siltige klei bevindt zich tussen 100 en 70 cm –mv. In boring 1 is vanaf een diepte van 50 cm –mv een pakket mineraalarm veen met houtresten aangetroffen. Het geheel wordt afgedekt door een 70 tot 45 cm dik sterk siltige, gerijpte, lichtbruingrijze klei met roestvlekken. 3.2.2 Interpretatie De ondergrond van het westelijk en centrale deel van het plangebied bestaat uit een mineraalarm veenpakket dat door enkele zwak tot matig siltige kleilagen wordt doorsneden. Deze kleilagen worden geïnterpreteerd als komafzettingen. Het veen wordt afgedekt door een kleipakket dat wordt geïnterpreteerd als een komafzetting. Het westelijke en centrale deel van het plangebied heeft deel uitgemaakt van het komgebied ten westen van de Giessen. Komgebieden waren tot aan de grootschalige ontginningen in de Late Middeleeuwen niet geschikt voor bewoning. Archeologische resten worden hier daarom niet verwacht.

De in boring 11 aangetroffen baksteenfragmenten bevinden zich in de bouwvoor en hebben derhalve geen archeologische betekenis. In het oostelijk deel van het plangebied bestaat de ondergrond ook uit veen, een zwak kleiig veenpakket beneden 300 cm -mv. Dit pakket zwak kleiig veen gaat naar boven toe geleidelijk over in sterk tot uiterst siltige oeverafzettingen, die mogelijk verband houden met het riviertje de Giessen. Waarschijnlijk is het gebied geleidelijk onder de invloed van de Giessen gekomen. Deze afzettingen worden afgedekt door een veenlaag met rietresten. De laag gaat naar boven toe geleidelijk over in humeuze, matig siltige klei, die als komafzetting wordt geïnterpreteerd. Ook in boring 3 is een laag oeverafzettingen aanwezig met daarboven, tussen 100 en 70 cm –mv, een pakket met komafzettingen. De komafzettingen gaan naar boven toe geleidelijk over in kalkrijke, sterk siltige oeverafzettingen. Dit pakket bevindt zich direct onder het maaiveld. In boring 1 is het onderste pakket met oeverafzettingen van de Giessen niet aangetroffen; waarschijnlijk bevond deze locatie zich tijdens de eerste fase van sedimentatie van de oeverafzettingen van de Giessen buiten de oeverzone. Op deze locatie is dik pakket mineraalarm bosveen gevormd. Ook op deze locatie is boven het veenpakket een pakket oeverafzettingen van de Giessen afgezet.

18

In het oostelijk deel van het plangebied zijn geen ophogingslagen aangetroffen. Dit betekent dat de nabijgelegen huisterp zich niet tot in het plangebied uitstrekt. In de oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming waargenomen. Daarom worden in het plangebied geen archeologische waarden verwacht.

3.3

Conclusies

De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord:  Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In het westelijk deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit een mineraalarm veenpakket, dat wordt doorsneden door enkele kleilagen. Het veenpakket gaat naar boven toe geleidelijk over in een pakket matig siltige komafzettingen. In de ondergrond van het oostelijk deel van het plangebied is een pakket zwak kleiig veen aangetroffen dat naar boven toe geleidelijk overgaat in sterk tot uiterst siltige oeverafzettingen, die verband houden met de Giessen. De oeverafzettingen worden afgedekt door een veenlaag en een pakket matig siltige komafzettingen. De komafzettingen gaan naar boven toe geleidelijk over in sterk siltige oeverafzettingen. Dit pakket bevindt zich direct onder het maaiveld. In het noordelijk deel van het plangebied rust het pakket met oeverafzettingen van de Giessen op een dikke laag mineraalarm bosveen. In de oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen. 

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In het plangebied is behoudens een bouwvoor van enkele decimeters dikte sprake van een onverstoorde bodemopbouw.

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Nee, in het plangebied zijn geen archeologisch interessante lagen aangetroffen. Ook zijn geen ophogingslagen aangetroffen, die verband houden met de nabijgelegen laatmiddeleeuwse huisterp.

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Niet van toepassing.

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren gevonden. De overige deelvragen zijn daarom niet van toepassing. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing. Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing.

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Omdat in het plangebied geen archeologische waarden verwacht worden, kan de middelhoge tot hoge verwachtingswaarde naar laag bijgesteld worden.

19

4

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Omdat in het plangebied geen archeologische waarden verwacht worden, zullen door de voorgenomen werkzaamheden geen archeologische waarden bedreigd worden.

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Omdat in het plangebied geen archeologische waarden verwacht worden, kan het plangebied als voldoende onderzocht worden beschouwd.

Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding kan plaatsvinden bij de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Giessenlanden, de heer J. Joosen (e-mail: joris.joosen@jouwgemeente.nl). Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

Literatuur Alterra, 2008: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland. Wageningen. Berkel, G. van, & K. Samplonius, 2006: Nederlandse Plaatsnamen, herkomst en historie. 3e druk. Utrecht. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., A. Buesink, H.M.M. Geerts, J.S. Krist, L.A. Tebbens & J.M.J. Willems, 2009: Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. ’s-Hertogenbosch. (BAAC-rapport V-08.0185). Bureau Militaire Verkenningen, 1874, 1880, 1891, 1898, 1914 & 1925: Bonnekaart, schaal 1:50.000, Blad 527 Hoog-Blokland. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas-Delta. Universiteit Utrecht. Utrecht. Groningen, C.L. van, 1992: De Alblasserwaard. Zeist. Haartsen, A.J., 2009: Ontgonnen Verleden, regiobeschrijvingen provincie Zuid-Holland. Ede (rapport Dienst Kennis). Harbers, P., 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Toelichting bij het kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen. Kadaster, 1832: Kadastrale minuutkaart 1811-1832, Peursum, Zuid-Holland, sectie A, Blad 02. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft.

Rijks Geologische Dienst, 1966: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 38 Oost Gorinchem. Rijks Geologische Dienst. Haarlem. SIKB, 2016: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems. Gouda. Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 38 Oost Gorinchem. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen. TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013. Topografische Dienst Nederland, 1936-1989: Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000, Blad 38G. Emmen. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000; Deel 1; West Nederland, 1839-1859. Groningen.

20

Geraadpleegde websites http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/amk-en-ikaw https://archis.cultureelerfgoed.nl/ https://bagviewer.kadaster.nl http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl http://www.bodemdata.nl https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens https://www.kadaster.nl/ http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas http://www.ruimtelijkeplannen.nl http://www.topotijdreis.nl https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/

Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Toekomstige inrichting van het plangebied Afb. 4 Locatie van het plangebied op de digitale paleomeandergordelkaart (naar Cohen et al. 2012) Afb. 5 Locatie van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland maaiveld 3 (AHN). Rode gebieden zijn relatief hoog en blauwe gebieden relatief laag. Afb. 6 Archis-meldingen uit het onderzoeksgebied, geplot op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Giessenlanden (naar Boshoven et al. 2009). Afb. 7 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1880 Afb. 8 Boorpuntenkaart Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.

21

Afb. 1 Locatie van het plangebied

22

Afb. 2 Detailkaart van het plangebied

23

Afb. 3 Toekomstige inrichting van het plangebied42

42

Landschappelijke inpassing 2 woningen – Peursumseweg en Schuitemakersweg – Giessenburg, Lagendijk Tuin- en

Landschapsarchitecten d.d. 8 april 2019.

24

Afb. 4 Locatie van het plangebied op de digitale paleomeandergordelkaart (naar Cohen et al. 2012)

25

Afb. 5 Locatie van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland maaiveld 3 (AHN). Rode gebieden zijn relatief hoog en blauwe gebieden relatief laag.

26

Afb. 6 Archis-meldingen uit het onderzoeksgebied, geplot op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Giessenlanden (naar Boshoven et al. 2009).

27

Afb. 7 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1880

28

Afb. 8 Boorpuntenkaart

121313

121333

121246

121231

2

3

4

5

nummer

121327

x coördinaat (m)

1

y coördinaat (m)

430908

430927

430906

430916

430931

-1,15

-1,14

-0,98

-1,33

-1,28

maaiveldhoogte (m) NAP

Bijlage 1 Boorgegevens

200

180 55

180

70

0

70

0

200

100

400

300

100

200 250 300

180 200 250

70

180

100

70

100

45

0

45

0

200

50

bovengrens (cm onder mv) 50

ondergrens (cm onder mv)

0

grondsoort klei

veen

klei

klei

klei

klei

klei

veen

veen klei klei

klei

klei

klei

veen

klei

.

bijmenging matig siltig

matig siltig, zwak humeus mineraalarm

matig siltig

sterk siltig

matig siltig

sterk siltig

sterk kleiig

matig siltig, zwak humeus matig siltig, zwak humeus zwak kleiig sterk siltig uiterst siltig

sterk siltig

mineraalarm

sterk siltig

zandmediaan -

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

kleur licht-

bruin

lichtbruingrijs bruingrijs

grijs

lichtbruingrijs grijs

bruingrijs

donkerbruin grijs grijs

donkergrijs

lichtbruingrijs donkergrijs

lichtbruingrijs bruin

kalkgehalte kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkrijk

kalkloos

kalkrijk

kalkloos

kalkloos kalkloos kalkrijk

kalkarm

kalkloos

kalkrijk

kalkloos

kalkrijk

nieuwvormingen enkele

-

enkele roestvlekken -

-

enkele roestvlekken -

-

-

-

enkele roestvlekken -

enkele roestvlekken -

overig komafzettingen, matig stevig

hout, bosveen

veel veenlaagjes, venig, komafzettingen

komafzettingen, matig stevig

enkele veenlaagjes, matig stevig, komafzettingen enkele zandlaagjes, oeverafzettingen Giessen, matig slap

stevig, oeverafzettingen Giessen

riet, rietveen matig slap, oeverafzettingen Giessen matig slap, oeverafzettingen Giessen, geleidelijke ondergrens veel kleilaagjes, riet, rietveen

komafzettingen, matig slap

riet, komafzettingen, matig stevig

stevig, oeverafzettingen Giessen

hout, bosveen

stevig, oeverafzettingen Giessen

29

x coördinaat (m)

121256

121227

121272

121299

121305

nummer

6

7

8

9

10

y coördinaat (m)

430944

430885

430928

430963

430888

maaiveldhoogte (m) NAP

-1,39

-1,34

-1,29

-1,31

-1,34

20 45

0

20

55 200

35 55

200

60 35

60

25

0

25

200

30

0

30

100 140 200

40 100 140

0

40

100 130 165 330 345 400

bovengrens (cm onder mv)

0

ondergrens (cm onder mv)

55 100 130 165 330 345

grondsoort klei

klei

klei veen

klei

veen

klei

klei

veen

klei

veen veen klei

klei

veen veen klei veen klei veen

bijmenging sterk siltig, matig humeus sterk siltig

matig siltig mineraalarm

matig siltig

mineraalarm

matig siltig, matig humeus matig siltig

mineraalarm

matig siltig

mineraalarm mineraalarm zwak siltig

matig siltig

sterk kleiig mineraalarm zwak siltig mineraalarm matig siltig mineraalarm

zandmediaan -

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

lichtbruingrijs

bruingrijs

grijs bruin

bruingrijs

lichtbruingrijs bruin

donkergrijs

lichtbruingrijs bruin

kalkrijk

kalkloos

kalkloos kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos

kalkloos kalkloos kalkloos

kalkloos

kalkloos kalkloos kalkloos kalkloos kalkloos kalkloos

kleur lichtbruingrijs bruin bruin grijs

kalkgehalte

bruingrijs bruingrijs bruin grijs bruin grijs bruin

nieuwvormingen weinig roestvlekken

-

enkele roestvlekken -

enkele roestvlekken -

-

enkele roestvlekken -

enkele roestvlekken -

roestvlekken -

overig bouwvoor, scherpe ondergrens, matig stevig oeverafzettingen Giessen, matig stevig, scherpe ondergrens

komafzettingen, veenlaagjes, matig stevig hout, bosveen

komafzettingen, stevig

hout, bosveen

komafzettingen, matig stevig

bouwvoor, scherpe ondergrens, stevig

hout, bosveen

komafzettingen, matig stevig

hout, bosveen riet, rietveen matig slap, komafzettingen

komafzettingen, matig stevig

enkele kleilaagjes riet, rietveen matig slap, komafzettingen hout, bosveen matig slap, komafzettingen riet, rietveen

30

x coördinaat (m)

121302

nummer

11

y coördinaat (m)

430985

maaiveldhoogte (m) NAP

-1,33 25

120 125 200

25 120 125

80 170 185 200

bovengrens (cm onder mv)

0

ondergrens (cm onder mv)

45 80 170 185

grondsoort veen klei veen

klei

veen veen klei veen

bijmenging sterk siltig, matig humeus mineraalarm matig siltig mineraalarm

mineraalarm mineraalarm zwak siltig mineraalarm

zandmediaan -

-

-

kleur bruin grijs bruin

bruingrijs

donkergrijs bruin grijs bruin

kalkgehalte kalkloos kalkloos kalkloos

kalkloos

kalkloos kalkloos kalkloos kalkloos

nieuwvormingen -

-

-

overig weinig baksteenfragmenten, venig, bouwvoor, scherpe ondergrens, matig slap hout, bosveen komafzettingen, slap hout, bosveen

enkele kleilaagjes, bosveen hout, bosveen komafzettingen, slap hout, bosveen

31

datum 5-2-2018 dossiercode 20180205-9-16996 Uitgangspuntennotitie WSRL U heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets volgt u de normale watertoetsprocedure. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Als start voor dit overleg ontvangt u deze uitgangspuntennotitie die automatisch is opgesteld met de door u ingevulde antwoorden op vragen en het door u ingetekende plangebied. De notitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Rivierenland. Deze notitie kunt u gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van een waterhuishoudkundige onderbouwing van uw plan. Voor overleg kunt u contact opnemen met de accountmanager van Waterschap Rivierenland. Contactinformatie staat aan het einde van deze uitgangspuntennotitie. LET OP: het is mogelijk dat uw plan op basis van alleen het oppervlak van het plangebied in de normale procedure terecht is gekomen. Is dit het geval en worden er in deze notitie geen aandachtspunten aangereikt, dan is overleg met de accountmanager niet nodig. Uw plan is dan niet relevant voor de belangen van het waterschap (watertoetsadvies).

Algemene projectgegevens Projectomschrijving: Saneren bedrijfsopstallen (ca 1400 m2) en functiewijziging bedrijfswoningen naar burgerwoningen Oppervlakte plangebied: 21779 Adres: Heideweg 8, Giessenburg Gemeente: Giessenlanden Het plan is ingediend door: Trevor Versluis Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Op basis van de door u verstrekte informatie zijn de volgende wateraspecten van belang in het plangebied. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Veiligheid In het plangebied is geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend.

Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Waterberging Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in het stedelijk gebied of kleiner dan 1500 m² in het landelijk gebied. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling. Hiervoor kunt u contact opnemen met de afdeling vergunningen van het waterschap. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. In dit geval zult u na het doorlopen van planologische traject in het kader van de watervergunning nadere afspraken moeten maken.

Watergangen

Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang.

Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: ●

Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd. ●

Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. ●

Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel.

Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op te nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

Vervolgtraject Voor het verdere proces is het van belang om de accountmananger van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager Giessenlanden Cindy Gejas-Josten telefoon: 0344-649197 e-mailadres: c.gejas@wsrl.nl © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl// op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar. De WaterToets 2017

datum 5-2-2018 dossiercode 20180205-9-16996 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? Giessenlanden Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? nee Afbeeldingen geraakte toetslagen

Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten

De WaterToets 2017

datum 5-2-2018 dossiercode 20180205-9-16995 Uitgangspuntennotitie WSRL U heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets volgt u de normale watertoetsprocedure. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Als start voor dit overleg ontvangt u deze uitgangspuntennotitie die automatisch is opgesteld met de door u ingevulde antwoorden op vragen en het door u ingetekende plangebied. De notitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Rivierenland. Deze notitie kunt u gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van een waterhuishoudkundige onderbouwing van uw plan. Voor overleg kunt u contact opnemen met de accountmanager van Waterschap Rivierenland. Contactinformatie staat aan het einde van deze uitgangspuntennotitie. LET OP: het is mogelijk dat uw plan op basis van alleen het oppervlak van het plangebied in de normale procedure terecht is gekomen. Is dit het geval en worden er in deze notitie geen aandachtspunten aangereikt, dan is overleg met de accountmanager niet nodig. Uw plan is dan niet relevant voor de belangen van het waterschap (watertoetsadvies).

Algemene projectgegevens Projectomschrijving: Realiseren twee vrijstaande burgerwoningen Oppervlakte plangebied: 46981 Adres: Schuitenmakersweg 8, Giessenburg Gemeente: Giessenlanden Het plan is ingediend door: Trevor Versluis Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Op basis van de door u verstrekte informatie zijn de volgende wateraspecten van belang in het plangebied. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Veiligheid Het waterschap kent primaire keringen (deze liggen voornamelijk langs de grote rivieren) en regionale waterkeringen (deze liggen langs boezemwateren en kanalen). Het waterkerend vermogen van de dijken mag niet worden aangetast door ruimtelijke ingrepen. De huidige sterkte van de waterkering blijft nodig.

Niet alleen de dijk, maar ook de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk verdienen bescherming. De Keur van waterschap Rivierenland is hierop van toepassing. Er gelden restricties voor bebouwing en andere activiteiten op en langs de dijken. De kern- en beschermingszone vormen samen de waterkering, daarnaast wordt bij primaire waterkeringen ook een buitenbeschermingszone onderscheiden. Ook hierop is de Keur van Waterschap Rivierenland van toepassing. Naast het voorkomen van negatieve effecten op de huidige waterkeringen is het van belang dat een eventueel toekomstig hoger beschermingsniveau kan worden gerealiseerd ofwel niet wordt gefrustreerd. Het waterschap wil de ruimte behouden om de waterkering in de toekomst te versterken. Dat wordt bereikt door te voorkomen dat er wordt gebouwd in een bepaalde zone aan weerszijden van de waterkering. Dit noemt men het profiel van vrije ruimte. Hiervoor gelden per locatie bepaalde afmetingen; het dwarsprofiel is op te vragen bij het waterschap. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de waterkeringen.Verweving van functies met de waterkering is niet gewenst. Verbeelding De kernzone van de waterkering wordt op de verbeelding opgenomen met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering.

De beschermingszone van de waterkering wordt op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone dijk - 1'. Deze gebiedsaanduiding beschermt de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming(en) te beperken. De regeling strekt ertoe dat bouwen voor de onderliggende enkelbestemming(en) vooraf wordt getoetst, doordat een bouwverbod onderdeel is van de regels. Het nieuwe bouwwerk is uitsluitend toelaatbaar na afwijken bij omgevingsvergunning door het college. Het college vraagt bij het toepassen van deze bevoegdheid advies aan het waterschap. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of

gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Waterberging Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in het stedelijk gebied of kleiner dan 1500 m² in het landelijk gebied. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling. Hiervoor kunt u contact opnemen met de afdeling vergunningen van het waterschap. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. In dit geval zult u na het doorlopen van planologische traject in het kader van de watervergunning nadere afspraken moeten maken.

Watergangen Binnen het plangebied ligt een A-watergang. Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt een B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed (in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena geldt een breedte van 5 meter), gemeten uit de insteek. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Verbeelding Op de Verbeelding van het bestemmingsplan worden A-watergangen opgenomen met de bestemming Water. De beschermingszone van de watergangen wordt niet bestemd. De boezemgebieden of het winterbed krijgt de dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging.

Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: ●

Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd. ●

Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.

●

Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel.

Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op te nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Wegen In de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is het waterschap de beheerder van polderwegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Belangrijke doelstellingen zijn verkeersveiligheid en het voorkómen van een te zware belasting van de polderwegen. De aanleg van nieuwe polderwegen of veranderingen in de verkeerscirculatie vereisen dat in de ruimtelijke plannen voldoende recht wordt gedaan aan een goede scheiding van verkeerssoorten en voldoende verkeersruimte voor het openbaar en langzaam verkeer. Noodzakelijk is een verkeerskundige toetsing. Daarbij worden de verkeerskundige effecten en de belasting van de polderwegen beoordeeld. In uw plangebied ligt een weg die in beheer en onderhoud is bij het waterschap, of het plangebied grenst aan een weg van het waterschap. Ook voor het aanpassen en realiseren van een inrit is een vergunning van het waterschap nodig. Verbeelding Op de Verbeelding van het bestemmingsplan dienen de wegen de bestemming Verkeer te krijgen.

Vervolgtraject Voor het verdere proces is het van belang om de accountmananger van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager Giessenlanden Cindy Gejas-Josten telefoon: 0344-649197 e-mailadres: c.gejas@wsrl.nl © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl// op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar. De WaterToets 2017

datum 5-2-2018 dossiercode 20180205-9-16995 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? Giessenlanden Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? nee Afbeeldingen geraakte toetslagen

Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten

{image_wegen}

De WaterToets 2017

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. T. Versluis Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Datum

20 augustus 2018, 1e revisie 5 april 2019, 2e revisie 28 april 2021

Kenmerk

BE/2018/053/r

Uw kenmerk

E-mail d.d. 30 januari 2018

Auteur(s)

K.J. Rebergen

Projectleider

T.J.P. den Otter

Revisie

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Heideweg en Peursumseweg te Giessenburg Aan de Heideweg 8 is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd. Dhr. J.C. Stuij is voornemens om de voormalige agrarische veestallen te saneren ten behoeve van twee burgerwoningen aan de en Peursumseweg. De bestaande bedrijfswoningen aan de Heideweg 8 worden gewijzigd naar burgerwoningen. N.a.v. bezwaar vanuit de buurt is besloten om de toekomstige woning op een naastgelegen perceel te realiseren. Dit gedeelte is tijdens het veldbezoek meegenomen met de beoordeling. De conclusie op het uitsluiten van mogelijke effecten op (beschermde) flora en fauna blijft behouden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.

begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie bv verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

1

Planlocatie De planlocaties betreffen een voormalig agrarisch bedrijf aan de Heideweg 8 en weidevelden aan de Peursumseweg te Giessenburg. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van twee voormalige veestallen, een sleufsilo en kuilplaten, het wijzigen van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen aan de Heideweg en de realisatie van twee burgerwoningen aan de Peursumseweg; middels de Ruimte voor Ruimteregeling. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Giessenburg. De slooplocatie wordt begrensd door Heideweg (noord) en agrarische percelen (oost, zuid en west). De bouwlocaties worden begrensd door weidevelden (noord, oost en west) en de Peursumseweg (zuid). De directe omgeving van beide planlocaties worden gekenmerkt door agrarische bedrijven, weidevelden en kavelslootjes.

Figuur 1a

Figuur 1b

2

(a); de locatie waar het saneren van de voormalige veestallen plaatsvindt (rood kader) is gelegen aan de Heideweg 8 te Giessenburg. (b); de locatie waar twee burgerwoningen gerealiseerd worden is gelegen aan de en Peursumseweg te Giessenburg (bron: pzh.b3p.nl).

Functieverandering en effecten De beoogde ingreep betreft het saneren van agrarische bebouwing en de realisatie van woningen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten voor de Heideweg 8: • sloop van twee stallen, sleufsilo en kuilplaten: sloopwerkzaamheden en afvoer materiaal; • verwijderen overige terreininrichting zoals hekwerk, verharding en mesttransportsysteem: sloopwerkzaamheden en afvoer materiaal. Onderstaand een korte opsomming van de ingrepen en effecten voor de en Peursumseweg: • egaliseren terrein; graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie nieuwe burgerwoningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie en herinrichting terrein: algemene hoveniers- en overige werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocaties komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Figuur 3a

Figuur 3b

(a); de slooplocatie met daarin aangegeven welke gebouwen er gesaneerd worden en welke er gehandhaafd blijven. (b); de bouwlocatie met daarin aangegeven waar de twee burgerwoningen gebouwd worden.

3

Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij bovendien gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, -1 Celsius en windkracht 0-1 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten In de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Vos Wezel Woelrat

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is.

4

Vaatplanten Op de planlocatie zijn geen beschermde planten aangetroffen. In februari zijn de meeste (kruidige) plantensoorten niet of nauwelijks te inventariseren. Op de locatie aan de Heideweg is er sprake van een aanzienlijk deel verharding. De paden tussen en langs de bedrijfswoningen, veestallen, schuur, sleufsilo en kuilplaten zijn verhard. Rondom de planlocatie is er sprake van een intensief onderhouden weide, waar nauwelijks natuurlijke vegetatie aanwezig is. Op de locatie aan de en Peursumseweg is er sprake van intensief onderhouden weide met tolerante inheemse kruiden waaronder smalle weegbree en paardenbloem. Beschermde vaatplanten en/of sporen en delen zijn op beide locaties niet waargenomen. De habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten bestaat met name uit specifieke en bijzondere kenmerken als trilvenen, vochtige duinvalleien en schrale (blauw)graslanden. Gelet op de functie van de planlocaties in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Zoogdieren In de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van egel, vos, ree, haas, bruine rat, mol muis-; en marterachtigen (waarneming 2002-2017; NDFF). Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden. De steenmarter gebruikt leegstaande gebouwen als vaste rust- en verblijfplaats.

De aanwezigheid van de soort is in veel gevallen goed merkbaar door een penetrante urinelucht, prooiresten, knaag-, vraat- en loopsporen. Echter zijn er tijdens de inspectie geen sporen aangetroffen. Op basis van de actuele verspreidingsgegevens, habitatvoorkeuren, terreinomvang en -gebruik hebben de planlocaties en de directe omgeving aannemelijk geen relevante functie voor andere grondgebonden zoogdieren. Er is geen opgaande vegetatie aanwezig en er is sprake van een hoge mate van verstoring door aanwezigheid van mensen en activiteiten op en rond de stallen. Daarbij staan de percelen ook niet in verbinding met natuurgebieden of natuurlijke structuren. Cumulatief leiden vorengenoemde tot beperkt geschikt leefgebieden voor zoogdieren. De incidentele aanwezigheid of een functie als onderdeel van een groter leefgebied kan voor algemene kleine zoogdieren echter niet geheel worden uitgesloten. Voor soorten zoals: haas, mol en rat- en muisachtigen kan de planlocatie diverse (in beperkte mate) habitatfuncties hebben. De open terreindelen hebben potentie als foerageer, overwinterings- en voortplantingslocatie voor deze soorten.

Op en rondom de planlocaties zijn geen sporen als vraatsporen (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren, etc.), uitwerpselen, pootafdrukken of loopsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot significante afname van het beoogde leefgebied. Dergelijke soorten zijn bovendien dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar en beter habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkelingen op zowel beschermde als algemene zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater, spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al. 1997; Dietz et al. 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: laatvlieger, meervleermuis, baardvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. De bomen op de locatie aan de Heideweg 8 zijn gecontroleerd op potentiele invliegopeningen en in het verlengde hiervan vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen.

De te slopen veestallen bestaan uit gemetselde muren, damwandplaten en houten panelen zonder spouw en een dak van golfplaten zonder isolatieafwerking. Een stabiel microklimaat is voor vleermuizen een belangrijke voorwaarde om zich voor langere tijd te vestigen. Voor de veestallen geldt dat deze per definitie ongeschikt zijn, omdat er geen sprake is van een stabiel microklimaat of goede wegkruipmogelijkheden. Op de locaties aan de en Peursumseweg is er geen sprake van bebouwing noch bomen.

5

Vleermuizen foerageren opportunistisch waarbij het actuele insectenaanbod leidend is voor de plaats waar ze op dat moment foerageren. Gelet op de directe omgeving en het ontbreken van laanvormige structuren op de locatie maakt de planlocatie geen onderdeel uit van essentiële migratieroutes tussen verblijfplaatsen en het foerageergebied. Echter kan de aanwezigheid van foeragerende en passerende vleermuizen niet worden uitgesloten. Gedurende de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden kan onjuist toegepaste (bouw)verlichting foeragerende en passerende vleermuizen verjagen. Teneinde verstoring te voorkomen dient een veermuisvriendelijke verlichtingswijze te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan waargenomen in de plangebieden. In de omgeving is het voorkomen bekend van gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, poelkikker, meerkikker, heikikker en bruine kikker (Creemers & Van Delft, 2009). Vergraafbare grond wordt gebruikt door hagedissen om holen te graven en eieren in af te zetten. Voor ringslang zijn uitgestrekte extensieve graslanden en waterrijke gebieden onderdeel van het functionele leefgebied. De planlocatie is gelegen tussen sterk beïnvloede agrarische percelen. Op de planlocatie ontbreken natuurlijke vegetatiestructuren en oppervlaktewater.

Voor beschermde reptielen en amfibieën als hazelworm, zandhagedis, vroedmeesterpad, heikikker, rugstreeppad en alpenwatersalamander ontbreken functioneel leefgebied: geschikte voortplantingsplaatsen als poelen, vennen en vijvers en overwinteringslocaties als strooisellagen, kruidenrijke velden en dichte vegetatie. Tevens ontbreken gunstige migratieroutes van bekende populaties tot de planlocatie en vormen de aangrenzende percelen en wegen barrières. Het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten en bijzondere nationaal beschermde soorten wordt derhalve niet verwacht. Ten aanzien van heikikker ontbreekt functioneel leefgebied binnen de planlocaties. Overwinteringslocaties als lage struwelen, opgaande vegetatie en hoge kruidige gewassen zijn niet aanwezig. Tevens ontbreken oppervlaktewateren en watergangen met goed ontwikkelde oever- en/of watervegetatie en is de aanwezige watergang voorzien van nagenoeg verticale oevers. Aangezien het plangebied ongeschikt is voor de soort wordt het voorkomen van de soort niet verwacht. De rugstreeppad is voor de voortplanting afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen. Dergelijke ondiepe wateren ontstaan vaak bij sloop- en bouwwerkzaamheden in regenachtige perioden in het voorjaar. In de huidige situatie is er geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad aanwezig.

Echter gelet op de afstand tot bekende populaties (<5km) van rugstreeppad kan kolonisatie door de soort gedurende de werkzaamheden niet uitgesloten worden (Ravon.nl; verspreidingsatlas.nl). De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als gewone pad en bruine kikker kan tevens niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Behoudens de algemene zorgplicht en preventieve maatregelen ten aanzien van rugstreeppad zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing. Vissen Aangrenzend aan de planlocaties bevinden zich een aantal sloten. Gedurende de werkzaamheden is het mogelijk dat aanwezige vissen in de sloten door trilling- en geluidsverstoring negatief beïnvloed kunnen worden. Echter is er in de directe omgeving voor vissen voldoende geschikt habitat om tijdelijk naartoe te vluchten. De sloten hebben tevens aannemelijk geen specifieke of essentiële functie voor Habitatrichtlijnen of nationaal beschermde soorten. Mits gedurende de ontwikkeling rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht zijn negatieve effecten ten aanzien op vissen uitgesloten.

6

Insecten, libellen en ongewervelde In de plangebieden zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelde aangetroffen. Tevens zijn geen mierenhopen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van zeldzame, kwetsbare en/of beschermde mieren. De meeste dagactieve insecten zijn begin februari niet zichtbaar. Op de locatie zijn diverse (gedomesticeerde) heesters en bomen aanwezig. De vegetatie is voor veel algemene insecten geschikt ten behoeve van voedsel, voortplanting, opgroei (larvale stadium), popstadium en verblijfplaats. Er zijn geen specifieke plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een bepaalde soort een waardplant vormen. Effecten ten aanzien van beschermde insecten als gevolg van de beoogde werkzaamheden zijn echter uitgesloten. Vogels In de plangebieden en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: gaai, putter, zwarte kraai, holenduif, groenling, ringmus, knobbelzwaan, stormmeeuw en spreeuw. Aan de binnenzijde van een van de schuren die gehandhaafd blijft, is een kerkuilnestkast aangebracht. Afgelopen broedseizoen was deze kast nog in gebruik door een koppel kerkuilen (pers. med. Dhr. J.C. Stuij, figuur 4a). Tijdens de inspectie zijn dan ook braakballen en krijtsporen in de schuur aangetroffen.

In de omgeving van de locatie zijn weide en veehouderijen aanwezig. De afname van een relatief klein oppervlakte aan, voor kerkuilen, ontoegankelijke stallen leiden niet tot een significante afname van schuilgelegenheid en foerageergebied van kerkuilen. Gelet op de kenmerken van de directe omgeving blijft de omgeving tevens in de nieuwe situatie geschikt voor prooidieren als rat- en muisachtigen. Met name op het perceel aan de Heideweg 7 en 9, in noordelijke richting, zal voldoende voorzien in voedsel- en schuilgelegenheden voor het aanwezige broedpaar kerkuilen. Bovendien blijft de schuur waarin de kast is bevestigd behouden. De ontwikkeling zal niet resulteren in het ongeschikt raken van het kerkuilen leefgebied en zal niet leiden tot aantasting van het functionele leefgebied. Teneinde het verstoren van een broedgeval van kerkuil te voorkomen dient rekening gehouden te worden met werkzaamheden die leiden tot harde geluiden en/of trillingen die mogelijk een negatief effect kunnen hebben op het aanwezige broedsel. Derhalve dient er buiten de kwetsbare (broed)periode van kerkuilen gewerkt te worden. Aan de buitengevel van de bedrijfswoning en aan de binnenzijde van een van de te slopen stallen zijn een aantal zwaluwennesten waargenomen. De bedrijfswoning zal in de beoogde ontwikkeling worden omgezet naar een burgerwoning, waardoor de nesten op de foto behouden zullen blijven.

Echter zullen de paar nesten waargenomen in een van de stallen, verloren gaan. Het betreft nesten van huiszwaluwen die behoren tot categorie 5 vogels; honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Onder de Wet Natuurbescherming wordt het volgende onderscheidt gemaakt: nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd en de nesten van soorten onder categorie 5 zijn beschermd mits er ecologisch zwaarwegende redenen gelden. Voor huiszwaluw geldt dat vanaf begin jaren zeventig hun aantal in ons land verminderde met ruim 80%. Waarschijnlijk was de afname van insecten daarvan een belangrijke oorzaak (www.sovon.nl/nl/jaarvandehuiszwaluw). Tevens wordt aangevoerd dat een van de mogelijke oorzaken van daling van de huiszwaluw populatie het gebrek aan natte, lemige modder om nesten van te bouwen betreft. Gezien er in de huidige staat huiszwaluwnesten aanwezig zijn, kan er vanuit worden gegaan dat er voldoende natte, lemige modder aanwezig is. Sovon meldt dat sinds de eeuwwisseling de populatie weer licht toe neemt. De tweede bedrijfswoning, welke is opgetrokken uit dezelfde materialen als de eerste bedrijfswoning, zal worden behouden in de beoogde ontwikkeling. Door de aanwezigheid van een witte boeiboord met overstek is deze zeer geschikt voor een nestlocatie van huiszwaluw.

Voor categorie 5 vogels geldt tevens dat soorten die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zicht elders te vestigen. In de beoogde ontwikkeling zijn er door het behouden van de twee (bedrijfs)woningen voldoende potentie voor nestlocaties voor huiszwaluw.

7

Al het voorgenoemd leidt tot het ontbreken van ecologisch zwaarwegende redenen die resulteren in jaarronde bescherming van huiszwaluw, waardoor alleen noodzakelijk is om de ontwikkelingen buiten het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli) uit te voeren. Eveneens geldt voor andere algemene broedvogels ook de verstoring te minimaliseren, door de ontwikkelingen buiten het broedseizoen uit te voeren.

Figuur 4a,b (a); een kerkuilnestkast. (b); diverse nesten van de huiszwaluw. Gebiedsbescherming De planlocaties maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland of Belangrijke Weidevogelgebieden. De locatie aan de Heideweg 8 is gelegen op een afstand van 0,8km tot het Natuurnetwerk Nederland en de planlocaties aan de en Peursumseweg op een afstand van 25m (figuur 5a & b). Op een afstand van 5,6 en 5,7 km tot de drie planlocaties is het Natura2000-gebied de Biesbosch gelegen (figuur 6).

Figuur 5a

8

Figuur 5b

(a): de locatie aan de Heideweg 8 (rood omcirkeld) is gelegen op een afstand van 800m tot een het Natuurnetwerk Nederland; (b): de locaties aan de en Peursumseweg zijn gelegen op een afstand van 25m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.b3p.nl).

Figuur 6

De drie locaties (rood omcirkeld) zijn gelegen op een afstand van 5,6 en 5,7km tot het Natura2000-gebied de ‘Biesbosch’ (bron: natura2000.eea.europa.eu).

De beoogde ingreep betreft het saneren van twee voormalige veestallen, een sleufsilo en kuilplaten, het omzetten van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de realisatie van twee nieuwe burgerwoningen op een bijkomende locatie. Gedurende de werkzaamheden zal een tijdelijke toename in stikstofdepositie waargenomen kunnen worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Daarbij zal de stikstofdepositie aanzienlijk lager uitvallen na het saneren van de voormalige veestallen. De uitstoot van 2 woningen zullen verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de huidige situatie met veestallen en het bijkomende vrachtverkeer. Tevens geldt voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) dat de Natura2000-gebieden voldoende groot, geschikt en op een

9

ruime afstand zijn dat aanwezige soorten er geen effecten van ondervinden. Significant negatieve effecten ten aanzien van populaties en beschermde natuurwaarden zijn uit te sluiten. Bovendien geldt voor het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden dat externe werking geen toetsingskader is.

Conclusies Binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. Vleermuizen maken mogelijk incidenteel gebruik van de locatie en omgeving tijdens het foerageren. De locatie en omgeving ervan worden incidenteel betreden door algemene amfibieën en zoogdieren. Mogelijk bevolkt rugstreeppad de locatie gedurende de werkzaamheden. Binnen het plangebied broed een kerkuilenpaar. Op de planlocatie zijn geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels aanwezig. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied of Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot Natura2000-gebieden is van externe werking geen sprake. De nieuwe locatie voor de realisatie van een van de woningen (naar het naastgelegen perceel) zorgt niet voor een verandering in conclusie. Het naastgelegen perceel heeft geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. Tabel 1

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtten effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventuele vervolgstap.

m

x

x

ja

x

x

x

x

x

ja

m

Geschikt habitat Habitarichtlijnsoort

x

x

Geschikt habitat overige soort

x

m

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

x

x

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura2000

5,6km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

25m

geen

n.v.t.

x

m

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

x = ongeschikt ja = geschikt m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

vaatplanten

Legenda

x

x

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Ondanks de herziene keuze om een van de woningen op het naastgelegen perceel te realiseren n.a.v. bezwaar vanuit de buurt, leiden de werkzaamheden nog steeds niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, kerkuil, vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Conclusie Het saneren van de voormalige veestallen, sleufsilo en kuilplaten aan de Heideweg 8 ten behoeve van twee nieuwe burgerwoningen aan de Schuitenmakers en Peursumseweg (gedeeltelijk nieuw gekozen locatie) te Giessenburg is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=68829387-58b9-48df-9056-73ad4a8417d4