CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting, regels en verbeelding bestemmingsplan ‘Entreegebied Kinderdijk’

Raadsvergadering 17 juli 2025, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Entreegebied Kinderdijk en Kwaliteitskader Entreegebied Kinderdijk-Elshout28.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsiden teit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en jd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de ar kelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combina e van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij  aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemo veerd dat dat onmogelijk is.

In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de mo vering;  indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensa e wordt toegepast. 8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met ar kel 6.9a. 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recrea egebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de ar kelen 6.9b, 6.9c of 6.9d.

44/100

10. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de ar kelen 6.9e, 6.9f of 6.9g. 11. Transforma e is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en ende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recrea egebieden of van grote buitenstedelijke bouwloca es bedoeld in ar kel 6.10. De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkoms ge toepassing. 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantas ng tot gevolg hee van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recrea egebieden rond de stad, of karakteris eke landschapselementen, wordt deze aantas ng gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensa e en het moment waarop de compensa e gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensa e bij nieuwe ontwikkelingen. De mo vering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensa e. Ar kel 6.9g Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed 1.

Een bestemmingsplan voor een loca e binnen Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blij en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde hee voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan. 2. In de mo vering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de herkenbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; b. de historische context van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; c. de uniciteit van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; d. de kwetsbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; e. de gaa eid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; f. de samenhang van de kwaliteiten van het Cultureel Erfgoed; g. de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel (zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap). Ar kel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1.

Een bestemmingsplan voor een loca e binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende mo vering die tevens ingaat op de keuze voor een loca e buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de mo vering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de rela e tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type func es en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

45/100

Toetsing Ar kel 6.9 , 6.9g en 6.9a Het grootste deel van het plangebied is aangemerkt als beschermingscategorie 1 kroonjuweel cultureel erfgoed. Hier zijn alleen ontwikkelingen beoogd die de kwaliteit van het gebied vergroten of die noodzakelijk zijn voor het beheer van het gebied of het geleiden en faciliteren van de toeristen. De beoogde ontwikkeling gee ook invulling aan de ambi es uit het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vij eerenlanden. De entree ter hoogte van de steiger is aangemerkt als categorie 3 Buitengebied. Hier komt een nieuw entreegebouw. Dit gebouw wordt in één laag in het dijklichaam gerealiseerd, waarmee de openheid van het gebied behouden blij en de vergezichten worden versterkt. Een deel van deelgebied Lekdijk, het Po errein en de Voorkamer vallen niet onder een beschermingscategorie. Deze deelgebieden vallen onder bestaand stads- en dorpsgebied.

Figuur 3.6 Kaart 14: Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het natuurnetwerk.

46/100

Figuur 3.7 Kaart 7: Natuurnetwerk Nederland (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupa e en de laag van de beleving. Voor het plangebied zijn de volgende richtpunten relevant: Laag van de ondergrond Rivierdeltacomplex, Jonge zeeklei:  Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.  Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem.  Ontwikkelingen versterken de samenhang en con nuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recrea eve structuur van Zuid-Holland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt.  Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Veen(weide)landschap:  Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.  Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.

 Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

47/100

Rivierdijken:  Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders.  Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap.  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Laag van de stedelijke occupa e Steden en dorpen:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteris eke kenmerken/iden teit van stad, kern of dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.  Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een func e te geven die aansluit bij de behoe en van deze jd.  Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Stads en dorpsranden  Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Laag van de beleving Kroonjuweel en werelderfgoed Kinderdijk:  Behouden en versterken van de kwaliteiten van werelderfgoedcomplex Kinderdijk door het in stand houden van de samenhang tussen alle onderdelen van dit ensemble en het bewaren van de openheid van het gebied en omgeving.  Behouden en versterken van de zichtlijnen van en naar het complex Kinderdijk.

Toetsing kwaliteitskaart Met de beoogde kwaliteitsverbetering van het entreegebied wordt invulling gegeven aan de ambi es uit de kwaliteitskaart. De molens, boezems en gemalen van Kinderdijk zijn van grote betekenis als historisch-waterstaatkundig ensemble en als Hollands cultuurlandschap bij uitstek. Kernkwaliteiten van dit werelderfgoedcomplex Kinderdijk zijn naast de molens en boezems ook de zichtlijnen van en naar het complex Kinderdijk. Door de zichtlijnen te versterken en een verbinding te leggen tussen historisch en hedendaags waterbeheer wordt de kwaliteit van het complex versterkt. Ar kel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelich ng van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkoms g ar kel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoe e aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een loca e groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwloca es waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze loca es opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de func e wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie.

48/100

3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelich ng van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoe e aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in ar kel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing Ar kel 6.10 De ontwikkeling is in paragraaf 3.2.3 getoetst aan de Ladder. De aanpassingen in het entreegebied zijn nodig om de authen citeit en de kwaliteit van het eeuwenoude, typisch Hollandse werklandschap te versterken en de autonome groei van het aantal bezoekers in goede banen te kunnen leiden. Het betre vooral een herschikking van func es, bezoekersstromen en meer ruimte voor de werelderfgoedfunc e. Ar kel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.

Toetsing Ar kel 6.10d De ontwikkeling is erop gericht de autonome groei van het aantal bezoekers in goede banen te leiden en de kwaliteit van het entreegebied te verbeteren. De bereikbaarheid wordt voor groepsvervoer en fietsverkeer verbeterd. Autoverkeer in het plangebied wordt ontmoedigd. Hiermee blij het plangebied goed bereikbaar maar verminderd de overlast van het toeris sch verkeer voor de omgeving. Ar kel 6.25 Bescherming molenbiotoop 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van tradi onele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplan ng aangebracht, hoger dan de onderste punt van de ver caal staande wiek; b.

binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplan ng:  i) voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplan ng en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de ver caal staande wiek;  ii) voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplan ng niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplan ng en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de ver caal staande wiek. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt

49/100

door bebouwing en beplan ng, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Toetsing Ar kel 6.25 Over het plangebied liggen meerdere molenbiotopen. Daarvan is de molenbiotoop van Nederwaard Molen 1 maatgevend. De reikwijdte van deze molenbiotoop is weergegeven in figuur 3.8. Het bestemmingsplan voorziet met ar kel 22.4 in een regeling, waarmee de hoogtebeperkingen voor zowel bebouwing als beplan ng binnen een molenbiotoop geborgd zijn. Binnen de molenbiotopen zijn op het Rietsnijderseiland twee nieuwe schuren voorzien. Bij de uitwerking van het bouwplan voor deze schuren zal rekening gehouden moeten worden met de maximale hoogtemaat die op basis van deze regeling ter plaatse van toepassing is.

Figuur 3.8 Kaart 15: Cultureel erfgoed (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) Ar kel 6.22 Regionale waterkeringen 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in ar kel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan.

50/100

3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Toetsing Ar kel 6.22 De regionale waterkeringen in het plangebied zijn via een dubbelbestemming beschermd. Daarnaast zijn er in het plangebied ook primaire waterkeringen aanwezig, deze vallen niet onder ar kel 6.22 van de verordening. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect water, waarbij ook de waterkeringen nader beschreven zijn.

Figuur 3.9 Kaart 3: Regionale waterkeringen (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) Ar kel 6.20 Bescherming recrea etoervaartnet Een bestemmingsplan voor gronden waarbinnen een recrea eve vaarverbinding ligt, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 12 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert van de recrea eve bevaarbaarheid van de vaarweg rekening houdend met het huidig gebruik; of b. de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recrea eve waarden van de vaarweg.

51/100

Toetsing Ar kel 6.20 Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de bevaarbaarheid verminderen. De nieuwe steiger voor de waterbus/-taxi levert en posi eve bijdrage aan de bereikbaarheid van Kinderdijk.

Figuur 3.10 Kaart 12: Recrea etoervaartnet (Bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) Ar kel 6.35a risico's van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betre de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hi e; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Toetsing Ar kel 6.35a In de waterparagraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect klimaatverandering. De planontwikkeling hee geen invloed op de risico's die samenhangen met klimaatverandering. Ar kel 2.3 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden grondwater Het gehele gebied is aangemerkt als milieubeschermingsgebied voor grondwater en als boringsvrije zone.

52/100

Toetsing aan ar kel 2.3 De planontwikkeling vormt geen poten ële bedreiging voor het grondwater. Van boringen is geen sprake.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Stedenbouwkundige visie entree Kinderdijk-Elshout (2022) Deze visie is in april 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Molenlanden. Samen met bewoners, ondernemers, overheden en andere partners in het gebied is de stedenbouwkundig visie Entree Kinderdijk-Elshout ontwikkeld om het entreegebied te uitstraling te geven die het verdient. Door het entreegebied volgens de voorstellen uit deze visie te ontwikkelen, krijgt het de uitstraling die past bij de status van één van bekendste UNESCO Werelderfgoederen ter wereld. De aanpassingen zijn nodig om de authen citeit en de kwaliteit van het eeuwenoude, typisch Hollandse werklandschap te versterken en de autonome groei van het aantal bezoekers in goede banen te kunnen leiden. Aanpassingen stedenbouwkundige visie 2024 Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen door onder andere omwonenden en de SWEK is ervoor gekozen om verschillende wijzigingen aan te brengen ten opzichte van de visie. Deze wijzigingen hebben vooral betrekking op de zogenoemde voorkamer, het deelgebied waar het entreegebouw en Buena Vista aanwezig zijn. Zo is er sprake van een aangepast dijk-/entreegebouw (WK4 wordt dus niet gesloopt) en blijven de bebouwing en terreininrich ng (zoals de parkeerplaatsen) bij Buena Vista zo goed als ongewijzigd ten opzichte van de bestaande situa e.

De func e ter plaatse van Buena Vista wijzigt wel ten opzichte van de huidige situa e en ook ten opzichte van de situa e zoals voorzien in het ontwerpbestemmingsplan. Ter plaatse wordt nu een gemengde func e toegestaan met func es ten behoeve van het erfgoed. Van uitbreiding van horeca is niet langer sprake. De veranderingen ten opzichte van de stedenbouwkundige visie zijn voorbereid met de bewoners, het waterschap en de provincie aan de hand van verschillende scenario's. Een verslag hiervan is bij de Nota Zienswijzen gevoegd. Toetsing Met dit bestemmingsplan worden de beoogde aanpassingen mogelijk gemaakt. Hier is uitgebreid op ingegaan in paragraaf 2.3. 3.4.2 Toekomstvisie Molenwaard 2030 (2012) De gemeente Molenwaard is in 2013 ontstaan uit een samenvoeging van de gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland. In deze visie specificeert de gemeente de ambi es en doelen voor dit nieuwe gebied. De doelen bestaan uit de onderwerpen wonen, economische dragers, ondersteuning, voorzieningen en landschap. Het unieke polderlandschap met de vele molens bieden kansen op economisch vlak; recrea e en toerisme kunnen inwoners werk en inkomen verschaffen door deze economische drager verder te ontwikkelen. Hierbij speelt Kinderdijk een centrale rol.

Molenwaard wil het gebied toeris sch aantrekkelijker maken, door onder andere de toegankelijkheid van Werelderfgoed Kinderdijk te verbeteren. Daarbij wordt er ingezet op het opwaarderen van het toeris sch product Kinderdijk en het verleiden van bezoekers om langer in het gebied te blijven. Er komt zowel aandacht voor het unieke veenweide landschap als voor de vele molens van Molenwaard.

53/100

Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de beoogde verbetering van de toeris sche aantrekkelijkheid van Kinderdijk mogelijk en gee daarmee invulling aan de ambi es in de Toekomstvisie. 3.4.3 Structuurvisie Nieuw-Lekkerland (2012) De relevante thema's uit de structuurvisie van de voormalige gemeente Nieuw-Lekkerland zijn: Water Water is zowel symbolisch als prak sch een belangrijk thema. Kinderdijk ligt op het laagste punt van de Alblasserwaard. Daarnaast is sprake van grote landschappelijke waarden. De waterwegen dienen daarom op maal te worden beheerd en mogen niet worden gedempt. Open landschap Een open landschap is belangrijk thema in de structuurvisie. Om een open landschap te handhaven dient inbreiding boven uitbreiding te gaan. Nieuwe bebouwing moet voldoen aan de eisen van beeldkwaliteit ter versterking van het natuurlijke en authen eke karakter. Natura 2000 De boezems bij Kinderdijk zijn na e gebieden die tot de Vogelrichtlijngebieden behoren. Deze moeten in stand gehouden worden. Om deze reden is bebouwing in Natura 2000 gebieden (buiten het plangebied) in beginsel niet toegestaan. Molens In het gebied komen molens voor die bijdragen aan het authen eke karakter van het gebied. De molens bevinden zich meestal in een beschermingszone. Het behoud van de molen als cultuurhistorisch waardevol object is belangrijk.

Ruimtelijke ontwikkelingen binnen molenbiotopen zijn bespreekbaar. Wanneer herbestemming van de molen nodig is of een posi eve bijdrage levert aan het behoud van de molen, is dat mogelijk. Entreegebied Kinderdijk Vanwege haar werelderfgoedstatus hee het molencomplex Kinderdijk een verbetering van het entree nodig. De plek moet aantrekkelijk blijven voor toeristen, door bijvoorbeeld voorzieningen toe te voegen. Daarnaast kan een verbetering van het gebied leiden tot een betere geleiding van verkeersstromen. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de beoogde verbetering van de toeris sche aantrekkelijkheid mogelijk met behoud van het erfgoed en gee daarmee invulling aan de ambi es uit de Structuurvisie.

54/100

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

M.e.r. beoordeling

Toetsingskader De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplich ngen opgenomen. In het Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Toetsing en conclusies Een m.e.r.-beoordeling is we elijk verplicht voor de ac viteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Indien de ac viteit kleiner is dan de getalsma ge drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r. Voor de ingrepen in het entreegebied van Kinderdijk volstaat een vormvrije m.e.r. beoordeling. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling (bijlage 1 ) blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en loca e van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen relevante effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mi gerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.

Ondanks het feit dat een passende beoordeling is opgesteld is geen plan m.e.r. aan de orde. Op grond van 7.2.a Wet milieubeheer geldt een plan m.e.r. niet voor plannen met enkel kleine wijzigingen en waarvoor eveneens aangetoond is dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden.

4.2

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij func ewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde func e en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde func e, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende func e (func egericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is er door Antea group een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (Antea group, Milieuhygiënisch vooronderzoek Entree Kinderdijk - Elshout, 0479411.100, 18 oktober 2022). Dit onderzoek is te vinden in bijlage 3 . Het vooronderzoek is uitgevoerd overeenkoms g aan de NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Het vooronderzoek is uitgevoerd voor de acht deelloca es. Onderstaand worden de conclusie van het vooronderzoek, per deelgebied, weergegeven.

55/100

Deelloca e 1: Voorkamer De tuin ter plaatse van de Molenstraat 234 is vanwege een loodverontreiniging grotendeels gesaneerd. Het verharde gedeelte van de tuin dient nog gesaneerd te worden. Bekend is dat op Molenstraat 226, 228a en 228b sprake is van een diffuse loodverontreiniging. Deze verontreiniging met lood wordt gerelateerd aan een ophooglaag met bodemvreemde bijmengingen. Daarnaast zijn in het gebied plaatselijk ook sterke verontreinigingen aangetoond met cadmium, koper, nikkel en zink. De grond ter plaatse van Molenstraat 234 is op basis van PFOA geclassificeerd als 'Niet toepasbaar'. Tijdens de onderzoeken op de percelen van Molenstraat 226, 228a, 228b en 234 is een bodemvreemde bijmenging aangetroffen, welke vermoedelijk de demping betre . Hierin zijn zowel zintuiglijk als analy sch geen asbest aangetoond. Op het overige deel van de onderzoeksloca e wordt deze demping ook verwacht en een heterogene verontreiniging met zware metalen. Deelloca e 2: Lekdijk Tijdens het verkennend bodemonderzoek (Antea Group, kenmerk: 412807) op het meest oostelijke deel van het terrein zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. In zowel de boven- als ondergrond zijn maximaal licht verhoogd gehalte aangetoond. Het grondwater is des jds niet onderzocht.

In de tuinen van de direct aangrenzende percelen van Molenstraat 155F, 226, 228a, 228b en 234 is een ophooglaag met bodemvreemde bijmengingen aangetoond. In deze laag is zowel zintuiglijk als analy sch geen asbest aangetroffen. Daarnaast zijn hier ook sterk verhoogde gehalten aan lood en/of zink aangetroffen. Tevens zijn in het gebied plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan cadmium, koper, nikkel en zink gemeten. Vermoedelijk is op het westelijke deel van 'deelloca e 2: Lekdijk' de ophooglaag nog aanwezig. Deelloca e 3: Middelkade Het verkennend bodemonderzoek (Antea Group, kenmerk: 412807) hee rondom het Bezoekerscentrum plaatsgevonden. Ter plaatse van het Bezoekerscentrum zijn sporen puin aangetroffen. Zowel zintuiglijk als analy sch is geen asbest aangetoond. In zowel de boven- als ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan PCB, minerale olie, zware metalen en/of PAK aangetoond. In het grondwater is een ma g verhoogde concentra e aan barium en zijn licht verhoogde gehalten aan xylenen en na aleen gemeten. Deelloca e 4: Werkeiland Nederwaard Een sterke verontreiniging met zink is aanwezig ten westen van het gemaal. Het is onduidelijk waardoor de verontreiniging is ontstaan. Er is geen sprake van een geval van bodemverontreiniging. Uit de bekende gegevens blijkt dat de verontreiniging nog niet is gesaneerd.

Echter jdens de terreinverkenning was ten westen van het gemaal een werkterrein aanwezig, dit in verband met werkzaamheden aan het gemaal. Onduidelijk is of ter plaatse van het werkterrein ook graaf- en/of saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd. Ter plaatse van de te slopen schuur zijn geen gegevens bekend. Deelloca e 5: Werkeiland Overwaard Op de loca e zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd en geen bodembedreigende ac viteiten bekend. In de grond worden maximaal licht verhoogde gehalten verwacht.

56/100

Deelloca e 6: Groepsentree Het verkennend bodem- en asbestonderzoek (Antea group, kenmerk: 431106, d.d. 30-01-2018 / Antea Group, kenmerk: 29-03-2019, d.d. 412807) hee op de gehele deelloca e plaatsgevonden. Hierbij zijn in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten/concentra es aan PCB, OCB, minerale olie, zware metalen en/of PAK aangetoond. Deelloca e 7: Rietsnijder-Eiland Het noordelijke deel is onderzocht in 2003 en 2004 (Inpijn-Blokpoel Arkel, kenmerk: MA-2554) waarbij in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten aan lood, zink, EOX, PAK zijn aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater is een ma g verhoogd concentra e aan lood aangetoond. Tevens zijn licht verhoogde concentra es aan arseen, cadmium, chroom, koper, nikkel en zink gemeten. Tijdens de herbemonstering van het grondwater is geen verhoogde concentra e aan lood meer aangetoond. Daarnaast wordt een groot deel van de loca e gebruikt als opslagterrein van onder andere bouwmaterialen, containers en depots. Deelloca e 8: Het Po errein De loca e is gelegen aan een gedempte watergang en is vermoedelijk in gebruik geweest als scheepswerf. Deze ac viteiten worden als bodembedreigende beschouwd.

Tijdens een onderzoek in 2005 (Op field, kenmerk: AA057100195) zijn in de grond van Molenstraat 115F maximaal licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink. minerale olie, PAK en/of EOX aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde concentra e gemeten. Aanvullend (verkennend) bodemonderzoek Onderstaand is per deelloca e weergegeven of een aanvullend (verkennend) bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Deelloca e 1: Voorkamer, deelloca e 2: Lekdijk en deelloca e 8: Het Po errein Voor de bestemmingswijziging van 'deelloca e 1: Voorkamer' is er ter plaatse van Molenstraat 234 een restverontreiniging met sterk verhoogde gehalten aan lood aanwezig. Indien graafwerkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de isolerende voorzieningen of de leeflaag, dient voorafgaand aan de werkzaamheden overlegd te worden met het bevoegd gezag. De werkzaamheden op het oostelijke deel van 'deelloca e 2: Lekdijk' (hier vindt een wegreconstruc e plaats) kunnen binnen 5 jaar na de recente onderzoeken op basis van de huidige resultaten worden uitgevoerd. Indien jdens de graafwerkzaamheden grond wordt afgevoerd van de loca e, dan is aanvullend onderzoek naar PFOA nodig. Het overige deel van 'deelloca e 1: Voorkamer', het westelijke deel van 'deelloca e 2: Lekdijk' en 'deelloca e 8: Po errein' De loca es zijn verdacht op aanwezigheid van sterk verhoogde gehalten aan zware metalen in de grond.

Deze deelloca es hebben de kwaliteitsklasse Industrie heterogeen. Voor de toekoms ge ontwikkelingen (wegreconstruc e, nieuwe func es) is dan ook een nader verkennend bodemonderzoek nodig, omdat er mogelijk sprake is van een sterke verontreiniging met zware metalen. Indien jdens graafwerkzaamheden grond wordt afgevoerd van de loca e, dan is aanvullend onderzoek op PFOA nodig. Ten slo e mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door het grondverzet (voorkomen verspreiding). Dit nader onderzoek kan plaatsvinden voorafgaand aan de werkzaamheden.

57/100

Deelloca e 3: Middelkade en deelloca e 6: Groepsentree – Educa e Eiland Op de deelloca es vinden wegreconstruc es plaats. Deze deelloca es hebben kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. De voorgenomen wegreconstruc es (infrastructuur) vallen binnen kwaliteitsklasse Industrie. Het reeds uitgevoerde onderzoek is afdoende indien de werkzaamheden binnen 5 jaar na de onderzoeken worden uitgevoerd. Wel dient nog bodemonderzoek naar PFOA uitgevoerd te worden als de grond wordt afgevoerd van de loca e. Ten slo e mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (voorkomen verspreiding). Deelloca e 4: Werkeiland Nederwaard en deelloca e 5: Werkeiland Overwaard Op de deelloca es is sprake van sloop, herinrich ng van het parkeerterrein en verbetering van de groenkwaliteit. Ter plaatse van het parkeerterrein op deelloca e 4: Werkeiland Nederwaard is een asfaltverharding aanwezig. Voor de werkzaamheden bij het J.U. Smit gemaal geldt dat als het parkeerterrein naar de voormalige situa e wordt gebracht, er geen nader verkennend bodemonderzoek nodig is. Ter plaatse van de te slopen schuren en het parkeerterrein van deelloca e 5: Werkeiland Overwaard zijn geen gegevens over de bodemkwaliteit bekend. Voor de werkzaamheden op deze deelloca es is een verkennend bodemonderzoek nodig, omdat er te weinig bekend is over de bodemkwaliteit ter plaatse.

Indien jdens graafwerkzaamheden grond wordt afgevoerd van de loca e, dient onderzoek naar PFOA plaats te vinden. Daarnaast mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Deelloca e 7: Rietsnijder – Eiland Voor de werkzaamheden en func es (verbetering van groen en de bouw van twee schuren) is verkennend bodemonderzoek nodig. Ter plaatse is te weinig bekend over de bodemkwaliteit. Indien jdens graafwerkzaamheden grond wordt afgevoerd van de loca e, dient ook onderzoek naar PFOA plaats te vinden. Daarnaast mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Conclusie Voorafgaand aan de werkzaamheden of omgevingsvergunning moeten enkele aanvullende bodemonderzoeken worden uitgevoerd. Uit het reeds uitgevoerde vooronderzoek is geen informa e naar voren gekomen waardoor de gewenste ontwikkeling niet mogelijk wordt geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling of vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.3

Archeologie

Toetsingskader Voor archeologie geldt na onale wetgeving die a oms g is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valle a (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland hee het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

58/100

Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Archeologiebeleid 2021 De gemeente Molenlanden hee in haar 'Archeologiebeleid 2021' vastgelegd hoe in de gemeente Molenlanden wordt omgegaan met archeologische waarden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is met name de archeologische verwach ngs- en beleidsadvieskaart relevant. Deze kaart is gebaseerd op een analyses van bureau RAAP over zaken als historisch grondgebruik, bodemtypen, latere ingrepen en bekende archeologische vindplaatsen. Op basis van deze analyse zijn op de archeologische verwach ngs- en beleidsadvieskaart zones vastgelegd, die weergeven hoe hoog de archeologische verwach ng van een bepaald gebied is en vanaf welke omvang er archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen.

Logischerwijs is er in een hoger gewaardeerd gebed eerder onderzoek nodig (d.w.z. reeds bij kleinere ingrepen is onderzoek nodig) dan bij een lager gewaardeerd gebied.

Op de uitsnede zijn de volgende zaken herkenbaar:  de roze zone volgt grofweg de Molenweg, die een middelma ge verwach ng kent voor de late middeleeuwen en nieuwe jd. Hier is onderzoek nodig vanaf 100 m2 en dieper dan 30 cm.  Langs de Molenweg geldt in donkerrood een hoge verwach ng van prehistorie tot middeleeuwen weergegeven Hier is onderzoek nodig vanaf 100 m2 en dieper dan 30 cm.  Het poldergebied in geel weergegeven kent een lage verwach ng voor alle perioden. Hier is onderzoek pas nodig vanaf 10.000 m2 en dieper dan 30 cm. Deze zones zijn ook als zodanig vastgelegd met een dubbelbestemming in dit bestemmingsplan, zodat de archeologische bescherming en verplich ng tot onderzoek is geborgd. Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is er door Antea group een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Antea group, Archeologie 2022/160, 0479411, 23 aug 2022). Dit onderzoek is te vinden in bijlage 4.

59/100

Het onderzoek concludeert dat het plangebied oorspronkelijk in een moerassig gebied hee gelegen. In de middeleeuwen is extra verna ng ontstaan als gevolg van het inperken van de rivieren door middel van de aanleg van dijken. Om deze extra verna ng tegen te gaan is er drooggemalen met behulp van molens. Deze moerassige grond was ongeschikt voor akkerbouw, maar is naar alle waarschijnlijkheid als hooiland gebruikt. Het drooggemalen poldergebied kent naar alle waarschijnlijkheid weinig tot geen sporen van bewoning, maar rondom de Lekdijk zijn sporen van een sluis aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat er op de dieper gelegen lagen (circa 4 meter onder NAP) sporen bewaard zijn gebleven van het neolithicum tot de brons jd en mogelijk ijzer jd. Hoewel in het gebied in de loop van de jd diverse bouw en infrastructurele werken zijn uitgevoerd, kunnen er sporen in of net onder het bouwvoor zi en die duiden op middeleeuwse of nieuwe jdse ac viteit. De conclusies van het archeologisch onderzoek worden geformuleerd aan de hand van de acht deelloca es: 1. Voorkamer In de Voorkamer vinden bodemingrepen plaats waarvoor eerst verkennende archeologische boringen nodig zijn, om zo eventuele archeologische vindplaatsen te kunnen lokaliseren. 2. Lekdijk Bij de Lekdijk vinden geen bodemverstorende ac viteiten plaats die groter zijn dan 250m2 en 30cm onder maaiveld.

Hier is geen nader onderzoek nodig. 3. Middelkade Voor de werkzaamheden aan de kop van de geplande brug en de bestaande brug is een verkennend booronderzoek nodig indien de werkzaamheden in de bodem groter zijn dan 100 m2 en 30 cm onder maaiveld. Juist rondom de Lekdijk kunnen sporen van Middeleeuwse bewoning aanwezig zijn. 4. Werkeiland Nederwaard Gelet op de aard van de werkzaamheden (ruimte voor groen, sloop en aanleg van een parkeerterrein) is verstoring niet aannemelijk. Er is geen vervolgonderzoek nodig. 5. Werkeiland Overwaard Gelet op de aard van de werkzaamheden (groen krijgt meer ruimte , sloopwerkzaamheden) is verstoring niet aannemelijk. Er is geen vervolgonderzoek nodig. 6. Groepsentree/Educa e Er is geen sprake van bodemingrepen. Er is geen vervolgonderzoek nodig. 7. Rietsnijderseiland Er vinden naar verwach ng geen werkzaamheden in de bodem plaats die groter zijn dan 10.000 m2 en 30 cm diep. Indien dit wel het geval is dienen de werkzaamheden onder archeologische begeleiding plaats te vinden. 8. Po errein Bij de werkzaamheden op het Po errein zijn geen bodemingrepen van meer dan 100 m2 voorzien. Er is geen nader onderzoek nodig.

60/100

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is voorafgaand aan sommige werkzaamheden nader onderzoek nodig. De archeologische waarden zijn voor toekoms ge ontwikkelingen of ingrepen in de bodem beschermd door middel van de dubbelbestemmingen Waarden-archeologie (en bijbehorende vergunningplicht) in dit bestemmingsplan.

4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden jdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. Beleid Provincie Zuid-Holland Het gebied wordt aangeduid als kroonjuweel binnen het provinciaal beleid. Voor kroonjuwelen geldt de algemene sturingsrichtlijn: behoud van uitzonderlijke kwaliteit. Dit betekent dat bij voorgenomen ontwikkelingen cultuurhistorie dé drager van de ruimtelijke ontwikkeling moet zijn. Het uitgangspunt is om bij toekoms ge ontwikkelingen: zowel de structuur als de fysieke elementen (gebouwen, waterlopen, kades, e.d.) te behouden en versterken door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken (zoals verkavelingspatroon, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen). Dit betekent ook dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met het genoemde uitgangspunt, de cultuurhistorische en landschappelijke belangen in principe prevaleren boven andere belangen.

Ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met het genoemde uitgangspunt zijn in principe uitgesloten tenzij sprake is van een groot openbaar/maatschappelijk belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die passen binnen genoemd uitgangspunt zijn in principe mogelijk.

61/100

Figuur 4.1 Kroonjuweel Kinderdijk Onderzoek Het plangebied is onderdeel van Kinderdijk als UNESCO werelderfgoed. Kinderdijk staat symbool voor de strijd tegen het water in Nederland. Het is daarom belangrijk om de cultuurhistorische en landschappelijke waarden zo veel mogelijk te behouden. Er is kwalita ef getoetst aan het provinciaal beleid. In het cultuurhistorisch onderzoek hee dit plaatsgevonden aan de hand van de acht deelloca es (bijlage 12). Bijlage bij het cultuurhistorisch onderzoek vormt een Heritage Impact Assessment (HIA) op hoofdlijnen. Deze HIA beoordeelt het effect van de voorgenomen ontwikkelingen in het entreegebied op de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed. De conclusies uit deze HIA zijn betrokken bij de beschrijving van de effecten op cultuurhistorische waarden van het plangebied in brede zin. In de HIA komen een aantal bestaande knelpunten van het Werelderfgoed aan de orde. De planontwikkeling biedt voor deze knelpunten een oplossing. Denk hierbij aan de onveilige verkeerssitua e, een onheldere en verrommelde entree en rou ng van/naar het Werelderfgoed, spanning tussen bezoekers en bewoners van het dorp en de molens. Voorkamer Het eerder geplande nieuwe ontvangstgebouw kon impact hebben op de con nuïteit van de dijk.

In het kwaliteitskader en het bestemmingsplan zijn randvoorwaarden vastgelegd ten aanzien van de hoogte, de vormgeving en de te gebruiken materialen. Dit geldt ook voor de aanpassing van Windkracht 4. Dit gebouw is gebouwd in de jaren ’90 van de vorige eeuw, hee een afwijkende maat, schaal en vormentaal, en is hiermee geen onderdeel van de Outstanding Universal Values (OUV) van het Werelderfgoed.

62/100

Het gebied rond het voormalige waardhuis van de Nederwaard met nu nog horeca Buena Vista wordt heringericht. Achter het voormalige waardhuis een woning gesloopt (Molenstraat 232). De woning dateert uit het begin van de 20 ste eeuw, hee geen monumentenstatus en maakt geen onderdeel uit van de OUV. Wel is de woning onderdeel van het beschermd dorpsgezicht. Op deze loca e wordt één centraal verhuurpunt voor fietsen ontwikkeld die de verschillende verhuurpunten die momenteel door het dorp verspreid zijn zal vervangen. Door het creëren van een ‘mobiliteitshub’ ontstaat een meer opgeruimde situa e en een beter ‘tourist management’. Wel hee de sloop van de woning en de bouw van een nieuw gebouw effect op de herkenbaarheid van de kade. Daarom wordt aanbevolen de mogelijkheden voor het transformeren van het huidige gebouw tot mobiliteitshub te overwegen. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient zo goed mogelijk aangesloten te worden bij het bestaande lint. Het effect van een nieuw gebouw is grotendeels a ankelijk van het ontwerp en de materialisering. Dit wordt in de vergunning en het kwaliteitkader geborgd. Tot slot draagt het verbeteren van de verkeerssitua e, met name ter plaatse van de Voorkamer en Lekdijk, bij aan een veilig, bereikbaar en toegankelijk Werelderfgoed.

De entree van het gebied wordt verduidelijkt door het rech rekken van de Middelkade voor voetgangers tot aan de Lekdijk (langs het nieuwe ontvangstgebouw). De helling die het hoogteverschil tussen de Middelkade en de Lekdijk overbrugt, wordt een gecombineerde verkeersstroom voor zowel fietsers, rolstoelrijders en (incidenteel) werkverkeer. Dit hee geen invloed op de OUV of het beschermde dorpsgezicht. Het herstellen van de oorspronkelijk rechte Middelkade hee een posi ef effect op de visuele integriteit en versterkt de belee aarheid van de twee gescheiden waterschappen en het zicht over de Middelkade. Van belang is dat er een con nu profiel over de gehele lengte van de Middelkade ontstaat. Ook het hoogteverschil tussen polder en Lekdijk blij belee aar door de trap vanaf de dijk en daarmee is de leesbaarheid van het hydrologisch systeem gewaarborgd. Lekdijk Het verbeteren van de verkeersveiligheid gebeurt onder andere door het centreren van paden vanaf de rivierboten en door het toepassen van een middenberm. Deze aanpassingen vereisen een verbreding van de dijk, dit hee een effect op de con nuïteit van het dijkprofiel en daarmee de leesbaarheid van het hydrologisch systeem. Om het dijkprofiel met lintbebouwing en het werklandschap intact te houden wordt aanbevolen verdere uitbreiding van een verkeersplein te beperken.

Verzwaring van de dijk hee over de loop van de eeuwen plaatsgevonden, van belang is dat de vormgeving van de infrastructuur het lijnvormige karakter van de dijk zo min mogelijk beïnvloedt. Middelkade Bij de herprofilering van de Middelkade blij de historische tweedeling van de kade behouden en de oorspronkelijke hoogteopbouw behouden. Deze dragen bij aan de historische waarden van de Middelkade. Verder worden langs de kade rietkragen en knotwilgen toegevoegd die de beleving van het (polder)karakter versterken. Voor de centrale horeca geldt dat dit een zelfstandige horecaruimte met een groter terras aan de voorzijde en op het dak kan worden. Het beoogde terras aan de voorzijde hee een nega ef effect op de con nuïteit van de lange zichtlijnen die door het rech rekken van de Middelkade juist worden hersteld. Aanbevolen wordt met de terrasuitlijning de zichtlijnen juist te versterken en hierbij (niet-oorspronkelijke) hoogteverschillen te beperken. De voorgenomen herinrich ng van de buitenruimte met meer groen in de vorm van rietkragen en knotwilgen, het gebruik van meer natuurlijke materialen en minder asfalt en een strakkere vormgeving hebben een posi ef effect op de beleving van het (polder)landschap.

63/100

Werkeiland Nederwaard Op het werkeiland Nederwaard ligt de focus op het vergroenen en opruimen van het eiland. Dit gebeurt door middel van het groen en natuurlijk inrichten van de randen en oevers van het gebied en het planten van fruitbomen. Deze ingrepen hebben enkel een posi ef effect op het (polder)karakter van het gebied. Werkeiland Overwaard Op het werkeiland Overwaard is sprake van herinrich ng , waarbij de bijgebouwen op het eiland worden gesloopt. Daarnaast is ook het principe van vergroenen en opruimen hier van toepassing. Het groen en natuurlijk inrichten van de randen van dit erf en de parkeerplaatsen en de sloop van de bijgebouwen hebben enkel een posi ef effect op het (polder)karakter. Educa e-eiland Op het educa e-eiland is de groepsentree het uitgangspunt voor de ontwikkeling, waarbij een souvenirwinkel en zitgelegenheid worden toegevoegd. Zolang toevoegingen sober en doelma g worden ingepast in het karakter van Kinderdijk hebben deze weinig invloed op de cultuurhistorische waarden van dit gebied. Ook wordt het eiland vergroend door middel van het doortrekken van de knotwilgenrijen en het toevoegen van fruitbomen. Het vergroenen hee enkel een posi eve invloed op het (polder)karakter. Rietsnijderseiland Voor het rietsnijderseiland zijn herinrich ng en twee schuren voorzien en het verbeteren van de beeldkwaliteit door middel van gebiedseigen beplan ng.

Het opschonen houdt onder andere de sloop van de huidige werkschuur in. De verrommeling op het eiland zorgt momenteel voor een minder sterke beleving van de kernkwaliteiten. Het herinrichten en bouwen van twee schuren kunnen daarom een posi ef effect hebben op de beleving van het (polder)karakter. In de visie wordt ook de op e gegeven om het gebied open te stellen voor bezoekers en bereikbaar te maken door middel van een pontje. Belangrijk hierbij is echter dat het karakter van het werkeiland bewaard blij , en de focus op toerisme niet de overhand krijgt. Po errein Het Po errein wordt heringericht hierbij wordt de oude loods opgeknapt. De huidige parkeerplaatsen en opslag worden geminimaliseerd waardoor ruimte ontstaat voor een (pluk)tuin. Het Po errein ligt buiten het Werelderfgoed en is dan ook geen onderdeel van de OUV. Wel is er sprake van een loods met historische betekenis vanwege de produc e van pot-roedes (voor molenwieken) die hier plaatsvond. De loods blij behouden. Voor de eventuele toepassing van zonnepanelen geldt het advies deze zodanig te plaatsen dat zij zeer beperkt tot niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Het vergroenen met een (pluk)tuin en het verwijderen van verharding hebben een posi ef effect op de waarden van het gebied.

Molens en molenbiotopen De ontwikkelingen waarbij sprake is van nieuwe bebouwing vinden grotendeels plaats buiten de zones van de molenbiotoop en hebben geen nega eve invloed op de beleving van de molens maar versterken juist de beleving van Kinderdijk en haar molens.

64/100

Figuur 4.2 Molenbiotoop en nieuwe bebouwing binnen de molenbiotoop Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat gelet op de beschermingsregimes vanuit de Erfgoedwet (rijksmonumenten, UNESCO Werelderfgoed) en de provincie (kroonjuwelen, erfgoedlijnen, molens en molenbiotopen) de ingrepen geen significant nega ef effect op de beschreven waarden hebben. De meeste ingrepen versterken juist de kernkwaliteiten van het gebied. Wel gelden hierbij een aantal randvoorwaarden. De ingrepen die aandacht behoeven vanwege een mogelijk nega ef effect op de kernkwaliteiten zijn:  de aanpassingen van het ontvangstgebouw,  de herinrich ng met betrekking tot de mobiliteitshub,  de inrich ng van de Lekdijk ten behoeve van de ontvangst van onder meer boten  de uitbreiding van de centrale horeca met een terras over de Middelkade. Voor deze toevoegingen geldt dat deze op een sobere, bescheiden en ondergeschikte manier moeten worden ingepast om zo het karakteris eke landschap belee aar te houden en te voorkomen dat het toeris sch-recrea eve karakter te groot wordt. Hieraan wordt al op een passende manier bijgedragen door het meer belee aar maken van de Middelkade, het verwijderen van diverse bebouwing en het vergroenen van het gebied. Met inachtneming hiervan is geen sprake van significante nega eve effecten.

De gebouwde rijksmonumenten worden niet gewijzigd en de ontwikkeling hee geen directe invloed op de kwaliteit van deze monumenten. De aangepaste landschappelijke inrich ng, de aanpak van verrommeling en rela ef recent toegevoegde gebouwen en het versterken van de landschappelijke structuren, draagt bij aan de kwaliteit van de rijksmonumenten. De meer heldere landschappelijke inrich ng leidt tot het beter uitkomen van de monumenten en

65/100

een logische samenhang tussen het landschap en de monumenten. Daarmee hee invloed op de monumenten.

het plan ook een posi eve

Ten aanzien van de landschappelijke wijzigingen zijn hiervoor per deelgebied aandachtspunten benoemd. Deze aandachtspunten worden deels met de regeling in het bestemmingsplan geborgd (bouwregels) en deels door een passende uitvoering en materialisering van de ingrepen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen.

4.5

Water

Toetsingskader De ini a efnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwan teits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de beoogde ontwikkelingen is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwan teits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalita ef en kwan ta ef). Deze paragraaf gee een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van de gemeente en het waterschap nader wordt behandeld.

Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW) Na onaal: • Na onaal Waterplan (NW) • Na onaal Bestuursakkoord Water (NBW) • Waterwet Provinciaal: • Provinciaal Waterplan • Provinciale Structuurvisie • Verordening Ruimte

66/100

Waterschapsbeleid Waterschap Rivierenland hee het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld, met als tel Versterken, verbinden en vergroenen. Met dit waterbeheerprogramma zijn de opgaves vastgesteld en is aangegeven hoe dit bereikt kan worden. Met dit waterbeheerplan wordt geen nieuw beleid geschreven maar wordt de gewenste uitvoering beschreven. Vanuit de Visie2050 zijn principes opgesteld hoe dit toekomstbeeld bereikt kan worden. De principes bestaan uit het volgende:  De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk.  Water is bepalend voor de inrich ng van het gebied.  We zijn zuinig op water en grondstoffen.  Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus.  We pakken uitdagingen op binnen deze genera e en wentelen niet af.  Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied. Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschrij hoe de gemeente invulling gee aan de we elijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP vertaalt de gemeente de ambi es voor klimaatadapta e en rioleringszorg naar concrete doelen, een adequate strategie, de benodigde ac viteiten en de benodigde middelen.

De algemene uitgangspunten voor hemelwater zijn:  Bij ontwerp van een nieuw stelsel wordt voor de bepaling van de capaciteit van het riool een bui gebruikt die één keer in vijf jaar voorkomt (bui 09, 30 mm in één uur). Bij deze bui mag geen water op straat ontstaan;  Het water op straat is in beeld gebracht bij bui 10 (36 mm in 45 min);  Bij een nieuwbouwprojecten wordt een gescheiden stelsel aangelegd;  De perceeleigenaar is in principe verantwoordelijk voor de verwerking van het regenwater op eigen terrein. Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is er door Antea group een watertoets uitgevoerd. De rapportage daarvan is te vinden in bijlage 5. Onderstaande watertoets is een beknopte weergave daaruit. In paragraaf 2.1 is het unieke karakter van het watersysteem van Kinderdijk toegelicht. Huidige situa e Ondergrond De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied hee een grote varia e door de aanwezigheid van een primaire waterkering. Het varieert tussen NAP -0,3 m en NAP +5,5 m. De ondergrond bestaat tot een diepte van circa 15 m-mv uit Holocene deklaag. De deklaag bestaat uit afwisselend slecht en goed doorlatende lagen. Onder de deklaag wordt een zandige eenheid aangetroffen vanaf ca. 15 m-mv tot ca. 30 m-mv. Volgens het REGIS II-model wordt de horizontale doorlatendheid geschat tussen 50 m/d en 100 m/d. Tussen 30 m-mv en 40 m-mv ligt een kleiige eenheid.

Volgens het REGIS II-model wordt de weerstand (c-waarde) geschat tussen 100 en 500 dagen. Grondwater Ter plaatse van het plangebied zijn geen grondwaterstandsme ngen beschikbaar van actuele of historische peilbuizen (DINOloket). Vanuit provincie Zuid-Holland blijkt dat de GHG tussen 0,0 m en 0,5 m

67/100

onder maaiveld ligt en de GLG dieper dan 0,5 m onder maaiveld. Op basis van de WKO-tool zijn in de omgeving van het plangebied meerdere grondwateron rekkingen aanwezig. De dichtstbijzijnde grondwateron rekking bevindt zich op ca. 150 m noordwest van de loca e. Het hele gebied valt in een grondwaterbeschermingsgebied. Dit betekent dat het gebied moet voldoen aan extra eisen vanuit het waterschap en de provincie. Oppervlaktewater Kinderdijk is gelegen in de polder de Alblasserwaard, die tussen het jaar 1000 en 1300 ontgonnen en verkaveld is ten behoeve van de landbouw. Het watersysteem van de polder bestaat uit twee deelgebieden met elk een eigen boezemsysteem, de Overwaard en de Nederwaard. De bemalingsgebieden in de Alblasserwaard slaan hun water uit op deze twee boezemsystemen. Vanuit de Nederwaard wordt overtollig water met het J.U. Smitgemaal uitgeslagen op de maalkom die op dat moment in open verbinding staat met de Lek. Voor de Overwaarde geldt hetzelfde, daar wordt overtollig water met het Kokgemaal uitgeslagen op de maalkom op het moment die op dat moment in open verbinding staat met de Lek, met als uitzondering dat bij hoog water op de Lek voor de Overwaard de derde trap in werking treedt waarmee direct uit de maalkom op de Lek kan worden geloosd. De Elshoutsluis is dan gesloten.

Het oppervlakterwater van Kinderdijk valt grotendeels buiten het plangebied van het bestemmingsplan. Het plangebied (binnendijks) valt in het beheersgebied van het waterschap Rivierenland en kent diverse waterpeilen. De watergangen betreffen wateren van de categorie primair en ter air. Kinderdijk is verder begrenst door de Lek. De waterbeheerder buitendijks is Rijkswaterstaat. Bovenstrooms van het plangebied bevinden zich de oppervlaktewatermeetpunten Krimpen a/d Lek. Ter plaatse van meetpunt Krimpen a/d Lek fluctueert de gemiddelde dagelijkse waterhoogte in een normale situa e tussen NAP +0,10 m en NAP +0,26 m (10en 90-percen el respec evelijk). Waterkering Het plangebied ligt grotendeels binnendijks, echter het deelgebied Po errein ligt buitendijks. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen de kernzone van de waterkering, binnen het Profiel van Vrije ruimte en binnen de (buiten)beschermingszones van zowel een primaire als regionale waterkering. Het Po errein ligt buitendijks deels op de primaire kering en in de (buiten)beschermingszone. Voor de werkzaamheden op en nabij de waterkering (in beschermingszones) is een omgevingsvergunning nodig en nadere afstemming met waterbeheerders Rijkswaterstaat en waterschap Rivierenland. Bij de werkzaamheden in het plangebied moet de stabiliteit van de waterkering gewaarborgd blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=053358b6-8961-4ecd-82de-154f91221cab