CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting ontwerpbestemming Oud-Alblas, Oosteinde 7

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Oosteinde 7, Oud-Alblas18.160 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Een ontwikkeling welke voorziet in de uitbreiding van een winkel

32

met circa 400 m² wordt tevens niet gezien als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 3 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4409). Aan de hand van jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling substantieel moet zijn om sprake te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Omdat het plan voorziet in het uitbreiden van de winkel binnen het gebouw, lunchroom met terras en de uitbreiding van de woning (circa 30 m²) is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder niet noodzakelijk. Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het onderhavige plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is.

33

6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied maakt deel uit van een cultuurhistorisch lint. Middels het onderhavige plan wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor de karakteristieke korenmolen ‘De Hoop’, waarmee het plan bijdraagt aan de cultuurhistorische waarde van het bebouwingslint langs het Oosteinde. Verder wordt een oplossing voor het parkeren geboden door de terreininvulling te verbeteren, waarmee de veiligheid wordt verbeterd. Gezien de kleinschaligheid van het plan is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist.

Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van

34

ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het onderhavige plan voorziet in een uitbreiding van de functies in het gebouw onder de molen, waarmee de belevingswaarde en daarmee de toekomstbestendigheid van de korenmolen wordt verzekerd. De instandhouding van de rijksmonumentale korenmolen wordt hiermee gegarandeerd. Het plan draagt daarmee bij aan het behoud en versterking van het cultuurhistorische karakter van de bebouwingslint langs het Oosteinde. De voorgevel van het gebouw onder de molen wordt gedeeltelijk aangepast zodat beide zijden een gelijke uitstraling krijgen, waarmee de beeldkwaliteit verbeterd wordt. Verder wordt het buitenterrein opgeknapt door het herinrichten van het parkeerterrein. Het plan voorziet hiermee in het behoud en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart.

Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. En voor linten heeft Zuid-Holland de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm.

Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor ontwikkeling in het veenweidegebied. Middels het plan wordt instandhouding van de korenmolen gegarandeerd. De buitenruimte wordt op een passende en verantwoorde wijze ingericht.

35

6.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding van de rijksmonumentale molen. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; 36

b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is.

37

6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Met het onderhavige plan wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd, waarmee instandhouding van de karakteristieke korenmolen aan het Oosteinde wordt gegarandeerd.

Gezien het beeldbepalende en cultuurhistorische karakter van de molen in de lintbebouwing en het omliggende landschap, draagt het plan bij aan het behoud en versterken van het bijzondere cultuurhistorische landschap. Het plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid.

38

6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Graafstroom Op 29 maart 2011 heeft de voormalige gemeente Graafstroom de ‘Structuurvisie Graafstroom’ vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente een strategische stap zetten naar een vitale gemeente waar het goed wonen, werken en leven is voor jong en oud. De gemeente heeft als motto om ook in de toekomst ‘prettig samen te leven in een groene oase van rust en ruimte’. De visie is vooral gericht op het behoud van het bestaande. Het karakteristieke landschap, de cultuurhistorisch waardevolle elementen, het relatief grote voorzieningenaanbod dat zo kenmerkend is voor de gemeente en de dynamiek in de kernen en linten. Het onderhavige plan draagt bij aan het behoud van de karakteristieke molen op het Oosteinde 7. De molen draagt bij aan de beleving van het landschap en de cultuurhistorische elementen in de gemeente. Het plan is daarmee in overeenstemming met de Structuurvisie Graafstroom. 6.4.2 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat het landschap van de gemeente wordt gekenmerkt door het open, typische Hollandse slagenlandschap met beeldbepalende molens en boerderijen. Dit landschap maakt de omgeving aantrekkelijk, met vele mogelijkheden voor recreatie. De molens zijn beeldbepalend en van groot cultuurhistorisch en recreatief belang.

Het plan draagt bij aan het behoud van een beeldbepalende molen en draagt daarmee bij aan het aantrekkelijk houden van het landschap. Het plan is in overeenstemming met de Toekomstvisie Molenwaard. 6.4.3 MeerjarenPerspectief Wonen Het MeerjarenPerspectief Wonen (december 2013) geeft aan dat de vraag en de berekende woningbehoefte in een kern leidende principes zijn. Het plan past binnen de berekende woningbehoefte. Verder beschouwt de gemeente mensen met een binding aan de gemeente/kern als doelgroep. Voor voorzieningenkernen ligt de nadruk op starters en doorstromers en daarnaast ook op senioren. Het plan voorziet in het terugbrengen van twee wooneenheden naar één wooneenheid. Het MeerjarenPerspectief Wonen is niet van toepassing op dit plan.

39

6.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Bedrijf; • Verkeer. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – molen’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – erftoegangswegen’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 100m’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 5 m’.

Afbeelding 11: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

40

6.4.5 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de 3e herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de 3de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is gewijzigd in de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4, 5 en 7’; • De gebiedsaanduidingen ‘wro-zones’ zijn gewijzigd naar ‘wetgevingszones’: o Gebiedsaanduiding wetgevingszone – omgevingsvergunning overgangsgebied; o Gebiedsaanduiding wetgevingszone – wijzigingsgebied dorpslint.

Afbeelding 12: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'

6.4.6 Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is een volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de herziening zijn tevens regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het onderhavige plangebied betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving, de wijziging van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ (kernzone waterkering) en het opnemen van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ (beschermingszones waterkering).

41

Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. Het perceel Oosteinde 7 te Oud-Alblas heeft een bedrijfsbestemming. Binnen deze bestemming is op dit perceel uitsluitend een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg en verkoop van benodigdheden voor dieren toegestaan. Het aanbieden van verhuurbare ruimtes, lunch- en groepsarrangementen is hierdoor juridisch-planologisch niet toegestaan. Middels onderhavige bestemmingsplan wordt het initiatief juridischplanologisch mogelijk gemaakt.

6.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’; • Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding van een beeldbepalend rijksmonumentale molen; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

42

7.

Verantwoording sectorale aspecten

7.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 van de Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).

Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de wet milieubeheer en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten/bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vallen tevens niet binnen bijlage D bij het Besluit m.e.r. Het onderhavige plan maakt het mogelijk om een winkel en lunchroom in het gebouw onder de molen toe te voegen en circa 250 m² aan parkeerterrein aan te leggen. De planontwikkeling is hiermee zeer kleinschalig van aard en omvang, waardoor geen drempels/grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (paragraaf 6.1.3). Er hoeft geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om het gebouw onder de molen uit te breiden met circa 30 m² en het kleinschalig uitbreiden/ veranderen van het kleine parkeerterrein.

In het gebouw worden voorzieningen geïntegreerd in de vorm van een winkel (verkoop van meel, bloem, bakartikelen, noten, gedroogd fruit, etc.) en kleinschalige horeca (lunchroom met terras). De onderhavige ontwikkeling is hiermee kleinschalig van aard. Er zullen geen productiewerkzaamheden plaatsvinden anders dan het malen van graan door de 43

molen waarmee ter plaatse dierenvoer wordt gemaakt en brood wordt gebakken zoals dat in de huidige situatie gebeurt. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval en afval behorende bij de kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Behoudens de standaard toegestane aan-huisgebonden beroepen/bedrijven zullen er geen substantiële bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura2000-gebieden, belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is gelegen op een minimale afstand van 5 km en het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland op een minimale afstand van 1,7 km. 2,1 km

2,3 km

248 m

388 m

Afbeelding 13: Afstand plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten.

44

Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plangebied geen deel uitmaakt van beschermde gebieden of locaties en geen sprake is van een significante toename van het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling – redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling. Omdat er tevens geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de m.e.r., hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.beoordeling plaats te vinden.

45

7.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

46

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

C-watergang 032043 B-watergang 017181

B-watergang 017181

C-watergang 070161

C-watergang 069749

Afbeelding 14: Uitsnede legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn een B- en enkele C-watergangen gelegen. De werkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van enig watergang. Het plan voorziet wel in het dempen en realiseren van watergangen. De watervergunning voor de wijzigingen aan de watergangen is verleend door het Waterschap Rivierenland (kenmerk 2020022126). De werkzaamheden hebben al plaatsgevonden.

47

Afbeelding 15: Dempen en realiseren watergangen

Afbeelding 16: Wijziging terrein Korenmolen de Hoop

48

Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (20190906-9-21346). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW020. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,26 meter NAP en een winterpeil van –2,16 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van verharding op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2.

49

Tabel 3: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Molen Bijgebouwtje Erfverharding Parkeerplaats Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Molen Bijgebouwtje Erfverharding + terras Parkeerplaats verhard 7 groene parkeerplaatsen (roosterconstructie: 50%) Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte 403 m² 9 m² 458 m² 307 m² 1.177 m² 433 m² 9 m² 440 m² 377 m² 44 m² 1.303 m² 126 m² toename

Het plan voorziet in een toename van 126 m² aan verharding. Conform de stelregel dient voor de toename aan verharding 5,5 m³ aan water gecompenseerd te worden (126 ÷ 10.000 × 436). Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 m betekent dit een watercompensatie van 27,5 m². Verder wordt middels het plan 109 m² aan water gedempt. Gedempt water dient voor 100% gecompenseerd te worden, waardoor per saldo de watercompensatie uitkomt op 136,5 m². Reeds is ca. 208 m² aan water gerealiseerd, waarvoor door het Waterschap een watervergunning is verleend (kenmerk 2020022126). Hiermee is voldoende water gerealiseerd. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon 50

hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande werkzaamheden met betrekking tot de parkeerplaats vallen deels binnen de beschermingszone van de regionale waterkering. Voor de geplande werkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland hierdoor vereist. De uitbreiding van de molen en de parkeerplaats dienen buiten het profiel van vrije ruimte gerealiseerd te worden. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.

Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen.

Afbeelding 18: Uitsnede legger waterkeringen

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder het Oosteinde. Het perceel

51

wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op het Oosteinde. In het onderhavige plan wordt de in- en uitrit niet gewijzigd. Het Oosteinde betreft een 15t-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over het Oosteinde te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor het plan is een watervergunning bij het waterschap Rivierenland. Deze vergunning (kenmerk 2020022126) is verleend en de werkzaamheden zijn reeds uitgevoerd.

52

7.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in buitenstedelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Het onderhavige plan betreft het intern toevoegen van functies in het gebouw onder de molen.

In het kader van de Wgh is hiermee geen sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object. Wel voorziet het plan in het realiseren van een uitbouw. Gezien de uitbouw gezien kan worden als een vergunningsvrij bouwwerk en daardoor in principe buiten de bestemmingsplanprocedure valt, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

53

7.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m³ Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 21,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,6 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,3 µg PM2,5/m³. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

54

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

55

7.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.

Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van enkele functies in de molen en een kleine uitbreiding van de woning. Hiermee is sprake van het kleinschalig wijzigen van milieugevoelige functies en het toevoegen van milieubelastende functies. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven/instellingen als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Milieugevoelige functie Ondanks dat het plan voorziet in een kleine uitbouw van een bestaande woning wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken of de uitbreiding omliggende bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gevestigd.

56

Tabel 5: Omliggende bedrijven Adres Functie Oosteinde 6 Oosteinde 8a Oosteinde 9 Oosteinde 12 Abbekesdoel 93b

Restaurant Melkveebedrijf Machinebouw en reparatiebedrijf Tuincentrum Museum

Oosteinde 12: 179 m

Milieucat. 1 3.2 3.2

Zwaarste richtafstand 0 meter 25 meter 50 meter

Werkelijke afstand 138 meter 30 meter 64 meter

2 1

10 meter 0 meter

179 meter 270 meter

Oosteinde 6: 138 m

Oosteinde 6: 270 m

Oosteinde 9: 64 m Oosteinde 8a: 30 m

Afbeelding 19: Afstand woning t.o.v. omliggende bedrijven

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Milieubelastende functie Verder voorziet het onderhavige plan in het toevoegen van diverse functies. Het plan voorziet in de uitbreiding van de bestaande winkel voor de verkoop van graan, meel, bloem, noten, gedroogde vruchten et cetera en een lunchroom met terras. In de zin van de Wet milieubeheer betreffen bovengenoemde functies geen inrichtingen, gezien de functies niet worden genoemd in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Functies die geen inrichtingen zijn hoeven niet getoetst te worden aan het aspect bedrijven en milieuhinder. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening is getoetst of er in de directe omgeving van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor de functies in het gebouw onder de molen gelden de volgende richtafstanden in een gemengd gebied. Tabel 6: Richtafstanden functies in het gebouw onder de molen Functie Milieu-cat. Geur Stof Geluid Winkel 1 0 meter 0 meter 0 meter Café 1 0 meter 0 meter 0 meter

Gevaar 0 meter 0 meter

57

Gesteld kan worden dat de zwaarste richtafstand van de diverse functies 0 meter is en daardoor het woon- en leefklimaat niet kunnen aantasten. Geconcludeerd is dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

58

7.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).

Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. 59

Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan, waardoor gesteld kan worden dat er geen relevante externe veiligheidsrisico’s te verwachten zijn.

N216 (geen vervoer gevaarlijke Stoffen)

410 m

Plangebied

A-518-06 A-553 A-803

Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In de omgeving van het plangebied zijn drie aardgasleidingen (NEN 3650-leidingen) gelegen. Tabel 7: Gegevens aardgasleidingen Buisleiding Diameter Druk A-518-06 A-553 A-803

762 mm (30 inch) 914 mm (36 inch) 1219 mm (48 inch)

66,2 bar 66,2 bar 80 bar

100% letaliteitsafstand 155 meter 170 meter 210 meter

Invloedsgebied 380 meter 430 meter 580 meter

Het plangebied is op een afstand van circa 410 meter gelegen van de dichtstbijzijnde leiding. Plaatsgebonden risico De contour van het plaatsgebonden risico ligt op de aardgasleidingen. Het plaatsgebonden risico is hierom geen belemmering voor het plan. 100% letaliteitsafstand Het plangebied is gelegen buiten de 100%-letaliteitsafstand van de drie leidingen. 60

Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien een plangebied in zijn geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan dient te worden op: • De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en; • De als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; • Het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; • De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de

openbare ruimte, en; • De mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. De initiatiefnemer verwacht in de nieuwe situatie dat op de drukste dag (zaterdag in het voorjaar/zomer) het plangebied wordt bezocht door maximaal 110 bezoekers. De bezoekers komen per auto en per fiets. Van deze 110 bezoekers bezoeken maximaal 80 de winkel, waarbij maximaal 3 bezoekers tegelijk in de winkel. Daarnaast verwacht de initiatiefnemer maximaal 10 bezoekers tegelijkertijd op het nieuwe terras. Op het drukste moment zal het plangebied dus bezocht worden door 13 bezoekers. Daarnaast wordt middels het plan een woning verwijderd waardoor de permanente bewoning van een huishouden wordt weggenomen. De toename in het aantal personen binnen het plangebied is niet onevenredig en derhalve is het zeer aannemelijk dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied met weinig populatie lager is en blijft dan een factor 1000 lager dan de oriëntatiewaarde. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Per 1 april 2015 is de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ van kracht. Basisnet moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Met het Basisnet is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Het Basisnet Weg richt zich uitsluitend op het hoofdwegennet (rijkswegen en verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied 61

ligt van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en; • voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een voor de externe veiligheid relevante weg. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een voor de externe veiligheid relevante spoorweg. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.

Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een voor de externe veiligheid relevante vaarweg. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

62

7.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied is een vacuüm riolering gelegen. Gezien deze riolering kwetsbaar is en er werkzaamheden plaats gaan vinden, is het plan op 2 juli 2019 besproken met de rioolbeheerder van de gemeente Molenlanden. Verder zijn er geen planologisch relevante kabels en leidingen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

63

7.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het wijzigen van de tuin, het veranderen van de parkeerplaatsen en het dempen en realiseren van watergangen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de grote modderkruiper.

De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke

64

•

verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘de Donkse Laagten’. Op een afstand van 270 m ligt het een ecologische verbindingszone, dit is een natuurstrook dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland die verschillende natuurgebieden met elkaar verbind. Op een afstand van 390 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van 1,9 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op de planlocatie zijn geen karakteristieke landschapselementen aangetroffen, de knotwilgen langs de Oosteinde staan op gemeentelijke grond en vallen niet binnen de invloedsfeer van de ontwikkelingen.

Afbeelding 21: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

65

Afbeelding 22: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

66

Afbeelding 23: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied en Strategische reservering natuur

Conclusie De beoogde werkzaamheden op het perceel aan de Oosteinde 7 te Oud-Alblas leidt, mits vooraf aan de werkzaamheden aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd ten aanzien van de grote modderkruiper, bij aanwezigheid van deze soort een ontheffing wordt verleend en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Bij eventuele aanwezigheid van grote modderkruiper kan met bepaalde maatregelen een ontheffing worden verleend, waarbij er een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod. Een ontheffing wordt tevens alleen verleend indien er een wettelijk belang is aangetoond en de gunstige staat van instandhouding van de soort is onderbouwd.’ Gezien de conclusie van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek naar Grote modderkruiper uitgevoerd. De conclusie van het aanvullend onderzoek luidt: ‘Tijdens het veldbezoek zijn 0 individuen van de grote modderkruiper waargenomen. Tevens is het aannemelijk dat door de afwezigheid van optimaal functioneel leefgebied, waterbeheer, predatie en slechte paseerbaarheid van duikers, de soort 67

niet voorkomt in en om het plangebied. Negatieve effecten ten aanzien van de grote modderkruiper zijn uitgesloten. De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen is ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk t.a.v. de grote modder kruiper. Te treffen maatregel: • Tijdens het dempen van de sloot dient er één werkrichting aangehouden te worden, zodat de mogelijk aanwezige soorten een uitvluchtroute hebben in het kader van Algemene Zorgplicht.’ Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een erker om daar een extra deur te plaatsen. Verder wordt er een sloot met slechte doorstroom gedempt, hier wordt een bredere sloot met natuurvriendelijke oevers voor terug geplaatst. Het parkeerterrein wat nu functioneel is zal gesaneerd en teruggeplaatst worden. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden binnen Natura 2000-gebieden ten aanzien van stikstof. In de twee dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Donkse Laagten’ (2,3 km) en ‘Boezems Kinderdijk’ (4,5 km) zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig welke gevoelig zijn voor stikstof.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=649becfd-c5cd-4efe-a740-9d897ca7c61f