Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, Noordzijde 51
Tekst van het document
Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm.
Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
34
Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en daarmee de richtpunten voor de ontwikkeling in het veenweidelandschap en het lint. Voor de landschappelijke inpassing van het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld welke deze richtpunten volgt (paragraaf 2.2.3). Plangebied
Afbeelding 13: Kwaliteitskaart Zuid-Holland
6.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
35
zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. ▪
Het onderhavige plan kan geschaard worden binnen de categorie ‘inpassen’. Het onderhavige plan is qua schaal en aard passend in dit gebied en zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Middels het onderhavige plan een agrarische bedrijfsbestemming uit het cultuurhistorische lint onttrokken en wordt nieuwvestiging van een (agrarisch) bedrijf op het perceel in de toekomst uitgesloten. De woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd. De verouderde schuren worden gesaneerd en er wordt een vrijstaande woning passend bij de woonboerderij gerealiseerd. Het plangebied wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van de woonboerderij in twee eenheden en de realisatie van een vrijstaande woning. Per saldo worden daarmee twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie paragraaf 6.1.3). Stiltegebieden Het onderhavige plangebied is gelegen nabij een stiltegebied. Om stiltegebieden zo stil mogelijk te houden gelden een aantal regels. Gemotoriseerd verkeer, grootschalige evenementen of andere bronnen van lawaai zijn verboden. Gebiedseigen geluiden zijn wel toegestaan. Gezien het onderhavige plan de gebruiksfunctie wonen betreft kan worden gesproken over een gebiedseigen functie. Het onderhavige plan zorgt ervoor dat een agrarisch bedrijf uit het cultuurhistorisch lint nabij het stiltegebied wordt uitgesloten en wordt gewijzigd naar wonen. Hierdoor is er zelfs sprake van een verbeterende situatie voor het 36
stiltegebied, doordat agrarische activiteiten welke relatief veel geluid met zich mee brengen in vergelijking met een woonfunctie worden uitgesloten. Hiernaast zullen er gezien de afstand tot het stiltegebied en de kleinschaligheid van het plan geen negatieve gevolgen zijn voor het stiltegebied. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen sprake is van onevenredige geluidsproductie.
37
6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven. (Agrarische) bedrijfsbestemmingen zijn in de kern en het cultuurhistorische lint niet wenselijk. Middels het onderhavige plan wordt deze bestemming verwijderd, waarmee een volwaardig bedrijf op de locatie uitgesloten wordt.
Hiermee zal het woon- en leefklimaat ter plaatse worden verbeterd. De woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd. De verouderde schuren worden gesaneerd en er wordt een vrijstaande woning passend bij de woonboerderij gerealiseerd. Tesamen met de splitsing van de woonboerderij wordt meer aanbod gecreëerd naar de concrete woningbehoefte. Hiermee draagt het onderhavige plan bij aan het behoud van de leefbaarheid in het dorp. Het perceel wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast, waardoor wordt voorzien in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering en het overwegend open, rustige en authentieke karakter van het landschap wordt versterkt. Het cultuurhistorische boerderijensemble wordt in ere hersteld. 6.3.2 Regionale woonvisie In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau.
Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen.
38
De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Oud-Alblas is aangeduid als woondorp. Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Voor voorzieningen zijn deze dorpen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen en steden. De dorpen hebben een hechte gemeenschap en maken gebruik van een sterk lokaal sociaal netwerk. Woondorpen zijn aantrekkelijk voor verschillende doelgroepen, met name lokale starters en doorstromers. In het dorp is er sprake van concrete woningbehoefte. Het onderhavige plan sluit hierop aan en betreft per saldo een toevoeging van twee wooneenheden binnen het bestaande bebouwde gebied. Dit wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
39
6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de gemeente. Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen, de woonwens en de eigen kern als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet de gemeente in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis. In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouwprogramma vastgesteld. Relevante kaders zijn het aansluiten bij de demografische ontwikkeling, het bouwen in voorzieningendorpen voor senioren en plannen met maatschappelijke urgentie (zoals centrumplannen) voorrang geven. Het onderhavige plan is een kleinschalig plan in het cultuurhistorische lint in de kern Oud-Alblas. Het plan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit middels de renovatie van het perceel en een divers aanbod in de woningvoorraad middels de splitsing van de woonboerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee en middels het verwijderen van de agrarische bedrijfsfunctie is het plan in overeenstemming met de toekomstvisie. 6.4.2 MeerjarenPerspectief Wonen In 2017 heeft de voormalige gemeente Molenwaard de herijking van het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) vastgesteld.
Het MPW stelt de vraag centraal, de woningbehoefte is richtinggevend voor het aantal te bouwen woningen per kern. Doelgroepen waar het MPW zich op richt zijn mensen die er al wonen en die willen blijven, mensen die een binding hebben met de gemeente, starters, doorstromers en senioren. Uitgangspunt is de regionale woonvisie. In Oud-Alblas en de regio is er sprake van woningbehoefte. Voor Oud-Alblas is een woningbehoefte berekend van 130 tot 180 woningen tot 2030, waar deels in wordt voorzien. Het aantal plannen dat bekend is, is onvoldoende om in de woningbehoefte te voorzien. Middels onderhavig plan wordt een bestaande woonboerderij gesplitst in twee eenheden en wordt een vrijstaande woning gerealiseerd binnen de bebouwde ruimte en de kern van het dorp. Kwantitatief is er dan ook geen probleem met dit plan. Dit maakt het mogelijk voor mensen uit OudAlblas in het dorp te blijven wonen, mensen die binding hebben met het dorp. Doorstroming kan met het aanbod in het plan worden gestimuleerd. Het onderhavige plan is conform de regionale woonvisie (paragraaf 6.3.2). 6.4.3 Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, vastgesteld op 13 februari 2012 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom.
Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waterstaat - Waterkering
40
En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding: karakteristiek; • Maatvoering: maximum goothoogte: 6 m.
Afbeelding 14: Vigerende bestemmingsplankaart
Bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ Op 15 september 2015 is de ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het onderhavige plan betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. De herziening heeft geen gevolgen voor de bestemmingsplankaart. Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Het perceel betreft de enkelbestemming ‘Agrarisch’, op deze gronden is het juridischplanologisch niet direct toegestaan vier wooneenheden te realiseren.
41
6.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; • Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • De extra wooneenheden worden gemeld in het regionaal overleg en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het onderhavige plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan.
42
7.
Verantwoording sectorale aspecten
7.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan worden gesteld dat er geen directe m.e.r.-plicht vanuit de Wet milieubeheer en vanuit het Besluit m.e.r. geldt op grond van bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vallen binnen de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D 11.2). Het plan betreft het verwijderen van een agrarisch bedrijfsperceel, de splitsing en renovatie van een karakteristieke woonboerderij, de sanering van schuren en de realisatie van een vrijstaande woning. Hierdoor worden geen drempel / grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage overschreden waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’. Kenmerken van het plan Middels het onderhavige plan wordt de agrarische bedrijfsbestemming verwijderd en worden de verouderde agrarische schuren gesaneerd.
De karakteristieke woonboerderij wordt gesplist en gerenoveerd, ten oosten van de woonboerderij wordt een vrijstaande woning gerealiseerd. Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats en er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aanhuis-gebonden/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De
43
volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zullen middels het onderhavige bestemmingsplan uitgesloten worden. Ligging van het plangebied De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,9 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Op een afstand van circa 1,0 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 50 meter is er een stiltegebied gelegen, in de paragraaf 6.2.2 hiervoor is hier reeds aandacht aan besteed.
Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebied
44
Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen, de bestemming wonen in plaats van een agrarisch bedrijf. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen er geen significante negatieve effecten op het milieu plaatsvinden. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende paragrafen zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, er geen sprake is van productiewerkzaamheden, er geen sprake is van (een toename van) onevenredige aantallen verkeersbewegingen etc. kan - met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling – redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’.
45
7.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
46
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Rondom het plangebied zijn een A-watergang (001245) en een tweetal Cwatergangen (069770 & 069782) gelegen. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van de watergangen. Aan de C-watergang 069770 wordt een extra watergang gegraven ten behoeve van het herstel van het voormalige verkavelingspatroon. Voor het graven van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
C-watergang: 069770
C-watergang: 069782
A-watergang: 001245
Afbeelding 17: Legger wateren
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191113-9-21799). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW024. Het 47
peilgebied heeft een zomerpeil van -2,25 meter NAP en een winterpeil van -2,35 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied Afbeelding 18: Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2 en in het landelijk gebied geldt een vrijstelling van 1500 m2. Uit tabel 1 blijkt dat het plan resulteert in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn water compenserende maatregelen ten behoeve van verhard oppervlak niet noodzakelijk.
In de nieuwe situatie zal de bebouwing ter plaatse afnemen (woning i.p.v. schuren). De erfverharding zal t.b.v. voldoende parkeergelegenheid toenemen, hetgeen middels half verharding word gerealiseerd om het groen te 48
behouden. Naar verwachting blijft de verharding ter plaatse van de nieuwe woning ongeveer gelijk t.o.v. de verharding rondom de huidige schuren. Gezien de afname in verharding kan er ten behoeve van tuinverharding e.d. op het erf nog 142,5 m2 verharding worden aangelegd. Indien de verharding verder toeneemt zal het waterschap moeten kijken of gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woonboerderij Te behouden bijgebouwen Te slopen schuren Overige erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woonboerderij Te behouden bijgebouwen Vrijstaande woning (+ eventueel bijgebouw) (ca.) Overige erfverharding Half verharding parkeren (125 m2 grasbetontegels / grind)
Oppervlakte m2 460 120 330 1.000 1.910 m2 460 120 125 1.000 62,5
Totaal nieuwe situatie
1.767,5 m2
Verschil
- 142,5 m2
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon
49
hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De nieuwe woning dient buiten het Profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de dijk te worden gerealiseerd en te voldoen aan de regels van de Keur. Tevens zijn de aanleg van tuin en het aanbrengen van beplanting op de waterkering vergunning plichtig bij het waterschap.
Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen en overgenomen van het moederbestemmingsplan.
Afbeelding 19: Legger waterkeringen
50
Wegbeheer Het perceel Noordzijde 51 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels een enkele in- en uitrit ten behoeve van auto’s en een wandelontsluiting. De auto-ontsluiting blijft ongewijzigd. De wandelontsluiting blijft tevens ongewijzigd, maar het wandelpad op eigen terrein wordt hersteld. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Wel dient voor het onderhavige plan een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland voor de bouw- en sloopwerkzaamheden. Eventueel nieuw te graven watergangen en/of een nieuwe tuininrichting ter plaatse van de waterkering zijn tevens vergunning plichtig bij het waterschap.
51
7.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de splitsing van een woonboerderij in twee eenheden en de realisatie van een vrijstaande woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg en/of gezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar spoorweg- en/of industrielawaai is daarmee niet noodzakelijk. Tevens is het plangebied gelegen nabij een stiltegebied, waar in de voorgaande hoofdstukken reeds aandacht aan is besteed.
Ter hoogte van het plangebied zijn voornamelijk 30 km/h wegen gelegen, wel is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de Heiweg (60 km/h weg), waardoor het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: •
‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Heiweg ten hoogste 31 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze 52
• •
geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van wegverkeerslawaai van alle wegen ten hoogste 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woningen beschikken alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte zodat aan het streven uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan.
Voor de onderzochte woningen hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld. Voor deze woningen hoeft geen nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel plaats te vinden omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
53
7.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 21,5 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 18,6 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,4 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
54
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
55
7.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van een woonboerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden mogen één afstandstrap worden verlaagd.
56
Hiernaast heeft de gemeente Molenwaard op 18 januari 2013 de ‘Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard’ vastgesteld. Hierin worden de richtafstanden voor geur voor een veehouderij tot een geurgevoelig object bijgesteld naar 25 meter. Op onderstaande afbeelding is het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven uiteengezet. Het bedrijfsperceel aan de Peperstraat is gelegen op een afstand van ca. 65 meter (richtafstand 10 meter). Het agrarische perceel ten noordoosten van het plangebied is gelegen op ca. 75 meter (richtafstand 25 meter). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Noordzijde 41
Peperstraat 2-2a
Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven/functies
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering beperkt en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
57
7.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen
58
ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Plangebied
Afbeelding 21: Risicokaart
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
59
7.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Ten behoeve van de aansluiting op het riool zal t.z.t. overleg plaatsvinden met de rioolbeheerder. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
60
7.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het renoveren van een bestaande woonboerderij, de sloop van enkele schuren en de realisatie van een vrijstaande woning. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. In het kader van de te graven sloten dient rekening gehouden te worden dat er geen negatieve effecten ontstaan ten aanzien van vissen.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn karakteristieke landschapselementen (knotwilgen) aanwezig aan de kavelrand welke behouden blijven in de beoogde ontwikkelingen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie, worden er geen externe verwacht op omliggende Natura 2000-gebieden.
61
Afbeelding 22: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebied
Afbeelding 23: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende
62
vleermuizen, vissen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht (bij het graven van de sloten) en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Noordzijde 51 te Oud-Alblas uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen mits de maatregelen getroffen worden.
63
7.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Door Terra Milieu is een verkennend en nader bodemonderzoek (NEN 5740, NEN 5707 en NTA5755) uitgevoerd om de staat van de bodem van het plangebied vast te stellen. Het advies uit het onderzoek luidt: ‘Aangezien op de locatie een tweetal ernstige bodemverontreinigingen worden aangetroffen, dient de locatie bij toekomstige ontwikkelingen gesaneerd te worden voor het beoogde gebruik. De verontreinigingen kunnen middels een BUS-melding of saneringsplan worden gesaneerd na goedkeuring van het bevoegd gezag. Saneringswerkzaamheden dienen te worden verricht door een BRL-7000 gecertificeerd bedrijf en dienen onder verhoogde veiligheidscondities worden uitgevoerd.
Voor het afvoeren van grond van de locatie moet rekening worden gehouden met extra stort- of afvoerkosten.’ Gezien de verontreiniging in de bodem is door Rhecon adviesbureau een advies opgesteld voor het vervolg: ‘Een aantal waarden van het pad zijn weliswaar boven de interventiewaarde, maar de verontreinigingen verspreiden zich niet in het grondwater. Hierdoor hoeft de verontreiniging die zich onder het pad bevindt niet te worden gesaneerd, zolang het pad blijft waar het is. Voor wat betreft de gedempte sloot zijn de verontreinigingen als immobiel te beschouwen zodat van een eventuele sanering kan worden afgezien. De zware metalen liggen vrijwel zeker chemisch gebonden vast en zijn geen gevaar voor de volksgezondheid of zelfs bij gebruik als volkstuin.’ Conclusie Gelet op de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoek is er een BUS-melding dan wel een saneringsplan nodig. Hetgeen wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.
64
7.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
65
Afbeelding 24: Archeologische verwachtingskaart
De beoogde werkzaamheden voorzien in bodemingrepen, daarom is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Door ADC ArcheoProjecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het noordoostelijk deel van het plangebied bestaat uit kalkloos zand, dat als rivierduinafzettingen (Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel) wordt geïnterpreteerd. De rivierduinafzettingen worden afgedekt door een 50 cm dik zwak zandig veenpakket. Dit gaat geleidelijk naar boven toe over in matig siltige klei en vervolgens in uiterst siltige klei, respectievelijk komafzettingen en oeverafzettingen van de Alblas. In de top van de oeverafzettingen is een 30 cm dikke bouwvoor aanwezig. In het overige deel van het plangebied wordt het pakket oeverafzettingen van de Alblas afgedekt door een 70 tot 225 cm dik humeus kleipakket. Dit pakket bestaat uit ophogingslagen, die mogelijk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd dateren en verband houden met de aanwezige huisterp.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De natuurlijke bodemopbouw is grotendeels intact gebleven. De top van de rivierduinafzettingen is bedekt met veen en daarom nog geheel intact. De top van de oeverafzettingen is gerijpt en bevat roestvlekken en wordt daarom ook als intact beschouwd. Op de locatie van de schuur in het zuidoosten van het plangebied is tijdens het verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek een 150 cm dik recent opgebracht zandpakket aangetroffen. Hier zal de oorspronkelijke bodemopbouw niet meer aanwezig zijn. De bodemgesteldheid 66
ter plaatse van de oostelijke stal kon tijdens het onderzoek niet vastgesteld worden. •
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het noordoostelijk deel van het plangebied kunnen in de top van de rivierduinafzettingen archeologische waarden uit de periode LaatPaleolithicum-Neolithicum aanwezig zijn. In het zuiden en westen van het plangebied kunnen in het ophogingspakket direct onder het maaiveld archeologische waarden uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd aanwezig zijn.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De top van de rivierduinafzettingen bevindt zich op 170 cm –mv (ca. 3,04 m – NAP). Het ophogingspakket uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd bevindt zich direct onder het maaiveld, dat in het plangebied varieert van 1,1 m –NAP tot 1,73 m NAP.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het ophogingspakket in het westen en zuiden van het plangebied is een concentratie van baksteenfragmenten aanwezig. Op de locatie van boring 1 is op 70 cm –mv een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk gevonden. In boring 3 zijn meerdere archeologische indicatoren gevonden; een concentratie van slakken en smeedsafval in de basis van het ophogingspakket, een concentratie van bouwpuin en het fragment van een roodbakkend geglazuurde tegel in de top van het ophogingspakket. Zo ja: o Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Het fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk in boring 1 is aangetroffen op 70 cm –mv (0,92 m –NAP). De concentratie met slakken en smeedsafval in boring 3 bevindt zich op 175 tot 195 cm – mv (0,02 tot 0,22 m –NAP). De concentratie met bouwpuin en het tegelfragment van roodbakkend geglazuurd aardewerk in boring 3 is aangetroffen op 60 tot 90 cm –mv (0,83 tot 1,13 m NAP). o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? De indicatoren zijn aangetroffen in het westen en zuiden van het plangebied. In het centrale deel van het plangebied is een ronde verhoging aanwezig die als huisterp geclassificeerd kan worden.
o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? De indicatoren dateren uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De middelmatige tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd dient op basis van het onderzoek te worden gehandhaafd. Voor het noordoostelijk deel van het plangebied is 67
sprake van een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum. Op de locatie van de schuur in het zuidoosten van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. •
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het noordoostelijk deel van het plangebied vinden, behalve het graven van een sloot, geen diepe bodemingrepen plaats. Als de grondroerende werkzaamheden inclusief een veiligheidsmarge van 30 cm beperkt blijven tot 140 cm –mv, zal het archeologisch niveau voor de periode Laat-PaleolithicumNeolithicum, de top van de rivierduinafzettingen, niet verstoord worden (afb. 14). In het zuidoosten van het plangebied zal een vrijstaande woning gebouwd worden. In dit deel van het plangebied worden, behalve ter plaatse van de zuidoostelijke schuur, archeologische waarden uit de periode Late Middeleeuwen- Nieuwe tijd verwacht. Grondroerende werkzaamheden buiten het bouwvlak van genoemde schuur kunnen daarom leiden tot aantasting van archeologische waarden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de geplande sanering van de halfverharding die tot maximaal ca. 50 cm –mv zal reiken en voor de bouw van de vrijstaande woning.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Als in het noordoostelijk deel van het plangebied de bodemingrepen niet dieper reiken dan 140 cm –mv (top van de rivierduinafzettingen inclusief een veiligheidsmarge van 30 cm), zal het archeologisch niveau voor de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum, de top van de rivierduinafzettingen, niet verstoord worden (afb. 14). Indien de werkzaamheden wel dieper reiken dan 140 cm -mv, wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit dient te bestaan uit een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek. In het westelijk of zuidelijk deel van het plangebied kunnen door bodemingrepen, indien deze buiten het bouwvlak beide onderkelderde schuren plaatsvinden èn dieper reiken dan 30 cm –mv, archeologische waarden uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd verstoord worden. In dat geval wordt een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek met een doorstart naar een opgraving geadviseerd.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om in het noordoostelijk deel van het plangebied, indien hier bodemingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan 140 cm –mv, een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is het systematisch onderzoeken van het plangebied op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de periode LaatPaleolithicum-Neolithicum. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). ADC ArcheoProjecten adviseert daarnaast in het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied, uitgezonderd de locaties van de onderkelderde schuren in het 68