Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, Noordzijde 51
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’
Gemeente Molenlanden Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, Noordzijde 51
Identificatie
Planstatus
Identificatiecode: NL.IMRO.1978.BPnoordzijde51ABS-ON01
Datum: 07-09-2020
Status: Ontwerp
Projectnummer: 1036609
2
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding............................................................................................................ 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8
1.6
Communicatie ............................................................................................ 8
1.7
Realisatie .................................................................................................... 8
1.8
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .............................................................................................. 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 13
Samenvatting beleidskader.............................................................................. 18 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 18
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 18
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 19
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 20
3.5
Conclusie .................................................................................................. 20
Samenvatting sectorale aspecten ..................................................................... 21 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 21
4.2
Watertoets ................................................................................................ 21
4.3
Geluid ....................................................................................................... 23
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 23
4.5
Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 23
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 24
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 24
4.8
Ecologie .................................................................................................... 25
4.9
Bodem ...................................................................................................... 25
4.10
Archeologie ........................................................................................... 26
4.11
Duurzaamheid ....................................................................................... 26
Juridische planbeschrijving .............................................................................. 27 5.1
Inleiding ................................................................................................... 27
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 27
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 27
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 28 3
6.
7.
Verantwoording beleidskader .......................................................................... 29 6.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 29
6.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 32
6.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 38
6.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 40
6.5
Conclusie .................................................................................................. 42
Verantwoording sectorale aspecten ................................................................. 43 7.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 43
7.2
Watertoets ................................................................................................ 46
7.3
Geluid ....................................................................................................... 52
7.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 54
7.5
Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 56
7.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 58
7.7
Kabels en leidingen................................................................................... 60
7.8
Ecologie .................................................................................................... 61
7.9
Bodem ...................................................................................................... 64
7.10
Archeologie ........................................................................................... 65
7.11
Duurzaamheid ....................................................................................... 70
Bijlage Omschrijving 1a Landschappelijk inpassingsplan 1b Maatvoering parkeren 2 Digitale watertoets 3 Akoestisch onderzoek 4 Ecologische quickscan 5a Bodem onderzoek 5b Advies bodem 6 Archeologisch onderzoek
Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs
Referentie -
Datum 25-03-2020
-
25-03-2020
20191113-921799 19.1358
13-11-2019
Blom Ecologie b.v.
BE/2019/686/r
17-12-2019
Terra Milieu Rhecon adviesbureau ADC Archeoprojecten
18-515 5049
14-11-2018 28-12-2019 21-07-2020
06-12-2019
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding Aanleiding Op het perceel Noordzijde 51 te Oud-Alblas is een agrarisch perceel met een karakteristieke woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen gelegen welke een cultuurhistorisch ensemble vormen. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn reeds geruime tijd beëindigd en het perceel staat thans enkele jaren leeg. Mede hierdoor is het perceel en de bebouwing daarop aanwezig verouderd, oogt verpauperd en is van slechte bouwkundige staat. Een nieuw agrarisch bedrijf op deze locatie niet exploiteerbaar en gezien de ligging in de kern van Oud-Alblas niet passend, een woonfunctie is passender. Het plan is het ensemble te renoveren en hierbij de bestemming ‘agrarisch’ te wijzigen naar ‘wonen’. Voornemens worden de twee oostelijke schuren gesaneerd en wordt hiervoor in de plaats een vrijstaande (schuur)woning gerealiseerd. De karakteristieke woonboerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden en tesamen met de bijbehorende bijgebouwen gerenoveerd. Tevens komen er mogelijkheden voor een bed & breakfast bij de woonboerderij. Met dit alles wordt het cultuurhistorische ensemble in ere hersteld. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’. Het plangebied heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch’ en de woonboerderij heeft de bouwaanduiding ‘karakteristiek’.
Op deze gronden is het niet direct mogelijk de woonboerderij te splitsen in twee eenheden en een vrijstaande woning te realiseren. Het initiatief is middels een principeverzoek (d.d. 1 juli 2019) voorgelegd aan de gemeente Molenlanden. In een schriftelijke beantwoording (d.d. 22 oktober 2019) heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het plan middels een bestemmingsplanprocedure. Plangebied Het plangebied is kadastraal bekend als ABS02 - D – 119. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door een watergang en daarachter de openbare weg. Aan de oostzijde is een woonperceel gelegen en ten zuiden van het plangebied is de rivier de Alblas gelegen.
5
Afbeelding 1: Plangebied
Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het onderhavige plan past binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente Molenlanden en zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Een verouderd en verpauperd agrarisch bedrijfsperceel is in de kern van Oud-Alblas niet wenselijk. Het perceel staat hiernaast al geruime tijd leeg, hetgeen tevens niet wenselijk is. Middels het onderhavige plan wordt het cultuurhistorisch boerderij ensemble in ere hersteld. De verouderde schuren worden gesaneerd en de karakteristieke woonboerderij wordt gerenoveerd tesamen met de bijbehorende bijgebouwen. Middels de renovatie en de sanering van verouderde schuren wordt verdere verpaupering, verrommeling, leegstand en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Tevens wordt middels het onderhavige plan de agrarische bestemming ter plaatse verwijderd en hiermee nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf in de toekomst op de locatie uitgesloten.
Hetgeen een welkome ontwikkeling is gezien agrarische bedrijven in het cultuurhistorische lint in de dorpskern niet wenselijk zijn en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving hiermee wordt verbeterd. De woonboerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden en op de plek van de te saneren schuren wordt een vrijstaande woning gerealiseerd. Gezien de ligging in de dorpskern van Oud-Alblas is het een goede locatie voor woningbouw en wordt aangesloten bij het beleid om de verstedelijkingsopgave binnen de bebouwde ruimtelijke contour op te lossen. Er worden geen bedrijfs-, individuele, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving geschaad.
6
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, vastgesteld op 13 februari 2012 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waterstaat - Waterkering En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding: karakteristiek; • Maatvoering: maximum goothoogte: 6 m.
Afbeelding 2: Vigerende bestemmingsplankaart
Bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ Op 15 september 2015 is de ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ vastgesteld door de voormalige gemeente Molenwaard. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor de dorpskernen, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het onderhavige plan betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. De herziening heeft geen gevolgen voor de bestemmingsplankaart.
7
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt de bestemming agrarisch gewijzigd naar wonen en wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden en een vrijstaande woning te realiseren naast de woonboerderij.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden. In de voorgaande principeverzoekfase is de buurt geïnformeerd over het onderhavige plan en zijn de directe buren persoonlijk benaderd. Er zijn geen bezwaren naar voren gekomen in deze fase. Tevens heeft het voorontwerp bestemmingsplan vanaf 17 juli 2020 voor zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om in te spreken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet, De Staatscourant en het Kontakt).
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd. 8
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Beleidskader; Hoofdstuk 4: Sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 7: Verantwoording sectorale aspecten.
9
2.
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern Oud-Alblas is vanaf 1 januari 2019 één van de kernen van de gemeente Molenlanden in de provincie Zuid-Holland. Het dorp Oud-Alblas is omstreeks 1100 ontstaan als lintdorp langs de rivier de Alblas. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Het silhouet van Oud-Alblas, wordt beheerst door de uit 1400 daterende forse bakstenen kerktoren, waarvan het bovenste deel is versierd met nissen. In Oud-Alblas heeft in het verleden een veemarkt gekend welke uitermate belangrijk was voor de streek de Alblasserwaard. De veemarkt werd gehouden op het kerkplein ten noorden van de kerk. De veemarkt kon echter niet concurreren tegen de steden Rotterdam en Gorinchem, waardoor de veemarkt ophield te bestaan. Voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog kende Oud-Alblas een bloeiende middenstand. Na de tweede wereldoorlog heeft het lintbebouwingsdorp, zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. In de lintdorpen in de Alblasserwaard, waaronder Oud-Alblas, leefden de inwoners met name van de akkerbouw en griendcultuur. Langs de veenstromen werden boerderijen gerealiseerd. Door de ontwatering van het gebied was sprake van bodemdaling.
Op het moment dat de zeespiegel begon te stijgen zorgde dit voor wateroverlast. In 1277 werd de Alblasserwaard bedijkt, waarna het land verder daalde. Windmolens werden gebouwd om het water omhoog te pompen, omdat natuurlijke afwatering naar de riviertjes en de Lek niet meer mogelijk was. De bevolking teelde voornamelijk wilgenhout, vlas en hennep. Tussen de vijftiende en eerste helft van de negentiende eeuw hadden de dorpen regelmatig te kampen met zware overstromingen. Midden van de negentiende verdween de vraag naar hennep als gevolg van de opkomst van de stroomvaart. De bewoners van de dorpen stapten over op veeteelt en hooibouw. De dorpen hebben vandaag de nog aan agrarisch en landelijk karakter. Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorische lint aan de noordkant van de rivier de Alblas en in de dorpskern van Oud-Alblas. Aan de zuidkant van de rivier is eenzelfde lint met daarachter seriematige nieuwbouw gelegen. De lintbebouwing aan de Noordzijde, kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) klassieke boerderijen, later gebouwde vrijstaande woningen en (kleinere) voormalige arbeiders/knechtenhuisjes. De bebouwing is hoofdzakelijk tussen de rivier de Alblas en de Noordzijde gelegen (zuidzijde van de weg). De hoofdgebouwen zijn overwegend opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking.
De hoofdgebouwen hebben overwegend een rechthoekige opzet. Overwegend zijn er zadeldaken toegepast of een afgeleide hiervan. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en zijn in harmonie met het landschap. De hoofdgebouwen ten zuiden van de Noordzijde zijn zowel haaks als parallel op de weg gepositioneerd. Indien aanbouwen of bijgebouwen aanwezig zijn, hebben deze altijd een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van het hoofdgebouw. De aanbouwen of bijgebouwen zijn overwegend opgetrokken uit baksteen of potdekselwerk en 10
hebben doorgaans een donkerdere kleur dan de hoofdgebouwen. De bijgebouwen hebben een rechthoekige opbouw en zijn tevens zowel haaks als parallel aan de weg gepositioneerd. De bijgebouwen worden overwegend gekenmerkt door een heldere of eenduidige kapvorm. Kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van de omgeving van het plangebied is dat de bebouwing op ruime afstand van de Noordzijde is gerealiseerd (op de Alblas georiënteerd). 2.1.2 Huidige status/gebruik Het plangebied betreft een agrarisch bedrijfsperceel met daarop een karakteristieke woonboerderij en twee bijbehorende bijgebouwen op het voorerf. Ten oosten van de woonboerderij zijn twee voormalige agrarische schuren gelegen. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd beëindigd en het perceel staat sindsdien leeg.
Afbeelding 3: Bovenaanzicht Noordzijde 51 Oud-Alblas
11
Afbeelding 4: Vooraanzicht Noordzijde 51 Oud-Alblas (1)
Afbeelding 5: Vooraanzicht Noordzijde 51 Oud-Alblas (2)
12
Afbeelding 6: Vooraanzicht Noordzijde 51 Oud-Alblas (3)
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Middels het onderhavige plan wordt de bestemming agrarisch gewijzigd naar wonen. De twee voormalige agrarische schuren ten oosten van de woonboerderij worden gesaneerd. De karakteristieke woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd. De woonboerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden en op de plek van de te saneren schuren wordt een vrijstaande woning (500 m3) gerealiseerd. Het voornemen is tevens een bed & breakfast (B&B) mogelijk te maken bij de woonboerderij. Twee kamers in de woonboerderij en in elk bijgebouw op het voorerf één kamer (totaal vier kamers).
Afbeelding 7: Nieuwe situatie
13
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel Noordzijde 51 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels een enkele in- en uitrit ten behoeve van auto’s en een wandelontsluiting. De auto-ontsluiting blijft ongewijzigd over de bestaande watergang. De wandelontsluiting blijft tevens ongewijzigd, maar het wandelpad op eigen terrein wordt hersteld. Verkeer en parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormering is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie. Voor het vaststellen van de parkeernorm wordt er van uitgegaan dat het plangebied is gelegen in ‘schil centrum’ in ‘matig stedelijk’ gebied. Uitgaande van eenmaal het type woning ‘koop, vrijstaand’ en tweemaal het type woning ‘koop, twee-onder-een-kap’ wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen. Voor de vrijstaande woning 1,9 parkeerplaatsen, 2 x 1,8 parkeerplaatsen voor de wooneenheden in de woonboerderij en tevens parkeerruimte voor een mogelijke B&B (uitgaande van 1 parkeerplaats per kamer) (totaal 9,5 parkeerplaatsen). Deze benodigde parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Rondom de woonboerderij en in/onder de bijbehorende bijgebouwen is er meer dan voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 10 auto’s. Hiermee kan ruimschoots worden voldaan aan de gestelde parkeernorm.
Afbeelding 8: Nieuwe situatie ontsluiting en parkeren
2.2.3 Landschappelijke inrichting/Molenwaards Kookboek Om in een optimale kwaliteitsverbetering te voorzien is de initiatiefnemer voornemens het perceel en de bebouwing op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente, het
14
‘Molenwaards Kookboek’. De stappen van het kookboek zijn hieronder globaal uiteengezet. Geschiedenis In 1900 is de karakteristieke woonboerderij binnen het plangebied reeds aanwezig. De kern van Oud-Alblas ten zuiden hiervan is reeds zichtbaar, maar nog kleinschalig. Tevens zijn de cultuurhistorische linten aan beide zijden van de rivier de Alblas reeds zichtbaar. De wegen zijn parallel aan de rivier de Alblas gelegen en de slagen van de polder zijn hier haaks op gelegen. In 1950 lijkt er niet veel te zijn veranderd, hier en daar is de bebouwing toegenomen. In 2000 zijn grotere veranderingen zichtbaar. De bebouwing in de linten is fors toegenomen en ten zuiden van de rivier de Alblas heeft de kern zich uitgebreid middels nieuwbouwwijken. In 2018 blijft het beeld hetzelfde met hier en daar een uitbreiding. Ten noorden van de Alblas blijft de bebouwingsdichtheid lager dan ten zuiden ervan. 1900
1950
2000
2018
Afbeelding 9: Geschiedenis in beeld
Kenmerken omgeving Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorische lint langs de rivier de Alblas en de Noordzijde in het dorp Oud Alblas. De Noordzijde heeft zich door de tijd ontwikkeld tot een lint met afwisselend (agrarische) bedrijven, (klassieke) woonboerderijen en kleinere (arbeiders)woningen. Ten noorden van het plangebied 15
is het polderlandschap gelegen, ten oosten en ten westen (woon)bebouwing. Ten zuiden ligt de rivier de Alblas met daarachter de dorpskern van Oud Alblas. Het plangebied heeft een relatief groen en open karakter in vergelijking met omliggende bebouwde percelen. Richting het noorden is een doorzicht over het polderlandschap gelegen.
Afbeelding 10: Kenmerken lint (rood: nokrichting hoofdgebouw; geel: nokrichting bijgebouw; groen: doorzicht)
Landschappelijke inpassing De bebouwing is gelegen en blijft tussen de Noordzijde en de rivier de Alblas, naar het karakter van het lint. De woonboerderij en de bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd, maar het eigentijdse karakter blijft behouden. Middels de renovatie kan de karakteristieke woonboerderij worden behouden. De te realiseren vrijstaande woning ten oosten van de woonboerderij krijgt een ondergeschikte schuurachtige uitstraling ten opzichte van de woonboerderij. Met dit alles wordt het cultuurhistorische boerenerfensemble in ere hersteld. Voor wat betreft de regels van het onderhavige plan is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. De ontsluiting richting het erf blijft ongewijzigd. Op het erf en in/onder de bijgebouwen is meer dan voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor manoeuvreren van auto’s. Het ensemble op de term wordt versterkt middels het toevoegen van streekeigen beplanting en middels het uitdunnen van de onder beplanting in de bocht van de Noordzijde wordt er meer doorzicht gecreëerd ten behoeve van de verkeersveiligheid. Ten westen van de woonboerderij wordt het historische wandelpad en de ‘voortuin’ hersteld. Ook wordt er extra water ingepast middels het herstel van een verkavelingssloot.
16
Afbeelding 11: Landschappelijk inpassingsplan (zie ook bijlage 1)
17
3.
Samenvatting beleidskader
In dit hoofdstuk zijn de conclusies vanuit de beleidsaspecten weergegeven. De uitgebreide verantwoording van het beleidskader staat beschreven in hoofdstuk 6.
3.1 Rijksbeleid Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. Vanuit jurisprudentie is in het onderhavige plan geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist dan wel noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kader stellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied Het onderhavige plangebied is gelegen aan de rand van het bestaand stads- en dorpsgebied en binnen het cultuurhistorisch lint. Het plangebied is daarmee een passende locatie voor kleinschalige inbreiding. Hiermee sluit het onderhavige plan aan op provinciaal beleid kleinschalige stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in aansluiting op het BSD en in bebouwingslinten. De verstedelijkingsopgave wordt hiermee opgelost binnen bestaande bebouwingscontouren. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Het onderhavige plan kan geschaard worden binnen de categorie ‘inpassen’. Het onderhavige plan is qua schaal en aard passend in dit gebied en zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Middels het onderhavige plan een agrarische bedrijfsbestemming uit het cultuurhistorische lint onttrokken en wordt nieuwvestiging van een (agrarisch) bedrijf op het perceel in de toekomst uitgesloten. De woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd.
De verouderde schuren worden gesaneerd en er wordt een vrijstaande woning passen bij de woonboerderij gerealiseerd. Het plangebied wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast. Stiltegebieden Het onderhavige plangebied is gelegen nabij een stiltegebied. Om stiltegebieden zo stil mogelijk te houden gelden een aantal regels. Gemotoriseerd verkeer, grootschalige evenementen of andere bronnen van lawaai zijn verboden. Gebiedseigen geluiden zijn wel toegestaan. Gezien het onderhavige plan de 18
gebruiksfunctie wonen betreft kan worden gesproken over een gebiedseigen functie. Het onderhavige plan zorgt ervoor dat een agrarisch bedrijf uit het cultuurhistorisch lint nabij het stiltegebied wordt uitgesloten en wordt gewijzigd naar wonen. Hierdoor is er zelfs sprake van een verbeterende situatie voor het stiltegebied, doordat agrarische activiteiten welke relatief veel geluid met zich mee brengen in vergelijking met een woonfunctie worden uitgesloten. Hiernaast zullen er gezien de afstand tot het stiltegebied en de kleinschaligheid van het plan geen negatieve gevolgen zijn voor het stiltegebied. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen sprake is van onevenredige geluidsproductie.
3.3 Regionaal beleid Op regionaal niveau zijn op ruimtelijk gebied de regionale structuurvisie 2030 ‘Open voor elkaar’ en de ‘Regionale woonvisie’ de meest bepalende beleidsdocumenten. De regionale structuurvisie benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven. (Agrarische) bedrijfsbestemmingen zijn in de kern en het cultuurhistorische lint niet wenselijk. Middels het onderhavige plan wordt deze bestemming verwijderd, waarmee een volwaardig bedrijf op de locatie uitgesloten wordt. Hiermee zal het woon- en leefklimaat ter plaatse worden verbeterd. De woonboerderij en bijbehorende bijgebouwen worden gerenoveerd. De verouderde schuren worden gesaneerd en er wordt een vrijstaande woning passend bij de woonboerderij gerealiseerd. Tesamen met de splitsing van de woonboerderij wordt meer aanbod gecreëerd naar de concrete woningbehoefte. Hiermee draagt het onderhavige plan bij aan het behoud van de leefbaarheid in het dorp.
Het perceel wordt op een verantwoorde wijze landschappelijk ingepast, waardoor wordt voorzien in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering en het overwegend open, rustige en authentieke karakter van het landschap wordt versterkt. Het cultuurhistorische boerderijensemble wordt in ere hersteld. Oud-Alblas is aangeduid als woondorp. Deze dorpen hebben verspreide huizen en kleine kernen met weinig of geen voorzieningen. Voor voorzieningen zijn deze dorpen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen en steden. De dorpen hebben een hechte gemeenschap en maken gebruik van een sterk lokaal sociaal netwerk. Woondorpen zijn aantrekkelijk voor verschillende doelgroepen, met name lokale starters en doorstromers. In het dorp is er sprake van concrete woningbehoefte. Het onderhavige plan sluit hierop aan en betreft per saldo een toevoeging van twee wooneenheden binnen het bestaande bebouwde gebied. Dit wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
19
3.4 Gemeentelijk beleid Het onderhavige plan is een kleinschalig plan in het cultuurhistorische lint in de kern Oud-Alblas. Het plan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit middels de renovatie van het perceel en een divers aanbod in de woningvoorraad middels de splitsing van de woonboerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee en middels het verwijderen van de agrarische bedrijfsfunctie is het plan in overeenstemming met de toekomstvisie. In Oud-Alblas en de regio is er sprake van woningbehoefte. Voor Oud-Alblas is een woningbehoefte berekend van 130 tot 180 woningen tot 2030, waar deels in wordt voorzien. Het aantal plannen dat bekend is, is onvoldoende om in de woningbehoefte te voorzien. Middels onderhavig plan wordt een bestaande woonboerderij gesplitst in twee eenheden en wordt een vrijstaande woning gerealiseerd binnen de bebouwde ruimte en de kern van het dorp. Kwantitatief is er dan ook geen probleem met dit plan. Dit maakt het mogelijk voor mensen uit OudAlblas in het dorp te blijven wonen, mensen die binding hebben met het dorp. Doorstroming kan met het aanbod in het plan worden gestimuleerd. Het onderhavige plan is conform de regionale woonvisie (paragraaf 6.3.2). Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan.
Het perceel betreft de enkelbestemming ‘Agrarisch’, op deze gronden is het juridischplanologisch niet direct toegestaan vier wooneenheden te realiseren.
3.5 Conclusie Het onderhavige plan is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, maar is wel in overeenstemming met het verdere rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijke ruimtelijke beleid.
20
4.
Samenvatting sectorale aspecten
In dit hoofdstuk komen de sectorale aspecten aan bod. Hierin zijn per paragraaf de milieuaspecten kort verantwoord. Voor een uitgebreidere toelichting op de milieuaspecten wordt doorverwezen naar hoofdstuk 7. Sectoraal aspect: 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Watertoets 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Bedrijf-milieuhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Archeologie 4.11 Duurzaamheid
Extern onderzoek uitgevoerd: Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Ja Ja Nee
Belemmering:
Nadere voorwaarden:
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, er geen sprake is van productiewerkzaamheden, er geen sprake is van (een toename van) onevenredige aantallen verkeersbewegingen etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling – redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’.
4.2 Watertoets Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191113-9-21799). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW024. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,25 meter NAP en een winterpeil van -2,35 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen Rondom het plangebied zijn een A-watergang (001245) en een tweetal Cwatergangen (069770 & 069782) gelegen. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van de watergangen. Aan de C-watergang 069770 wordt een extra watergang gegraven ten 21
behoeve van het herstel van het voormalige verkavelingspatroon. Voor het graven van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Waterberging en -compensatie Het onderhavige plan resulteert in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn water compenserende maatregelen ten behoeve van verhard oppervlak niet noodzakelijk. In de nieuwe situatie zal de bebouwing ter plaatse afnemen (woning i.p.v. schuren). De erfverharding zal t.b.v. voldoende parkeergelegenheid toenemen, hetgeen middels half verharding word gerealiseerd om het groen te behouden. Naar verwachting blijft de verharding ter plaatse van de nieuwe woning ongeveer gelijk t.o.v. de verharding rondom de huidige schuren. Gezien de afname in verharding kan er ten behoeve van tuinverharding e.d. op het erf nog 142,5 m2 verharding worden aangelegd. Indien de verharding verder toeneemt zal het waterschap moeten kijken of gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden.
In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De nieuwe woning dient buiten het Profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de dijk te worden gerealiseerd en te voldoen aan de regels van de Keur. Tevens zijn de aanleg van tuin en het aanbrengen van beplanting op de waterkering vergunning plichtig bij het waterschap. Wegbeheer Het perceel Noordzijde 51 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels een enkele in- en uitrit ten behoeve van auto’s en een wandelontsluiting. De auto-ontsluiting blijft ongewijzigd. De wandelontsluiting blijft tevens ongewijzigd, maar het wandelpad op eigen terrein wordt hersteld. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Wel dient voor het onderhavige plan een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland voor de 22
bouw- en sloopwerkzaamheden. Eventueel nieuw te graven watergangen en/of een nieuwe tuininrichting ter plaatse van de waterkering zijn tevens vergunning plichtig bij het waterschap.
4.3 Geluid Het onderhavige plan betreft de splitsing van een woonboerderij in twee eenheden en de realisatie van een vrijstaande woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg en/of gezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar spoorweg- en/of industrielawaai is daarmee niet noodzakelijk. Ter hoogte van het plangebied zijn voornamelijk 30 km/h wegen gelegen, wel is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de Heiweg (60 km/h weg), waardoor het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek luiden: Voor deze woningen hoeft geen nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel plaats te vinden omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
4.4 Luchtkwaliteit Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.5 Bedrijven en milieuhinder Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van een woonboerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Uit deze toetsing is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op basis 23
hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de betreffende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
4.6 Externe veiligheid Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Ten behoeve van de aansluiting op het riool zal t.z.t. overleg plaatsvinden met de rioolbeheerder. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
24
4.8 Ecologie Het onderhavige plan betreft het renoveren van een bestaande woonboerderij, de sloop van enkele schuren en de realisatie van een vrijstaande woning. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De beoogde ontwikkeling leidt, mits er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht (bij het graven van de sloten) en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Noordzijde 51 te Oud-Alblas uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen mits de maatregelen getroffen worden.
4.9 Bodem Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Terra Milieu een verkennend en nader bodemonderzoek (NEN 5740, NEN 5707 en NTA5755) uitgevoerd. Het advies uit het onderzoek luidt: ‘Aangezien op de locatie een tweetal ernstige bodemverontreinigingen worden aangetroffen, dient de locatie bij toekomstige ontwikkelingen gesaneerd te worden voor het beoogde gebruik. De verontreinigingen kunnen middels een BUS-melding of saneringsplan worden gesaneerd na goedkeuring van het bevoegd gezag. Saneringswerkzaamheden dienen te worden verricht door een BRL-7000 gecertificeerd bedrijf en dienen onder verhoogde veiligheidscondities worden uitgevoerd. Voor het afvoeren van grond van de locatie moet rekening worden gehouden met extra stort- of afvoerkosten.’ Gezien de verontreiniging in de bodem is door Rhecon adviesbureau een advies opgesteld voor het vervolg: ‘Een aantal waarden van het pad zijn weliswaar boven de interventiewaarde, maar de verontreinigingen verspreiden zich niet in het grondwater. Hierdoor hoeft de verontreiniging die zich onder het pad bevindt niet te worden gesaneerd, zolang het pad blijft waar het is. Voor wat betreft de gedempte sloot zijn de verontreinigingen als immobiel te beschouwen zodat van een eventuele sanering kan worden afgezien.
De zware metalen liggen vrijwel zeker chemisch gebonden vast en zijn geen gevaar voor de volksgezondheid of zelfs bij gebruik als volkstuin.’
25
Conclusie Gelet op de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoek is er een BUS-melding dan wel een saneringsplan nodig. Hetgeen wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.
4.10 Archeologie Gelet op het feit dat de woning, daarmee de bouwwerkzaamheden, wordt gerealiseerd op de locatie van de te saneren onder kelderde schuur waar de grond reeds geroerd is, wordt verwacht dat het onderhavige plan geen gevolgen heeft voor de archeologische waarde ter plaatse. Een goedgekeurde tekening en palenplan van de nieuwe woning worden als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning. Indien bodemingrepen plaats vinden buiten de reeds geroerde gronden en groter dan de aangegeven grenswaarden in het archeologische rapport dient aanvullend onderzoek te worden verricht. Gezien het onderhavige plan is dit voor nu niet noodzakelijk. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden zal de passende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ in het onderhavige bestemmingsplan worden opgenomen.
4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van de woonboerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. De woning wordt in het kader van het duurzaamheidsbeleid gasloos gerealiseerd en op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). Middels de splitsing wordt op een duurzame manier gebruik gemaakt van de woonboerderij en wordt er een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor volgende generaties. Het perceel wordt op een passende en verantwoorde wijze groen ingepakt (paragraaf 2.2.3). Verder kijkt de initiatiefnemer naar verdere mogelijkheden voor duurzame energiebronnen.
26
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’, vastgesteld op 15 september 2015. De regels van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Noordzijde 51’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin De bestemming ‘agrarisch’ wordt voor een gedeelte gewijzigd in ‘tuin’ ten behoeve van de voor- en achtertuin. Wonen De bestemming ‘agrarisch’ rondom de hoofdgebouwen wordt gewijzigd naar ‘wonen’ met een bouwvlak, enkele maatvoeringen en aanduidingen. Waarde – Archeologie – 1 & 2 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1’ en ‘Waarde – Archeologie – 2’ blijven behouden en zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden in de bodem. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. 27
5.4 Aanduidingen • • • • • • •
Bouwvlak; Specifieke bouwaanduiding 1; maximale inhoud woning 500 m3; Maximaal aantal wooneenheden: 2; Maximum goothoogte: 6 m; Bouwaanduiding: Karakteristiek; Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – dijk – 1; Functieaanduiding: Bed & breakfast.
28
6.
Verantwoording beleidskader
6.1 Rijksbeleid 6.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stadsen dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 6.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
29
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 6.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6. van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.
Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene stedelijke ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie wel een beoordelingskader van welke woningbouwontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471).
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).
30
Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van de woonboerderij in twee eenheden en de realisatie van een vrijstaande woning. Per saldo worden daarmee twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
31
6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het onderhavige plangebied is gelegen aan de rand van het bestaand stads- en dorpsgebied en binnen het cultuurhistorisch lint. Het plangebied is daarmee een passende locatie voor kleinschalige inbreiding. Hiermee sluit het onderhavige plan 32
aan op provinciaal beleid kleinschalige stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in aansluiting op het BSD en in bebouwingslinten. De verstedelijkingsopgave wordt hiermee opgelost binnen bestaande bebouwingscontouren. Plangebied
Afbeelding 12: Bestaand stads- en dorpsgebied
Verbetering ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Een verouderd en verpauperd agrarisch bedrijfsperceel is in de kern van Oud-Alblas niet wenselijk. Het plangebied staat hiernaast al geruime tijd leeg, hetgeen ook niet wenselijk is. Middels het onderhavige plan wordt het cultuurhistorisch boerderij ensemble in ere hersteld. De verouderde schuren worden gesaneerd en de karakteristieke woonboerderij wordt gerenoveerd tesamen met de bijbehorende bijgebouwen.
Middels de renovatie en de sanering van verouderde schuren wordt verdere verpaupering, verrommeling, leegstand en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Tevens wordt middels het onderhavige plan de agrarische bestemming ter plaatse verwijderd en hiermee nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf in de toekomst op de locatie uitgesloten. Hetgeen een welkome ontwikkeling is gezien agrarische bedrijven in het cultuurhistorische lint in 33
de dorpskern niet wenselijk zijn en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving hiermee wordt verbeterd. Onderhavige plan betreft met dit alles een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De provincie heeft de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’ en in het ‘lint’. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen.