Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Tekst van het document
3.4.2 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •
21
Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029.
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
• •
• • •
De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop/ nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
Planspecifiek Met plan wordt invulling gegeven aan de woningbouwbehoefte in de gemeente Molenlanden. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan verschillende doelgroepen: starters, senioren en gezinnen waarbij ook een groot deel betaalbare en middeldure (doorstroom) koopwoningen worden gerealiseerd. Ook wordt voldaan aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. De 45 te realiseren nieuwbouwwoningen in Park Rietveld voldoen aan de gestelde duurzaamheidsnormen uit het Bouwbesluit met betrekking tot energiezuinigheid (BENG). Alle vrije sector woningen worden energie neutrale woningen. De sociale woningen worden BENG gebouwd. Daarnaast is aandacht voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen door de realisatie van een park. Tot slot wordt bij het plan ingezet op transformatie van een bedrijfslocatie. Hierdoor is sprake van duurzaam ruimtegebruik en wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de omgeving.
3.4.3 Welstandsnota gemeente Molenlanden 2019 De gemeenteraad van de Molenlanden heeft op 1 oktober 2019 de Welstandsnota gemeente Molenlanden 2019 vastgesteld. Planspecifiek Het plangebied is welstandsvrij. Dit betekent dat in hoofdzaak geen ‘redelijke eisen van welstand’ worden toegepast op een aanvraag omgevingsvergunning. Wel is een excessenregeling van toepassing. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd dat vanuit de nota geen bijzondere welstandeisen gelden voor het plan. Het plan past daarom binnen de kaders van de welstandsnota.
3.4.4 Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk onderwerp voor de gemeente. In het coalitieakkoord 2014-2018 ‘Giessenlanden Vitaal: samenwerking tot in de kern!’ is duurzaamheid een belangrijk thema. Recent is de nota Duurzaamheid 2016-2019 vastgesteld. Duurzaamheid is meer dan het milieu, het gaat ook om toekomstbestendigheid van de woningen in een passende kwaliteit. De gemeente verwacht van initiatiefnemers een eigen verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en om aandacht te besteden aan duurzaamheid (kwaliteit en toekomstbestendigheid daaronder begrepen). Bij de beoordeling van het plan zal op deze aspecten scherp getoetst worden. In ieder geval gelden de volgende randvoorwaarden: • Woningen worden gasloos gebouwd; 22
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
•
Woningen worden energieneutraal gebouwd.
Alle vrije sector woningen worden energie neutrale woningen. De sociale woningen worden BENG gebouwd. Hierbij bieden wij de toekomstige bewoners als kopersoptie de mogelijkheid om hun woningen op te waarderen naar energieneutraal of Nul-op-de-meter (NOM). Deze mogelijkheid wordt geboden door het toevoegen van extra PV-panelen. Zie paragraaf 5.11 voor een nadere toelichting. Het plan past daarmee binnen de kaders van het duurzaamheidsbeleid.
23
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
4
Nieuwe situatie
Het plan betreft het realiseren van 45 grondgebonden woningen en een openbaar toegankelijk park op een voormalige bedrijfslocatie aan de Singel 4A te Noordeloos. In het plan worden zowel eengezinswoningen, sociale koopwoningen, levensloopbestendige woningen, tweeonder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen gerealiseerd.
Stedenbouwkundige opzet Park Rietveld.
4.1 Stedenbouwkundige opzet Bij de opzet wordt aangesloten bij de bestaande stedenbouwkundige structuur en bestaat uit drie woongebieden en een park dat ten zuiden van het plangebied gesitueerd is. Het park vormt een groene buffer tussen de kern en het buitengebied. Het plangebied wordt ontsloten via de Singel en de M. Trappenburgstraat. Deze wegen sluiten beiden aan op de Botersloot die de primaire ontsluitingsweg van het dorp vormt en in verbinding staat met de Provinciale weg.
Overzichtskaart met aanzichten 24
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Woongebied 1 Het eerste woongebied heeft bestaat uit 4 woonblokken van in totaal 23 woningen: 11 eengezinswoningen en 12 sociale woningen (koop). De parkeerplaatsen zijn gesitueerd langs de woonstraten en bestaan uit haakse parkeervakken. Elke woning heeft een tuin met een eigen berging. De eengezinswoningen hebben een goothoogte van 6 m en bouwhoogte van 11,5 m en zijn 120-125 m2 GO. De sociale woningen hebben goothoogte van 3,5 m en bouwhoogte van 8,50 m en zijn 72 - 82 m2 GO.
Impressie woongebied 1 eengezinswoningen (aanzicht 1).
Impressie woongebied 1 sociale koopwoningen (aanzicht 2). 25
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Woongebied 2 Het tweede woongebied heeft bestaat uit 2 woonblokken van in totaal 9 woningen: 6 sociale woningen (koop) en 3 levensloopbestendige (rij-)woningen in de vrije sector. De parkeerplaatsen zijn net als bij woongebied 1 gesitueerd langs de woonstraten en bestaan uit haakse parkeervakken. Elke woning heeft een tuin met een eigen berging. De sociale koopwoningen hebben een goothoogte van 3,5 m en bouwhoogte van 8,5 m en zijn 72 m2 GO. De levensloopbestendige woningen hebben goothoogte van 3,5 m en bouwhoogte van 8,5 m en zijn 72 - 104 m2 GO.
Impressie woongebied 2 levensloopbestendige woningen (aanzicht 3).
Woongebied 3 Het derde woongebied heeft bestaat uit 3 naast elkaar gelegen woonblokken aan de zuidzijde van het plangebied van in totaal 13 woningen: 2 vrijstaande woningen (koop), 6 twee-ondereen-kapwoningen (koop), 5 levensloopbestendige woningen, waarvan 2 twee-onder-eenkapwoningen (koop) en 3 vrijstaande woningen (koop). De vrijstaande woningen hebben een oppervlak van 153 m2 GO, een goothoogte van 6 m en een bouwhoogte van 11,5 m. De twee-onder-een-kapwoningen hebben een oppervlak van 145 m2 GO, een goothoogte van 6 m en een bouwhoogte van 11,5 m. De levensloopbestendige vrijstaande woningen hebben een oppervlak van 106 m2 GO, een goothoogte van 3,5 m en een bouwhoogte van 8,5 m en de levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen hebben een oppervlak van 105 m2 GO, een goothoogte van 3,5 m en een bouwhoogte van 8,5 m.
26
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Impressie woongebied 3 vrijstaande levensloopbestendige woningen (aanzicht 4).
Impressie woongebied 3 vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap levensloopbestendige woningen (aanzicht 5).
27
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Impressie woongebied 3 vrijstaande woningen (aanzicht 6).
Het parkeren vindt plaats op eigen terrein aan de zijkant van het perceel. Elke woning heeft een oprit en een eigen berging. De woningen hebben allen een eigen tuin met terras op het zuiden aan de achterzijde, die aansluit op de daarachter gelegen waterpartij. Aan de waterpartij heeft elke woning een eigen steiger van maximaal 2 m breed. Tussen de woonblokken bevinden zich een voetpad die via een brug over de watergang toegang geeft tot het park. Het park biedt ruimte om een ommetje te maken en te recreëren. Bedrijfswoningen In het gebied bevinden zich ook twee bestaande bedrijfswoningen (de Singel 4 en 8). Deze blijven gehandhaafd. De woningen worden stedenbouwkundige ingepast en waarbij ze worden omgezet naar burgerwoningen. Park Bij het plan wordt ten zuiden van de woonbebouwing een groen park ontwikkeld. In het park worden wandelpaden aangelegd. Het park is vanuit de woonwijk bereikbaar via een brug. Duurzaamheid en klimaatadaptatie De 45 te realiseren nieuwbouwwoningen in Park Rietveld voldoen aan de gestelde duurzaamheidsnormen uit het Bouwbesluit met betrekking tot energiezuinigheid (BENG). Alle vrije sector woningen worden energie neutrale woningen. De sociale woningen worden BENG gebouwd. Hierbij bieden wij de toekomstige bewoners als kopersoptie de mogelijkheid om hun woningen op te waarderen naar energieneutraal of Nul-op-de-meter (NOM).
Deze mogelijkheid wordt geboden door het toevoegen van extra PV-panelen. Daarnaast wordt een groen park met extra oppervlakte water aangelegd. Hiermee past het plan binnen de gemeentelijke ambitie op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. Zie paragraaf 5.11 voor een nadere toelichting.
4.2 Parkeren Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de noodzakelijke parkeervoorzieningen bij de woningen. Uitgangspunt is om de parkeerbehoefte aan de voorzijde van het perceel op te lossen door collectieve parkeervoorziening te realiseren. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing worden de parkeervoorzieningen afgestemd met groene beplanting en bomen en zal half verharding in de vorm van graskeien worden toegepast. 28
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
In woongebied 3 vindt het parkeren op eigen terrein plaats. Hierbij is elke woning voorzien van een garage met oprit. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing worden de parkeervoorzieningen afgestemd met groene beplanting en bomen en zal half verharding in de vorm van graskeien worden toegepast.
Parkeerbehoefte totaal: 93 pp
Parkeervoorzieningen Park Rietveld
De gemeente Molenlanden heeft op 27 oktober 2020 de 'Parapluherziening parkeren Molenlanden’ en de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 vastgesteld. Hierin valt de kern Noordeloos binnen de stedelijkheidsgraad ‘Niet stedelijk’ en gebiedstype (rest)bebouwde kom. Dit levert per woningtype de volgende normstelling op:
29
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Uitgaande van deze en de geplande invulling van het plangebied resulteert dit in de volgende nieuwe parkeervraag: Woningtype
Aantal w oningen
Norm per w oning
Aantal benodigde Aantal benodigde Aantal parkeerplaatsen parkeerplaatsen openbaar parkeerplaatsen eigen terrein gebied
Eengezinsw oningen
11
2
22
Sociale koopw oningen
18
2
36
3
2,2
6,6
6
0,6
2
2,2
4,4
2
2,4
3
2
6
Levensloopbestendige w oningen (vrijstaand) Levensloopbestendige w oningen (2 onder 1 kap) Levensloopbestendige w oningen (rijw oning) Tw ee-onder-eenkapw oningen
22 36
6
6
2,2
13,2
6
7,2
Vrijstaande w oningen
2
2,2
4,4
3
1,4
Totaal
45
14,8
92,6
17
75,6
Parkeerbehoefte De totale parkeerbehoefte bedraagt 92,6 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 17 parkeerplaatsen aangelegd. Dat betekent dat er 74,6 parkeerplaatsen op openbaar gebied nodig zijn. Hierbij is voor de sociale koopwoningen een parkeernorm van 2 aangehouden, voor de eengezinswoningen een parkeernorm van 2 en voor de vrijstaande en twee-onder-éénkapwoningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen. Beschikbare parkeerplaatsen In totaal worden 93 parkeerplaatsen aangelegd, waarvan 17 parkeerplaatsen op eigen terrein en 86 parkeerplaatsen in openbaar gebied. Deze zijn langs de nieuwe centrale ontsluitingswegen gesitueerd. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
4.3 Verkeersgeneratie Voor het plan is een mobiliteitstoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een toename aan verkeersgeneratie met zich meebrengt van 358,2 extra vervoersbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie is berekend op basis van de maximale normen uit de CROW-publicatie 318, stedelijkheidsgraad ‘Niet stedelijk’ en gebiedstype (rest)bebouwde kom.
30
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
De ontsluitingswegen De Singel, M. Trappenburgstraat en de Botersloot kunnen deze capaciteit zonder problemen aan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij de woningbouwontwikkeling in Noordeloos-Noord wel gekeken moet worden aan de verkeerskundige inrichting van de Botersloot. Het idee is om de Botersloot in te richten als 30 km/uur weg. Op basis van deze toetsing wordt het plan Park Rietveld verkeerskundig acceptabel geacht.
31
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5
Onderzoek en beperkingen
Voor het plangebied zijn er diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van de plannen te toetsen. Daarnaast geven deze onderzoeken de randvoorwaarden waar de planontwikkeling in het plangebied aan moet voldoen.
5.1 Water 5.1.1 Wet- en regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren in 2015 een 'goede toestand' hebben en dat heel Europa duurzaam omgaat met water. Waterwet De Waterwet (2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet helpt het Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Keur en uitvoeringsregels Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening “de Keur”. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening “de Keur” is geregeld dat langs A- en Bwaterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
5.1.2 Onderzoek water Oppervlaktewater In het plangebied bevindt zich oppervlaktewater in de vorm van enkele watergangen aan de zuidzijde van het plangebied.
32
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Ten zuiden en ten oosten van het plangebied is zijn enkele B-waterlopen gelegen. Deze blijven behouden in de nieuwe planopzet. Langs de B-waterloop is een beschermingszone van 1 meter aanwezig ten behoeve van het uitvoeren van inspecties en het voorkomen van instabiele oevers. Bij het uiteindelijke inrichtingsplan wordt rekening gehouden met deze beschermingszone. De watergangen aan de zuid- en oostzijde van het plangebied zullen aangepast worden. Hierbij worden de watergangen verbreed.
Uitsnede keur Waterschap Rivierenland
Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen problemen verwacht. Hierbij wordt ook voldaan aan de vereiste drooglegging. De drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Het waterschap adviseert voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Hemelwater en afvalwater Binnen het plangebied wordt gescheiden stelsel aangelegd. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, te voorkomen wordt het hemelwater niet direct naar de riolering afgevoerd maar volgens de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ behandeld. Hierbij zal het hemelwater van de dakvlakken worden afgekoppeld en zullen maatregelen worden genomen om het hemelwater in openbaar gebied vertraagd af te voeren, o.a. door het toepassen van halfopen verharding (grasbetonstenen) en infiltratievoorzieningen. Hierdoor kan het hemelwater bij extreme neerslag toch snel afgevoerd worden en wordt wateroverlast voorkomen. De hwa van blok 5 en 6 wordt aangesloten op de sloot t.p.v. de Singel. De hwa’s van de overige bouwblokken worden aangesloten aan de verbrede sloot aan de parkzijde. Als kopersoptie wordt een regenton aangeboden aan de bewoners. Vuilwater wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel.
De nieuwe woningen zullen hierop worden aangesloten Waterkwaliteit Bij realisatie van de woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen (dus geen zink, koper, lood en PAK’s-houdende materialen) die niet uitlogen, of worden de bouwmaterialen voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Op deze manier wordt diffuse verontreiniging van water (en bodem) voorkomen. Waterberging In de Keur heeft het waterschap een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak
33
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden. Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 0,20 meter stijgen. In het plangebied is het plangebied grotendeels verhard (9.254 m2). In het plan is 9.087 m2 aan verharding oppervlak opgenomen. Hierdoor neemt het verhard oppervlak af met 167 m2, waardoor geen watercompensatie nodig is. Hiermee past het plan binnen de beleidsregels van het Waterschap Rivierenland. Aanvullend dient te worden opgemerkt dat met plan circa 1031 m2 extra oppervlaktewater wordt gecreëerd.
Oppervlakten bestaand en nieuw - Park Rietveld in Noordeloos Bestaande situatie
Onderdeel Gras, oever, wadi Planten, heggen, struiken Water Bebouwing Grind, schelpen* Bestrating, tegels, klinkers Asfalt, beton Totalen
Oppervlakte totaal 9231 347 998 2981 915 580 5235
Oppervlakte verhard
20287
9254
2981 458 580 5235
Oppervlakte Oppervlakte onverhard water 9231 347 998 458
10036
998
Nieuwe situatie
Onderdeel Grastegels* Gras, oever, wadi Planten, heggen, struiken Water Bebouwing Grind, schelpen* Bestrating, tegels, klinkers Kavels rijwoningen* Kavels twee-onder-één-kapwoningen* Kavels vrijstaande woningen*
Oppervlakte totaal 1075 7277 178 2029 519 486 2857 3527 1196 1142
Totalen
20286
Totaal plangebied (verharding) Totaal verhard bestaand Totaal verhard nieuw Totaal afname verhard
20286
Oppervlakte Oppervlakte Oppervlakte verhard onverhard water 538 538 7277 178 2029 519 243 243 2857 3174 353 957 239 799 343 9087
9170
2029
9254 9087 167
Totaal plangebied (water) Totaal water bestaand Totaal water nieuw Totaal toename water
998 2029 1031 *) uitgangspunten waterschap
Weergegeven waarden in vierkante meter (m 2 ). Waarden rekenkundig afgerond op hele vierkante meters. Beperkte verschillen in oppervlakten worden veroorzaakt door afronding
vrijstaande woningen 70% verharding 2-onder-1 kapwoningen 80% verharding rijtjeswoningen 90% verharding open verharding geldt voor 50%
Watertoets In het kader van de watertoets is het plan voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. Het waterschap heeft op 7 maart 2022 aangegeven positief te zijn over het plan en ook enkele opmerkingen over het plan gemaakt. Deze zijn verwerkt in de waterparagraaf. Daarnaast wordt de aanbeveling om de watergangen aan de westzijde te koppelen meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. 34
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5.1.3 Conclusie water Ten aanzien van het oppervlaktewater, grondwater en afvalwater worden geen problemen verwacht. Ook hoeft in het plan geen watercompensatie plaats te vinden. Dit aangezien het verhard oppervlak door het plan aanzienlijk afneemt. Hoewel niet noodzakelijk wordt in het plan extra water gerealiseerd door het verbreden van de bestaande watergangen. Hierbij wordt 995 m2 extra oppervlaktewater gecreëerd. Voor de verbreding van de watergang, de steigers en bruggen wordt een watervergunning aangevraagd. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in (de nabijheid van) het plangebied. Het plan voldoet hiermee aan de regels het Waterschap Rivierenland.
5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving en beleid Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (1996) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Voor ruimtelijke plannen moet ten minste een historisch onderzoek worden verricht (conform NEN 5725). Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, moet een verkennend bodemonderzoek worden verricht (conform NEN 5740).
5.2.2 Bodemonderzoek Voor het plan is door Grondslag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat slechts lichte verontreinigingen zijn geconstateerd. Deze vormen geen verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of milieu. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeven geen beperkingen aan de gebruiks- c.q. bestemmingsmogelijkheden van het terrein te worden gesteld en vormen geen belemmering voor het plan. Uit de onderzoeksresultaten blijkt wel dat er op de locatie één geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie in de grond aanwezig is. Bij herontwikkeling van deze locatie dienen deze sterke verontreinigingen te worden gesaneerd. Het bodemonderzoek moet daarom bij aanvraag van een omgevingsvergunning nogmaals worden getoetst. Hierbij wordt aangegeven dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen vanuit bodemkundig oogpunt wel verleend kan worden, echter nog niet in werking kan treden. Dit vanwege de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 6.2.c kan in dat geval een omgevingsvergunning pas in werking treden nadat door het bevoegd gezag is bepaald dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en is ingestemd met het saneringsplan of een melding in het kader van het Besluit uniforme saneringen (BUS).
35
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5.2.3 Conclusie bodemonderzoek Op basis van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen zijn ten aanzien van het plan. Wel zal in het kader van de bouwaanvraag een sanering moeten plaatsvinden of een BUS-melding moeten gedaan.
5.3 Flora en fauna 5.3.1 Wet- en regelgeving en beleid Natuurbescherming in Nederland De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS) en het Programma Groen zijn ruimtelijk vastgelegd in de Agenda Groen. Het Natuurnetwerk is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
5.3.2 Onderzoek flora en fauna In het kader van het plan is een quickscan flora en fauna onderzoek uitgevoerd. En er is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Aanvullend ecologisch onderzoek In de periode mei en juni 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van rugstreeppadden op de planlocatie. Het onderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen ei-snoeren of larven aangetroffen, tevens is er geen eDNA aangetoond in de oppervlaktewateren op de planlocatie en is er geen kooractiviteit op de planlocatie en in de directe omgeving ervan waargenomen. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat de oppervlaktewateren op de planlocatie en in de directe omgeving ervan geen essentiële functie hebben voor de rugstreeppad. De beoogde ingreep leidt derhalve niet tot negatieve effecten op de rugstreeppad. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
36
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dienen maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten op de rugstreeppad en vissen te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd door Blom Ecologie (zie bijlage). Uit de berekening blijkt dat het plan geen significante bijdrage levert aan de stikstofdepositie (zowel bouw- als gebruiksfase). Er is daarom ook geen vergunning van de Wet Natuurbescherming nodig. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.3.3 Conclusie Als gevolg van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde gebieden of de populaties van beschermde planten of dieren verwacht. Ook blijkt uit de stikstofberekening dat het plan geen significante bijdrage levert aan de stikstofdepositie (zowel bouw- als gebruiksfase). Het plan levert daarom geen belemmering ten aanzien van ecologie. Om verstoring van eventuele soorten te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen: •
De start van de (sloop- en bouw) werkzaamheden dient plaats te vinden buiten de broedperiode van vogels (globaal van maart t/m juli). Indien dit onverhoopt niet mogelijk is, dan dient ten laatste twee weken voor de werkzaamheden aanvangen het terrein door een deskundige te worden gecontroleerd op mogelijke broedvogels. Denk hierbij aan vogelnesten in hoekjes van schuren, in de bomen en struiken op het terrein, maar ook op de grond wanneer deze enige tijd braak ligt tussen de werkzaamheden door en er vegetatie op is gaan groeien. Een broedsel is altijd beschermd ook buiten de broedperiode.
•
Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan zandhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
•
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie van de rugstreeppad, vissen en algemene broedvogels (in het kader van algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen
37
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
maatregelen te worden getroffen vóór de sloop-, kap- en graaf- werkzaamheden om effecten te voorkomen.
Extra aanbevelingen "natuurinclusief bouwen" Bij het ontwerp van de nieuwe woningen is het aanbevolen om rekening te houden met functies voor vleermuizen en vogels: denk aan vleermuisvriendelijke verlichting, inbouw neststenen en aanplant van inheemse soorten groen (planten, struiken, bomen). Het is ten zeerste aan te raden om het bestaande groen te behouden, aangezien deze een hogere natuurwaarde heeft dan nieuwe aanplant.
38
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.4.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.
Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de regio Alblasserwaard – Vijfheerenlanden, waaronder de gemeente Molenlanden, hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid, vastgesteld op 24 november 2009, is genaamd “Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart”. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe “de verstoorder betaalt”. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
39
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5.4.2 Onderzoek cultuurhistorie In het plangebied zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarde aanwezig. Hierdoor worden door het plan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast.
5.4.3 Onderzoek archeologie Op basis van de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een middel archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachting is vertaald in een bestemmingsplan, waarbij een dubbelbestemming archeologie 4 geldt voor het gehele plangebied. Aangezien de ontwikkeling groter is dan 250 m2 is een archeologisch onderzoek vereist. Door het bureau SOB Research is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Dit rapport is getoetst door Hamaland advies. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen weergegeven. Conclusies Ter plaatse van het plangebied wordt een bodemopbouw verwacht bestaande uit een opgebrachte bovenlaag op komafzettingen van Tiel IIIa op Hollandveen op geul of oeverafzettingen van Gorkum IV mogelijk met inschakelingen van Hollandveen op Basisveen. In het noordelijk deel van het plangebied is sprake van subrecente ophogingen gerelateerd aan de in de 2e helft van de 20e eeuw gerealiseerde bedrijfsbebouwing. Om de archeologische verwachting te toetsen heeft SOB 15 verkennende boringen gezet tot 3 m-mv. Uit de resultaten van het booronderzoek is gebleken dat er in het zuidelijk deel van het plangebied sprake is van een bouwvoor op komafzettingen op Hollandveen op oeverafzettingen op Hollandveen op (oever) afzettingen van Gorkum IV.
In het noordelijk van het plangebied is sprake van een subrecente ophoging op komafzettingen op geulafzettingen van Gorkum IV. Het Hollandveen is daar niet aangetroffen. Plaatselijk is sprake van een intacte top van de Afzettingen van Tiel IIIa. Onder deze afzettingen was sprake van geulafzettingen van Gorkum IV. Er zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Advies Hamaland Er zijn geen aanwijzingen voor een veraarde top van het bovenste pakket Hollandveen. Dit wijst erop dat het Hollandveen niet of slechts zeer kortstondig aan het oppervlak heeft gelegen voordat het afgedekt werd met sediment (komafzettingen). De kans op bewoningssporen is daarmee nihil. Wel geldt voor de top van de aanwezige oeverafzettingen van Gorkum IV een verhoogde archeologische trefkans voor sporen uit het Laat-Neolithicum en de Bronstijd. Sporen van bewoning in deze afzettingen manifesteren zich niet altijd door middel van een ‘vuile laag’ waardoor ze lastig op te sporen zijn met boringen. Omdat er nog geen inrichtingsplan bekend is, is nog niet vast te stellen waar exact diepe(re) bodemingrepen plaatsvinden.
Wij adviseren echter om een bufferzone van minimaal 20 cm aan te houden boven de top van deze oeverafzettingen die aangetroffen zijn op dieptes variërend van 1,4 – 1,7 m-mv (2,5 - 2,8 m -NAP) in het zuidelijk deel van het plangebied en een diepte variërend van 1,2-1,7 m-mv (2,0 - 2,5 m -NAP) in het noordelijk deel van het plangebied. Indien toch nog diepere bodemingrepen voorzien zijn dan de bufferzone toelaat, dan adviseren wij om op die locaties een archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden conform protocol Opgraven te laten uitvoeren. Voorafgaand aan gravend onderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden dat getoetst zal worden door de archeologisch adviseur van gemeente Molenlanden.
5.4.4 Conclusie cultuurhistorie en archeologie Met het plan worden geen cultuurhistorische en archeologische waarden aangetast indien geen diepe bodemingrepen plaatsvinden. Mocht dit wel het geval zijn dat dient archeologische 40
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
begeleiding plaats te vinden bij de graafwerkzaamheden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen ten aanzien van de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving en beleid Wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalt dat het bevoegd gezag bij vaststelling van omgevingsvergunning de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Uitzondering hierop betreft de toetsing bij rijkswegen. Als meerdere rijkswegen in de directe nabijheid van een plan zijn gelegen dient het gecumuleerde geluidsniveau van deze wegen te worden gehanteerd bij de toetsing aan de Wet geluidhinder (SWUNG1). Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Als dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde ‘Hogere waarde’. De Hogere waarde mag alleen worden verleend als uit akoestisch onderzoek blijkt dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting brengen niet mogelijk is. Aan de ‘Hogere waarde’ is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB.
Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder 1. Voor de aanleg van een weg geldt een maximale geluidsbelasting van resp. 53 en 58 dB op bestaande woningen in buitenstedelijk respectievelijk stedelijk gebied. Voor de nieuwbouw van agrarische woningen geldt een maximale geluidsbelasting van 58 dB. Railverkeerslawaai Het geluidsniveau ten gevolge van het railverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een spoorwegtraject voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 55 dB. De maximale hogere waarde voor nieuwe woningen in de zone van een spoorwegtraject bedraagt 68 dB. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde ‘zware lawaaimakers’ als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.
De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde) op woningen in de geluidszone van een industrieterrein bedraagt 50 dB(A). De maximaal toelaatbare geluidsbelasting op nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A), voor bestaande woningen bedraagt deze 60 dB(A). De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere
1Conform artikel 110g mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het
wegverkeer. Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast. 41
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Cumulatie Bij de vaststelling van hogere grenswaarden verplicht de Wet geluidhinder het inzichtelijk maken van het gecumuleerde geluidsniveau. Dit betreft het gezamenlijk geluidsniveau van alle relevante geluidsbronnen (weg, rail, industrie). Een bron is relevant indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De gemeente kan een hoger grenswaarde vaststellen als er sprake is van een aanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting.
5.5.2 Onderzoek geluid Verkeerslawaai Voor het plan is door het bureau Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai. De planlocatie ligt in de zone van enkele omliggen wegen: Botersloot, Grotewaard en de N214. Uit de rekenresultaten volgt dat de optredende geluidbelasting (inclusief aftrek ingevolge art. 110g Wgh) voor deze drie separate wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarden. Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting (exclusief aftrek ingevolge art. 110g Wgh) cumulatief maximaal 52 dB bedraagt ten gevolge van wegverkeer. Voor wegen waarop de snelheidslimiet 70 km/uur of meer bedraagt is de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB. Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Er hoeven geen hogere waarden aangevraagd te worden.
5.5.3 Conclusie geluid Op basis van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat het bouwplan ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai inpasbaar is. Er behoeft geen hogere waarde procedure te worden gevolgd.
5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit legt de belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit vast. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriele Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer staan voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht: stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 42
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
-
grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of; per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of; het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM 10 en NO2), of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)2.
In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen ed. op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo’n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van ‘niet in betekenende mate’ projecten of ‘in betekenende mate’ projecten. De AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen’ moet in beide gevallen worden nageleefd.
5.6.2 Onderzoek luchtkwaliteit Voor het plan is onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Om toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit “Niet In Betekenende Mate” vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenede mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden getoetst hoeft te worden. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10: • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden: deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan betreft de realisatie van 45 woningen, dit aantal ligt ver onder de normering van 1.500 woningen. Er is in dit geval sprake van het “Niet in Betekenende Mate” bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor het plan.
Huidige luchtkwaliteit Door middel van de NSL-monitoringstool kan gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Op de NSL-kaart voor de luchtkwaliteit zijn metingen verricht voor het bepalen van de luchtkwaliteit in (de omgeving van) het plangebied. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentratie voor NO2, PM10 en PM2,5 kleiner is dan 35 μg/m3. 2Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is
in 2005 gestart omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren. De concentratiebijdrage van NIBM-projecten wordt tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan de normen niet nodig. 43
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Bovendien is het aantal dagen dat de toegestane concentratie voor stikstof en fijnstof wordt overschreden minder dan 35 dagen.
5.6.3 Onderzoek stikstofdepositie In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd door Blom Ecologie (zie bijlage). Uit de berekening blijkt dat het plan geen significante bijdrage levert aan de stikstofdepositie. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de woningen zonder houthaard of sierhaard en zonder rookgaskanaal worden opgeleverd. Er is daarom ook geen vergunning van de Wet Natuurbescherming nodig.
5.6.4 Conclusie luchtkwaliteit en stikstofdepositie Vanuit luchtkwaliteit en stikstof zijn geen belemmeringen voor het plan.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Wet- en regelgeving en beleid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer - over weg, water en spoor en door buisleidingen - van gevaarlijke stoffen. Ook de risico’s van het gebruik van luchthavens en de mogelijke aanwezigheid van explosieven vallen onder externe veiligheid. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (Revi II) bevat de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15) -opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties. Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
5.7.2 Onderzoek externe veiligheid Voor de woning is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de risicokaart.nl. De mogelijke risicobronnen rond het plangebied zijn hierbij in kaart gebracht. Risicovolle inrichtingen De woningen zijn kwetsbare objecten. Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van plangebied aanwezig. Propaantank Voor propaantanks gelden op grond van het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn van ruimtelijk belang als ze strekken tot buiten de perceelsgrens van de milieuinrichting (bedrijf). Propaantanks kennen veiligheidszones van 10 meter. Nabij of in het plangebied zijn geen propaantanks aanwezig. 44
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen Nabij het plangebied ligt een gasleiding. Het plangebied ligt buiten de 1% letaliteitscontour (invloedsgebied) van de buisleiding. De leiding vormt daarom geen belemmering voor het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water De nabijgelegen N214 is aangewezen als een route gevaarlijke stoffen. De zuidelijke grens van het plangebied ligt net binnen de 200 m van de veiligheidszone van de route (195 m). Het betreft echter het park waar geen woningen komen en vrijwel geen personen aanwezig zijn. Het deel waar de woningen komen ligt buiten de 200 m veiligheidszone van de route (230 m). Dat betekent dat op grond van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Wel dient aandacht besteed te worden aan de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
5.7.3 Uitwerking groepsrisico Algemeen In de hiernavolgende paragraaf worden maatregelen besproken die de risico’s van risicobronnen kunnen beperken. Het advies dat Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft uitgebracht over het plan is hierin verwerkt. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken uit te voeren en om daarmee verdere escalatie te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen, bluswatervoorzieningen en de brandweerzorgnorm. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Uitschakelbare mechanische ventilatie Ten aanzien van mechanische ventilatie adviseert de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) om de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.
Uit de globale check blijkt dat het plangebied goed bereikbaar is en voldoende bluswatervoorzieningen zijn. Hiermee is het plan in lijn met de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Ten aanzien van de mechanische ventilatie wordt het advies van de VRZHZ overgenomen door een voorziening op te nemen waardoor de mechanische ventilatie handmatig kan worden uitgeschakeld bij een calamiteit. Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: de mogelijkheid van personen om zichzelf, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, in veiligheid te brengen. De fysieke eigenschappen van personen, gebouwen en omgeving zijn van invloed op de zelfredzaamheid. Van personen die verminderd zelfredzaam zijn, wordt verondersteld dat zij het gebied niet zelfstandig kunnen verlaten. Deze groep personen heeft extra aandacht nodig.
45
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
Voorliggend plan maakt geen functie mogelijk die specifiek gericht is op de huisvesting of aanwezigheid van minder zelfredzame personen. Over het algemeen zijn de personen die binnen het plangebied aanwezig zijn voldoende zelfredzaam om bij een eventueel ongeval het plangebied te ontvluchten.
5.7.4 Conclusie externe veiligheid Vanuit externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor het plan.
5.8 Bedrijven en milieuzoneringen 5.8.1 Wet- en regelgeving en beleid Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is milieuzonering een standaardinstrument voor de ruimtelijke ordening. Milieuzonering is bedoeld om indicatief te beoordelen in hoeverre de woon, werk en recreatieve functies, of (indirect) verkeer, belemmeringen voor elkaar opleveren. Het doel is deze eventuele hinder of belemmeringen te voorkomen in nieuwe situaties en te verhelpen of te beperken in bestaande situaties. Bedrijven en Milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/ milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan mogelijk is. Van belang bij milieuzonering is dat: - bij woningen en andere gevoelige functies hinder en gevaar zoveel mogelijk voorkomen of beperkt wordt; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
5.8.2 Onderzoek bedrijven en milieuzoneringen De aard van de bedrijvigheid en daaraan gekoppeld de milieubelasting maken het gewenst binnen de bedrijvenbestemmingen een onderscheid aan te brengen op basis van milieucriteria. Dit geldt ook voor andersoortige bestemmingen, als niet uit de bestemmingsplanomschrijving (al) blijkt welke (milieu)categorie bedrijfsactiviteiten het betreft. Als uitgangspunt zijn de activiteiten zoals genoemd bijlage 1 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 genomen. In de nabijheid van het plan zijn geen bedrijven aanwezig waarbij de richtafstand van invloed zijn op het plangebied. Hierdoor zijn vanuit bedrijven en milieuzoneringen geen belemmeringen voor het plan.
5.8.3 Conclusie bedrijven en milieuzoneringen Er zijn vanuit bedrijven en milieuzoneringen geen belemmeringen voor het plan.
5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden.
46
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’
5.9.1 Conclusies en aanbevelingen Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden. Daarom vormt dit aspect geen belemmering voor het plan.
5.10 Milieueffectrapportage/ M.e.r.-(beoordelings)plicht 5.10.1 Wet- en regelgeving en beleid Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat voor welke plannen en besluiten in welke gevallen een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D- lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Bij een (directe) m.e.r.plicht dient hoe dan ook een MER opgesteld te worden. Bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient te worden beoordeeld of de activiteit vanwege bijzondere omstandigheden toch belangrijke milieugevolgen kan hebben. Indien dat het geval is dan ligt een m.e.r.-procedure in de rede. Zo niet, dan dient het bevoegd gezag expliciet te besluiten dat geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Een derde situatie die zich kan voordoen betreft de situatie waarbij de betreffende activiteit qua omvang beneden de drempelwaarde voor m.e.r.-beoordeling blijft. Ook in dat geval is, op grond van art. 2 lid 5 van het Besluit m.e.r., nog een beoordeling nodig, zij het dat dit een vormvrije beoordeling betreft.
De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden verwerkt in de toelichting op het ‘moederbesluit’.
5.10.2 Onderzoek M.e.r.-(beoordelings)plicht Het plan voor 45 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. In eerste instantie is dan ook slechts een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk (zie bijlage). Uit de m.e.r. aanmeldnotitie blijkt dat het plan het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee dit ingepast en gerealiseerd wordt, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. De milieugevolgen zijn in deze aanmeldnotitie voldoende in beeld gebracht.
5.10.3 Conclusie M.e.r.-(beoordelings)plicht Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. Aan de hand van deze uitkomst is geen aanleiding de uitgebreide m.e.r.procedure te doorlopen.
5.11 Duurzaamheid en Klimaatadaptatie Duurzaamheid De nieuw te realiseren woningen moeten duurzaam en toekomstbestendig worden. De gemeente Molenlanden heeft in het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’ diverse duurzaamheidsambities met de thema’s gezondheid en biodiversiteit, klimaatbestendigheid, circulariteit, duurzaam vervoer en energie. 47