Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Molenaarsgraaf, Graafdijk-West 2-4
Tekst van het document
Perceel MLD00-D-740 heeft wel een woonbestemming, maar op dit perceel is geen bouwvlak ingetekend. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het ontwikkelingspotentieel van perceel MLD00-D-740 beperkt. Op perceel MLD00-D-498 is een bouwvlak ingetekend. Dit bouwvlak wordt in het nieuwe bestemmingsplan gesaneerd.
4.4.8 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen.
• Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Het plan voldoet aan de uitgangspunten in de Woonvisie 2020-2024. Door het toevoegen van een woning in het plangebied wordt bijgedragen aan de bouwopgave van de gemeente Molenlanden. De voorgenomen ontwikkeling zorgt er voor dat de initiatiefnemer, die in Molenaarsgraaf woont en daar een eigen bedrijf heeft, met zijn gezin en bedrijf binnen Molenaarsgraaf kan doorstromen en voorkomen wordt dat hij naar een andere kern of gemeente moet uitwijken. Verder wordt binnen het plangebied een levensloopbestendige seniorenwoning gerealiseerd. Hoewel de woning gezien de eisen uit het beeldkwaliteitplan en de verkoopbaarheid van de woning een zadeldak zal krijgen is het een nultredenwoning; voor het gebruik had één bouwlaag volstaan Tot slot wordt door middel van herbestemming van de rijksmonumentale boerderij leegstand voorkomen.
4.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: - Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders. - Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing; - Het onderhavige plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; - De woning wordt regionaal gemeld. De woning wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030. - Er is sprake van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Graafstroom’ inclusief ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’’.
25
5 ONDERZOEKEN 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn in bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting opgenomen om vast te stellen of sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek Aan de hand van de voornoemde functiewijziging van een voormalig agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning op het perceel Graafdijk West 3 en 4 te Molenaarsgraaf in de gemeente Molenlanden zal de vraag beantwoord moeten worden of een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst het bepaalde in het Besluit milieueffectrapportage van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de Europese m.e.r.-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r.
dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r. (kolom 4 van onderdeel C). Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of al dan niet sprake is van significante milieugevolgen. Wanneer deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de Wet milieubeheer en vanuit het Besluit milieueffectrapportage geldt op grond van bijlage C. De activiteit/bouw welke middels het onderhavige wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt valt binnen de in de bijlage D bij het Besluit milieu- effectrapportage (bijlage D11.2). Het onderhavige plan voorziet enkel in een bestemmingswijziging van een agrarische naar een woonbestemming, de sloop van een bijgebouw en herbouw van een ander bijgebouw. Hiermee kan de activiteit niet worden geschaard onder een stedelijke ontwikkeling, waardoor het onderhavige plan niet in de eerste kolom van bijlage D (of C) onder te verdelen is. Toetsing aan de grenswaarden in de tweede kolom is hiermee niet toepasbaar.
Als toetsing toepasbaar zou zijn, zou overigens blijken dat het onderhavige plan een te klein oppervlakte bestrijkt om voor een beoordelingsbesluit in aanmerking te komen. Het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit is hiermee niet noodzakelijk. In zijn arrest van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat een toets aan de drempelwaarden ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsplicht als bedoeld in bijlage D bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 alleen niet voldoende is. Volgens het Hof dient voorts gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Deze kunnen aanleiding geven tot een beoordeling en het op basis daarvan eventueel opstellen van een milieueffectrapportage. Enkele factoren die in bijlage III worden genoemd zijn de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor onder meer Natura2000-gebieden, en de orde van grootte van het effect van het plan.
26
Kenmerken van het plan Het onderhavige plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de agrarische woning op perceel D-724 te Molenaarsgraaf in de gemeente Molenlanden te bewonen als burgerwoning. Ook zal een extra woning worden toegevoegd. Er vinden in de nieuwe situatie op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats en de verkeersbewegingen zullen amper toenemen. De planologisch mogelijke bedrijfsactiviteiten van een agrarisch bedrijf en bijbehorende verkeersbewegingen zullen zelfs worden weggenomen. Op basis hiervan is het opstellen van een milieueffectrapportage niet aan de orde. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2,1 kilometer in zuidelijke richting ligt het Natuurnetwerk Nederland. De minimale afstand tot een Natura2000-gebied, de Donkse Laagten in het noorden, bedraagt eveneens 2,1 kilometer. Op ruim 500 meter afstand van het plangebied, zowel in het noorden als in het zuiden, zijn belangrijke weidevogelgebieden gelegen.
Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de ruime afstand tot omliggende beschermde natuurgebieden, er geen productiewerkzaamheden plaatsvinden, de verkeersbewegingen niet of nauwelijks toenemen et cetera, kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling – redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan het onderhavige plan en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten. De diverse milieuaspecten komen in de volgende paragraven aan bod.
5.2 Geluidhinder Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/u-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wet geluidhinder hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/u wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en deze factoren kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de nieuwbouw van een woning en de realisering van een kantoor aan huis.
In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van een geluidsgevoelig gebouw. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van enkele bedrijven, die niet op een gezoneerd industrieterrein zijn gelegen. Hierdoor geldt het wettelijk kader van de Wgh voor regu-
27
lering van industrieterreinen niet. Wel zijn de volgende factoren van belang in de ruimtelijke onderbouwing. - Een aanvaardbaar akoestisch klimaat bij de nieuwe geluidsgevoelige bestemming. - De planologische rechten (akoestische mogelijkheden) van het bestemmingsplan voor het perceel waarop het bestaande bedrijf is gevestigd. Worden deze niet onredelijk ingeperkt? De "akoestische milieubelangen" van het bestaande bedrijf in de milieuvergunning of op basis van het Activiteitenbesluit. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bestaande bedrijven gevestigd: Adres
Functie
Graafdijk-West 8 Gijbelandsedijk 38 Dorpsstraat 42
Niet meer actief: geen KvK inschrijving Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Reparatie tbv particulieren
Tabel 4: bedrijven in de directe omgeving 1
Richtafstand mbt Werkelijke geluid stand N.v.t. 23 m. 10 m. 87 m. 10 m. 50 m.
af-
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied een aanvaardbaar akoestisch klimaat kent. De planologische rechten van deze percelen worden door de woonfunctie niet beperkt, ook omdat er dichter bij de genoemde bedrijven al woningen staan. Aangezien het plangebied ruimschoots verder dan bovengenoemde bedrijven is gelegen, worden de akoestische milieubelangen van deze bedrijven niet geschaad. Daarnaast betreft de Graafdijk-West binnen de bebouwde kom een 30 km/u-weg. Conform artikel 74 lid 2 van de Wet geluidhinder hoeft geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden verricht voor 30 km/u wegen. Op basis van bovenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woonklimaat en dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
5.3 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Blk 2005 is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Grenswaarden Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie
Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde Geldig 40 μg/m³ Vanaf 2015 40 μg/m³ Vanaf 11 juni 2011 Max. 35 keer p.j. meer Vanaf 11 juni 2011 dan 50 μg/m³ 25 μg/m³ Vanaf 2015
28
Luchtkwaliteit ter plaatse Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Concentratie ‹ 35 μg/m³ ‹ 35 μg/m³ ‹ 35 dagen ‹ 20 μg/m³
Jaar 2020 2020 2020 2020
Tabel 5: luchtkwaliteit en grenswaarden. Bron: nsl-monitoring.nl/viewer (geraadpleegd op 17-12-2020). Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: - Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; - Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
5.4 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ (editie 2019). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen bedrijventerrein en andere werkgebieden en op gemengde gebieden met wonen (functiemenging). De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De richtafstanden zijn geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ (editie 2019).
29
In de directe omgeving van het plangebied (zie afbeelding 9) zijn de volgende bestaande bedrijven gevestigd: Adres
Functie
Graafdijk-West 8 Gijbelandsedijk 38 Dorpsstraat 42 Graafdijk-West 13
Niet meer actief: geen KvK inschrijving N.v.t. Overige zakelijke dienstverlening: kantoren 10 m. Reparatie tbv particulieren 10 m. Plantsoendiensten en hoveniersbedrijven: 30 m. b.o. <=500 m² Fokken en houden van rundvee 100 m.
Gijbelandsedijk 28
Tabel 6: bedrijven in de directe omgeving 2
Richtafstanden
Werkelijke stand 23 m. 87 m. 50 m. 155 m.
af-
165 m.
Afbeelding 8: Afstanden bedrijven t.o.v. plangebied Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
5.5 Bodem Beleidskader Het beleid is opgesteld om ervoor te zorgen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
30
Onderzoek Voor de functiewijziging van een agrarische woning naar een burgerwoning, de herbouw van een bijgebouw en de sloop van een ander bijgebouw en de nieuwbouw van een burgerwoning dient de kwaliteit van de bodem onderzocht te worden voor het toekomstige gebruik. Aan IDDS Bouw B.V. is gevraagd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: - In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, metselpuin, hout, glas, aardewerk, koola3s en bot) waargenomen. - In de bovengrond ter plaatse van boring 03 is plaatselijk asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de rapportage van het verkennend asbestonderzoek, uitgevoerd door IDDS (kenmerk 1905M619/JHA/rap2). - De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en OCB’s (diverse bestrijdingsmiddelen). - De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. - Het grondwater is licht verontreinigd met barium. - De gemeten gehalten PFAS (PFOS / PFOA) zijn lager dan de maximaal toegestane concentratie.
Indien de grond wordt hergebruikt kan, waar het betreft PFOA, hergebruik plaatsvinden in zones met een vergelijkbare of hogere concentratie PFOA als de toe te passen grond. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden en streefwaarden dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie te worden gehandhaafd. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
Aanbevelingen
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde Gemeente Molenlanden, om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt verwacht dat de vrijkomende grond alleen kan worden toegepast binnen de pluimzone, zijnde Zone B. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen, mits de aanbevelingen van IDDS Bouw B.V. worden nagevolgd.
5.6 Asbest Beleidskader Ieder jaar overlijden er ongeveer duizend mensen aan de gevolgen van het inademen van asbest. Het inademen van asbest kan onder meer longkanker veroorzaken. De Rijksoverheid heeft de ambitie om er voor te zorgen dat er vanaf 2040 geen nieuwe asbestslachtoffers bijkomen. Hiervoor diende de regering een wetsvoorstel in om asbestdaken, die de meeste asbestslachtoffers maken, vanaf 2024 te verbieden. Dit voorstel kwam niet door de Eerste Kamer heen. Hoewel asbestdaken dus niet verboden zijn, acht de regering hun aanwezigheid als zeer onwenselijk. Om eigenaren van asbestdaken te stimuleren om hun asbestdak te saneren, is er tussen 2020 en 2028 een fonds met leningen voor mensen die van hun asbestdak afwillen. Provincie ZuidHolland kent een subsidieregeling met de naam Asbest eraf, zonnepanelen erop. Zoals de naam al 31
suggereert is deze regeling bedoeld voor bezitters van asbestdaken die het asbest willen laten saneren (door een professioneel bedrijf) en hiervoor in de plaats zonnepanelen laten plaatsen. Op het moment van schrijven (05-03-2021) is het plafond van deze subsidieregeling bereikt, wat aangeeft dat deze regeling maximaal wordt toegepast. Onderzoek Aan IDDS Bouw B.V. is gevraagd om een asbestinventarisatie uit te voeren. De aanbevelingen uit dit onderzoek luiden: Deze rapportage wordt zodanig als geschikt aangemerkt voor het voorgenomen doel en beoogde gebruik. Indien het doel en beoogde gebruik wijzigt, dient de geschiktheid van deze rapportage opnieuw beoordeeld te worden. Indien asbesthoudend materiaal verwijderd gaat worden, dient de eigenaar van het bouwwerk een sloopmelding te doen of een vergunning aan te vragen bij de gemeente waarbij een kopie van deze rapportage wordt bijgesloten. De eigenaar is wettelijk verplicht de sanering van asbestbronnen, die vallen in risicoklasse 2 en 2A op te dragen aan een bedrijf, dat in het bezit is van het Procescertificaat Asbestverwijdering. Wij adviseren asbesthoudende materialen ingedeeld in risicoklasse 1 in geval van verwijdering, eveneens te laten saneren door een Procescertificaat Asbestverwijdering gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.
Na sanering van asbestbronnen die vallen in risicoklasse 2 en 2A, is het wettelijk verplicht door een geaccrediteerd laboratorium een eindcontrole te laten uitvoeren om te bepalen of de gesaneerde locatie weer veilig te betreden is. Na verwijdering van asbesthoudende materialen die zijn ingedeeld in risicoklasse 1, is het wettelijk verplicht een inspectie uit te laten voeren waarbij wordt vastgesteld dat geen asbest meer waarneembaar is. Indien er voor gekozen wordt geen asbestsanering te laten plaatsvinden, dienen gebruikers (in de ruimste zin van het woord) van het bouwwerk te worden geïnformeerd over de aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen in het bouwwerk. Wij adviseren in dit geval een asbestbeheersplan te laten opstellen. In een asbestbeheersplan worden maatregelen vermeld welke de gebouweigenaar dient te nemen om voor de toekomst zonder risico's het gebruik van dat het gebouw te waarborgen. Tevens worden er eventuele gebruiksbeperkende maatregelen vermeld (zoals niet boren of bewerken) en informatie die bij de gebruikers bekend moet zijn, o.a. wat men moet doen als aan het asbesthoudend materiaal onbedoeld schade is ontstaan (noodplan). Periodiek dient te worden gecontroleerd wat de staat van het asbesthoudende materiaal is, en of maatregelen nodig zijn.
Asbesthoudend materiaal dat bij normaal gebruik van het gebouw onverhoopt beschadigd kan worden moet ten minste éénmaal per jaar worden gecontroleerd. Deze controle bestaat uit een visuele inspectie en indien nodig wordt aanvullend de lucht en/of het stof onderzocht. Aan de resultaten worden zonodig acties gekoppeld (saneren of aanpassen van het asbestbeheersplan). Let op: Bij asbesthoudende producten die niet met een bindmateriaal toegepast zijn, moet periodiek gecontroleerd worden op de verspreiding van asbesthoudend stof. De frequentie van dit onderzoek is afhankelijk van de ernst van de situatie, maar tenminste eenmaal per jaar. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt wat betreft het saneren van asbest geen belemmeringen, mits de aanbevelingen van IDDS Bouw B.V. worden nagevolgd.
32
5.7 Archeologische en cultuurhistorische waarden 5.7.1 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
Afbeelding 9: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Onderzoek 33
Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (zie afbeelding 9) is te zien dat het noorden van het plangebied is gelegen op gronden met een: - Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het zuiden van het plangebied worden geen bodemverstorende activiteiten uitgevoerd. Voor onderhavige plan is door IDDS Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd (zie afbeelding 10). De conclusies uit dit onderzoek luiden: Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Het met boringen onderzochte deel van het plangebied is gelegen op fluviatiele afzettingen. Er kan op basis van het huidige onderzoek niet worden vastgesteld welke landschappelijke eenheden in het plangebied aanwezig zijn. Bovenop deze afzettingen bevindt zich een historisch ophogingspakket. Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Binnen het met boringen onderzochte deel van het plangebied is een antropogene bodem aangetroffen, bestaande uit een historisch ophogingspakket. Dit pakket betreft een zwak tot matig humeuze kleigrond met een dikte die varieert van 0,7 tot 1,3 meter. Een dergelijke opbouw is kenmerkend voor een tuineerdgrond (Bakker / Schelling 1989).
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Er bevinden zich twee archeologisch relevante afzettingen in het plangebied. Het onderste niveau betreft de top van het onderste pakket (stroomgordel Langerak). Hoewel in dit pakket archeologische resten worden verwacht uit de Late Middeleeuwen, kunnen oudere resten op basis van de ouderdom van de stroomgordel niet worden uitgesloten. Dergelijke resten worden verwacht op een diepte variërend van 0,7 tot 1,3 m -mv (ca. -1,7 tot -2,0 m NAP). Het bovenste niveau betreft het bovenste pakket (het historisch ophogingspakket). In dit pakket worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe Tijd op een diepte die varieert van het maaiveld tot 1,3 m -mv (ca. -0,8 tot -2,0 m NAP). Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Uit het bureauonderzoek blijkt dat het noordwestelijk deel van het plangebied gelegen is op een woonterp. De ondergrond van het totale plangebied (bureauonderzoek) bestaat uit veen dat mogelijk op de oude stroomgordel van de Langerak ligt. Omdat het plangebied op een woonterp binnen het historische bebouwingslint van Molenaarswaard ligt kunnen archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
In het noordelijke deel van de zone waar het booronderzoek is uitgevoerd kunnen resten worden aangetroffen in een ophooglaag vanaf het maaiveld. Deze resten zouden kunnen bestaan uit huishoudelijk afval en mogelijk structuren met betrekking tot een boerenerf. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan eerdere bebouwingsfasen vanaf de 11e tot de 17e eeuw, afval- en beerputten en roedenbergen. Verder naar het zuiden toe neemt deze kans af, gezien het terrein in die richting afloopt. Het diepste archeologisch niveau in het plangebied is de top van de stroomgordelafzettingen van de Langerak. Deze worden verwacht tussen -1,8 en -2,8 m NAP. Ten opzichte van het maaiveld in het plangebied (-0,5 t/m -1,3 m NAP) is dat een diepte variërend tussen 0,5 en 3,3 m. Van deze stroomgordel zijn alleen resten uit de Late Middeleeuwen bekend, hoewel oudere resten op basis van de ouderdom van de stroomgordel niet kunnen worden uitgesloten. In het uiterste zuiden van het plangebied is de stroomgordel waarschijnlijk niet aanwezig en zal vermoedelijk sprake zijn van veen op komafzettingen. Deze afzettingen hebben een lage archeologische verwachting. Hoewel het veldonderzoek bevestigt dat er in het noordoostelijk deel van het plangebied fluviatiele afzettingen en een ophogingspakket aanwezig is, is er geen veen aangetroffen.
Op basis van het verkennend booronderzoek is het onduidelijk of het historisch ophogingspakket onderdeel uitmaakte van de woon-
34
terp die op basis van het bureauonderzoek binnen het plangebied aanwezig is. In het uiterste zuiden van het plangebied (totale gebied) zijn geen boringen uitgevoerd. Hierdoor kan de verwachting uit het bureauonderzoek niet getest worden voor dit gebied: geen afzettingen behorende tot de stroomgordel, maar veen op komafzettingen. Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In de boringen zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? Indien bodemverstoringen plaatsvinden zal het bovenste potentiële archeologisch niveau worden bedreigd aangezien eventuele resten vanaf het maaiveld kunnen voorkomen. Rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,2 meter zal het onderste potentiële archeologische niveau ook worden bedreigd als bodemverstoringen dieper reiken dan 0,5 m – mv/ -1,5 m NAP.
Aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het met boringen onderzochte deel van het plangebied twee potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn. Het onderste niveau betreft de top van de fluviatiele afzettingen en het bovenste niveau is het historisch ophogingspakket. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Op basis van de bestaande archeologische verwachting en op basis van Prospectie op Maat: http://pom.rce.rnatoolset.net/#/ zou een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek de beste manier zijn om na te gaan of er archeologische resten aanwezig zijn aan de top van de fluviatiele afzettingen en in het historisch ophogingspakket. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Molenlanden. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Voor alle gravende onderzoeken, waaronder proefsleuven, dient voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek een Programma van Eisen geschreven te worden.
Dit Programma van Eisen moet goedgekeurd worden door de bevoegde overheid (de Gemeente Molenlanden) alvorens met het onderzoek kan worden begonnen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden. Terugkoppeling gemeente Molenlanden Bovenstaand advies is tijdens de beoordeling van het ingediende principeverzoek door gemeente Molenlanden voorgelegd aan Hamaland advies. Zij vonden dat IDDS te makkelijk proefsleufboringen aanbeveelt en adviseren kruisraaiboringen. In hun rapport schrijven zij het volgende: Voorlopig besluit Er is nog onvoldoende duidelijkheid of de aangetroffen ophoging daadwerkelijk een terpophoging is, of dat het om een tuineerdgrond gaat, waarbij bijvoorbeeld slotenbagger is opgebracht. Ook de horizontale en verticale begrenzing van de terpophoging zijn niet voldoende in kaart gebracht, alsmede de ouderdom van de ophogingslaag.
Om te controleren of in het plangebied daadwerkelijk sprake is van een terpophoging behorende bij een middeleeuwse woonterp, dienen aanvullend kruisraaiboringen gezet te worden over een groter deel van het plangebied. Hierbij wordt van buiten naar binnen geboord.
35
De onderzoeksmethodiek dient als volgt te zijn: - De boringen worden dusdanig over de terp/terpzool gezet dat op tenminste 3 punten de begrenzingen van de opduiking kan worden vastgesteld. - Er dient gewerkt te worden met een gutsboor om de getandheid en/of gelaagdheid van antropogene lagen goed te bestuderen - De boorkernen worden nat gezeefd over een metalen zeef om archeologische indicatoren te kunnen verzamelen. De indicatoren worden door een archeoloog of een materiaalspecialist geanalyseerd en gedateerd. Van de boorraai wordt een Noord-zuid profiel gemaakt en een Oost-westprofiel, waarin de terplagen (indien aanwezig) duidelijk worden weergegeven t.o.v. maaiveld en NAP. Voorafgaand aan het aanvullend booronderzoek wordt een Plan van Aanpak opgesteld dat ter toetsing wordt aangeboden aan gemeente Molenlanden en diens archeologisch adviseur. Dit advies is voorgelegd aan Ronald van Oosterbos van gemeente Molenlanden. Hij deelde de visie van Hamaland advies en raadt ook kruisraaiboringen aan. Aangezien de nieuw te bouwen woning (nr. 2) opgehoogd ten opzichte van het maaiveld gebouw zal worden, zal hier nauwelijks gegraven hoeven te worden. Kruisraaiboringen zijn hier niet noodzakelijk. Hierover is contact opgenomen met Sjoerd Raemaekers van de gemeente Molenlanden en Eric van der Kuijl van Hamaland advies.
Zij zijn eveneens van mening dat kruisraaiboringen niet nodig zijn als de nieuw te bouwen woning verhoogd aangelegd zal worden. Ook kan dan de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen ter plaatse van de woning. Deze beslissing is door gemeente Molenlanden geformuleerd in een selectiebesluit (05-01-2021). Onder de rietgedekte schuur zijn geen archeologische waarden meer aanwezig die met de bouw van een nieuwe woning bedreigd zullen worden, deze zijn met de bouw van de huidige schuur namelijk verdwenen. Dit volgt uit het bouwhistorisch onderzoek van Bureau Helsdingen. Ook hier zullen kruisraaiboringen niet noodzakelijk zijn, mits de nieuwe woning op de plattegrond van de te slopen schuur wordt gebouwd.
36
Afbeelding 10: Boorlocatiekaart (het gebied tussen de rode en de bruine lijn was toen het onderzoek werd uitgevoerd onderdeel van perceel 724 maar in de huidige situatie niet meer). Conclusie Het onderhavige plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de functieaanduidingen 'Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 8’ overgenomen uit het bestemmingsplan “Buitengebied Graafstroom’ inclusief ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’’. De dubbelbestemming kan ter plaatse van de nieuw te bouwen woning op nr. 2 opgeheven worden. De bodemverstorende werkzaamheden zullen de vrijstellingsnorm niet overschrijden. Mocht dit toch gebeuren zal onderzoek d.m.v. kruisraaiboringen worden uitgevoerd.
5.7.2 Bouwhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken
37
naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet De Erfgoedwet beschermt de rijksmonumentale boerderij met monumentnummer 29962. De boerderij is sinds 12 mei 1970 ingeschreven in het rijksmonumentenregister. De omschrijving in het rijksmonumentenregister is als volgt: Monumentale boerderij (XVII) onder rieten dak. In het woongedeelte hoog gelegen kamer met vloeddeur, geflankeerd door twee vensters met luiken en zesruitsramen. Ontlastingsbogen met vulling van siermetselwerk. Links een venster met middenstijl rechts een smal venster met luikje en middendorpel. Onderzoek In de Rijksmonumentale boerderij is door Bureau Helsdingen in 2013 een bureau- en veldonderzoek in de vorm van een bouwhistorische notitie uitgevoerd. De aandacht ging vooral uit naar de stal en het onderzoek geeft een beschrijving en waardering van de situatie voordat de huidige tuinkamer werd gerealiseerd. De waardestellingstabel en -plattegrond (afbeelding 11) uit het onderzoek zijn als volgt: Gebouwonderdeel Buitengevels
Beschrijving
Bouwhistorische waardering De rechtergevel en de achtergevel zijn aangepast in 1970. De Positief opzet met een voetmuur van IJsselstenen en een opbouw van houten potdekselwerk is behouden. De linkergevel heeft nog de oorspronkelijke voetmuur en de Hoog kleine stalramen. Gevelopenin- Alle gevelopeningen op de begane grond zijn bij de veranderin- Positief tot indifferent gen achtergevel gen in 1970 vervangen. Alleen de groepdeur van de oorspronkelijke stal zit nog op dezelfde plaats. Gevelopenin- Twee stalramen zijn nog oorspronkelijk. Raam en deur zijn van Positief gen rechterzij- plaats gewisseld. gevel GebintconVan de gebintstijlen zijn de onderste delen, die te zien zijn op de Indifferent structie begane grond, bijna allemaal vervangen door stalen kolommen. Vloer De vloer is geheel van beton, met daarin de koestanden uit 1970. Indifferent Op de plaats van het melklokaal is de vloer gelijk gemaakt met het oog op de plaatsing van de melktank. Zolder mid- De zolder van de middendeel en de zolder van de linkerzijbeuk Hoog denbeuk en hebben de oorspronkelijke balklagen en vloerhout. linkerzijbeuk Zolder rechter In de rechterzijbeuk is in 1970 een balklaag gelegd met vloerhout Indifferent zijbeuk gelegd, van sloophout.
Tabel 7: bouwhistorische waardestellingstabel
38
Afbeelding 11: Waardestellingstekening van het achterste deel van de rijksmonumentale boerderij. Tekening Bureau Helsdingen, 2013. Het onderzoeksrapport van Bureau Helsdingen dateert uit 2013 en is, aangezien de boerderij daarna intern is verbouwd, inmiddels niet meer actueel. Daarom zal Bureau Helsdingen voorafgaand aan de ontwerpfase de boerderij nogmaals onderzoeken en een geactualiseerd bouwhistorisch rapport leveren waarin de bouwhistorische waarden van het voorhuis en de bijgebouwen ook worden meegenomen. Ook al is het rapport uit 2013 toe aan een actualisering, de aanwezige bouwhistorische waarden in het achterhuis zijn op hoofdlijnen bekend. Aangezien de boerderij een rijksmonumentale status heeft, kan men redelijkerwijs aannemen dat deze bouwhistorische waarden, met name de onderdelen met een hoge waardering, nog steeds aanwezig zijn.
39
De bevindingen in het geactualiseerde rapport van Bureau Helsdingen zullen een zwaarwegende factor zijn in het ontwerp. Het geactualiseerde rapport zal door de monumentencommissie worden gebruikt bij de advisering over de omgevingsvergunning. Conclusie Middels het onderhavige plan blijft de economische functie van het rijksmonument gewaarborgd, waardoor leegstand en verloedering worden voorkomen en de instandhouding van het rijksmonument wordt geborgd. Het onderhavige plan ondervindt wat betreft het aspect bouwhistorie geen belemmeringen in juridisch-planologische zin. De bevindingen in het geactualiseerde rapport van Bureau Helsdingen zullen een zwaarwegende factor zijn in het ontwerp.
5.8 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: - Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); - Belevingswaarde; - Samenwerking; - Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: - Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie);
40
-
Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening 'de Keur' Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of Bwatergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunningsen/of meldingsplichting. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen (zie afbeelding 12). De bouw- en sloopwerkzaamheden zullen plaatsvinden buiten de beschermingszones van de nabijgelegen A- en B-watergangen.
Voor deze geplande werkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland niet vereist dan wel noodzakelijk. Wel zal er ten behoeve van de nieuw te bouwen woning Graafdijk-West 2 een nieuwe oprit worden gerealiseerd. Hiervoor zal een vergunning worden aangevraagd bij Waterschap Rivierenland.
Afbeelding 12: Uitsnede legger wateren
41
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dd. 27-01-2020). Het noorden van het plangebied is gelegen binnen peilgebied NDW005 (Molenaarsgraaf Hoog), het zuiden in NDW003 (Molenaarsgraaf en Giessen Oudebenedenkerk) (zie afbeelding 14). Het noordelijke peilgebied heeft een zomerpeil van -1,75 meter NAP en een winterpeil van –1,80 meter NAP, het zuidelijke respectievelijk -1,85 en -1,95. De uitkomsten van de digitale watertoets, die rekening houden met het noorden van het plangebied, waar de veranderingen plaats zullen vinden, zijn opgenomen in de bijlagen. Hieronder een korte samenvatting van de relevante punten uit de uitgangspuntennotitie.
Afbeelding 13: Uitsnede peilgebiedenkaart Uitgangspuntennotitie Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in het stedelijk gebied of kleiner dan 1500 m² in het landelijk gebied. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling. Het plangebied is zodanig gekozen dat dit gebied buiten de kernzone van de dijk blijft en geen raakvlak heeft met het waterstaatswerk van de dijk. Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen in de Alblasserwaard is die strook 5 meter breed, gemeten uit de insteek. Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. 3 3
Hierover is contact gelegd met de gemeente Molenlanden, team Beheer Buitengebied. Zie de opmerkingen over de riolering in hoofdstuk 5.11.
42
Conclusie Voor de aanleg van de oprit ten behoeve van Graafdijk-West 2 zal een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Voor het toevoegen van extra (half)verhard oppervlak zal de initiatiefnemer gebruik maken van zijn eenmalige vrijstelling. Het is niet nodig om watercompensatie aan te leggen; er komt maximaal 498 m² extra verharding op het erf4. De nieuw aan te leggen sloot, die tevens dienst zal doen als erfafscheiding, zal de afwateringscapaciteit verder vergroten. De afdeling vergunningen van het waterschap zal toetsen of dit plan in aanmerking komt voor vrijstelling. Verder is de accountmanager van het waterschap bij het plan betrokken en zullen de uitgangspunten en adviezen uit de watertoets worden meegenomen in de planvorming. Het waterschap wordt, als het waterschap dit nodig acht, geregeld geïnformeerd over de progressie van de voorbereidende fase van het onderhavige plan.
5.9 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door IDDS een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rusten verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Wel moet rekening worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven.
De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11
1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: - dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, - indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmate4 De verharding zal gedeeltelijk bestaan uit halfverharding. Het totale oppervlak aan halfverharding zal maximaal 764
m² bedragen. De betonplaat van 94,5 m² achter de boerderij is van belang voor de fundering van de boerderij en kan niet worden verwijderd. (764 m² / 2) + 1844 m² = 2226 m² en 2226 m² - 1728 m² = 498 m².
43
riaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd en niet machinaal worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten.
De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1
1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1
Geadviseerd het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor aanvang broedseizoen (half maart) of na augustus. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Soort(groep)
Ingreep storend
ver- Nader onder- Ontheffing zoek
Vleermuizen
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden Nee zoogdieren Vogels Nee Amfibieën en Nee* reptielen Vaatplanten Nee Overige soorten Nee
Nee
Nee
Geen verblijfplaatsen aanwezig, het gebied heeft geen (essentiële) functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig.
Nee Nee
Nee Nee
* zie zorgplicht vogels Geen beschermde soorten aanwezig
Nee Nee
Nee Nee
Geen beschermde soorten aanwezig Geen beschermde soorten aanwezig.
Tabel 8: aangetroffen soorten
Bijzonderheden/ opmerkingen
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,1 km is het Natura2000-gebied Donkse Laagten gelegen. Overige Natura2000gebieden zijn op grotere afstand gelegen. De planlocatie is op 2,1 km afstand tot het Natuurnetwerk Nederland gelegen (zie afbeelding 14). De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie veelal onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura2000-gebieden te groot is en dat de mate van deze verstoringsfactoren niet zullen leiden tot een toename. Tevens zorgen de tussengelegen percelen, woningen en infrastructuur voor voldoende bufferwerking om deze (eventuele) tijdelijke effecten te ondervangen.
De ontwikkeling resulteert niet in een significant verhoogde verkeersintensiteit en/of stikstofdepositie. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden is externe werking geen toetsingskader.
44
Afbeelding 14: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied De Donkse Laagten en het Natuurnetwerk Nederland. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de te treffen maatregelen worden genomen.
5.10 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer (Wm). Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden.
Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het
45
Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart Onderzoek Volgens de risicokaart (zie afbeelding 15) bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die onder het Bevb vallen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Invloed transport gevaarlijke stoffen – spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.