CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125’

Raadsvergadering 10 december 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Bestemmingsplan Zuidzijde 125 Goudriaan24.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

41

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet er een beschrijving plaatsvinden van de behoefte van deze ontwikkeling. Daarnaast dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in deze behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is wettelijk verplicht wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening wordt onder een ‘stedelijke ontwikkeling’ het volgende verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Een verdere beschrijving van wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het besluit niet opgenomen. Jurisprudentie biedt inmiddels een beoordelingskader van welke ontwikkelingen al dan niet als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘Verplaatsing van een functie die als was toegestaan binnen datzelfde gebied waarbij het bebouwd oppervlak niet toeneemt is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2316).’ ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724). Het realiseren van 12 woningen wordt wel gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953).’ Op dit moment is het juridisch-planologisch mogelijk om bedrijvigheid te vestigen.

Met het toestaan van een bedrijfsgebouw voor het bedrijf van de initiatiefnemer in dit plan, wordt voorzien in de verplaatsing van een bedrijfsloods binnen hetzelfde perceel. Derhalve is in dat kader geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verder zijn op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ 4 woningen toegestaan. Dit plan voorziet in het realiseren van maximaal 12 woningen en een zorgrecreatiewoning. Daarmee voorziet het plan in een juridischplanologische toevoeging van maximaal 8 woningen. Ook daarmee is volgens jurisprudentie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft dus niet doorlopen te worden. 42

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat hierbij het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevings- waarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, maar wel binnen de contouren van de ‘bebouwde ruimte’.

Binnen het gebied ‘bebouwde ruimte’ (systeem van kernen en linten) streeft de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten van deze ruimte 43

voor een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied door het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie. Het plan voorziet in een verdichting en functionele wijziging van een bestaand bedrijfsperceel. De bedrijfsgebouwen op het bedrijfsperceel zijn reeds verwijderd, waardoor de locatie vrij is gekomen voor een nieuwe invulling. De nieuwe invulling voorziet in de realisatie van maximaal 12 burgerwoningen (juridisch-planologische toevoeging van maximaal 8 woningen), een zorgrecreatiewoning en een bedrijfsgebouw voor een elektrotechnisch installatiebedrijf. Het plan voorziet hiermee in het beter benutten van de bestaande ruimte. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plan heeft het doel om de locatie op te waarderen en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het perceel betrof een bedrijfsperceel waarop enkele bedrijfsgebouwen aanwezig waren ten behoeve van een garagebedrijf. Alle bedrijfsgebouwen zijn reeds gesloopt, waardoor het plangebied herontwikkeld kan worden. Het planvoornemen is om op de voorzijde van het perceel woningen te bouwen met de uitstraling van een boerenerfensemble. Dit wordt bewerkstelligd door een woonboerderij te realiseren waarin eengezinswoningen, seniorenwoningen en starterswoningen worden toegevoegd. De woonboerderij zal worden opgetrokken uit bakstenen gevels, voorzien van een landelijke en traditionele kap. Rondom de woonboerderij worden ‘verstrooid’ over het achtererf drie vrijstaande woningen gebouwd in de vorm van schuurwoningen. De schuurwoningen zijn architectonisch ondergeschikt aan de woonboerderij en zullen daardoor aandoen als agrarische schuren bij de woonboerderij. Er onstaat zodoende een boerenerfensemble.

Achterop het plangebied wordt er verder een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd ten behoeve van het elektrotechnisch installatiebedrijf van één van de initiatiefnemers. Het bedrijfsgebouw wordt ook met een passende architectuur vormgegeven. Tenslotte wordt naast de bedrijfsloods een zorgrecreatiewoning gerealiseerd. Er worden aanvullende ruimtelijke maatregelen genomen om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Zo worden er knotwilgenrijen aangebracht en wordt er overig streekeigen groen aangeplant. De parkeerplaatsen worden aangelegd met graskeien, waardoor de parkeerplaatsen een groenere uitstraling krijgen en het hemelwater gemakkelijker de bodem kan infiltreren. Een zichtlijn vanaf de woning Zuidzijde 124a naar het achtergelegen open slagenlandschap blijft behouden. 44

Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij het uitgangspunt. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en een interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Er ontstaat daarmee ruimte voor maatwerk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in het gebied ‘rivierklei en veen’.

Afbeelding 30: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de ondergrond

Rivierklei en veen De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie heeft de provincie Zuid-Holland de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk 45

hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. De provincie heeft hiervoor de volgende richtpunt opgenomen: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het plan voorziet niet in het onherkenbaar maken van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’.

Afbeelding 31: Uitsnede kwaliteitskaart – laag van de cultuur- en natuurlandschappen

Veenweidelandschap De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. In delen is het voor de oeverwallen kenmerkende fruitteelt aanwezig. De kommen zijn grootschalig met regelmatige 46

(cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar en staan dan ook niet op kaart. Voor het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgelegd: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Het plangebied maakt onderdeel uit van het woonlint langs de Zuidzijde. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande structuur van het woonlint. Het plan voorziet in het realiseren van een boerenerfensemble, passend bij de omgeving. Ten zuiden van de wetering begint het open veenweidepolder. Voorbij de wetering voorziet het plan dan ook niet in ontwikkelingen, de openheid blijft hier behouden. Verder wordt binnen het plangebied water gedempt.

Het betreft een ietwat gebiedsvreemde watergang voor de wetering welke eind jaren ’80 is gegraven. Ter compensatie wordt er nieuw water gegraven in de vorm van een lengtesloot, waardoor een kenmerkend landschapselement wordt gerealiseerd. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘dorps- en stadsranden’. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’: het front, het contact en de overlap. Op de kaart zijn de hoogwaardige en bijzondere fronten terug te vinden. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. 1. De kwaliteit van het front (‘contrast’) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. 2.

Contactkwaliteit (‘contact’) Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. 47

3. De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts.

Afbeelding 32: Uitsnede Kwaliteitskaart – laag van de stedelijke occupatie

Voor ontwikkelingen in het ‘stads- en dorpsranden’ heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plan sluit aan bij het richtpunt voor ‘stads- en dorpsranden’. De ontwikkeling wordt gerealiseerd in het verlengde en binnen de structuur van het bestaande woonlint. De klinkerbestrating door het plangebied heeft de functie als ruimtelijk ader waarover tevens een landschappelijk doorzicht naar het achtergelegen open slagenlandschap loopt. Laag van de beleving Het plangebied is gelegen in het gebied ‘stiltegebieden’.

48

Afbeelding 33: Uitsnede kwaliteitskaart - laag van de beleving

Stiltegebieden De stiltegebieden zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied. De provincie hanteert hiervoor het volgende richtpunt: • In de stiltegebieden is alleen ruimte voor “gebiedseigen” geluid. Het plan voorziet in het verwijderen van een groot deel van de bedrijfsbestemming. Binnen de bedrijfsbestemming zijn diverse bedrijven toegestaan die veel geluid kunnen produceren. Daarvoor in de plaats voorziet dit plan in het realiseren van woningen en een zorgrecreatiewoning. Deze woningen zullen ten opzichte van de huidige toegestane bedrijven minder geluid produceren. Daarnaast voorziet het plan niet in lawaaisporten of andere activiteiten die niet binnen een stiltegebied thuishoren. Daarmee is dit plan niet in strijd met het richtpunt voor stiltegebieden. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd.

In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe 49

ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en, ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het betreft een ontwikkeling die aansluit bij de bestaande identiteit en structuurniveau. Er wordt een bedrijfsperceel gesaneerd, waarna het perceel een nieuwe en passende invulling krijgt. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau. Stiltegebied In §3.4.3 zijn in de Omgevingsverordening regels opgenomen voor stiltegebieden. Iedereen die weet of kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten de rust significant verstoord in een stiltegebied, dient dit handelen na te laten of zoveel als mogelijk te beperken. Hierom zijn bijvoorbeeld toertochten voor motorrijtuigen, waterscooters en snelle motorboten verboden.

En ook het gebruik van motorrijtuigen buiten de openbare weg of voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen is verboden. Het verbod geldt niet voor het gebruik van motorrijtuigen die in verband staan met de uitoefening van onder andere landbouw.

50

Het plan voorziet in het verwijderen van een groot deel van de huidige bedrijfsbestemming. Binnen de bedrijfsbestemming zijn diverse bedrijven toegestaan, welke geluid kunnen produceren. In de plaats daarvoor worden woningen en een zorgrecreatiewoning gerealiseerd, welke ten opzichte van de huidige toegestane bedrijven minder geluid zullen produceren. Daarnaast voorziet het plan niet in lawaaisporten of andere activiteiten die niet binnen een stiltegebied thuishoren. Buitengebied Volgens artikel 6.9a kan een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied alleen voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Zuidzijde, ten oosten van de dorpskern van Goudriaan met daarachter over de wetering het open polderlandschap. De lintbebouwing concentreert ter plaatse aan de zuidzijde van de Zuidzijde en wordt veelal begrensd door de achtergelegen wetering. De lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes.

Hier en daar is de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De verkavelingsrichting van het landschap is haaks op de Zuidzijde gericht. Ondanks dat de bebouwing zich heeft geconcentreerd aan de Zuidzijde, is hier en daar voorbij de wetering gebouwd. Voorbij de wetering wordt het gebied gekenmerkt door het archetypisch polderlandschap. Het landschap kenmerkt zich door openheid, hier kan men nog ver van zich afkijken. Het heeft een sterk agrarische identiteit en het landschap wordt met name gevormd door de rechte verkaveling met daaraan parallel de watergangen en haaks daarop de weteringen.

51

Plangebied

Afbeelding 34: Kenmerken plangebied en landschap in de omgeving

De uitbreiding vindt plaats binnen de ‘bebouwde zone’ voor de wetering. Daarmee tast het plan de openheid van de polder niet aan. Er wordt niet voorbij de wetering gebouwd. Daarnaast wordt met de aanplant van streekeigen beplanting het groene karakter van het landschap versterkt en wordt er gezorgd voor een zachtere overgang van landschap naar bebouwde omgeving. Tenslotte wordt aangesloten bij de karakteristieken van het landschap door een lengtesloot aan te leggen. Stedelijke ontwikkelingen In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling (zie tevens §3.1.3). De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.

52

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde bedrijfspercelen niet wenselijk. Middels dit plan krijgt het bedrijfsperceel een nieuwe functie in de vorm van woningbouw, een zorgrecreatiewoning en een bedrijfsperceel voor een lokale ondernemer.

Daarmee voorziet het plan in het verdichten en het beter benutten van de locatie in het lint en wordt deels invulling gegeven aan de ambitie om linten te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om deze goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen de gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar.

Goudriaan is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp. Woondorpen vinden voorzieningen op korte afstand in het naastgelegen voorzieningendorp. Woondorpen hebben een hechte gemeenschap dat gebruik maakt van een sterk

53

lokaal sociaal netwerk. Uitbreiding van de woningvoorraad speelt in op de lokale vraag. Het plan betreft een kleinschalige nieuwbouwontwikkeling dat inspeelt op de concrete woningbehoefte in Goudriaan. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod bestaande uit 12 woningen. Met het plan worden 2 eengezinswoningen, 3 seniorenwoningen, 4 starterswoningen en 3 vrijstaande woningen gerealiseerd. Eventueel kan de ontwikkelende partij een starterswoning laten vallen, omdat de woningen in de woonboerderij in dat geval bouwtechnisch beter te realiseren zijn. Het woningbouwprogramma van het plan is zorgvuldig afgewogen. Het plan sluit aan bij de vier strategieën van de woonvisie om starters mogelijkheden bieden (starterswoningen), doorgroeiers te binden (eengezinswoningen en vrijstaande woningen), senioren te bedienen (seniorenwoningen) en doorstroming te stimuleren (eengezinswoningen en vrijstaande woningen). Het plan richt zich op een brede doelgroep. Het plan is zeer aantrekkelijk voor starters die op deze wijze in Goudriaan kunnen blijven wonen. Het project is tevens aantrekkelijk voor mensen die vanuit hun eerste woning of huurwoning een stap willen maken in hun wooncarrière. Hierdoor komen weer huurwoningen en goedkope koopwoningen beschikbaar voor starters. De woningen zijn regionaal afgestemd en akkoord bevonden.

54

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2030 Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1. Inclusieve samenleving 2. Leefomgeving 3. Economie 4. Recreatie & Toerisme 5. Klimaat & Energie 6. Bereikbaarheid Het plan voorziet in het saneren van een bedrijfsperceel en een nieuwe invulling in de vorm van woningen, een bedrijfsgebouw voor een kleinschalig bedrijf en een zorgrecreatiewoning. De gemeente voorziet dat vermogen steeds meer bepaalt of je de woningmarkt op kan. Woningen worden steeds duurder en de betaalbaarheid van de woningen neemt af. Er ligt een grote bouwopgave binnen de gemeente. Molenlanden wenst daarbij de identiteit van de dorpen in stand te houden en voldoende, betaalbare en geschikte woningen voor verschillende doelgroepen te bouwen.

Dit plan voorziet in de toevoeging van woningen voor diverse doelgroepen, er wordt namelijk voorzien in eengezinswoningen, seniorenwoningen, starterswoningen en vrijstaande woningen. Daarmee voorziet het plan in het aanbieden van woningen voor elke doelgroep (aspect leefomgeving). Het perceel is op dit moment voorzien van een bedrijfsbestemming. Maximale invulling van de planologische mogelijkheden zal leiden tot een nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf met 1.625 m² aan bedrijfsgebouwen. In plaats daarvan voorziet het plan in de toevoeging van woningen, een zorgrecreatiewoning en een bedrijfsgebouw van maximaal 850 m² voor een klein lokaal bedrijf (elektrotechnisch installatiebedrijf). Omdat de nieuwe invulling voorziet in de vestiging van een klein lokaal bedrijf en onderzocht is dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat (zie §4.5 van deze toelichting). Daarmee wordt geconcludeerd dat het lokale bedrijf passend is op deze locatie, waardoor een lokale ondernemer wordt geholpen met zijn ondernemerschap (aspect economie). De zorgrecreatiewoning wordt specifiek beschikbaar gesteld voor woongroepen of gezinnen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking en zal worden voorzien van maximaal 10 bedden.

Er wordt daarmee bijgedragen aan het aanbod van recreatie voor een kwetsbare doelgroep, zodat zij ook de mogelijkheid krijgen om te genieten van hetgeen Molenlanden te bieden heeft op het gebied van recreatie en er meer aandacht voor deze doelgroep ontstaat (aspect inclusieve samenleving). Daarnaast is het de wens van de gemeente om een sterke 55

vrijetijdseconomie te realiseren. Het toevoegen van een zorgrecreatiewoning aan het recreatieaanbod draagt daar aan bij (aspect recreatie & toerisme). 3.4.2 Woonvisie Molenlanden In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos.

• Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Daarnaast geldt voor Goudriaan het volgende: Er is vooral behoefte aan betaalbare woningen, deels gericht op starters (< €250.000), deels op senioren die op zoek zijn naar een levensloopgeschikte woning in het eigen dorp. Het is daarom van belang om in te zetten op een flexibel (grondgebonden) woonproduct dat zowel aantrekkelijk is voor starters als senioren. Er is beperkt ruimte voor (middel)dure koopwoningen, maar de bestaande voorraad lijkt in de basis voldoende in dit segment te voorzien. De totale woningbouwopgave komt uit op 25 woningen voor de periode 2020 t/m 2029. Het plan voorziet in het realiseren van betaalbare woningen. Deze worden gerealiseerd in het boerderijvolume, waarbij deze zullen bestaan uit starterswoningen en seniorenwoningen. Het plan sluit hiermee goed aan op de woonvisie. Door het toevoegen van deze type woningen alsmede eengezinswoningen en vrijstaande woningen, zal het plan voorzien in een doorstroming in de (lokale) woningmarkt.

3.4.3 Toeristische Agenda Molenlanden Het beleid van de gemeente Molenlanden en de regio AlblasserwaardVijfheerenlanden op het gebied van toerisme en recreatie is vastgelegd in de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM). Molenlanden werkt de komende jaren aan onderstaande ambities:

56

• • •

• •

Versterken van de vrijetijdseconomie, verhogen van de bestedingen en werkgelegenheid; Toeristen komen specifiek voor het verhaal van Molenlanden. Dit kan door de beleving van iconen in het landschap te verbeteren; Toerisme is in balans. Toerisme moet niet voor overlast zorgen (bij de inwoners of het landschap), maar juist bijdragen aan maatschappelijke doelen, zoals duurzaamheid en mobiliteit. Dit vraagt om ontwikkeling op passende schaal; De kansen voor toerisme worden benut door regionale samenwerking, o.a. met de provincie en door regiomarketing (‘t Groene Hart); De vrijetijdssector kan (nog beter) bijdragen aan educatie en opleidingen van jongeren in de omgeving.

Concreet wil de gemeente de volgende doelen bereiken: 1. Molenlanden gaat inzetten op de ontwikkeling van dagrecreatieve bestemming naar een aantrekkelijke bestemming voor meerdaags verblijf. Dit betekent concreet ruimte voor meer (verblijfs)recreatieve voorzieningen. De ambitie is om de verblijfsrecreatie (aantal slaapplaatsen) in Molenlanden met 30% te laten groeien naar 2025 ten opzichte van 2020. De gemeente verzilvert hiermee de verwachte groei conform het landelijk gemiddelde. 2. De algehele leefbaarheid voor onze inwoners mag door de toeristische ontwikkeling niet achteruitgaan. De gemeente monitort de balans tussen toerisme en de leefbaarheid. Monitoring leidt tot inzicht in eventuele verbeterpunten aangaande leefbaarheid waaraan gewerkt wordt. 3. De gemeente gaat in haar werkwijze ruimte inbouwen voor ‘samen leren’, het omarmen van innovatieve ideeën en het starten van pilots. Het plan voorziet in het realiseren van een zorgrecreatiewoning met maximaal 10 bedden. Daarmee draagt het plan bij aan de ambitie van Molenlanden om de verblijfsrecreatie met 30% te laten groeien. 3.4.4 Parapluherziening Parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen – waaronder de parkeernormbepaling – uit de Bouwverordening komen te vervallen.

Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst. Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Molenlanden wenst dan ook over de mogelijkheid te beschikken tot het stellen van eisen aan het parkeren. Middels het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ bezit de gemeente een eenduidige regeling, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van het aspect parkeren. De parkeerregeling in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is overgenomen in dit bestemmingsplan.

57

3.4.5 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten In oude bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. In veel oude bestemmingsplannen waren bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten. De regeling en begrippen die zijn opgenomen in het paraplubestemmingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan.

58

4

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Aan de hand van voornoemd plan voor de nieuwe invulling van het perceel Zuidzijde 125 te Goudriaan zal de vraag beantwoord moeten worden of een m.e.r.(beoordelings)plicht geld. Het plan voorziet in de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject, welke wordt genoemd in onderdeel D11.2 in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor deze categorie geldt een directe m.e.r.-plicht indien het plan voorziet in een oppervlakte van 100 hectare, 2.000 woningen en/of 200.000 m² aan bedrijfsvloeroppervlak. Gezien de kleinschaligheid van dit plan geldt er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Er geldt echter wel de vergewisplicht.

Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het mogelijk maximaal 12 woningen, een bedrijfsgebouw van maximaal 850 m² en een zorgrecreatiewoning te realiseren. De woningen worden gerealiseerd in de vorm van een woonboerderij en vrijstaande schuurwoningen. In de woonboerderij worden eengezinswoningen, seniorenwoningen en starterswoningen gerealiseerd. Behoudens de standaard toegestane aan-huisgebonden beroepen/bedrijven zullen bij de woningen geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Achterop het plangebied wordt een bedrijfsgebouw van maximaal 850 m² gerealiseerd ten behoeve van een elektrotechnisch installatiebedrijf. Een groot deel van dit gebouw zal worden ingericht als kantoor en opslagruimte. Zodoende worden er geen producten geproduceerd en zal het bedrijf geen afvalstoffen produceren, anders dan regulier bedrijfsafval. Verder wordt een zorgrecreatiewoning gebouwd met maximaal 10 bedden voor mensen met een beperking. Ook hier vindt er geen productie van afvalstoffen plaats, anders dan regulier huisafval. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Goudriaan, langs de Zuidzijde.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een Belangrijk weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde 59

Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van 4,6 kilometer (Uiterwaarden Lek), het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland op een afstand van circa 840 meter en het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied is gelegen aan de andere zijde van de wetering. ca. 4,6 km

ca. 840 m

Afbeelding 35: Kortste afstand plangebied tot NNN en Natura 2000-gebied

Afbeelding 36: Afstand plangebied tot Belangrijk weidevogelgebied

60

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Uit de verkeersgeneratieberekening (zie §2.2.3) blijkt dat de ontwikkeling zelfs voorziet in een afname van het aantal verkeersbewegingen als dat wanneer gebruik zou worden gemaakt van de huidige planologische mogelijkheden. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende paragrafen worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieueffecten. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wm.

61

4.2 Waterparagraaf Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsverordening Rivierenland De waterschapsverordening is een uitwerking van artikel 2.5 van de Omgevingswet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar in ons gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening bevat de regels van het Waterschap Rivierenland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiverings-technische werken en de wegen die in beheer zijn bij het waterschap. Ook bevat de verordening regels over lozingen. Het waterschap werkt met het 'ja, mits'-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden.

Daarnaast is voor gebieden waar in de toekomst specifieke ontwikkelingen gaan plaatsvinden een uitzondering gemaakt voor de toepassing van de waterschapsverordening. Deze gebieden zijn gereserveerd voor het verruimen, verleggen of wijzigen van waterstaatswerken. Zo wordt voorkomen dat initiatieven 62

worden uitgevoerd die op een later moment, door de aanleg op wijziging van een waterstaatswerk, weer ongedaan moet worden gemaakt. Onderdeel van de waterschapsverordening is de digitale kaart. Deze kaart geeft aan waar en welke regels van de waterschapsverordening gelden. Deze regels op de kaart worden werkingsgebieden genoemd. De werkingsgebieden zijn gekoppeld aan de regels uit de verordening. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW047. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,74 meter NAP en een winterpeil van -1,79 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 37: Uitsnede kaart peilgebieden

Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire of regionale waterkering. Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Rondom en in het plangebied zijn vijf C-watergangen en twee A-watergang (de wetering) gelegen.

63

A-149697 C-045310

C-045310

C-045311 C-045247

C-045256

A-000580 Afbeelding 38: Uitsnede legger wateren

De werkzaamheden vallen buiten de beschermingszones van de watergangen. Wel voorziet het plan in het (deels) dempen van C-watergangen 045311, 045247, 045256. Voor het dempen van water dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Waterberging en -compensatie Dempen watergang Het plan voorziet in het dempen van C-watergangen 045311, 045247, 045256. In totaal wordt hiermee 247 m² gedempt. Voor het dempen van watergangen geldt dat de demping voor 100% gecompenseerd moet worden. Verder worden ten behoeve van de voorbelasting en bouwwerkzaamheden Cwatergangen 045247 en 045256 gedeeltelijk en tijdelijk gedempt. Na afronding van de werkzaamheden worden de watergangen weer hersteld. Voor het dempen en het graven van water dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

64

Afbeelding 39: Te dempen en te graven watergangen

Verharding Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen hoeveel watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Om te bepalen hoeveel watercompensatie nodig is, is uitgegaan van het ontwerp zoals deze nu bekend is. In het ontwerp zijn geen verhardingen opgenomen op de woonpercelen. Derhalve wordt aangesloten bij de verhardingspercentages die het waterschap hanteert voor de verschillende woningtypologieën. Uiteindelijk zal in de watervergunning het definitieve ontwerp toegevoegd worden, waarmee de uiteindelijke en definitieve watercompensatie zal worden vastgesteld.

65

Tabel 4: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Gebouwen Verhardingen

Oppervlakte 1.424,0 m² 1.084,0 m²

Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Kavels woonboerderij (90% van opp. kavels: 992 m² ) Kavels schuurwoningen (70% van opp. kavels: 1.322 m² ) Kavel zorgrecreatiewoning (90% van opp. kavels: 381 m² ) Bedrijfsgebouw Verharding Halfverharding, 50% van opp.: 425 m²) Eenmalige particuliere vrijstelling

2.508,0 m² 892,8 m² 925,4 m² 342,9 m² 867,0 m² 1.527,7 m² 215,5 m² -500 m²

Totaal nieuwe situatie

4.271,3 m²

Verschil

Toename 1.763,1 m²

Afbeelding 40: Overzicht verhardingen

66

Rekensom watercompensatie Met het plan wordt 247 m² aan watergangen gedempt. Hetzelfde oppervlak dient gecompenseerd te worden. Verder voorziet het plan in een toename aan verharding van 1.763,1 m². Conform de stelregel van het waterschap dient 76,9 m³ (1.763,1 × 0,0436) aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peil van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 385,4 m². In totaliteit zal dus 631,4 m² aan water gegraven worden. De watercompensatie dient in beginsel in hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De watercompensatie kan binnen het plangebied plaatsvinden langs de wetering, maar eventueel zou de watercompensatie ook aan de andere zijde van de wetering plaats kunnen vinden. Hoe de exacte watercompensatie wordt gerealiseerd is thans nog niet bekend, dit wordt inzichtelijk gemaakt bij de aanvraag voor de watervergunning. Door de initiatiefnemer is reeds een vergunning aangevraagd, welke door het waterschap is verleend (kenmerk waterschap: 2020031459/2020125599). Het dempen en graven van de watergang is daarmee op dit moment toegestaan. Het plan is inmiddels gewijzigd, waardoor de compensatie ten aanzien van de verhardingstoename herzien dient te worden. Bij de vergunningaanvraag is al wel inzichtelijk gemaakt dat de compensatie op of bij het plangebied kan plaatsvinden.

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK’s-Houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. De initiatiefnemers zijn geïnformeerd over de functie van een regenton, waarmee regenwater dat valt op een dak van een gebouw, vastgehouden en vervolgens gebruikt kan worden. Verder is in de directe omgeving van het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te kunnen voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe

67

woningen, de zorgrecreatiewoning en het bedrijf worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Het is aan de initiatiefnemer om een nieuwe aansluiting op de locatie mogelijk te maken in overleg met de rioolbeheerder. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Wegbeheer Het waterschap is wegbeheerder van de weg Zuidzijde en het nieuwe kruispunt dat daarin ligt. De gemeente wordt wegbeheerder van de nieuwe (ontsluitings)weg in het plangebied. Op de (ontsluitings)weg in het plangebied wordt een komportaal geplaatst. Daardoor komt het plangebied binnen de bebouwde kom te liggen. Het onderhoud van het openbare gebied komt daarmee in handen van de gemeente. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Ten behoeve van de watercompensatie voor de verhardingstoename dient een nieuwe watervergunning aangevraagd te worden (ten opzichte van de reeds verleende watervergunning).

68

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein. Laatstgenoemde bronnen kunnen derhalve verder buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van het aspect bedrijfshinder als gevolg van het naastgelegen bedrijf wordt verwezen naar §4.5 van deze toelichting. Het plan betreft de realisatie van burgerwoningen, een bedrijfsgebouw en een zorgrecreatiewoning. In het kader van de Wgh zijn bedrijfsgebouwen en een zorgrecreatiewoning niet aan te merken als geluidgevoelige objecten, waardoor onderzoek naar de geluidbelasting op deze objecten niet hoeft plaats te vinden.

Burgerwoningen zijn echter wel geluidsgevoelig, waardoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden om de geluidbelasting op de woningen te onderzoeken. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Zuidzijde Vanwege de Zuidzijde is de hoogst berekende geluidbelasting op de nieuwbouwwoningen 46 dB. Deze geluidbelasting wordt berekend op de noordelijk georiënteerde gevels van de boerderijwoning(en) die het meest nabij de weg zijn gelegen. Op alle andere gevels van voornoemde woningen en de andere nieuwbouwwoningen van de ontwikkeling is de geluidbelasting lager.

69

Afbeelding 41: Geluidbelasting vanwege de Zuidzijde, inclusief aftrek Wgh

Daarmee wordt op alle gevels van de nieuwbouwwoningen van de herontwikkeling voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere grenswaarde vanwege deze weg. Noordzijde Vanwege de Noordzijde is de hoogst berekende geluidbelasting op de nieuwbouwwoningen 35 dB. Deze geluidbelasting wordt alleen berekend op de noordelijk georiënteerde gevels van de boerderijwoning(en) die het meest nabij de weg zijn gelegen. Op alle andere gevels van voornoemde woningen en de andere nieuwbouwwoningen van de ontwikkeling is de geluidbelasting lager.

Afbeelding 42: Geluidbelasting vanwege de Noordzijde, inclusief aftrek Wgh

Daarmee wordt op alle gevels van de nieuwbouwwoning voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere grenswaarde vanwege deze weg. 70

De Heuvel Vanwege De Heuvel is de hoogst berekende geluidbelasting 37 dB. Deze geluidbelasting wordt berekend op de westelijk georiënteerde gevel van de schuurwoning ten zuiden van de boerderijwoningen. Op alle andere gevels van voornoemde woningen en de andere nieuwbouwwoningen van de ontwikkeling is de geluidbelasting lager.

Afbeelding 43: Geluidbelasting vanwege De Heuvel, inclusief aftrek Wgh

Daarmee wordt op alle gevels van de nieuwbouwwoningen van de herontwikkeling voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere grenswaarde vanwege deze weg.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen. Ten aanzien van het aspect bedrijfshinder als gevolg van het naastgelegen bedrijf, wordt verwezen naar §4.5.

71

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 5: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Jaargemiddelde Fijnstof (PM10) concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=9fdd3654-d26a-4063-bf65-66d4e376276a